Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stichting VAM | Staatscourant 2026, 24322 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stichting VAM | Staatscourant 2026, 24322 | beleidsregel |
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7 en 8b van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009, inhoudende het stellen van regels omtrent het certificeren van theoretische bijscholingen en bijlessen.
Besluit:
een theoretische bijscholing (ook wel ‘bijscholingscursus’) zoals bedoeld in de artikelen 6 tot en met 7 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009.
een bijles (ook wel: ‘educatief traject’) als bedoeld in artikel 8a e.v. van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009.
1. Bij het Exameninstituut IBKI kan een aanvraag worden ingediend voor het verkrijgen van een certificaat voor het geven van een theoretische bijscholing.
2. Bij de aanvraag dient de volgende informatie te worden aangeleverd:
a. Gegevens van de aanbieder: een bij IBKI nog onbekende aanbieder dient een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aan te leveren. Exameninstituut IBKI doet daarnaast een onderzoek naar de financiële continuïteit van de aanbieder.
b. De cursusdoelstelling: de cursus moet een theoretische doelstelling hebben, volgend uit de door Exameninstituut IBKI geaccordeerde leerdoelen; de doelstelling moet gekoppeld kunnen worden aan de praktijkrelevantie (‘waarom is het belangrijk dat een instructeur dit weet?’);
c. De leerdoelen: in beginsel heeft een cursus van 1 dagdeel maximaal 12 leerdoelen en hebben cursussen van 2 t/m 4 dagdelen maximaal 25 leerdoelen, eventueel bij relevante leerdoelen met extra aandachtspunten. Elk leerdoel:
i. is een uitwerking conform de taxonomie-indeling van Bloom: onthouden (kennis), begrijpen (inzicht), toepassen, analyseren, evalueren en creëren. Voor de theoretische bijscholing zijn met name de onderdelen onthouden, begrijpen en toepassen van belang;
ii. begint met ‘De rijinstructeur’ en bevat de volgende vier elementen: (1) concrete handelingswerkwoorden die bij de taxonomie-indeling passen (bijvoorbeeld beschrijven, verklaren, demonstreren), (2) inhoudsomschrijving, (3) conditie waaronder leerdoel bereikt wordt en (4) beheersingsnorm;
iii. is zoveel mogelijk SMART geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden.
d. Het lesplan: het lesplan moet passen bij de theoretische doelstelling van de cursus en de cursus moet een evaluatiemoment bevatten, inhoudende een korte toets;
e. De leerstof of het lesmateriaal: de leerstof of het lesmateriaal moet relevant zijn voor de leerdoelen; bij het indienen van het certificeringsverzoek moet een bronvermelding van het lesmateriaal gegeven worden. Dit om plagiaat van ontwikkelwerk te voorkomen;
f. Bewijzen van professionaliteit van de docenten: docenten moeten een cv aanleveren die voldoende bewijs levert van de professionaliteit en deskundigheid. Exameninstituut IBKI kan afschriften van diploma's opvragen bij aanvrager, voor de beoordeling van de aanvraag. Docenten dienen daarnaast in het bezit te zijn van een geldig WRM-instructeurscertificaat (controle op certificaatdatum) en tenminste drie jaar ervaring te hebben als rijinstructeur, dan wel als docent met docentenkwalificatie;
g. Informatie met betrekking tot het bedrijfsmatige criteria: de cursus moet een minimale omvang hebben; een cursusdagdeel moet minimaal 3 uur duren (een dag van twee dagdelen 6 uur), een cursus mag maximaal 4 dagdelen omvatten, het maximale aantal cursisten is 15 per docent, de accommodatie moet geschikt zijn voor het geven van cursussen en voldoen aan de ARBO-eisen op dat terrein, er moet een betrouwbare aanwezigheidsregistratie aanwezig zijn en na afloop moet een deelnamecertificaat verstrekt worden. Het is – onder voorwaarden – tevens mogelijk om de bijscholing als webinar (online bijscholingscursus) te verzorgen indien voor het overige aan bovenstaande eisen wordt voldaan.
3. Voor het aanvragen van een certificaat voor een nieuwe cursus – met nieuw cursusonderwerp – dient de cursusdoelstelling uniek van aard te zijn. Een aanvraag voor een cursus met een cursusdoelstelling wordt door IBKI slechts eenmalig toegekend. Indien een (andere) aanvrager een aanvraag indient voor een reeds toegekende cursusdoelstelling wordt de aanvraag door IBKI afgewezen. In dat geval kan een certificaat worden verkregen voor het geven van de reeds bestaande cursus (c.q. bestaand cursusonderwerp).
4. Bij meerdere aanvragen voor eenzelfde cursusdoelstelling zal IBKI de aanvragers hierover informeren om zo mogelijk tot één gezamenlijk in te dienen aanvraag te komen.
5. De aanvraag om te worden gecertificeerd voor een cursus met een nieuw bijscholingsonderwerp gaat vergezeld van alle gegevens en bescheiden die worden genoemd in lid 2 van dit artikel. Exameninstituut IBKI heeft een formulier vastgesteld, dat dient te worden gebruikt voor het indienen van een aanvraag voor een certificaat voor het geven van een bijscholingscursus met nieuw bijscholingsonderwerp. Dit formulier is bij deze beleidsregel gevoegd (bijlage 1).
6. De cursusdoelstellingen die door IBKI zijn goedgekeurd en waarvoor een certificaat is verstrekt, worden door IBKI op de website gepubliceerd. Indien en voor zover een aanvrager een certificaat aanvraagt voor het aanbieden van bestaande cursusdoelstellingen dient bij de aanvraag alle gegevens en bescheiden te worden aangeleverd zoals genoemd in lid 2 van dit artikel, met uitzondering van sub b (de cursusdoelstelling) en sub c (de leerdoelen). Voor het aanvragen van een certificaat voor een bestaande cursusdoelstelling is door Exameninstituut IBKI een formulier vastgesteld. Dit formulier is bij deze beleidsregel gevoegd (bijlage 2).
1. IBKI beoordeelt de aanvraag van een certificaat om een cursus met een bestaand of nieuw bijscholingsonderwerp aan te mogen bieden, na ontvangst van het daartoe opgestelde aanvraagformulier (bijlage 1 en 2).
2. Het besluit van IBKI om een certificaat voor een nieuw bijscholingsonderwerp te verstrekken geldt voor de periode van vier jaar, met de mogelijkheid van eenmalige verlenging met vier jaar. De aanvraag van een certificaat voor het aanbieden van een nieuw bijscholingsonderwerp wordt door IBKI beoordeeld op basis van de volgende criteria:
a. Het onderwerp moet gericht zijn op rijonderricht (conform art. 12b, lid 1 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993) en voldoende praktijkrelevant zijn voor de branche voor minimaal vier jaar. Het onderwerp mag voor één motorrijtuigcategorie bedoeld zijn;
b. Het onderwerp moet een algemeen aanvaarde wetenschappelijke onderbouwing hebben;
c. De doelgroep moet landelijk gezien voldoende groot zijn;
d. Het onderwerp moet voldoende afwijken van al bestaande bijscholingsonderwerpen (doelstellingen);
e. Onderwerp en leerdoelen moeten zodanig ’algemeen’ geformuleerd zijn, dat elke op dit onderwerp deskundige cursusontwikkelaar/aanbieder die dat wil, hierover een cursus kan ontwikkelen. De indiener van het onderwerp heeft geen alleenrecht. Een zelf ontwikkeld didactiekconcept dat door niemand anders dan de indiener gegeven kan worden, is derhalve niet toegestaan als bijscholings- of bijlesonderwerp.
3. Na het goedkeuringsbesluit aangaande de certificering van een nieuw bijscholingsonderwerp wordt in de 'e-mailnieuwsbrief WRM' van IBKI het nieuwe bijscholingsonderwerp bekendgemaakt en samen met de leerdoelen toegevoegd aan het overzichtsdocument ‘Leerdoelen theoretische bijscholing WRM’ op de website van Exameninstituut IBKI. Dit overzicht maakt tevens onderdeel uit van de onderhavige beleidsregel (bijlage 3). De bijlage in de Staatscourant wordt elk jaar – per 1 januari – door IBKI geactualiseerd. Overige aanbieders van bijscholingsonderwerpen kunnen vanaf het moment van publicatie op de website van IBKI, certificering aanvragen voor een door hen ontwikkelde cursus over een bestaand bijscholingsonderwerp.
4. Bijscholingsonderwerpen die door IBKI zijn goedgekeurd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel hebben als ingangsdatum 1 januari 2026.
5. Bij de toekenning van een certificaat door IBKI voor een reeds bestaand bijscholingsonderwerp zal – voor wat betreft de duur van het certificaat – worden aangesloten bij de duur dat het bijscholingsonderwerp geldig is en zoals is opgenomen – per bijscholingsonderwerp – in bijlage 3 (c.q. het overzicht).
1. Na drie jaar van de eerste periode als bedoeld in artikel 3 lid 2 van deze beleidsregel kan een belanghebbende bij IBKI het verzoek indienen om het bijscholingsonderwerp te doen verlengen.
2. IBKI neemt vervolgens – voorafgaand aan het aflopen van de geldigheidstermijn van het desbetreffende bijscholingsonderwerp – een besluit, inhoudende één van de volgende besluiten:
• Geen verlenging; het onderwerp vervalt per 1 januari van het eerstvolgende jaar. IBKI neemt dit besluit indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 lid 2 van deze beleidsregel.
• Verlenging met ongewijzigde leerdoelen.
• Verlenging met een actualisering van de leerdoelen; daarbij wordt gemotiveerd op welke wijze de leerdoelen dienen te worden aangepast voor verlenging.
3. Voor bestaande bijscholingsonderwerpen met ingangsdatum 1 januari 2026 – zoals bedoeld in artikel 3 vierde lid – geldt dat deze eenmalig kunnen worden verlengd op grond van artikel 3 tweede lid.
4. IBKI neemt tijdig een besluit over de verlenging van de geldigheid van een bijscholingsonderwerp met inachtneming van de wettelijke beslistermijn. Aanbieders van een gecertificeerde bijscholingscursus waarvan de leerdoelen op basis van een besluit van IBKI dienen te worden geactualiseerd, zorgen ervoor dat per 1 januari van het eerste jaar van de verlenging de leerdoelen zijn geactualiseerd.
1. De Adviesraad WRM adviseert IBKI jaarlijks over de op dat moment goedgekeurde bijscholingsonderwerpen (bijlage 3) en aangaande de vraag of deze onderwerpen aansluiten bij de praktijk van het geven van rijonderricht. Indien en voor zover onderwerpen naar het oordeel van de Adviesraad WRM ontbreken, wordt dit aangegeven en wordt IBKI hierover geadviseerd.
2. De Adviesraad WRM bestaat uit leden van brancheorganisaties van rijscholen, organisaties van opleidingsinstituten voor rijinstructeurs en expertorganisaties.
3. Exameninstituut IBKI kan een reglement vaststellen voor de Adviesraad WRM, dat op de website van het instituut wordt gepubliceerd.
1. Bij Exameninstituut IBKI kan een aanvraag worden ingediend voor het verkrijgen van een certificaat voor het geven van een bijlessen.
2. Bij de aanvraag dient de volgende informatie te worden aangeleverd:
a. Gegevens van de aanbieder: een bij IBKI nog onbekende aanbieder dient een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bij te voegen. Exameninstituut IBKI doet daarnaast een onderzoek naar de financiële continuïteit van de aanbieder.
b. De doelstelling van de bijles: de doelstelling dient inzichtelijk te maken op welke wijze bijles wordt gegeven aan een kandidaat die tot driemaal toe niet heeft voldaan aan de praktische bijscholingsverplichting. Van belang is dat de aanvrager inzichtelijk maakt op welke wijze maatwerk wordt geboden, zodat de rijinstructeur verbetert en kan gaan voldoen aan de praktische bijscholingsverplichting;
c. Het lesplan: het lesplan – bestaande uit 6 dagdelen – moet passen bij de doelstelling van de bijles – het met succes afleggen van de praktische bijscholingsverplichting – en ruimte bieden voor maatwerk;
d. De leerstof of het lesmateriaal: de leerstof of het lesmateriaal moet relevant zijn voor de doelstelling; bij het indienen van het certificeringsverzoek dient expliciet te worden aangegeven welk materiaal wordt gebruikt (rekening houdend met het gegeven dat het lesplan per kandidaat kan verschillen);
e. Bewijzen van professionaliteit van de docenten: van docenten moeten cv’s aangeleverd worden die voldoende bewijs leveren van de professionaliteit. Exameninstituut IBKI kan afschriften van diploma's opvragen bij aanvrager, voor de beoordeling van de aanvraag. Docenten dienen daarnaast in het bezit te zijn van een geldig WRM-instructeurscertificaat (controle op certificaatdatum) en tenminste drie jaar ervaring te hebben als rijinstructeur dan wel als docent met docentenkwalificatie;
f. Informatie met betrekking tot het bedrijfsmatige criteria: de cursus moet een minimale omvang hebben; de accommodatie moet geschikt zijn voor het geven van de bijles en voldoen aan de ARBO-eisen op dat terrein, er moet een betrouwbare aanwezigheidsregistratie aanwezig zijn en na afloop moet een deelnamecertificaat verstrekt worden. Het is niet toegestaan om in het kader van de bijles de kandidaat een webinar te laten volgen.
