Afsprakenkader Aanvalsplan Grutto 2026

Focus, samenhang, versnelling en borging door het Aanvalsplan Grutto

Partijen,

De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), handelend in de hoedanigheid van bestuursorgaan, hierna te noemen: “de minister”;

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland, namens deze: M.A.C. de Vries, gedeputeerde van de provincie Friesland;

Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, namens deze: H.R. Zoet, gedeputeerde van de provincie Gelderland;

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, namens deze: M.A.C. de Vries, gedeputeerde van de provincie Friesland;

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, namens deze: A. Gielen, gedeputeerde van de provincie Noord-Holland;

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, namens deze: M.A.C. de Vries, gedeputeerde van de provincie Friesland;

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, namens deze: G. de Kruif, gedeputeerde van de provincie Utrecht;

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, namens deze: A. Bonte, gedeputeerde van de provincie Zuid-Holland;

alle handelend als bestuursorgaan, hierna samen te noemen: “provincies”;

Overwegen het volgende,

In het Bestuurlijk Overleg Natuur van 8 december 2025 hebben de voormalig staatssecretaris van LVVN en de 12 provincies de intentieverklaring voor volledige uitvoering van Aanvalsplan Grutto onderschreven. Deze gezamenlijke intentieverklaring (zie bijlage 1) was een belangrijk moment in het langjarige proces van uitvoering van het Aanvalsplan Grutto sinds 2021 en in het kader van de infractieprocedure grutto. Het Aanvalsplan Grutto is erop gericht 35 robuuste gebieden te realiseren van 1.000 ha optimaal beheer voor de grutto, grotendeels in het landelijk gebied.

De intentieverklaring maakt duidelijk dat zowel de Nederlandse regering als de provincies zich gebonden achten aan een effectieve uitvoering van het Aanvalsplan Grutto als essentiële bijdrage aan het herstel van de populatie van de grutto in Nederland. Dit afsprakenkader vormt een bekrachtiging van deze gezamenlijke intentie en concretiseert de afspraken die nodig zijn tussen de minister en provincies om het Aanvalsplan Grutto uiterlijk in 2035 tot realisatie te brengen.

Hoewel de opgave enkel in de 7 Aanvalsplan Gruttoprovincies landt, heeft de realisatie van het Aanvalsplan Grutto een duidelijke relatie met het land dekkende Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), de infractieprocedure Grutto en de Natuurherstelverordening. Hier spelen alle 12 provincies een rol in.

Spreken het volgende af,

Artikel 1 Definities

In dit convenant (en de daarbij behorende bijlagen) wordt verstaan onder:

a. Gebiedspartijen:

agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties, waterschappen, gemeenten, wildbeheereenheden, vogelwachten en andere partijen die een grondpositie hebben of beheer uitvoeren in het Aanvalsplan Grutto gebied (zoals Rijkswaterstaat).

b. Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb):

de regeling Agrarisch Natuur en landschapsbeheer.

c. Agrarisch Natuurbeheer (ANB):

het bredere programma Agrarisch Natuurbeheer van het ministerie van LVVN en provincies dat in ontwikkeling is.

Artikel 2 Uitwerking intentieverklaring

Artikel 2.1 Perspectief agrariërs en andere grondeigenaren

  • 2.1.1 De minister en provincies zeggen vanuit hun taken/rollen gezamenlijk toe om zorg te dragen voor een mix aan instrumenten gericht op zwaar beheer en grondbeleid die gebiedsgericht ingezet kunnen worden door provincies, agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties en waterschappen en zorgen voor de benodigde randvoorwaarden, waaronder regelgeving en financiering.

  • 2.1.2 De minister en provincies zetten in ieder geval in op het ontwikkelen of verder doorontwikkelen van onderstaand instrumentarium:

    • i. Langjarige contracten (zie artikel 2.4)

    • ii. Samenwerkingstoeslag, bedrijfstoeslag (aanbeveling cie Osinga)

    • iii. Weidevogelbedrijf (zie artikel 2.3)

    • iv. Regeling gedeeltelijke afwaardering grond voor weidevogels (zie artikel 2.14)

    • v. SNL, verhoging beheervergoeding (zie artikel 2.9)

    • vi. Predatie-instrumentarium (zie artikel 2.11)

  • 2.1.3 De minister en provincies streven ernaar per ingang van de nieuwe GLB-periode (2028/2029) het instrumentarium op orde te hebben en in aanloop daar naartoe zoveel mogelijk voor te bereiden en uitvoeringsmogelijkheden te benutten.

  • 2.1.4 De minister en provincies streven ernaar dat het instrumentarium zoveel mogelijk tegelijkertijd op gebiedsniveau beschikbaar is.

