Beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2026, kenmerk 2026-280814 betreffende de uitvoering van de brede ondersteuning in het buitenland overeenkomstig afdeling 2.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en Afdeling 2.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

bedreigende situatie:

gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

leefgebieden:

de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.15, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

immateriële ondersteuning:

immateriële ondersteuning is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties;

materiele ondersteuning:

materiële ondersteuning is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken;

minister:

de Minister van Financiën;

ondersteuningsvraag:

formulering van de behoefte aan brede ondersteuning die passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 3, tweede lid, te kunnen bereiken;

OTB:

het Ondersteuningsteam Ouders in het Buitenland, gemandateerd door de minister;

rechthebbende:

de rechthebbende als bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregel;

wet:

de Wet hersteloperatie toeslagen.

HOOFDSTUK 2. RECHTHEBBENDE BREDE ONDERSTEUNING IN HET BUITENLAND

Artikel 2 Rechthebbende

  • 1. De minister kan ambtshalve brede ondersteuning aanbieden op de vijf leefgebieden aan een erkend gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, diens partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, aan diens ex-partner en diens partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, en aan de nabestaanden van een overleden erkend gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, die in het buitenland woonachtig zijn en voldoen aan de voorwaarden van de Wht.

  • 2. Voor het kind van een overleden aanvrager geldt, in afwijking van lid 1, dat de minister brede ondersteuning kan aanbieden op de vier leefgebieden: financiën, werk, wonen en zorg.

HOOFDSTUK 3. DOEL EN UITZONDERINGEN BREDE ONDERSTEUNING IN HET BUITENLAND

Artikel 3. Doel van de brede ondersteuning in het buitenland

  • 1. De brede ondersteuning in het buitenland is erop gericht om, door middel van ondersteuning die tijdelijk van aard is, een rechthebbende te helpen om weer eigen regie over diens leven te krijgen door de in het plan van aanpak vastgestelde doelen op de vijf leefgebieden te behalen.

  • 2. De doelstellingen op deze vijf leefgebieden zijn:

    • a. Wonen: het ondersteunen en het begeleiden bij het creëren van een stabiele en veilige woonomgeving.

    • b. Financiën: het ondersteunen en het begeleiden om in staat te zijn een duurzaam financiële gezonde huishouding zelfstandig te voeren.

    • c. Gezin: het bieden van ondersteuning en begeleiding om de omgeving voor de kinderen van de rechthebbende zo veilig mogelijk te maken.

    • d. Werk: minimaal de beschikking kunnen hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces.

    • e. Zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Artikel 4. Uitzonderingen brede ondersteuning in het buitenland

  • 1. Geen onderdeel van de ondersteuning in het buitenland is:

    • a. ondersteuning waar de rechthebbende een beroep op kan doen in het land waar deze woonachtig is;

    • b. vormen van algemene en structurele inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

    • c. vormen van algemene en structurele woonkostenvergoedingen;

    • d. vergoeding van schade als bedoeld in hoofdstuk 2 van de wet;

    • e. vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen in het woonland worden ingezet om herhaling van de bedreigende situatie te voorkomen;

    • f. kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat de minister een ambtshalve aanbod heeft gedaan tot brede ondersteuning, tenzij er sprake was van een schrijnende of bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was.

  • 2. Daarnaast worden in ieder geval de volgende kosten niet vergoed:

    • a. verkeersboetes, strafbeschikkingen, andere bestuurlijke sancties en schadevergoedingen aan derden;

    • b. cosmetische operaties of behandelingen;

    • c. aanschaf van auto’s of andere motorvoertuigen, tenzij aantoonbaar noodzakelijk voor deelname aan werk en onderwijs. Daarbij wordt altijd eerst gezocht naar een passende oplossing, waarbij het minst kostbare middel dat voldoet aan de noodzaak de voorkeur krijgt;

    • d. woningverbetering, behalve wanneer deze redelijk en passend is voor het creëren van een stabiele en veilige woonsituatie, rekening houdend met de maatstaven van het land waar de gedupeerde momenteel woonachtig is;

    • e. tuinaanpassingen, behalve wanneer deze aantoonbaar verband houden met de situatie van de gedupeerde en gericht zijn op eenvoudige, functionele ingrepen;

    • f. vakanties, tenzij deze aantoonbaar bijdragen aan het hersteltraject en verantwoord zijn binnen een zorgvuldige en doelgerichte inzet van middelen;

    • g. schade door onvoorziene gebeurtenissen (zoals storm, lekkages, brand of inbraak), tenzij deze:

      • i. noodzakelijk zijn voor het herstel van de situatie van de gedupeerde, én

      • ii. niet op andere wijze, zoals via reguliere verzekeringen, kan worden vergoed;

    • h. aanschaf van luxe- of comfortgoederen, tenzij redelijk en passend voor herstel of deelname aan onderwijs of werk;

    • i. kosten voor een advocaat of juridische bijstand in het kader van de hersteloperatie toeslagen.

HOOFDSTUK 4. HET EERSTE GESPREK, HET PLAN VAN AANPAK EN HET VASTLEGGEN VAN DE ONDERSTEUNING

Artikel 5. Het eerste gesprek

  • 1. Nadat is vastgesteld dat een rechthebbende recht heeft op brede ondersteuning in het buitenland, neemt het OTB binnen tien werkdagen contact op met de rechthebbende om een afspraak te maken voor het eerste gesprek.

  • 2. Het eerste gesprek en de eventuele vervolggesprekken tussen de rechthebbende en het OTB vinden digitaal of telefonisch plaats. In uitzonderlijke gevallen kan het OTB in samenspraak met rechthebbende bepalen dat een gesprek op locatie plaatsvindt.

  • 3. Het eerste gesprek dient ertoe om gezamenlijk de situatie van de rechthebbende op de vijf leefgebieden te bespreken, de bijbehorende doelen vast te stellen en te bepalen wat de ondersteuningsvraag van de rechthebbende is.

Artikel 6. Het opstellen van het plan van aanpak en vastlegging van de ondersteuningsvraag

  • 1. Het OTB stelt het plan van aanpak op binnen een redelijke termijn na het gesprek waarin de doelen zijn vastgesteld en legt dit vast in een beschikking die aan de rechthebbende wordt toegezonden.

  • 2. In het plan van aanpak wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a. de ondersteuningsvragen op de vijf leefgebieden;

    • b. de doelen op de vijf leefgebieden;

    • c. de wijze waarop stapsgewijs en integraal naar deze doelen wordt toegewerkt; en

    • d. of, en zo ja, welke, tegemoetkoming wordt verstrekt om de rechthebbende op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.

  • 3. Het plan van aanpak kan naderhand worden gewijzigd als blijkt dat dit redelijk is om de doelstellingen op de leefgebieden in artikel 3 van deze beleidsregel te behalen.