3. In aanvulling op lid 2, sub c van dit artikel wordt het lesplan afgestemd op de behoefte van cursisten en bestaat het lesplan tenminste uit:
a. Een individueel intakegesprek als bedoeld in artikel 8a lid 2 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009. Tijdens het intakegesprek worden de drie beoordelingsformulieren van de praktische bijscholing (die de kandidaat met een onvoldoende resultaat heeft afgerond) besproken en wordt de bijles gebruikt met het doel de kandidaat alsnog te laten slagen voor de praktische bijscholing. Er wordt in dat kader een plan van aanpak (c.q. lesplan) opgesteld. Het lesplan is afgestemd op de behoefte van de betrokkene en de onderdelen alwaar eerder een onvoldoende voor is behaald (en volgt uit de beoordelingsformulieren);
b. Het door degene die de bijles volgt verzorgen van twee praktijklessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de bijles wordt gevolgd;
c. Een evaluatief eindgesprek als bedoeld in artikel 8a lid 2 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009, na de laatst gegeven praktijkles als bedoeld in sub b van dit lid.
4. De aanvraag om te worden gecertificeerd voor het geven van bijlessen gaat vergezeld van alle gegevens en bescheiden die worden genoemd in lid 2 van dit artikel. Exameninstituut IBKI heeft een formulier vastgesteld, dat dient te worden gebruikt voor het indienen van een aanvraag voor het verkrijgen een certificaat om bijlessen te mogen geven. Dit formulier is bij deze beleidsregel gevoegd (bijlage 4).
1. De cursusdoelstelling van een bijscholingscursus (en daarmee de cursus zelf) moet passen binnen het door IBKI vastgestelde bijscholingsonderwerp en de vastgestelde leerdoelen.
2. IBKI beoordeelt elke certificeringsaanvraag (zowel een bijscholings- als bijlescursus) op de aanleververeisten van artikel 2 respectievelijk 6 van deze beleidsregel, en stuurt de aanvrager binnen maximaal acht weken via e-mail het genomen besluit op de aanvraag toe. Hierbij zijn er twee mogelijkheden:
– Toegekend: de bijscholingscursus of bijles van de aanbieder wordt gecertificeerd en mag gegeven worden vanaf de ontvangstdatum van het besluit + 10 werkdagen, tot – voor zover het een bijscholingscursus betreft – zo lang als het onderwerp nog gegeven mag worden (zie hiervoor de geldigheidsperiode in jaren van alle onderwerpen in bijlage 3).
– Afgewezen: de bijscholingscursus of bijles voldoet niet aan alle certificeringsvoorwaarden. IBKI stuurt de indiener de afwijzing bij besluit toe. Daarbij geeft IBKI aan op welke punten niet aan de certificeringsvoorwaarden wordt voldaan.
Het lesplan moet in aanvulling op artikel 2 lid 2, sub d de volgende onderdelen bevatten:
a. Een motivering in welke vorm de cursus wordt aangeboden: als bijscholingscursus met fysieke aanwezigheid van deelnemers of als webinar (online bijscholingscursus). Het aanbieden van een theoretische bijscholingscursus als webinar is niet bij alle bijscholingsonderwerpen toegestaan. Zie hiervoor bijlage 3, waarin ten aanzien van specifieke cursussen is aangegeven indien het slechts is toegestaan de cursus fysiek te organiseren. In dat geval staat in het document: ‘Alleen als bijscholingscursus met fysieke aanwezigheid toegestaan’. In dat geval is het niet toegestaan om het bijscholingsonderwerp in de vorm van een webinar aan te bieden. Het is mogelijk dat een cursus als bijscholingscursus met fysieke aanwezigheid en als webinar wordt gegeven; in dat geval dient voor beide vormen een lesplan te worden ingediend.
b. Werkvormen: het is toegestaan in een cursus een deel oefenen/demonstreren in de praktijk op te nemen.
c. Hulpmiddelen/media: er dient te worden aangegeven welke hulpmiddelen/media worden gebruikt in het kader van de bijscholing.
d. Verdeling over de tijd: één dagdeel duurt minimaal 3 klokuren (180 minuten), met daarbinnen maximaal 15 minuten pauze. Bij webinars is maximaal 10 minuten pauze na elk uur toegestaan. Iedere webinar mag maximaal per dag één dagdeel duren. Een bijscholing van twee dagdelen wordt in dat geval dus verdeeld over twee dagen.
1. Bij de certificeringsaanvraag voor een bijscholingscursus moet een bestand van het aan deelnemers uit te reiken lesmateriaal worden meegestuurd (artikel 2 lid 2, sub e van deze beleidsregel). Dit kan een lesstofsyllabus (hand-out) zijn of lesstofsyllabus in combinatie met een PowerPoint. Het is niet toegestaan alleen een PowerPointpresentatie aan te leveren; er moet hoe dan ook een hand-out aangeleverd worden. Aan het lesmateriaal worden de volgende eisen gesteld:
a. Alle leerdoelen moeten behandeld zijn. Voor wat betreft omvang en diepgang moet het lesmateriaal blijk geven van voldoende dekking van de leerdoelen;
b. De gekozen werkvormen moeten passen bij de leerdoelen;
c. De hand-out dient een samenvatting te zijn van wat in de cursus wordt behandeld, met aandacht voor alle hoofdpunten van de leerstof, zodat de deelnemer dit als naslagwerk zelfstandig na afloop van de cursus kan raadplegen of bestuderen. Aanvullende documentatieteksten, zoals bijvoorbeeld een SWOV-factsheet of tekst van regelgeving, zijn toegestaan.
d. De hand-out moet een leesbare opzet en indeling hebben: een overzichtelijke inhoudsopgave, paginanummers, korte inleidingen per hoofdstuk, waar nodig tussenkopjes en een consequente lay-out.
e. Als een cursus opdrachten bevat, maken deze deel uit van het lesmateriaal en dienen ze ook ter beoordeling bij de aanvraag voor het certificaat aangeleverd te worden.
f. Het lesmateriaal mag zelf ontwikkeld zijn, maar dit is niet verplicht. Wel dient het lesmateriaal een duidelijke bronvermelding te hebben:
○ Website: verwijzen naar de concrete geraadpleegde pagina(s), dus niet cbr.nl, maar cbr.nl/jaarverslag/...(enz.).
○ Boek: auteur, titel, jaartal uitgave.
○ Tijdschrift: naam tijdschrift, auteur, titel artikel, jaargang en nummer.
g. Als lesmateriaal deels of geheel is overgenomen van een andere ontwikkelaar/aanbieder, is het alleen mogelijk om dit materiaal te gebruiken indien daarvoor toestemming is verkregen.
h. Bij het lesmateriaal moet de aan het einde van de cursus af te nemen toets toegevoegd zijn (het evaluatiemoment). Dit mag alleen een meerkeuzevragentoets van ten minste 10 vragen zijn. Elke vraag dient drie antwoordmogelijkheden te hebben, waarvan één antwoord juist is. In de toets moeten zoveel mogelijk leerdoelen worden getoetst en moeten de toetsvragen een zodanig niveau hebben dat deze alleen beantwoord kunnen worden als de cursus daadwerkelijk inhoudelijk is gevolgd.
1. Iedere webinar – zijnde een bijscholingscursus – mag maximaal per dag één dagdeel (180 minuten) duren (met daarbinnen een pauze van maximaal 10 minuten na elk uur). Een bijscholing van twee dagdelen moet dus verdeeld worden over twee dagen.
2. De door de docent gebruikte software moet Exameninstituut IBKI in staat stellen gedurende de gehele cursus zonder tussenkomst van de docent en dus onaangekondigd de webinar te volgen.
3. Zowel de docent als deelnemers moeten gedurende de gehele tijd dat de bijscholingscursus wordt gegeven hun camera ingeschakeld hebben en deel kunnen nemen aan de cursus door middel van een microfoon. Deelnemers moeten te allen tijde voor de docent en een toezichthoudende IBKI-medewerker zichtbaar zijn. Dit geldt niet tijdens de koffiepauze (max. 10 minuten per uur). Als de deelnemer niet gedurende de gehele cursus zichtbaar is, kan Exameninstituut IBKI niet vaststellen of de betreffende deelnemer ook daadwerkelijk de cursus volgt. In dit geval zal de theoretische bijscholing niet door IBKI worden verwerkt en telt de theoretische bijscholing niet mee voor de betreffende deelnemer.
4. Deelnemers dienen de cursus te volgen zittend achter een tafel/bureau in een woonhuis dan wel kantoor/lokaal.
1. Bijscholings- of bijlescursussen worden in het Nederlands en – bij een fysieke cursus – in Nederland gegeven.
2. Het maximale aantal deelnemers van een fysieke bijscholingscursus is 15. De docent mag een door hem gegeven cursus ook voor zichzelf bij IBKI als gevolgde bijscholingscursus laten registreren. Dit is per cursusonderwerp één keer toegestaan als hij/zij een cursus met hetzelfde onderwerp meerdere keren geeft. De docent moet in dat geval altijd als 16e deelnemer worden toegevoegd op het formulier ‘Presentielijst/identiteit deelnemer’ (bijlage 5).
3. Tijdens bijscholingscursus of bijles moet de docent de identiteit van de deelnemers controleren door het rijbewijs van de deelnemer te vergelijken met de WRM-bevoegdheidspas van de deelnemer. De docent ondertekent het formulier voor indiening bij IBKI.
4. Deelnemers dienen – alwaar het een fysieke bijscholingscursus betreft – op de cursusdag(en) zelf hun handtekening te zetten op de presentielijst als bewijs van hun aanwezigheid. Bij een cursus van twee of meer dagdelen per cursusdag dienen deelnemers twee keer verspreid over de dag hun handtekening te plaatsen (vóór en na de lunchpauze bijvoorbeeld).
1. Om toezicht mogelijk te maken, moet IBKI tijdig weten waar en wanneer er een bijscholingscursus plaatsvindt. Daarom moet de aanbieder ten minste twee weken voordat de cursus plaatsvindt in ‘Mijn IBKI’ op de IBKI-website een vooraanmeldingsformulier volledig hebben ingevuld. De aanmeldingen moeten de volgende gegevens bevatten:
• Titel bijscholing + nummer van de bijscholing;
• Naam cursusaanbieder en naam van de docent (zie artikel 11 lid 2 van deze beleidsregel);
• Locatie vanwaar de bijscholing wordt verzorgd; dit in verband met mogelijke fysieke steekproefinspectie ter plaatse door Exameninstituut IBKI;
• Presentielijst met namen van de deelnemers.
2. De docent die is opgenomen in het vooraanmeldingsformulier zoals bedoeld in lid 1, is de docent die uitsluitend bevoegd is om de bijscholingscursus te geven.
3. Een bijscholingscursus die plaatsvindt zonder dat deze op de juiste wijze tevoren is aangemeld, is ongeldig. De door de deelnemers bijgewoonde cursusdagdelen hiervan tellen dan niet mee voor het voldoen aan de bijscholingsverplichting.
1. Om toezicht mogelijk te maken, moet IBKI tijdig weten waar en wanneer er een bijlescursus plaatsvindt. Daarom moet de aanbieder ten minste twee weken voordat de cursus plaatsvindt in ‘Mijn IBKI’ op de IBKI-website een vooraanmeldingsformulier volledig hebben ingevuld. De aanmeldingen moeten de volgende gegevens bevatten:
a. De cursusnaam;
b. Naam cursusaanbieder en naam van de docent;
c. De datum;
d. Locatie vanwaar de bijscholing wordt verzorgd; dit in verband met mogelijke fysieke steekproefinspectie ter plaatse door Exameninstituut IBKI;
e. De cursisten.
2. Een geheel van bijlessen bevat in ieder geval een individueel intakegesprek en een evaluatief eindgesprek. Van die gesprekken wordt door degene die de bijles geeft een verslag gemaakt, dat de inbreng bevat van degene die de bijles geeft en degene die de bijles volgt. Het verslag wordt ondertekend door degene die de bijles geeft en degene die de bijles volgt.
3. Een bijles die plaatsvindt zonder dat deze op de juiste wijze tevoren is aangemeld, is ongeldig. De door de deelnemers afgelegde onderdelen van de bijles tellen dan niet mee voor het voldoen aan het educatieve traject (bijles).
4. Uiterlijk twee weken na afloop van de bijlessen meldt degene die de bijles geeft de namen van degenen die de bijles hebben gevolgd en stuurt het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan Exameninstituut IBKI toe.
5. Het instituut houdt de gegevens, bedoeld in het vierde lid, bij in het register.
1. De aanbieder dient te zorgen voor een print van het IBKI-formulier ‘Presentielijst/identiteit deelnemer’ (op de IBKI-site digitaal invulbaar beschikbaar) op de cursuslocatie. Op dit formulier kunnen alle gegevens door de aanbieder worden vooringevuld, zodat deze alleen nog door de docent gecontroleerd hoeven te worden.
