Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 26122 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 26122 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op artikelen 2b en 3, eerste lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
een beschrijving en onderbouwing overeenkomstig artikel 11 van de wijze waarop de specifieke uitkering ingezet gaat worden;
natuurlijke persoon of rechtspersoon in de omgeving van een netuitbreidingsproject (220/380 kV) die gevolgen ondervindt voor zijn leefkwaliteit als gevolg van dit netuitbreidingsproject, waaronder omwonenden;
de kwaliteit van de fysieke leefomgeving voor zover die bepalend is voor betrokkenen in de omgeving van een netuitbreidingsproject (220/380 kV);
een project ter verbetering van de leefkwaliteit van betrokkenen;
de Minister van Klimaat en Groene Groei;
project voor de uitbreiding van het nationale 220/380 kV hoogspanningsnet waarvoor een projectbesluit of een ander besluitvormingsinstrument onder de Omgevingswet is vastgesteld in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030, inhoudende de realisatie van nieuwe hoogspanningsstations, de substantiële uitbreiding van bestaande hoogspanningsstations en nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, of een project voor de uitbreiding van het nationale 220/380 kV hoogspanningsnet waarbij meer dan 8 bovengrondse hoogspanningsverbindingen samenkomen en waarvan de bouw start in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030, waaronder de projecten genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
een document waarin de gemeente overeenkomstig artikel 9, eerste lid uiteenzet hoe het participatietraject over het leefkwaliteitproject wordt ingericht;
een document waarin de gemeente overeenkomstig artikel 9, tweede lid, verslag uitbrengt over het participatietraject dat gevolgd is voor het leefkwaliteitproject;
een projectbesluit, wijziging van het omgevingsplan (omgevingsplanwijziging), buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) of instructiebesluit (van Rijk of provincie aan lagere overheden) dat bedoeld is om complexe hoogspanningsprojecten met een publiek belang in de fysieke leefomgeving toe te staan;
formele bindende beslissing die door de gemeenteraad is genomen over de verbetering van de leefkwaliteit in het gebied waarin het netuitbreidingsproject gerealiseerd wordt;
een uitbreiding van een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV) als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b.
Deze regeling heeft tot doel om de leefkwaliteit te verbeteren van betrokkenen die impact ervaren van een netuitbreidingsproject (220/380 kV).
De minister kan op aanvraag aan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken die wordt ingezet voor het verbeteren van de leefkwaliteit van betrokkenen in het gebied waarin een netuitbreidingsproject (220/380 kV) impact heeft.
1. De volgende netuitbreidingsprojecten (220/380 kV) hebben impact op de leefkwaliteit van betrokkenen en komen in aanmerking voor een gebiedsinvestering:
a. nieuwe hoogspanningsstations (220/380 kV);
b. substantiële uitbreiding van bestaande hoogspanningsstations (220/380 kV), inhoudende een voor de realisatie van het netuitbreidingsproject noodzakelijke wijziging van de planologische functie van een gebied aangrenzend aan een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV) binnen de gemeente, waarbij sprake is van:
1°. een toename in de omvang van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 100%; of
2°. een toename in omvang van het gebied van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 5 hectare;
c. nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220/380 kV).
2. In afwijking van het eerste lid komt een netuitbreidingsproject (220/380 kV) dat in zijn geheel is gelegen op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming en waarvoor dus geen aanpassing van de planologische bestemming noodzakelijk is, niet in aanmerking voor een gebiedsinvestering.
1. Het totale bedrag dat voor de specifieke uitkeringen beschikbaar is gesteld, is € 193.400.000 inclusief afdracht aan het BTW-compensatiefonds.
2. De minister verdeelt het beschikbaar gestelde bedrag op volgorde van ontvangst van volledige aanvragen.
3. De uitkering bestaat per netuitbreidingsproject (220/380 kV) uit een vast bedrag van:
a. € 6.000.000,– inclusief BTW voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation;
b. € 3.000.000,– inclusief BTW voor de uitbreiding van een bestaand hoogspanningsstation;
c. € 150.000,– inclusief BTW per kilometer nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding (overeenkomstig het projectbesluit) voor zover minimaal 1 kilometer nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen binnen de grenzen van de gemeente wordt gerealiseerd, waarbij de kilometers hoogspanningsverbindingen worden afgerond op één decimaal achter de komma.
1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode 15 oktober 2026, 9:00 uur tot 31 maart 2031, 17:00 uur met gebruikmaking van het door de minister beschikbaar gestelde middel en heeft betrekking op de netuitbreidingsprojecten (220/380 kV) als bedoeld in artikel 4, eerste lid.
2. Een aanvraag voor de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding (220/380 kV), kan worden gecombineerd met de aanvraag voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation (220/380 kV) of de substantiële uitbreiding van een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV).
3. Een aanvraag bevat in ieder geval:
a. de naam van de gemeente, het nummer waarmee de gemeente is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en bankgegevens van de gemeente;
b. de contactgegevens van de contactpersoon bij de gemeente;
c. de datum van de aanvraag;
d. een verwijzing naar het projectbesluit betreffende het netuitbreidingsproject waarvoor een aanvraag wordt ingediend;
e. het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de berekening daarvan overeenkomstig artikel 5, derde lid; en
f. een participatieplan als bedoeld in artikel 9, eerste lid.
4. Op de volledige aanvraag wordt binnen 8 weken na ontvangst een beslissing genomen.
5. De in het vierde lid bedoelde termijn kan eenmalig met ten hoogste 8 weken worden verlengd.
1. Voor een specifieke uitkering komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de in artikel 3 genoemde activiteiten en die gemaakt zijn in de periode vanaf 1 oktober 2026 tot en met 31 december 2036.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de specifieke uitkering niet geacht te zien op bedragen voor verschuldigde omzetbelasting, tenzij de gemeente aantoonbaar de omzetbelasting niet kan verrekenen of hiervoor geen compensatie kan krijgen op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.
1. De minister verstrekt ambtshalve twee voorschotten aan een gemeente.
2. Het eerste voorschot van 20% van de toegekende specifieke uitkering exclusief BTW wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering.
3. Het tweede voorschot van 80% van de toegekende specifieke uitkering exclusief BTW wordt verstrekt binnen acht weken na ontvangst van het raadsbesluit met alle bijbehorende documenten zoals bedoeld in artikel 10.
