Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 16 juli 2026, nr. 107479116, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de beheersing van tabakstrips in de teelt van zaaiuien (Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van tabakstrips in de teelt van zaaiuien, 2026)

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen nr. 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);

BESLUIT:

Artikel 1

Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt verleend voor het gebruik van Movento voor de beheersing van takakstrips (Thrips tabaci) in de onbedekte teelt van zaaiuien.

Artikel 2

Aan de vrijstelling bedoeld in artikel 1 zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 1 augustus 2026.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van tabakstrips in de teelt van zaaiuien, 2026.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Bezwaar

Als u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u binnen zes weken na dagtekening van dit besluit digitaal of schriftelijk een bezwaarschrift indienen.

Een digitaal bezwaarschrift kunt u indienen via ‘mijn.rvo.nl’. Om in te loggen heeft u uw gebruikerscode en wachtwoord nodig, voor de ondertekening een TAN-code. Bij een digitaal bezwaarschrift stuurt u een kopie van dit besluit mee als pdf-bestand of u stuurt een kopie per post na.

Als u schriftelijk bezwaar wilt maken, stuurt u het ondertekende bezwaarschrift naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE Zwolle. Bij een schriftelijk bezwaar stuurt u een kopie van dit besluit mee met uw bezwaarschrift.

Op mijn.rvo.nl/bezwaar vindt u meer belangrijke informatie over het digitaal en schriftelijk indienen van een bezwaarschrift.

Meer informatie

Heeft u nog vragen over uw bezwaarschrift, kijk dan op de website: mijn.rvo.nl. of bel: 088 042 42 42 (lokaal tarief).

BIJLAGE: WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT MOVENTO (150 G/L SPIROTETRAMAT)

Wettelijk Gebruiksvoorschrift

Het middel is uitsluitend toegelaten als insectenbestrijdingsmiddel voor het professionele gebruik in het volgende toepassingsgebied (volgens Definitielijst toepassingsgebieden versie 2.2 Ctgb juni 2019) onder de hierna vermelde toepassingsvoorwaarden.

Toepassingsgebied

Type

toepassing

Te bestrijden organisme

Dosering middel per toepassing

Maximale dosering middel per toepassing

Maximaal aantal toepassingen per 12 maanden

Maximaal aantal liter middel per ha per 12 maanden

Minimum interval tussen toepassingen in dagen

Veiligheidstermijn in dagen

zaaiuien

Gewasbehandeling

Trips1

0,5 L/ha

0,5 L/ha

2

1 L/ha

7

7

X Noot
1

Tabakstrips (Thrips tabaci)

Toepassingsvoorwaarden

Artikel 1: koop

De koop van dit middel, voor gebruik in overeenstemming met dit vrijstellingsbesluit, is verboden tenzij deze plaats vindt onder gecontroleerde distributie middels het digitale registratiesysteem van de Stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen, Stichting CDG.

De koper verstrekt bij de melding:

  • a) De bij de gecombineerde opgave aangemelde percelen waar hij het product wil toepassen, waarbij het systeem controleert of het perceel aangemeld is om het gewas waarvoor een vrijstelling is afgegeven te telen.

  • b) Een verklaring dat de te behandelen percelen beschikken over een teeltvrije zone van tenminste

    • 150 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT97,5;

    • 250 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT95;

    • of 300 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT90.

  • c) Voor de controle door de distributeur dat de koper kan voldoen aan de in dit Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG) gestelde eisen ten aanzien van driftreductie.

    • 1. Het SKL1 keuringsrapport van de te gebruiken spuitapparatuur niet ouder dan 3 jaar of

    • 2. voor spuitapparatuur niet ouder dan 3 jaar het aanschafbewijs.

  • d) Een verklaring dat hij kennis heeft genomen van, en voldoet aan de voorwaarden in dit besluit.

Artikel 2: gebruik of voorhanden hebben

Het is verboden om dit middel voorhanden te hebben voor gebruik in de teelt van zaaiuien of in die teelt te gebruiken zonder aan de eisen te voldoen genoemd onder artikel 1.

