Besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 16 juli 2026, nr. 107537273, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de beheersing van koolgalmug en koolwittevlieg in de onbedekte teelt van bloemkool (Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van koolwittevlieg en koolgalmug in de onbedekte teelt van bloemkool, 2026)

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

handelende in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen nr. 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);

BESLUIT:

Artikel 1

Tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt verleend voor het gebruik van Movento voor de beheersing van koolwittevlieg (Aleyrodes proletella) en koolgalmug (Contarinia nasturtii) in de onbedekte teelt van bloemkool.

Artikel 2

Aan de vrijstelling bedoeld in artikel 1 zijn de in de bijlage bij dit besluit opgenomen voorschriften en beperkingen verbonden.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 28 september 2026.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijke vrijstelling voor de beheersing van koolwittevlieg en koolgalmug in de onbedekte teelt van bloemkool, 2026.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Bezwaar

Als u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u binnen zes weken na dagtekening van dit besluit digitaal of schriftelijk een bezwaarschrift indienen.

Een digitaal bezwaarschrift kunt u indienen via ‘mijn.rvo.nl’. Om in te loggen heeft u uw gebruikerscode en wachtwoord nodig, voor de ondertekening een TAN-code. Bij een digitaal bezwaarschrift stuurt u een kopie van dit besluit mee als pdf-bestand of u stuurt een kopie per post na.

Als u schriftelijk bezwaar wilt maken, stuurt u het ondertekende bezwaarschrift naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, afdeling Juridische Zaken, Postbus 40219, 8004 DE Zwolle. Bij een schriftelijk bezwaar stuurt u een kopie van dit besluit mee met uw bezwaarschrift.

Op mijn.rvo.nl/bezwaar vindt u meer belangrijke informatie over het digitaal en schriftelijk indienen van een bezwaarschrift.

Meer informatie

Heeft u nog vragen over uw bezwaarschrift, kijk dan op de website: mijn.rvo.nl. of bel: 088 042 42 42 (lokaal tarief).

BIJLAGE: WETTELIJK GEBRUIKSVOORSCHRIFT MOVENTO (150 G/L SPIROTETRAMAT)

Wettelijk Gebruiksvoorschrift

Het middel is uitsluitend toegelaten als insectenbestrijdingsmiddel voor het professionele gebruik in het volgende toepassingsgebied (volgens Definitielijst toepassingsgebieden versie 2.2 Ctgb juni 2019) onder de hierna vermelde toepassingsvoorwaarden.

Toepassingsgebied

Type

toepassing

Te bestrijden organisme

Dosering middel per toepassing

Maximale dosering middel per toepassing

Maximaal aantal toepassingen per 12 maanden

Maximaal aantal liter middel per ha per 12 maanden

Minimum interval tussen toepassingen in dagen

Veiligheidstermijn in dagen

Bloemkool (onbedekte teelt)

Gewasbehandeling

Wittevlieg1

Koolgalmug2

0,5 L/ha

0,5 L/ha

2

1 L/ha

14

3

X Noot
1

Koolwittevlieg (Aleyrodes brassicae)

X Noot
2

Koolgalmug (Contarinia nasturtii)

Toepassingsvoorwaarden

Artikel 1: koop

De koop van dit middel, voor gebruik in overeenstemming met dit vrijstellingsbesluit, is verboden tenzij deze plaats vindt onder gecontroleerde distributie middels het digitale registratiesysteem van de Stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen, Stichting CDG.

De koper verstrekt bij de melding:

  • a) De bij de gecombineerde opgave aangemelde percelen waar hij het product wil toepassen, waarbij het systeem controleert of het perceel aangemeld is om het gewas waarvoor een vrijstelling is afgegeven te telen.

  • b) Een verklaring dat de te behandelen percelen beschikken over een teeltvrije zone van tenminste

    • 125 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT97,5;

    • 225 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT95;

    • of 275 centimeter bij het gebruik van een techniek uit de klasse DRT90.

  • c) Voor de controle door de distributeur dat de koper kan voldoen aan de in dit Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG) gestelde eisen ten aanzien van driftreductie.

    • 1. Het SKL1 keuringsrapport van de te gebruiken spuitapparatuur niet ouder dan 3 jaar of

    • 2. voor spuitapparatuur niet ouder dan 3 jaar het aanschafbewijs.

