Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 12 februari 2026, nr. WJZ/99979492, tot wijziging van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies ten behoeve van EIP, onderdeel f, inzake Dierwaardige ketendeals [KetenID WGK 28122]

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op

  • verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013:

  • artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

  • artikelen 15 en 19 van de Landbouwwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 5.6.1. wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

legkip:

legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren;

opfoklegkip:

een nog niet legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden om, nadat het legrijp is geworden, als legkip te worden gehouden;

ouderdier:

dier als bedoeld in artikel 2.65a van het Besluit houders van dieren;

veehouderij:

landbouwbedrijf waar dieren bedrijfsmatig worden gehouden met het oog op de productie van dieren;

vleeskuiken:

dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.

2. In de begripsbepaling van ‘verordening 2023/2584’ wordt de punt vervangen door een puntkomma.

B

Artikel 5.6.2. wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het zesde lid wordt, onder vervanging van de punt in onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toepast gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen één van de volgende sectoren:

    • 1°. Legkippen, opfoklegkippen, vleeskuikens, of ouderdieren;

    • 2°. Varkens;

    • 3°. Rundvee.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel f, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste één veehouderij en ten minste één afzetkanaal.

C

In artikel 5.6.7. wordt ‘de subsidieplafonds voor de categorieën’ vervangen door ‘het subsidieplafond voor elke categorie’ en vervalt ‘onderdelen a, b, c en d,’.

D

In artikel 5.6.8, derde lid, wordt ‘onderdelen a en b’ vervangen door ‘onderdelen a, b en f’.

E

Aan artikel 5.6.10. wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Onverminderd het eerste lid onderbouwt de penvoerder in het projectplan van een project dat gericht is op de categorie bedoeld in artikel 5.6.2, zesde lid, onderdeel f, dat het project gericht is op maatregelen die verder gaan dan wettelijk verplichte maatregelen gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij.

ARTIKEL II

In de tabel horende bij artikel 3, tweede lid, van de Regeling Openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 worden aan de rij met betrekking tot Titel 5.6 de volgende rijen toegevoegd:

 

5.6.2, eerste en zesde lid, onderdeel f, subonderdeel 1

 

Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toegepast, gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen de sectoren legkippen, opfoklegkippen, vleeskuikens, of ouderdieren

02-04-2026 t/m 02-06-2026

€ 1.500.000

 

5.6.2, eerste en zesde lid, onderdeel f, subonderdeel 2

 

Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toegepast, gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen de sector varkens

02-04-2026 t/m 02-06-2026

€ 1.500.000

 

5.6.2, eerste en zesde lid, onderdeel f, subonderdeel 3

 

Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toegepast, gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen de sector rundvee

02-04-2026 t/m 02-06-2026

€ 3.000.000

ARTIKEL III

Aan artikel 6, tweede lid, onderdeel d, van de Regeling uitvoering NSP GLB 2023–2027 worden de volgende subonderdelen toegevoegd:

  • v. de Dierenbescherming;

  • vI. Biohuis;.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 12 februari 2026

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma

TOELICHTING

I. Algemeen

Met de voorliggende wijziging van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 en van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt een nieuwe module aan de subsidiemodule Samenwerken aan innovatie EIP (Hierna: EIP-regeling) toegevoegd. De nieuwe module ‘EIP Dierwaardige ketendeals’ wordt opengesteld van 2 april 2026 tot en met 2 juni 2026. Het openstellingsbudget bedraagt € 6.000.000. Dit wordt opgenomen in de Regeling openstelling EZ-, LVVN-, en KGG-subsidies 2026.

Van de gelegenheid wordt tevens gebruik gemaakt om de Regeling uitvoering NSP GLB 2023–2027 op één onderdeel aan te passen. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel III.

1. Aanleiding en doel van de wijziging

1.1 Inleiding

De EIP-regeling bestaat uit vijf thematische EIP-modules die apart worden opengesteld voor het aanvragen van subsidie. De module ‘EIP Dierwaardige ketendeals’ is met deze publicatie toegevoegd als zesde module. De nieuwe module heeft tot doel het creëren van een experimenteeromgeving, waarin partijen samenwerken om maatregelen naar een dierwaardigere veehouderij in de praktijk te kunnen ontwikkelen, testen, vermarkten en om voordoende knelpunten te herleiden, analyseren en als mogelijk op te lossen.

