Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 25830 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | Staatscourant 2026, 25830 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
de alliantie, genoemd in artikel 1 van de Regeling kansrijke wijk (tweede tranche);
Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord, Samen sterker voor zorg en welzijn, Kamerstukken II 2024/25, 31 765, nr. 943, bijlage;
afspraken in het AZWA ten aanzien van:
versterking van de samenwerking tussen partijen op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein;
het in het sociaal domein inrichten van een basisinfrastructuur ter ondersteuning van de basisfunctionaliteiten;
een landelijk afgesproken, minimaal noodzakelijke aanpak op het snijvlak van zorg en sociaal domein op de thema’s kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden verminderen ten behoeve van de beweging van zorg naar gezondheid en welzijn;
structuur van basisvoorzieningen in wijken en buurten op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg;
afspraken tussen het Rijk en gemeenten als vastgelegd in het AZWA en het HLO;
door de partijen bij het IZA opgestelde inhoudelijke en procesmatige criteria voor regiobeelden en regioplannen, Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 704, bijlage;
gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, Samen voor kwaliteit van bestaan, Kamerstukken II 2024/25, 29 389, nr. 152, bijlage;
Integraal Zorgakkoord, Samen werken aan gezonde zorg, Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 655, bijlage;
de in bijlage 1 bij deze regeling als zodanig genoemde gemeente of openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, Kamerstukken II 2021/22, 30 995, nr. 100, bijlage;
gemeente die deelneemt aan de Multiproblematiek aanpak in het NPLV;
de stedelijk focusgebieden, genoemd in artikel 1 van de Regeling kansrijke wijk (tweede tranche);
in het AZWA opgenomen agenda met aanpakken die worden uitgewerkt conform de criteria voor basisfunctionaliteiten:
a. Mentale Gezondheidsnetwerken;
b. Ketenaanpak dementie;
c. Nicotinevrij;
d. Ketenaanpak overgewicht kinderen;
e. Rookvrije start binnen Kansrijke Start;
f. Multiproblematiek aanpak in NPLV-gebieden;
de programmaorganisatie, genoemd in artikel 1 van de Regeling kansrijke wijk (tweede tranche);
een door een samenwerkingsregio, met inachtneming van de criteria voor regioplannen, opgesteld document waarin inzichtelijk gemaakt wordt welke opgaven uit het IZA voor de regio prioriteit hebben met afspraken over hoe partijen deze regio-opgaven gaan aanpakken;
regionale samenwerking die aansluit bij de werkwijze en structuur van de samenwerking gemeenten en zorgverzekeraars die is vastgesteld op 7 maart 2019 en te vinden op https://vng.nl/artikelen/werkwijze-structuur-van-de-samenwerking-gemeenten-en-zorgverzekeraars;
beleidsterreinen zorg en ondersteuning op basis van de Participatiewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, inclusief publieke gezondheid, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
een door een samenwerkingsregio opgestelde aanvulling op het regioplan, goedgekeurd door het college van B&W van de gemeenten in de betreffende samenwerkingsregio, waarin de afspraken ten aanzien van het AZWA, onder D5, zijn uitgewerkt.
1. Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:37, 4:38, 4:40, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.
1. De minister verstrekt voor de jaren 2027, 2028 en 2029 aan elke mandaathouder ambtshalve een specifieke uitkering voor regionale activiteiten in een samenwerkingsregio in het kader van de ambities en doelen zoals gesteld in het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, onder paragraaf 3.2.
2. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren in elk geval:
a. het realiseren van een regionaal dekkend aanbod in 2030 van de volgende basisfunctionaliteiten:
1°. sociaal verwijzen;
2°. laagdrempelige steunpunten voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen;
3°. valpreventie;
4°. ketenaanpak overgewicht volwassenen; en
5°. Kansrijke Start, waaronder Nu Niet Zwanger en de Integrale gezinspoli;
b. het uitwerken van op de ontwikkelagenda geplaatste aanpakken conform de criteria voor basisfunctionaliteiten;
c. regionale coördinatie van gemeenten in de samenwerkingsregio;
d. versterking van het aanbod van respijt- en logeerzorg.
3. De minister verstrekt voor het jaar 2027 ambtshalve een specifieke uitkering aan elke GGD voor versterking van de regionale kennis- en adviesfunctie en coördinatie van de ketenaanpakken ten aanzien van gezondheid.
1. Een uitkering als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedraagt per kalenderjaar het in bijlage 1 bij deze regeling bij de desbetreffende mandaathouder en het desbetreffende jaar genoemde bedrag.
2. Een uitkering als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, bedraagt het in bijlage 2 bij deze regeling bij de desbetreffende GGD genoemde bedrag.
1. De minister verstrekt voor de jaren 2027, 2028 en 2029 aan elke gemeente ambtshalve een uitkering voor activiteiten in het kader van de ambities en doelen zoals gesteld in het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, onder paragraaf 3.2.
2. Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, behoren in elk geval:
a. het uitvoeren van de basisfunctionaliteiten als genoemd in artikel 2.1, tweede lid, onder a;
b. het zorg dragen voor de basisvoorzieningen in wijken en buurten behorend bij de in het AZWA opgenomen afspraken over de basisinfrastructuur;
c. het zorg dragen voor de voorzieningen behorend bij de in het HLO opgenomen afspraken over mantelzorgondersteuning.
3. De minister verstrekt voor de jaren 2027, 2028 en 2029 een aanvullende uitkering aan NPLV-gemeenten voor het ontwikkelen van een Multiproblematiek aanpak in het betreffende NPLV-gebied conform de criteria voor basisfunctionaliteiten.
1. Een uitkering als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bedraagt per kalenderjaar het in bijlage 3 bij deze regeling bij de desbetreffende gemeente en het desbetreffende jaar genoemde bedrag.
2. Een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, bedraagt per kalenderjaar het in bijlage 4 bij deze regeling bij de desbetreffende NPLV-gemeente en het desbetreffende jaar genoemde bedrag.
Een uitkering als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 3.1, eerste lid, wordt alleen verstrekt als de mandaathouder namens de samenwerkingsregio en de daarbij behorende gemeenten uiterlijk 1 maart 2027 een werkagenda overlegt.
1. De minister verleent een uitkering als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en artikel 3.1, eerste lid, en een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, ambtshalve binnen acht weken nadat de mandaathouder aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 4.1 heeft voldaan, maar niet eerder dan 1 februari 2027.
2. De minister verleent een uitkering als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, ambtshalve uiterlijk op 1 februari 2027.
3. Het besluit tot verlening van een uitkering vermeldt in elk geval waarvoor de uitkering wordt verleend, het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop het verrichten van de activiteiten kan worden aangetoond.
4. De minister verleent bij het besluit tot verlening van een uitkering een voorschot van 100% voor de jaren 2027, 2028 en 2029, dat in jaarlijkse termijnen wordt betaald.
1. Indien een uitkering voor regionale activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, in een bepaald jaar niet of niet geheel is besteed, kunnen de voor de regionale activiteiten verstrekte middelen tot en met 2029 tot een maximum van 70% in het daaropvolgende jaar aan de regionale activiteiten worden besteed.
2. Indien een uitkering voor lokale activiteiten als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en een aanvullende uitkering voor deelname aan de Multiproblematiek aanpak, genoemd in artikel 3.1, derde lid, in een bepaald jaar niet of niet geheel is besteed, kunnen de voor de lokale activiteiten verstrekte middelen tot en met 2029 tot een maximum van 70% in het daaropvolgende jaar aan de lokale activiteiten worden besteed.
1. De ontvanger van een uitkering draagt er zorg voor dat:
a. de uitvoering van de activiteiten waarvoor een uitkering is verleend conform de bestuurlijke afspraken is;
b. wordt meegewerkt aan de afspraken in het AZWA en HLO ten aanzien van monitoring.
2. De ontvanger van een uitkering meldt, onder overlegging van een toelichting en de relevante stukken, onverwijld schriftelijk aan de minister indien:
a. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan, of
b. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de uitkering.
3. De ontvanger van een uitkering draagt er zorg voor dat de verstrekte middelen niet worden aangewend voor:
a. activiteiten waarvoor zij op andere wijze een vergoeding van overheidswege ontvangt;
b. btw die verschuldigd is over kosten voor zover het aan btw te betalen bedrag in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.
De ontvanger van een uitkering legt uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering, zoals bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
1. De minister besluit over de vaststelling van de uitkering uiterlijk 37 weken na ontvangst van de eindverantwoordingsinformatie.
2. Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op de cumulatieve besteding van de periode van 2027 tot en met 2029 tot ten hoogste het totaal voor die periode verleende bedrag.
3. Indien de informatie ten behoeve van de eindverantwoording te laat, niet of niet volledig wordt verstrekt, kan de minister de uitkering op een lager bedrag vaststellen, aan de hand van de gegevens die tot het besluit tot vaststelling beschikbaar zijn gesteld.