Artikel 3: verkoop

Het is verboden dit middel te verkopen voor gebruik in de teelt van zaaiuien aan een koper die niet aantoont dat hij voldoet aan de eisen genoemd onder artikel 1. Verkoop vindt plaats volgens het regime van gecontroleerde distributie van de Stichting CDG.

Artikel 4: toepassing

In de teelt van zaaiui het middel toepassen vanaf BBCH40 (bladbasis begint te verdikken of te verlengen).

Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei staande gewassen of op niet-bloeiende gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen en hommels. Gebruik dit product niet in de buurt van in bloei staand onkruid.

Let op: dit middel kan schadelijk zijn voor natuurlijke vijanden. Raadpleeg deskundigen (uw leverancier van natuurlijke vijanden, de producent van dit middel, uw adviseur) over het gebruik van dit middel in combinatie met het gebruik van natuurlijke vijanden.

Om niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten te beschermen, is toepassing in de teelt van zaaiui niet toegestaan na 1 augustus.

Om niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten en bijen te beschermen, is toepassing in de teelt van zaaiui uitsluitend toegestaan indien op het gehele perceel gebruik gemaakt wordt van:

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT97,5 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 150 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT95 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 250 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT90 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 300 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens).

Resistentiemanagement

Dit middel bevat de werkzame stof spirotetramat. Spirotetramat behoort tot de acetyl CoA carboxylase remmers. De IRAC code is 23. Bij dit product bestaat er kans op resistentieontwikkeling. In het kader van resistentiemanagement dient u de adviezen die gegeven worden in de voorlichtingsboodschappen, op te volgen.

TOELICHTING

1 Algemeen

Artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen nr. 79/117/EEG en nr. 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309) (hierna: Verordening (EG) nr. 1107/2009) en artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) maken het mogelijk in bijzondere omstandigheden tijdelijke vrijstelling te verlenen van het verbod om een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel binnen Nederland te brengen, op de markt te brengen, voorhanden te hebben of te gebruiken.

Tijdelijke vrijstelling kan worden verleend als een maatregel nodig blijkt voor een gecontroleerd en beperkt gebruik ter beheersing van een noodsituatie die op geen enkele andere redelijke manier te bestrijden is.

2 Adviezen

2.1 Landbouwkundig advies

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft een landbouwkundig advies opgesteld bestaande uit (a) een onderbouwing van de noodsituatie op het gebied van gewasbescherming en (b) een advies over de naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de door het Ctgb voorgeschreven risico reducerende maatregelen / restrictiezinnen.

2.1.1 Noodsituatie op het gebied van gewasbescherming

Bijzondere omstandigheden

Het middel op basis van de werkzame stof spirotetramat was tot voor kort beschikbaar voor de beheersing van tabakstrips in de teelt van zaaiuien. De werkzame stof spirotetramat is vanaf 30 april 2024 niet langer goedgekeurd in de Europese Unie. Het middel op basis van spirotetramat had in Nederland een opgebruiktermijn tot 30 oktober 2025.

Op 11 november 2022 heeft het Ctgb de intrekking van de toelating van de middelen op basis van spirotetramat bekend gemaakt. Om voor een transitievrijstelling in aanmerking te komen, moet een plan van aanpak zicht bieden op het realiseren van een oplossing binnen vijf jaar na deze datum (november 2027).

De sector zet al meerdere jaren in op het ontwikkelen van een duurzame oplossing voor de beheersing van trips in zaaiuien. De aanvrager verwijst voor het plan van aanpak onder andere naar het PPS ‘Grip op trips in zaaiuien’ (2025 t/m 2028). Het doel van dit project is om een beslissingsondersteunend systeem (BOS) voor beheersing van trips in zaaiuien te ontwerpen en bouwen, met componenten van een Integrated Crop Management (ICM) aanpak. Er wordt ingezet op de ontwikkeling van een adviesmodel aan de hand van gewasgroei, tripsdruk en de aanwezigheid van natuurlijke vijanden. In het adviesmodel wordt ook rekening gehouden met schadedrempels. In praktijkproeven wordt de effectiviteit van verschillende ICM maatregelen getest en hier zal actief over gecommuniceerd worden met adviseurs en telers. Naast inzet van ICM maatregelen zal ook optimale inzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen in een geïntegreerd systeem onderdeel zijn van het te ontwikkelen ICM BOS.

