Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 25956 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 25956 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op de artikelen 56 en 62 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
Besluit:
De Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met het zevende lid tot vierde tot en met zesde lid.
2. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang, niet zijnde afvang uit omgevingslucht, en het gebruik van koolstofdioxide of voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide, en op het moment van indienen van de aanvraag vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van die productie-installatie nog niet zijn verleend, gaat in afwijking van het eerste lid de aanvraag vergezeld van de vergunning die op grond van artikel 5.1, tweede lid, onderdeel b van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de afvanginstallatie en, indien van toepassing, de vervloeiingsinstallatie of de installatie voor zuivering van de afgevangen koolstofdioxide, of indien die vergunning nog niet is verleend, de in behandeling genomen aanvraag voor die vergunning.
3. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen die natuurinclusief wordt gerealiseerd:
a. zijn in de vergunning die op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie de volgende voorwaarden opgenomen:
1°. er is van bovenaf gezien minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen aanwezig;
2°. er is een inrichtingsplan en beheerplan dat ten doel heeft om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend;
3°. de vergunninghouder monitort de effecten van de productie-installatie op de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit en neemt, indien nodig, aanvullende maatregelen om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend; en
4°. de vergunninghouder voert een nulmeting uit om de huidige waarde van de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit vast te stellen; of
b. beschikt de subsidie-aanvrager over een wetenschappelijk onderbouwd en breed door de sector gedragen keurmerk waaruit blijkt dat:
1°. de productie-installatie is ontworpen met als doel nadelige effecten op flora, fauna en biodiversiteit te voorkomen;
2°. er minimale eisen worden gesteld aan lichtinval tussen de fotovoltaïsche zonnepanelen om negatieve effecten voor bodem- en waterkwaliteit zoveel mogelijk te voorkomen; en
3°. natuurlijke elementen worden geïntegreerd en landschappelijk worden ingepast.
B
Artikel 2b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel j, vervalt, onder verlettering van de onderdelen k tot en met p tot j tot en met o.
2. Het zevende lid vervalt.
C
Artikel 2d wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel b, wordt toegevoegd ‘of’.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen die natuurinclusief wordt gerealiseerd en waar die natuurinclusiviteit wordt onderbouwd door middel van een keurmerk als bedoeld in artikel 2, zesde lid, onderdeel b, gaat de aanvraag vergezeld van dit keurmerk of van een voorlopig keurmerk indien het keurmerk op het moment van de aanvraag nog niet definitief kan worden verstrekt.
D
Na artikel 2d wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De aanvraag om subsidieverlening gaat vergezeld van een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01), onderbouwd in een door de Minister ter beschikking gesteld beslisschema en een organogram van de verbonden groep waaruit de onderlinge aandelenverhoudingen blijken, of indien van toepassing de daarvan afwijkende zeggenschap, onderbouwd met een enkelvoudig of geconsolideerd jaarrapport dat is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.
E
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het zevende lid, onderdeel a, wordt na ‘verdampingsproces’ ingevoegd ‘met 3.000 vollasturen’ en wordt na ‘verlengde levensduur’ ingevoegd ‘of voortzetting’.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
12. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen die natuurinclusief wordt gerealiseerd en waar die natuurinclusiviteit wordt onderbouw door middel van een keurmerk, verstrekt de subsidie-ontvanger het definitieve keurmerk voor de ingebruikname van de productie-installatie.
13. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen verstrekt de subsidie-ontvanger een milieuproductverklaring, indien deze op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2026 wordt vereist, voor de ingebruikname van de productie-installatie.
F
Artikel 7i wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Bij een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte, waarbij warmte wordt hergebruikt in een op het moment van de aanvraag bestaand verdampingsproces met procesaanpassing, wordt de productie gemeten met een meting van de ingaande elektriciteit, waarna deze voor aanvragen ingediend voor 1 januari 2026 met een factor 3,0 in kWhth wordt omgezet en voor aanvragen ingediend op of na 1 januari 2026 met een factor 3,5 in kWtht wordt omgezet.
2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. Bij een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte, waarbij warmte wordt hergebruikt in een op het moment van de aanvraag bestaand verdampingsproces zonder procesaanpassing, wordt de productie gemeten met een meting van de ingaande elektriciteit, waarna deze met een factor 5 in kWtht wordt omgezet.