2. Het formulier ‘Presentielijst/identiteit deelnemer’ dient te worden ondertekend door – bij een fysieke cursus – de docent en de deelnemers en bij een webinar door de docent. Het formulier dient de volgende informatie per deelnemer te bevatten:
• Achternaam en voorletters;
• Geboortedatum en- plaats;
• Nummer en geldigheidsdatum WRM-bevoegdheidspas;
• Indien van toepassing: nummer RIS-certificaat.
1. Het ondertekende formulier ‘Presentielijst/identiteit deelnemer’ met de gegevens/handtekeningen van alle deelnemers dient binnen twee weken na de cursusdatum door Exameninstituut IBKI van de aanbieder te zijn ontvangen. Hierna zal IBKI de gevolgde bijscholingscursus en de bijbehorende dagdelen bij elke deelnemer registreren in zijn of haar ‘Mijn IBKI’-account (het register).
2. Als IBKI het formulier niet binnen twee weken na de cursusdatum heeft ontvangen, is de betreffende bijscholingscursus ongeldig.
3. Uiterlijk twee weken na afloop van de bijlessen meldt degene die de bijles geeft de namen van degenen die de bijles hebben gevolgd en stuurt het verslag, bedoeld in artikel 13 lid 2 van deze beleidsregel aan IBKI.
4. De door de deelnemers bijgewoonde cursusdagdelen tellen niet mee in het geval IBKI het formulier dan wel het verslag niet tijdig heeft ontvangen.
1. Exameninstituut IBKI controleert onaangekondigd en steekproefsgewijs administratieve en organisatorische aspecten van de bijscholingscursus. Het gaat hierbij om de volgende aspecten:
a) Is de docent degene die bij de aanmelding is vermeld?
b) Is het aantal deelnemers exclusief de docent bij een fysieke cursus maximaal 15?
c) De docent controleert de identiteit van de deelnemers en laat – bij een fysieke cursus – de docent de presentielijst afdoende door alle deelnemers aftekenen?
d) Bij een fysieke cursus is de cursusruimte geschikt voor het geven van cursussen, is deze groot genoeg voor het aantal deelnemers en voldoet de cursusruimte aan de ARBO-eisen (o.a. verlichting en ventilatie)?
e) Heeft de cursus de voorgeschreven lengte?
f) Volgen alle deelnemers de gehele cursus?
g) Bij een webinar heeft de docent de gehele cursus kunnen geven, zonder langer durende technische storingen (langer dan 15 minuten)?
h) Bij een webinar zijn de deelnemers gedurende de hele cursus permanent in beeld geweest?
i) Bij een webinar hebben de deelnemers de cursus gevolgd conform artikel 10 lid 3 en 4 van deze beleidsregel?
2. Exameninstituut IBKI controleert of de cursus wordt uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut gestelde eisen.
3. Indien en voor zover de aanbieder van de theoretische bijscholing een bijscholingscursus niet tijdig bij IBKI meldt als bedoeld in artikel 12 lid 1 van deze beleidsregel of de namen van de kandidaten ingevolge artikel 15 lid 1 van deze beleidsregel niet binnen de gestelde termijn communiceert aan IBKI, geeft IBKI de aanbieder een zogenoemde waarschuwing. Indien dit vervolgens binnen een termijn van zes maanden andermaal voorkomt, schorst IBKI het certificaat voor het geven van de bijscholingscursus voor de duur van drie maanden. Indien vervolgens binnen een termijn van zes maanden opnieuw niet tijdig wordt gemeld, wordt het certificaat voor het geven van de bijscholingscursus voor onbepaalde tijd ingetrokken.
4. Onder deze beleidsregel wordt onder onbepaalde tijd verstaan: een termijn van vijf jaar, waarbij de aanbieder de theoretische bijscholing niet mag geven. Na afloop van deze termijn kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
IBKI voert onaangekondigd steekproefsgewijs kwaliteitstoezicht uit. Het gaat het hierbij zowel om de inhoudelijke kwaliteit van de cursus als de kwaliteit van de docent voor de groep. IBKI hanteert hiervoor een beoordelingsformulier met beoordelingscriteria en normering (bijlage 6). Exameninstituut IBKI controleert of de cursus wordt uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut gestelde eisen.
1. De controle van een bijscholingscursus levert het oordeel voldoende of onvoldoende op. Als een bijscholingscursus bij een controle als bedoeld in artikel 16 lid 1 en 2, of 17 van deze beleidsregel een onvoldoende krijgt ontvangt de aanbieder een waarschuwing en volgt een tweede toezichtcontrole. Als bij de tweede controle blijkt dat het oordeel onvoldoende gehandhaafd blijft, wordt het certificaat van de aanbieder geschorst voor een periode van 6 maanden. Na de periode van schorsing zal een nieuwe steekproef worden verricht. Na een derde onvoldoende beoordeling trekt exameninstituut IBKI het certificaat voor onbepaalde tijd in.
2. Onder deze beleidsregel wordt onder onbepaalde tijd verstaan: een termijn van vijf jaar, waarbij de aanbieder de theoretische bijscholing niet mag geven. Na afloop van deze termijn kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
3. In het geval een aanbieder de leerdoelen als bedoeld in artikel 4 lid 3 van deze beleidsregel niet – of niet tijdig – actualiseert trekt IBKI het certificaat per direct in.
4. Een onvoldoende voor de onderdelen zoals beschreven in artikel 16 lid 1, sub h en i van deze beleidsregel heeft tevens gevolgen voor de betreffende deelnemer van de cursus; zijn/haar bijscholing wordt dan niet meegeteld voor het voldoen aan de bijscholingsverplichting. Het is aan de aanbieder om een situatie waarin een deelnemer niet voldoet aan deze vereisten dit door te geven aan Exameninstituut IBKI, door dit op de presentielijst aan te geven.
1. Indien en voor zover de aanbieder van bijlessen de locatie van de bijles zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 van deze beleidsregel niet tijdig bij IBKI meldt of de namen van de kandidaten ingevolge artikel 15 lid 3 van deze beleidsregel niet binnen de gestelde termijn communiceert aan IBKI, geeft IBKI de aanbieder een zogenoemde waarschuwing. Indien dit vervolgens binnen een termijn van zes maanden andermaal voorkomt, schorst IBKI het certificaat voor het geven van een bijles voor de duur van drie maanden. Indien vervolgens binnen een termijn van zes maanden opnieuw niet tijdig wordt gemeld, wordt het certificaat voor het geven van bijlessen voor onbepaalde tijd ingetrokken.
2. Onder deze beleidsregel wordt onder onbepaalde tijd verstaan: een termijn van vijf jaar, waarbij de aanbieder de bijlessen niet mag geven. Na afloop van deze termijn kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
1. Indien en voor zover een kandidaat in het educatieve traject (bijles) – zoals bedoeld in artikel 12b van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 – de praktijkbegeleiding na het volgen van de bijlessen voor een tweede keer (na een eerste verlenging met zes maanden) niet met een voldoende resultaat heeft afgerond, zal IBKI – los van steekproefsgewijs toezicht dat door haar wordt verricht – controleren of bijlessen door de gecertificeerde aanbieder worden uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut in deze beleidsregel gestelde eisen.
2. De controle van een bijles levert het oordeel voldoende of onvoldoende op. Als een bijscholingscursus bij een controle als bedoeld in artikel 20 lid 1 van deze beleidsregel een onvoldoende krijgt zal het certificaat worden geschorst voor een periode van drie maanden. De aanbieder dient in deze periode een verbeterplan op te stellen aan de hand van de beoordeling van de toezichthouder van IBKI. Na de periode van schorsing zal een nieuwe steekproef worden verricht. Als bij een opvolgende tweede controle blijkt dat het oordeel onvoldoende gehandhaafd blijft, trekt exameninstituut IBKI het certificaat voor onbepaalde tijd in.
3. Onder deze beleidsregel wordt onder onbepaalde tijd verstaan: een termijn van vijf jaar, waarbij de aanbieder de bijlessen niet mag geven. Na afloop van deze termijn kan een nieuwe aanvraag worden ingediend.
|
Cursusnummer: |
In te vullen door IBKI |
|
WRM-bijscholingsonderwerp: |
|
Naam aanbieder: |
|
|
Straatnaam en nummer: |
|
|
Postcode en plaatsnaam: |
|
|
Telefoonnummer: |
|
|
Naam contactpersoon: |
|
|
Telefoonnummer contactpersoon: |
|
|
E-mailadres contactpersoon: |
|
1 |
|
|
2 |
|
|
3 |
|
|
4 |
|
|
5 |
|
|
6 |
|
|
7 |
|
|
8 |
|
|
9 |
|
|
10 |
|
|
11 |
|
|
12 |
|
|
.. |
|
Tijdstip |
Lesstof |
Werkvorm en hulpmiddelen/media |
Leerdoel(en) |
|---|---|---|---|
|
Welkom, tekenen presentielijst/voorstellen en introductie |
n.v.t. |
||
|
PAUZE |
|||
|
Tijdstip |
Lesstof |
Werkvorm en hulpmiddelen/media |
Leerdoel(en) |
|---|---|---|---|
|
Welkom, tekenen presentielijst/voorstellen en introductie |
n.v.t. |
||
|
PAUZE |
|||
Totale lestijd: .... minuten (per dagdeel minimaal 3 klokuren, met maximaal 15 minuten pauze per dagdeel)
De aan te leveren leerstof en het en het evaluatiemoment dienen te voldoen aan de voorwaarden van artikel 2 en 9 van deze beleidsregel.
|
Naam en voorletters docent: |
|
|
Straatnaam en huisnummer: |
|
|
Postcode en woonplaats: |
|
|
Geboortedatum en -plaats: |
|
|
Geslacht: |
|
|
Nummer WRM-bevoegdheidspas docent: |
|
|
WRM-bevoegdheidspas geldig tot: |
|
|
Handtekening docent: |
N.B.: Naast bovenstaande moet van de docent een CV worden aangeleverd, die voldoende bewijs levert van professionaliteit.
|
Cursusnummer: |
|
|
WRM-bijscholingsonderwerp: |
|
Naam aanbieder: |
|
|
Straatnaam en nummer: |
|
|
Postcode en plaatsnaam: |
|
|
Telefoonnummer: |
|
|
Naam contactpersoon: |
|
|
Telefoonnummer contactpersoon: |
|
|
E-mailadres contactpersoon: |
|
Tijdstip |
Lesstof |
Werkvorm en hulpmiddelen/media |
Leerdoel(en) |
|---|---|---|---|
|
Welkom, tekenen presentielijst/voorstellen en introductie |
n.v.t. |
||
|
PAUZE |
|||
|
Tijdstip |
Lesstof |
Werkvorm en hulpmiddelen/media |
Leerdoel(en) |
|---|---|---|---|
|
Welkom, tekenen presentielijst/voorstellen en introductie |
n.v.t. |
||
|
PAUZE |
|||
Totale lestijd: .... minuten (per dagdeel minimaal 3 klokuren, met maximaal 15 minuten pauze per dagdeel)
De aan te leveren leerstof en het en het evaluatiemoment dienen te voldoen aan de voorwaarden van artikel 2 en 9 van deze beleidsregel.
|
Naam en voorletters docent: |
|
|
Straatnaam en huisnummer: |
|
|
Postcode en woonplaats: |
|
|
Geboortedatum en -plaats: |
|
|
Geslacht: |
|
|
Nummer WRM-bevoegdheidspas docent: |
|
|
WRM-bevoegdheidspas geldig tot: |
|
|
Handtekening docent: |
N.B.: Naast bovenstaande moet van de docent een CV worden aangeleverd, die voldoende bewijs levert van professionaliteit.
Rijinstructeurs moeten om hun WRM-certificaat geldig te houden in vijf jaar zes dagdelen theoriebijscholing volgen. Eén dagdeel is minimaal drie klokuren. Elke bijscholingscursus die een rijinstructeur volgt moet uniek zijn qua inhoud en leerdoelen. Daarnaast dient per vijf jaar één bijscholing over relevante wet- en regelgeving gevolgd te worden.
De theoriebijscholing heeft geen door het IBKI afgenomen toets, alleen een aanwezigheidsverplichting. Wel moet de opleider zelf tijdens de cursus nagaan of elke cursist de behandelde lesstof heeft begrepen, bijvoorbeeld door een meerkeuzevragentoets.
De door IBKI vastgestelde leerdoelen staan in dit document. Het document bevat alle onderwerpen waar een rijinstructeur met ingang van 2026 uit kan kiezen.
Voor alle genoemde bijscholingsonderwerpen geldt als ingangsdatum 1 januari 2026. Deze bijscholingsonderwerpen kunnen gevolgd worden tot 01 januari 2030.
