Regeling van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei van 10 juli 2026, nr. WJZ/107199748, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies in verband met verruiming van de budgetflex in de subsidiemodule Flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) [KetenID WGK029275]

De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei,

Gelet op artikelen 4, 16 en 17 van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 4.12.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 4.12.5, vierde lid, wordt na ‘het daarvoor vastgestelde subsidieplafond’ ingevoegd ‘vermeerderd met het overblijvende bedrag, bedoeld in het vijfde lid,’ en wordt na 'wordt het’ ingevoegd ‘totale’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel d, toegevoegd.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 juli 2026

De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat

TOELICHTING

1. Inleiding

Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (hierna: RNES) in verband met de verruiming van van de budgetflex in de subsidiemodule Flexibel elektriciteitsverbruik (hierna: Flex-e) in titel 4.12 van de RNES.

2. Aanleiding en doel van de regeling

Deze regeling voegt een budgetflexbepaling (artikel 4.12.5, vijfde lid) toe voor het subsidieplafond van onderdeel b (haalbaarheidsstudies) van de Flex-e. Daarmee wordt voorkomen dat het budget van onderdeel b onderbenut blijft terwijl andere onderdelen zijn overtekend en aanvragen niet kunnen worden gehonoreerd. Met de budgetflexbepaling kan na de sluiting ten eerste eventueel resterend budget van onderdeel b worden toegevoegd aan het subisideplafond van onderdeel d. Als er dan nog budget over is, kan dit vervolgens worden toegevoegd aan de subsidieplafonds van de overige onderdelen op volgorde van binnenkomst van aanvragen. Dit laatste wordt geregeld door een gerichte wijziging van de bestaande budgetflexbepaling in artikel 4.12.5, vierde lid.

Op het moment van schrijven1 is de uitputting als volgt:

Onderdeel

Subsidieplafond

Aangevraagd

A Flexibiliteitsscan

€ 4.000.000

€ 740.293

B Haalbaarheidsstudie

€ 8.829.000

€ 1.825.168

C Maatregelen <100 kW

€ 6.460.229

€ 20.928.898

D Maatregelen ≥100 kW

€ 9.690.334

€ 13.411.270

Op basis van bovenstaande cijfers is de verwachting dat, ondanks dat de aanvragen nog moeten worden beoordeeld en afgewezen kunnen worden, onderdeel c en d overtekend blijven. Daarentegen worden de budgetten van onderdeel a en b mogelijk niet uitgeput.

Specifiek voor onderdeel b is budget vrijgemaakt vanuit het Klimaatfonds. Klimaatfondsbudget wordt enkel worden uitgegeven aan het doel waarvoor het budget is verleend. Na nadere bestudering is geconcludeerd dat de doeleinden van de verschillende onderdelen voldoende overeenkomen en dat overgebleven budget van onderdeel b over andere activiteiten in de Flex-e kan worden herverdeeld. Eventueel overgebleven budget zal eerst van onderdeel b worden toegevoegd aan onderdeel d. Vervolgens zal eventueel overgebleven budget worden overgeheveld naar de subsidieplafonds van de overige onderdelen. Op basis van de huidige uitputting valt te verwachten dat het eventuele overgebleven budget naar onderdeel c zal gaan.

Er is gekozen voor deze volgorde met het oog op het behoud van de oorspronkelijke budgetverhoudingen en de onderliggende uitgangspunten. Overgebleven budget van onderdeel a kan immers – zoals eerder is opgenomen in artikel 4.12.5 RNES – na sluiting worden herverdeeld op basis van volgorde van binnenkomst. Onderdeel c is op de eerste openstellingsdag overtekend. Het is daarom waarschijnlijk dat eventueel overgebleven budget van onderdeel a grotendeels of geheel zal worden toegevoegd aan het subsidieplafond van onderdeel c.

Na de sluiting van de openstellingsperiode zal door RVO inzichtelijk worden gemaakt of en hoeveel budget er over is van onderdeel b. RVO zal binnen twee weken na de openstellingsperiode alle binnengekomen aanvragen van onderdeel d beoordelen op compleetheid. Op basis van deze gegevens zal het nieuwe subsidieplafond voor onderdeel d worden bepaald. Vervolgens wordt gekeken hoeveel budget er over is en worden overige aanvragen beoordeeld. Op basis hiervan wordt het subsidieplafond voor de overige onderdelen bepaald. Deze nieuwe subsidieplafonds worden kenbaar gemaakt middels een wijziging van de bedragen van de plafonds in artikel 1 van de Regeling openstelling EZ, LVVN- en KGG-subsidies 2026. Dat zal ook gebeuren voor eventuele wijzigingen in de plafonds naar aanleiding van de reeds bestaande budgetflexbepalingen (artikel 4.12.5, tweede tot en met vierde lid).

Deze wijziging leidt mogelijk tot een verandering in de onderlinge verdeling van de budgetten tussen onderdeel b c, en d in de openstelling in 2026. Het totale beschikbaar budget voor de huidige openstelling wordt verder niet aangepast.

3. Regeldruk

De voorgestelde wijziging brengt geen wijzigingen in de subsidieverplichtingen of aanvraagvereisten met zich mee. Ook leidt de wijziging niet op voorhand tot een wijziging in de totale regeldrukkosten. De budgetflex is immers enkel als extra zekerheid bij overschrijding ingebouwd en het is nog onduidelijk hoeveel aanvragen er definitief worden goedgekeurd en hoe de budgetten zullen worden verdeeld.

De regeling heeft geen gevolgen voor de oorspronkelijke inschatting van de regeldruk voor individuele aanvragers die een subsidieaanvraag indienen en ontvangen, noch op de administratieve lasten per aanvraag. Voor deze onderbouwing wordt verwezen naar de ministeriële regeling waarmee de Flex-e voor de tweede keer werd opengesteld.2

De onderhavige regeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). ATR heeft besloten het dossier niet te selecteren voor formele toetsing, daar het geen grote regeldrukgevolgen heeft.

4. Inwerkingtreding en vaste verandermomenten

Deze regeling treedt in werking op de dag na publicatie in de Staatscourant en wijkt daarmee af van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en minimaal twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd omdat aanvragers baat hebben bij deze wijzigingsregeling.

De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat


X Noot
1

1 juli 2026


X Noot
1

1 juli 2026

Naar boven