1. Het in artikel 6, derde lid, onderdeel f, bedoelde participatieplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een globale beschrijving van de verschillende categorieën betrokkenen;
b. een globale beschrijving van de wijze waarop de betrokkenen worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld om inbreng te leveren;
c. een globale beschrijving van de wijze waarop de inbreng van betrokkenen wordt verwerkt en hoe aan hen daarover terugkoppeling wordt gegeven;
d. een globale planning of tijdlijn van de participatie.
2. Het in artikel 10, tweede lid, onderdeel b, bedoelde participatieverslag bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een globaal overzicht van de uitgevoerde participatieactiviteiten (al dan niet digitaal), waaronder:
1°. de datum van de bijeenkomst(en); en
2°. het aantal deelnemers per bijeenkomst;
b. een globale beschrijving van de wijze waarop betrokkenen zijn geïnformeerd over de participatiemogelijkheden en de datum waarop deze informatievoorziening heeft plaatsgevonden;
c. een globaal overzicht van de ontvangen inbrengen;
d. een globaal overzicht van de verwerking van deze inbrengen, waaronder:
1°. welke inbreng betrokken is bij de besluitvorming over de besteding en op welke wijze; en
2°. welke inbreng niet betrokken is bij de besluitvorming en om welke reden;
e. een beschrijving van de wijze en het moment waarop betrokkenen zijn geïnformeerd over de uitkomsten van de participatie;
f. de geanonimiseerde verslagen van de gehouden bijeenkomst(en) en de uitnodiging of oproep tot deelname aan de participatie.
1. De gemeente verstrekt de minister binnen 2 jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering een afschrift van het raadsbesluit met gebruikmaking van het door de minister beschikbaar gestelde middel.
2. Als bijlage bij het raadsbesluit verstrekt de gemeente in ieder geval:
a. een bestedingsplan als bedoeld in artikel 11;
b. een participatieverslag als bedoeld in artikel 9, tweede lid;
c. notulen van de raadsvergadering waarin het raadsbesluit is vastgesteld.
Het in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, bedoelde bestedingsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a. een beschrijving van de te financieren projecten, waaronder de beoogde effecten op de leefkwaliteit; en
b. een financiële onderbouwing van de projecten.
1. De gemeente zorgt ervoor dat de in artikel 3 genoemde activiteiten uiterlijk zijn uitgevoerd binnen 3 jaar na het raadsbesluit.
2. De in het eerste lid genoemde termijn kan in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de gemeente met een redelijke termijn worden verlengd.
3. De gemeente draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend wordt ingezet ten behoeve van het in artikel 2 genoemde doel, overeenkomstig de in deze regeling opgenomen voorwaarden en verplichtingen en op zodanige wijze dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
4. Iedere publicatie door of met medewerking van de gemeente over een leefkwaliteitproject wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met een specifieke uitkering het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de gemeente niet zal voldoen aan de in deze regeling opgenomen verplichtingen.
De gemeente doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de in artikel 3 genoemde activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of
b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
1. De gemeente legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet volledig is besteed aan het doel waarvoor deze is verleend, of onrechtmatig is besteed, kan de specifieke uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede doel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de gemeente.
3. Indien het projectbesluit vernietigd wordt nadat de gemeente de specifieke uitkering heeft ontvangen, wordt de specifieke uitkering op grond van artikel 16, onderdeel a, vastgesteld.
De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve overeenkomstig de verlening vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, over de uitkeringsperiode van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, tenzij:
a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet of niet geheel zijn uitgevoerd, of
b. niet is voldaan aan de aan de specifieke uitkering verbonden verplichtingen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 juli 2026
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat
In deze regeling worden regels gesteld over een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van investeringen in gebieden waar betrokkenen impact ondervinden van de uitbreiding van het nationale hoogspanningsnet de komende jaren. Het gaat daarbij om nieuwe hoogspanningsstations 220/380 kV, substantiële uitbreidingen van bestaande hoogspanningsstations 220/380 kV en nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220/380 kV).
Deze regeling heeft tot doel om de leefkwaliteit van betrokkenen (waaronder omwonenden) te verbeteren in gebieden waarin een netuitbreidingsproject (220/380 kV) impact veroorzaakt. Deze betrokkenen hebben dan ook inspraak in de besteding van de middelen. De middelen ten gunste van deze regeling zijn afkomstig uit het Klimaatfonds (Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026).
Nederland staat voor een grote opgave: het nationale hoogspanningsnet moet de komende jaren fors worden uitgebreid om de energietransitie mogelijk te maken en netcongestie op te lossen. Daarbij is een hoge piek voorzien ten aanzien van de uitbreiding van het landelijke hoogspanningsnetwerk (220/380 kV). Deze hoogspanningsprojecten zijn cruciaal voor het (inter)nationale belang, maar kunnen vanwege hun omvang ook grote gevolgen hebben voor de leefkwaliteit van betrokkenen waaronder direct omwonenden.
De ruimte en leefkwaliteit in Nederland staan onder druk door onder meer de extra infrastructuur die de energietransitie vereist. Het maatschappelijk draagvlak lijkt te dalen en de roep om verbetering van de leefkwaliteit rondom hoogspanningsprojecten klinkt steeds luider. In veel gebieden gaat het bovendien om meerdere opeenvolgende netuitbreidingen op locaties waar de leefkwaliteit al onder druk staat. De weerstand die dit oproept zet, via lokale overheden, de interbestuurlijke verhoudingen onder druk en zorgt voor (soms forse) vertraging bij projecten, terwijl uitbreiding op korte termijn noodzakelijk is. Zonder tijdige realisatie dreigen de klimaatdoelen buiten bereik te raken en lopen de maatschappelijke kosten van netcongestie hoog op.
TenneT en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) proberen zorgen weg te nemen door in gesprek te gaan met betrokkenen en te zorgen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van deze projecten. Vragen vanuit de omgeving gaan soms verder dan de wettelijke eisen, terwijl aanvullende maatregelen buiten de bevoegdheid van TenneT vallen. De uitbreiding van het hoogspanningsnetwerk (220/380 kV) vraagt daarmee om aanvullende maatregelen.
Het kabinet heeft daarom in april 2.025 EUR 197 miljoen beschikbaar gesteld voor gebiedsinvesteringen om de scheve verhouding tussen lasten en lusten te herstellen en regionaal draagvlak te behouden1 (hierna: kamerbrief van 25 april 2025).