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover van toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 16 juli 2030, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.Th.M. Hermans
|
Samenwerkingsregio |
Mandaathouder |
Gemeenten in de samenwerkingsregio |
Bedrag 2027 |
Bedrag 2028 |
Bedrag 2029 |
|
|---|---|---|---|---|---|---|
|
1. |
Achterhoek |
Doetinchem |
Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk |
€ 3.443.208 |
€ 4.170.896 |
€ 2.999.496 |
|
2. |
Amstelland |
Amstelveen |
Aalsmeer, Amstelveen, Ouder-Amstel, Uithoorn |
€ 1.536.743 |
€ 1.861.519 |
€ 1.338.709 |
|
3. |
Amsterdam |
Amsterdam |
Amsterdam, Diemen |
€ 9.480.704 |
€ 11.484.357 |
€ 8.258.963 |
|
4. |
Apeldoorn/Zutphen |
Apeldoorn |
Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Zutphen |
€ 3.643.028 |
€ 4.412.947 |
€ 3.173.566 |
|
5. |
Arnhem/Centraal Gelderland |
Arnhem |
Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Zevenaar |
€ 4.793.222 |
€ 5.806.223 |
€ 4.175.539 |
|
6. |
Drenthe |
Emmen |
Aa en Hunze, Assen, Borger-Odoorn, Coevorden, De Wolden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo, Westerveld |
€ 5.626.460 |
€ 6.815.557 |
€ 4.901.401 |
|
7. |
DWO-gemeenten |
Delft |
Delft, Lansingerland, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Westland |
€ 3.449.225 |
€ 4.178.185 |
€ 3.004.737 |
|
8. |
Flevoland |
Almere |
Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk |
€ 4.287.627 |
€ 5.193.775 |
€ 3.735.098 |
|
9. |
Friesland |
Smallingerland |
Achtkarspelen, Ameland, Dantumadiel, De Fryske Marren, Harlingen, Heerenveen, Leeuwarden, Noardeast-Fryslân, Ooststellingwerf, Opsterland, Schiermonnikoog, Smallingerland, Súdwest Fryslân, Terschelling, Tytsjerksteradiel, Vlieland, Waadhoeke, Weststellingwerf |
€ 7.597.730 |
€ 9.203.436 |
€ 6.618.641 |
|
10. |
Gelderse Vallei |
Ede |
Barneveld, Ede, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Veenendaal, Wageningen |
€ 3.322.131 |
€ 4.024.231 |
€ 2.894.021 |
|
11. |
Gooi en Vechtstreek |
Hilversum |
Blaricum, Eemnes, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren |
€ 2.284.718 |
€ 2.767.571 |
€ 1.990.296 |
|
12. |
Groningen |
Groningen |
Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerkwartier, Westerwolde |
€ 6.671.622 |
€ 8.081.605 |
€ 5.811.877 |
|
13. |
Haaglanden |
Zoetermeer |
's-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, Wassenaar, Zoetermeer |
€ 9.220.677 |
€ 11.169.377 |
€ 8.032.446 |
|
14. |
Haarlemmermeer |
Haarlemmermeer |
Haarlemmermeer |
€ 1.494.142 |
€ 1.809.914 |
€ 1.301.598 |
|
15. |
Hart van Brabant/Midden-Brabant |
Tilburg |
Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk |
€ 5.343.111 |
€ 6.472.325 |
€ 4.654.566 |
|
16. |
Helmond-de Peel |
Helmond |
Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek, Someren |
€ 2.673.521 |
€ 3.238.543 |
€ 2.328.995 |
|
17. |
Holland Rijnland |
Leiden |
Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Zoeterwoude |
€ 5.640.400 |
€ 6.832.444 |
€ 4.913.544 |
|
18. IJssel-Vecht |
IJssel-Vecht |
Zwolle |
Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle |
€ 4.040.647 |
€ 4.894.598 |
€ 3.519.945 |
|
19. |
Kennemerland |
Haarlem |
Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen, Zandvoort |
€ 3.833.214 |
€ 4.643.326 |
€ 3.339.243 |
|
20. |
Lekstroom |
IJsselstein |
Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein, Vijfheerenlanden |
€ 2.275.016 |
€ 2.755.818 |
€ 1.981.843 |
|
21. |
Midden Holland |
Gouda |
Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen, Zuidplas |
€ 2.557.299 |
€ 3.097.759 |
€ 2.227.750 |
|
22. |
Midden-IJssel |
Deventer |
Deventer, Olst-Wijhe, Raalte, Voorst |
€ 1.923.885 |
€ 2.330.480 |
€ 1.675.962 |
|
23. |
MVS-gemeenten |
Vlaardingen |
Maassluis, Schiedam, Vlaardingen |
€ 2.423.927 |
€ 2.936.200 |
€ 2.111.565 |
|
24. |
Noord en Midden Limburg |
Venlo |
Beesel, Bergen (L.), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray, Weert |
€ 6.442.346 |
€ 7.803.873 |
€ 5.612.147 |
|
25. |
Noord Veluwe |
Elburg |
Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde |
€ 2.179.949 |
€ 2.640.660 |
€ 1.899.028 |
|
26. |
Noord-Holland Noord |
Hoorn |
Alkmaar, Bergen (NH.), Castricum, Den Helder, Dijk en Waard, Drechterland, Enkhuizen, Heiloo, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec, Texel, Uitgeest |
€ 7.354.964 |
€ 8.909.363 |
€ 6.407.159 |
|
25. |
Noordoost Brabant |
's-Hertogenbosch |
's-Hertogenbosch, Bernheze, Boekel, Boxtel, Land van Cuijk, Maasdriel, Maashorst, Meierijstad, Oss, Sint-Michielsgestel, Vught, Zaltbommel |
€ 7.433.842 |
€ 9.004.912 |
€ 6.475.873 |
|
27. |
Rijk van Nijmegen |
Nijmegen |
Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen, Wijchen |
€ 3.390.400 |
€ 4.106.928 |
€ 2.953.493 |
|
28. |
Rivierenland |
Buren |
Buren, Culemborg, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal |
€ 2.224.877 |
€ 2.695.083 |
€ 1.938.166 |
|
29. |
Rotterdam Rijnmond |
Rotterdam |
Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Rotterdam |
€ 9.312.823 |
€ 11.280.997 |
€ 8.112.717 |
|
30. |
Twente |
Openbaar Lichaam SamenTwente |
Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden |
€ 7.069.447 |
€ 8.563.506 |
€ 6.158.436 |
|
31. |
Utrecht-Eemland |
Amersfoort |
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Leusden, Nijkerk, Soest, Woudenberg |
€ 3.177.184 |
€ 3.848.651 |
€ 2.767.753 |
|
32. |
Utrecht/Utrecht |
Utrecht |
Utrecht |
€ 2.993.888 |
€ 3.626.617 |
€ 2.608.078 |
|
33. |
Utrecht/West |
De Ronde Venen |
De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Stichtse Vecht, Woerden |
€ 1.762.797 |
€ 2.135.347 |
€ 1.535.632 |
|
34. |
Utrecht Zuidoost |
Zeist |
Bunnik, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede, Zeist |
€ 1.698.449 |
€ 2.057.400 |
€ 1.479.577 |
|
35. |
Waardenland |
Dordrecht |
Alblasserdam, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Molenlanden, Papendrecht, Sliedrecht, Zwijndrecht |
€ 4.290.926 |
€ 5.197.771 |
€ 3.737.971 |
|
36. |
West-Brabant |
Breda |
Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht, Zundert |
€ 8.152.234 |
€ 9.875.129 |
€ 7.101.688 |
|
38. |
Zaanstreek Waterland |
Purmerend |
Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland, Zaanstad |
€ 3.817.699 |
€ 4.624.532 |
€ 3.325.727 |
|
39. |
Zeeland |
Goes |
Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere, Vlissingen |
€ 4.497.681 |
€ 5.448.222 |
€ 3.918.083 |
|
40. |
ZHE-BAR (Zuid Hollandse Eilanden en BAR gemeenten) |
Nissewaard |
Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Hoeksche Waard, Nissewaard, Ridderkerk, Westvoorne |
€ 4.617.551 |
€ 5.593.425 |
€ 4.022.505 |
|
41. |
Zuid-Limburg |
Sittard-Geleen |
Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal |
€ 7.801.825 |
€ 9.450.665 |
€ 6.796.435 |
|
42. |
Zuid Oost Brabant |
Eindhoven |
Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Heeze-Leende, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre |
€ 5.968.460 |
€ 7.229.835 |
€ 5.199.328 |
|
GGD |
Bedrag 2027 |
|---|---|
|
GGD Amsterdam |
€ 175.547 |
|
GGD Brabant-Zuidoost |
€ 155.110 |
|
GGD Drenthe |
€ 89.561 |
|
GGD Flevoland |
€ 50.910 |
|
GGD Fryslân |
€ 191.714 |
|
GGD Gelderland-Midden |
€ 124.897 |
|
GGD Gelderland-Zuid |
€ 92.371 |
|
GGD Gooi en Vechtstreek |
€ 46.260 |
|
GGD Groningen |
€ 72.446 |
|
GGD Haaglanden |
€ 98.879 |
|
GGD Hart voor Brabant |
€ 161.422 |
|
GGD Hollands-Midden |
€ 151.137 |
|
GGD Hollands-Noorden |
€ 158.257 |
|
GGD IJsselland |
€ 86.780 |
|
GGD Kennemerland |
€ 55.372 |
|
GGD Limburg-Noord |
€ 252.476 |
|
GGD Noord- en Oost-Gelderland |
€ 151.701 |
|
GGD Regio Utrecht |
€ 213.573 |
|
GGD Rotterdam-Rijnmond |
€ 107.659 |
|
GGD Twente |
€ 98.366 |
|
GGD West-Brabant |
€ 101.698 |
|
GGD Zaanstreek/Waterland |
€ 47.154 |
|
GGD Zeeland |
€ 98.878 |
|
DGJ Zuid-Holland Zuid |
€ 80.342 |
|
GGD Zuid-Limburg |
€ 102.689 |
|
Gemeente |
Bedrag 2027 |
Bedrag 2028 |
Bedrag 2029 |
|---|---|---|---|
|
Aa en Hunze |
€ 293.386 |
€ 353.220 |
€ 408.058 |
|
Aalsmeer |
€ 398.742 |
€ 480.062 |
€ 554.593 |
|
Aalten |
€ 372.966 |
€ 449.030 |
€ 518.743 |
|
Achtkarspelen |
€ 431.943 |
€ 520.035 |
€ 600.772 |
|
Alblasserdam |
€ 282.185 |
€ 339.734 |
€ 392.479 |
|
Albrandswaard |
€ 264.897 |
€ 318.920 |
€ 368.434 |
|
Alkmaar |
€ 1.394.657 |
€ 1.679.087 |
€ 1.939.770 |
|
Almelo |
€ 1.126.722 |
€ 1.356.509 |
€ 1.567.111 |
|
Almere |
€ 2.561.448 |
€ 3.083.835 |
€ 3.562.610 |
|
Alphen aan den Rijn |
€ 1.359.434 |
€ 1.636.680 |
€ 1.890.780 |
|
Alphen-Chaam |
€ 119.234 |
€ 143.551 |
€ 165.838 |
|
Altena |
€ 829.165 |
€ 998.267 |
€ 1.153.251 |
|
Ameland |
€ 153.347 |
€ 164.227 |
€ 174.198 |
|
Amersfoort |
€ 1.649.986 |
€ 1.986.487 |
€ 2.294.896 |
|
Amstelveen |