Artikel 7. Remigratiewens en wijziging plan van aanpak remigratie

  • 1. De wet schrijft voor dat de rechthebbende tot uiterlijk drie maanden na het eerste gesprek de wens tot remigratie naar Nederland te kennen kan geven. Deze remigratiewens wordt vastgelegd in het plan van aanpak.

  • 2. Binnen twee jaar na het eerste gesprek dient de remigratie te hebben plaatsgevonden.

  • 3. Indien de rechthebbende van gedachten verandert en niet langer de wens heeft tot remigratie, doet hij daartoe een schriftelijk verzoek aan het OTB.

  • 4. Indien de remigratiewens naar het oordeel van het OTB niet haalbaar en realistisch is, en het niet aannemelijk is dat de rechthebbende binnen twee jaar kan terugkeren naar Nederland, dan wordt het plan van aanpak in overleg met de rechthebbende hierop aangepast en ontvangt de rechthebbende een gewijzigde beschikking.

Artikel 8. Uitzondering brede ondersteuning bij remigratie

Onder ondersteuning bij remigratie voor de rechthebbende wordt in ieder geval niet verstaan:

  • a. het realiseren van huisvesting van een woning in Nederland;

  • b. ondersteuning bij het vertrek naar meer dan één woonbestemming in Nederland.

Artikel 9. Tweesporenbeleid

  • 1. In het geval van een remigratiewens zal de ondersteuning op de vijf leefgebieden zich richten op het tijdelijk stabiliseren van de huidige levenssituatie van de rechthebbende en diens gezin in het buitenland.

  • 2. Heeft de rechthebbende geen remigratiewens, dan zal de ondersteuning op de vijf leefgebieden zich richten op het opbouwen van een duurzaam leven in het buitenland.

Artikel 10. Ondersteuning

  • 1. Het OTB verstrekt aan de rechthebbende ondersteuning die redelijk is om de in het plan van aanpak geformuleerde ondersteuningsvragen en doelen te bereiken.

  • 2. De ondersteuning in het eerste lid kan bestaan uit zowel materiële als immateriële ondersteuning.

  • 3. Voor zover ondersteuning wordt geboden in de vorm van een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming verstrekt ter vergoeding van de redelijke kosten.

  • 4. Bij het toekennen van de ondersteuning houdt het OTB onder andere rekening met:

    • a. de aard en het niveau van de voorzieningen die aanwezig zijn in het land waar de rechthebbende woont;

    • b. de vaardigheden van de rechthebbende;

    • c. de draagkracht en financiële armslag van de rechthebbende;

    • d. de omvang en de samenstelling van het huishouden van de rechthebbende;

    • e. het duurzame karakter van de voorziening;

    • f. de wijze waarop de voorziening de rechthebbende in staat stelt om de doelen uit het plan van aanpak duurzaam te bereiken.

HOOFDSTUK 5. KOSTEN

Artikel 11. Redelijke kosten

  • 1. Het OTB stelt vast welke kosten voor welk doel als redelijk worden gezien.

  • 2. Bij het bepalen van de redelijke kosten wordt in ieder geval gekeken naar de richtbedragen:

    • a) ten hoogste € 5.000 voor de rechthebbende;

    • b) ten hoogste € 1.500 per gezinslid van de gedupeerde aanvrager dat ondersteuning wenst.

  • 3. Het OTB hanteert bij het bepalen van de redelijke kosten corrigerende factoren in het woonland waar de rechthebbende woonachtig is.

  • 4. De richtbedragen in het tweede lid zijn richtinggevende bedragen en zullen bij een eventuele overschrijding worden getoetst aan het redelijkheidscriterium. Het OTB legt bij overschrijding een verzoek voor een financiële verstrekking voor aan de minister waarna wordt beslist op dit verzoek.

Artikel 12. Kosten remigratie

  • 1. Ingeval van een remigratiewens vergoedt de minister de redelijke reiskosten van de remigratie naar Nederland van de rechthebbende en diens gezinsleden, als de gezinsleden van de rechthebbende op hetzelfde adres buiten Nederland wonen.

  • 2. In het geval alleen een deel van het gezin van de rechthebbende remigreert naar Nederland, dan is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 6. EINDE BREDE ONDERSTEUNING IN HET BUITENLAND

Artikel 13. Doorlooptijd brede ondersteuning buitenland

De brede ondersteuning van rechthebbende in het buitenland stopt, als:

  • a. een rechthebbende daarom schriftelijk verzoekt;

  • b. de doelen in het plan van aanpak zijn behaald;

  • c. de rechthebbende niet de nodige medewerking en eigen inspanningen verleent om de doelen in het plan van aanpak te behalen; of

  • d. de rechthebbende is geremigreerd naar Nederland.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 14. Hardheidsclausule

De minister kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

Artikel 16. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Brede ondersteuning in het buitenland

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, S.Th.P.H. Palmen-Schlangen

TOELICHTING BELEIDSREGEL BREDE ONDERSTEUNING IN HET BUITENLAND

I Algemeen deel

1.1 Inleiding

De Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geeft de Minister van Financiën de ambtshalve bevoegdheid om brede ondersteuning te bieden op vijf leefgebieden – financiën, gezin, werk, wonen en zorg – aan een erkend gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, diens partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, diens ex-partner en partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, en aan de nabestaanden van een overleden erkend gedupeerde aanvragen van kinderopvangtoeslag, die in het buitenland (inclusief Curaçao, Aruba en Sint Maarten) woonachtig zijn en voldoen aan de voorwaarden van de Wht (hierna: de rechthebbende). Deze beleidsregel vult die ambtshalve bevoegdheid nader in.

Deze beleidsregel ziet op de rechthebbende die in het buitenland woont en biedt duidelijkheid over de aard en de strekking van de brede ondersteuning. De bepalingen zien onder meer op de wijze waarop deze ondersteuning wordt uitgevoerd en welke verwachtingen rechthebbenden mogen hebben van het Ondersteuningsteam voor Ouders in het Buitenland (hierna: OTB), welke verplichtingen op de rechthebbende zelf rusten, de aard en de strekking van het plan van aanpak, de reikwijdte van de geboden ondersteuning en de financiële tegemoetkomingen. Ook de invulling van de ondersteuning in geval de rechthebbende een wens tot remigratie heeft, wordt in deze beleidsregel nader ingevuld.

Uit de contacten tussen het OTB en rechthebbenden en rechtszaken die rechthebbenden voeren tegen beschikkingen over de brede ondersteuning in het buitenland, blijkt dat behoefte is aan inkadering en afbakening van de voormelde onderwerpen. Deze beleidsregel voorziet in die behoefte.