De genoemde alternatieven zijn in lijn zijn met de doelstelling van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 en dragen bij aan de verduurzaming van het Nederlandse gewasbeschermingsmiddelenpakket. De NVWA constateert dat er een brede inspanning geleverd wordt om tot een duurzame oplossing te komen, hoewel niet op voorhand aangegeven kan worden welke maatregelen of middelen effectief zijn en wanneer deze beschikbaar komen. Een tussentijdse voortgangsrapportage moet inzicht bieden in de resultaten van 2026 en zal moeten uitwijzen of eind 2027 de beheersstrategie praktijkrijp kan zijn.

Gevaar

Het schadebeeld veroorzaakt door tabakstrips in zaaiuien bestaat uit zuigschade, voornamelijk op het groeipunt van de ui, met afsterven van de jongste gewaspijpen tot gevolg. Door aantasting van de bladeren vindt groeiremming en minder fotosynthese plaats wat resulteert in vervroegde afrijping en kleinere bollen. Trips verzwakken de plant waardoor andere ziekten en plagen ook meer kans krijgen om de plant te infecteren. Kwantitatieve schade betreft de lagere kg-opbrengst per ha (opbrengstderving). Afkeuring van het geoogst product vanwege vraatschade in/aan de bol is aanvullende kwalitatieve schade.

Aantasting en schade is sterk afhankelijk van het weer. Bij warm en droog weer is er meer schade door de snelle ontwikkeling van de tabakstrips en de verminderde weerstand van het gewas. Bij natte en koele periodes is er minder druk van de tabakstrips.

Alternatieven

Maatregelen

In de teelt van zaaiuien zijn er verschillende preventieve maatregelen die ingezet kunnen worden tegen tabakstrips. Een gezond en goed groeiend gewas is minder vatbaar voor trips. Beregenen wordt genoemd als mogelijke maatregel, hoewel onderzoek geen uitsluitsel geeft of de hogere opbrengst het resultaat is van de verlaging van de tripsdruk of groeistimulatie van het uiengewas.

Het is belangrijk om de onkruiddruk in het perceel laag te houden. Minder onkruid betekent minder schuil- en waardplanten voor en tijdens de teelt en minder overwinteringsmogelijkheden in het najaar. Het goed onderwerken van gewasresten in de vruchtwisseling helpt om de druk voor het volgende seizoen laag te houden.

Monitoring van de plaag is mogelijk zowel met behulp van blauwe vangplaten als door middel van gewaswaarnemingen. Telers hebben de beschikking over een graaddagenmodel om het startmoment van de monitoring te bepalen.

Volgens de aanvrager zijn er geen rasverschillen in gevoeligheid voor trips hoewel rassen met een waslaag of stevig blad mogelijk minder gevoelig zijn.

Wanneer een plaag optreedt zijn verschillende maatregelen mogelijk om aantasting te verminderen. Natuurlijke vijanden zoals roofmijten en roofwantsen kunnen trips beheersen in verschillende ontwikkelingsstadia. Het stimuleren van natuurlijke vijanden via bloemrijke akkerranden draagt bij aan een gunstig evenwicht echter dit is nog geen afdoende robuuste maatregel omdat de populatieopbouw van de bestrijders te traag is ten opzichte van de opbouw van de trips.

In het PPS ‘Grip op trips in zaaiuien’ worden nog alternatieve maatregelen genoemd zoals onderzaai of gebruik van stromulches. Nader onderzoek moet uitwijzen wat het effect van deze maatregelen kan zijn.

Toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en goedgekeurde basisstoffen

In de teelt van zaaiuien zijn middelen op basis van deltamethrin, esfenvaleraat, Metarhizium anisopliae stam BIPESCO 5/F52 en spinosad toegelaten voor de bestrijding van trips.