1.2 Aanleiding

Met het convenant ‘stappen naar een dierwaardige veehouderij’ (hierna: het convenant) onderschrijven de convenantpartijen het belang van, de maatschappelijke wens en de wens van de Tweede Kamer, om bij te dragen aan de ontwikkeling naar een dierwaardigere veehouderij die uitgaat van de zes leidende principes voor dierenwelzijn zoals die door de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) in zijn zienswijze Dierwaardige veehouderij uit 2021 zijn geformuleerd. In het convenant is opgenomen dat stappen naar dierwaardige veehouderij inspanningen vergen in het hele voedselsysteem waar veehouders, ketenpartijen, overheden, maatschappelijke organisaties en consumenten onderdeel van uitmaken. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Boeren kunnen deze omslag niet direct en vooral niet alleen maken. Daarom is in het convenant afgesproken dat ook supermarkten, verwerkers en andere marktpartijen hun verantwoordelijkheid nemen. Producten moeten worden afgenomen tegen een prijs waarbij (primaire) ondernemers – ook bij meerkosten van dierwaardige veehouderij – een redelijk inkomen kunnen verwerven.

1.3 Doel

In artikel 6 van het convenant is afgesproken dat de partijen zich inzetten voor pilots en ketendeals. De EIP-module ‘Dierwaardige ketendeals’ biedt het instrumentarium om de eerste ketendeals mogelijk te maken. Daarmee is het de eerste stap die gezet wordt voor de uitwerking van de ketendeals. Er zal meer nodig zijn om tegemoet te komen aan deze afspraak uit het convenant. Wanneer deze EIP-module succesvol is, kan ervoor gekozen worden om meer soortgelijke subsidie-instrumenten in te zetten.

Omdat voor deze subsidie, de samenwerking belangrijker wordt geacht dan materiële investeringen, is ervoor gekozen om de mate van samenwerking en uitwerking van de ketensamenwerking en het bijbehorende marktpotentieel hoger te beoordelen dan sec (fysieke) aanpassingen op locaties met een directe impact op dierwaardigheid. Een kwalitatief goed samenwerkingsverband kan op termijn een grote bijdrage leveren aan de doelstellingen voor dierwaardige veehouderij. Voor (fysieke) aanpassingen op locaties zijn er andere instrumenten waarbij de nadruk juist ligt op investeringen in plaats van samenwerking. Bijvoorbeeld het instrument ‘Productieve investeringen Groen – Blauw en dierenwelzijn’, waarbij landbouwers subsidie ontvangen voor investeringen in bedrijfsverduurzaming, waaronder dierenwelzijnsinvesteringen.

Sectoren

Deze EIP-module richt zich op de volgende veehouderijsectoren: legpluimvee, inclusief opfokleghennen, vleeskuikens en vleeskuikenouderdieren (hierna: de pluimveehouderij), varkenshouderij en rundveehouderij. Voor deze veehouderijsectoren wordt namelijk een ontwerpAMvB dierwaardige veehouderij opgesteld.

Deze regeling biedt mogelijkheden voor samenwerking tussen veehouders en bedrijven actief in de verschillende afzetkanalen, voor het vermarkten van producten met een hoger dierenwelzijn. Er is in ieder geval voor deze twee partijen gekozen om te waarborgen dat de veehouders onderdeel zijn van de aanvraag en dat ook de afzet in beginsel meegenomen wordt bij de aanpak naar een dierwaardig(er) productiesysteem. Samenwerking tussen meer ketenschakels is uiteraard ook mogelijk. De focus ligt op samenwerking tussen houders van dieren van de eerdergenoemde dierlijke sectoren met de bijbehorende afzetkanalen. Afzetkanalen zijn de verschillende kanalen waarin dierlijke producten in afgezet kunnen worden: de retail waaronder supermarkten, de foodserviceketen waaronder horeca en catering en grootkeuken ten behoeve van bedrijfsrestaurants, slagers en onlinekanalen. De afzet kan plaatsvinden binnen Nederland, maar ook op Europees of internationaal niveau.

Dierwaardige veehouderij

De EIP-module Dierwaardige ketendeals houdt voor de invulling van dierwaardige veehouderij hetzelfde uitgangspunt aan, zoals die door de Raad voor Dierenaangelegenheden (hierna RDA) is geschetst in zijn zienswijze ‘Dierwaardige veehouderij’ uit 2021, waarbij de zes leidende principes als uitgangspunt worden gehanteerd.

De RDA komt tot zes leidende principes voor een dierwaardige veehouderij waarin het dier een positieve staat van welzijn ervaart: ‘Een dierwaardige veehouderij biedt het dier een omgeving die de zes leidende principes waarborgt’:

  • 1) Erkenning van de intrinsieke waarde en de integriteit van het dier

    Respect voor de eigen waarde van het dier als wezens met gevoel die pijn en plezier kunnen ervaren. Dit betekent geen ingrepen (snavel behandelen, staarten couperen, onthoornen, e.d.), grenzen aan het aanpassen van het dier via fokkerij, en oog voor eigen belangen van het dier.