  • 2.1.5 Provincies zeggen toe sturing en regie te pakken op de gebiedsprocessen en de te nemen maatregelen in de gebieden van Aanvalsplan Grutto en daartoe het uitvoeringsapparaat te versterken.

Artikel 2.2 Financieringsstrategie

  • 2.2.1 De minister zet zich in om de benodigde middelen voor het uitvoeren van Aanvalsplan Grutto ter beschikking te stellen.

  • 2.2.2 De minister en de provincies spreken af dat daar waar voldoende middelen ontbreken nieuwe financieringsmogelijkheden aan bod komen bij evaluaties en bijstellingen.

  • 2.2.3 De minister zal, binnen de kaders van beschikbare middelen voor het Agrarisch Natuurbeheer (ANB), de verantwoordelijkheid nemen om deze middelen structureel (inclusief de gehele periode voor de langjarige contracten) en met prioriteit beschikbaar te stellen aan de provincies voor uitvoering van het Aanvalsplan Grutto.

  • 2.2.4 De middelen die de minister beschikbaar heeft binnen het ANB zullen bij voorkeur worden beschikbaar gesteld aan provincies in de vorm van een decentralisatie-uitkering aan het Provinciefonds.

  • 2.2.5 De verdere uitwerking van de omvang, verdeling en langjarige beschikbaarheid van middelen vindt plaats in afstemming tussen de minister en provincies. Daarvoor werken de minister en provincies samen aan een uitvoeringsstrategie die het mogelijk maakt om de financiën doelgericht en efficiënt in te zetten binnen de Aanvalsplan Gruttogebieden.

  • 2.2.6 De minister en provincies werken parallel aan het ANB een strategie uit waarmee het mogelijk wordt om uitvoerende partijen, die niet direct kunnen worden gefinancierd uit het ANLb, te kunnen ondersteunen, zoals terreinbeherende organisaties, waterschappen en gemeenten. Daartoe zal de minister zich inspannen om aanvullende middelen beschikbaar te krijgen.

  • 2.2.7 De minister zet zich ervoor in om de benodigde middelen voor gedeeltelijke afwaardering van grond, de verdere uitwerking van het grondinstrumentarium, waterbeleid en de organisatie van gebiedsprocessen te betrekken bij de besluitvorming door de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof over de inzet van de middelen die het Kabinet Jetten daarvoor heeft afgesproken.

  • 2.2.8 Provincies hebben in de uitvoering oog voor synergie die kan worden gerealiseerd met andere beleidsopgaven, zoals de realisatie van het NNN, veenweideaanpak, Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening.

Artikel 2.3 Financieel kader uitvoering en borging inzet voor Aanvalsplan Grutto

  • 2.3.1 De provincies hebben de verantwoordelijkheid voor de uitwerking van provinciale verdeling van de door de minister beschikbaar gestelde middelen, met als uitgangspunt dat iedere provincie voldoende middelen krijgt om de opgaven van die provincie te realiseren.

  • 2.3.2 De beschikbaar gestelde middelen, zowel korte termijn (2026–2027) als structureel voor de langere termijn (vanaf 2028), kunnen door provincies worden ingezet voor de realisatie van het Aanvalsplan Grutto. De inzet zal zijn gericht op:

    • i. inrichtingsmaatregelen voor kwaliteitsverbetering, uitbreiding van Aanvalsplan Grutto leefgebied en beheer, inclusief langjarige contracten;

    • ii. garantstelling langjarige ANLb-contracten binnen Aanvalsplan Grutto-gebieden;

    • iii. gedeeltelijke afwaardering van grond en aanvullend grondinstrumentarium (zoals vrijwillige kavelruil) binnen Aanvalsplan Grutto-gebieden;

    • iv. ondersteuning van agrariërs die een bedrijfsomslag willen maken, waar weidevogelbeheer leidend wordt op het bedrijf (‘weidevogelbedrijf’);

    • v. ondersteuning in capaciteit van provincies, agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties, waterschappen, gemeenten en andere gebiedspartijen;

    • vi. ondersteuning in capaciteit van de bestaande interprovinciale werkgroepen; samenwerkingsstructuren en betrokken samenwerkingsorganisaties;

    • vii. ondersteuning van de organisatie en uitvoering van gebiedsprocessen waaronder het opstellen, uitvoeren en actualiseren van routekaarten en de gebiedsgerichte inzet van maatregelen binnen Aanvalsplan Grutto-gebieden;

    • viii. ondersteuning van monitoring en actualisatie van routekaarten;

    • ix. ondersteuning van kennisuitwisseling, voor het ontwikkelen van nieuwe werkwijzen, en ‘samen leren’, ten behoeve van de uitvoering van Aanvalsplan Grutto.