€ 932.357 |
€ 1.122.503 |
€ 1.296.776 |
|
Amsterdam |
€ 10.934.998 |
€ 13.165.105 |
€ 15.209.029 |
|
Apeldoorn |
€ 2.135.747 |
€ 2.571.316 |
€ 2.970.521 |
|
Arnhem |
€ 2.215.644 |
€ 2.667.507 |
€ 3.081.646 |
|
Assen |
€ 842.904 |
€ 1.014.808 |
€ 1.172.360 |
|
Asten |
€ 243.908 |
€ 293.651 |
€ 339.241 |
|
Baarle-Nassau |
€ 97.007 |
€ 116.790 |
€ 134.922 |
|
Baarn |
€ 285.713 |
€ 343.982 |
€ 397.386 |
|
Barendrecht |
€ 518.370 |
€ 624.088 |
€ 720.979 |
|
Barneveld |
€ 739.698 |
€ 890.554 |
€ 1.028.815 |
|
Beek |
€ 223.060 |
€ 268.552 |
€ 310.245 |
|
Beekdaelen |
€ 490.515 |
€ 590.551 |
€ 682.236 |
|
Beesel |
€ 209.877 |
€ 252.679 |
€ 291.909 |
|
Berg en Dal |
€ 485.089 |
€ 584.019 |
€ 674.690 |
|
Bergeijk |
€ 223.154 |
€ 268.665 |
€ 310.376 |
|
Bergen (L.) |
€ 189.756 |
€ 228.455 |
€ 263.923 |
|
Bergen (NH.) |
€ 328.417 |
€ 395.395 |
€ 456.781 |
|
Bergen op Zoom |
€ 975.276 |
€ 1.174.176 |
€ 1.356.471 |
|
Berkelland |
€ 578.081 |
€ 695.977 |
€ 804.029 |
|
Bernheze |
€ 400.419 |
€ 482.082 |
€ 556.926 |
|
Best |
€ 347.009 |
€ 417.779 |
€ 482.641 |
|
Beuningen |
€ 313.866 |
€ 377.877 |
€ 436.543 |
|
Beverwijk |
€ 596.113 |
€ 717.686 |
€ 829.109 |
|
Bladel |
€ 254.234 |
€ 306.083 |
€ 353.603 |
|
Blaricum |
€ 111.255 |
€ 133.945 |
€ 154.740 |
|
Bloemendaal |
€ 175.853 |
€ 211.716 |
€ 244.586 |
|
Bodegraven-Reeuwijk |
€ 407.801 |
€ 490.968 |
€ 567.193 |
|
Boekel |
€ 145.293 |
€ 174.924 |
€ 202.082 |
|
Borger-Odoorn |
€ 345.962 |
€ 416.518 |
€ 481.184 |
|
Borne |
€ 266.946 |
€ 321.388 |
€ 371.285 |
|
Borsele |
€ 293.940 |
€ 353.887 |
€ 408.829 |
|
Boxtel |
€ 472.305 |
€ 568.628 |
€ 656.909 |
|
Breda |
€ 2.170.705 |
€ 2.613.404 |
€ 3.019.143 |
|
Bronckhorst |
€ 452.937 |
€ 545.310 |
€ 629.971 |
|
Brummen |
€ 284.902 |
€ 343.005 |
€ 396.258 |
|
Brunssum |
€ 483.554 |
€ 582.171 |
€ 672.555 |
|
Bunnik |
€ 125.939 |
€ 151.624 |
€ 175.164 |
|
Bunschoten |
€ 301.140 |
€ 362.555 |
€ 418.843 |
|
Buren |
€ 365.251 |
€ 439.741 |
€ 508.012 |
|
Capelle aan den IJssel |
€ 883.814 |
€ 1.064.061 |
€ 1.229.259 |
|
Castricum |
€ 347.739 |
€ 418.658 |
€ 483.656 |
|
Coevorden |
€ 488.548 |
€ 588.184 |
€ 679.501 |
|
Cranendonck |
€ 300.139 |
€ 361.350 |
€ 417.451 |
|
Culemborg |
€ 347.224 |
€ 418.038 |
€ 482.940 |
|
Dalfsen |
€ 345.126 |
€ 415.512 |
€ 480.021 |
|
Dantumadiel |
€ 296.369 |
€ 356.811 |
€ 412.206 |
|
De Bilt |
€ 422.832 |
€ 509.065 |
€ 588.099 |
|
De Fryske Marren |
€ 673.490 |
€ 810.844 |
€ 936.730 |
|
De Ronde Venen |
€ 491.485 |
€ 591.719 |
€ 683.586 |
|
De Wolden |
€ 289.836 |
€ 348.945 |
€ 403.120 |
|
Delft |
€ 1.193.748 |
€ 1.437.203 |
€ 1.660.333 |
|
Den Helder |
€ 868.285 |
€ 1.045.365 |
€ 1.207.662 |
|
Deurne |
€ 473.784 |
€ 570.408 |
€ 658.966 |
|
Deventer |
€ 1.288.935 |
€ 1.551.803 |
€ 1.792.725 |
|
Diemen |
€ 313.472 |
€ 377.402 |
€ 435.995 |
|
Dijk en Waard |
€ 1.051.674 |
€ 1.266.154 |
€ 1.462.729 |
|
Dinkelland |
€ 286.830 |
€ 345.326 |
€ 398.939 |
|
Doesburg |
€ 178.894 |
€ 215.378 |
€ 248.816 |
|
Doetinchem |
€ 754.648 |
€ 908.553 |
€ 1.049.608 |
|
Dongen |
€ 347.387 |
€ 418.234 |
€ 483.166 |
|
Dordrecht |
€ 1.678.424 |
€ 2.020.725 |
€ 2.334.449 |
|
Drechterland |
€ 277.629 |
€ 334.249 |
€ 386.142 |
|
Drimmelen |
€ 381.127 |
€ 458.855 |
€ 530.094 |
|
Dronten |
€ 518.769 |
€ 624.568 |
€ 721.534 |
|
Druten |
€ 255.648 |
€ 307.785 |
€ 355.569 |
|
Duiven |
€ 306.775 |
€ 369.339 |
€ 426.680 |
|
Echt-Susteren |
€ 488.170 |
€ 587.729 |
€ 678.975 |
|
Edam-Volendam |
€ 486.554 |
€ 585.782 |
€ 676.727 |
|
Ede |
€ 1.415.377 |
€ 1.704.032 |
€ 1.968.589 |
|
Eemnes |
€ 87.016 |
€ 104.763 |
€ 121.027 |
|
Eemsdelta |
€ 700.702 |
€ 843.605 |
€ 974.577 |
|
Eersel |
€ 227.543 |
€ 273.948 |
€ 316.479 |
|
Eijsden-Margraten |
€ 296.934 |
€ 357.491 |
€ 412.993 |
|
Eindhoven |
€ 3.103.887 |
€ 3.736.900 |
€ 4.317.066 |
|
Elburg |
€ 325.333 |
€ 391.682 |
€ 452.492 |
|
Emmen |
€ 1.725.402 |
€ 2.077.285 |
€ 2.399.790 |
|
Enkhuizen |
€ 264.402 |
€ 318.324 |
€ 367.745 |
|
Enschede |
€ 2.247.374 |
€ 2.705.708 |
€ 3.125.777 |
|
Epe |
€ 465.496 |
€ 560.431 |
€ 647.439 |
|
Ermelo |
€ 328.808 |
€ 395.866 |
€ 457.325 |
|
Etten-Leur |
€ 580.306 |
€ 698.655 |
€ 807.123 |
|
Geertruidenberg |
€ 315.107 |
€ 379.371 |
€ 438.269 |
|
Geldrop-Mierlo |
€ 517.071 |
€ 622.524 |
€ 719.172 |
|
Gemert-Bakel |
€ 429.432 |
€ 517.011 |
€ 597.279 |
|
Gennep |
€ 228.181 |
€ 274.717 |
€ 317.368 |
|
Gilze en Rijen |
€ 351.692 |
€ 423.416 |
€ 489.153 |
|
Goeree-Overflakkee |
€ 721.401 |
€ 868.525 |
€ 1.003.367 |
|
Goes |
€ 549.238 |
€ 661.251 |
€ 763.912 |
|
Goirle |
€ 276.576 |
€ 332.981 |
€ 384.678 |
|
Gooise Meren |
€ 547.389 |
€ 659.025 |
€ 761.341 |
|
Gorinchem |
€ 543.082 |
€ 653.839 |
€ 755.349 |
|
Gouda |
€ 962.135 |
€ 1.158.355 |
€ 1.338.194 |
|
Groningen |
€ 2.569.158 |
€ 3.093.118 |
€ 3.573.334 |
|
Gulpen-Wittem |
€ 192.751 |
€ 232.061 |
€ 268.089 |
|
Haaksbergen |
€ 300.019 |
€ 361.205 |
€ 417.284 |
|
Haarlem |
€ 1.884.857 |
€ 2.269.258 |
€ 2.621.568 |
|
Haarlemmermeer |
€ 1.772.739 |
€ 2.134.275 |
€ 2.465.628 |
|
Halderberge |
€ 439.486 |
€ 529.116 |
€ 611.263 |
|
Hardenberg |
€ 836.461 |
€ 1.007.051 |
€ 1.163.399 |
|
Harderwijk |
€ 614.452 |
€ 739.764 |
€ 854.615 |
|
Hardinxveld-Giessendam |
€ 258.263 |
€ 310.933 |
€ 359.207 |
|
Harlingen |
€ 251.516 |
€ 302.811 |
€ 349.823 |
|
Hattem |
€ 141.656 |
€ 170.545 |
€ 197.023 |
|
Heemskerk |
€ 516.273 |
€ 621.563 |
€ 718.063 |
|
Heemstede |
€ 224.272 |
€ 270.011 |
€ 311.931 |
|
Heerde |
€ 261.377 |
€ 314.683 |
€ 363.538 |
|
Heerenveen |
€ 663.884 |
€ 799.278 |
€ 923.369 |
|
Heerlen |
€ 1.578.176 |
€ 1.900.032 |
€ 2.195.018 |
|
Heeze-Leende |
€ 173.733 |
€ 209.165 |
€ 241.638 |
|
Heiloo |
€ 228.142 |
€ 274.670 |
€ 317.313 |
|
Hellendoorn |
€ 464.037 |
€ 558.673 |
€ 645.409 |
|
Helmond |
€ 1.422.148 |
€ 1.712.183 |
€ 1.978.005 |
|
Hendrik-Ido-Ambacht |
€ 342.331 |
€ 412.146 |
€ 476.133 |
|
Hengelo |
€ 1.040.899 |
€ 1.253.182 |
€ 1.447.743 |
|
Het Hogeland |
€ 686.634 |
€ 826.668 |
€ 955.011 |
|
Heumen |
€ 178.831 |
€ 215.302 |
€ 248.728 |
|
Heusden |
€ 605.623 |
€ 729.136 |
€ 842.336 |
|
Hillegom |
€ 295.339 |
€ 355.571 |
€ 410.775 |
|
Hilvarenbeek |
€ 172.775 |
€ 208.011 |
€ 240.305 |
|
Hilversum |
€ 1.102.847 |
€ 1.327.765 |
€ 1.533.904 |
|
Hoeksche Waard |
€ 1.102.655 |
€ 1.327.533 |
€ 1.533.637 |
|
Hof van Twente |
€ 443.419 |
€ 533.851 |
€ 616.733 |
|
Hollands Kroon |
€ 669.880 |
€ 806.497 |
€ 931.708 |
|
Hoogeveen |
€ 885.311 |
€ 1.065.863 |
€ 1.231.341 |
|
Hoorn |
€ 975.575 |
€ 1.174.536 |
€ 1.356.886 |
|
Horst aan de Maas |
€ 569.087 |
€ 685.148 |
€ 791.519 |
|
Houten |
€ 468.592 |
€ 564.158 |
€ 651.746 |
|
Huizen |
€ 497.009 |
€ 598.370 |
€ 691.269 |
|
Hulst |
€ 389.702 |
€ 469.179 |
€ 542.020 |
|
IJsselstein |
€ 378.526 |
€ 455.723 |
€ 526.476 |
|
Kaag en Braassem |
€ 358.185 |
€ 431.234 |
€ 498.185 |
|
Kampen |
€ 727.317 |
€ 875.648 |
€ 1.011.595 |
|
Kapelle |
€ 142.235 |
€ 171.243 |
€ 197.829 |
|
Katwijk |
€ 878.198 |
€ 1.057.300 |
€ 1.221.449 |
|
Kerkrade |
€ 866.666 |
€ 1.043.415 |
€ 1.205.409 |
|
Koggenland |
€ 275.569 |
€ 331.769 |
€ 383.277 |
|
Krimpen aan den IJssel |
€ 392.414 |
€ 472.444 |
€ 545.792 |
|
Krimpenerwaard |
€ 737.579 |
€ 888.003 |
€ 1.025.868 |
|
Laarbeek |
€ 317.759 |
€ 382.563 |
€ 441.957 |
|
Land van Cuijk |
€ 1.196.888 |
€ 1.440.984 |
€ 1.664.702 |
|
Landgraaf |
€ 609.859 |
€ 734.235 |
€ 848.227 |
|
Landsmeer |
€ 125.350 |
€ 150.914 |
€ 174.344 |
|
Lansingerland |
€ 613.146 |
€ 738.193 |
€ 852.799 |
|
Laren |
€ 102.652 |
€ 123.587 |
€ 142.774 |
|
Leeuwarden |
€ 1.614.578 |
€ 1.943.859 |
€ 2.245.649 |
|
Leiden |
€ 1.391.409 |
€ 1.675.176 |
€ 1.935.252 |
|
Leiderdorp |
€ 292.738 |
€ 352.440 |
€ 407.157 |
|
Leidschendam-Voorburg |
€ 871.061 |
€ 1.048.707 |
€ 1.211.522 |
|
Lelystad |
€ 1.109.505 |
€ 1.335.780 |
€ 1.543.164 |
|
Leudal |
€ 469.040 |
€ 564.697 |
€ 652.368 |
|
Leusden |
€ 294.810 |
€ 354.935 |
€ 410.039 |
|
Lingewaard |
€ 588.474 |
€ 708.489 |
€ 818.484 |
|
Lisse |
€ 307.966 |
€ 370.773 |
€ 428.337 |
|
Lochem |
€ 384.105 |
€ 462.441 |
€ 534.236 |
|
Loon op Zand |
€ 315.610 |
€ 379.977 |
€ 438.969 |
|
Lopik |
€ 194.051 |
€ 233.626 |
€ 269.897 |
|
Losser |
€ 309.889 |
€ 373.088 |
€ 431.012 |
|
Maasdriel |
€ 370.469 |
€ 446.024 |
€ 515.270 |
|
Maasgouw |
€ 343.608 |
€ 413.684 |
€ 477.910 |
|
Maashorst |
€ 799.598 |
€ 962.670 |
€ 1.112.127 |
|
Maassluis |
€ 493.272 |
€ 593.871 |
€ 686.072 |
|
Maastricht |
€ 1.735.030 |
€ 2.088.876 |
€ 2.413.180 |
|
Medemblik |
€ 637.188 |
€ 767.138 |
€ 886.238 |
|
Meerssen |
€ 240.740 |
€ 289.837 |
€ 334.835 |
|
Meierijstad |
€ 1.089.002 |
€ 1.311.095 |
€ 1.514.647 |
|
Meppel |
€ 457.734 |
€ 551.085 |
€ 636.643 |
|
Middelburg |
€ 629.855 |
€ 758.309 |
€ 876.039 |
|
Midden-Delfland |
€ 195.920 |
€ 235.876 |
€ 272.497 |
|