Een vergelijkbare aanpak bij Net op Zee (Regeling specifieke uitkeringen gebiedsinvesteringen Net op Zee) lijkt tot nu toe succesvol: gemeenten maakten bestedingsplannen en de investeringen worden door betrokkenen positief ontvangen (mede gelet op de mogelijkheid tot participatie).
De inzet van de middelen is breed: van groenvoorzieningen, wandel- en fietspaden en sportvoorzieningen tot renovatie van een dorps- of wijkhuis of andere ontmoetingsplekken. Bepalend is dat de investering op bestendige wijze bijdraagt aan een verbetering van de leefkwaliteit van direct omwonenden en overige betrokkenen van het desbetreffende 220/380 kV netuitbreidingsproject. Om te zorgen dat de middelen worden ingezet voor projecten die aansluiten bij het doel van de regeling en de wensen van de betrokkenen is participatie een belangrijk vereiste.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) speelt als uitvoerder een belangrijke rol bij de regeling. RVO toetst of de aanvraag voor gebiedsinvesteringen door gemeenten aan de voorwaarden voldoet en kent de specifieke uitkering vervolgens toe.
De middelen worden overgemaakt aan gemeenten waar het betreffende netuitbreidingsproject gerealiseerd wordt. Gemeenten kunnen binnen bepaalde kaders de middelen vervolgens naar eigen inzicht besteden aan projecten die zorgen voor de verbetering van de leefkwaliteit. Nu direct omwonenden en andere betrokkenen de meeste impact ervaren, dienen zij te worden betrokken (en bepalend te zijn) bij de besteding van de middelen (in de vorm van participatie, zie ook paragraaf 5).
Reikwijdte regeling
Niet alle gemeenten waarbinnen hoogspanningsprojecten plaatsvinden komen in aanmerking voor deze regeling. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
• Een project voor de uitbreiding van het nationale 220/380 kV hoogspanningsnet. Netuitbreidingsprojecten op een lager spanningsniveau (150 kV en lager) komen niet in aanmerking voor deze regeling. Bij deze laatstgenoemde projecten is de bovengrondse impact op de leefkwaliteit lager, omdat nieuwe hoogspanningsverbindingen op deze spanningsniveaus in beginsel ondergronds worden aangelegd en nieuwe hoogspanningsstations kleiner zijn dan nieuwe stations op 220/380 kV (circa 4–6 hectare ten opzichte van circa 20–30 hectare).
• Een project ingeleid met een projectbesluit, wijziging van het omgevingsplan (omgevingsplanwijziging), buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) of instructiebesluit (van Rijk of provincie aan lagere overheden) dat bedoeld is om complexe hoogspanningsprojecten met een publiek belang in de fysieke leefomgeving toe te staan. In de regeling en hierna wordt met projectbesluit ook een omgevingsplanwijziging, bopa of instructiebesluit bedoeld (conform de definitie in artikel 1 van de regeling).
• Een projectbesluit dat is genomen in de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030. Het gaat om nieuwe netuitbreidingsprojecten en EZK heeft daarom gekozen voor 1 januari 2024. De regeling sluit qua bewoording zo ook goed aan bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
• Ook netuitbreidingsprojecten waarbij meer dan 8 bovengrondse hoogspanningsverbindingen samenkomen en waarvan de bouw start of is gestart in de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030 komen in aanmerking vanwege de grote impact op de leefkwaliteit. Hoogspanningsknooppunten met zoveel bovengrondse hoogspanningsverbindignen hebben veel fysieke impact en dit zijn unieke casussen ten opzichte van andere hoogspanningsstations. Dit zijn veruit het hoogste aantal aanlandende verbindingen op één hoogspanningsstation in Nederland.
• De verwachting is dat eind 2030 de ten aanzien van netuitbreidingsprojecten voorziene piek (ten aanzien van de voorbereidingen, waaronder besluitvorming) grotendeels voorbij is. Gemeenten hebben vanaf 31 december 2030 nog 3 maanden de tijd om een aanvraag in te dienen (dus uiterlijk 31 maart 2031). Vervolgens sluit de regeling voor aanvragen. De regeling blijft wel van toepassing op de lopende aanvragen.
• Het is niet vereist dat het projectbesluit onherroepelijk is op het moment van de aanvraag. Een gemeente kan dus ook een aanvraag indienen terwijl tegen het projectbesluit nog een bezwaar/beroepsprocedure loopt. Let wel: de gemeente dient uiterlijk 31 maart 2031 de aanvraag te doen. De keuze om al dan niet een aanvraag in te dienen hangende de bezwaar/beroepsprocedure, ligt bij de gemeente zelf. In de praktijk zal een gemeente veelal zelf een goede inschatting kunnen maken van de kans van slagen van een eventueel bezwaar/beroep. Daarbij is van belang dat het aantal gevallen waarin een projectbesluit in zijn geheel wordt vernietigd in bezwaar/beroep, beperkt is. Doorgaans worden slechts onderdelen van een projectbesluit aangepast, zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid van het project als geheel.
• Mocht het projectbesluit alsnog worden vernietigd nadat de gemeente reeds een specifieke uitkering heeft ontvangen, dan dient de gemeente de ontvangen middelen terug te betalen voor zover deze nog niet zijn besteed in het kader van participatie activiteiten (artikel 16). Voor reeds gedane uitgaven in dat kader geldt dat deze in beginsel niet dienen te worden terugbetaald, aangezien deze uitgaven losstaan van de uiteindelijke uitvoering van het project.
Bovendien vallen niet alle hoogspanningsprojecten 220/380 kV die voldoen aan bovenstaande voorwaarden onder de reikwijdte van de regeling. Het moet gaan om de volgende hoogspanningsprojecten 220/380 kV:
a. Nieuwe hoogspanningsstations (220/380 kV). Dit gaat doorgaans om projecten in een gebied waar eerst nog geen hoogspanningsstation stond. De aanleg heeft daarmee per definitie impact op de leefkwaliteit van betrokkenen, waaronder direct omwonenden.