5. Bij een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte, waarbij warmte wordt hergebruikt in een op het moment van de aanvraag bestaand verdampingsproces met een laag dauwpunt, wordt de productie gemeten met een meting van ingaande elektriciteit, waarna deze met een factor 2,5 in kWtht wordt omgezet.
G
In artikel 7m wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:
4. De subsidie-ontvanger overlegt uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar een kopie van het verificatierapport, bedoeld in artikel 27 van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, en het bijbehorende emissieverslag aan de Minister.
H
Aan artikel 7p wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. In afwijking van het negende lid verstrekt de subsidie-ontvanger aan wie subsidie is verleend op grond van subsidieaanvragen die vanaf 27 oktober 2026 zijn ingediend de Minister de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten voor wind- of zonne-energie voor de elektriciteit die gedurende het eerste jaar zal worden gebruikt voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 juli 2026
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Onderhavige regeling wijzigt de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: de regeling). Deze regeling is gebaseerd op het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK). De wijzigingen van de regeling houden verband met de wijzigingen die (ten opzichte van de openstelling SDE++ in 2025) zijn doorgevoerd in de eerstvolgende openstelling van de SDE++ in 2026, zoals opgenomen in de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2026. Hiervoor genoemde aanwijzingsregeling wijst de categorieën aan waarvoor subsidie kan worden aangevraagd in 2026 en voorziet in de daarvoor noodzakelijke openstellingsperiode voor subsidieaanvragen.
De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van de regeling zien op indieningseisen of verplichtingen voor categorieën die ingevolge de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2026 (hierna: Aanwijzingsregeling 2026) voor subsidie in aanmerking komen.
Artikel I, onderdeel A (artikel 2) en onderdeel C (artikel 2d)
In artikel 2, vierde lid, was voorheen bepaald dat indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie die wordt gerealiseerd op een perceel dat in eigendom is van het Rijk en waarop het recht van opstal is verkregen bij een openbare gunningsprocedure, waarbij de hoogte van de aangevraagde subsidie op basis van het besluit onderdeel was van de gunningscriteria, en op het moment van indienen van de aanvraag de vergunning die op grond van artikel 5.1., tweede lid, onderdeel b, van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie nog niet is verleend, de aanvraag vergezeld gaat van het ontwerpbesluit van die vergunning. Op dit moment zijn dergelijke openbare gunningsprocedures met de genoemde gunningscriteria niet voorzien. Het lid wordt om die reden geschrapt en vervangen door het oude vijfde lid (thans lid 4).
In het nieuwe vierde lid (oude vijfde lid) wordt geregeld dat de genoemde indieningseisen qua vergunningen ook van toepassing zijn bij de afvang van koolstofdioxide uit de omgevingslucht, indien er sprake is van de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide.
In het nieuwe artikel 2, zesde lid (oude zevende lid), zijn alle indieningseisen opgenomen met betrekking tot productie-installaties die hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen natuurinclusief realiseren. Met deze wijziging wordt naast het opnemen van voorwaarden in de vergunning een alternatieve mogelijkheid geboden voor het aantonen van natuurinclusiviteit. Het gaat hierbij om een wetenschappelijk onderbouwd en breed door de sector gedragen keurmerk (zoals EcoCertified) waaruit blijkt dat:
a) de productie-installatie is ontworpen met als doel nadelige effecten op flora, fauna en biodiversiteit te voorkomen;
b) er minimale eisen worden gesteld aan lichtinval tussen de fotovoltaïsche zonnepanelen om negatieve effecten voor bodem- en waterkwaliteit zoveel mogelijk te voorkomen; en
c) natuurlijke elementen worden geïntegreerd en landschappelijk worden ingepast.
In het nieuwe artikel 2d, zesde lid, wordt geregeld dat de aanvraag vergezeld gaat van een voorlopig keurmerk voor zover het keurmerk op het moment van de aanvraag nog niet definitief kan worden verstrekt.
Artikel I, onderdeel B (artikel 2b)
Voor de komende openstelling is een rapport over de infrastructuur voor transport en de opslag bij een aanvraag voor een productie-installatie voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide (CCS) niet langer vereist. Dit rapport was een verplichte bijlage voor CCS-projecten, waarmee aanvragers aan moesten tonen dat het door hen gekozen opslagproject geschikt is voor de permanente opslag van CO2 en of deze binnen de gestelde termijn ontwikkeld kan worden. Zekerheid over de haalbaarheid van CCS-aanvragen en de geschiktheid van het opslagproject is binnen de SDE++ al voldoende ondervangen doordat voor CCS-projecten een bankgarantie vereist is en de opslaglocatie daarnaast in het bezit moet zijn van een ETS-vergunning.