Met ingang van 01 januari 2029 kan een belanghebbende bij IBKI een verzoek indienen om een bijscholingsonderwerp met vier jaar verlengd te krijgen per 1 januari 2030 (kortom tot en met uiterlijk 2034), waarbij de mogelijkheid bestaat dat de leerdoelen worden geactualiseerd.
Alle toegestane aanbieders van cursussen staan in een overzichtstabel op de IBKI-site.
Alle onderstaande theoretische bijscholingsonderwerpen zijn door IBKI goedgekeurd per 1 januari 2026 en gelden voor een periode van vier jaar.
1. De stagementor ordent de te behandelen oefentaken in een lesprogramma van makkelijk naar moeilijk.
2. De stagementor plant een aantal lesactiviteiten waarin de stagiaire lestaken leert op een steeds moeilijker/complexer niveau.
3. De stagementor werkt in de voorbereiding van zijn programma en de afzonderlijke lessen toe naar de exameneisen, gebruikmakend van het standaard-beoordelingsprotocol.
4. De stagementor plant verschillende lesroutes die passen bij de in het programma aan te leren lestaken.
5. De stagementor maakt bij het kiezen van lesactiviteiten een verantwoorde mix tussen voordoen, uitleg geven en opdrachten geven.
6. De stagementor zorgt ervoor dat het lesvoertuig technisch in orde is en er verzorgd uit ziet. Hij gaat na of de gebruikte leermiddelen beschikbaar zijn en werken.
7. De stagementor heeft de activiteiten zo gepland en voorbereid dat er weinig effectieve lestijd verloren gaat.
8. De stagementor zorgt bij afwijken van de planning ervoor dat overlast voor de stagiaire wordt vermeden.
9. De stagementor maakt na afloop van de les een vervolgafspraak met de stagiaire.
10. De stagementor maakt concrete en functionele afspraken met de stagiaire.
11. De stagementor geeft aan wat er in de afzonderlijke lesonderdelen aan bod komt en in welke volgorde.
Hij beoordeelt de les van de stagiaire hierop en begeleidt op passende momenten desgewenst de stagiaire naar het gewenste niveau (rijinstructeur – mentor – coach).
12. De stagementor gaat na of de uitleg en de demonstratie conform de richtlijnen in de Rijprocedure gegeven worden en stuurt dit waar nodig bij.
13. De stagementor gaat na of de uitleg en de demonstratie conform de richtlijnen in de handelingsanalyse gegeven worden en stuurt dit waar nodig bij.
14. De stagementor stelt het leerresultaat vast, bespreekt essentiële zaken met de stagiaire en vult dit in op het beoordelingsprotocol.
15. De stagementor gaat samen met de stagiaire na hoe het leerproces is verlopen.
16. De stagementor houdt tijdens de les relevante gebeurtenissen bij in het lesgedrag van de stagiaire.
17. De stagementor geeft een beschrijving van het waargenomen lesgedrag van de stagiaire en bespreekt deze waarnemingen met de stagiaire.
18. De stagementor vat zijn observaties samen op het evaluatieformulier. De stagementor bespreekt de resultaten zodanig met de stagiaire dat deze aanknopingspunten heeft voor verbetering van het lesgedrag.
1. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat structuur in instructie betekent en waarom het aanbrengen van structuur in de motorrijopleiding van belang is.
2. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat een lesdoelstelling is en wat de zin en het voordeel is van het werken aan de hand van doelstellingen.
3. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met transfer en kan verklaren waarom met name in de motorrijinstructie gebruik gemaakt kan worden van het onderlinge verband tussen instructieonderdelen.
4. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de vier instructiefases zijn en waarom het systematisch doorlopen daarvan van belang is in de instructie.
5. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren welke factoren en technieken van belang zijn bij het verzorgen van een duidelijke praktijkdemonstratie in de motorrijinstructie.
6. De rijinstructeur kan demonstreren hoe structuur in de motorrijinstructie wordt toegepast.
7. De rijinstructeur kan demonstreren hoe in de motorrijinstructie gewerkt wordt aan de hand van een lesdoelstelling.
8. De rijinstructeur kan demonstreren hoe in de motorrijinstructie gebruik gemaakt wordt van transfer en het onderlinge verband tussen de diverse instructieonderdelen.
9. De rijinstructeur kan hierbij demonstreren hoe instructie door coaching wordt toegepast en hoe gebruik gemaakt kan worden van lerend leren.
10. De rijinstructeur kan demonstreren hoe met behulp van zelfgemaakte toetsoefeningen een voertuigbeheersingsopgave in de motorrijinstructie kan worden aangeleerd.
11. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de achtergrond en het belang is van risicoperceptie voor motorrijders.
12. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de risico-cyclus is.
13. De rijinstructeur kan demonstreren hoe gebruik gemaakt wordt van risicoperceptie bij het motorrijden.
14. De rijinstructeur kan benoemen en demonstreren welke technieken en instrumenten beschikbaar zijn om risicoperceptie in de praktijk over te brengen aan zijn leerlingen.
1. De rijinstructeur kan hoofdstuk 1 ‘kleding AVB en bediening voertuig’ verklaren.
2. De rijinstructeur kan hoofdstuk 2 ‘Juiste en veilige wijze deelnemen’ verklaren.
3. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3 ‘Onderdelen verkeersdeelname’ verklaren.
4. De rijinstructeur kan hoofdstuk 4 ‘Toepassing’ verklaren.
5. De rijinstructeur kan verklaren wat er bedoeld wordt met meest wenselijk gedrag.
6. De rijinstructeur kan verklaren waarom de Rijprocedure A een leerdoel is en geen lesplan.
7. De rijinstructeur kan aan de hand van de in de Rijprocedure genoemde volgende factoren de wijze van normering in het examen verklaren:
– AEX (Aard, Ernst, X = aantal malen)
– essentieel of niet
– weg-, weers- en verkeersomstandigheden.
8. De rijinstructeur kan verklaren waarom er bij de Rijprocedure een scheiding tussen de wijze van opleiden en de beoordeling dient te zijn.
9. De rijinstructeur kan het item ‘beoordeling en afwijkend gedrag (toepassing)’ verklaren.
10. De rijinstructeur kan verklaren dat bediening, stuurgedrag en het bewaren van balans essentieel zijn tijdens de onderwerpen Voertuigbeheersing en Verkeersdeelneming.
11. De rijinstructeur kan de volgende begrippen verklaren: verkeersinzicht, aangepast en besluitvaardig, belangen andere weggebruikers.
12. De rijinstructeur kan verklaren wat essentieel betekent en wat essentiële onderdelen zijn.
1. De rijinstructeur kan uitleggen wat het doel is van Duurzaam Veilig.
2. De rijinstructeur kan in grote lijnen de geschiedenis van Duurzaam Veilig beschrijven.
3. De rijinstructeur kan benoemen welke afspraken genoemd worden in het convenant van het Startprogramma van Duurzaam Veilig.
4. De rijinstructeur kan benoemen welke maatregelen (vijf speerpunten) afgesproken zijn in het Startprogramma Duurzaam Veilig om de verkeersveiligheid in het algemeen en speciaal voor de motorrijder een extra impuls te geven.
5. De rijinstructeur kan de drie veiligheidsprincipes benoemen van een Duurzaam Veilige infrastructuur.
6. De rijinstructeur kan de twee nieuwe toegevoegde veiligheidsprincipes binnen Duurzaam Veilig benoemen en beschrijven.
7. De rijinstructeur kan beschrijven waarom gemotoriseerde tweewielers moeilijk in te passen zijn in het programma Duurzaam Veilig.
8. De rijinstructeur kan enkele ITS-systemen benoemen en de werking ervan beschrijven.
9. De rijinstructeur kan de drie wegcategorieën van Duurzaam Veilig benoemen.
10. De rijinstructeur kan de Essentiële Herkenbaarheidskenmerken van de drie wegcategorieën van Duurzaam Veilig beschrijven.
11. De rijinstructeur kan als motorrijder de zichtafstand beschrijven bij gebruik van dimlicht en de relatie leggen naar (maximale) snelheid.
12. De rijinstructeur kan als motorrijder de zichtafstand bij gebruik van groot licht beschrijven en de relatie leggen naar (maximale) snelheid.
13. De rijinstructeur kan benoemen wat er in de wet en in de rijprocedure-A omschreven is omtrent het gebruik van groot licht door de motorrijder.
14. De rijinstructeur kan op de motor werken met groot licht tijdens het rijden van bochten.
15. De rijinstructeur bezit de kennis over hoe hij/zij met de motor zo effectief mogelijk gebruik kan maken van het groot licht op de rechte weg en bij het tegemoet komen van en volgen van andere weggebruikers.
16. De rijinstructeur kan omschrijven wat er voor de motor in de wet is bepaald omtrent het gebruik van mistlicht aan de voorzijde.
17. De rijinstructeur kan benoemen wat de kleur is van reflectoren aan de zijden van de rijbaan en welke betekenissen je daaraan kunt aflezen tijdens het rijden bij duisternis.
18. De rijinstructeur kan aan de verlichting/reflectie verschillende soorten voertuigen herkennen, zoals tractoren, vrachtauto’s, aanhangwagens, enzovoort.
19. De rijinstructeur kan verklaren waarom er verschillende kleuren straatverlichting zijn, zoals natrium, wit licht en amber-gele verlichting.
20. De rijinstructeur kan de voor- en nadelen van natriumverlichting verklaren.
21. De rijinstructeur kan de beperkingen van de ogen, o.a. adaptatievermogen (= vermogen van ogen zich aan te passen aan verschillende lichtomstandigheden, zoals licht/donker) noemen en weet hiermee om te gaan.
22. De rijinstructeur kan de taal van de weg lezen in het donker, aan de hand van de bebording, plaatsing van lantaarnpalen, enzovoort.
1. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met het begrip ‘verkeerskunde’.
2. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met ‘Duurzaam veilig’.
3. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met ‘taal en tekens van de weg’.
4. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt verstaan onder ‘gevaarherkenning’.
5. De deelnemer kan beschrijven en verklaren welk type wegen er zijn en:
a) hoe deze wegen herkenbaar zijn
b) wat het doel is van deze wegen
c) welk soort weggebruikers hierop te verwachten zijn
d) welke voorzieningen door de wegbeheerder worden gebruikt om de weg duidelijkheid te geven
e) wat de verkeerskundige benaming is van alle markeringen e.d.
6. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt verstaan onder ‘verkeersruimten’ en welke indeling hierin wordt gemaakt door ‘Duurzaam veilig wegverkeer’.
7. De deelnemer kan achtereenvolgens per onderstaande verkeersruimte beschrijven en verklaren wat de (verkeers-)functie is, de specifieke kenmerken zijn en hoe deze gebieden te herkennen zijn:
a) verblijfsgebieden
b) gebiedsontsluitingswegen (binnen en buiten de bebouwde kom)
c) stroomwegen.
8. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat de ‘structuur van de weg’ inhoudt volgens de meest recente inrichtingseisen (ontwerp en inrichting d.m.v. belijning, bebording en bebakening).
9. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat de functie is van ‘bebakening en markering’. Het gaat hierbij om:
a) hoofdgroepen markering
b) hoofdtaken markering
c) kleuren markering
d) zichtbaarheid markering/bebakening
e) nadelen markering.
10. De deelnemer kan ten aanzien van de verkeersborden uit de Bijlage van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens het volgende beschrijven en verklaren:
a) de functie
b) de categorisering
c) relatie tussen vorm en kleur en betekenisinhoud
11. wat de vermoedelijke betekenis van het bord is, afgeleid van de achterzijde ervan (vorm en kleur van de rand). De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat herkenbaarheidskenmerken zijn van bebakening en markeringen, bebording en signaleringen, openbare straatverlichting en reflectoren bij duisternis en kan daarbij behorende gevaren tijdig herkennen/onderkennen.
12. De deelnemer kan tijdens voorkomende praktijksimulaties demonstreren wat de relatie is tussen de ‘taal en tekens van de weg’ en gevaarherkenning. Hij kan tijdens zelfstandige verkeersdeelneming beschrijven en verklaren:
a) in welke verkeersruimte hij verblijft en wat de kenmerken daarvan zijn
b) welke bebakening en markeringen hij herkent en wat de relevantie daarvan is
c) de betekenis met bijbehorende relevantie t.a.v. gevaarherkenning van verkeersborden
d) de verkeerskundige benaming van de inrichting en structuur van en markering op de desbetreffende weg.
1. De bromfietsinstructeur is in staat om aan de hand van de in de rijprocedure AM gestelde leerdoelen voor zijn praktijkopleiding voor de categorie AM-2 een leerplan, leergang en een lesplan te maken.
2. De bromfietsinstructeur is in staat om diverse praktijkoefeningen te benoemen, uit te zetten en te demonstreren, om de voertuigbeheersing van de bromfietscursist op voldoende niveau te krijgen zodat deze tijdens de verkeersdeelname de bromfiets voldoende onder controle heeft.
3. De bromfietsinstructeur kan verbanden leggen tussen de praktijkoefeningen voor de voertuigbeheersing en de verkeersdeelname.