  • 2.3.3 De uitwerking en onderbouwing van de benodigde middelen voor bovengenoemde inzet wordt per Aanvalsplan Gruttogebied, instrument en over de tijd uitgewerkt als onderdeel van de routekaarten en gebiedsprocessen binnen de Aanvalsplan Gruttogebieden.

  • 2.3.4 In bijlage 2 bij dit Afsprakenkader biedt de financiële toelichting bij de verschillende onderdelen voor de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto een goed vertrekpunt voor nadere uitwerking en onderbouwing voor een decentralisatie-uitkering ‘Aanvalsplan Grutto’ via het Provinciefonds.

Artikel 2.4 Het instrument langjarige contracten

  • 2.4.1 De gezamenlijke werkgroep langjarige contracten van het ministerie van LVVN en provincies werkt alle aspecten van het instrument langjarige contracten uit om gerichte inzet binnen het ANLb mogelijk te maken vanaf de nieuwe GLB-periode (2028/2029).

  • 2.4.2 De minister zegt toe om de financiering voor de implementatie van de langjarige contracten te regelen in een Decentralisatie-uitkering vooruitlopend op de nieuwe GLB-periode, gebaseerd op een onderbouwing die de provincies daarvoor zullen aanleveren. Op basis van de ervaring die provincies op doen met langjarige contracten zal de wijze en omvang van financiering aangepast worden (zie artikel 3 en 4).

Artikel 2.5 Natuurherstelverordening

  • 2.5.1 De legitimatie van het Aanvalsplan Grutto is versterkt doordat de Natuurherstelverordening doelen voor boerenlandvogels, waaronder de grutto, bevat.

  • 2.5.2 De minister zal, in samenwerking met provincies, in het Natuurplan maatregelen opnemen om die doelen te halen en daarbij de link leggen met het afsprakenkader Aanvalsplan Grutto, waarmee duidelijk wordt dat het Aanvalsplan Grutto bijdraagt aan het behalen van de doelen voor boerenlandvogels uit de Natuurherstelverordening.

Artikel 2.6 Routekaart

  • 2.6.1 Provincies stellen per Aanvalsplan Gruttogebied een routekaart op gericht op het stapsgewijs toewerken naar 1.000 ha leefgebied binnen 2000 ha zoekgebied in 2035. De routekaart bevat o.a. de uitwerking van de elementen: beheer, inrichting, waterbeheer, predatiebeheer en grondinstrumentarium. De routekaart bevat tevens een uitwerking van de deelnamebereidheid van de agrarische ondernemers en de maatregelen die nodig zijn om vrijwillige deelname mogelijk te maken.

  • 2.6.2 De minister en provincies werken het globale streefbeeld voor een Aanvalsplan Gruttogebied verder uit voor de inrichting en kwaliteit van het leefgebied, wat als basis kan dienen voor de routekaarten per Aanvalsplan Gruttogebied.

  • 2.6.3 De minister draagt zorg voor het beschikbaar stellen van financiële middelen aan provincies voor het opstellen van de routekaarten.

  • 2.6.4 Provincies zetten zich in voor:

    • i. het opstellen van de routekaarten samen met agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties, landbouworganisaties en andere gebiedspartijen.

    • ii. het vaststellen van de routekaarten van de Aanvalsplan Gruttogebieden in 2028. Voor een aantal gebieden kan dit later zijn als in de uitvoering een gefaseerde aanpak nodig blijkt.

    • iii. de uitvoering en actualisatie van de routekaarten.

Artikel 2.7 Begrenzing

  • 2.7.1 Provincies bepalen in samenwerking met de gebiedspartijen het zoekgebied.

  • 2.7.2 Provincies gebruiken begrenzing voor de gerichte inzet van maatregelen binnen de routekaart op basis van vrijwillige deelname van gebiedspartijen.

  • 2.7.3 Provincies passen de begrenzing per Aanvalsplan Gruttogebied aan op basis van voortgang en nieuwe inzichten.

  • 2.7.4 Provincies dragen zorg voor het opstellen en vaststellen van de begrenzingen van de Aanvalsplan Gruttogebieden.

  • 2.7.5 De minister draagt zorg voor het landelijk inzicht in de begrenzing van Aanvalsplan Gruttogebieden ten behoeve van monitoring en rapportage op hoofdlijnen.

Artikel 2.8 Aantal kansgebieden

  • 2.8.1 Provincies onderzoeken of er buiten de 35 ‘kansgebieden’ van het Aanvalsplan Grutto nog gebieden zijn die een vergelijkbare kans bieden voor het versterken van de gruttopopulatie en het daarom waard zijn om onderdeel te gaan uitmaken van het Aanvalsplan Grutto.