b. Substantiële uitbreidingen van bestaande hoogspanningsstations (220/380 kV). De categorie uitbreidingen van hoogspanningsstations is ingewikkelder dan de situatie waarbij een nieuw hoogspanningsstation of nieuwe hoogspanningsverbinding wordt gebouwd. Bij de laatste twee is sprake van een situatie waar (in de regel) nog geen elektriciteitsinfrastructuur aanwezig is. Bij uitbreidingen is echter wel elektriciteitsinfrastructuur aanwezig. Daarbij zijn er voorbeelden van enerzijds uitbreidingen waarbij slechts een klantveld wordt bijgebouwd en anderzijds de verdubbeling van een hoogspanningsstation. Om de middelen zoveel mogelijk toe te laten komen aan netuitbreidingsprojecten met de meeste een impact op de leefkwaliteit, is ervoor gekozen om niet alle uitbreidingen in aanmerking te laten komen voor een gebiedsinvestering. Daarbij heeft EZK gezocht naar criteria waarbij het voor gemeenten (en betrokkenen) in een vroeg stadium duidelijk is of zij wel of niet onder de categorie ‘substantiële uitbreidingen’ vallen. Het gaat om uitbreidingen van hoogspanningsstations inhoudende een voor de realisatie van het netuitbreidingsproject noodzakelijke wijziging van de planologische functie van een gebied aangrenzend aan een bestaand hoogspanningsstation (220/380 kV) binnen de gemeente, waarbij sprake is van:
a. een toename in de omvang van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 100%; of
b. een toename in omvang het gebied van deze noodzakelijke planologische functie van minimaal 5 hectare.
c. Nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220/380 kV). Ook hiervoor geldt dat de aanleg hiervan impact heeft op de leefkwaliteit van betrokkenen, waaronder direct omwonenden. Het gaat immers om een situatie waar eerst nog geen hoogspanningsverbinding stond en later wel. In geval een dubbele mastenrij wordt gerealiseerd, komen beide mastenrijen (mits nieuw, bovengronds en 220/380 kV) in aanmerking voor een specifieke uitkering. Indien langs hetzelfde tracé (ook wel aangeduid als ‘corridor’) een 220 kV mastenrij wordt verwijderd om vervolgens plaats te maken voor een nieuwe 380 kV mastenrij in dezelfde corridor, geldt dit niet als nieuwe verbinding en komt deze vervangende mastenrij niet in aanmerking voor een specifieke uitkering. Dit geldt niet voor opruiming of verkabeling van 110/150 kV hoogspanningsverbindingen.
Uitzondering
Tenslotte zondert artikel 4, tweede lid, netuitbreidingsprojecten (220/380 kV) die volledig gelegen zijn op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming uit van de regeling. De reden hiervoor is dat de regeling tot doel heeft de leefkwaliteit van betrokkenen, waaronder direct omwonenden, te verbeteren. Op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming is de impact beperkt, gelet op onder meer het beperkte aantal direct omwonenden, waardoor toepassing van de regeling onvoldoende aansluit bij het doel.
De eerder toegekende middelen ‘Gebiedsinvesteringen Net op Zee’ worden niet als uitsluitingscriteria gezien, in tegenstelling tot de mededeling zoals opgenomen in de kamerbrief van 25 april 2025. Hiervoor is gekozen omdat beide regelingen zien op verschillende projecten. Net op Zee ziet op projecten ten aanzien van de aanlanding van wind op zee en onderhavige regeling op netuitbreidingsprojecten Hoogspanning op Land. Bovendien ziet onderhavige regeling op nieuwe energieprojecten die zorgen voor nieuwe impact op de leefkwaliteit.
Projectenlijst
In totaal komen op basis van het Investeringsplan-2026 van TenneT naar verwachting circa 30 projecten in aanmerking voor een gebiedsinvestering waarvoor besluitvorming is of wordt genomen in de periode 1 januari 2024 en 31 december 2030 of waarvan de bouw in die periode start. Het gaat om nieuwe 220/380 kV-stations (circa 14), substantiële uitbreidingen van bestaande stations (circa 8) en de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen (circa 8).
In bijlage 1 van de regeling is een lijst opgenomen van projecten die op basis van de actuele stand van zaken naar verwachting in aanmerking komen voor een specifieke uitkering. Bijlage 1 wordt de komende jaren (in beginsel) jaarlijks herzien. Omdat de specificaties van projecten waarvoor de besluitvorming nog niet genomen is nog kan wijzigen, kunnen projecten nog afvallen of worden toegevoegd. Bijvoorbeeld als het betreffende hoogspanningsstation uiteindelijk in zijn geheel op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming te liggen komt (zie ook artikel 4, tweede lid van de regeling). Dit blijft dus afhankelijk van de voortgang in de lopende (of nog te starten) ruimtelijke procedures en de uiteindelijke besluitvorming. Voor projecten waarvoor de specificaties vaststaan (en dus een projectbesluit is genomen), geldt dat zij definitief op de projectenlijst staan (tenzij een projectbesluit alsnog wordt vernietigd, zie ook de toelichting onder ‘reikwijdte regeling’).
Voor nieuw op te starten projecten waar substantiële uitbreidingen aan de orde zijn geldt specifiek dat deze projecten nog onvoldoende definitief zijn en dus nog onderhevig aan mogelijke wijzigingen, bijvoorbeeld qua technische oplossing. Om die reden zijn in bijlage 1 vooralsnog alleen de substantiële uitbreidingen voor de jaren 2024, 2025 en 2026 opgenomen. Bij elke jaarlijkse herziening van bijlage 1 worden tevens de substantiële uitbreidingen voor het daaropvolgende jaar toegevoegd.
Berekening
Artikel 5 van de regeling regelt de hoogte van de specifieke uitkering inclusief BTW. De hoogte is afhankelijk van de categorie waartoe het netuitbreidingsproject behoort die zoveel mogelijk gelijkloopt met de impact van het project op de leefkwaliteit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën:
i. nieuwe hoogspanningsstations (220/380 kV): € 6 miljoen per station;
ii. substantiële uitbreidingen van bestaande hoogspanningsstations (220/380 kV): € 3 miljoen per stationsuitbreiding;
iii. nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220/380 kV): € 150.000 per kilometer hoogspanningsverbinding.
Om aanspraak te kunnen maken op een specifieke uitkering bij een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding moet minimaal 1 kilometer nieuwe hoogspanningsverbinding binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. De lengte wordt afgerond op één decimaal nauwkeurig. Ligt er bijvoorbeeld 2,369 kilometer nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding in een gemeente, dan ontvangt die gemeente een specifieke uitkering van € 360.000 (2,4 × € 150.000). Voor de berekening van het aantal kilometers hoogspanningsverbinding wordt gekeken naar het totale aantal kilometers van deze verbinding over het grondgebied van een gemeente. Doordat gemeente grenzen soms grillig lopen, kan het in de praktijk om meerdere delen van de verbinding gaan. Ligt in één gemeente bijvoorbeeld een stuk nieuwe hoogspanningsverbinding van 4 kilometer en verderop een stuk nieuwe hoogspanningsverbinding van 700 meter, dan komt die gemeente in aanmerking voor 4,7 kilometer (4,7 × € 150.000). Daarbij dient aan deze nieuwe hoogspanningsverbindingen wel hetzelfde projectbesluit ten grondslag te liggen.