  • 2) Goede voeding

    Voldoende water en voer van goede kwaliteit.

  • 3) Goede omgeving

    Een comfortabele en veilige omgeving met een goed klimaat (temperatuur, frisse lucht, bioritme).

  • 4) Goede gezondheid

    Een goede gezondheid waarborgen, en pijn voorkomen (ook qua verwondingen door soortgenoten).

  • 5) Natuurlijk gedrag

    Voldoende mogelijkheden om essentiële natuurlijke gedragingen te vertonen en behoeften te vervullen: rusten, eten en drinken, mesten en urineren, zelfverzorging, exploratie, sociaal gedrag, thermoregulatie, veiligheid, gezondheid, beweging, reproductie, seksueel gedrag, nestbouwgedrag en maternaal gedrag.

  • 6) Positieve emotionele toestand

    Het dier in staat is om te reageren op de veranderende sociale en fysieke omgeving en een toestand bereikt die het als overwegend positief ervaart (‘A life worth living’). Deze toestand komt voort uit het voldoen aan alle voorgaande principes.’

In de bijlagen bij het convenant en in de AMvB dierwaardige veehouderij staan stappen aangegeven richting dierwaardige veehouderij 2040 en daarmee is invulling gegeven aan wat wordt verstaan onder het dierwaardig houden van deze dieren. Ook is beschreven welke houderijsystemen en ingrepen zullen worden uitgefaseerd.

2. Hoofdlijnen van de subsidiemodule en openstelling

2.1 Categorieën innovaties: EIP-module Dierwaardige ketendeals

Oorspronkelijk bestond de EIP-regeling uit vier ‘categorieën van activiteiten’ (artikel 6). De regeling heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot een modulaire regeling met thematische modules die los van elkaar opengesteld kunnen worden voor het aanvragen subsidie. Met toevoeging van de nieuwe module voor Dierwaardige ketendeals, bestaat de EIP-regeling uit zes modules:

  • A) EIP Generatievernieuwing;

  • B) EIP Dierenwelzijn: Verminderen staartcouperen in de varkenshouderij;

  • C) EIP Ontwerpfase gebiedsgerichte fieldlab

  • D) EIP Algemeen

  • E) EIP Digitalisering en Robotisering

  • F) EIP Dierwaardige ketendeals

De EIP-module Dierwaardige ketendeals creëert een experimenteermogelijkheid voor veehouder(s) en afnemende (keten)partij(en) om samen te werken om maatregelen naar een dierwaardigere veehouderij in de praktijk te kunnen ontwikkelen, testen, vermarkten en om voordoende knelpunten te herleiden, analyseren en als mogelijk op te lossen. Met als beoogd doel te komen tot een toekomstgerichte afzet met voldoende verdiencapaciteit voor alle ketenschakels. Dit past bij het doel van het convenant om de marktvraag naar en de afzet van Nederlandse dierwaardige producten te vergroten. Deze vermarkting kan plaatsvinden binnen Nederland, maar ook op Europees of internationaal niveau. Veehouders kunnen de omslag naar een dierwaardige manier van produceren namelijk alleen maken als hun producten ook afgenomen worden.

Beoogde projecten

Stappen naar dierwaardige veehouderij vergen inspanningen in het hele voedselsysteem waar veehouders, ketenpartijen, overheden, maatschappelijke organisaties en consumenten onderdeel van uitmaken. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Boeren kunnen deze omslag niet direct en vooral niet alleen maken. Daarom is in het convenant afgesproken dat ook supermarkten, verwerkers en andere marktpartijen hun verantwoordelijkheid nemen.

Het zwaartepunt van de projecten ligt in de keten en moet resulteren in het vermarkten van producten (waarbij ook gedacht wordt aan bijvoorbeeld vierkantsverwaarding) die op een dierwaardige manier zijn geproduceerd. Het is van belang dat de projecten bijdragen aan haalbare en betaalbare afzet, die ook kansen biedt voor opschaling en inspiratie bieden. De EIP-module dient als vliegwiel voor het realiseren van deze meerjarige ketensamenwerking (ketendeals) en is daarmee een van de eerste stappen richting bovenstaand doel.