4. De bromfietsinstructeur kan de verkeerswetgeving beschrijven die een specifieke relevantie heeft voor het rijden op de bromfiets en hij kan deze kennis toepassen.
5. De bromfietsinstructeur kan op basis van onderzoek (SWOV – MAIDS), de specifieke hoofdoorzaken van bromfietsongevallen uitleggen en integreren in zijn lessen.
6. De bromfietsinstructeur kan een aantal aspecten met betrekking tot de functies, onderhoud en defectbehandeling ten aanzien van de bromfiets beschrijven.
7. De bromfietsinstructeur kent de inhoud van de Rijprocedure AM en kan deze kennis toepassen in zijn leergangen.
8. De bromfietsinstructeur kan specifieke leerlingkenmerken van jong-adolescenten omschrijven en herkennen.
9. De bromfietsinstructeur beschikt over kennis van en inzicht in de verschillende didactische en communicatieve vaardigheden die bij de begeleiding van jong-adolescenten een belangrijke rol spelen. Hij weet hoe deze vaardigheden in de praktijk toe te passen en zonodig aan te passen aan de cursist.
10. De bromfietsinstructeur is in staat om op adequate wijze administratieve taken uit te voeren zoals bijvoorbeeld het bijhouden van het leerlingvolgsysteem (bv: instructiekaart).
1. De rijinstructeur kan vertellen wat rijexamenangst is.
2. De rijinstructeur kan verklaren wat faalangst is.
3. De rijinstructeur kan de oorzaken van faalangst benoemen.
4. De rijinstructeur kan vertellen welke signalen de leerling met faalangst afgeeft.
5. De rijinstructeur kan de gevolgen vertellen van faalangst in het rijexamen.
6. De rijinstructeur kan de kenmerken van faalangst benoemen.
7. De rijinstructeur kan de drie verschillen soorten van faalangst verklaren: cognitief, motorisch en sociaal.
8. De rijinstructeur kan mogelijkheden benoemen die leren om te gaan met faalangst.
9. De rijinstructeur kan verklaren wat wordt bedoeld met ‘anders leren denken’.
10. De rijinstructeur kan het G-denken verklaren.
11. De rijinstructeur kan een gesprek demonstreren waarbij het G-denken wordt gebruikt.
12. De rijinstructeur kan oefeningen demonstreren die er toe leiden de lichamelijke spanning onder controle te krijgen.
13. De rijinstructeur kan de onderdelen van een intakegesprek benoemen.
14. De rijinstructeur kan een intakegesprek demonstreren.
15. De rijinstructeur kan de onderdelen verklaren van het faalangstexamen.
16. De rijinstructeur kan beschrijven wat wordt verstaan onder een paniekaanval.
17. De rijinstructeur kan vertellen welke symptomen bij een paniekaanval voorkomen.
18. De rijinstructeur kan beschrijven hoeveel procent van de examenkandidaten – bij benadering – de lesstof onvoldoende beheerst en hoe dit van invloed is op het beleven van faalangst.
19. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze motorische faalangst wordt behandeld.
20. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze cognitieve faalangst wordt behandeld.
21. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze sociale faalangst wordt behandeld.
1. De motorrijinstructeur is in staat het risico van motorrijden in het algemeen en dat van (jonge) beginnende motorrijders in het bijzonder cijfermatig te duiden, in relatie tot het risico dat auto- inzittenden lopen.
2. De motorrijinstructeur kan het verschil uitleggen tussen voertuigbeheersing, hogere orde- vaardigheden en de rol van beide voor de verkeersveiligheid van motorrijders.
3. De motorrijinstructeur kan, op basis van wetenschappelijk onderzoek naar motorfietsongevallen (SWOV-publicaties, MAIDS), de specifieke ongevaloorzaken en bijdragende factoren benoemen en deze integreren in zijn lessen.
4. De motorrijinstructeur beschikt over kennis van en inzicht in de verschillende didactische en communicatieve vaardigheden die bij de begeleiding van adolescenten en jongvolwassenen een belangrijke rol spelen. Hij weet hoe deze vaardigheden in de praktijk toe te passen en zonodig aan te passen aan de cursist.
5. De motorrijinstructeur kan de algemene bouw van het oog, met name het netvlies, de fovea en de verdeling van de twee soorten fotoreceptor over beide uitleggen en in verband brengen met visuele zoekstrategieën en scanpatronen. Hij kent de verschillende bijdragen van het foveale en het perifere gezichtsveld daarbij en kan een aantal factoren benoemen die de opvallendheid van objecten in het perifere gezichtsveld vergroten.
6. De motorrijinstructeur kan de begrippen ‘visuele waarneming’, ‘aandacht’, ‘aandacht richten’ en ‘aandacht verdelen’ en hun rol voor verkeersdeelname uitleggen aan de hand van een model van visuele informatieverwerking.
7. De motorrijinstructeur kan de betekenis van de begrippen ‘rijervaring’, ‘verkeersinzicht’, ‘risicoperceptie’ en ‘anticiperen’, hun rol voor de verkeersveiligheid en hun onderlinge samenhang duidelijk maken aan de hand van een informatieverwerkingsmodel.
8. De motorrijinstructeur kan, op de openbare weg, de eigenschappen van het menselijk visueel waarnemingssysteem en de rol van de in leerdoel 7 genoemde hogere orde-vaardigheden duidelijk maken in een aanzienlijk aantal verkeerssituaties van verschillende aard.
9. De motorrijinstructeur kan de betekenis van het begrip ‘kalibratie’ uitleggen, evenals die van de samenstellende onderdelen ‘statusonderkenning’ en ‘risico-onderkenning’; hij kan cursisten motiveren om de zwaarte van de rijtaak af te stemmen op het niveau van diens bekwaamheden; hij weet voorts welke mogelijkheden de cursist daartoe heeft in verschillende verkeerssituaties van verschillende aard en moeilijkheidsgraad.
1. De rijinstructeur kan verklaren wat het project ‘2toDrive’ inhoudt.
2. De rijinstructeur kan benoemen wanneer een leerling kan beginnen met het volgen van rijinstructie voor de categorie B.
3. De rijinstructeur kan benoemen welk verschil er is tussen het verkrijgen van het rijbewijs op 18- jarige leeftijd en op 17-jarige leeftijd.
4. De rijinstructeur kan het lagere aantal dodelijke verkeersslachtoffers na invoering van ‘2toDrive’ benoemen, zoals de SWOV heeft berekend.
5. De rijinstructeur kan de proeftijd van ‘2toDrive’ benoemen.
6. De rijinstructeur kan de tijdsduur benoemen dat de 17-jarige onder begeleiding moet rijden en kan dit aspect motiveren.
7. De rijinstructeur kan verklaren hoe men in het bezit kan komen van een begeleiderspas.
8. De rijinstructeur kan benoemen welke twee stappen een 17-jarige moet volgen om zelfstandig te mogen rijden.
9. De rijinstructeur kan verklaren wanneer en bij wie een begeleider kan worden aangemeld en aan welke eisen de begeleider moet voldoen.
10. De rijinstructeur kan benoemen welke eisen er gesteld worden aan een begeleider tijdens een door het bevoegd gezag gehouden controle.
11. De rijinstructeur kan benoemen waar het rijbewijs van een 17-jarige geldig is.
12. De rijinstructeur kan benoemen hoe lang de begeleiderspas en het rijbewijs geldig zijn.
13. De rijinstructeur kan verklaren wanneer de begeleiderspas en het rijbewijs hun geldigheid verliezen.
14. De rijinstructeur kan benoemen hoeveel begeleiders een deelnemer maximaal op een begeleiderspas kan laten plaatsen.
15. De rijinstructeur kan beschrijven wanneer men een nieuwe begeleiderspas moet aanvragen.
16. De rijinstructeur kan aspecten m.b.t. de wettelijke aansprakelijkheid van ‘2toDrive’ verklaren.
17. De rijinstructeur kan verklaren welke sancties met betrekking tot ‘2toDrive’ gelden voor de 17-jarige bestuurder wanneer hij/zij de WVW’94 overtreedt.
18. De rijinstructeur kan de kenmerken van een 16/17-jarige m.b.t. zijn/haar lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling benoemen en verklaren.
19. De rijinstructeur kan de meerwaarde van een begeleider verklaren en waarop dit een positieve werking heeft.
20. De rijinstructeur kan benoemen wat instructie geven en coachen inhoudt.
21. De rijinstructeur kan verklaren wat de relatie is tussen instructie geven en het aanleren van vaardigheden.
22. De rijinstructeur kan verklaren wat de relatie is tussen coachen en vaardigheden.
23. De rijinstructeur kan verklaren met welke leerlingkenmerken hij rekening dient te houden om een 16-/17-jarige effectief te kunnen coachen.
24. De rijinstructeur kan verklaren welke vragen hij kan stellen om de 16/17-jarige tijdens het coachen goed te kunnen begeleiden.
25. De rijinstructeur kan verklaren op welke manier hij met de 16-/17-jarige kan evalueren.
26. De rijinstructeur kan verklaren op welke wijze hij feedback kan geven aan de 16-/17-jarige.
27. De rijinstructeur kan verklaren hoe een begeleider zijn taak als coach dient uit te voeren.
1. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘instructie geven’.
2. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘coaching’.
3. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat het verschil is tussen instructie geven en coaching.
4. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘positieve reinforcement’.
5. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘feedback’.
6. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren aan welke eisen het geven van feedback moet voldoen.
7. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met de didactische werkvorm ‘Onderwijsleergesprek’.
8. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren welke rol de Rijprocedure speelt bij het geven van feedback.
9. De rijinstructeur kan aan de hand van voorbeeldsituaties demonstreren wat zijn rol als coach inhoudt.
1. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van hoofdstuk 1 en 2 en de onderlinge samenhang ten aanzien van de bediening en beheersing van het voertuig en voertuigdynamica verklaren.
2. De rijinstructeur kan in de les met praktijkvoorbeelden demonstreren op welke wijze leerdoel 1 wordt toegepast in relatie tot de dagelijkse lespraktijk.
3. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van hoofdstuk 3 en de relatie tot de (dagelijkse) praktijk van het lesgeven beschrijven en verklaren.
4. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van de toepassing en de relatie tot de (dagelijkse) praktijk van het lesgeven beschrijven en verklaren.
5. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.1 ‘Wegrijden’ verklaren.
6. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.2 ‘Rijden op rechte en bochtige weggedeelten’ verklaren.
7. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.3 ‘Gedrag nabij en op kruispunten’ verklaren.
8. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.4 ‘Invoegen – uitvoegen’ verklaren.
9. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.5 ‘Inhalen/zijdelings verplaatsen’ verklaren.
10. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.6 ‘Gedrag nabij en op bijzondere weggedeelten’ verklaren.
11. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.7’ Bijzondere manoeuvres’ verklaren.
12. De rijinstructeur kan aan de hand van het hoofdstuk ‘Toepassing’ verklaren wat bedoeld wordt met de zgn. AEX en verklaren wat de relatie is met het praktijkexamen.
13. De rijinstructeur kan aan de hand van het hoofdstuk ‘Toepassing’ verklaren wat essentiële en niet essentiële punten van beoordeling zijn en verklaren wat de relatie is met het praktijkexamen.
N.B. Deze leerdoelen zijn aangepast aan de laatste versie van de Rijprocedure.
De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren:
1. Artikel 1acb; Puntstuk.
2. Artikel 1aga; Uitvaartstoet van motorvoertuigen.
3. Artikel 1ai; Verdrijvingsvlak.
4. Artikel 15; Het verlenen van voorrang.
5. Artikel 16; Doorsnijden militaire kolonne en uitvaartstoeten van motorvoertuigen.
6. Artikel 18; Voor laten gaan bij afslaan.
7. Artikel 24; Parkeren.
8. Artikel 25; Parkeerschijfzone.
9. Artikel 26; Parkeren voor gehandicapten.
10. Artikel 30c; Herkenningsteken motorvoertuig uitvaartstoet.
11. Artikel 34; Mistlichten.
12. Artikel 35; Verlichting fietsen, met name lid 5.
13. Artikel 41; Bijzondere verlichting.
14. Artikel 49; Rechten bijzondere weggebruikers, met name lid 3.
15. Artikel 56; Wegrijden autobus, met name lid 2
16. Artikel 59; Autogordels en kinderbeveiligingssystemen.
17. Artikel 61a; Gebruik mobiele communicatieapparatuur.
18. Artikel 63a; Rangorde verkeerstekens.
19. Artikel 63b; Rangorde verkeerstekens.
20. Artikel 76; Doorgetrokken streep.
21. Artikel 77; Verdrijvingsvlakken en puntstukken, met name lid 2 en 3.
22. Artikel 78; Voorsorteerstrook.
23. Alle niet genoemde recente wijzigingen in het RVV tot aan het moment van het geven van deze bijscholing.
1. De motorrijinstructeur kan de drie bewegingswetten van Newton benoemen en hun betekenis voor de motorfietsdynamica aangeven.