De kostenposten waarvoor de uitkering wordt verstrekt, kunnen kostenposten zijn waarover de gemeente BTW verschuldigd is. De uitkering wordt niet verstrekt voor de verschuldigde BTW. De BTW component wordt door EZK gestort in het BTW Compensatiefonds van het Ministerie van Financiën. Gemeenten kunnen op grond van de relevante wet- en regelgeving een beroep doen op terugontvangst van de betaalde BTW-componenten.
In overleg met VNG is ingeschat dat de BTW-plichtige component circa 50% van de uitkering betreft. Over die BTW-plichtige component zal 21% BTW afgedragen worden wat resulteert in BTW-component van 10%. De specifieke uitkering wordt dus niet verstrekt voor de over de activiteiten verschuldigde BTW. In totaal wordt een bedrag van € 19.340.000,– gestort in het BTW-compensatiefonds. Daarnaast is denkbaar dat een gemeente in het kader van de betreffende projecten activiteiten verricht waarbij de kosten aftrekbaar zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor deze kosten. Het geldende uitgangspunt is: kosten die op een andere wijze gecompenseerd kunnen worden, worden niet uit de specifieke uitkering betaald.
De BTW die de decentrale overheid in rekening krijgt gebracht op handelingen die zij afneemt als niet-ondernemer, komt voor BTW compensatie in aanmerking als er geen uitsluitingsgrond (artikel 4 Wet op het BTW-compensatiefonds) van toepassing is.
Uitbetaling
De middelen worden uitgekeerd in twee voorschotten exclusief BTW. Het eerste voorschot bedraagt 20% van het totale bedrag en wordt uitgekeerd na goedkeuring van de aanvraag. Deze middelen dienen te worden gebruikt voor de realisatie van het leefkwaliteitsproject, maar mogen ook (beperkt) worden ingezet voor de voorbereiding van het leefkwaliteitsproject inclusief het participatietraject. De gemeente heeft een termijn van twee jaar voor deze fase. Het tweede voorschot bedraagt de resterende 80% en wordt uitgekeerd nadat de gemeente onder meer een volledig bestedingsplan en raadsbesluit heeft ingediend (zie ook artikel 10 en 11). Voor de besteding van deze tranche geldt een termijn van drie jaar. In totaal dient het project aldus binnen vijf jaar te zijn gerealiseerd. Indien de gemeente dit niet haalt, dient zij onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan RVO.
Budget
In het totaal beschikbare bedrag van € 197 miljoen is een post overig en onvoorzien van circa € 3,6 miljoen opgenomen. Dit betreft een reservering voor de uitvoeringskosten van RVO.
Artikel 3 bepaalt dat een gemeente de specifieke uitkering kan inzetten voor het verbeteren van de leefkwaliteit in de regio waar het netuitbreidingsproject (220/380 kV) impact heeft.
Het doel is breed: de middelen dienen te worden ingezet voor projecten die de leefkwaliteit voor betrokkenen, waaronder direct omwonenden, in betreffend gebied vergroten. Uitgangspunt hierbij is dat de betrokkenen in de directe omgeving van het netuitbreidinsproject mee kunnen denken over de bestemming van de middelen. Onder deze betrokkenen vallen in ieder geval alle omwonenden binnen een straal van 200 meter van het netuitbreidingsproject. Gedacht kan worden aan verbetering van de leefkwaliteit in de vorm van recreatieve voorzieningen en groen, zoals de aanleg of verbetering van groenvoorzieningen of stadstuinen, wandel- en fietspaden, speeltuinen of sportvoorzieningen. De inzet van de middelen is echter niet beperkt tot fysieke maatregelen, maar kunnen ook worden ingezet voor ontmoeting en gemeenschap, zoals renovatie van een dorps- of wijkhuis of een andere ontmoetingsplek voor direct omwonenden en overige betrokkenen in de directe omgeving van het netuitbreidingsproject (binnen de gemeentegrens). Daarnaast kunnen de middelen worden aangewend voor verduurzaming van de woonomgeving, zoals de collectieve aanschaf of subsidiëring van zonnepanelen, warmtepompen, isolatiemaatregelen of andere voorzieningen die bijdragen aan de energietransitie en een verlaging van de energielasten voor omwonenden. Bepalend is dat de investering op (in beginsel) een bestendige wijze bijdraagt aan een verbetering van de leefkwaliteit zoals die door direct omwonenden en overige betrokkenen wordt ervaren. Gemeenten dienen projecten die door direct omwonenden en overige betrokkenen worden aangedragen en passen binnen de criteria, de voorkeur te geven.
Wettelijke ruimtelijke inpassing initiatiefnemer
De initiatiefnemer is (en blijft) verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing op basis van de geldende wet- en regelgeving (bijvoorbeeld reguliere landschappelijke inpassing). Dit ziet op alle maatregelen en activiteiten die nodig zijn om een evenwichtige toedeling van functies aan het gebied mogelijk te maken (zoals volgt uit de Omgevingswet). De initiatiefnemer bekostigd deze ruimtelijke inpassing.
Activiteiten gericht op de ruimtelijke inpassing van het netuitbreidingsproject komen aldus niet in aanmerking voor een gebiedsinvestering, voor zover deze activiteiten reeds noodzakelijk zijn ter voldoening aan wettelijke, planologische of publiekrechtelijke verplichtingen. Indien een gemeente en haar betrokkenen echter méér wenst dan wettelijk is voorgeschreven, kunnen dergelijke aanvullende maatregelen wel worden gefinancierd uit de specifieke uitkering.
Het doel van de regeling is om de leefkwaliteit te verbeteren in gebieden waar een netuitbreidingsproject (220/380 kV) impact heeft. Omdat de specifieke uitkering ten goede moet komen aan de betrokkenen in de betreffende gemeente, is het van groot belang dat zij inspraak hebben in de besteding van de middelen. De gemeente is daarom gehouden om betrokkenen via participatie te betrekken bij de bepaling van de besteding van de middelen. Onder deze betrokkenen vallen in ieder geval alle omwonenden binnen een straal van 200 meter van het netuitbreidingsproject. De uitkomst van het participatieproces is leidend voor de uiteindelijke besteding van de middelen. De gemeente dient de inbreng van betrokkenen dan ook als vertrekpunt te hanteren bij het bepalen van de invulling van het leefkwaliteitsproject.