  • d) Een verklaring dat hij kennis heeft genomen van, en voldoet aan de voorwaarden in dit besluit.

Artikel 2: gebruik of voorhanden hebben

Het is verboden om dit middel voorhanden te hebben voor gebruik in de onbedekte teelt van bloemkool of in die teelt te gebruiken zonder aan de eisen te voldoen genoemd onder artikel 1.

Artikel 3: verkoop

Het is verboden dit middel te verkopen voor gebruik in de onbedekte teelt van bloemkool aan een koper die niet aantoont dat hij voldoet aan de eisen genoemd onder artikel 1. Verkoop vindt plaats volgens het regime van gecontroleerde distributie van de Stichting CDG.

Artikel 4: toepassing

Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei-staande gewassen of op niet-bloeiende gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen en hommels. Gebruik dit product niet wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn. Verwijder onkruid voordat het bloeit. Na een gewasbehandeling percelen nog minimaal twee weken vrijhouden van bloeiende onkruiden

In de teelt van bloemkool het middel toepassen vanaf BBCH 40 (ontwikkeling van oogstbare vegetatieve plantendelen).

Om niet tot de doelsoorten behorende insecten/geleedpotigen, bijen en andere bestuivende insecten te beschermen is toepassing van dit middel in de teelt van bloemkool uitsluitend toegestaan indien op het gehele perceel gebruik gemaakt wordt van een van de volgende maatregelen:

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT97,5 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 125 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT95 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 225 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT90 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 275 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens).

Let op: dit middel kan schadelijk zijn voor natuurlijke vijanden. Raadpleeg deskundigen (uw leverancier van natuurlijke vijanden, de producent van dit middel, uw adviseur) over het gebruik van dit middel in combinatie met het gebruik van natuurlijke vijanden.

Resistentiemanagement

Dit middel bevat de werkzame stof spirotetramat. Spirotetramat behoort tot de acetyl CoA carboxylase remmers. De IRAC code is 23. Bij dit product bestaat er kans op resistentieontwikkeling. In het kader van resistentiemanagement dient u de adviezen die gegeven worden in de voorlichtingsboodschappen, op te volgen.

TOELICHTING

1 Algemeen

Artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen nr. 79/117/EEG en nr. 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309) (hierna: Verordening (EG) nr. 1107/2009) en artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) maken het mogelijk in bijzondere omstandigheden tijdelijke vrijstelling te verlenen van het verbod om een niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel binnen Nederland te brengen, op de markt te brengen, voorhanden te hebben of te gebruiken.

Tijdelijke vrijstelling kan worden verleend als een maatregel nodig blijkt voor een gecontroleerd en beperkt gebruik ter beheersing van een noodsituatie die op geen enkele andere redelijke manier te bestrijden is.

2 Adviezen

2.1 Landbouwkundig advies

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft een landbouwkundig advies opgesteld bestaande uit (a) een onderbouwing van de noodsituatie op het gebied van gewasbescherming en (b) een advies over de naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de door het Ctgb voorgeschreven risico reducerende maatregelen / restrictiezinnen.

2.1.1 Noodsituatie op het gebied van gewasbescherming

Bijzondere omstandigheden

Een middel op basis van spirotetramat was beschikbaar voor de beheersing van melige koolluis, koolwittevlieg en koolgalmug (nevenwerking) in de onbedekte teelt van bloemkool. De werkzame stof spirotetramat is vanaf 30 april 2024 niet langer goedgekeurd in de Europese Unie. Het middel op basis van spirotetramat had in Nederland een opgebruiktermijn tot 30 oktober 2025.

Op 11 november 2022 heeft het Ctgb de intrekking van de toelating van de middelen op basis van spirotetramat bekend gemaakt. Om voor een transitievrijstelling in aanmerking te komen, moet een plan van aanpak zicht bieden op het realiseren van een oplossing binnen vijf jaar na deze datum (november 2027).