Deze beleidsregel is geïnspireerd door de Model beleidsregels brede ondersteuning van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Die beleidsregels zijn niet één op één overgenomen, omdat de aard en strekking van de brede ondersteuning in het buitenland op een aantal vlakken anders is dan die in Nederland. Zo heeft het OTB een andere positie in het buitenland dan een gemeente in Nederland, als onderdeel van de (lokale) overheid. Bij brede ondersteuning in Nederland is ook geen sprake van remigratie.

Deze beleidsregel loopt op een aantal onderdelen vooruit op de voorgenomen wijziging van de Wht, waarin onder meer de termijnen voor de brede ondersteuning in het buitenland worden geharmoniseerd met die in Nederland. Na de wetswijziging zal deze beleidsregel waar nodig nader aangepast worden. De wetswijziging treedt naar verwachting begin 2027 in werking.

1.2 Doel van de brede ondersteuning in het buitenland

De brede ondersteuning in het buitenland is erop gericht om door middel van tijdelijke ondersteuning een rechthebbende te helpen om weer eigen regie over diens leven te krijgen door de in het plan van aanpak vast te stellen doelen op de vijf leefgebieden te behalen. Daarmee kan ondersteuning geboden worden om bijvoorbeeld een startkwalificatie te behalen, om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien of indien de rechthebbende (met mogelijk diens gezin) in een acute onveilige situatie verblijft. Ook als een rechthebbende een terugkeerwens naar Nederland heeft, biedt het OTB ondersteuning, door de kosten van het vervoer (van zowel de rechthebbende als de inboedel) te vergoeden. Ook faciliteert het OTB de contacten met de gemeente waar de rechthebbende naartoe verhuist. De afbakening van de ondersteuning ligt in de vijf leefgebieden. Daarbinnen gaat het om ondersteuning die redelijk en passend is om de doelen per leefgebied te bereiken.

1.3 Proces brede ondersteuning

Nadat de gedupeerdheid van een aanvrager van kinderopvangtoeslag is vastgesteld en als de rechthebbende voor de wettelijke peildatum naar het buitenland is verhuisd, vraagt de Uitvoeringsorganisatie Hersteloperatie Toeslagen (hierna: UHT) of deze gebruik wil maken van de brede ondersteuning in het buitenland. Zo ja, dan wordt gevraagd of diens gegevens met het OTB gedeeld kunnen worden. Bij toestemming geeft UHT de gegevens vervolgens door aan het OTB, dat daarna contact opneemt met de rechthebbende.

De beleidsregel bepaalt (in artikel 4) dat het OTB binnen tien werkdagen contact opneemt met de rechthebbende. Vervolgens wordt het eerste gesprek gepland. Tijdens dat eerste gesprek wordt gestart met het bepalen van de behoefte aan ondersteuning van de rechthebbende. Het OTB legt dit vervolgens vast in een plan van aanpak, waarmee de rechthebbende een beschikking krijgt waartegen rechtsmiddelen open staan. Hiermee wordt de rechthebbende rechtsbescherming geboden, voor het geval die het niet eens zou zijn met de aard en omvang van de in het plan van aanpak opgenomen ondersteuning.

1.4 Plan van aanpak

In het plan van aanpak wordt beschreven wat de ondersteuningsvragen van de rechthebbende zijn per leefgebied, wat de bijbehorende doelen zijn en welke ondersteuning hierop geboden wordt. Ook staat per leefgebied en de bijbehorende ondersteuning beschreven welke rol de rechthebbende hierin speelt, met andere woorden: wat van hem/haar/die verwacht wordt, rekening houdend met diens doenvermogen.

Gelet hierop worden in het plan van aanpak de volgende onderdelen beschreven:

  • De situatie van de rechthebbende(n);

  • De hulpvragen op de vijf leefgebieden;

  • De doelen op deze leefgebieden;

  • Een uitwerking van de afgesproken ondersteuning per leefgebied; en

  • Indien van toepassing: de financiële tegemoetkomingen die worden toegekend.

Het OTB en de rechthebbende bespreken gezamenlijk wat de ondersteuningsvragen en de doelen zijn en welke ondersteuning daarvoor passend en redelijk is. Het OTB beslist (namens de Minister van Financiën) welke ondersteuning daadwerkelijk wordt geboden; daarom wordt het plan van aanpak vastgelegd in een beschikking.

Het kan voorkomen dat tijdens de looptijd van het plan van aanpak bepaalde doelen moeten worden bijgesteld, waardoor de geboden ondersteuning ook aangepast moet worden. Dat wordt vastgesteld in een aanvullende beschikking die aan ouder wordt toegezonden, opdat helder is wat na aanpassing de te bieden ondersteuning behelst.

1.5 Aard en strekking van de ondersteuning

De brede ondersteuning in het buitenland is erop gericht om de rechthebbende te ondersteunen in het herwinnen van eigen regie op het leven, geconcretiseerd in specifieke doelen op de vijf leefgebieden. Zowel de rechthebbende als het OTB vervullen hier een rol in. Bijvoorbeeld als een opleiding gevolgd wordt om een startkwalificatie te behalen, om uiteindelijk in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, vergoedt het OTB de redelijke kosten daarvan en moet de rechthebbende zich inspannen om de opleiding te volgen en met goed gevolg af te ronden. De ondersteuning is daarmee niet vrijblijvend, maar is erop gericht om gezamenlijk te komen tot het behalen van de vastgestelde doelen.

De geboden ondersteuning kan uit verschillende elementen bestaan. De casemanagers van het OTB bieden zelf ondersteuning door rechthebbenden te woord te staan, steun en advies te geven en mee te denken over ontwikkelingen of belemmeringen. Waar nodig kunnen financiële tegemoetkomingen worden verstrekt voor bijvoorbeeld een fiets om mee naar school te kunnen gaan of het bekostigen van een bril of beugel. Het hangt per rechthebbende en diens gezinssituatie in relatie tot de hulpvragen en de vastgestelde doelen af, welke ondersteuning redelijk en passend is.

De verzoeken om ondersteuning moeten passen binnen de vijf leefgebieden in de Wht en passen binnen de aard en strekking van de brede ondersteuning in het buitenland. Deze ondersteuning is tijdelijk van aard en is er niet op gericht om bijvoorbeeld in structureel levensonderhoud te voorzien (zoals een uitkering) of de rol over te nemen van andere sociale voorzieningen of verzekeringen in het land waar de rechthebbende woonachtig is. Daarom wordt altijd eerst onderzocht of de gevraagde ondersteuning geboden kan worden vanuit voorzieningen (zoals sociale of fiscale voorzieningen of verzekeringen) in het land waarin de rechthebbende woont.