De participatieverplichting in deze regeling is echter geen formele participatie in de zin van hoofdstuk 16 van de Omgevingswet. De besteding van de specifieke uitkering zal over het algemeen geen besluit in omgevingsrechtelijke zin zijn, waardoor de formele inspraak- en zienswijzeprocedures uit de Omgevingswet over het algemeen niet van toepassing zullen zijn. Er bestaat dan ook geen formele beroepsmogelijkheid tegen de wijze waarop de participatie is vormgegeven of de uitkomsten daarvan. Niettemin wordt voor de uitgangspunten en werkwijze zoveel mogelijk aangesloten bij de participatievereisten uit de Omgevingswet. Betrokkenen hebben een duidelijk recht op inbreng en de gemeente dient dit proces zorgvuldig en transparant in te richten.
De participatie in het kader van deze regeling staat los van de participatie die reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het projectbesluit (of ander ruimtelijk besluit). Waar de participatie bij het projectbesluit gericht is op de ruimtelijke inpassing van het netuitbreidingsproject in de fysieke leefomgeving, richt de participatie in het kader van deze regeling zich op de vraag hoe de specifieke uitkering het beste kan worden ingezet ter verbetering van de leefkwaliteit. Beide participatietrajecten vullen elkaar aan, maar kennen een eigen doel en procedure.
EZK erkent dat gemeenten onderling sterk van elkaar verschillen, in omvang, samenstelling en de hoogte van de beschikbare middelen en dat het participatieproces daarom per gemeente zal verschillen. EZK beoordeelt het participatieproces ook geenszins inhoudelijk. Gemeenten zijn het beste in staat om in te schatten hoe dit proces dient te worden ingericht waaronder wie de betrokkenen zijn.
EZK acht echter een aantal basisprincipes essentieel voor een gedegen participatieproces:
i. Voldoende bijeenkomsten en deelname. Het proces omvat voldoende (evt. digitale) bijeenkomsten met een representatief aantal deelnemers. De gemeente bepaalt zelf hoeveel bijeenkomsten passend zijn, maar het aantal dient in verhouding te staan tot de omvang van het project en de groep betrokkenen. Daarbij dienen de omwonenden binnen een straal van 200m van het netuitbreidingsproject in ieder geval te worden uitgenodigd.
ii. Tijdige en toegankelijke informatievoorziening. Betrokkenen worden tijdig en voldoende geïnformeerd over de participatiemogelijkheden. Hierbij gaat bijzondere aandacht uit naar doelgroepen die moeilijker te bereiken zijn, zoals ouderen, mensen met een taalbarrière of bewoners zonder internettoegang. De informatie dient begrijpelijk en laagdrempelig te zijn.
iii. Meerdere participatievormen. Participatie is op meerdere manieren mogelijk: digitaal, fysiek, per brief en telefonisch. Door verschillende kanalen aan te bieden wordt geborgd dat ook betrokkenen die niet digitaal vaardig zijn of niet in staat zijn fysiek aanwezig te zijn, toch kunnen deelnemen.
iv. Heldere spelregels. Van tevoren wordt duidelijk gemaakt hoe wordt omgegaan met de inbreng en hoe deze wordt meegewogen in de besluitvorming. Duidelijke spelregels vooraf voorkomen misverstanden en dragen bij aan het vertrouwen van betrokkenen in het proces.
v. Zorgvuldige verwerking van inbreng. De gemeente is niet gehouden de middelen in te zetten voor een door participanten gekozen bestemming, zij dient immers meerdere belangen in acht te nemen. Indien zij afwijkt van de uitkomsten van de participatie, motiveert zij in de terugkoppeling aan betrokkenen waarom voor een andere bestemming is gekozen. Een zorgvuldige en transparante afweging is hierbij essentieel.
vi. Terugkoppeling aan betrokkenen. De uitkomsten van de participatie worden teruggekoppeld aan alle betrokkenen die aan het proces hebben deelgenomen. Dit kan bijvoorbeeld via een brief, een bijeenkomst of een publicatie op de gemeentelijke website. Terugkoppeling draagt bij aan het draagvlak voor de uiteindelijke besteding van de middelen.
vii. Verslaglegging. Van de gehouden bijeenkomsten worden verslagen gemaakt. Het verslag bevat in ieder geval een overzicht van het aantal aanwezigen, de besproken onderwerpen, de inbreng en de wijze waarop de inbreng is meegenomen in de besluitvorming.
Om deze basisprincipes te waarborgen, dient een gemeente bij de aanvraag van een gebiedsinvestering een participatieplan in. Dit plan bevat in ieder geval de volgende onderdelen (zie ook artikel 9, eerste lid van de regeling):
i. een beschrijving van de verschillende categorieën betrokkenen. Bijvoorbeeld de omwonenden van het netuitbreidingsproject (die in ieder geval dienen worden uitgenodigd), maar ook andere door de gemeente te identificeren categorieën betrokkenen, zoals lokale verenigingen en maatschappelijke organisaties die actief zijn in het betreffende gebied. Zoals gezegd, zijn gemeenten het beste in staat om te beoordelen wie in hun specifieke situatie als betrokkenen moeten worden aangemerkt. Dit is dus geen lijst van de namen van (rechts)personen, maar een globaal overzicht van de verschillende categorieën betrokkenen;
ii. een beschrijving van de wijze waarop betrokkenen worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld om inbreng te leveren. Hierbij kan worden gedacht aan informatiebijeenkomsten, huis-aan-huisbrieven, bewonersenquêtes, een digitaal inspraakportaal of het instellen van een klankbordgroep. Van belang is dat de gekozen middelen aansluiten bij de doelgroep en dat ook moeilijker bereikbare groepen worden betrokken;
iii. een beschrijving van de wijze waarop de inbreng wordt verwerkt en hoe daarover aan betrokkenen terugkoppeling wordt gegeven;
iv. een globale planning of tijdlijn van het participatieproces, waaruit blijkt wanneer de verschillende stappen worden doorlopen, wanneer betrokkenen worden geïnformeerd en uitgenodigd en wanneer de uitkomsten worden teruggekoppeld.