Verschillenden middelen op basis van deltamethrin zijn toegelaten als gewasbehandeling in de teelt van zaaiuien tegen trips. Afhankelijk van het middel en concentratie zijn maximaal 3 toepassingen per 12 maanden toegelaten. Om stapeling te voorkomen geldt voor middelen op basis van deltamethrin in onbedekte teelten een totale dosering van maximaal 0,0.375 kg actieve stof per hectare per 12 maanden. Deltamethrin heeft een contactwerking en wordt niet opgenomen door de plant. Vanwege de contactwerking is het middel minder effectief tegen larven die in de bladschede verscholen zitten.

Middelen op basis van esfenvaleraat zijn toegelaten als gewasbehandeling in de teelt van zaaiuien tegen trips. Middelen zijn toegelaten voor maximaal 3 behandelingen per teeltcyclus. Om stapeling te voorkomen geldt voor middelen op basis van esfenvaleraat in onbedekte teelten een totale dosering van maximaal 0,200 kg actieve stof per hectare per 12 maanden. Esfenvaleraat heeft een contactwerking en wordt na spuiten snel opgenomen door de waslaag van de plant. Het middel werkt vooral tegen volwassen tabakstrips.

Een middel op basis van Metarhizium anisopliae stam BIPESCO 5/F52 is toegelaten als gewasbehandeling in de teelt van zaaiuien tegen trips. Het middel is toegelaten voor maximaal 6 toepassingen per teeltcyclus. Het middel heeft een contactwerking en bevat een breedwerkende entomopathogene schimmel die het beste werkt onder warme en vochtige omstandigheden.

Een middel op basis van spinosad is toegelaten als gewasbehandeling in de teelt van zaaiuien tegen trips. Het middel is toegelaten voor maximaal 4 behandelingen per 12 maanden met een interval van 10 dagen tussen de toepassingen. Het middel is lokaal systemisch en werkt zowel via contact werking als na opname door de plant. Vanwege de lokaal systemische werking en de groei van het gewas is na één week groei een deel van het gewas niet meer beschermd. Dit betreft vooral het deel van de plant waar de tripslarve zich bevindt.

Er zijn beperkte preventieve maatregelen die genomen kunnen worden om aantasting door tabakstrips te voorkomen. Vanwege de verborgen levenswijze van de larven in de bladschede van zaauien zal de beheersing van tabakstrips met de beschikbare maatregelen en middelen onder warme en droge omstandigheden niet afdoende zijn.

Conclusie

De NVWA komt tot de volgende conclusies:

  • De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van bijzondere omstandigheden;

  • Tabakstrips vormt een bedreiging voor een landbouwtechnisch doelmatige teelt van zaaiuien in Nederland;

  • Een landbouwtechnisch doelmatige teelt van zaaiuien is met het beschikbare pakket aan maatregelen en middelen niet mogelijk.

Vrijstelling conform artikel 38 Wgb, van Movento in de teelt van zaaiuien voldoet aan de criteria voor een noodsituatie op het gebied van gewasbescherming.

2.1.2 Naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de toepassingsvoorwaarden

Naleefbaarheid

De NVWA toets de naleefbaarheid van de bovengenoemde toepassingsvoorwaarden in de praktijk aan de technische naleefbaarheid, de naleefcijfers (toezicht) en de ingeschatte motivatie voor naleving.

De technische naleefbaarheid richt zich op de beschikbaarheid van de juiste apparatuur, het praktisch kunnen voldoen aan aanvullende voorwaarden zoals teeltvrije zones en insectengaas en de mogelijkheid om toepassingsvoorwaarden op de juiste wijze toe te kunnen toepassen.

De aanvrager schat in dat 100% van de zaaiuientelers kan voldoen aan de toepassingsvoorwaarden. Hierbij gebruikt ongeveer 25% van de telers een loonwerker.

Dat 100% van de zaaiuientelers kan voldoen aan de gestelde toepassingsvoorwaarden is volgens de NVWA in theorie mogelijk. Echter, de voorgestelde risico-reducerende maatregelen zijn strenger dan de maatregelen die golden tot 30 oktober 2025 voor Movento in zaaiuien. De voorgestelde teeltvrije zones (150 tot 300 centimeter) zijn namelijk breder dan die eerder golden (125 tot 225 centimeter). Voor deze vrijstelling geldt een teeltvrije zone langs alle zijden van het perceel.