Artikel I, onderdeel D (artikel 2e)
Een aanvraag om subsidie kan worden afgewezen als de aanvraag wordt gedaan door een ondernemer in moeilijkheden. Dit artikel strekt ertoe om hierover bij de aanvraag gegevens op te vragen, zodat deze in de beoordeling van de aanvragen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) ter beschikking staan en de aanvraagprocedure hierdoor efficiënt kan worden afgehandeld. Het gaat hierbij specifiek om een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01), onderbouwd in een door de Minister ter beschikking gesteld beslisschema, en een organogram van de verbonden groep waaruit de onderlinge aandelenverhoudingen blijken, of indien van toepassing de daarvan afwijkende zeggenschap, onderbouwd met een enkelvoudig of geconsolideerd jaarrapport dat is gebruikt voor de invulling van het beslisschema.
Artikel I, onderdeel E (artikel 3)
In dit artikel wordt geregeld dat producenten met een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen – indien dat wordt vereist – de definitieve versie van het keurmerk voor natuurinclusiviteit en de milieuproductklaring in het kader van de CO₂-voetafdruk van de panelen voor de ingebruikname van de productie-installatie aan de Minister overleggen.
Artikel I, onderdeel F (artikel 7i)
De wijziging van artikel 7i ziet op de categorieën productie-installaties met een procesgeïntegreerde warmtepomp. In 2026 is het mogelijk om voor zeven verschillende categorieën subsidie aan te vragen. Het onderscheid tussen de categorieën is of er een procesaanpassing nodig is, dan wel of er sprake is van een laag dauwpunt. Voor procesgeïntegreerde geldt dat de ingaande elektriciteit dient te worden gemeten, terwijl de hoeveelheid subsidie wordt berekend op basis van geproduceerde warmte. De manier waarop de meting van de ingaande elektriciteit wordt omgezet naar geproduceerde warmte verschilt voor deze categorieën, waardoor het artikel is uitgebreid om zo alle subsidie-mogelijkheden te beschrijven.
Artikel I, onderdeel G (artikel 7m)
Artikel 7m gaat over productie-installatie voor de afvang en permanent opslag van koolstofdioxide. Producenten moeten in het kader van de emissiehandel jaarlijks een rapport opstellen en versturen aan de Nederlandse Emissieautoriteit. Met deze wijziging wordt een extra verplichting opgenomen voor zowel producenten met een reeds bestaande subsidiebeschikking, als producenten die een nieuwe subsidiebeschikking aanvragen, om na ingebruikname dit rapport en het bijbehorende emissieverslag ook aan RVO te overleggen. RVO gebruikt deze gegevens in het beheer van de subsidieverlening, bijvoorbeeld als een vorm van controle op de hoogte van de reductie van koolstofdioxide.
Artikel I, onderdeel H (artikel 7p)
Op basis van dit onderdeel moeten subsidie-ontvangers aan wie subsidie wordt verleend op grond van subsidieaanvragen vanaf de komende openstellingsronde voor het produceren met een productie-installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse die met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet beschikken over een hernieuwbare stroomafnameovereenkomst voor wind- of zonne-energie, die gedurende het eerste jaar zal worden gebruikt voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof. Dit is een afwijking van de periode van vijf jaar die tot voor deze openstellingsronde gold in verband met veranderende marktomstandigheden.
De administratieve lasten van deze wijzigingsregeling worden behandeld in de toelichting van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2026. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze wijzigingsregeling is gemeld aan de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Het gaat hier om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen. Hiervoor geldt op grond van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn 2015/1535 geen standstill-termijn.
De regeling treedt de dag na publicatie in de Staatscourant in werking. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn, bedoeld in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Afwijking is echter gerechtvaardigd omdat het van belang is in het kader van de energietransitie dat de doelgroep zich zo vroeg mogelijk kan oriënteren en voorbereiden op het indienen van aanvragen in de openstellingsperiode, die op grond van de Aanwijzingsregeling 2026 loopt van 27 oktober tot en met 26 november 2026.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-25956.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.