  • 2.8.2 Provincies en de minister maken zich hard voor een gefocuste inzet en streven ernaar dat inzet op nieuwe gebieden niet ten koste gaat van de realisatie van de huidige 35 kansgebieden.

  • 2.8.3 De minister en provincies verkennen de mogelijkheden van een afwegingskader voor wijzigingen rond de Aanvalsplan Gruttogebieden, zodat keuzes inhoudelijk en financieel goed zijn onderbouwd.

Artikel 2.9 Beheer en inrichting natuurgebieden

  • 2.9.1 Provincies en de minister onderzoeken of het weidevogelbeheer via SNL-Natuurbeheer kan worden uitgebreid en versterkt, waarbij ook de (ruimtelijke) samenhang met het agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt.

  • 2.9.2 In Aanvalsplan Gruttogebieden zetten provincies in overleg met terreinbeherende organisaties en agrarische collectieven in op het versterken van kwaliteit en de samenhang van NNN-vochtig weidevogelgrasland/weidevogelreservaat en agrarisch natuurbeheer.

  • 2.9.3 Provincies en de minister verkennen in 2026 de mogelijkheden om de natuurbeheervergoedingen (SNL) en het inrichtingsbudget te verhogen om de samenhang te versterken en dit op te nemen in het Natuurpact 2.0 dat van start gaat na 2027.

Artikel 2.10 Samenhang Aanvalsplan Gruttogebieden en Vogelrichtlijngebieden grutto

Aanvalsplan Gruttogebieden kunnen, afhankelijk van hun ligging, bijdragen aan de versterking van de gruttopopulatie in en rondom bestaande Vogelrichtlijngebieden die in december 2025 instandhoudingsdoelen hebben gekregen voor broedende grutto's. Waar sprake is van overlap zetten provincies in op samenhang tussen de realisatie van het Aanvalsplan Gruttogebied en het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de grutto binnen het Vogelrichtlijngebied.

Artikel 2.11 Predatiebeheer

  • 2.11.1 Provincies faciliteren, waar nodig, predatiebeheer binnen de juridische kaders voor de Aanvalsplan Gruttogebieden en streven naar een samenhangende aanpak van:

    • i. preventieve maatregelen (inrichting, openheid);

    • ii. actieve maatregelen (beheer van predatoren).

  • 2.11.2 Provincies zetten bij het predatiebeheer in op de samenhang met biotoopverbetering.

  • 2.11.3 Provincies streven naar de inzet van een predatiecoördinator per Aanvalsplan Gruttogebied, gefinancierd door de minister.

  • 2.11.4 De minister en provincies werken gezamenlijk de maatregelen op het gebied van predatiebeheer verder uit. Het gaat met name om predatiebeperkende inrichtingsmaatregelen (o.a. rasters en sloten), aanvullend op de kwaliteitsverbetering van het leefgebied grutto, de inzet van vangmiddelen en afschot.

  • 2.11.5 Om dit te realiseren werken de minister en provincies beleidsmatig en juridisch aan meer uitvoerbare mogelijkheden voor predatiebeheer, mede in relatie tot jurisprudentie. Zij onderzoeken welke mogelijkheden de stelselherziening jacht en faunabeheer en/of een uitbreiding van de wildlijst bieden. Evaluatie van het huidige stelsel wordt naar verwachting eind 2026 opgeleverd. De minister beziet daarna samen met de betrokken partijen waar mogelijkheden zitten voor verbetering.

  • 2.11.6 De minister zet zich in voor verbetering van de uitvoerbaarheid van vergunningverlening en ondersteunt met kennis en middelen.

  • 2.11.7 Provincies streven ernaar binnen de juridische kaders mee te werken aan het verlenen van vergunningen voor beheer van de hoofdpredatoren vos, steenmarter, zwarte kraai.

  • 2.11.8 De minister en provincies maken gezamenlijk afspraken over de jaarlijkse monitoring van predatiedruk en effectiviteit van maatregelen en bijsturing van de aanpak.

Artikel 2.12 Waterbeheer en vernatting

  • 2.12.1 Provincies werken samen met waterschappen waterbeheer en vernatting gebiedsgericht uit in samenwerking met agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties en landbouworganisaties. Daarbij wordt onderzocht wat nodig en haalbaar is om in minimaal 50% van een Aanvalsplan Gruttogebied toe te werken naar hogere waterpeilen passend bij weidevogelbeheer en hierover nadere afspraken te maken.

  • 2.12.2 De minister en provincies spannen zich in om de vernatting van Aanvalsplan Gruttogebieden te verbinden met veenweidedoelen en de zoetwaterstrategie in het kader van de droogteproblematiek.