Het tijdelijke karakter van de ondersteuning betekent dat deze ook wordt afgerond nadat de vastgestelde doelen zijn behaald. Dit principe wordt verankerd in deze beleidsregel, opdat voor de rechthebbende duidelijk is waar hij aanspraak op kan maken en voor hoe lang. Na afronding van de ondersteuning wordt de rechthebbende verondersteld zelf weer de in het leven gebruikelijke nieuwe ontwikkelingen en belemmeringen aan te kunnen.

1.6 Remigratie

Een van de belangrijkste verschillen tussen de brede ondersteuning in het buitenland en die in Nederland is de optie van remigratie. Binnen drie maanden na het eerste gesprek kan een rechthebbende aangeven een wens tot remigratie te hebben. De ondersteuning richt zich in dat geval op het faciliteren van die remigratie, de verhuizing en alles wat daarbij komt kijken – het verkrijgen van een huis valt hier dus niet onder. De rechthebbende en het OTB verkennen de haalbaarheid van het remigreren binnen een redelijke termijn naar een specifieke gemeente waar de rechthebbende heen wenst te verhuizen. De Wht stelt thans een termijn van één jaar voor het effectueren van die remigratie, waarbinnen de kosten van de remigratie door de Staat worden gedragen (art. 2.15a, vijfde lid).

In de inleiding is al gewezen op de voorgenomen wijziging van de Wht. Vooruitlopend hierop gaat deze beleidsregel uit van een langere termijn voor het effectueren van de remigratie, namelijk van twee jaar. In de huidige praktijk blijkt dat de termijn van één jaar niet haalbaar is, met name vanwege het woningtekort in Nederland. Er is voldoende tijd nodig om te verkennen naar welke gemeente verhuist kan worden en de rechthebbende heeft voldoende tijd nodig om daar vervolgens een geschikte woning te vinden. Het is aan de rechthebbende om een geschikte woning te vinden, dat kan het OTB niet doen. Het OTB kan wel gesprekken met bijvoorbeeld een gemeente of woningbouwcorporaties faciliteren. Nu de verlening van de wettelijke termijn begunstigend beleid betreft, kan daarmee afgeweken worden van de Wht, vooruitlopend op de voorgenomen wetswijziging die ook deze termijn beoogd te verlengen van een naar twee jaar.

In de praktijk komt voor dat een verzoek wordt gedaan aan het OTB in de zoektocht naar een (sociale) huurwoning in verband met door de rechthebbende opgebouwde punten of geregistreerde jaren, die door de verhuizing verloren zijn gegaan. Het OTB kan daar echter niet in voorzien, want deze is gebonden aan het lokaal woonbeleid. Het OTB kan op geen enkele manier invloed uitoefenen op ‘verloren gegane jaren of punten’ voor een schaarse sociale huurwoning. De ondersteuning die het OTB kan bieden bij remigratie kent daardoor beperkingen. Als de rechthebbende geen geschikte woning kan vinden, dan moet deze mogelijk naar een andere gemeente verhuizen of aanvaarden dat een verhuizing binnen een termijn van twee jaar niet haalbaar is. De wensen en de plannen zullen dan tijdig moeten worden aangepast. Het OTB heeft hierbij een actieve rol, zie ook § 1.7.

De kosten van het vervoer naar Nederland, inclusief van de inboedel, worden gedragen door de Minister van Financiën. Daarnaast faciliteert het OTB de contacten met de gemeente in Nederland en draagt in het geval van een remigratie zorg voor een warme overdracht aan die gemeente, opdat de rechthebbende ook in Nederland passende begeleiding kan krijgen.

1.7 Tweesporenbeleid

De ondersteuning door het OTB richt zich op één van de twee mogelijke sporen: hetzij de duurzame vestiging in het woonland, hetzij een remigratie naar Nederland. Als er een remigratiewens is, dan is de ondersteuning daarop gericht. De hulpvragen en de doelen zijn dan anders dan als een rechthebbende woonachtig blijft in het buitenland. Dat betekent bijvoorbeeld dat er geen investeringen in het huis bekostigd worden, tenzij het om een gevaarlijke woonsituatie gaat. De ondersteuning in het buitenland draagt bij aan een duurzame en stabiele vestiging in Nederland, bijvoorbeeld door een opleiding te bekostigen, zodat de rechthebbende in Nederland over een startkwalificatie beschikt en een geschikte baan kan vinden om in diens levensonderhoud te voorzien.

Mocht binnen een redelijke termijn blijken dat de wens tot remigratie niet haalbaar is, dan kan het plan van aanpak aangepast worden en kan de ondersteuning zich gaan richten op het duurzaam vestigen in het buitenland. Daarbij is het evenwel niet de bedoeling dat eerst twee jaar gewerkt wordt aan remigratie en pas daarna omgeschakeld wordt naar een duurzame vestiging in het buitenland. Het OTB en de rechthebbende zijn in gesprek over de haalbaarheid van de remigratie. Het is mogelijk dat het OTB na een redelijke termijn beslist dat de remigratie niet haalbaar is; bijvoorbeeld een remigratiewens van een gezin van zes personen naar een sociale huurwoning in een grote gemeente in de Randstad, is niet realistisch binnen een termijn van twee jaar.

1.8 Redelijke kosten

De memorie van toelichting op de Wht biedt kaders voor wat redelijke kosten zijn. Per geval beoordeelt het OTB of de gevraagde ondersteuning passend en redelijk is. De hier genoemde bedragen zijn richtbedragen (en dus geen vast bedrag); het betreft bedragen die in veel gevallen als redelijk gezien kunnen worden. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de richtbedragen niet afdoende zijn. In dat geval wordt maatwerk verleend op basis van wat redelijk en passend is in de individuele situatie.

II Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In de definitiebepaling staat een aantal definities, zoals over wat materiële en immateriële verstrekkingen zijn. Voor de definitie van deze begrippen is aansluiting gezocht bij de Model beleidsregels van de VNG.

Artikel 2

Eerste lid

In dit artikel staat beschreven wie de rechthebbenden van de brede ondersteuning in het buitenland zijn, als bedoeld in de artikelen 2.15, 2.15a en 2.15b van de Wht. De Wht schrijft voor dat ondersteuning geboden kan worden aan: een erkend gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, diens partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, aan diens ex-partner en diens partner, kind, pleegkind of voormalig pleegkind, en aan de nabestaanden van een overleden erkend gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, die in het buitenland woonachtig zijn (inclusief Curaçao, Aruba en Sint Maarten) en voldoen aan de voorwaarden van de Wht.

Tweede lid

Hierin wordt bepaald dat aan het kind van een overleden aanvrager op vier van de vijf leefgebieden ondersteuning kan worden geboden. Het leefgebied gezin is uitgesloten, omdat het kind zelf onderdeel was van het gezin van de overleden aanvrager en niet ook het eventuele gezin van het kind (daarmee de derde generatie) in aanmerking komt voor de ondersteuning.