De regeling stelt formele participatievereisten waaraan ieder project moet voldoen. Bij projecten met een lagere specifieke uitkering ligt het voor de hand dat het participatieproces naar verhouding minder uitgebreid is (bijvoorbeeld in geval van enkele kilometers hoogspanningsverbinding). De inhoudelijke vereisten blijven gelijk, maar gemeenten kunnen de omvang en intensiteit van het proces afstemmen op de schaal van het project. Gemeenten blijven gehouden om betrokkenen (waaronder direct omwonenden binnen een straal van 200 meter van het netuitbreidingsproject) bij de participatie te betrekken en hun inbreng als vertrekpunt te behandelen voor bepaling van besteding van de middelen.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij aangrenzende gemeenten aan te sluiten of gezamenlijk op te trekken. Dit kan bijvoorbeeld bij hoogspanningsverbindingen die over meerdere gemeentegrenzen lopen. Door participatietrajecten te combineren kunnen kosten worden gedeeld en hoeft niet elke gemeente een volledig eigen proces in te richten. Gemeenten blijven wel individueel verantwoordelijk om een aanvraag in te dienen en over de ontvangen specifieke uitkering verantwoording af te leggen (waaronder SiSa indicatoren).
Indien RVO de aanvraag goedkeurt, ontvangt de gemeente het eerste voorschot van de middelen (zie onderdeel 3). Deze middelen dienen te worden ingezet voor de realisatie van het leefkwaliteitsproject, waaronder eventueel inrichting van het participatieproces. De gemeente heeft voor de voorbereiding (inclusief participatie) een termijn van 2 jaar vanaf de toekenning van de middelen. Beschikt de gemeente over onvoldoende capaciteit om het participatieproces zelfstandig uit te voeren, dan kan zij bij haar aanvraag verzoeken om participatieondersteuning door RVO, waaronder advisering en projectbegeleiding.
Om te waarborgen dat het participatieproces op zorgvuldige wijze is doorlopen, dient de gemeente voordat het de tweede voorschot wordt uitbetaald een participatieverslag aan te leveren waarin de elementen genoemd in artikel 9, tweede lid, zijn opgenomen. RVO beoordeelt dit verslag niet inhoudelijk, maar controleert uitsluitend of aan de formele vereisten in artikel 9, tweede lid, is voldaan.
De gemeente is gehouden om binnen twee jaar na de datum van de beschikking een raadsbesluit te nemen over het leefkwaliteitproject en een afschrift van het raadsbesluit te verstrekken (artikel 10). Dit besluit vormt de formele bekrachtiging van de keuzes die de gemeente maakt over de besteding van de specifieke uitkering.
Bij het raadsbesluit levert de gemeente een aantal onderliggende stukken aan. Het gaat om het bestedingsplan, het participatieverslag en de notulen van de raadsvergadering waarin het besluit is vastgesteld. Deze stukken bieden samen een goed beeld van zowel het proces als de keuzes die aan het besluit ten grondslag liggen.
Zoals hiervoor toegelicht is bepalend dat de middelen op een bestendige wijze bijdragen aan een verbetering van de leefkwaliteit zoals die door betrokkenen wordt ervaren. Gemeenten dienen daarbij de voorkeur van direct omwonenden als leidend te behandelen.
In het bestedingsplan legt de gemeente vast welke leefkwaliteitprojecten worden gefinancierd en hoe de middelen over die projecten worden verdeeld. Per leefkwaliteitproject bevat het plan een inhoudelijke beschrijving en een financiële onderbouwing. Zo is inzichtelijk waarvoor de uitkering wordt ingezet en op welke wijze de middelen doelmatig worden besteed.
Het participatieverslag dat als bijlage bij het raadsbesluit wordt gevoegd, laat zien hoe inwoners en andere betrokkenen zijn meegenomen in de totstandkoming van het bestedingsplan. De inhoud van dit verslag is nader omschreven in artikel 9, tweede lid.
Artikel 6 regelt het aanvraagproces. Een gemeente dient de aanvraag in bij RVO. Bij de aanvraag worden naast de algemene gegevens in ieder geval een verwijzing naar het projectbesluit en het participatieplan aangeleverd. De behandeltermijn is 8 weken met de mogelijkheid van een verlenging van nogmaals 8 weken.
Indien RVO de aanvraag positief beoordeelt, ontvangt de gemeente het eerste voorschot van 20% van de specifieke uitkering binnen 2 weken na de datum van de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering. Met deze middelen richt de gemeente onder meer het participatieproces in en bepaalt zij in de periode die volgt samen met betrokkenen de besteding van de middelen.
De uitkomsten hiervan worden vastgelegd in een bestedingsplan (zie artikel 11), dat in ieder geval een beschrijving omvat van de te financieren projecten en een financiële onderbouwing daarvan. De gemeenteraad neemt vervolgens een besluit over het bestedingsplan. Zodra dit besluit is genomen, verstrekt de gemeente een kopie van dit raadsbesluit inclusief de notulen van deze vergadering, het participatieverslag en het bestedingsplan aan RVO. Na ontvangst hiervan wordt het tweede voorschot van 80% uitgekeerd. De gemeente heeft vervolgens drie jaar de tijd om het leefkwaliteitsproject te realiseren. Indien de realisatie meer tijd vergt, dient de gemeente dit tijdig (in ieder geval vier maanden voor het einde van deze termijn) te melden bij de RVO. In uitzonderlijke gevallen, zoals bijvoorbeeld in geval van een leefkwaliteitsproject waarvan de realisatie pas aanvangt tijdens of na de realisatie van het netuitbreidingsproject 220/380 kV, kan de gemeente verzoeken om uitstel van de realisatietermijn van twee jaar na realisatie van het netuitbreidingsproject (artikel 12, tweede lid).
Het kan voorkomen dat voor één hoogspanningsstation of één hoogspanningsverbinding meerdere besluiten worden genomen, bijvoorbeeld zowel een omgevingsvergunning als een projectbesluit. In dat geval komt de gemeente slechts in aanmerking voor één specifieke uitkering. Het uitgangspunt is dat per fysiek project één specifieke uitkering wordt verstrekt, ongeacht het aantal besluiten dat ten grondslag ligt aan dit project.