  • 2.12.3 De minister zet zich in om de benodigde randvoorwaarden, instrumenten en middelen voor gebiedsprocessen en peilverhoging verder uit te werken.

Artikel 2.13 Landschappelijke openheid en rust

  • 2.13.1 De minister en provincies verkennen de mogelijkheden om uiterlijk in 2035 de bescherming van de landschappelijke openheid en rust van de AG-gebieden op een efficiënte wijze planologisch te borgen.

  • 2.13.2 Provincies en de minister verkennen samen met andere ministeries, gemeenten en waterschappen op welke wijze dit kan worden uitgewerkt via beleidskaders, ruimtelijke instrumenten en het stelsel van de Omgevingswet. Hierbij wordt gekeken naar gemeentelijke omgevingsplannen, provinciale omgevingsverordeningen en relevante waterinstrumenten.

Artikel 2.14 Grondbeleid en grondinstrumenten

  • 2.14.1 De minister en de provincies werken het grondinstrumentarium voor de Aanvalsplan Gruttogebieden nader uit en zoeken daarbij de synergie met het grondinstrumentarium dat wordt ontwikkeld voor extensivering van de landbouw op andere beleidsdossiers en in andere gebieden.

  • 2.14.2 Provincies en de minister werken in 2026 onder leiding van BIJ12 aan een generieke regeling voor afwaardering van weidevogelgrasland.

  • 2.14.3 Provincies werken deze regeling in 2026-2027 verder uit tot een provinciale regeling voor de Aanvalsplan Grutto-gebieden. De juridische en praktische uitwerking hiervan vraagt nadere uitwerking, onder andere ten aanzien van vrijwilligheid, eigendom, staatssteun, financiering en uitvoerbaarheid. Dit vindt plaats onder voorbehoud van juridische, financiële en bestuurlijke uitvoerbaarheid.

  • 2.14.4 Provincies werken aan een gerichte grondstrategie passend binnen de gebiedsgerichte uitwerking van de routekaarten.

  • 2.14.5 Provincies faciliteren en coördineren vrijwillige kavelruil.

  • 2.14.6 Provincies en de minister spannen zich in om het bestaande faciliterende grondinstrumentarium, waaronder de Nationale Grondbank, in te zetten voor de realisatie van Aanvalsplan Gruttogebieden.

Artikel 3 Monitoring

Partijen monitoren:

  • i. Jaarlijks de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en inzet van middelen binnen de Aanvalsplan Grutto gebieden. De monitoring sluit bij voorkeur aan bij bestaande methodieken.

  • ii. Tussentijds en aan het einde van de looptijd van het afsprakenkader de resultaten van het Aanvalsplan Grutto. De eerste integrale tussentijdse evaluatie is in 2029/2030 als het nieuwe GLB in werking is getreden en zicht is op de totale instrumentenmix. De ecologische evaluatie kan dan nog beperkt zijn.

  • iii. Tussentijds de noodzaak tot bijsturing van de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto op basis van de voortgang van de routekaarten en gebiedsprocessen.

Artikel 4 Wijziging

  • 4.1 Dit afsprakenkader kan worden gewijzigd, indien de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto of de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven.

  • 4.2 Een wijziging van het afsprakenkader behoeft de instemming van alle partijen.

Artikel 5 Verplichtingen voor partijen

  • 5.1 De verplichtingen voor partijen in dit afsprakenkader betreffen inspanningsverplichtingen.

  • 5.2 De verplichtingen voor provincies gelden onder het voorbehoud dat de in artikel 2 genoemde middelen en instrumenten in zodanige mate beschikbaar zijn dat uitvoering kan worden gegeven aan de afspraken uit dit afsprakenkader.

  • 5.3 Het Aanvalsplan Grutto is een vrijwillige, maar niet vrijblijvende aanpak. Partijen onderkennen dat het bereiken van de doelen binnen het Aanvalsplan Grutto mede-afhankelijk is van deelnamebereidheid van agrariërs en gebiedspartijen. Partijen spannen zich in voor een zo groot mogelijke deelnamebereidheid.

  • 5.4 De verplichtingen voor de minister gelden onder het voorbehoud dat de in artikel 2 genoemde middelen efficiënt en doelmatig door de provincies worden ingezet voor het Aanvalsplan Grutto.

Artikel 6 Binding, afdwingbaarheid en geschillen

  • 6.1 De afspraken in dit afsprakenkader zijn bindend voor partijen.

  • 6.2 De afspraken in dit afsprakenkader zijn niet in rechte afdwingbaar.

  • 6.3 Partijen trachten geschillen in verband met dit afsprakenkader in onderling overleg op te lossen.

Artikel 7 Looptijd

  • 7.1 Dit afsprakenkader treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening en eindigt op 31 december 2035.