Midden-Drenthe |
€ 405.935 |
€ 488.722 |
€ 564.598 |
|
Midden-Groningen |
€ 923.897 |
€ 1.112.318 |
€ 1.285.009 |
|
Moerdijk |
€ 493.268 |
€ 593.866 |
€ 686.066 |
|
Molenlanden |
€ 524.425 |
€ 631.378 |
€ 729.401 |
|
Montferland |
€ 544.769 |
€ 655.870 |
€ 757.696 |
|
Montfoort |
€ 157.609 |
€ 189.753 |
€ 219.212 |
|
Mook en Middelaar |
€ 78.407 |
€ 94.397 |
€ 109.053 |
|
Neder-Betuwe |
€ 359.371 |
€ 432.662 |
€ 499.834 |
|
Nederweert |
€ 266.954 |
€ 321.397 |
€ 371.295 |
|
Nieuwegein |
€ 836.841 |
€ 1.007.508 |
€ 1.163.926 |
|
Nieuwkoop |
€ 358.555 |
€ 431.679 |
€ 498.698 |
|
Nijkerk |
€ 549.577 |
€ 661.658 |
€ 764.383 |
|
Nijmegen |
€ 2.193.749 |
€ 2.641.146 |
€ 3.051.193 |
|
Nissewaard |
€ 1.226.789 |
€ 1.476.983 |
€ 1.706.290 |
|
Noardeast-Fryslân |
€ 689.330 |
€ 829.914 |
€ 958.761 |
|
Noord-Beveland |
€ 97.821 |
€ 117.771 |
€ 136.055 |
|
Noordenveld |
€ 367.281 |
€ 442.185 |
€ 510.835 |
|
Noordoostpolder |
€ 629.685 |
€ 758.105 |
€ 875.803 |
|
Noordwijk |
€ 531.943 |
€ 640.428 |
€ 739.857 |
|
Nuenen, Gerwen en Nederwetten |
€ 232.466 |
€ 279.875 |
€ 323.327 |
|
Nunspeet |
€ 379.897 |
€ 457.373 |
€ 528.382 |
|
Oegstgeest |
€ 192.832 |
€ 232.158 |
€ 268.202 |
|
Oirschot |
€ 229.196 |
€ 275.939 |
€ 318.780 |
|
Oisterwijk |
€ 396.431 |
€ 477.280 |
€ 551.379 |
|
Oldambt |
€ 654.676 |
€ 788.192 |
€ 910.561 |
|
Oldebroek |
€ 360.241 |
€ 433.709 |
€ 501.044 |
|
Oldenzaal |
€ 417.826 |
€ 503.038 |
€ 581.136 |
|
Olst-Wijhe |
€ 219.786 |
€ 264.610 |
€ 305.691 |
|
Ommen |
€ 239.910 |
€ 288.838 |
€ 333.681 |
|
Oost Gelre |
€ 363.104 |
€ 437.157 |
€ 505.027 |
|
Oosterhout |
€ 770.778 |
€ 927.972 |
€ 1.072.043 |
|
Ooststellingwerf |
€ 372.900 |
€ 448.950 |
€ 518.651 |
|
Oostzaan |
€ 110.222 |
€ 132.700 |
€ 153.302 |
|
Opmeer |
€ 160.192 |
€ 192.862 |
€ 222.805 |
|
Opsterland |
€ 395.289 |
€ 475.905 |
€ 549.791 |
|
Oss |
€ 1.314.491 |
€ 1.582.571 |
€ 1.828.270 |
|
Oude IJsselstreek |
€ 590.454 |
€ 710.873 |
€ 821.238 |
|
Ouder-Amstel |
€ 135.478 |
€ 163.107 |
€ 188.430 |
|
Oudewater |
€ 128.209 |
€ 154.356 |
€ 178.320 |
|
Overbetuwe |
€ 559.109 |
€ 673.135 |
€ 777.642 |
|
Papendrecht |
€ 402.409 |
€ 484.477 |
€ 559.693 |
|
Peel en Maas |
€ 636.242 |
€ 765.999 |
€ 884.922 |
|
Pekela |
€ 216.049 |
€ 260.110 |
€ 300.493 |
|
Pijnacker-Nootdorp |
€ 553.288 |
€ 666.126 |
€ 769.544 |
|
Purmerend |
€ 1.249.069 |
€ 1.503.807 |
€ 1.737.278 |
|
Putten |
€ 334.849 |
€ 403.139 |
€ 465.727 |
|
Raalte |
€ 474.518 |
€ 571.293 |
€ 659.988 |
|
Reimerswaal |
€ 323.156 |
€ 389.062 |
€ 449.465 |
|
Renkum |
€ 345.785 |
€ 416.305 |
€ 480.937 |
|
Renswoude |
€ 63.900 |
€ 76.932 |
€ 88.876 |
|
Reusel-De Mierden |
€ 170.759 |
€ 205.584 |
€ 237.501 |
|
Rheden |
€ 595.259 |
€ 716.657 |
€ 827.921 |
|
Rhenen |
€ 260.235 |
€ 313.308 |
€ 361.951 |
|
Ridderkerk |
€ 726.025 |
€ 874.092 |
€ 1.009.798 |
|
Rijssen-Holten |
€ 470.408 |
€ 566.344 |
€ 654.271 |
|
Rijswijk |
€ 722.375 |
€ 869.698 |
€ 1.004.721 |
|
Roerdalen |
€ 293.946 |
€ 353.894 |
€ 408.837 |
|
Roermond |
€ 899.091 |
€ 1.082.454 |
€ 1.250.508 |
|
Roosendaal |
€ 1.115.736 |
€ 1.343.282 |
€ 1.551.831 |
|
Rotterdam |
€ 9.773.059 |
€ 11.766.197 |
€ 13.592.936 |
|
Rozendaal |
€ 112.658 |
€ 115.240 |
€ 117.606 |
|
Rucphen |
€ 390.533 |
€ 470.179 |
€ 543.176 |
|
Schagen |
€ 592.228 |
€ 713.009 |
€ 823.706 |
|
Scherpenzeel |
€ 132.502 |
€ 159.525 |
€ 184.291 |
|
Schiedam |
€ 1.220.398 |
€ 1.469.289 |
€ 1.697.401 |
|
Schiermonnikoog |
€ 109.195 |
€ 111.071 |
€ 112.790 |
|
Schouwen-Duiveland |
€ 455.509 |
€ 548.407 |
€ 633.549 |
|
's-Gravenhage |
€ 7.590.761 |
€ 9.138.837 |
€ 10.557.671 |
|
's-Hertogenbosch |
€ 1.965.803 |
€ 2.366.713 |
€ 2.734.153 |
|
Simpelveld |
€ 156.096 |
€ 187.930 |
€ 217.107 |
|
Sint-Michielsgestel |
€ 336.641 |
€ 405.297 |
€ 468.220 |
|
Sittard-Geleen |
€ 1.440.416 |
€ 1.734.177 |
€ 2.003.414 |
|
Sliedrecht |
€ 384.322 |
€ 462.701 |
€ 534.537 |
|
Sluis |
€ 307.849 |
€ 370.632 |
€ 428.174 |
|
Smallingerland |
€ 794.543 |
€ 956.583 |
€ 1.105.096 |
|
Soest |
€ 534.833 |
€ 643.908 |
€ 743.877 |
|
Someren |
€ 284.994 |
€ 343.116 |
€ 396.386 |
|
Son en Breugel |
€ 167.025 |
€ 201.089 |
€ 232.308 |
|
Stadskanaal |
€ 546.336 |
€ 657.757 |
€ 759.875 |
|
Staphorst |
€ 217.929 |
€ 262.374 |
€ 303.109 |
|
Stede Broec |
€ 345.369 |
€ 415.804 |
€ 480.359 |
|
Steenbergen |
€ 358.829 |
€ 432.009 |
€ 499.080 |
|
Steenwijkerland |
€ 603.764 |
€ 726.897 |
€ 839.750 |
|
Stein |
€ 383.153 |
€ 461.294 |
€ 532.911 |
|
Stichtse Vecht |
€ 724.975 |
€ 872.828 |
€ 1.008.338 |
|
Súdwest-Fryslân |
€ 1.219.337 |
€ 1.468.011 |
€ 1.695.924 |
|
Terneuzen |
€ 870.366 |
€ 1.047.870 |
€ 1.210.555 |
|
Terschelling |
€ 162.250 |
€ 174.946 |
€ 186.581 |
|
Texel |
€ 184.801 |
€ 222.489 |
€ 257.032 |
|
Teylingen |
€ 386.955 |
€ 465.872 |
€ 538.200 |
|
Tholen |
€ 390.730 |
€ 470.416 |
€ 543.450 |
|
Tiel |
€ 624.263 |
€ 751.577 |
€ 868.262 |
|
Tilburg |
€ 3.121.468 |
€ 3.758.067 |
€ 4.341.519 |
|
Tubbergen |
€ 249.754 |
€ 300.689 |
€ 347.372 |
|
Twenterand |
€ 489.626 |
€ 589.482 |
€ 681.001 |
|
Tynaarlo |
€ 321.917 |
€ 387.570 |
€ 447.741 |
|
Tytsjerksteradiel |
€ 417.545 |
€ 502.701 |
€ 580.746 |
|
Uitgeest |
€ 124.620 |
€ 150.035 |
€ 173.329 |
|
Uithoorn |
€ 356.708 |
€ 429.455 |
€ 496.130 |
|
Urk |
€ 267.688 |
€ 322.280 |
€ 372.315 |
|
Utrecht |
€ 3.552.127 |
€ 4.276.555 |
€ 4.940.504 |
|
Utrechtse Heuvelrug |
€ 514.291 |
€ 619.176 |
€ 715.305 |
|
Vaals |
€ 165.577 |
€ 199.345 |
€ 230.294 |
|
Valkenburg aan de Geul |
€ 234.728 |
€ 282.599 |
€ 326.474 |
|
Valkenswaard |
€ 449.959 |
€ 541.725 |
€ 625.829 |
|
Veendam |
€ 432.801 |
€ 521.068 |
€ 601.965 |
|
Veenendaal |
€ 866.891 |
€ 1.043.687 |
€ 1.205.723 |
|
Veere |
€ 239.667 |
€ 288.545 |
€ 333.343 |
|
Veldhoven |
€ 531.975 |
€ 640.467 |
€ 739.902 |
|
Velsen |
€ 897.574 |
€ 1.080.627 |
€ 1.248.398 |
|
Venlo |
€ 1.673.238 |
€ 2.014.482 |
€ 2.327.237 |
|
Venray |
€ 625.417 |
€ 752.966 |
€ 869.866 |
|
Vijfheerenlanden |
€ 821.204 |
€ 988.682 |
€ 1.142.179 |
|
Vlaardingen |
€ 1.162.220 |
€ 1.399.246 |
€ 1.616.483 |
|
Vlieland |
€ 118.496 |
€ 122.268 |
€ 125.725 |
|
Vlissingen |
€ 646.247 |
€ 778.044 |
€ 898.838 |
|
Voerendaal |
€ 159.296 |
€ 191.783 |
€ 221.558 |
|
Voorne aan Zee |
€ 918.399 |
€ 1.105.699 |
€ 1.277.362 |
|
Voorschoten |
€ 234.313 |
€ 282.100 |
€ 325.897 |
|
Voorst |
€ 299.373 |
€ 360.427 |
€ 416.385 |
|
Vught |
€ 347.530 |
€ 418.405 |
€ 483.364 |
|
Waadhoeke |
€ 657.616 |
€ 791.731 |
€ 914.650 |
|
Waalre |
€ 153.185 |
€ 184.425 |
€ 213.058 |
|
Waalwijk |
€ 751.821 |
€ 905.149 |
€ 1.045.677 |
|
Waddinxveen |
€ 394.108 |
€ 474.484 |
€ 548.149 |
|
Wageningen |
€ 462.969 |
€ 557.388 |
€ 643.924 |
|
Wassenaar |
€ 243.432 |
€ 293.078 |
€ 338.580 |
|
Waterland |
€ 200.367 |
€ 241.230 |
€ 278.682 |
|
Weert |
€ 750.976 |
€ 904.131 |
€ 1.044.501 |
|
West Betuwe |
€ 675.870 |
€ 813.709 |
€ 940.039 |
|
West Maas en Waal |
€ 267.747 |
€ 322.352 |
€ 372.398 |
|
Westerkwartier |
€ 771.495 |
€ 928.835 |
€ 1.073.040 |
|
Westerveld |
€ 251.351 |
€ 302.612 |
€ 349.594 |
|
Westervoort |
€ 212.951 |
€ 256.381 |
€ 296.184 |
|
Westerwolde |
€ 413.861 |
€ 498.265 |
€ 575.622 |
|
Westland |
€ 1.536.264 |
€ 1.849.573 |
€ 2.136.725 |
|
Weststellingwerf |
€ 392.769 |
€ 472.871 |
€ 546.286 |
|
Wierden |
€ 273.864 |
€ 329.716 |
€ 380.906 |
|
Wijchen |
€ 516.983 |
€ 622.418 |
€ 719.050 |
|
Wijdemeren |
€ 262.556 |
€ 316.102 |
€ 365.178 |
|
Wijk bij Duurstede |
€ 262.108 |
€ 315.563 |
€ 364.555 |
|
Winterswijk |
€ 428.266 |
€ 515.608 |
€ 595.658 |
|
Woensdrecht |
€ 326.313 |
€ 392.863 |
€ 453.856 |
|
Woerden |
€ 589.208 |
€ 709.373 |
€ 819.505 |
|
Wormerland |
€ 197.398 |
€ 237.655 |
€ 274.552 |
|
Woudenberg |
€ 153.541 |
€ 184.855 |
€ 213.554 |
|
Zaanstad |
€ 2.160.586 |
€ 2.601.221 |
€ 3.005.069 |
|
Zaltbommel |
€ 381.514 |
€ 459.320 |
€ 530.631 |
|
Zandvoort |
€ 253.011 |
€ 304.610 |
€ 351.902 |
|
Zeewolde |
€ 242.843 |
€ 292.368 |
€ 337.760 |
|
Zeist |
€ 689.972 |
€ 830.686 |
€ 959.653 |
|
Zevenaar |
€ 671.415 |
€ 808.345 |
€ 933.844 |
|
Zoetermeer |
€ 1.512.330 |
€ 1.820.758 |
€ 2.103.437 |
|
Zoeterwoude |
€ 104.239 |
€ 125.498 |
€ 144.982 |
|
Zuidplas |
€ 532.508 |
€ 641.109 |
€ 740.643 |
|
Zundert |
€ 309.423 |
€ 372.528 |
€ 430.364 |
|
Zutphen |
€ 649.022 |
€ 781.385 |
€ 902.697 |
|
Zwartewaterland |
€ 325.914 |
€ 392.381 |
€ 453.300 |
|
Zwijndrecht |
€ 675.570 |
€ 813.347 |
€ 939.622 |
|
Zwolle |
€ 1.497.643 |
€ 1.803.075 |
€ 2.083.008 |
|
NPLV-gemeente |
NPLV-gebied |
Bedrag 2027 |
Bedrag 2028 |
Bedrag 2029 |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
1. |
Amsterdam |
Amsterdam Nieuw-West |
€ 2.129.654 |
€ 2.981.515 |
€ 3.549.423 |
|
Amsterdam Zuidoost |
€ 1.177.262 |
€ 1.648.167 |
€ 1.962.103 |
||
|
2. |
Arnhem |
Arnhem-Oost |
€ 608.472 |
€ 851.861 |
