Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 januari 2026, nr. 7072258, tot wijziging van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 2 van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften wordt als volgt gewijzigd:

A

1. In het eerste lid vervallen de tweede en de derde volzin.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid worden twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Het Adviescollege heeft een voorzitter, tevens lid, met een juridische achtergrond en andere leden uit diverse disciplines, waaronder:

    • a. tenminste vier juristen;

    • b. tenminste twee psychiaters;

    • c. tenminste twee psychologen; en

    • d. tenminste een wetenschappelijk lid.

  • 3. De leden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, beschikken over een uitgebreide expertise in de strafrechtpraktijk en de tenuitvoerlegging van straffen en het lid, bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft bij voorkeur specifieke expertise op het gebied van de positie en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

B

Na artikel 4 worden een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

  • 1. Op verzoek van de Minister brengt het Adviescollege het eerste advies bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, uit op een eerder tijdstip dan het in artikel 4, tweede lid bedoelde tijdstip in geval de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde levenslange straf is overgedragen aan Nederland op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties of op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.

  • 2. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, wordt uitgebracht uiterlijk drie jaar voor het tijdstip van de beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dat is opgenomen in het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht.

  • 3. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in artikel 4, eerste lid onder a, wordt uitgebracht uiterlijk drie jaar nadat de levenslanggestrafte bij de Minister een verzoek heeft ingediend indien uit het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht blijkt dat voor de aanvang van de advisering een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is.

  • 4. Artikel 4, tweede en derde lid is van toepassing indien uit het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht blijkt dat voor de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening op het in dat besluit genoemde tijdstip een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is en de levenslanggestrafte heeft nagelaten een dergelijk verzoek in te dienen.

  • 5. Uiterlijk drie jaar na het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt aan de hand van een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet de mogelijkheid tot gratieverlening beoordeeld.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte

TOELICHTING

Met het onderhavige wijzigingsbesluit worden in artikel 2 enkele wijzigingen aangebracht en een nieuw artikel 4a toegevoegd aan het Besluit Adviescollege levenslanggestraften. Gezien de huidige portefeuilleverdeling wordt in deze toelichting gesproken van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris).

Het Adviescollege levenslanggestraften heeft sinds 2025 te maken met een significante toename van het aantal nieuwe zaken en voorziet dat deze toename zich de komende jaren, tenminste tot 2028, voort zal zetten. Deze instroom van nieuwe zaken kan met de huidige regelgeving en het beleidskader voor de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf niet worden weggezet binnen de bestaande omvang van het college. In het merendeel van de zaken dient nog een eerste advies uit te worden gebracht, hetgeen veruit de meeste capaciteit vraagt. Daarnaast speelt ook het feit dat er nauwelijks sprake is van uitstroom van zaken, en er in lopende zaken vervolgadviezen worden uitgebracht een rol.

Eerder zijn er al maatregelen genomen om de toename van het aantal zaken te kunnen ondervangen. Deze bieden echter onvoldoende soelaas waardoor flexibiliteit en een mogelijke uitbreiding van het aantal collegeleden mogelijk moet worden gemaakt. Door flexibiliteit ten aanzien van het aantal leden aan te brengen wordt het mogelijk om te kunnen voorzien in een tijdelijke uitbreiding.

Het Adviescollege dient jaarlijks een begroting in die door de Staatssecretaris dient te worden toegekend. Door middel van deze toekenning wordt er door het ministerie op toegezien dat het aantal leden passend is bij het aantal en de aard van de werkzaamheden in de zaken die door het Adviescollege worden behandeld.

Artikel 4a (nieuw) betreft een van artikel 4, tweede en derde lid afwijkende regeling voor zaken waarbij sprake is van internationale strafoverdracht. Als de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde levenslange gevangenisstraf aan Nederland is overgedragen op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) of op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) mag geen sprake zijn van strafverzwaring als gevolg van de overname door Nederland. Dat kan betekenen dat de Staatssecretaris in het besluit ten aanzien van de strafoverdracht opneemt dat op een eerder moment dan na 28 jaar detentie zoals voor de Nederlandse herbeoordelingsprocedure geldt, een herbeoordeling door middel van een gratieprocedure kan plaatsvinden.

Als het moment van herbeoordeling bij internationaal overgenomen straffen eerder is dan na 28 jaar detentie, sluit de wijze waarop de herbeoordelingsprocedure aanvangt aan bij de wijze waarop dat in het veroordelende land gebeurt. Ambtshalve als het veroordelende land ambtshalve of van rechtswege herbeoordeelt, op verzoek van de levenslanggestrafte als het veroordelende land een verzoekprocedure kent. Uit het besluit van de Staatssecretaris ten aanzien van de strafoverdracht blijkt of voor het in gang zetten van de herbeoordelingsprocedure al dan niet een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is. Als uit het besluit van de Staatssecretaris blijkt dat een verzoek niet nodig is, dan vangt de herbeoordelingsprocedure op het eerdere moment aan door middel van een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet.