  • 7.2 De looptijd van het afsprakenkader kan worden verlengd. Partijen treden daarover uiterlijk op 31 december 2034 met elkaar in overleg.

Artikel 8 Publicatie

Na ondertekening wordt het afsprakenkader gepubliceerd in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend,

Montfoort, 6 juli 2026

De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland, namens deze: M.A.C. de Vries

Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, namens deze: H.R. Zoet

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, namens deze: M.A.C. de Vries

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, namens deze: A. Gielen

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, namens deze: M.A.C. de Vries

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, namens deze: G. de Kruif

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, namens deze: A. Bonte

BIJLAGE 1 INTENTIEVERKLARING

Focus, samenhang, versnelling en borging door het Aanvalsplan Grutto

Intentieverklaring Aanvalsplan Grutto, 8 december 2025 – Provincies en het ministerie van LVVN (als vertegenwoordiger van het rijk) spreken hierbij de intentie uit

  • dat het Aanvalsplan Grutto volledig zal worden uitgevoerd, zowel in de gebieden waar de uitvoering al is gestart, als in de resterende gebieden,

  • dat de resterende gebieden in 2026 gestart worden,

  • en dat de noodzakelijke maatregelen voor de grutto in deze Aanvalsplan Grutto-gebieden met voorrang, in samenhang, versneld en geborgd wordt uitgevoerd.

Deze gezamenlijke intentieverklaring is een belangrijk moment in het langjarige proces van uitvoering van het Aanvalsplan Grutto. Het maakt duidelijk dat zowel de Nederlandse regering als de provincies zich gebonden achten aan een effectieve uitvoering van het Aanvalsplan Grutto als essentiële bijdrage aan het herstel van de populatie van de grutto in Nederland.

Een effectieve uitvoering hangt af van vier kenmerken van deze aanpak, namelijk: focus, samenhang, versnelling en borging.

  • Waar in het verleden het subsidiëren van weidevogelbeheer in hoge mate aanbod gestuurd was, wordt nu duidelijk een focus aangebracht op de meest kansrijke gebieden, namelijk de Aanvalsplan Grutto-gebieden.

  • Het Aanvalsplan maakt het tevens mogelijk om gebiedsgerichte maatregelen voor de grutto in samenhang uit te voeren. Het is immers niet effectief om boeren te stimuleren hun weidevogelbeheer te verbeteren als niet tevens gezorgd wordt voor onder andere een goed grondwaterpeil, de noodzakelijke landschappelijke openheid en de vermindering van predatie. De uitvoering van het Aanvalsplan maakt het mogelijk om die samenhang juist ook buiten Vogelrichtlijngebieden tot stand te brengen – daarvoor is een Natura 2000-beheerplan geen noodzakelijke voorwaarde.

  • Bij de betrokken overheden is het besef duidelijk aanwezig dat er nu echt een trendbreuk noodzakelijk is in de populatieontwikkeling van de grutto. Rijk en provincies zijn vastbesloten om niet alleen de achteruitgang te stoppen, maar het nu daadwerkelijk mogelijk te maken dat de populatie weer gaat groeien. Niet voor niets is het landelijk populatiedoel voor 2050 gebaseerd op een zo sterk mogelijke aanwas van de populatie. Juist het Aanvalsplan kan en moet voor deze versnelling gaan zorgen.

  • En ten slotte is ook de borging van groot belang. Vrijwilligheid is iets anders dan vrijblijvendheid. Rijk en provincies beseffen dat ze elkaar nodig hebben en dat de puzzelstukjes van regelgeving, financiering en uitvoering van maatregelen in elkaar moeten passen. Daarbij geldt: afspraken worden gezamenlijk en zorgvuldig geborgd. Want Nederland moet waarmaken wat aan Europa is beloofd: het herstel van de gruttopopulatie.

Wat is hiervoor nodig?

Een belangrijke vervolgstap is om, vanuit de bovenstaande gezamenlijke intentie, een afsprakenkader of convenant uit te werken en dat medio 2026 te bekrachtigen. In dat kader worden de volgende punten zo concreet mogelijk uitgewerkt:

  • 1. Tijdige en effectieve uitvoering van de benodigde maatregelen hangt mede af van het perspectief dat agrariërs wordt geboden. Perspectief voor agrariërs om op grote schaal effectief weidevogelbeheer uit te voeren hangt o.a. af van: voldoende budget voor ANLb, beschikbaarheid van langjarige contracten, concurrerende tarieven en mogelijkheid om grond af te waarderen (zie de volgende punten).