€ 1.014.121 |
|
1. |
Breda |
Breda-Noord |
€ 337.305 |
€ 472.228 |
€ 562.176 |
|
4. |
Delft |
Delft-West |
€ 462.968 |
€ 648.155 |
€ 771.614 |
|
5. |
Den Haag |
Den Haag Zuidwest |
€ 925.936 |
€ 1.296.311 |
€ 1.543.227 |
|
6. |
Dordrecht |
Dordrecht West |
€ 396.830 |
€ 555.562 |
€ 661.383 |
|
7. |
Eindhoven |
Eindhoven Woensel Zuid |
€ 529.106 |
€ 740.749 |
€ 881.844 |
|
8. |
Groningen |
Groningen-Noord |
€ 873.026 |
€ 1.222.236 |
€ 1.455.043 |
|
9. |
Heerlen |
Heerlen-Noord |
€ 730.828 |
€ 1.023.160 |
€ 1.218.047 |
|
10. |
Leeuwarden |
Leeuwarden Oost |
€ 486.778 |
€ 681.489 |
€ 811.297 |
|
11. |
Lelystad |
Lelystad Oost |
€ 449.741 |
€ 629.637 |
€ 749.568 |
|
12. |
Nieuwegein |
Nieuwegein Centrale As |
€ 304.236 |
€ 425.931 |
€ 507.060 |
|
13. |
Roosendaal |
Roosendaal Ring |
€ 502.651 |
€ 703.712 |
€ 837.752 |
|
14. |
Rotterdam |
Rotterdam-Zuid |
€ 2.645.532 |
€ 3.703.745 |
€ 4.409.221 |
|
15. |
Schiedam |
Schiedam Nieuwland en Oost |
€ 343.919 |
€ 481.487 |
€ 573.199 |
|
16. |
Tilburg |
Tilburg NoordWest |
€ 678.354 |
€ 949.696 |
€ 1.130.590 |
|
17. |
Utrecht |
Utrecht Overvecht |
€ 462.968 |
€ 648.155 |
€ 771.614 |
|
18. |
Vlaardingen |
Vlaardingen Westwijk |
€ 171.960 |
€ 240.743 |
€ 286.599 |
|
19. |
Zaandam |
Zaandam-Oost |
€ 608.472 |
€ 851.861 |
€ 1.014.121 |
In 2025 is het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) ondertekend door een aantal bij de zorg en welzijn betrokken partijen (zoals patiënten- en artsenfederaties), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Met beide akkoorden wordt ingezet op het gelijkwaardiger toegankelijk maken van de zorg in Nederland en het terugdringen van het stijgende arbeidsmarkttekort in de zorg.
Een belangrijk onderdeel van de akkoorden is de zogenoemde ‘beweging van zorg naar gezondheid en welzijn’, ook wel de ‘beweging naar de voorkant’ genoemd. Hiermee wordt het verminderen van zwaardere vormen van zorg bedoeld, door in te zetten op preventie, ondersteuning vanuit het sociaal domein en lichtere vormen van zorg, waarbij mensen op de juiste plek worden geholpen. En meer focus op gezondheid, zelf- en samenredzaamheid en een toekomstbestendige eerstelijnszorg.
Om deze beweging te faciliteren wordt er vanuit het AZWA geïnvesteerd in de samenwerking op het snijvlak van het medisch- en het sociaal domein en in het versterken van de gezonde en sociale basisinfrastructuur (waaronder ook sport en bewegen) in wijken en buurten. Vanuit het HLO zijn afspraken gemaakt over het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
In het AZWA zijn afspraken gemaakt over basisfunctionaliteiten en een ontwikkelagenda. Een basisfunctionaliteit is kort samengevat een landelijk afgesproken, minimaal noodzakelijke aanpak op het snijvlak van zorg en sociaal domein, om de toestroom naar zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw-zorg) te verminderen. De basisfunctionaliteiten zijn ingedeeld naar leefgebieden: kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden. Een basisfunctionaliteit behelst een ketenaanpak of netwerkaanpak bestaande uit meerdere onderdelen. In elk geval gaat het om inzet gericht op het opsporen en signaleren van problemen (breder dan sec zorg) en te handelen door ondersteuning - en waar nodig zorg - te bieden, teneinde zwaardere zorg en ondersteuning te voorkomen.1 De opgave voor de basisfunctionaliteiten is om in 2030 landelijke dekking gerealiseerd te hebben.
Op de ontwikkelagenda staan onderwerpen die worden doorontwikkeld en uitgewerkt tot basisfunctionaliteit. De afspraken in het AZWA hierover zijn te vinden in onderdeel D5. Zie ook hieronder de toelichting in paragraaf 3.1.a. Regionale activiteiten D5, onder het kopje ‘Ontwikkelagenda’.
Ook zijn afspraken gemaakt over basisvoorzieningen in wijken en buurten die de basisfunctionaliteiten ondersteunen (gezonde en sociale basisinfrastructuur, te vinden in onderdeel D6).
In het HLO zijn afspraken gemaakt over gelijkgerichte mantelzorgondersteuning. Het doel is dat de ondersteuning voor mantelzorgers in heel Nederland voorspelbaar en vindbaar is. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over het versterken van het aanbod van respijt- en logeerzorg. Deze afspraken (te vinden in paragraaf 3.2 van het HLO) zijn opgesteld en uitgewerkt in samenhang met de AZWA-afspraken over de gezonde en sociale basisinfrastructuur.
In het AZWA en het HLO is afgesproken dat voor gemeenten financiële middelen beschikbaar zijn om de afspraken uit te voeren. In de periode van 2027 tot en met 2029 komen deze middelen beschikbaar in de vorm van een specifieke uitkering via deze regeling2. De middelen worden verleend aan gemeenten met een schot tussen de regionale en lokale activiteiten, maar zonder schotten tussen de verschillende onderwerpen. Daarnaast mogen gemeenten gedurende de looptijd van deze regeling 70% van de aan hen verstrekte middelen meenemen naar het opvolgende jaar, tot en met 2029. Dit betekent dat gemeenten de ruimte krijgen om naar eigen behoefte en ritme de middelen voor de bovenstaande AZWA en HLO doelen in te zetten. Voor de periode vanaf 2030 wordt met de gemeentefondsbeheerders onderzocht wat de structurele bekostigingswijze is. Ook zal met de VNG de gewenste verdeling tussen middelen voor regionale en lokale activiteiten worden besproken.
Het AZWA is aanvullend op de afspraken die in het Integraal Zorgakkoord (IZA, 2022) en Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA, 2023) zijn gemaakt. Voor de uitvoering van die afspraken hebben gemeenten tot en met 2026 middelen ontvangen via respectievelijk de Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023-2026 (verder: SPUK IZA) en de Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023-2026 (verder: Brede SPUK). Zowel de structurele middelen die waren opgenomen in de SPUK IZA als een deel van de middelen uit de Brede SPUK (valpreventie, Kansrijke Start, gezondheidsachterstanden en respijtzorg/gelijkgericht mantelzorgondersteuning) zijn in deze regeling opgenomen.
Sport, bewegen & cultuur
De middelen voor de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) die waren ondergebracht in de Brede SPUK zijn geen onderdeel van deze regeling. Voor deze middelen verkent het ministerie van VWS de mogelijkheid voor een separate uitkeringssystematiek voor sport, bewegen en cultuur vanaf 2027, waarin de middelen voor de BRC en de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024-2026 worden samengebracht. In de bestuurlijke afspraken over de BRC wordt de verbinding gelegd met de AZWA-afspraken.
Hoewel de financiering separaat verloopt, is de verbinding met de AZWA-afspraken van belang omdat sport, bewegen en cultuur namelijk meerdere samenhangende functies vervullen binnen de gezonde en sociale basis en in die zin raken aan deze regeling: door middel van sport en bewegen wordt ontmoeting en participatie gestimuleerd en gecreëerd. Bovendien draagt het bij aan fysieke, mentale en sociale gezondheid van inwoners. Professionals zoals beweegmakelaars/buurtsportcoaches/cultuurcoaches zijn onderdeel van lokale en regionale netwerken en kunnen inwoners koppelen aan passend ondersteunings- en preventieaanbod en inloopvoorzieningen. Beweeg- en sportaccommodaties en een beweegvriendelijke leefomgeving vormen daarbij een essentieel onderdeel van de fysieke basisinfrastructuur. De samenhang kan meegenomen worden bij het inrichten van de lokale aanpak, het opstellen van de regionale werkagenda (zie de toelichting hieronder in paragraaf 3) en in de regionale preventie-infrastructuur3.
Verdeling van de middelen
Voor de verdeling van de middelen over de ontvangende partijen is dezelfde verdeelsleutel gehanteerd als voor de SPUK IZA en de Brede SPUK: 50% van de verdeelsleutel is gebaseerd op het inwoneraantal en 50% is gebaseerd op sociaaleconomische factoren om zodoende beter aan te sluiten bij het doel om gezondheidsachterstanden te verkleinen. Net als bij de Brede SPUK is in de verdeling van lokale middelen rekening gehouden met de beperkte inwonersaantallen van enkele Waddeneilanden en de gemeente Rozendaal.
De activiteiten waarvoor de uitkering wordt verstrekt kunnen activiteiten zijn waarover een gemeente btw verschuldigd is. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor de btw die verschuldigd is over kosten van de activiteiten. De btw-component van 1,15% is al op het budget in mindering gebracht en afgedragen aan het BTW-Compensatiefonds. Het betreft een afdracht van € 920.000 voor regionale activiteiten, € 57.500 voor de regionale coördinatie op het gebied van de ketenaanpakken gezondheid en de kennis- en adviesfunctie van de GGD’en en een afdracht van € 4.105.500 voor lokale activiteiten.