Er is voor gekozen dat er bij deze regeling tenminste één veehouderij en tenminste één bedrijf uit een afzetkanaal betrokken moet zijn. Het is van belang dat er bij de projecten impact gemaakt wordt op het gebied van dierwaardigheid en dat er voldoende impact wordt gemaakt met het (ingeschatte potentiële) volume dat wordt afgezet in de markt. Er is gekozen om beperkt eisen te stellen aan het aantal deelnemers. Hierdoor biedt de regeling mogelijkheden voor een diverse groep potentiële deelnemers. Er is bewust voor gekozen dat er ten minste een veehouderij en ten minste een bedrijf uit een afzetkanaal bij betrokken is. Om dierlijke producten te vermarkten is het noodzakelijk dat er een veehouderij betrokken is. Het is bovendien noodzakelijk dat er een afzetkanaal deelneemt. Producten moeten worden afgenomen tegen een prijs waarbij (primaire) ondernemers – ook bij meerkosten van dierwaardige veehouderij – een redelijk inkomen kunnen verwerven.

2.2 Openstelling

Gezien de huidige GLB-periode loopt van 2023–2027 en projecten uiterlijk eind december 2028 afgerond moeten zijn, is het niet haalbaar om de subsidiemodule op dezelfde manier nog een keer open te stellen. Mocht de regeling succesvol zijn, dan wordt gezocht naar een vervolg. Dit is ook afhankelijk van de hoeveelheid kwalitatief goede aanvragen voor deze subsidiemodule en de doeltreffendheid.

Het totale subsidieplafond is € 6 miljoen, verdeeld over drie dierlijke sectoren in de vorm van drie 'deelplafonds'. Voor zowel de pluimveehouderij als de varkenshouderij is € 1,5 miljoen beschikbaar. Daarmee kunnen 3–12 projecten gesubsidieerd worden. Voor de rundveehouderij is € 3 miljoen beschikbaar. Hiermee kunnen 6–24 projecten worden gesubsidieerd. Er is voor gekozen om meer geld beschikbaar te stellen voor de rundveehouderij vanwege de omvang van de sector. Op deze manier is er sprake van een zo evenredig mogelijke verdeling.

3. Regeldruk

Operationele groepen hebben tijd nodig om een aanvraag in te dienen voor verlening, vaststelling en voor eventuele voorschotten, deelbetalingen en wijzigingen. De tijd die hiervoor nodig is wordt uitgedrukt in de administratieve lastendruk. De module EIP Dierwaardige ketendeals, kent dezelfde uitvoeringssystematiek als de andere modules van de EIP-regeling. De rekensom voor het berekenen van de regeldruk is hierdoor vergelijkbaar. Hieronder volgt de berekening van de regeldruk voor de EIP-module Dierwaardige ketendeals.

Per project wordt gerekend op 100 uur aan administratieve lasten, waarvan 50% door de aanvragers zelf en 50% door ingehuurde adviseurs. Uitgaande van een subsidieplafond van € 6.000.000 en een gemiddelde projectomvang van ca. € 300.000, wordt gerekend met 20 aanvragen die gesubsidieerd kunnen worden. Uitgaande van een uurtarief van € 50,– voor eigen arbeid en een uurtarief van € 78,– voor adviseurs, komt dit neer op € 6.400,– (€ 2.500,– + € 3.900,–) per project. De regeldruk bedraagt voor deze subsidiemodule € 128.000,– (20*6.400,–). In totaal is € 6 mln. beschikbaar voor ca. 20 projecten. Dit geeft een regeldruk van 2,1%. Om de regeldruk te verlagen zijn ‘vereenvoudigde kostenopties’ (VKO’s) beschikbaar gesteld. Op basis van ervaringen met het beschikbaar stellen van VKO’s wordt de reductie van de administratieve lastendruk ingeschat op 15%. De totale regeldruk daalt hierdoor van 2,1% naar 1,8%. Dit is berekend door de eerder berekende regeldruk (€ 128.000,–) te verminderen met 15% (€ 108.800,–) en door dit bedrag te delen door het beschikbare budget van € 6 mln.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

4. Uitvoering

De uitvoering van deze regelingen is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De regeling wordt uitvoerbaar en handhaafbaar geacht.

5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026. Hiermee wordt de systematiek van vaste verandermomenten van regelgeving gevolgd. De regeling wordt meer dan twee maanden voor inwerkingtreding gepubliceerd.

6. Advies en consultatie

In het convenant is afgesproken dat partijen gezamenlijk werken aan verschillende bouwstenen, waaronder de ketendeals. Vervolgens is door het Ministerie van LVVN verkend welk instrumentarium passend zou zijn voor de totstandkoming van de ketendeals. De veehouderijsector-, maatschappelijke en markt- en ketenpartijen zijn geconsulteerd over de invulling via GLB-EIP. Dit om het instrument goed aan te laten sluiten bij de praktijk.