  • 2. Het rijk zegt structureel middelen toe voor uitvoering van het AG en garandeert dat deze middelen langjarig beschikbaar blijven voor provincies en andere uitvoerende partijen. Deze middelen komen – voor wat betreft het agrarisch natuurbeheer – uit een deel van de 500 miljoen euro per jaar die reeds is gereserveerd. Hierbij ligt al op de korte termijn prioriteit bij het uitbreiden en verzwaren van beheer voor weidevogels, met name de grutto. Conform de contourenbrief agrarisch natuurbeheer zal hiervoor een substantieel deel van het budget worden ingezet, waar mogelijk in combinatie met andere doelen.

  • 3. Rijk en provincies spannen zich in om alle benodigde middelen voor het uitvoeren van Aanvalsplan Grutto ter beschikking te stellen. De benodigde middelen worden toegewezen aan concrete maatregelen voor de realisatie van het AG, met name:

    • a. inrichtingsmaatregelen voor kwaliteitsverbetering en uitbreiding van leefgebied;

    • b. garantstelling langjarige ANLb-contracten;

    • c. gedeeltelijke herwaardering van grond;

    • d. middelen ten ondersteuning van agrariërs die een bedrijfsomslag willen maken, waar weidevogelbeheer leidend wordt op het bedrijf (‘weidevogelbedrijf’);

    • e. ondersteuning van uitvoerende partijen, waaronder provincies;

    • f. ondersteuning van de bestaande werkgroepen;

    • g. ondersteuning van gebiedsprocessen.

  • 4. Het is belangrijk om agrariërs in de AG-gebieden binnen twee jaar duidelijkheid te bieden over langjarige contracten. Daarbij wordt verkend of het opzetten van een garantiefonds bij provincies, met middelen van LVVN, behulpzaam kan zijn.

  • 5. De kans wordt benut een groot deel van de doelen voor boerenlandvogels in het (op te stellen) Natuurplan, in het kader van de Natuurherstelverordening, te borgen.

  • 6. Per AG-gebied wordt een routekaart gemaakt voor het binnen tien jaar realiseren van 1.000 ha leefgebied van hoge kwaliteit voor de grutto. De realisatie van AG-gebieden zal in een opbouwende lijn gaan en in het ene gebied harder gaan dan in het andere. Het is cruciaal om zo snel mogelijk op te schalen, en daarna gezamenlijk verder naar het doel te werken. Vanwege de jaarlijkse afname van 5% van de landelijke gruttopopulatie is de urgentie om op korte termijn op grote schaal maatregelen te nemen zeer groot. Dit verklaart het streven om in 2035 tot realisatie te zijn gekomen.

  • 7. Voor die routekaart is het nodig dat de AG-gebieden duidelijk in kaart worden gebracht zodat daarmee voldoende duidelijkheid ontstaat over waar de noodzakelijke maatregelen gericht en in samenhang kunnen worden uitgevoerd en er tegelijk ook genoeg flexibiliteit is om (onvoorziene) kansen te benutten.

  • 8. Onderzocht wordt of er buiten de 34 ‘kansgebieden’ van het AG nog gebieden zijn die een vergelijkbare kans bieden voor het versterken van de gruttopopulatie en het daarom waard zijn om onderdeel te gaan uitmaken van het AG, zonder dat daardoor de uitvoering in de bestaande 34 AG-gebieden in de knel komt.

  • 9. Het weidevogelbeheer via SNL-Natuurbeheer wordt uitgebreid en versterkt, waarbij ook de (ruimtelijke) samenhang met het agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt.

  • 10. AG-gebieden kunnen, afhankelijk van hun ligging, bijdragen aan de versterking van de gruttopopulatie in en rondom bestaande Vogelrichtlijngebieden die in december 2025 instandhoudingsdoelen hebben gekregen voor broedende grutto's.

  • 11. Maatregelen op het gebied van predatiebeheer worden verder uitgewerkt. Het gaat met name om predatiebeperkende inrichtingsmaatregelen (o.a. rasters en sloten, aanvullend op de kwaliteitsverbetering van het leefgebied grutto) en inzet van vangmiddelen. Om dit te realiseren zal er beleidsmatig (via de stelselherziening jacht en faunabeheer) en juridisch ook meer ruimte moeten komen voor vergunningverlening omdat veel vergunningen niet overeind blijven bij de rechter.

  • 12. Het waterbeheer wordt in de AG-gebieden binnen tien jaar geoptimaliseerd. Daarbij ligt er in veel AG-gebieden ook een relatie met de veenweide-opgave. Het gebiedsproces dat hiervoor noodzakelijk is, wordt tijdig gestart.

  • 13. Binnen tien jaar wordt gezorgd voor de borging van de landschappelijke openheid die noodzakelijk is voor de grutto.