Artikel 3

Eerste lid

In het eerste lid van dit artikel wordt het doel van de brede ondersteuning in het buitenland omschreven. De brede ondersteuning is erop gericht om een rechthebbende te helpen weer regie over het eigen leven te krijgen; het gaat om het bieden van toekomstperspectief. Voor hulpvragen en bijbehorende doelen die niet onder de vijf in de Wht vermelde leefgebieden vallen, biedt het OTB geen ondersteuning. De Wht is dan ook het kader voor de te bieden ondersteuning.

De brede ondersteuning beoogt een ouder te faciliteren om mogelijke belemmeringen weg te nemen die in de weg staan aan het hernemen van regie over het leven en beoogt te ondersteunen bij het verkrijgen van de hiervoor benodigde vaardigheden. Het OTB voorziet bijvoorbeeld ook niet in sociale voorzieningen. De toegekende ondersteuning moet redelijk en passend zijn bij het behalen van de doelen op de vijf leefgebieden en is per definitie maatwerk. Het startpunt, de situatie ten tijde van het eerste gesprek, verschilt per rechthebbende net als wat deze nodig heeft om weer regie over het eigen leven te krijgen.

Tweede lid

Per leefgebied is omschreven wat de doelstelling is. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de Model beleidsregels van de VNG. Het OTB bespreekt met elke rechthebbende aan de hand van de in dit artikellid beschreven doelstellingen op welke van de vijf leefgebieden behoefte is aan ondersteuning en waar die ondersteuning uit moet bestaan om de doelen per leefgebied te kunnen behalen.

Artikel 4

Eerste lid

Dit artikel maakt duidelijk wat van de brede ondersteuning uitgezonderd is. Zo is de rechthebbende in de eerste plaats aangewezen op de voorzieningen in het land waarin die woonachtig is (onderdeel a), is de brede ondersteuning geen sociaal vangnet voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel b), kan geen huursubsidie of toeslag worden toegekend (onderdeel c) en is het geen taak van het OTB om financieel herstel te bieden en schade vanuit het verleden te vergoeden (onderdeel d). Verder geldt voor sommige vergoedingen en kosten dat deze in beginsel geen onderdeel uitmaken van de brede ondersteuning, maar dat er een uitzondering mogelijk is als er sprake is van een bedreigende situatie (onderdelen e en f). In dat geval staan niet de vergoedingen en kosten zelf, maar het voorkomen van de gevolgen van een acute noodsituatie centraal. Ook gaat het niet om het vergoeden van een schuld, maar om het beëindigen van de acute noodsituatie en het voorkomen van erger.

Het artikel bepaalt verder dat kosten die zijn gemaakt voordat de brede ondersteuning is gestart en ondersteuning is toegekend, niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen (met uitzondering van de situaties hierboven in de onderdelen e en f beschreven). De brede ondersteuning op basis van het plan van aanpak is één geheel aan vastgelegde doelen op basis van de ondersteuningsvragen. Bijvoorbeeld het vergoeden van losse facturen valt hier niet onder.

Tweede lid

De geboden ondersteuning moet redelijk en passend zijn voor het behalen van de vastgelegde doelen. In dit artikellid wordt opgesomd wat in ieder geval niet onder de brede ondersteuning valt. Deze opsomming is niet limitatief, maar is bedoeld om duidelijk te maken wat er sowieso (‘in ieder geval’) niet onder valt en welke uitzonderingen mogelijk zijn, bijvoorbeeld waar het gaat om vervoer of woningverbeteringen.

Goederen en diensten die het levenscomfort verhogen, maar niet essentieel zijn voor het dagelijks functioneren komen niet in aanmerking voor de brede ondersteuning, bijvoorbeeld cosmetische ingrepen (onderdeel b), aanschaf van luxe goederen (onderdeel h). Maar ook boetes die worden opgelegd, worden niet vergoed door de Nederlandse overheid (onderdeel a).

Een verzoek tot woningverbetering (onderdeel d) valt in beginsel evenmin onder de te verlenen ondersteuning, tenzij sprake is van een onveilige en niet stabiele woonsituatie voor de rechthebbende (en diens gezin). Indien van zo’n situatie sprake is, is een dergelijke woningverbetering niet gericht op waardevermeerdering, maar uitsluitend op het veilig maken en stabiliseren van de woonsituatie. Grootschalige woningaanpassingen vallen hier dan ook buiten. Als sprake is van het creëren van een stabiele woonsituatie, en de huidige woning veiligheids- en/of gezondheidsrisico’s laat zien, ondersteunt het OTB de rechthebbende in het oplossen van die risico’s. Om te beoordelen of sprake is van een onveilige woonsituatie wordt getoetst op directe risico's voor de gezondheid of de woningstructuur, zoals acute technische gebreken en veiligheidsrisico’s: gevaarlijke elektra, defecte cv-ketel, ernstige lekkages, rotte vloeren, kozijnen of deuren die niet meer sluiten (wat kan leiden tot inbraakgevaar). Als het gaat om gezondheidsrisico’s kan gedacht worden aan structurele vocht- en schimmelproblematiek. Bij constructie risico’s in de woning gaat het onder meer om aantasting van dragende delen, ernstige houtrot of verlies van waterdichtheid. In deze gevallen kan het redelijk zijn om een financiële tegemoetkoming te doen voor woningverbetering of daartoe ondersteuning te bieden.

Het financieren van rechtsbijstand, als bedoeld in de Subsidieregeling pakket rechtsbijstand herstelregelingen kinderopvangtoeslag 2026, valt evenmin onder de brede ondersteuning (onderdeel i). Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand wordt in ieder geval niet vergoed als het gaat om structurele kosten of als sprake is van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedures of procedures tegen de Nederlandse Staat. In sommige situaties kan het OTB bepalen dat het wel redelijk en passend is om de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden, mits er geen voorliggende voorzieningen aanwezig zijn.

Artikel 5

Eerste lid

Nadat de gedupeerdheid van een aanvrager van kinderopvangtoeslag is vastgesteld, vraagt UHT of deze gebruik wil maken van de brede ondersteuning in het buitenland. Zo ja, dan wordt gevraagd of diens gegevens met het OTB gedeeld kunnen worden. Bij toestemming geeft UHT de gegevens vervolgens door aan het OTB, dat daarna binnen tien werkdagen contact opneemt met de rechthebbende. Het leggen van contact dient ertoe om een eerste gesprek in te plannen.