7. Rangschikkingscriteria

Om te bepalen welke projecten in aanmerking komen voor subsidie, vindt een selectie plaats op basis van vier rangschikkingscriteria. De rangschikking vindt per sector plaats. Voor ieder criterium kan nul tot en met vijf punten worden behaald:

0 punten: Zeer geringe bijdrage

1 punt: Geringe bijdrage

2 punten: Matige bijdrage

3 punten: Voldoende bijdrage

4 punten: Goede bijdrage

5 punten: Zeer goede bijdrage

De criteria hebben daarnaast de volgende wegingsfactoren:

  • a. de mate van effectiviteit hoger is;

  • b. de haalbaarheid hoger is;

  • c. de mate van efficiëntie van uitvoering hoger is, en;

  • d. de mate van innovatie hoger is.

Selectiecriterium

Punten

Weging module F Dierwaardige ketendeals

Effectiviteit

0–5

4

Haalbaarheid

0–5

3

Efficiëntie

0–5

1

Innovatie

0–5

2

Maximaal te behalen

 

50

Minimaal benodigd

 

30

Rangschikkingscriteria

Effectiviteit – (maximaal 5 punten, de weging is 4, totaal te behalen punten is 20)

Met mate van effectiviteit wordt bedoeld de mate waarin het project bijdraagt aan de volgende doelen:

  • 1. De kwaliteit van de ketensamenwerking

    Dit wordt beoordeeld op basis van de ambities voor de ketensamenwerking. Daarbij wordt gekeken naar de beoogde impact op dierwaardige veehouderij van de ketensamenwerking, hoelang deze ketensamenwerking zal duren, hoe wordt beschreven dat het project zal bijdragen aan het lonend maken van dierwaardigheid op de veehouderijlocaties en in welke mate is beschreven hoe transparant het project is rondom de uitwerking van de duurzaamheidsafspraken. Met een analyse van de inschatting van het afzetpotentieel (waarbij ook gedacht wordt aan bijvoorbeeld vierkantsverwaarding) en onderbouwing van de meerkosten van de veehouders en keten en marktintroductie. Omdat voor deze subsidie, de samenwerking belangrijker wordt geacht dan het direct investeren in dierwaardige maatregelen, is ervoor gekozen om de mate van samenwerking en uitwerking van de ketensamenwerking en het bijbehorende marktpotentieel hoger te beoordelen dan sec (fysieke) aanpassingen op locaties met een directe impact op dierwaardigheid. Wanneer een aanvraag zowel op het gebied van ketensamenwerking als dierwaardige veehouderij impact maakt scoort deze hoger.

  • 2. Het verbeteren van het dierenwelzijn in de pluimveehouderij, varkenshouderij of rundveehouderij

    Door het nemen van bovenwettelijke dierenwelzijnsmaatregelen, die bijdragen aan de ontwikkelingen naar een dierwaardige veehouderij conform de zes leidende principes van de RDA, en door het creëren van een verdienmodel voor het op de markt brengen van deze dierlijke producten. In de bijlagen bij het convenant en in de AMvB dierwaardige veehouderij staan stappen aangegeven richting dierwaardige veehouderij 2040 en daarmee is invulling gegeven aan wat wordt verstaan onder het dierwaardig houden van deze dieren. Hierin is ook beschreven welke houderijsystemen en ingrepen zullen worden uitgefaseerd. Het is nu nog beschreven in te zetten stappen omdat de precieze uitwerking voor de periode tussen nu en 2040 nu nog niet kan worden gegeven. Daarvoor ontbreken op onderdelen bijvoorbeeld nog kennis of ervaringen.

  • 3. Het verspreiden van de in het project opgedane kennis, ervaring

    Ten aanzien van het vermarkten van dierlijke producten afkomstig van pluimvee, varkens en rundvee die zijn gehouden op een (meer) dierwaardige manier. Projecten die hebben beschreven hoe kennis en ervaring effectief in de keten worden gedeeld bij alle relevante partners scoren hoger. Daarnaast wordt er ingezet op het komen tot een evaluatie na afloop van de projecten. De anonieme evaluatie deelt kennis over wat er is geleerd omtrent de vermarkting van dierlijke producten met een hogere dierwaardigheid. Deze kennis kan door anderen gebruikt worden om zo verdere stappen in de markt te zetten voor het komen tot dierwaardigheid. Wanneer een projectaanvrager aangeeft bij te dragen aan de anonieme evaluatie van het project wordt deze hoger beoordeeld. Tijdens de evaluatie zullen ook vragen gesteld worden over hoe de regeling is ervaren door de deelnemers. Deze waardevolle kennis kan meegenomen worden in de eventuele totstandkoming van soortgelijke subsidie-instrumenten wanneer deze EIP-module succesvol is.