2. De motorrijinstructeur kan globaal uitleggen hoe de krachtoverbrenging tussen de rubberband en wegdek tot stand komt.
3. De motorrijinstructeur kan uitleggen waarom de voorrem van een motorfiets veel krachtiger is uitgevoerd dan de achterrem.
– hij kan de hierbij de van belang zijnde geometrische grootheden van de motorfiets benoemen.
– hij kan uitleggen waarom de voorrem bij een noodstop moet worden ‘aangelegd’, hoe snel dit kan en waarom.
– hij kan uitleggen waarom remmen met een geblokkeerd voorwiel in meer gevallen en eerder tot verlies van stabiliteit (een val) leidt dan remmen met alleen een geblokkeerd achterwiel.
4. De motorrijinstructeur kan globaal uitleggen hoe een ABS werkt.
– hij kan de voordelen van ABS voor motorrijders benoemen.
– hij kan uitleggen waarom een ABS alleen een ‘overslag’ (over de kop slaan) niet kan voorkomen.
5. De motorrijinstructeur kan uitleggen wat onder ‘ideale remkrachtverdeling’ wordt verstaan
– hij kan uitleggen waarom die verdeling per type motorfiets anders kan uitvallen.
– hij kan globaal uitleggen hoe een gecombineerd remsysteem (CBS) werkt.
6. De motorrijinstructeur kan het verband uitleggen tussen de begrippen ‘(aanvangs)snelheid’, ‘reactietijd’, ‘reactieweg’, ‘remvertraging’, ‘remweg’, ‘stopafstand’, ‘benodigde stopafstand’ en ‘botssnelheid’.
– hij kan hierbij enkele eenvoudige berekeningen maken en gegeven grafische voorbeelden uitleggen.
– hij kan, voor de situatie waarin een motorfiets een ander motorvoertuig volgt, uitleggen hoe uit beider aanvangssnelheid en remvertraging en de reactietijd van de motorrijder de door de laatste minimaal aan te houden volgafstand kan worden afgeleid.
7. Voor ‘remmen in een bocht’ kan de rijinstructeur aan de hand van de ‘cirkel van Kamm’ het verband uitleggen tussen de maximale remvertraging en de maximale kantelhoek daarbij.
– hij kan uitleggen hoe, bij remmen in een bocht, de motorfiets zich wil oprichten, wat het gevaar daarvan is en wat de motorrijder er tegen kan doen.
– hij kan uitleggen waarom het moeilijker is vanuit de situatie ‘rechtuit rijden’ een stuurmanoeuvre te beginnen naarmate er al meer aan het voorwiel wordt geremd.
– hij kan uitleggen wat remmen in een bocht betekent voor de werking van een CBS en een ABS.
8. De motorrijinstructeur kan enige uitleg geven van voertuigdynamische aspecten van het volgen van een bocht met een motorfiets.
– hij kan het verband uitleggen tussen de grootheden ‘kantelhoek’, ‘gewicht’ of ‘gewichtskracht’ en ‘centripetale kracht’.
– hij kan het verband aangeven tussen de grootheden ‘bochtstraal’, ‘centripetale versnelling’ en ‘kantelhoek’.
– hij kan enige uitleg geven bij de begrippen ‘maximale kantelhoek’ en ‘minimale bochtstraal’ en de factoren die tot beperking van beide kunnen leiden.
9. De motorrijinstructeur weet hoe de besturing van het evenwichtsvoertuig motorfiets werkt.
– hij kan uitleggen welke rol de naloop van- en gyroscopische effecten in het voorwiel hierbij spelen.
– hij kan uitleggen wat ‘inleunen’, ‘meeleunen’ en ‘tegenleunen’ zijn en in welke omstandigheden een motorrijder deze technieken kan toepassen en waarom.
10. De motorrijinstructeur kan uitleggen hoe en waarom een uitwijkmanoeuvre het beste kan worden uitgevoerd.
– hij kan uitleggen welke factoren de mate van succes van een uitwijkmanoeuvre beïnvloeden.
– hij kan in dit verband een vierwielig motorvoertuig met de eensporige motorfiets vergelijken.
11. De motorrijinstructeur kan enkele voorbeelden van instabiliteit benoemen, zoals ‘high speed weave’ en ‘tankslapper’ en hij kan daarbij enige uitleg geven.
1. Basiskennis opdoen van autisme, ADHD en aanverwante problemen.
2. Kennis van uitingsvormen van autisme en ADHD.
3. Inzicht verkrijgen in de meest voorkomende struikelblokken en valkuilen voor personen met autisme en ADHD.
4. Het herkennen van signalen van overbelasting, overprikkeling, impulsiviteit, hyperactiviteit, concentratieverlies.
5. Inzicht krijgen in een handelingsanalyse en stapindeling t.a.v. leerdoelen.
6. Voorkomende problemen tijdens rijles herkennen en adequaat op leren reageren.
7. Praktische handvatten aanleren voor het omgaan met autisme, ADHD en aanverwante problemen tijdens de rijles.
N.B. Geadviseerde docentenkwalificatie
• Bezit van een geldige WRM-pas
• Minimale een HBO-opleiding in pedagogiek of psychologie en/of
3 Jaar aantoonbare werkervaring als pedagogisch begeleider/ leerkracht/ psycholoog. of
ervaring als rijinstructeur met de doelgroep, zelf een workshop en training ‘Autisme en ADHD tijdens de rijles’ gevolgd hebben en onder supervisie staan van iemand die wel over het bovenstaande beschikt.
• Houdt zich op de hoogte van relevante ontwikkelingen binnen werkgebied.
1. De eigen vaktheorie kunnen koppelen aan theorie over het omgaan met autisme en ADHD.
2. Weten hoe je een leerling met autisme en ADHD kunt benaderen en begeleiden.
3. De grenzen van de eigen kennis en vaardigheden kennen.
4. Weten welke aandachtsgebieden extra van belang zijn als je een leerling met autisme of ADHD hebt en hoe hierop te anticiperen.
5. Kennis hebben van het medisch traject van het CBR en weten hoe de EV in te zetten en de leerling hierin te begeleiden.
6. Weten welke instructiewijze het beste aansluit bij leerlingen met autisme en ADHD.
7. Beschikken over een repertoire aan hulpmiddelen en methodieken die je tijdens de rijles kunt inzetten (autismeprotocol en ADHD-protocol).
8. Weten wat er zich in het brein afspeelt bij ADHD en autisme.
9. Kennis van medicatie en werking van medicatie.
N.B. Geadviseerde docentenkwalificatie
• Bezit van een geldige WRM-pas
• Minimale een HBO-opleiding in pedagogiek of psychologie en/of
3 Jaar aantoonbare werkervaring als pedagogisch begeleider/ leerkracht/ psycholoog. of
ervaring als rijinstructeur met de doelgroep, zelf een workshop en training ‘Autisme en ADHD tijdens de rijles’ gevolgd hebben en onder supervisie staan van iemand die wel over het bovenstaande beschikt.
• Houdt zich op de hoogte van relevante ontwikkelingen binnen werkgebied.
1. De rijinstructeur kan de waarde van een geautomatiseerde voertuigbeheersing verklaren.
2. De rijinstructeur kan demonstreren hoe de module voertuigbeheersing in de dagelijkse praktijk wordt toegepast.
3. De rijinstructeur kan een praktische opbouw van het aanleren van voertuigbeheersing demonstreren en verklaren.
4. De rijinstructeur kan in de module voertuigbeheersing het doel-middel principe toepassen door o.a. gebruik te maken van zelfreflectie.
5. De rijinstructeur kan verklaren dat ongeveer 50% van de rijopleiding uit voertuigbeheersing bestaat.
6. De rijinstructeur kan zijn rol als coach in combinatie met het lerend leren verklaren aan de hand van praktijkvoorbeelden t.a.v. voertuigbeheersing.
7. De rijinstructeur kan de zone van de naaste ontwikkeling verklaren aan de hand van praktijkvoorbeelden.
8. De rijinstructeur kan de waarde van het een gestructureerd lesplan voor voertuigbeheersing en de instructiekaart verklaren en demonstreren.
9. De rijinstructeur kan verklaren aan de hand van praktijkvoorbeelden hoe hij op een creatieve manier zijn leerling weet uit te dagen.
10. De rijinstructeur kan de waarde van zelfreflectie tijdens de uitvoering van de module voertuigbeheersing verklaren en demonstreren.
11. De rijinstructeur kan de voertuigbeheersing in relatie met de Rijprocedure verklaren en beschrijven.
12. De rijinstructeur kan de voordelen en het nut verklaren van de huiswerkopdracht.
13. De rijinstructeur kan de voordelen verklaren van toetsen tijdens de rijopleiding.
14. De rijinstructeur kan de indeling volgens Duurzaam Veilig verklaren en toepassen in de rijopleiding.
1. De motorrijinstructeur draagt kennis van de specifieke wet- en regelgeving op het gebied van verkeersregelinstallaties (VRI) en verkeersgeleidingssystemen (VGS).
2. De motorrijinstructeur kan de nummering die wordt gebruikt bij VRI’s herkennen en verklaren. Hij kan de verkeersinzichtelijke aspecten van deze nummering gebruiken bij het uitvoeren van de verkeerstaak.
3. De motorrijinstructeur is bekend met de wijze waarop VRI’s en VGS-en gegevens verzamelen en verwerken en op basis hiervan verkeer regelen.
4. De motorrijinstructeur kan de vier meest gebruikte vormen van verkeersregeling met behulp van VRI’s benoemen, beschrijven en herkennen.
5. De motorrijinstructeur weet welke vormen van beveiliging binnen VRI’s worden gebruikt en wat dit betekent voor de verkeersdoorstroming.
6. De motorrijinstructeur weet wat verkeersgeleidingssystemen zijn en op welke wijze deze worden toegepast om verkeersdoorstroming te bevorderen.
7. De motorrijinstructeur is bekend met de verschillende vormen van detectie die in Nederland worden toegepast en kan deze in de praktijk herkennen. Hij kan de specifieke problemen en mogelijkheden in relatie tot gemotoriseerde tweewielers benoemen.
8. De motorrijinstructeur kan de specifieke problemen van gemotoriseerde tweewielers bij VRI’s benoemen en verklaren. Hij kent de oplossingen die hiervoor gebruikt kunnen worden.
1. De instructeur herkent angsten als een fysiologisch verschijnsel en kan de reactie van normale lichaamsfuncties op dit verschijnsel verklaren.
2. De instructeur beseft hoe angsten zich ontwikkelen:
• lichamelijk
• cognitief
• emotioneel
• gedrag.
3. De instructeur is in staat volgens een meerstappenplan met angsten om te gaan:
• accepteren/respecteren
• het gedrag niet door angst laten bepalen.
4. De instructeur weet dat angsten zich positief en negatief kunnen ontwikkelen:
• functionele rijangst
• niet-functionele rijangst.
5. De instructeur kan onderscheid maken tussen fobie en trauma met betrekking tot de invloed die angsten hebben op functies van het menselijk lichaam.
6. De instructeur weet de verschillende vormen van (verkeers)rijangst te onderscheiden:
• paniek
• overbelasting
• trauma
• faalangst
• routinegebrek
• vaardigheid
• bijrijder
• overige angsten.
7. De instructeur kan symptomen en klachten benoemen die zich bij rijangst kunnen ontwikkelen.
8. De instructeur kan onderzoeksmethoden en behandelingen voor rijangst benoemen.
9. De instructeur weet wanneer voor begeleiding bij rijangst moet worden doorverwezen naar een therapeut.
10. De instructeur kan uitleggen wat het G-denken inhoudt:
• gebeurtenis
• gedachte
• gevolg = gevoel en gedrag.
11. De instructeur kan ontspanningsoefeningen trainen die de leerling bij angstgevoelens tot rust kunnen brengen.
12. De instructeur kent de gedragsregels voor de begeleider:
• zorg voor veiligheid
• maak coaching voorspelbaar
• stel duidelijke regels
• veroordeel niet
• gebruik een strategie voor feedback
• communiceer relationeel
• begeleid procesgericht.
13. De instructeur kan een intakegesprek voeren c.q. intest hanteren.
14. De instructeur kan begeleiden bij trainingen voor rijangst, faalangst en routinevaardigheidstekorten.
15. De instructeur weet een aantal varianten van trainings- en toetsmethoden toe te passen.
Algemene leerdoelen per dagdeel:
Aan het einde van dagdeel 1 kan de instructeur:
• de functie van ‘Lerend leren’ als onderdeel van rijinstructie beschrijven
• de noodzaak van het juist toepassen van toetsoefeningen benoemen.
Aan het einde van dagdeel 2 kan de instructeur:
• demonstreren op welke wijze een leerling zelfstandig leert door het juist gebruik van de coaching-techniek en het aanreiken van relevante toetsoefeningen.
Specifieke leerdoelen per dagdeel:
Dagdeel 1:
1. De instructeur kan beschrijven wat ‘mentale overcapaciteit’ is.
2. De instructeur kan beschrijven wat wordt bedoeld met de ‘zone van de naaste ontwikkeling’.
3. De instructeur kan verklaren welke toetsoefening(en) in een geschetste situatie kunnen worden gebruikt binnen de ‘zone van de naaste ontwikkeling’ van een leerling.