Tweede lid

In dit artikellid wordt geregeld op welke manier het eerste gesprek plaatsvindt. Het OTB bevindt zich niet fysiek in de landen waarin de rechthebbenden woonachtig zijn (met uitzondering van Curaçao) en kan evenmin naar elk land afreizen. Voor de rechthebbende zal het vaak te belastend of praktisch niet mogelijk zijn om naar Nederland te komen voor het eerste gesprek. Daarom vindt het eerste gesprek in beginsel digitaal of telefonisch plaats. Beide partijen houden bij het maken van de afspraak rekening met een eventueel tijdsverschil.

Derde lid

Het eerste gesprek is erop gericht om de ondersteuningsvragen, de doelen per leefgebied en de bijbehorende ondersteuning te bespreken. Het kan zijn dat meerdere gesprekken nodig zijn, maar het eerste gesprek is het startmoment voor het opstellen van het plan van aanpak en de termijnen die in deze beleidsregel staan vermeld, zoals het effectueren van de remigratiewens.

Artikel 6

Eerste lid

Binnen een termijn van twaalf weken na het eerste gesprek wordt het plan van aanpak opgesteld. Deze twaalf weken is een invulling van de redelijke termijn uit het bestuursrecht, die vooruitloopt op de termijn die in de beoogde wijziging van de Wht in de artikelen 2.15, 2.15a en 2.15b wordt voorgesteld.

Deze termijn beoogt zowel de rechthebbende als het OTB duidelijkheid te geven over wat een redelijke termijn is om te komen tot het opstellen van het plan van aanpak. De rechthebbende moet voldoende tijd krijgen om zijn doelen te formuleren en te weten wanneer de ondersteuning daadwerkelijk zal starten.

Het plan van aanpak dient te worden beschouwd als een beschikking. Het OTB stelt de beschikking, gericht op rechtsgevolg, in mandaat op namens de Minister van Financiën.

Tweede lid

Het plan van aanpak behelst per leefgebied de ondersteuningsvraag, de doelen en de manier waarop die behaald moeten worden. De ondersteuning die per leefgebied geboden wordt, inclusief een eventuele financiële tegemoetkoming, is ook onderdeel van het plan van aanpak. Zo is kenbaar voor de rechthebbende waar deze recht op heeft en voor het OTB welke ondersteuning geboden moet worden.

Derde lid

Het kan voorkomen dat zich in de periode na het opstellen van het plan van aanpak belangrijke ontwikkelingen voordoen, die tot een aanpassing van het plan van aanpak nopen. In dat geval kan het plan van aanpak aangepast worden, wat in een aanvullende beschikking wordt vastgelegd. Ook een afwijzing van een verzoek tot aanpassing wordt in een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking vastgelegd.

Artikel 7

Eerste lid

In de Wht staat dat een rechthebbende op kosten van de Staat terug kan keren naar Nederland, mits deze de wens hiertoe binnen drie maanden na het ambtshalve aanbod tot brede ondersteuning heeft geuit. Ter nadere invulling van deze wettelijke bepaling, bepaalt de beleidsregel dat deze drie maanden starten vanaf het eerste gesprek. Dit loopt vooruit op de voormelde wijziging van de Wht.

Deze remigratiewens wordt vastgelegd in het plan van aanpak. Als het plan van aanpak al eerder is opgesteld zonder dat de remigratiewens was geuit en opgenomen, dan wordt het plan van aanpak daartoe aangepast.

Tweede lid

De Wht schrijft voor dat de remigratie binnen één jaar na het ambtshalve aanbod moet hebben plaatsgevonden. Deze beleidsregel schrijft een termijn van twee jaar voor, vanaf het eerste gesprek. Dit betreft een voor betrokkenen begunstigende maatregel, waarin deze een ruimere termijn krijgen dan thans het geval is in de Wht. Daarom kan hier afgeweken worden van de huidige wet, vooruitlopend op de voorgenomen wetswijziging waarin de ruimere termijn van twee jaar wordt opgenomen.

In de praktijk blijkt de huidige wettelijke termijn van één jaar niet haalbaar, vanwege de krapte op de woningmarkt in Nederland. Daarom wordt het als onredelijk beschouwd om vast te houden aan deze termijn, met name in het licht van de voorgenomen wetswijziging.

Derde lid

Het kan voorkomen dat de rechthebbende binnen deze twee jaar tot de conclusie komt dat remigratie niet haalbaar is, bijvoorbeeld omdat die met een groot gezin naar een grote stad wil verhuizen waar geen sociale huurwoningen beschikbaar zijn. Indien de rechthebbende daardoor de remigratiewens wenst in te trekken en zich wil focussen op een toekomst in het betreffende land, moet hij dat melden bij het OTB.

Vierde lid

Het is ook mogelijk dat het OTB tot het oordeel komt dat de remigratiewens onhaalbaar blijkt. Bijvoorbeeld omdat de rechthebbende naar een specifieke gemeente wil verhuizen, waar geen woningen beschikbaar zijn. Het OTB bespreekt dit met de rechthebbende, past hierop het plan van aanpak aan en stelt een nieuwe beschikking op. Dat geeft zowel de rechthebbende als het OTB de mogelijkheid om doelen vast te stellen die gericht zijn op het zich duurzaam vestigen in het land waarin deze al woont.

Artikel 8

Het OTB is gehouden aan het lokaal woonbeleid; deze regels kunnen per gemeente verschillen. Dat kan in het ene geval betekenen dat eerder opgebouwde woonjaren (‘punten’) zijn komen te vervallen en in het andere dat die wel nog gelden of teruggegeven kunnen worden. Gemeenten en corporaties gaan hierover, het OTB heeft hier geen invloed op. De Minister van Financiën (die het OTB heeft gemandateerd als uitvoerder van de brede ondersteuning in het buitenland) heeft geen invloed op het lokale woonbeleid, kan geen huizen aankopen of huren of bij een gemeente of een woningbouwcorporatie afdwingen dat een huis ter beschikking wordt gesteld aan een rechthebbende.

Voorts ziet de ondersteuning en het vergoeden van de kosten van de inboedel uitsluitend op het verhuizen naar één gemeente en één specifieke locatie in Nederland. De rechthebbende en diens gezin verhuizen daarmee als één geheel naar dezelfde locatie. Als gezinsleden naar verschillende locaties in Nederland willen verhuizen, ondersteunt en bekostigt het OTB dit niet.

Artikel 9

De ondersteuning aan een rechthebbende richt zich ofwel op het zich duurzaam vestigen in het land waarin die woonachtig is ofwel op de remigratie naar Nederland. Het eerste en tweede lid benadrukken dat de rechthebbende een keuze moet maken. Het is niet wenselijk dat een rechthebbende eerst ondersteuning krijgt die gericht is op het zich duurzaam vestigen in het land waarin deze woont en daarna de remigratiekosten vergoed krijgt.