Voorafgaand aan de herbeoordelingsprocedure vindt advisering door het Adviescollege plaats, leidend tot een besluit van de bewindspersoon over de aanvang van eventuele re-integratieactiviteiten. Voor de termijnen tussen de aanvang van de advisering, het eerste advies en de mogelijkheid tot gratieverlening wordt aangesloten bij de termijnen zoals opgenomen in artikel 4, tweede en derde lid en het Ketenwerkproces levenslanggestraften.1 Dat houdt in dat drie jaar tussen het aanvangen van het adviestraject en het uitbrengen van het eerste advies zit, en eveneens drie jaar tussen het uitbrengen van het advies aan de bewindspersoon en de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening. Hetzelfde adviestraject wordt dus gevolgd als bij Nederlandse veroordelingen, het traject vangt alleen eerder in het detentieverloop aan.

Uit artikel 4a, eerste lid volgt dat in geval het tijdstip van de herbeoordeling opgenomen in het besluit ten aanzien van de strafoverdracht eerder ligt dan 28 jaar na aanvang detentie, de Staatssecretaris het Adviescollege zal verzoeken om het adviestraject eerder te starten, en daarmee af te wijken van artikel 4, tweede lid. De Staatssecretaris is immers op de hoogte van de datum waarop de herbeoordeling moet plaatsvinden en van de wijze waarop de herbeoordeling aanvangt.

Artikel 4a, tweede lid heeft betrekking op de situatie dat het adviestraject ambtshalve aanvangt op een eerder moment dan bij een Nederlandse veroordeling. In dat geval brengt het Adviescollege het eerste advies uit uiterlijk drie jaar voorafgaande aan het tijdstip voor herbeoordeling zoals opgenomen in het besluit van de Staatssecretaris ten aanzien van de strafoverdracht.

Artikel 4a, derde lid bepaalt dat in geval voor aanvang van de advisering een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is, uiterlijk drie jaar na indiening van dat verzoek het eerste advies wordt uitgebracht. De datum van het verzoek van de levenslanggestrafte is dan leidend voor de start van het adviestraject. De Dienst Justitiële Inrichtingen informeert de levenslanggestrafte zes jaar voor het tijdstip van de herbeoordeling opgenomen in het besluit ten aanzien van de strafoverdracht dat hij een verzoek kan indienen om het adviestraject te laten starten.2 Het is vervolgens aan de levenslanggestrafte om tijdig een verzoek in te dienen zodat er voldoende tijd is voor het adviestraject en eventuele re-integratieactiviteiten voorafgaande aan de herbeoordelingsprocedure.

Artikel 4a, vierde lid, heeft betrekking op de situatie dat voor aanvang van de herbeoordelingsprocedure een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is en de levenslanggestrafte kiest ervoor geen verzoek in te dienen danwel dit niet doet vòòr 22 jaar na aanvang van detentie. In dat geval zal het adviestraject en de herbeoordelingsprocedure hetzelfde verlopen als bij in Nederland veroordeelde levenslanggestraften. Artikel 4, tweede en derde lid is dan van toepassing. Het adviestraject vangt dan aan na 22 jaar detentie, een eerste advies wordt uitgebracht na 25 jaar detentie en een ambtshalve gratieprocedure volgt na 28 jaar detentie.

Artikel 4a, vijfde lid bepaalt dat drie jaar na het eerste advies van het Adviescollege op het tijdstip dat volgt uit artikel 4a, tweede lid, de gratieprocedure ambtshalve wordt geïnitieerd. Het tijdstip van de beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dat is opgenomen in het besluit van de Staatssecretaris ten aanzien van de strafoverdracht is leidend. De bepaling heeft enkel betrekking op de ambtshalve procedure. Indien uit het besluit van de Staatssecretaris blijkt dat voor de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening een verzoek nodig is, zal de levenslanggestrafte daartoe een verzoekschrift als bedoeld in artikel 3 van de Gratiewet moeten indienen. Het Adviescollege kan op grond van artikel 4, eerste lid onder b of d informatie aan de Staatssecretaris verschaffen ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek van de levenslanggestrafte (ambtshalve geïnitieerd of op eigen initiatief).

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte


X Noot
2

Indien een levenslanggestrafte is overgedragen aan Nederland op een later moment dan deze termijn, informeert DJI de levenslanggestrafte zo snel mogelijk na de overdracht dat deze een verzoek kan indienen om het adviestraject te laten starten.


X Noot
2

Indien een levenslanggestrafte is overgedragen aan Nederland op een later moment dan deze termijn, informeert DJI de levenslanggestrafte zo snel mogelijk na de overdracht dat deze een verzoek kan indienen om het adviestraject te laten starten.

Naar boven