De aanvrager heeft voor deze transitievrijstelling het ‘Plan van aanpak weerbare bloemkool’ opgesteld. In dit plan wordt voor 2026 en 2027 beschreven welke onderzoeken moeten leiden tot het beheersen van melige koolluis, koolwittevlieg en koolgalmug in de teelt van bloemkool. Dit onderzoek moet de mogelijkheden in kaart brengen om de gehele koolteelt te verduurzamen en om een ICM (Integrated Crop Management) strategie te ontwikkelen. In deze strategie worden onderdelen als bodembeheer, teeltstrategieën (combinatie van rassenkeuze, planttijd en plantafstand), natuurlijke vijanden, monitoringssystemen, precisielandbouwtechnieken en nieuwe gewasbeschermingsmiddelen (te testen middelen niet vermeld) met elkaar in overeenstemming gebracht en aan elkaar gekoppeld. Voor bloemkool ligt de focus binnen het onderzoek op koolgalmug omdat dit insect in bloemkool het grootste probleem vormt. Melige koolluis en koolwittevlieg worden wel in andere koolgewassen onderzocht en resultaten hiervan kunnen deels gebruikt worden in bloemkool. Daarnaast worden alternatieven voor de chemische zaadcoating ontwikkeld in de PPS ‘Groen op Zaad’.

De geschetste oplossingen (bodembeheer, teeltstrategieën, natuurlijke vijanden, monitoringssystemen en precisielandbouwtechnieken) uit het plan van aanpak zijn in lijn met de doelstelling van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 en dragen bij aan de verduurzaming van het Nederlandse gewasbeschermingsmiddelenpakket. De NVWA constateert dat er een brede inspanning geleverd wordt om tot een duurzame oplossing te komen, hoewel niet op voorhand aangegeven kan worden welke maatregelen of middelen effectief zijn en wanneer deze beschikbaar komen. Een tussentijdse voortgangsrapportage moet inzicht bieden in de resultaten van 2026 en zal moeten uitwijzen of eind 2027 de beheersstrategie praktijkrijp kan zijn.

Gevaar

Melige koolluis en koolwittevlieg veroorzaken directe zuigschade en indirecte schade door vervuiling van blad en kool met honingdauw. Daarnaast kan het zuigen van melige koolluis zorgen voor vergroeiingen van het blad. De schade is seizoens- en regiospecifiek. Voor melige koolluis geldt dat ingrijpen vaak niet noodzakelijk is.

Koolgalmug vormt het grootste insectenprobleem in bloemkool. Dit insect kan veel schade geven aan jonge koolplanten door het verlies van het groeipunt, draaihartigheid, dubbele schermen en vorming van zijscheuten. Koolgalmugaantasting kan ook leiden tot een secundaire natrot-aantasting door Erwinia-bacteriën. De aanvrager geeft aan dat aantasting jaarlijks op 50-90% van het areaal voorkomt.

Alternatieven

Maatregelen

Een ruime vruchtwisseling voor kruisbloemigen (koolgalmug overwintert in de bodem), niet telen op percelen in de luwte of telen in de nabijheid van percelen waar het vorige jaar koolgalmug aanwezig was, dragen bij aan de beheersing van de koolgalmug. Ook worden hygiënische maatregelen als het afvoeren van aangetaste gewasresten, het beheersen van onkruiden van de kruisbloemigenfamilie en het korthouden van slootkanten aangeraden. Door zijn verborgen levenswijze is de koolgalmug moeilijk waar te nemen. Er bestaan feromoonvallen waarmee de mannetjes gevangen worden. Ook is er een waarschuwingssysteem beschikbaar, dat is ontwikkeld voor een systemisch insecticide. Dit is niet nauwkeurig genoeg om te kunnen werken met contactmiddelen. Er wordt gewerkt aan real time monitoring, om precies te kunnen bepalen wanneer contactmiddelen moeten worden toegepast.

Het scouten van percelen bloemkool op aanwezigheid van melige koolluis en koolwittevlieg wordt standaard uitgevoerd op de bedrijven met bloemkool. Een waarschuwingsmodel om op het juiste moment een bestrijding uit te voeren is niet beschikbaar.

Tegen koolwittevlieg zijn biologische bestrijders beschikbaar. Ook tegen bladluizen zijn biologische bestrijders beschikbaar, maar het is niet duidelijk of deze ook tegen melige koolluis werken.

Toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en goedgekeurde basisstoffen

In de onbedekte teelt van bloemkool zijn middelen tegen melige koolluis, koolwittevlieg en/of koolgalmug beschikbaar op basis van Beauveria bassiana, cyantraniliprole, deltamethrin, esfenvaleraat, flupyradifuron, maltodextrine, pirimicarb, tau-fluvalinaat, Urtica spp., Vetzuren C8-C18 en C18 onverzadigd, kaliumzouten.