  • 4. Meerwaarde voor innovatiekracht landbouw

    Projecten moeten bijdragen aan het moderniseren van de sector door kennis en innovatie te bevorderen. Het gaat niet alleen om het effect van de innovatie zelf maar ook om de meerwaarde van de samenwerking (sociale innovatie) die leidt tot nieuw samenspel tussen ketenpartijen en nieuwe verbindingen.

Haalbaarheid – (maximaal 5 punten, de weging is 3, totaal te behalen punten is 15)

Bij haalbaarheid gaat het om de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden. Het gaat er dus niet om dat de innovatie exact het inhoudelijke resultaat oplevert dat wordt beoogd, aangezien dit niet past bij de aard van innovatie. Daarnaast kan de kans bestaan dat het project (nog) niet lukt, gezien deze regeling zich focust op het bieden van een experimenteeromgeving wordt daar rekening mee gehouden.

Haalbaarheid moet blijken uit een realistisch projectplan met haalbare, meetbare, concrete beoogde projectresultaten. Daarnaast gaat het ook om de kans dat de samenwerkende partijen erin kunnen slagen een werkbare en vruchtbare samenwerking tot stand te brengen, inclusief een voorstel dat er gewerkt wordt op basis van goede onderlinge afspraken over taken en verantwoordelijkheden en over het gezamenlijk dragen van lasten en lusten. De operationele groep zal erin moeten slagen om de beoogde doelen scherp te krijgen in termen van technische en organisatorische haalbaarheid en van realistische marktmogelijkheden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het beschrijven van welke behoefte is gedekt bij welk consumentensegment, welk eetmoment en welk volume. Met daarbij een vertaling naar de keten en een onderbouwing van de marktintroductie en uitrol naar een vaste plek in een afzetkanaal. Of hierover goed is nagedacht blijkt uit de kwaliteit van de beschrijvingen in het projectplan. Er wordt naar de volgende aspecten gekeken:

  • 1. Kwaliteit projectplan voor samenwerking en/of ontwikkeling innovatie

    Alle randvoorwaarden zijn goed in beeld gebracht en vertaald naar beheermaatregelen, er is goed nagedacht over procesmanagement, risicomanagement, er zijn goede kwaliteitseisen gesteld aan de trekker van het project.

  • 2. Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en aanwezige kennis

    De operationele groep laat zien dat ze zich heeft georiënteerd op bestaande kennis, aanbevelingen en ‘best practices' omstappen voor dierwaardige veehouderij en ketensamenwerking te realiseren.

  • 3. Blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel, assortiment en consumentensegment

    Uit het projectplan moet blijken dat de operationele groep zich voldoende heeft georiënteerd op het businessmodel, het potentieel afzetvolume en de aanpak voor de marktintroductie en uitrol, voor een inschatting van de potentie van het projectresultaat in de genoemde afzetkanalen. Daarnaast is het belangrijk om aan te geven of het projectresultaat een bijdrage levert aan het verdienmodel en het op termijn vermarkten van dierwaardige producten (waarbij ook gedacht wordt aan bijvoorbeeld vierkantsverwaarding).

  • 4. Kwaliteit in relatie tot breedte samenstelling, kennisniveau en werkafspraken samenwerkingsverbanden

    De kwaliteit van de operationele groep moet blijken uit de samenstelling en de deskundigheid die wordt betrokken bij het project.

Efficiëntie – (maximaal 5 punten, de weging is 1, totaal te behalen punten is 5)

De mate waarin de financiering van de verschillende onderdelen uit het voorstel op een efficiënte manier gaat leiden tot een ontwerp. In samenhang wordt naar de volgende drie aspecten gekeken:

  • 1. De verhouding tussen de begrote kosten en de beoogde projectresultaten

    Hiermee wordt de redelijkheid van de kosten beoordeeld. Het projectplan bestaat uit duidelijk omschreven projectresultaten. Het kan bijvoorbeeld gaan om een reeks bijeenkomsten, een businessplan, een marktonderzoek, een procesomschrijving of het opzetten van nieuwe (keten)samenwerkingsvormen. Deze elementen worden afgewogen tegen de kosten die in de begroting zijn opgenomen. Daarbij wordt ook gekeken naar de uurtarieven en het aantal geplande uren. Met deze aspecten in ogenschouw willen we voorkomen dat voor een innovatie met geringe impact hoge kosten worden gemaakt.

  • 2. Relevantie van de voorziene kosten voor het realiseren van de beoogde innovatie

    Dit aspect richt zich op de vraag of alle begrote kosten wel strikt noodzakelijk zijn voor het project.