De NVWA voert bedrijfsinspecties en toepassingsinspecties uit. Bij bedrijfsinspecties voeren we een fysieke en administratieve controle uit en nemen we een gewasmonster. Toepassingsinspecties worden tijdens het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen uitgevoerd (heterdaad in het veld). In 2023 was bij de bedrijfsinspecties de naleving in zaaiuien 82%. In 2024 was deze naleving 72%.

Of een teler de voorgeschreven voorwaarden zal naleven, is naar verwachting afhankelijk van de mate waarin een ziekte, plaag of onkruid beheerst kan worden en de economische schade die het mogelijk tot gevolg heeft. Er zijn diverse aspecten die het gedrag van de teler beïnvloeden, zoals de verwachte omvang van de economische schade, ‘gemak’, werkzaamheid of kosten. Om deze redenen zal een deel van de telers die niet aan de toepassingsvoorwaarden kan voldoen toch het middel inzetten.

De zaaiuien zijn eerder in het voorjaar van 2026 gezaaid, geen rekening houdend met een teeltvrije zone rondom het perceel van 150 cm, 250 cm of 300 cm, afhankelijk van de DRT klasse waaraan de teler kan voldoen. Om aan de bredere teeltvrije zone te voldoen is het een optie om gezaaide zaaiuien te verwijderen of een bespuiting uit te laten voeren door een loonwerker. De NVWA schat in dat het gebruik van een loonwerker in de teelt van zaaiuien minder gebruikelijk is. Verder is het niet uit te sluiten dat de telers de keuze maken om de zaaiuien te laten staan. Afhankelijk van de verwachte schade, zal de teler besluiten Movento in te zetten om schade te voorkomen.

Het Ctgb heeft de toepassingsperiode beperkt waardoor het gebruik van Movento in zaaiuien enkel vanaf BBCH40 en tot 1 augustus is toegestaan. De schade van tabakstrips treedt op vanaf juni tot aan de oogst (augustus/september), met een hoge plaagdruk bij warm en droog zomerweer. Bij een zware plaagdruk na 1 augustus zal een teler, ondanks de beperking van de toepassingsperiode, veelal besluiten Movento in te zetten om schade te voorkomen.

De NVWA schat in dat de naleefbaarheid van de voorgestelde toepassingsvoorwaarden door de teler laag is.

Handhaafbaarheid

De mogelijkheden voor het uitoefenen van toezicht op de voorschriften bestaan uit bedrijfscontrole (administratief en fysiek achteraf), toepassingscontrole (heterdaad), monstername en/of toezicht op gecontroleerde distributie.

Het gebruik van Movento is via monstername van het gewas en analyse in een lab vast te stellen.

De aanwezigheid/beschikbaarheid van de vereiste spuittechniek bij een teler is vast te stellen, echter het gebruik daarvan is alleen bij heterdaad vast te stellen. De mogelijkheid om de vereiste combinatie van voorwaarden te voldoen kan bij inspectie van het perceel worden vastgesteld.

Het is enkel op heterdaad vast te stellen of het product gebruikt wordt in de buurt van in bloei staand onkruid.

De voorwaarde voor het toepassen van Movento vanaf BBCH 40 is in de meeste gevallen alleen bij heterdaad tijdens het toepassen op het perceel vast te stellen. Daarbij is het moeilijk om groeistadia, zoals BBCH 40, op het perceel vast te stellen.

De voorwaarden voor de toepassingsperiode, niet na 1 augustus, is niet via monstername van het gewas vast te stellen.

De NVWA schat in dat de mogelijkheid voor het uitoefenen van toezicht (handhaafbaarheid) slecht is.

Conclusie

De NVWA concludeert dat de naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de toepassingsvoorwaarden slecht is. Het niet naleven van wet- en regelgeving leidt tot risico’s voor mens, dier en milieu.

Advies NVWA

De NVWA schat in – op basis van het feit dat telers bij het zaaien geen rekening hebben gehouden met de voorgeschreven teeltvrije zone en dat bij een zware plaagdruk na 1 augustus een teler, ondanks de beperking van de toepassingsperiode, zal besluiten Movento in te zetten – dat de naleefbaarheid van de voorgestelde toepassingsvoorwaarden door de teler laag is.