Communicatie
Informatie over deze regeling zal via verscheidene kanalen worden verspreid. Technische informatie wordt kenbaar gemaakt via de website van DUS-I. Inhoudelijke informatie, ook rondom het AZWA, wordt gedeeld via de website van de VNG (en overige communicatie-activiteiten voor gemeenten) en via de website www.zorgakkoorden.nl.
Voor de gemaakte afspraken in het AZWA en het HLO is zowel de lokale als regionale schaal belangrijk voor het maken van nadere samenwerkingsafspraken en het organiseren van de uitvoering. Daarmee wordt voortgebouwd op wat de afgelopen jaren in gang is gezet met de Brede SPUK (middelen voor gemeenten en deels GGD’en) en de SPUK IZA (middelen voor mandaatgemeenten ten behoeve van de regio). De middelen worden daarom deels uitgekeerd aan gemeenten en deels aan mandaathouders van de IZA-samenwerkingsregio’s.
Binnen elke regio is in onderling overleg van de tot die regio behorende gemeenten, één gemeente aangewezen of een openbaar lichaam ingesteld op grond van hoofdstuk 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan wie de middelen worden toegekend en die deze - met mandaat van de andere gemeenten binnen de regio - beheert als mandaathouder. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de mandaathouder worden in onderling overleg van de gemeenten van de betreffende regio vastgelegd in de mandaatstructuur.
Regionale werkagenda
De mandaatgemeenten en preferente zorgverzekeraar stellen in 2026 als regisseurs een regionale werkagenda op waarin de AZWA-afspraken, onder D5, zijn uitgewerkt. De werkagenda moet de goedkeuring wegdragen van het college van B&W van de gemeenten in de betreffende samenwerkingsregio. Samengevat draait de werkagenda om het beperken de toestroom in de Zvw-zorg door het versterken van de samenwerking tussen het zorgdomein en sociaal domein. Optioneel is het uitwerken van de AZWA-afspraken, onder D6 (in het sociaal domein inrichten van een basisinfrastructuur ingericht ter ondersteuning van de basisfunctionaliteiten), en het HLO, paragraaf 3.2 (Versterken mantelzorgondersteuning).
Met de werkagenda werken regio’s toe naar een regionaal dekkend aanbod van basisfunctionaliteiten in 2030 en het (verder) implementeren van aanpakken op de ontwikkelagenda. Met de totstandkoming van de werkagenda worden regionale doelen, prioritering en fasering bepaald. In het AZWA is afgesproken dat met een gerichte inzet van een deel van de doorbraakmiddelen4 voor het sociaal domein (er is € 100 miljoen in 2027 en in 2028 beschikbaar) wordt beoogd een versnelling aan te brengen richting landelijke dekking van de basisfunctionaliteiten. Met het opstellen van de werkagenda worden deze middelen onderdeel van het totaal van AZWA-middelen voor het sociaal domein.
Het opstellen en aanleveren van de door colleges van B&W geaccordeerde werkagenda bij het ministerie van VWS is een voorwaarde voor het ontvangen van de middelen uit deze regeling. De goedkeuring van de colleges van B&W kan worden geformaliseerd door middel van ondertekening door de colleges van de werkagenda zelf. Alternatieve optie is dat de instemming kan blijken uit de mandatering van de bevoegdheid om de werkagenda op te stellen aan de mandaathouder in de regionale mandaatstructuur, waarin door de gemeenten in een samenwerkingsregio de verantwoordelijkheidsverdeling met de mandaathouder is vastgelegd.
NPLV
De middelen voor de Multiproblematiek aanpak worden voor de periode van 2027 tot en met 2029 rechtstreeks uitgekeerd aan de gemeenten die bij de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) horen. Het is een aanvullende uitkering, boven op de uitkering aan gemeenten voor lokale activiteiten.
GGD
De middelen voor de GGD’en ten aanzien van kennis en advies (ook onderdeel van de afspraken over de basisinfrastructuur), worden voor 2027 rechtstreeks uitgekeerd. Het gaat in totaal om € 3 miljoen. De invulling van de rol is aan gemeenten vanuit hun bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de publieke gezondheid. Over hoe de middelen voor de jaren 2028 en 2029 (het betreft € 3 miljoen respectievelijk € 4 miljoen) worden uitgekeerd maken het ministerie van VWS en VNG in het eerste kwartaal van 2027 vervolgafspraken.
Mandaathoudende gemeenten zijn verantwoordelijk voor de regionale coördinatie. De coördinatie van de ketenaanpakken in relatie tot preventie maakt hiervan onderdeel uit. VWS en VNG werken in het eerste kwartaal van 2027 uit wat hierbij de rol van de GGD’en inhoudt binnen de kaders van de financiering van de regionale coördinatie door de mandaathoudende gemeenten.
Ontwikkelagenda
In het AZWA zijn afspraken opgenomen over zes aanpakken die de potentie hebben om zich door te ontwikkelen tot een basisfunctionaliteit. Het gaat om de volgende aanpakken: mentale gezondheidsnetwerken, ketenaanpak dementie, nicotinevrij, ketenaanpak overgewicht kinderen, rookvrije start (in het kader van Kansrijke Start) en Multiproblematiek aanpak in NPLV-gebieden. In de ontwikkelagenda staan twee opgaven centraal: het verder ontwikkelen van aanpakken tot basisfunctionaliteiten en het onderbouwen van deze aanpakken qua het besparen van zorgkosten. Deze opgaven worden uitgewerkt door landelijke partijen en regio’s samen. Regio’s geven aan met welke van de nieuwe aanpakken zij aan de slag gaan.
Een aantal aanpakken op de ontwikkelagenda lopen al langer, regio’s zetten daar al op in. Het betreft de Mentale Gezondheidsnetwerken en Overgewicht en obesitas kinderen. Hiervoor geldt dat alle regio’s werken aan doorontwikkeling van de uitvoering in de regio in lijn met bestaande afspraken in het GALA, IZA en AZWA.
Voor de nieuwe Multiproblematiek aanpak worden de volgende resultaten verwacht:
Multiproblematiek aanpak (NPLV-gebieden)
Onder multiproblematiek wordt verstaan een cumulatie van problematiek op meerdere leefdomeinen, waaronder gezondheid, bestaanszekerheid, onderwijs en de fysieke leefomgeving. Dit vraagt om een integrale, domeinoverstijgende aanpak waarin in ieder geval wordt samengewerkt tussen het sociaal domein en het zorgdomein.
In de NPLV-gebieden is bovengemiddeld sprake van multiproblematiek, waarbij achterstanden en risico’s elkaar versterken. Binnen het NPLV is hiervoor een gebiedsgerichte aanpak ingericht met bestaande allianties en programmabureaus, waarop voor dit onderdeel van het AZWA wordt aangesloten. De Multiproblematiek aanpak wordt opgesteld in samenspraak met de allianties in de NPLV-gemeenten die binnen de samenwerkingsregio vallen.
In samenwerking met de NPLV-gebieden wordt een basisfunctionaliteit Multiproblematiek voor de specifieke doelgroep ontwikkeld, die landelijk kan worden opgeschaald. In het startdocument voor de op te stellen handreiking zal ook de beoogde verhouding tussen de NPLV-gemeente en alliantie worden geschetst. Door de AZWA-middelen binnen deze specifieke uitkering in te zetten in de betreffende gebieden, conform het startdocument voor de handreiking, wordt aangesloten bij de bestaande gebiedsgerichte structuur en daarmee de effectiviteit van de inzet vergroot.
Regionale coördinatie
Dit betreft de coördinerende rol van mandaatgemeenten in IZA-verband. Daarnaast betreft het de coördinerende rol van de GGD op het gebied van de ketenaanpakken in relatie tot gezondheid en de preventie-infrastructuur op het gebied van gezondheid.
Respijt- en logeerzorg
Respijtzorg (of vervangende mantelzorg) is een verzamelterm voor vormen van mantelzorgondersteuning, zoals logeerzorg, waarbij de mantelzorger even adempauze krijgt in de zorg voor een naaste. Logeerzorg is de tijdelijke opvang voor mensen die normaal thuis zorg ontvangen, en is bedoeld om mantelzorgers te ontlasten en de cliënt goede begeleiding te bieden. Tijdige en structurele inzet van logeerzorg kan overbelasting van mantelzorgers in intensieve zorgsituaties voorkomen.
In de Handreiking logeerzorg5 zijn afspraken opgenomen die gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren, samen met aanbieders en (vertegenwoordiging van) mantelzorgers, ondersteunen om gezamenlijk een passend aanbod logeerzorg in de regio te organiseren. Er wordt ingezet op 1) samenwerking in de regio, 2) toeleiding, toegang en vindbaarheid, en 3) financiering en verantwoording.
De basisfunctionaliteiten
Een basisfunctionaliteit is een landelijk afgesproken, minimaal noodzakelijke functie op het snijvlak van zorg en sociaal domein en/of publieke gezondheid (onder andere op de IZA-/GALA-ketenaanpakken). De samenwerking vanuit de domeinen zorg, sociaal en publieke gezondheid is hierbij noodzakelijk.
In het AZWA is opgenomen dat de landelijke basisfunctionaliteiten concrete afspraken bevatten op samenwerking tussen de domeinen, randvoorwaarden, definitie van doelgroep en signalering en zijn doorgerekend op de impact op zorgkosten/ WMO en inzet zorg/welzijnspersoneel. De afspraken zijn wederkerig, partijen zijn hierop aanspreekbaar en er is sprake van structurele financiering.
In het document ‘Begrippenkader en Checklist criteria voor bestuurlijke besluitvorming Basisfunctionaliteiten AZWA (D5)’6 zijn definities en criteria verder uitgewerkt.
In het AZWA zijn afspraken opgenomen over het realiseren van de volgende basisfunctionaliteiten:
1. sociaal verwijzen;
2. laagdrempelige steunpunten voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen;
3. valpreventie;
4. ketenaanpak overgewicht volwassenen; en
5. Kansrijke Start (zowel de brede aanpak Kansrijke Start als de onderdelen Nu Niet Zwanger en de Integrale gezinspoli).
De handreikingen die voor deze basisfunctionaliteiten zijn gepubliceerd (vindplek: www.zorgakkoorden.nl) geven inzicht in het doel en de doelgroep van de basisfunctionaliteit en bieden houvast voor het maken van samenwerkingsafspraken en het te realiseren aanbod. De opgave is dat in 2030 een landelijk dekkend aanbod is gerealiseerd dat professionals kunnen inzetten en waarvan inwoners gebruik kunnen maken. De volgende concrete resultaten worden in 2030 verwacht:
Ad 1. Sociaal verwijzen: een betreft het verbinden van het medisch en sociaal
domein, waarbij eerstelijnszorgverleners doorverwijzen naar een ‘brugfunctionaris’ die meestal werkzaam is bij een welzijnsorganisatie. De brugfunctionaris leidt mensen waar nodig naar passende ondersteuning vanuit welzijn of het sociaal
domein.
Ad 2. Laagdrempelige steunpunten: minimaal één laagdrempelig steunpunt per gemeente. Laagdrempelige steunpunten dragen als middel bij aan het maatschappelijk herstel en de zelfregie van mensen die door problemen met hun mentale gezondheid hun rollen verliezen in de maatschappij. Ze zijn voor iedereen laagdrempelig toegankelijk en in het bijzonder voor mensen met
(ernstige/langdurige) psychische (de EPA-doelgroep) en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten. Laagdrempelige steunpunten dragen bij aan het voorkomen van instroom in de ggz en het versnelt uitstroom uit behandeling.
Ad 3. Valpreventie:
– Afspraken met betrokken partijen uit het sociaal domein ten behoeve van opsporen van senioren met een verhoogd valrisico en afnemen van een valrisico-inschatting bij 14% van de 65+ers.
– Aanbod van een erkende valpreventieve beweeginterventie in de eigen gemeente, of in een nabijgelegen gemeente.
– Voorlichting over valpreventie als onderdeel van het beleid ten aanzien van vitaal ouder worden.
– Structureel sport- en beweegaanbod, geschikt voor ouderen.