  • 3. Mate van efficiënt gebruik van (bestaande) kennis en arbeid

    Dit aspect is een maat voor het beoordelen of bestaande kennis en arbeid binnen de operationele groep goed wordt benut. Ook het aandeel overhead in relatie tot de andere projectactiviteiten wordt bezien en afgezet tegen de prestatie(s) van het project.

Mate van innovatie – (maximaal 5 punten, de weging is 2, totaal te behalen punten is 10)

De mate van innovatie is een beoordeling van de vraag in hoeverre het voorstel zal resulteren in een vernieuwend initiatief voor ketensamenwerking. Innovatie wordt bij de EIP-regeling breed geïnterpreteerd. Dat betekent dat innovatie wordt gezien als ‘nieuw’. Het kan gaan over technologische en sociale innovatie. Ter illustratie: extensiveren en daar op een innovatieve manier een markt voor vinden is in dit geval ook innovatie.

In samenhang wordt naar de volgende drie aspecten gekeken:

  • 1. Technische en/of sociaal grensverleggende karakter van het beoogde project

    Hierbij wordt gekeken naar de mate waarin het project vernieuwend is. Denk aan een ketensamenwerking met partners die actief zijn in consumentengroepen en (social) community’s.

  • 2. Impact

    Bij impact wordt gekeken naar de bijdrage van het project aan de realisatie van een toekomstbestendige ‘duurzame landbouw’ en of die inspiratie biedt voor navolging. Hiermee wordt een verandering bedoeld in het landbouwsysteem die is gericht op dierwaardigheid met samenwerking in de keten en meerwaardecreatie. Impact wordt in samenhang met maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende regelgeving bekeken. Een projectplan waarin voldoende is onderbouwd hoe in het ontwerp rekening wordt gehouden met het realiseren van de gewenste impact, hoe het wegbereidend is voor navolging en hoe wordt omgegaan met veranderende regelgeving, scoort hoger.

  • 3. Innovatieve waarde van de operationele groep

    Op basis van dit aspect wordt gekeken naar de partijen in de operationele groep. Partijen die nog niet eerder hebben samengewerkt of deelname van partijen uit andere sectoren dan de landbouw maken dat het verband op zich al vernieuwend kan zijn.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

In artikel 5.6.1. worden verschillende nieuwe begripsomschrijvingen opgenomen.

Om de sector pluimvee te kunnen specificeren worden de begrippen ‘legkip’, ‘opfoklegkip’, ‘ouderdier’ en ‘vleeskuiken’ omschreven. De begripsomschrijvingen zijn gebaseerd op paragraaf 6 van het Besluit houders van dieren, waarin algemene regels over het houden van pluimvee voor productie zijn opgenomen.

Het begrip ‘legkip’ is opgenomen in artikel 2.66 van het Besluit houders van dieren, welke is gebaseerd op artikel 2 van Richtlijn (EG) 1999/74 van de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen. Het beschrijft dat de soort Gallus gallus moet worden gehouden met als doel de productie van andere eieren dan broedeieren.

Het begrip ‘opfoklegkip’ is gebaseerd op artikel b2.76a in paragraaf 6.1.3a inzake het houden van opfoklegkippen voor productie van de concept AMvB Dierwaardige veehouderij. Een opfoklegkip is een nog niet legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden om, nadat het legrijp is geworden, als legkip te worden gehouden. Het gaat hierbij dus niet op het opfokken van dieren met bijvoorbeeld als doel het dier als vleeskuiken te houden.

Het begrip ‘vleeskuiken’ is opgenomen in artikel 2.48 van het Besluit houders van dieren en beschrijft dat de soort Gallus gallus moet worden gehouden. Ook is een dier slechts een vleeskuiken indien het wordt gehouden met doel de productie van vlees. De begripsomschrijving is ontleend aan artikel 2 van Richtlijn (EG) 2007/43 van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens.

Het begrip ‘ouderdier’ is opgenomen in artikel 2.65a van het Besluit houders van dieren. Een ouderdier is een dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren. Voor deze begripsbepaling is gekozen om een verwijzing op te nemen naar het Besluit houders van dieren, om te verduidelijken dat het hier specifiek gaat over ouderdieren binnen de categorie vleeskuikens.

Verder wordt uitgewerkt wat wordt verstaan onder veehouderij. Dit is een landbouwbedrijf waar dieren bedrijfsmatig worden gehouden met het oog op de productie daarvan. Uit deze begripsbepaling wordt duidelijk dat het alleen om het bedrijfsmatig houden van productiedieren gaat. Dat betekent dat het houden van dieren om andere redenen, zoals hobbymatig of als gezelschapsdier, niet valt onder dit begrip.