Middelen op basis van Beauveria bassiana zijn toegelaten in de onbedekte teelt van bloemkool tegen koolwittevlieg. Deze middelen zijn beoordeeld conform artikel 51 EG 1107/2009. Er is voor deze toepassing geen werkzaamheids- en fytotoxiciteitonderzoek uitgevoerd. Werkzaamheid is aannemelijk. Deze middelen mogen 25 keer per twaalf maanden worden toegepast. De middelen hebben contactwerking en zijn effectief bij een minimum temperatuur van 15 °C en een hoge luchtvochtigheid.

Middelen op basis van cyantraniliprole zijn toegelaten voor gewasbehandeling in de onbedekte teelt van bloemkoolachtigen tegen koolwittevlieg en hebben een nevenwerking tegen melige koolluis en mogelijk ook koolgalmug. Eén middel op basis van cyantraniliprole mag één keer per teeltcyclus worden toegepast. Het andere middel mag één keer in de twee jaar worden toegepast. Afhankelijk van het middel mag de werkzame stof cyantraniliprole pas in het 2e of het 3e kalenderjaar weer op hetzelfde perceel worden toegepast. Om het grondwater te beschermen is toepassing van dit middel in de onbedekte teelt van bloemkoolachtigen uitsluitend toegestaan nadat de eerste bloemkoolvorming zichtbaar is (BBCH 40).

Verder is een middel op basis van cyantraniliprole toegelaten in bloemkoolachtigen als traybehandeling tegen koolvlieg. Dit heeft de eerste weken na uitplanten een nevenwerking tegen melige koolluis. Omdat de dosering in voorjaar 2025 is verlaagd van 15 ml per 1.000 planten naar 5 ml per 1.000 planten, verwacht de aanvrager een mindere en korter durende werking. De middelen op basis van cyantraniliprole hebben een systemische en contactwerking.

Middelen op basis van deltamethrin zijn toegelaten in de onbedekte teelt van bloemkool tegen rupsen. Deze middelen hebben een nevenwerking tegen bladluizen, koolwittevlieg en koolgalmug. Volgens de aanvrager is een nevenwerking tegen de lastiger te bestrijden melige koolluis niet bekend. Deze middelen mogen maximaal twee maal per twaalf maanden worden toegepast en hebben een contact- en maagwerking en een afwerende werking voor invliegende insecten.

Middelen op basis van esfenvaleraat zijn toegelaten in de teelt van bloemkoolachtigen tegen rupsen. Deze middelen hebben een nevenwerking tegen melige koolluis en koolgalmug. Ze mogen één keer per teeltcyclus worden toegepast. Deze middelen hebben een contact- en maagwerking en een afwerende werking tegen bladluizen.

Een middel op basis van flupyradifuron is toegelaten in de onbedekte teelt van bloemkool tegen melige koolluis, conform artikel 51 EG 1107/2009. Er is voor deze toepassing geen werkzaamheids- en fytotoxiciteitonderzoek uitgevoerd. Werkzaamheid is aannemelijk. Het middel heeft een lichte nevenwerking tegen koolwittevlieg. Vóór de ontwikkeling van het oogstbare deel van de bloemkool mag het middel één keer per 24 maanden worden toegepast en bij toepassing vanaf de ontwikkeling van het oogstbare deel mag het één keer per twaalf maanden worden toegepast. Dit middel heeft een systemische en een contactwerking.

Een middel op basis van maltodextrine is toegelaten in de teelt van bloemkoolachtigen tegen koolwittevlieg. Het middel is beoordeeld conform artikel 51 EG 1107/2009. Er is voor deze toepassing geen werkzaamheids- en fytotoxiciteitonderzoek uitgevoerd. Werkzaamheid is aannemelijk. Het heeft een nevenwerking tegen melige koolluis. Het middel mag vijf keer per twaalf maanden worden toegepast. Het is een contactmiddel dat werkt op een fysieke manier.