Dagdeel 2:
4. De instructeur kan demonstreren hoe in een geschetste situatie toetsoefeningen worden gebruikt om het ‘Lerend leren’ te stimuleren.
5. De instructeur kan demonstreren hoe in een geschetste situatie toetsoefeningen kunnen worden gebruikt om de zelfstandigheid van een leerling te ontwikkelen.
6. De instructeur kan verklaren hoe door het toepassen van ‘Lerend leren’ en het gebruik van toetsoefeningen de mentale overcapaciteit van een leerling wordt bevorderd.
Algemene leerdoelen per dagdeel:
Aan het einde van dagdeel 1 kan de instructeur:
• verklaren door welke omgevingsinvloeden de risicoacceptatie van een leerling toeneemt.
• verklaren met welke praktische instructiemethodes en instructiegereedschap een leerling intrinsiek kan worden gemotiveerd tot het nemen van minder risico’s.
Aan het einde van dagdeel 2 kan de instructeur:
• demonstreren hoe, door het toepassen van de juiste werkvorm en het gebruikmaken van het juiste instructiegereedschap, de risicoperceptie van een leerling kan worden beïnvloed.
Specifieke leerdoelen per dagdeel:
Dagdeel 1:
1. De instructeur kan benoemen en verklaren wat veiligheidsmarges zijn (bron: Leerdoelen voor het rijbewijs B, Vlakveld mei 2000).
2. De instructeur kan benoemen en verklaren wat wordt bedoeld met motivatie (bron: Leerdoelen voor het rijbewijs B, Vlakveld mei 2000).
3. De instructeur kan benoemen en verklaren wat wordt bedoeld met verantwoordelijkheid (bron: Leerdoelen voor het rijbewijs B, Vlakveld mei 2000).
4. De instructeur kan naar aanleiding van praktijkcasussen de verbanden tussen veiligheid, motivatie en verantwoordelijkheid verklaren.
5. De instructeur kan verklaren waarom het gekozen instructiegereedschap bijdraagt aan de juiste risicoperceptie van een aankomende bestuurder.
Dagdeel 2:
6. De instructeur kan uit gegeven mogelijkheden het juiste instructiegereedschap selecteren en zijn keuze verklaren.
7. De instructeur kan benoemen en verklaren waarom hij bij een gegeven casus heeft gekozen voor een bepaalde werkvorm.
8. De instructeur demonstreert juist gedrag door bij een gegeven casus een juiste keuze te maken betreffende het instructiegereedschap en de werkvorm.
9. De instructeur demonstreert juist handelen bij een gegeven casus met als doel het effectief beïnvloeden van risicoperceptie bij een leerling.
1. De motorrijinstructeur is in staat een cursusdag gevorderde motortraining te organiseren en te verzorgen.
2. De motorrijinstructeur kan cursisten die een A-rijbewijs bezitten een meerwaarde bieden op hun behaalde rijbewijs.
3. De motorrijinstructeur kan verbanden leggen tussen oefeningen op een afgesloten terrein en het weggedrag.
4. De motorrijinstructeur beschikt over kennis van en inzicht in de verschillende didactische en communicatieve vaardigheden die van toepassing zijn op rijbewijsbezitters.
5. De motorrijinstructeur kan per type motorfiets de werking van het remsysteem benoemen en de cursist de voor- en nadelen ervan uitleggen.
6. De motorrijinstructeur kan demonstreren hoe hij een motorfiets bestuurt; tevens kan hij het voor- en nadeel van tegensturen demonstreren en benoemen.
7. De motorrijinstructeur kan visueel maken wat het effect is van snelheid in relatie tot zijn remweg en reactieweg en wat botssnelheid is.
8. De motorrijinstructeur is in staat om risico in het verkeer te herkennen en een cursist te motiveren om hierop te anticiperen en te handelen.
9. De motorrijinstructeur kan een meerwaarde bieden op het gebied van bochten- en inhaaltechniek.
10. De motorrijinstructeur kan, aangezien er met meerdere deelnemers gereden kan worden, een toelichting geven over het rijden in groepen.
11. De motorrijinstructeur is in staat een route samen te stellen waarin diverse verkeerssituaties voorkomen die de training ondersteunen.
12. De motorrijinstructeur is in staat om diverse oefeningen uit te zetten die door cursisten op hun eigen niveau worden uitgevoerd.
13. De motorrijinstructeur is zich bewust van de noodzaak van de wegrijcontrole van een motorfiets en kan dit motiveren en instrueren.
14. De motorrijinstructeur kan omstandigheden benoemen waarin motorrijders mogelijkerwijs niet waargenomen worden en kan eventuele oplossingen aandragen.
15. De motorrijinstructeur kan de algemene bouw van het oog, met name het netvlies, de fovea en de verdeling van de twee soorten fotoreceptor over beide uitleggen en in verband brengen met visuele zoekstrategieen en scanpatronen. Hij kent de verschillende bijdragen van het foveale en het perifere gezichtsveld daarbij en kan een aantal factoren benoemen die de opvallendheid van objecten in het perifere gezichtsveld vergroten.
16. De motorrijinstructeur kan de betekenis van de begrippen ‘rijervaring’, ‘verkeersinzicht’, risicoperceptie’ en ‘anticiperen’, hun rol voor de verkeersveiligheid en hun onderlinge samenhang duidelijk maken aan de hand van een informatieverwerkingsmodel.
1. De instructeur kan beschrijven wat een leerplan, leergang en een lesplan is.
2. De instructeur kan beschrijven wat toetsen is.
3. De instructeur kan beschrijven wat het verschil is tussen een aanvangsniveau en een vorige les.
4. De instructeur kan beschrijven wat het verschil is tussen het gewenste (vereiste) aanvangsniveau (door middel van de instructievorderingenkaart) en het feitelijke aanvangsniveau (gemeten in de praktijk).
5. De instructeur kan een juiste doelstelling van de les benoemen en dit aan het einde van de les ook terugkoppelen op de instructievorderingenkaart middels een niveau.
6. De instructeur kan beschrijven wat ‘aansluiting met voorgaande lesonderwerpen’ inhoudt en verklaren waar op de instructievorderingenkaart deze relatie ligt.
7. [Speciaal voor RIS-instructeurs:] De instructeur kan verklaren wat het verschil/de overeenkomst is tussen de drie fasen binnen de RIS-opleiding en de vier fasen binnen onderwijskunde en deze weer onderverdelen in stappen.
8. De instructeur kan een logische opbouw in lesonderwerpen verklaren en dit ook benoemen op een instructievorderingenkaart.
9. De instructeur kan beschrijven wat feedback is en kan verklaren wanneer deze moet plaatsvinden.
10. De instructeur kan het verschil tussen een product- en een procesevaluatie benoemen.
11. De instructeur kan beschrijven hoe een lesplan is opgebouwd en waar in het lesplan feedback gegeven moet worden en/of een evaluatie moet plaatsvinden.
12. De instructeur kan demonstreren hoe hij een instructievorderingenkaart moet invullen.
1. De rijinstructeur kan de kenmerken van gebruik van alcohol, drugs, medicijnen, overmatige vermoeidheid, slaapdeprivatie beschrijven bij (jongere) bestuurders herkennen en vroegtijdig signaleren.
2. De rijinstructeur kan benoemen waaraan hij de symptomen van alcoholgebruik, drugs, medicijnen door jongere beginnende bestuurders kan herkennen.
3. De rijinstructeur kan beschrijven en overbrengen wat de impact van gebruik van alcohol, drugs, medicijnen is op het ongevalsrisico.
4. De rijinstructeur kan verklaren wat de juridische gevolgen zijn voor de leerlingbestuurder en de rijinstructeur van het gebruik van alcohol, drugsgebruik, gebruik van medicijnen, (overmatige) vermoeidheid, slaapdeprivatie tijdens de rijlessen.
5. De rijinstructeur kan beschrijven en overbrengen wat de impact van de combinatie van alcohol, drugs en medicijnen is.
6. De rijinstructeur kan beschrijven en overbrengen hoe lang het kan duren voordat het afbraakproces is voltooid nadat alcohol, drugs en/of medicijnen zijn gebruikt.
7. De rijinstructeur kan een gesprek met de leerling voeren om het gebruik van alcohol, drugs en medicijnen bespreekbaar te maken m.b.t. het besturen van een motorvoertuig.
8. De rijinstructeur kan ervaren met behulp van ‘alcoholbrillen’ met diverse promillages wat de impact kan zijn tijdens het besturen van een motorvoertuig.
9. De rijinstructeur kan de inhoud van de EMA-, LEMA- en EMG-cursus verklaren.
10. De rijinstructeur kan verklaren wat het alcoholslotprogramma inhoudt (uitgebreide behandeling niet relevant meer na verbod op opleggen ASP in april 2015)
11. De rijinstructeur kan de doelstelling en conclusies uit het rapport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Rijden onder invloed in Nederland in 2002–2013 (Ontwikkeling van het alcoholgebruik van automobilisten in Weekend-nachten) beschrijven.
12. De rijinstructeur kan de doelstelling en conclusies uit het DRUID project verklaren (Driving Under the Influence of Drugs, Alcohol and Medicines in Europe – findings from the DRUID project).
1. De rijinstructeur kan zijn grenzen en beperkingen verklaren als het gaat om medisch handelen.
2. Didactiek: de rijinstructeur weet te benoemen wanneer en op welke wijze hij tijdens de rijinstructie EHBIO onder de aandacht kan brengen bij de leerling.
3. Didactiek: de rijinstructeur beseft welke EHBIO-basiskennis noodzakelijk zou moeten zijn voor elke bestuurder en weet dit op positieve wijze te motiveren aan de leerling.
4. De rijinstructeur is in staat om te denken aan de veiligheid rondom de plaats van het ongeval en het organiseren daarvan, zowel voor zichzelf als voor het slachtoffer en derden. Hij/zij weet dit te benoemen en te motiveren naar de leerling.
5. De rijinstructeur weet te benoemen en verklaren welke informatie nodig is voor het doen van een juiste melding naar de Meldkamer Ambulancezorg (112).
6. De rijinstructeur heeft kennis van en is in staat tot het verlenen van de juiste slachtofferhulpverlening, bijvoorbeeld:
a. Wel/niet helmafname en/of verplaatsen slachtoffer
b. Vaststellen bewustzijnstoestand
c. Wel/niet stabiele zijligging
d. Eerste hulp bij bloedingen
7. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze een adequate reanimatie met AED te kunnen uitvoeren. Hij/zij weet dit te benoemen en te demonstreren.
8. De rijinstructeur kan demonstreren aan de leerling op welke wijze EHBIO-handelingen uitgevoerd dienen te worden.
De docent-rijinstructeur behoeft niet NIBHV- of Oranje Kruis-gecertificeerd te zijn.
1. De rijinstructeur kan benoemen wat ADAS betekent en heeft kennis van de systematiek van ADAS, het belang en gebruik van ADAS en de toepassing van het gebruik van ADAS door de leerling.
2. De rijinstructeur heeft globale kennis van de systematiek van ITS
3. De rijinstructeur kan voorbeelden geven van hulpsystemen die handmatig en systemen die softwarematig ingeschakeld en uitgeschakeld kunnen worden.
4. De rijinstructeur kan het verschil aangeven tussen hulpsystemen die de rijtaak ondersteunen en systemen die de rijtaak vervangen.
5. De rijinstructeur kan voorbeelden noemen van hulpsystemen die: signaleren/informeren/waarschuwen.
6. De rijinstructeur kan voorbeelden noemen van hulpsystemen die: ondersteunen/corrigeren.
7. De rijinstructeur kan voorbeelden noemen van hulpsystemen die de rijtaak overnemen.
8. De rijinstructeur kan de (globale) werking van veel voorkomende ADAS-systemen beschrijven.
9. De rijinstructeur is in staat om de ADAS-systemen in de praktijk (van de rijopleiding) toe te passen.
10. De rijinstructeur kan verklaren wat ADAS betekent in relatie tot de verkeerstaak voor de beginnende bestuurder.
11. De Rijinstructeur kan aangeven welke systemen tijdens een examen gebruikt mogen worden en de wijze waarop deze gebruikt mogen worden, en is op de hoogte van wat het gebruik van ADAS tijdens het rijexamen betekent.
12. De rijinstructeur kan de ITS-systemen benoemen die primair gericht zijn op verkeersveiligheid
13. De Rijinstructeur is op de hoogte op welke wijze het juridisch bestuurderschap bij het gebruik van ADAS systemen is geregeld.
1. De rijinstructeur kan verklaren en beschrijven wat de vooronderstellingen van NLP zijn.
2. De rijinstructeur kan ankertechnieken van NLP toepassen tijdens het aanleren van het gewenste rijgedrag bij de leerling.
3. De rijinstructeur kan verklaren wat in het communicatieproces met zijn leerling wordt verstaan onder rapport en HALTO.