Het kan zijn dat een rechthebbende kosten vergoed krijgt voor het volgen van een opleiding, opdat die in Nederland over een startkwalificatie beschikt en daardoor kan voorzien in het eigen levensonderhoud. Ook in het geval van remigratie kan er dan ook nog redelijke en passende ondersteuning geboden worden in het land waarin de rechthebbende woonachtig is.

Mocht het voorkomen dat de remigratiewens toch niet haalbaar blijkt (zie artikel 7, derde en vierde lid), dan gaat de ondersteuning zich richten op het zich duurzaam vestigen in het land waarin de rechthebbende woonachtig is.

Het kan ook voorkomen dat een deel van het gezin terugkeert naar Nederland en een deel achterblijft in het buitenland. Dan kan het zijn dat er binnen het plan van aanpak een onderdeel ziet op hetzij de remigratie, hetzij de duurzame vestiging in het land waarin (een deel van het gezin van) de rechthebbende woonachtig is.

Artikel 10

Eerste lid

Het OTB onderzoekt eerst samen met de rechthebbende de voorliggende voorzieningen in het woonland. Als deze voorzieningen niet beschikbaar of niet afdoende zijn, kan een rechthebbende voor ondersteuning in aanmerking komen. Deze ondersteuning kan ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden toegekend ter vergoeding van redelijk te maken kosten. Het OTB bepaalt wat redelijk en passend is bij de ondersteuningsvraag en de bijbehorende doelen per leefgebied. Deze tegemoetkoming is bestemd voor het doen van uitgaven buiten Nederland ten behoeve van het behalen van de doelen, zoals vastgelegd in het plan van aanpak. Het geldbedrag dat ter beschikking wordt gesteld aan de rechthebbende en diens gezinsleden, is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte en van de vraag of dat bedrag redelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan een tegemoetkoming voor het aanschaffen van een fiets om naar school te kunnen als het openbaar vervoer ter plaatste niet beschikbaar is.

Voor ingrijpende zaken (zoals zorgkosten) of voor het structureel voorzien in het levensonderhoud, moeten rechthebbende(n) die buiten Nederland wonen een beroep doen op de voorzieningen in hun woonland. Het OTB verstrekt geen uitkering aan een rechthebbende.

Tweede lid

De ondersteuning die het OTB biedt kan zien op materiële en op immateriële verstrekkingen. In artikel 1 staat wat daaronder wordt verstaan. Materiële verstrekkingen worden – anders dan in Nederland – in het buitenland in de regel gedaan in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Het OTB bevindt zich vaak niet in de landen waar de rechthebbenden woonachtig zijn en werkt daarom in de regel met financiële tegemoetkomingen, zodat een rechthebbende zelf het afgesproken product of dienst kan kopen. De tegemoetkoming wordt voor een specifiek doel gedaan en is niet ter vrije besteding bedoeld door de rechthebbende.

De immateriële ondersteuning is allereerst gericht op de ondersteuning door de casemanagers van het OTB die de rechthebbende kan bijstaan bij vragen of hulp. Ook ziet dit op het vergoeden van bijvoorbeeld een opleiding of begeleiding door een psycholoog.

Derde lid

Per geval zal verschillend zijn wat een redelijke financiële tegemoetkoming is. De memorie van toelichting bij de Wht bevat kaders voor wat redelijk geacht wordt met maximum bedragen per gezin en per gezinslid. Het gaat dus niet om vaste bedragen waar eenieder recht op heeft. Hierbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden van het geval en met besluiten in vergelijkbare situaties, om willekeur te voorkomen. Het OTB baseert zich op de NIBUD-normen en hanteert een woonlandfactor voor landen waar de levenskosten aanzienlijk goedkoper of juist duurder zijn dan in Nederland. Dat kan ertoe leiden dat de financiële tegemoetkoming dan hoger of juist lager uitvalt.

Vierde lid

De te bieden ondersteuning door het OTB hangt af van de individuele omstandigheden van de rechthebbende en diens gezinssituatie. Bij het bepalen van welke ondersteuning passend en redelijk is, wordt gekeken naar in ieder geval de omstandigheden zoals in dit artikellid zijn genoemd. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Model beleidsregels van de VNG.

Allereerst is relevant wat de aard en het niveau van de voorzieningen zijn die aanwezig zijn in het land waar de rechthebbende woont (onderdeel a). Zo zal een land binnen de Europese Unie (hierna: EU) eerder voorzieningen bieden die vergelijkbaar zijn met die in Nederland dan een land waar geen sociaal vangnet vanuit de overheid wordt geboden. Als er voorzieningen aanwezig zijn, dan dient een rechthebbende daar een beroep op te doen. Bij de verhuizing naar een specifiek land – zeker buiten de EU – is de rechthebbende afhankelijk is van wat in dat land geboden wordt. Als dat niet passend is, kan echter niet in alle gevallen verwacht worden dat de Nederlandse overheid dan voor een (structurele) oplossing zorgt.

Bij het bepalen van de benodigde ondersteuning is relevant wat de vaardigheden van de rechthebbende zijn (onderdeel b). De rechthebbende dient een actieve rol te vervullen in het behalen van de doelen: bijvoorbeeld als deze een opleiding volgt, dan moet deze lessen volgen en slagen voor examens. Het OTB houdt rekening met het doenvermogen van de rechthebbende in het leveren van een bijdrage aan het behalen van de doelen.

Verder wordt bij het bepalen van welke ondersteuning passend en redelijk is, rekening gehouden met de draagkracht en financiële armslag van de rechthebbende (onderdeel c). De brede ondersteuning kijkt vooruit, waar de schadevergoeding voor de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst achteruit kijkt. Met die schadevergoeding wordt compensatie geboden voor het ervaren leed van de erkend gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag. Als een rechthebbende weer over draagkracht beschikt dankzij de schadecompensatie, dan kan dat invloed hebben op wat in het individuele geval redelijk en passend is bij de te bieden ondersteuning en met name voor de financiële tegemoetkoming. Uiteindelijk is de brede ondersteuning erop gericht dat een rechthebbende weer regie over het leven krijgt en is het niet bedoeld als aanvullende schadevergoeding of schuldhulpverlening.

Een gezin van twee personen zal in de regel minder financiële tegemoetkomingen krijgen dan een gezin van zes personen. Daarom wordt met de omvang en de samenstelling van het huishouden van de rechthebbende rekening gehouden bij het bepalen van de benodigde ondersteuning (onderdeel d).

De ondersteuning is – zoals in het algemeen deel van deze toelichting beschreven – tijdelijk van aard. Ondersteuning wordt niet geboden als het een structureel karakter heeft (onderdeel e). Eenmalige voorzieningen, die een duurzame bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van de rechthebbende (zie ook de volgende alinea), kunnen wel verstrekt worden, zoals een laptop om een opleiding te volgen.