Daarnaast kan het voorkomen dat een projectbesluit voor een nieuw hoogspanningsstation en een projectbesluit voor een nieuwe hoogspanningsverbinding op verschillende momenten worden genomen. Om te voorkomen dat een gemeente in dat geval twee afzonderlijke participatietrajecten moet doorlopen, wordt van gemeenten verwacht dat zij bij het eerste participatietraject al vooruitlopen op het tweede projectbesluit. Dit betekent dat ook de betrokkenen bij het nog te nemen besluit kunnen worden uitgenodigd voor de participatie, ook al is de aanvraag voor dat project nog niet ingediend. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het inrichten van een participatieproces dat recht doet aan de situatie (met inachtneming van de voorwaarden voor participatie, zoals uiteengezet in deze regeling). Alternatief is dat de gemeente wacht met de aanvraag totdat het laatste projectbesluit is genomen. Daarbij dient wel te worden gelet op de termijnen voor het indienen van een aanvraag.
Op deze wijze worden onnodige administratieve lasten (en kosten) voor zowel de gemeente als de betrokkenen voorkomen.
De gemeenten dienen zich financieel te verantwoorden jegens de Minister van Klimaat en Groene Groei over de besteding van de gebiedsinvesteringen. Dit gebeurt door de ontvanger van de specifieke uitkering door verantwoording af te leggen over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet (zie artikel 6, eerste lid, van de regeling). Deze verantwoording over de besteding van specifieke uitkeringen verloopt op een landelijk uniforme wijze via de zogeheten Sisa-bijlage (Single information, single audit). Het gaat hier om een bijlage bij de jaarrekening van de desbetreffende gemeente. Aangezien de Sisa-bijlage onderdeel uitmaakt van de jaarrekening, heeft de accountantsverklaring van de jaarrekening tevens betrekking op de specifieke uitkeringen.
Deze regeling heeft betrekking op bestuursorganen en is daarom niet relevant voor het adviescollege toetsing regeldruk (ATR), die zich richt op het verminderen van regeldruk op het bedrijfsleven en burgers.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2026 en vervalt met ingang van 1 augustus 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verleend. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 15 oktober 2026.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gebiedsinvesteringen hoogspanning op land 220/380 kV.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat
In deze bijlage is een lijst opgenomen van projecten die op basis van de actuele stand van zaken (d.d. 17 juli 2026) in aanmerking komen voor een specifieke uitkering. Het gaat daarbij om nieuwe hoogspanningsstations 220kV/380kV, substantiële uitbreidingen van bestaande hoogspanningsstations 220kV/380kV en nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen (220kV/380 kV).
Deze bijlage is gebaseerd op onder meer de planning van TenneT, input van projectleiders EZK en wordt in beginsel jaarlijks herzien.
Omdat de specificaties van projecten waarvoor de besluitvorming nog niet genomen is nog kan wijzigen (bij nog lopende of toekomstige projectprocedures), kunnen projecten nog afvallen of worden toegevoegd. Bijvoorbeeld als het betreffende hoogspanningsstation uiteindelijk in zijn geheel op gronden met een industrie- of bedrijvenbestemming te liggen komt (zie ook artikel 4, tweede lid van de regeling). Dit blijft dus afhankelijk van de voortgang in de lopende (of nog te starten) ruimtelijke procedures en de uiteindelijke besluitvorming. Voor projecten waarvoor de specificaties vaststaan, geldt dat zij definitief op de projectenlijst staan (tenzij een projectbesluit alsnog wordt vernietigd, zie ook de toelichting paragraaf 3 onder ‘reikwijdte regeling’).
Voor verbindingen geldt daarbij specifiek dat het definitieve aantal kilometers pas kan worden bepaald op het moment dat het projectbesluit daadwerkelijk is genomen. Om die reden zijn in onderstaande tabel voor deze projecten (nog) geen (geschatte) aantallen kilometers opgenomen.
Meer specifiek nog lopende of toekomstige projectprocedures met betrekking tot ‘substantiële uitbreidingen’ geldt dat deze projecten nog onvoldoende definitief zijn en dus nog onderhevig aan mogelijke wijzigingen, bijvoorbeeld qua technische oplossing en ruimtelijke uitgangspunten. Om die reden zijn in bijlage 1 vooralsnog alleen de substantiële uitbreidingen voor de jaren 2024, 2025 en 2026 opgenomen (deze hebben reeds plaatsgevonden). Bij elke jaarlijkse herziening van bijlage 1 worden tevens de substantiële uitbreidingen voor het daaropvolgende jaar toegevoegd.
|
Project |
Jaar besluitvorming of start realisatie (verwachting) |
|---|---|
|
Station A9 Zuid |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Almelo |
Projectbesluit (omgevingsplan) in 2027 |
|
Station Almere |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Amsterdam Zuidoost |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Eemshaven Oostpolderweg |
Provinciaal Inpassingsplan 2025 |
|
Station Graetheide/Einighausen |
Projectbesluit in 2027 |
|
Station Halsteren |
Projectbesluit (vaststelling bestemmingsplan) 2024 |
|
Station Lelystad |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Port of Moerdijk |
Projectbesluit 2029 |
|
Station Noord-Holland Noord NHNN (noordelijk station) |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Noord-Holland Noord (zuidelijk station) |
Projectbesluit in 2029 |
|
Station Terneuzen |
Projectbesluit in 2028 |
|
Station Wijchen |
Projectbesluit in 2028 |
|
Project |
Jaar besluitvorming of start realisatie (verwachting) |
|---|---|
|
Station Maasbracht |
Start realisatie 2025 |
|
Station Boxmeer |
Omgevingsplan in 2025 |
|
Station Breukelen Kortrijk |
Provinciaal Inpassingsplan in 2024 |
|
Station Dodewaard |
Projectbesluit (omgevingsplan) in 2026 |
|
Project |
Jaar besluitvorming of start realisatie (verwachting) |
|---|---|
|
Verbinding Diemen-Lelystad-Ens |
Projectbesluit in 2029 |
|
Verbinding Geertruidenberg-Krimpen of Crayestein |
Projectbesluit in 2029 |
|
Verbinding Maasbracht-Eindhoven |
Projectbesluit in 2030 |
|
Verbinding Maasbracht-Einighausen 1e en 2e circuit (uitsluitend t.a.v. nieuwe tracé) |
Projectbesluit in 2027 |
|
Verbinding Netuitbreiding Noord-Holland Noord |
Projectbesluit in 2029 |
|
Verbinding Vierverlaten-Ens |
Projectbesluit in 2029 |
|
Verbinding 380 kV Zeeuws-Vlaanderen |
Projectbesluit in 2028 |
|
Aansluiting nieuw hoogspanningsstation of substantiële uitbreiding van een hoogspanningsstation op het hoogspanningsnetwerk |
Projectbesluit 2024–2030 |
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-26122.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.