Artikel I, onderdeel B

Met de wijziging van artikel 5.6.2 wordt aan het zesde lid een onderdeel f toegevoegd, waarin is beschreven waarop een project moet zien. EIP Dierwaardige ketendeals ziet op het vermarkten van maatregelen die bijdragen aan een dierwaardige veehouderij. Deze regeling ziet op de sectoren legpluimvee, inclusief opfok, vleeskuikens en ouderdieren (een deel van de pluimveehouderij sector), varkens en rundvee. Om dit te realiseren is in het elfde lid geregeld dat een operationele groep moet bestaan uit tenminste één veehouderij in de genoemde sectoren, en één afzetkanaal. Het opnemen van deze twee actoren is essentieel voor deze regeling. Om dierlijke producten te vermarkten is het noodzakelijk dat er een veehouderij bij betrokken is. Er is gekozen voor de sectoren pluimvee, varkens en runderen, omdat voor deze veehouderijsectoren een ontwerpAMvB dierwaardige veehouderij wordt opgesteld. Het is bovendien noodzakelijk dat er een afzetkanaal, zoals bijvoorbeeld een supermarktketen, deelneemt, omdat boeren deze omslag niet direct en vooral niet alléén kunnen maken. Producten moeten worden afgenomen tegen een prijs waarbij (primaire) ondernemers – ook bij meerkosten van dierwaardige veehouderij – een redelijk inkomen kunnen verwerven.

Artikel I, onderdeel C

Voor alle EIP modules geldt dat het subsidieplafond wordt verdeeld op basis van rangschikking aan de hand van de rangschikcriteria. De wijziging van artikel 5.6.7. geeft hieraan uitdrukking.

Artikel I, onderdeel D

Bij het selecteren van de te ondersteunen projecten wordt gebruik gemaakt van de rangschikkingscriteria effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie en mate van innovatie. Bij de submodule EIP Dierwaardige ketendeals worden respectievelijk de volgende wegingsfactoren gehanteerd: 4, 3, 1 en 2. De punten (0–5) per criterium bepalen in combinatie met de wegingsfactoren de score per project. Aanvragen voor subsidie worden afgehandeld van hoge naar lage score totdat het beschikbare budget is uitgeput. De adviescommissie GLB beoordeelt de projectvoorstellen op de mate waarin het project bijdraagt aan de hieronder beschreven rangschikkingscriteria. Het is daarom van belang dat in het projectplan onderbouwd wordt hoe het project kan bijdragen aan de beleidsdoelen (effectiviteit), wat de kans is dat het plan uitgevoerd wordt zoals beoogd (haalbaarheid), of de begroting redelijk is (efficiëntie) en hoe innovatief het project is (innovatie).

Artikel I, onderdeel E

Middels de wijziging van artikel 5.6.10. wordt voor de huidige submodule een aanvullende informatieverplichting opgenomen. De penvoerder moet in het projectplan bij de aanvraag opnemen op welke wijze het project verder gaat dan al wettelijk verplicht is, bijvoorbeeld in het Besluit houders van dieren.

Deze verplichting is opgenomen, zodat de adviescommissie bij de beoordeling van de projecten de mate van innovatie van het project kan beoordelen. Immers, een project dat ziet op maatregelen die al verplicht zijn, wordt niet als innovatief beschouwd.

Artikel II

Artikel II wijzigt de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 ten behoeve van de openstelling EIP Dierwaardige ketendeals. De regeling zal worden opengesteld van 2 april 2026 tot en met 6 juni 2026. In de regeling worden drie verschillende doelgroepen onderscheiden in de sectoren pluimvee, varkens en rundvee. Voor deze drie sectoren is elk een subsidieplafond van respectievelijk € 1,5 miljoen, € 1,5 miljoen en € 3 miljoen.

Artikel III

Artikel 6 van de Regeling uitvoering NSP GLB 2023–2027 bevat de organisaties die de leden van het Monitoringscomité, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van verordening (EU) 2021/2115, vertegenwoordigen. Aan de aangewezen organisaties worden de Dierenbescherming en Biohuis toegevoegd als maatschappelijke instanties. De Dierenbescherming wordt toegevoegd om dierenwelzijn als belang te borgen. Biohuis wordt toegevoegd om biologische boeren beter te representeren.

Artikel IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026. Hiermee wordt de systematiek van de vaste verandermomenten gevolgd. De regeling wordt twee maanden voor inwerkingtreding gepubliceerd.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma

Naar boven