Daarnaast schat de NVWA in dat de handhaafbaarheid laag is op basis van het feit dat het toepassen van Movento vanaf BBCH 40 in de meeste gevallen enkel bij heterdaad tijdens het toepassen op het perceel is vast te stellen, het moeilijk is om het precieze groeistadium op het perceel vast te stellen en niet via monstername van het gewas is vast te stellen dat een toepassing na 1 augustus is gedaan.

Op basis van de beoordeling van de noodsituatie (bijzondere omstandigheden, gevaar voor de teelt en beschikbare alternatieven voor de teelt) en de verwachte naleefbaarheid en handhaafbaarheid adviseert de NVWA een vrijstelling van het gewasbeschermingsmiddel Movento in de teelt van zaaiuien niet te verlenen.

Indien voor het gewasbeschermingsmiddel Movento een vrijstelling wordt verleend, adviseert NVWA nadrukkelijk om het middel enkel onder gecontroleerde distributie te laten leveren met daarbij een controle op de specifieke toepassingsvoorwaarden.

2.2 Risicobeoordeling

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft een advies opgesteld waarin de vraag wordt beantwoord of er sprake is van aanvaardbare risico’s.

Humane toxiciteit

Voldoet aan de eisen.

Volksgezondheid

Voldoet aan de eisen.

Gedrag in het milieu

Voldoet aan de eisen.

Ecotoxiciteit

Voldoet aan de eisen met inachtneming van de volgende risicoreducerende maatregelen / restrictiezinnen:

In de teelt van zaaiui het middel toepassen vanaf BBCH40 (bladbasis begint te verdikken of te verlengen).

Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei staande gewassen of op niet-bloeiende gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen en hommels. Gebruik dit product niet in de buurt van in bloei staand onkruid.

Om niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten te beschermen, is toepassing in de teelt van zaaiui niet toegestaan na 1 augustus.

Om niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen/insecten en bijen te beschermen, is toepassing in de teelt van zaaiui uitsluitend toegestaan indien op het gehele perceel gebruik gemaakt wordt van:

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT97,5 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 150 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT95 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 250 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT90 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 300 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens).

Conclusie

Het College constateert dat na het nemen van risicoreducerende maatregelen / het inachtnemen van restrictiezinnen het risico verbonden aan de vrijstelling acceptabel is.

Advies

Gezien het risico adviseert het College een vrijstelling ex artikel 38 Wgb van het gewasbeschermingsmiddel Movento in de teelt van zaaiuien te verlenen onder vermelding van bovengenoemde risicoreducerende maatregelen / restrictiezinnen.

3 Overwegingen

Overwegende dat er geen adequate middelen en maatregelen beschikbaar zijn om tabakstrips effectief te beheersen in de teelt van zaaiuien en de sector inzet op het onderzoeken en beschikbaar krijgen van alternatieve methoden en middelen gedurende de looptijd van de aangevraagde transitievrijstelling.

Dat daarnaast de uitgifte van het middel gecontroleerd kan verlopen middels borging via stichting CDG en dat het Ctgb mij positief heeft geadviseerd over het verlenen van deze vrijstelling.

Heeft mij doen besluiten om deze vrijstelling te verlenen. Hierbij wijs ik de sector met klem op het feit dat ik belang hecht aan een juiste naleving van de vrijstellingsvoorwaarden en dat de duur van de transitievrijstelling de termijn van 5 jaar na het bekend worden van het intrekken van het middel niet zal overschrijden. Hiermee is november 2027 het laatste moment dat een transitievrijstelling voor dit middel kan worden verleend.

In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (zie bijlage bij dit besluit) zijn de risico reducerende maatregelen overgenomen die door het Ctgb zijn voorgesteld.

4 Besluit

In afwijking van het advies van de NVWA en het advies van het Ctgb overnemend, heb ik in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, besloten om op grond van artikel 38 van de Wgb tijdelijke vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Movento voor de beheersing van tabakstrips in de teelt van zaaiuien.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 1 augustus 2026.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens


X Noot
1

Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek


X Noot
1

Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek

Naar boven