Een middel op basis van pirimicarb was tot 15 maart 2026 toegelaten in de onbedekte teelt van bloemkoolachtigen tegen bladluis, waaronder melige koolluis. Er is een aflevertermijn tot 15 september en een opgebruiktermijn tot 31 december 2026. Het middel mag twee maal per twaalf maanden worden toegepast en het heeft een contact- en dampwerking en werkt translaminair.

Middelen op basis van tau-fluvalinaat zijn toegelaten in de teelt van bloemkoolachtigen tegen bladluizen, waaronder melige koolluis, maximaal één maal per teeltcyclus. Deze middelen hebben een contactwerking.

Urtica spp. (brandnetel extract) is goedgekeurd als basisstof tegen bladluizen in de onbedekte teelt van koolgewassen. Het mag vijf keer worden toegepast. Deze basisstof heeft een contactwerking. Uit aangeleverde proeven blijkt geen werking tegen melige koolluis.

Middelen op basis van vetzuren C8-C18 en C18 onverzadigd en kaliumzouten zijn toegelaten in de onbedekte teelt van bloemkool tegen bladluizen en hebben een beperkte werking tegen melige koolluis een nevenwerking tegen koolwittevlieg. Deze middelen mogen worden toegepast met een frequentie van vijf toepassingen per twaalf maanden. Deze middelen hebben contactwerking.

Melige koolluis en koolwittevlieg bevinden zich aan de onderkant van de bladeren en koolgalmuglarven zitten verborgen in het hart van de bloemkool, waardoor deze insecten met contactmiddelen moeilijk te raken zijn. Tegen koolwittevlieg en melige koolluis zijn enkele systemische middelen beschikbaar, met een zeer beperkt aantal toepassingen en met mogelijke nevenwerking tegen koolgalmug. Met de beschikbare maatregelen en middelen kunnen koolwittevlieg en koolgalmug bij de huidige teeltpraktijk, met twee teelten per jaar op hetzelfde perceel, onvoldoende worden beheerst.

Conclusie

De NVWA komt tot de volgende conclusies:

  • De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van bijzondere omstandigheden;

  • Koolgalmug en koolwittevlieg vormen een bedreiging voor een landbouwtechnisch doelmatige onbedekte teelt van bloemkool in Nederland. Melige koolluis vormt geen bedreiging.

  • Een landbouwtechnisch doelmatige onbedekte teelt van bloemkool is met het beschikbare pakket aan maatregelen en middelen niet mogelijk.

Vrijstelling conform artikel 38 Wgb, van Movento in de onbedekte teelt van bloemkool voldoet aan de criteria voor een noodsituatie op het gebied van gewasbescherming.

2.1.2 Naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de toepassingsvoorwaarden

Naleefbaarheid

De NVWA toets de naleefbaarheid van de bovengenoemde toepassingsvoorwaarden in de praktijk aan de technische naleefbaarheid, de naleefcijfers (toezicht) en de ingeschatte motivatie voor naleving.

De technische naleefbaarheid richt zich op de beschikbaarheid van de juiste apparatuur, het praktisch kunnen voldoen aan aanvullende voorwaarden zoals teeltvrije zones en insectengaas en de mogelijkheid om toepassingsvoorwaarden op de juiste wijze toe te kunnen toepassen.

De aanvrager schat in dat 100% van de bloemkooltelers kan voldoen aan de gecombineerde toepassingsvoorwaarden voor techniek en teeltvrije zone. Hierbij zou 20% van de telers gebruik maken van een loonwerker.

Dat 100% van de bloemkooltelers kan voldoen aan de gestelde toepassingsvoorwaarden is volgens de NVWA in theorie mogelijk. Echter, de voorgestelde risico-reducerende maatregelen zijn strenger dan de maatregelen die golden tot 30 oktober 2025 voor Movento in bloemkool. De voorgestelde teeltvrije zones (125 tot 275 centimeter) zijn breder dan die eerder golden (125 tot 225 centimeter). Voor deze vrijstelling geldt een teeltvrije zone langs alle zijden van het perceel.

De NVWA voert bedrijfsinspecties en toepassingsinspecties uit. Bij bedrijfsinspecties voeren we een fysieke en administratieve controle uit en nemen we een gewasmonster. Toepassingsinspecties worden tijdens het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen uitgevoerd (heterdaad in het veld).