Ad 4. Ketenaanpak overgewicht en obesitas volwassenen:
– Beweegaanbod voor de doelgroep;
– Aanbod gericht op gezondheidsvaardigheden en leefstijl voor de doelgroep;
– Individuele ondersteuning voor de doelgroep in het sociaal domein (zoals buurtsportcoaches, leefstijlcoaches, gewichtsconsulenten en beweegmakelaars);
Ad 5. Kansrijke start:
– Elke gemeente en regio heeft een coalitie Kansrijke Start: een domeinoverstijgend samenwerkingsverband van ten minste een gemeente, een partij uit de geboortezorg en een partij uit het sociaal domein, met als inzet (aanstaande) ouders en kinderen in kwetsbare situaties de best mogelijke eerste 1000 dagen van hun leven te bieden, van de zwangerschap tot de peutertijd.
– Hulp- en ondersteuningsaanbod en interventies passend bij de regionale en lokale situatie zijn ingekocht bij betrokken organisaties.
– Samenwerkingsafspraken op uitvoerings-, organisatie- en bestuurlijk niveau, zowel lokaal als regionaal.
Integrale gezinspoli:
– Eén kernteam met vaste gezichten vanuit medisch, publieke gezondheid en sociaal domein, met een brede blik op zowel medische als sociale factoren en daarmee een bundeling van expertise over kwetsbare sociale en medische omstandigheden die van invloed kunnen zijn op (aanstaande) gezinnen in de eerste duizend dagen.
– Eén aanspreekpunt voor het gezin, in elk geval voor hun vragen en behoeften over inzet van of contacten met partijen uit het sociaal domein.
– De benodigde expertise is op één plek beschikbaar, waar mogelijk buiten het ziekenhuis.
– Multidisciplinair overleg (MDO) met afvaardiging vanuit medisch, publieke gezondheid en sociaal domein. Bijvoorbeeld elke week of twee weken per poli over de (aanstaande) gezinnen in kwetsbare sociale omstandigheden.
– Samenwerkingsafspraken over hoe informele steunorganisaties met vrijwilligers en ervaringsdeskundigen kunnen worden benut om (aanstaande) gezinnen te ondersteunen.
Nu Niet Zwanger (NNZ):
– Structurele regionale coördinatie en expertise (een NNZ-team).
– Kinderwensverkenning (het voeren van open gesprekken over kinderwens, seksualiteit en anticonceptie) geïntegreerd in de reguliere werkwijze van organisaties in sociaal en medisch domein.
– Samenwerkingsafspraken met ziekenhuizen, verloskundigen en huisartsen.
– Toegankelijke anticonceptiezorg, inclusief regionaal gemeentelijk budget voor anticonceptie.
Terugdringen gezondheidsachterstanden
Vanuit het GALA hebben gemeenten financiële middelen ontvangen om gezondheidsachterstanden terug te dringen. De middelen voor dit onderwerp zijn in deze regeling opgenomen om activiteiten gericht hierop voort te kunnen zetten. Het bereiken van inwoners met een gezondheidsachterstand vergt veelal extra inspanning dan wel een andersoortige aanpak bij de uitvoering van de basisfunctionaliteiten en aanpakken op de ontwikkelagenda. Met deze middelen kunnen gemeenten deze extra inspanning verrichten in de wijken of dorpen waar bovengemiddeld veel personen met een gezondheidsachterstand woonachtig zijn. Ook kan een gemeente bijvoorbeeld actief aansluiten bij de Multiproblematiek aanpak in de NPLV-gebieden.
De gezonde en sociale basisinfrastructuur
Inloopvoorzieningen sociaal en gezond
Inloopvoorzieningen sociaal en gezond is een beleidsmatige verzamelterm en een werknaam. Gemeenten gebruiken in de praktijk de naam die lokaal past (zoals buurthuis, dorpskamer, wijkcentrum, huiskamer van de wijk/van de buurt, energiehub, jongerencafé, een digitale ontmoetingsplaats etc.). Een inloopvoorziening heeft als eerste functie het faciliteren en stimuleren van ontmoeting.
In de Handreiking inloopvoorzieningen sociaal en gezond7 zijn afspraken opgenomen die gemeenten en maatschappelijke partners kunnen ondersteunen bij het inrichten van een inloopvoorziening en hen kunnen helpen inschatten of bestaande inloopvoorzieningen voldoen om de basisfunctionaliteiten te borgen. Er wordt ingezet op 1) het vergroten van inzicht in de draagkracht en draaglast in wijken en buurten en de aanwezige inloopvoorzieningen, 2) versterken van de verbinding tussen inwoners, burgerinitiatieven, beroepskrachten en gemeenten en 3) deskundigheidsbevordering.
Lokale teams
Het versterken van lokale teams staat ten dienste van de verbinding met de eerste lijn en publieke gezondheid. De stevige lokale teams (inclusief Jeugdgezondheidszorg) vertegenwoordigen het sociaal domein binnen de hechte wijkverbanden, zoals verwoord in de Visie eerstelijnszorg 20308.
(Mentale) gezonde school
De school is een belangrijk onderdeel van de sociale en gezonde basisinfrastructuur in een wijk. Vanuit het AZWA wordt ingezet op de gezondheidsbevordering van kinderen en jongeren door middel van de bestaande Gezonde School aanpak. In deze aanpak is ook aandacht voor de mentale gezondheid van kinderen en jongeren. Naast de in deze regeling opgenomen middelen voor 2027 wordt de subsidie aan de GGD GHOR NL voor de Gezonde School vanuit deze AZWA-afspraak opgehoogd met € 8 miljoen. Daarmee blijft de bestaande werkwijze van kracht waarbij samenwerking tussen de scholen, gemeenten en GGD(-adviseurs) belangrijk is. Over hoe de middelen voor de jaren 2028 en 2029 worden uitgekeerd voor de (mentale) gezonde school (het gaat om € 10 miljoen respectievelijk € 13 miljoen) maken het ministerie van VWS en VNG in het eerste kwartaal van 2027 vervolgafspraken.
Gelijkgerichte mantelzorgondersteuning
Onder gelijkgerichte mantelzorgondersteuning verstaan we: een herkenbaar en in elke gemeente aanwezig aanbod op de acht vraaggebieden voor mantelzorgerondersteuning, lokaal ingevuld, passend bij de lokale context en het bestaande aanbod. Gelijkgericht betekent dus niet overal exact hetzelfde aanbod, in dezelfde mate, of in dezelfde organisatievorm. Wel geeft het mantelzorgers (en professionals) duidelijkheid waar ze terecht kunnen in een gemeente en wat ze kunnen verwachten.
De acht vraaggebieden voor mantelzorgondersteuning zijn: (1) informatie en advies, (2) persoonlijke begeleiding, (3) emotionele steun, (4) educatie, (5) praktische hulp, (6) vervangende zorg (respijtzorg), (7) financiële ondersteuning en (8) materiële hulp.
In de Handreiking gelijkgerichte mantelzorgondersteuning9 zijn afspraken gemaakt over het aanbod, preventie en vroegsignalering, borging binnen het lokaal beleid voor het sociaal domein en toetsing van het aanbod.
Staatssteun
Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:
– de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;
– de steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;
– de staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;
– de maatregel is selectief;
– de maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.
De gemeenten en GGD’en ontvangen de specifieke uitkering voor de uitvoering van overheidstaken; zij zijn daarom niet aan te merken als ondernemingen in de zin van de staatssteunregels. Het eerste criterium wordt op het eerste niveau (tussen Rijk en gemeenten) niet vervuld, waardoor er geen sprake is van staatssteun op dit niveau.
Een specifieke uitkering op grond van deze regeling zal door gemeenten besteed kunnen worden aan diensten die worden verleend door derden. De gemeenten zijn bij het besteden van de middelen uit de specifieke uitkering zelfstandig gebonden aan regelgeving, waaronder de (Europese) aanbestedings- en staatssteunregels en dragen een zelfstandige verantwoordelijkheid maatregelen te treffen om deze naleving te waarborgen.
Gemeenten mogen met de uitkering geen ongeoorloofde staatssteun verlenen aan derden en er mag ook geen indirecte staatssteun worden verleend (economisch voordeel op het tweede niveau: voordeel dat de derde die door de gemeente is ingeschakeld, doorgeeft aan een andere derde).
Dit kan worden voorkomen door bij de inschakeling van derden marktconform te handelen, bijvoorbeeld door middel van het opvragen van meerdere offertes of een aanbestedingsprocedure, waarbij het selectieproces op non-discriminatoire, transparante en onvoorwaardelijke wijze zal plaatsvinden, of de regels voor de-minimissteun te volgen. Verder valt te denken aan de mogelijkheden die de Algemene Groepsvrijstellingsverordening10 biedt en steun voor diensten van algemeen economisch belang.11
Gevolgen voor de regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Bestuurlijke afspraken
De ontvangers van de uitkering streven na de in het kader van deze regeling voor hen relevante afspraken in het AZWA en het HLO na te komen. Voor het gemak worden zij als ‘bestuurlijke afspraken’ gedefinieerd.
Mandaathouder
In het GALA is destijds overeengekomen dat de middelen voor de inzet van gemeenten ten behoeve van het IZA bestemd zijn voor samenwerkingsregio’s waarbij telkens één gemeente - in deze regeling een mandaathouder genaamd - namens de regio de middelen ontvangt en beheert. Dit kan overigens ook een openbaar lichaam zijn dat is ingesteld op grond van hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze constructie wordt voortgezet ten behoeve van het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, paragraaf 3.2.
Op welke wijze een en ander gebeurt en aan wie welke verantwoordelijkheden worden toebedeeld, is in onderling overleg vastgelegd in de zogeheten mandaatstructuur. De gemeenten in de regio zijn met elkaar overeengekomen welke gemeenten worden aangewezen als mandaathouder of hebben een gemeenschappelijke regeling getroffen. Alle samenwerkingsregio’s hebben bekendgemaakt welke gemeente of openbaar lichaam dat is ingesteld bij gemeenschappelijke regeling de mandaathouder is namens welke gemeenten en zij zijn genoemd in de bijlage. Op grond van deze regeling levert de mandaathouder een werkagenda behorend bij het regioplan aan. Zie hieronder de toelichting bij de begripsbepaling regioplan.
NPLV-gemeenten en -gebieden
Voor een toelichting over de NPLV, de daarin participerende gemeenten en de bijbehorende gebieden, zie de algemene toelichting, paragraaf 3.1.a. Regionale activiteiten D5, onder het kopje ‘Multiproblematiek aanpak (NPLV-gebieden)’. De 19 NPLV-gemeenten ontvangen boven op hun uitkering voor de lokale activiteiten ten behoeve van de AZWA- en HLO-doelen een aanvullende uitkering voor deelname aan de Multiproblematiek aanpak.
Ontwikkelagenda
Voor een toelichting over de ontwikkelagenda, zie paragraaf 3.1.a. Regionale activiteiten D5, onder het kopje ‘Ontwikkelagenda’, van de algemene toelichting.
Regioplan, samenwerkingsregio en werkagenda
Elke samenwerkingsregio heeft in het kader van het IZA een regioplan geformuleerd. In het regioplan, opgesteld met inachtneming van de criteria voor regioplannen, wordt inzichtelijk gemaakt welke opgaven uit het IZA voor de regio prioriteit hebben, met afspraken over hoe partijen deze regio-opgaven gaan aanpakken. Het opstellen van een regioplan was een van de vereisten voor het aanvragen van uitkering voor de jaren 2024-2026 op grond van de Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023-2026.
Dit regioplan wordt aangevuld met een werkagenda met opgaven en afspraken ten aanzien van het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, paragraaf 3.2. De werkagenda moet goedgekeurd zijn door de colleges van B&W van de gemeenten in de betreffende samenwerkingsregio.
Artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Voor deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:37, 4:38, 4:40, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Awb uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze artikelen uit de subsidietitel van de Awb hebben betrekking op preventieve weigeringsgronden, de subsidieverplichtingen, de subsidievaststelling, het intrekken en wijziging van de subsidieverlening en subsidievaststelling, het opschorten van de betalingsverplichting en terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op deze regeling, aangezien op grond van deze regeling geen subsidies maar specifieke uitkeringen worden verstrekt.