De rechthebbende moet dankzij de ondersteuning weer het vermogen krijgen om regie over het leven te voeren. Ondersteuning is daarom gericht op het duurzaam bijdragen aan dat doel en niet op het voorzien in producten of diensten die uiteindelijk weinig tot geen bijdrage zullen leveren aan het krijgen van regie over het eigen leven. De te leveren ondersteuning moet dan ook een duurzaam karakter hebben waar het ziet op het bijdragen aan het overkoepelende doel van de zelfredzaamheid van de rechthebbende (onderdeel f).

Artikel 11

Eerste lid

Het plan van aanpak legt vast voor elk (van toepassing zijnde) leefgebied welk doel behaald moet worden. Per doel staat ook in het plan van aanpak welke kosten redelijk zijn om bij te dragen aan het realiseren van dat doel.

Tweede lid

De memorie van toelichting bij de Wht schrijft voor wat in ieder geval als redelijk wordt gezien. Zoals hierboven in paragraaf 1.8 staat beschreven, zijn de richtbedragen in de memorie van toelichting geen vaste bedragen voor eenieder. Het hangt per geval af wat redelijk is, rekening houdend met de individuele omstandigheden en de omstandigheden uit artikel 10, tweede lid. Dit artikellid beschrijft de richtbedragen die in de memorie van toelichting bij de Wht staan.

Derde lid

Om te bepalen wat redelijke kosten kunnen zijn, zijn onder meer de onderstaande punten van belang.

De Nibud-norm voor goederen en inboedel zijn leidend, waarbij een woonlandfactor wordt toegepast. Zo zullen in sommige landen de kosten voor levensonderhoud aanzienlijk lager of juist hoger zijn dan in Nederland. Dat kan betekenen dat het redelijk is om een hogere of juist lagere financiële tegemoetkoming toe te kennen, afhankelijk van het land waarin de rechthebbende woont.

Als een woningverbetering gedaan moet worden of andere grote uitgaven aan de orde zijn, dan worden meerdere offertes aangevraagd en kan het OTB ook een externe (financieel) deskundige inhuren om te adviseren over wat redelijk is.

Als het gaat om remigratie, dan maakt het OTB hier vaste afspraken over met bedrijven en kan een rechthebbende in beginsel niet vrijelijk kiezen welke partij daarvoor wordt ingehuurd.

Op het leefgebied zorg kan het nodig zijn dat psychologische hulp wordt geboden. Het OTB onderzoekt eerst welke voorzieningen er beschikbaar zijn in het land waarin de rechthebbende woont. Ook zijn er aanbieders waar het OTB vaste afspraken mee heeft gemaakt, waar in beginsel van gebruik gemaakt wordt.

Vierde lid

Het kan zijn dat de voormelde richtbedragen niet in alle gevallen afdoende zijn. Dan bepaalt het Ministerie van Financiën in overleg met het OTB wat redelijk en passend is in het individuele geval.

Artikel 12

Ondersteuning bij remigratie wordt geboden naar één specifieke gemeente en woonadres in Nederland, op basis van de wensen van de rechthebbende. Dus de rechthebbende bepaalt naar welke gemeente die wil verhuizen, die regelt de woning en het OTB faciliteert de verhuizing, waarbij het Ministerie van Financiën de kosten van het vervoer van zowel de rechthebbende als diens gezinsleden als dat van de inboedel bekostigt. Als de primair rechthebbende, zijnde de aanvrager van de kinderopvangtoeslag, de ex-partner of de nabestaande met een deel van het gezin verhuist of alvast gezinsleden vooruit reizen naar Nederland vanwege werk of opleiding, dan wordt de verhuizing (inclusief die van de inboedel) uitsluitend naar één woonadres in Nederland bekostigd. De vervoersreizen van de individuele gezinsleden naar Nederland worden wel vergoed, maar niet die van afzonderlijke inboedelverhuizingen. Wel maken die kinderen aanspraak op brede ondersteuning in Nederland. Voor de kinderen die zonder hun ouder achterblijven in het buitenland staat geen brede ondersteuning open, tenzij een verzoek gedaan wordt tot toepassing van de hardheidsclausule en dat verzoek wordt gehonoreerd. Dit volgt uit de strekking van de artikelen 2.15, 2.15a en 2.15b van de Wht, waarin ambtshalve brede ondersteuning geboden kan worden aan de aanvrager van de kinderopvangtoeslag en diens gezin. Dat is anders dan bij de brede ondersteuning in Nederland, waar artikel 2.21 van de Wht kinderen van de aanvragers van kinderopvangtoeslag expliciet als zelfstandige rechthebbende noemt.

Artikel 13

Gelet op de tijdelijke aard van de brede ondersteuning, stopt deze als sprake is van een van de vier in dit artikel genoemde omstandigheden.

Een rechthebbende kan zelf om stopzetting van de brede ondersteuning verzoeken. Die dient daartoe schriftelijk (dat kan digitaal) een verzoek in (onderdeel a).

Als de in het plan van aanpak vastgelegde doelen zijn behaald, dan stopt de brede ondersteuning ook (onderdeel b). Het plan van aanpak wordt niet eindeloos aangepast met nieuwe ondersteuningsvragen en doelen. De brede ondersteuning dient ertoe om door middel van tijdelijke ondersteuning een rechthebbende te begeleiden om uiteindelijk weer regie over het eigen leven te krijgen. Het verhoudt zich dan niet met die aard en dat doel van de ondersteuning als er telkens nieuwe doelen zouden worden toegevoegd.

Het overkoepelende doel om regie over het eigen leven te krijgen én de in het plan van aanpak vastgelegde doelen, kunnen alleen behaald worden door inzet van de rechthebbende en diens gezinsleden. Als zij niet meewerken aan het behalen van de doelen en geen inspanning hiervoor plegen, dan kunnen die doelen ook niet bereikt worden en draagt de ondersteuning ook nergens toe bij (onderdeel c).

Als de rechthebbende een remigratiewens heeft, is het plan van aanpak daarop gericht (zie artikel 9). Nadat de rechthebbende (en eventueel diens gezin) naar Nederland is verhuist, stopt de brede ondersteuning in het buitenland (onderdeel d), gelet op het feit dat de rechthebbende dan niet meer in het buitenland woonachtig is.

Artikel 14

Het kan zijn dat er situaties zijn die niet voldoen aan de kaders van deze beleidsregel, maar waarin toepassing van die regels tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Of waarin sprake is van een schrijnende situatie, waardoor evenwel afwijking van de regels noodzakelijk is. De hardheidsclausule in dit artikel voorziet in die situaties.

De Staatssecretaris van Financiën, S.Th.P.H. Palmen-Schlangen

Naar boven