Of een teler de voorgeschreven voorwaarden zal naleven, is naar verwachting afhankelijk van de mate waarin een ziekte, plaag of onkruid beheerst kan worden en de economische schade die het mogelijk tot gevolg heeft. Er zijn diverse aspecten die het gedrag van de teler beïnvloeden, zoals de verwachte omvang van de economische schade, ‘gemak’, werkzaamheid of kosten. Om deze redenen zal een deel van de telers die niet aan de toepassingsvoorwaarden kan voldoen toch het middel inzetten.

Bloemkool wordt in het najaar of het voorjaar geplant. In het voorjaar is er geen rekening gehouden met de aangepaste restrictie van een teeltvrije zone van 125, 225 of 275 cm. Voor het planten in het najaar kan aan de teeltvrije zone worden voldaan.

Om bij voorjaars geplante bloemkool aan de restricties te voldoen kan een deel van het gewas worden verwijderd of gebruik gemaakt worden van een loonwerker met geschikte spuitapparatuur. De NVWA schat in dat het gebruik van een loonwerker in de teelt van bloemkool minder gebruikelijk is.

Het Ctgb heeft voorwaarden gesteld aan het ontwikkelingsstadium van de plant waarna Movento mag worden toegepast. Dit is BBCH40 (ontwikkeling van oogstbare vegetatieve plantendelen). De vrijstellingsperiode is tot 28-09-2026. Movento mag enkel gebruikt worden na BBCH40 in de bloemkool. Hierdoor is het gebruik voor de najaarsteelt niet realistisch.

Verder is het niet uit te sluiten dat de telers de keuze maken om de bloemkool te laten staan. Afhankelijk van de verwachte schade, zal de teler besluiten Movento in te zetten om schade te voorkomen.

De NVWA schat in dat de naleefbaarheid van de voorgestelde toepassingsvoorwaarden door de teler laag is.

Handhaafbaarheid

De mogelijkheden voor het uitoefenen van toezicht op de voorschriften bestaan uit bedrijfscontrole (administratief en fysiek achteraf), toepassingscontrole (heterdaad), monstername en/of toezicht op gecontroleerde distributie.

Het gebruik van Movento is via monstername van het gewas en analyse in een lab vast te stellen.

De aanwezigheid/beschikbaarheid van de vereiste spuittechniek bij een teler is vast te stellen, echter het gebruik daarvan is alleen bij heterdaad vast te stellen. De mogelijkheid om de vereiste combinatie van voorwaarden te voldoen kan bij inspectie van het perceel worden vastgesteld.

Het is enkel op heterdaad vast te stellen of het product gebruikt wordt in de buurt van in bloei staand onkruid. Of het gewas actief wordt bezocht door bijen en hommels is ook enkel op heterdaad vast te stellen.

De voorwaarde voor het toepassen van Movento vanaf BBCH 40 is enkel bij heterdaad tijdens het toepassen op het perceel vast te stellen.

De NVWA schat in dat de mogelijkheid voor het uitoefenen van toezicht (handhaafbaarheid) slecht is.

Conclusie

De NVWA concludeert dat de naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de toepassingsvoorwaarden slecht is. Het niet naleven van wet- en regelgeving leidt tot risico’s voor mens, dier en milieu.

Advies NVWA

De NVWA schat in dat de naleefbaarheid van de voorgestelde toepassingsvoorwaarden door de teler laag is. Bij de voorjaarsteelt is door telers bij het planten geen rekening gehouden met de voorgeschreven teeltvrije zones die afwijken van de vervallen toelating. Dit in combinatie met de voorgeschreven drift reducerende spuittechniek. Het gebruik van een loonwerker in de teelt van bloemkool is minder gebruikelijk. Bij de najaarsteelt is toepassing van Movento niet realistisch, omdat binnen de aangevraagde vrijstellingsperiode het voorgeschreven plantstadium nog niet is bereikt. Bij een zware plaagdruk in de najaarsteelt zal een teler, ondanks het einde van de vrijstellingsperiode, besluiten Movento in te zetten.

Daarnaast schat de NVWA in dat de handhaafbaarheid slecht is op basis van het feit dat het toepassen van Movento vanaf BBCH 40 enkel bij heterdaad tijdens het toepassen op het perceel is vast te stellen.