De in het kader van deze regeling te verlenen uitkeringen zijn bedoeld voor de verwezenlijking van de ambities en doelen zoals gesteld in het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, paragraaf 3.2. Voor de regionale activiteiten ontvangen gemeenten in een bepaalde samenwerkingsregio middelen van de betreffende mandaathouder. Aan de ontvangers wordt veel vrijheid gelaten over de wijze waarop zij daaraan invulling zullen geven. Evenwel is in het AZWA overeengekomen om aan de hand van een op te stellen werkagenda, enige richting aan het proces te geven en is een aantal activiteiten genoemd waarover afspraken zijn gemaakt in het AZWA en HLO. In artikel 4.1 is als voorwaarde gesteld dat de werkagenda behorende bij het regioplan uiterlijk 1 maart 2027 moet zijn overgelegd.
Deze regeling voorziet net als de Brede SPUK in een rol van de GGD bij preventiebeleid als regionale kennispartner en adviseur op het gebied van gezondheidsbeleid. Het goed vormgeven van preventiebeleid is complex, vraagt deskundigheid en vergt een goede samenwerking tussen veel verschillende organisaties die werkbaar zijn in verschillende beleidsdomeinen, zoals maatschappelijk ondersteuning, zorg en jeugdhulp. Anders dan bij de Brede SPUK ontvangen de GGD’en onder deze regeling rechtstreeks een specifieke uitkering voor het jaar 2027. Over hoe de middelen voor de jaren 2028 en 2029 (het betreft € 3 miljoen respectievelijk € 4 miljoen) worden uitgekeerd maken het ministerie van VWS en VNG in het eerste kwartaal van 2027 vervolgafspraken.
De hoogte van de uitkering aan de mandaathouders en GGD’en is opgenomen in bijlage 1 en 2 bij deze regeling.
De uitkeringen voor lokale activiteiten zijn net als de uitkeringen uit artikel 2.1 voor regionale activiteiten bedoeld voor de verwezenlijking van de ambities en doelen zoals gesteld in het AZWA, onder D5 en D6, en het HLO, paragraaf 3.2. Zie verder de toelichting bij de artikelen 2.1 en 2.2.
De 19 gemeenten die onderdeel zijn van het NPLV ontvangen een aanvullende uitkering boven op de uitkering voor de lokale AZWA en HLO-doelen voor deelname aan de Multiproblematiek aanpak. Zie de algemene toelichting voor de achtergrond van deze aanpak.
De hoogte van de uitkering aan de gemeenten voor lokale activiteiten en de aanvullende uitkering aan gemeenten die onderdeel zijn van het NPLV is opgenomen in bijlage 3 en 4 bij deze regeling.
Als absolute voorwaarde voor de verstrekking van een uitkering aan een mandaathouder en een gemeente geldt dat de mandaathouder namens de gemeenten in de betreffende samenwerkingsregio uiterlijk 1 maart 2027 een werkagenda conform het betreffende regioplan moet overleggen.
Gelet op artikel 4.1 verleent de minister een uitkering voor regionale activiteiten en een uitkering voor lokale activiteiten alleen nadat de mandaathouder namens de gemeenten in de betreffende samenwerkingsregio een werkagenda heeft overgelegd. De minister besluit binnen acht weken na het overleggen van de werkagenda, maar wegens uitvoeringstechnische redenen kan een beschikking niet eerder dan 1 februari 2027 worden genomen. Dit houdt in dat indien ten minste acht weken voor 1 februari een werkagenda wordt overgelegd (dus voor 8 december 2026), dan op of na 1 februari 2027 een verleningsbeschikking volgt. Wordt de werkagenda op een later moment aangeleverd, dan geldt dat binnen uiterlijk acht weken een beschikking wordt genomen. Gelet op de uiterste aanleverdatum van 1 maart 2027 zijn uiterlijk 26 april 2027 alle uitkeringen verleend.
Het verlenen van een uitkering aan de GGD’en is niet afhankelijk van de werkagenda en de minister kan ten aanzien van deze uitkeringen ambtshalve een beschikking nemen zodra dit uitvoeringstechnisch mogelijk is (1 februari 2027).
De minister verleent bij het besluit tot verlening van een uitkering een voorschot van 100%, dat in jaarlijkse termijnen wordt betaald. Het voorschot voor 2028 wordt in januari 2028 betaald, het voorschot voor 2029 volgt in januari 2029.
In artikel 5.2 is bepaald dat indien een uitkering voor de periode van 2027 tot en met 2029 in een bepaald jaar niet of niet geheel is besteed, het overschot tot een maximum van 70% van de toegekende middelen in het daaropvolgende jaar worden besteed. Dit is begrensd door het laatste jaar waarvoor de middelen zijn bedoeld; de middelen moeten uiterlijk in 2029 zijn besteed. Zie ook artikel 8.2, tweede lid, waarin is geregeld dat de regeling vervalt na 15 juli 2030, de uiterste datum van het indienen van de eindverantwoordingsinformatie.
Voor wat betreft de monitoring van de uitvoering van de activiteiten en de resultaten van de uitkeringen, is in het AZWA overeengekomen dat wordt aangesloten bij de AZWA-governance en de nadere afspraken ten aanzien van monitoring in het kader van de AZWA-afspraken onder D5 en D6.
In het eerste lid wordt in aansluiting hierop geregeld dat de ontvanger van een uitkering ervoor moet zorgen dat de uitvoering in lijn is met de bestuurlijke afspraken en dat wordt meegewerkt aan de in het AZWA en HLO gemaakte afspraken ten aanzien van monitoring.
De ontvanger van een uitkering is daarnaast verplicht te melden wanneer de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend niet of niet geheel worden verricht (tweede lid). De melding moet onverwijld worden gedaan. Dit betekent dat de melding onmiddellijk moet worden gedaan. De ontvanger mag dus niet wachten tot hij dit nodig acht.
Met het derde lid, onder a, wordt beoogd te borgen dat de ontvanger van de uitkering erop alert is dat de verstrekte middelen niet worden aangewend voor activiteiten waarvoor zij op andere wijze een vergoeding van overheidswege ontvangen. Met andere woorden: geen dubbelfinanciering van één en dezelfde activiteit. Hieronder valt niet cofinanciering, waarbij met extra middelen vanuit de overheid bijvoorbeeld een uitbreiding of intensivering plaatsvindt van eerder ingezette activiteiten. Als dubbelfinanciering zich voordoet, is de meldplicht uit het tweede lid, onder b, van toepassing.
Het onderwerp dubbelfinanciering is ook relevant bij de vaststelling van een uitkering. Voor de vaststelling van de specifieke uitkering stelt een accountant aan de hand van de verantwoordingsinformatie een controleverklaring op. Het Ministerie van VWS zal gemeenten ondersteunen bij de verantwoording. Om dubbelfinanciering te voorkomen moet de accountant voor zover mogelijk nagaan of de aan de activiteiten toegerekende kosten voor de ontvanger van de uitkering al op andere wijze worden vergoed.
De activiteiten waarvoor de uitkering wordt verstrekt kunnen activiteiten zijn waarover een gemeente btw verschuldigd is. Het derde lid, onder b, regelt dat de specifieke uitkering niet mag worden gebruikt voor de btw die verschuldigd is over kosten van de activiteiten. De btw-component van 1,15% is al op het budget in mindering gebracht en afgedragen aan het BTW-Compensatiefonds.
De verantwoording voor de besteding van de specifieke uitkering verloopt op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet via de jaarrekening van de gemeente en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek).
Wat de lokale activiteiten betreft: de aanvullende uitkering aan NPLV-gemeenten hoeft niet apart van de uitkering voor de andere lokale activiteiten te worden verantwoord. Er staat geen schot tussen deze middelen.
De verantwoordingsinformatie in 2028 en 2029 over de jaren 2027 en 2028 is te beschouwen als tussentijdse verantwoording: de eindverantwoording voor de vaststelling volgt na het laatste jaar 2029, uiterlijk op 15 juli 2030.
De uitkering voor de jaren 2027, 2028 en 2029 wordt vastgesteld na ontvangst van de laatste verantwoordingsinformatie op 15 juli 2030, als sprake is van indiening van de eindverantwoording in dat jaar, zie de toelichting bij artikel 7.1.
De vaststelling van de uitkering kan lager zijn dan de verlening van de uitkering, bijvoorbeeld omdat er minder is besteed aan de AZWA- en HLO-doelen dan was begroot. Onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
De hardheidsclause biedt de mogelijkheid om in gevallen waarin toepassing van de regeling gegeven de doelstelling en de strekking daarvan een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van de regeling buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. De hardheidsclausule zal met grote terughoudendheid worden toegepast.
Deze regeling treedt in afwijking van de systematiek van vaste verandermomenten (aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving) in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Afwijking van de vaste verandermomenten is noodzakelijk, omdat een snelle inwerkingtreding van groot belang is voor de gemeenten en de bij de overige bij de activiteiten betrokken partijen. Met deze regeling wordt immers voortgeborduurd op financiering van de IZA-doelen en activiteiten onder de Brede SPUK.
De regeling vervalt met ingang van 16 juli 2030. Het van toepassing blijven van deze regeling op de uitkeringen heeft te maken met de verantwoording over de besteding van die uitkeringen en de vaststelling van de uitkeringen na genoemde datum.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.Th.M. Hermans
In het document ‘Begrippenkader en Checklist criteria voor bestuurlijke besluitvorming Basisfunctionaliteiten AZWA (D5)’ zijn de criteria voor de basisfunctionaliteiten uitgewerkt (zie https://www.zorgakkoorden.nl/programmas/aanvullend-zorg-en-welzijnsakkoord/versterking-samenwerking-zorg-en-sociaal-domein/).
Met uitzondering voor de middelen die in 2027 worden toegevoegd aan de subsidie Gezonde School (€ 8 miljoen). Over hoe de middelen voor de jaren 2028 (€ 10 miljoen) en 2029 (€ 13 miljoen) worden uitgekeerd maken het ministerie van VWS en VNG in het eerste kwartaal van 2027 vervolgafspraken.
Een regionale preventie-infrastructuur (RPI) is een samenhangend netwerk waarin gemeenten, GGD, zorgverzekeraars, zorg- en welzijnsorganisaties structureel samenwerken om gezondheidsproblemen te voorkomen.
Dit betreft dus specifieke inzet van een deel van de doorbraakmiddelen (een pot van in totaal € 800 miljoen). Het andere deel van de doorbraakmiddelen wordt ingezet voor de landelijke opschaling van arbeidsbesparende AI, digitale en hybride zorg, en medische technologie (zie https://www.zorgakkoorden.nl/actueel/nieuws/Doorbraakmiddelen/).
Voor meer informatie kunnen de Handreiking Staatssteun voor de overheid, te vinden op rijksoverheid.nl, en de website van het Kenniscentrum Europa Decentraal (https://europadecentraal.nl) worden geraadpleegd.
In het document ‘Begrippenkader en Checklist criteria voor bestuurlijke besluitvorming Basisfunctionaliteiten AZWA (D5)’ zijn de criteria voor de basisfunctionaliteiten uitgewerkt (zie https://www.zorgakkoorden.nl/programmas/aanvullend-zorg-en-welzijnsakkoord/versterking-samenwerking-zorg-en-sociaal-domein/).
Met uitzondering voor de middelen die in 2027 worden toegevoegd aan de subsidie Gezonde School (€ 8 miljoen). Over hoe de middelen voor de jaren 2028 (€ 10 miljoen) en 2029 (€ 13 miljoen) worden uitgekeerd maken het ministerie van VWS en VNG in het eerste kwartaal van 2027 vervolgafspraken.
Een regionale preventie-infrastructuur (RPI) is een samenhangend netwerk waarin gemeenten, GGD, zorgverzekeraars, zorg- en welzijnsorganisaties structureel samenwerken om gezondheidsproblemen te voorkomen.
Dit betreft dus specifieke inzet van een deel van de doorbraakmiddelen (een pot van in totaal € 800 miljoen). Het andere deel van de doorbraakmiddelen wordt ingezet voor de landelijke opschaling van arbeidsbesparende AI, digitale en hybride zorg, en medische technologie (zie https://www.zorgakkoorden.nl/actueel/nieuws/Doorbraakmiddelen/).
Voor meer informatie kunnen de Handreiking Staatssteun voor de overheid, te vinden op rijksoverheid.nl, en de website van het Kenniscentrum Europa Decentraal (https://europadecentraal.nl) worden geraadpleegd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-25830.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.