  • 14. Het grondbeleid wordt nader uitgewerkt en gestimuleerd wordt dat de grondmobiliteit groter zal worden. Daarvoor is het nodig dat het instrument herwaardering van grond en de bijbehorende financiële middelen beschikbaar komen voor de AG-gebieden.

BIJLAGE 2: UITGANGSPUNTEN EXTRA KOSTEN REALISATIE AANVALSPLAN GRUTTO

Algemeen uitgangspunt

Deze bijlage bevat een indicatieve raming van de extra kosten voor de uitvoering van het Aanvalsplan Grutto in de periode 2026–2035. De raming is gebaseerd op uitvoering in 35 Aanvalsplan Grutto-gebieden met een kerngebied van circa 1.000 hectare binnen een zoekgebied van circa 2.000 hectare.

Binnen het kerngebied wordt uitgegaan van een combinatie van natuurbeheer (SNL), zwaar agrarisch natuurbeheer (ANLb), inrichting, waterbeheer en gedeeltelijke afwaardering van landbouwgrond. Daarbij wordt uitgegaan van circa 200 hectare natuurbeheer, 300 hectare gedeeltelijke afwaardering van landbouwgrond en 500 hectare zwaar agrarisch natuurbeheer. Daarnaast wordt uitgegaan van een hoog waterpeil op minimaal 50% van het kerngebied.

Beheer

De post beheer betreft zwaar agrarisch natuurbeheer (ANLb), beheer op gedeeltelijk afgewaardeerde gronden, mozaïekbeheer en aanvullende natuurbeheervergoedingen (SNL) binnen de Aanvalsplan Grutto-gebieden. Daarbij wordt ingezet op verzwaring en uitbreiding van zwaar beheer, langjarige beheercontracten en versterking van de samenhang tussen agrarisch natuurbeheer en natuurbeheer.

Inrichting

De post inrichting betreft maatregelen voor kwaliteitsverbetering, uitbreiding en samenhang van leefgebied voor weidevogels binnen de Aanvalsplan Grutto gebieden. Het gaat daarbij onder andere om maatregelen gericht op waterbeheer, vernatting, landschappelijke openheid en kwaliteitsverbetering.

Gedeeltelijke afwaardering landbouwgrond

De post gedeeltelijke afwaardering landbouwgrond betreft gedeeltelijke afwaardering van landbouwgrond binnen de Aanvalsplan Grutto-gebieden. Daarbij wordt uitgegaan van een afwaarderingspercentage van 35% tot 50%.

Coördinatie en uitvoering

De post coördinatie en uitvoering betreft de uitvoering van predatiebeheer, predatiebeheermiddelen, ondersteuning gebiedsprocessen en uitvoering door alle gebiedspartijen en provinciale deelname aan landelijke werkgroepen Aanvalsplan Grutto.

De uitvoering van het Aanvalsplan Grutto vraagt daarnaast inzet op provinciale regie, routekaarten, begrenzing en monitoring

Indicatief financieel overzicht Aanvalsplan Grutto 2026 – 2035

Het overzicht betreft een indicatieve raming van de uitvoeringskosten van het Aanvalsplan Grutto.

Post

Toelichting

Indicatieve kosten1

Beheer

Zwaar agrarisch natuurbeheer (ANLb), beheer op gedeeltelijk afgewaardeerde gronden, mozaïekbeheer en aanvullende natuurbeheervergoedingen (SNL).

€ 420 mln.

Inrichting

Waterbeheer, vernatting, landschappelijke openheid en inrichting passend bij weidevogelbeheer.

€ 40–65 ml

Gedeeltelijke afwaardering landbouwgrond

Gedeeltelijke afwaardering van landbouwgrond ten behoeve van langdurig weidevogelbeheer binnen de Aanvalsplan Grutto gebieden.

€ 205–420 mln.

Coördinatie en uitvoering

Predatiebeheer, predatiemiddelen, provinciale coördinatie, gebiedsprocessen en landelijke werkgroepen.

€ 15–45 mln.

Totaal

Realisatie 35 Aanvalsplan Grutto-gebieden in de periode van 2026–2035

€ 800–900 mln.2

X Noot
1

Binnen de posten beheer, inrichting en gedeeltelijke afwaardering landbouwgrond is rekening gehouden met uitvoerings- en overheadkosten voor onder andere organisatorische ondersteuning van het Aanvalsplan Grutto.

X Noot
2

De bedragen zijn gebaseerd op huidige inzichten en berekeningen met prijsniveau 2026 en exclusief toekomstige indexering van beheer- en uitvoeringskosten gedurende de looptijd van het Aanvalsplan Grutto. Het totaalbedrag is daarom een grove inschatting en geen exacte optelsom van de aparte kostenposten.

Naar boven