Op basis van de beoordeling van de noodsituatie (bijzondere omstandigheden, gevaar voor de teelt en beschikbare alternatieven voor de teelt) en de verwachte naleefbaarheid en handhaafbaarheid adviseert de NVWA een vrijstelling van het gewasbeschermingsmiddel Movento in de teelt van bloemkool niet te verlenen.

Indien voor het gewasbeschermingsmiddel Movento toch een vrijstelling wordt verleend, adviseert NVWA nadrukkelijk om het middel enkel onder gecontroleerde distributie te laten leveren met daarbij een controle op de specifieke toepassingsvoorwaarden.

2.2 Risicobeoordeling

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft een advies opgesteld waarin de vraag wordt beantwoord of er sprake is van aanvaardbare risico’s.

Humane toxiciteit

Voldoet aan de eisen.

Volksgezondheid

Voldoet aan de eisen.

Gedrag in het milieu

Voldoet aan de eisen.

Ecotoxiciteit

Voldoet aan de eisen met inachtneming van de volgende risicoreducerende maatregelen/ restrictiezinnen:

Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei-staande gewassen of op niet-bloeiende gewassen wanneer deze actief bezocht worden door bijen en hommels. Gebruik dit product niet wanneer bloeiende onkruiden aanwezig zijn. Verwijder onkruid voordat het bloeit. Na een gewasbehandeling percelen nog minimaal twee weken vrijhouden van bloeiende onkruiden.

In de teelt van bloemkool het middel toepassen vanaf BBCH 40 (ontwikkeling van oogstbare vegetatieve plantendelen).

Om niet tot de doelsoorten behorende insecten/geleedpotigen, bijen en andere bestuivende insecten te beschermen is toepassing van dit middel in de toepassing van bloemkool uitsluitend toegestaan indien op het gehele perceel gebruik gemaakt wordt van een van de volgende maatregelen:

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT97,5 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 125 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT95 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 225 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens), of

  • een techniek uit tenminste de klasse DRT90 in combinatie met een teeltvrije zone van tenminste 275 centimeter (gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij tot aan de perceelgrens).

Let op: dit middel kan schadelijk zijn voor natuurlijke vijanden. Raadpleeg deskundigen (uw leverancier van natuurlijke vijanden, de producent van dit middel, uw adviseur) over het gebruik van dit middel in combinatie met het gebruik van natuurlijke vijanden.

Conclusie

Het College constateert dat na het nemen van risicoreducerende maatregelen / het inachtnemen van restrictiezinnen het risico verbonden aan de vrijstelling acceptabel is.

Advies

Gezien het risico adviseert het College een vrijstelling ex artikel 38 Wgb van het gewasbeschermingsmiddel Movento in de onbedekte teelt van bloemkool te verlenen onder vermelding van bovengenoemde risicoreducerende maatregelen/restrictiezinnen.

3 Overwegingen

Overwegende dat er geen adequate middelen en maatregelen beschikbaar zijn om koolwittevlieg en koolgalmug effectief te beheersen in de onbedekte teelt van bloemkool en de sector inzet op het onderzoeken en beschikbaar krijgen van alternatieve methoden en middelen gedurende de looptijd van de aangevraagde transitievrijstelling.

Dat daarnaast de uitgifte van het middel gecontroleerd kan verlopen middels borging via stichting CDG en dat het Ctgb mij positief heeft geadviseerd over het verlenen van deze vrijstelling.

Heeft mij doen besluiten om deze vrijstelling te verlenen. Hierbij wijs ik de sector met klem op het feit dat ik belang hecht aan een juiste naleving van de vrijstellingsvoorwaarden en dat de duur van de transitievrijstelling de termijn van 5 jaar na het bekend worden van het intrekken van het middel niet zal overschrijden. Hiermee is november 2027 het laatste moment dat een transitievrijstelling voor dit middel kan worden verleend.

In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (zie bijlage bij dit besluit) zijn de risico reducerende maatregelen overgenomen die door het Ctgb zijn voorgesteld.

4 Besluit

In afwijking van het advies van de NVWA en het advies van het Ctgb overnemend, heb ik in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, besloten om op grond van artikel 38 van de Wgb tijdelijke vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het gewasbeschermingsmiddel Movento voor de beheersing van koolwittevlieg en koolgalmug in de onbedekte teelt van bloemkool.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt op 28 september 2026.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens


X Noot
1

Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek


X Noot
1

Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek

Naar boven