4. De rijinstructeur kan verklaren waarvoor VAKOG staat en dit toepassen om het gedrag van zijn leerling positief beïnvloeden.
5. De rijinstructeur kan de essentie van NLP beschrijven en verklaren.
6. De rijinstructeur kan de vormvoorwaarden benoemen en toepassen om een doelstelling te formuleren.
7. De rijinstructeur kan de vier fasen van leren benoemen.
8. De rijinstructeur kan de index computations benoemen en toepassen op de verschillende stemmingen die leerling kan hebben.
9. De rijinstructeur kan met behulp van de gevoel-omkeertechniek een negatieve stemming omzetten in een positief gevoel.
10. De rijinstructeur kan de logische niveaus benoemen en inzetten om de HS en de GS uit te vragen.
1. De rijinstructeur kan uitleggen wat de maatschappelijke en economische gevolgen van een incident (stranding) en overbelading zijn.
2. De rijinstructeur kan uitleggen wat Incident Management inhoudt en welke taken en verplichtingen een chauffeur en de vervoerder hebben bij incidenten op IM wegen.
3. De rijinstructeur heeft kennis van wetgeving in de Benelux op het gebied van banden en wat de aanbevelingen van bandenfabrikanten zijn en hoe hier in de praktijk mee om moet worden gegaan.
4. De rijinstructeur heeft diepgaande technische kennis van de opbouw van nieuwe/hergebruikte banden en de nieuwe EU-terminologie en markeringen.
5. De rijinstructeur kan uitleggen op welke wijze de juiste banden worden gekozen en wat de gevolgen hiervan zijn voor overbelading en bandenspanning, dit in relatie met het werkpakket en de belading van het voertuig.
6. De rijinstructeur kan uitleggen waardoor overbelading ontstaat en hoe dat te voorkomen en te constateren is. Met name de rol van de chauffeur is hierbij belangrijk en het gebruik van moderne technische hulpmiddelen.
7. De rijinstructeur kan de taal van de band lezen, uitleggen wat de oorzaken van afwijkingen zijn en wat hieruit gelezen kan worden over het rijgedrag van een chauffeur. Ook kan hij uitleggen wat dit betekent voor preventief en correctief onderhoud.
8. De rijinstructeur is zich er bewust van dat er ook andere oorzaken zijn van strandingen en kan praktijkvoorbeelden hiervan noemen.
9. De rijinstructeur kan met behulp van observatieschema’s chauffeurs leren praktisch de geleerde kennis toe te passen.
1. De rijinstructeur kan de waarde van een zelfstandig beginnend bestuurder beschrijven en verklaren.
2. De rijinstructeur kan demonstreren hoe zelfstandigheid in de dagelijkse praktijk wordt toegepast.
3. De rijinstructeur kan een praktische opbouw van het aanleren van zelfstandigheid demonstreren en verklaren.
4. De rijinstructeur kan de waarde van het ‘ruimtekussen’ in de rijopleiding beschrijven en verklaren.
5. De rijinstructeur kan het doel-middel principe verklaren en toepassen.
6. De rijinstructeur kan de toetsoefeningen verklaren en uitleggen hoe en wanneer deze gebruikt worden.
7. De rijinstructeur kan verklaren wat de voordelen zijn van het ‘toetsen’ voor zowel de leerling als voor de rijinstructeur.
8. De rijinstructeur kan de waarde van de situatiebevraging verklaren aan de hand van de GDE- matrix.
9. De rijinstructeur kan de waarde van het ‘(RIS)-werkboek’ uitleggen en toepassen in de gehele rijopleiding.
10. De rijinstructeur kan de(RIS)-instructiekaart op de juiste manier invullen en kan het nut hiervan uitleggen.
11. De rijinstructeur kan het zelfreflectieformulier verklaren en op de juiste wijze in de rijopleiding toepassen.
12. De rijinstructeur kan de waarde van ‘stap 7 (herhaling script en past het script toe in net iets gewijzigde situatie) en 8 (je past het script zelfstandig toe in steeds wisselende situaties)’ verklaren en op juiste wijze toepassen.
13. De rijinstructeur kan zijn rol als coach in combinatie met het lerend leren verklaren aan de hand van praktijkvoorbeelden.
14. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat het verschil is tussen instructie en coaching (Hermes).
1. De instructeur kan de noodzaak van een goed lesplan verklaren.
2. De instructeur kan het verschil aangeven tussen een handelingsrijles en een verkeersdeelnamerijles.
3. De rijinstructeur kan aangeven wat het essentiële verschil is tussen een meting vorige les en controle aanvangsniveau.
4. De instructeur kan de opbouw van een (RIS) lesplan uitleggen m.b.v.:
a. WAT doet een rijinstructeur tijdens de INLEIDING | KERN | AFRONDING?
b. HOE doet een rijinstructeur dat tijdens de INLEIDING | KERN | AFRONDING?
c. WAAROM doet een rijinstructeur dat op die manier tijdens de INLEINDING | KERN | AFRONDING?
5. De instructeur kan aangeven welke aspecten hij verwerkt in een lesplan m.b.t. leerlingkenmerken | Rijprocedure | verkeersborden |verkeersregels | lesroute | handelingsanalyse | situatietekeningen | verkeerstaak | verkeersinzicht |
6. De rijinstructeur kan een lesplan samenstellen aan de hand van een casus.
7. Vormingsdoel: de instructeur ziet de noodzaak van een goede lesvoorbereiding door middel van lesplannen in.
1. De instructeur kan beschrijven wat er onder Talking Traffic wordt verstaan en wat de voordelen zijn.
2. De rijinstructeur kan aangeven welke adviezen en informatie weggebruikers onderweg vanuit Talking Traffic kunnen krijgen.
3. De rijinstructeur kan 10 toepassingen van Talking Traffic in de praktijk benoemen, van informatie over snelheden tot waarschuwingen voor gevaarlijke situaties.
4. De rijinstructeur kan de invloed benoemen van Talking Traffic met betrekking tot maximumsnelheden.
5. De rijinstructeur kan de invloed benoemen van Talking Traffic met betrekking tot adviessnelheden.
6. De rijinstructeur kan de invloed benoemen van Talking Traffic met betrekking tot informatie over rijstroken.
7. De rijinstructeur kan de invloed benoemen van Talking Traffic met betrekking tot inhaalverboden.
8. De rijinstructeur kan de invloed benoemen van Talking Traffic met betrekking tot mogelijke gevaarlijke situaties.
9. De rijinstructeur kan aangeven wat de invloed van Talking Traffic op de dagelijkse werkzaamheden van de rijinstructeur is.
10. De rijinstructeur kan voorbeelden geven op welke manier hij zich nu als de bestuurder kan voorbereiden op Talking Traffic.
1. De rijinstructeur kan zijn grenzen en beperkingen verklaren als het gaat om Auto te water handelingen.
2. De rijinstructeur weet te benoemen wanneer en op welke wijze hij tijdens de rijinstructie het thema Auto te water onder de aandacht kan brengen bij de leerling.
3. De rijinstructeur beseft welke Auto te water-basiskennis noodzakelijk zou moeten zijn voor elke bestuurder en weet dit op positieve wijze te motiveren aan de leerling.
4. De rijinstructeur is in staat om te denken aan de veiligheid rondom de plaats van het Auto te water ongeval en het organiseren daarvan, zowel voor zichzelf als voor het slachtoffer en derden. Hij/zij weet dit te benoemen en te motiveren naar de leerling. Zowel in de rol van omstander als in de rol van slachtoffer.
5. De rijinstructeur weet te benoemen en verklaren welke informatie nodig is voor het doen van een juiste melding naar de Meldkamer Ambulancezorg (112).
6. De rijinstructeur heeft kennis van en is in staat tot het verlenen van de juiste slachtofferhulpverlening, bijvoorbeeld:
* Wat te doen wanneer de auto te water raakt;
* Wat te doen wanneer de auto drijft;
* Wat te doen wanneer de auto zinkt;
* Wat te doen bij meerdere inzittende (kind in een Maxi-Cosi/bijrijder buiten bewustzijn/e.d.).
7. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze uitleg te geven over de het drijf en zink proces van de auto.
8. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze uitleg te geven over de ontsnappingswegen van de auto en hoe deze gebruikt dienen te worden bij calamiteiten.
9. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze uitleg te geven over de Life-Hammer in de auto en hoe deze gebruikt dient te worden bij calamiteiten.
10. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze uitleg te geven over de Rescue-Me in de auto en hoe deze gebruikt dient te worden bij calamiteiten.
11. De rijinstructeur kan demonstreren hoe je de auto dient te verlaten bij een Auto te water calamiteit.
12. De rijinstructeur is in staat op de juiste wijze uitleg te geven over wat de ervaringen zijn van een Auto te water ongeval in zowel binnen als buitenwater en daarbij de verschillen kan benoemen.
De bijscholing Auto te water wordt gegeven onder leiding van ervaren duikers en gecertificeerde instructeurs.
– Sport/BHV/Zwem instructeur/docent
– Interne opleiding Stichting Auto te water (Nikta)
– BHV toegepast op ATW: Veiligheidsprotocollen kennen/RI&E
• De instructeur kan uitleggen hoe een bocht is opgebouwd.
• De instructeur kan uitleggen hoe een motorrijder vroegtijdig een bocht kan waarnemen/herkennen
• De instructeur heeft kennis van de 4 K’s. Kijken, Klaar maken (positie, snelheid), Kantelmoment, Kracht opbouwen.
• De instructeur kan uitleggen wat het gyroscopisch effect inhoudt en kan verklaren welke positieve en negatieve effecten hiervan bij het rijden van bochten optreden.
• De instructeur is in staat om uit te leggen wat het belang is van een juiste zithouding, welke zithoudingen er zijn en wat de verschillen tussen deze zijn bij het rijden van een bocht.
• De instructeur weet wat er over het rijden van bochten in de Rijprocedure-A staat en weet deze kennis toe te passen.
• De instructeur kan motiveren wat een veilige rijlijn is in overzichtelijke en onoverzichtelijke bochten in relatie tot zicht en ander verkeer.
• De instructeur kan motiveren wat een ‘veilige’ snelheid in een bocht is.
• De instructeur kan uitleggen waarom verschillende type motorfietsen elk een eigen stuurgedrag hebben.
• De instructeur is in staat om het begrip ‘GRIP’ te verklaren en kan tevens de maximale grens d.m.v. de cirkel van ‘Kamm’ motiveren/uitleggen.
• De instructeur kan aangeven wat de invloed is van wegverkanting op het rijden van bochten.
• De instructeur kan uitleg geven over verschillende structuren wegdek, wegschades en wegmarkeringen.
• De instructeur is in staat om uit te leggen, waarom bij korte en of scherpe bochten veelal gebruik wordt gemaakt van de zgn. ’achterremtechniek’.
• De instructeur is in staat een goed demonstratie te geven met betrekking tot stuurtechniek en de verschillende bochtlijnen.
• De instructeur is in staat invulling te geven aan de verschillende instructiefasen.
• De instructeur is in staat de kandidaat/leerling aan de hand van de taakprocessen, die behoren bij het naderen en/of berijden van een bocht via een communicatieverbinding te coachen.
1. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven Artikel 50 RVV 1990.
2. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven Regeling optische en geluidssignalen 2009.
3. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven Besluit vrijstelling artikel 31 RVV 1990 (2015).
4. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven de belangrijkste richtlijnen van de Brancherichtlijn verkeer politie 2018 (ingangsdatum 02-2020).
5. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven de belangrijkste richtlijnen van de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen spoedeisende medische hulpverlening (ingangsdatum 01-2017).
6. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven de belangrijkste richtlijnen van de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer (ingangsdatum 06-2017).
7. De rijinstructeur kan benoemen en beschrijven Richtinggevend kader.
8. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren hoe te handelen in specifieke situatie bij nadering van een voorrangsvoertuig.
9. De rijinstructeur kan demonstreren hoe hij hulpmiddelen maakt en hoe hij deze kan inzetten om zijn kandidaat te coachen hoe om te gaan met een voorrangsvoertuig.
10. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren hoe hij diverse relevante praktijksituaties kan opzoeken en zijn kandidaat kan trainen in het omgaan met voorrangsvoertuigen.
1. De rijinstructeur weet hoe hij zich kan inschrijven bij de Kamer van Koophandel en kan het verschil uitleggen tussen ZZP, VOF en BV.
2. De rijinstructeur weet waaruit een ondernemersplan bestaat.
3. De rijinstructeur heeft kennis van administratiesoftware.
4. De rijinstructeur is op de hoogte van de organisatie en doelstellingen van FAM | BOVAG | VRB | LBKR.
5. De rijinstructeur kan beschrijven waarom PR een belangrijke tool is en wat een CTA (Call to action) is.
6. De rijinstructeur weet op welke manier hij social media kan inzetten in combinatie met advertenties.
7. De rijinstructeur heeft inzicht in de kosten verzekeringen, onderwijsleermiddelen en leasen, huren, kopen lesauto die noodzakelijk zijn voor een professionele bedrijfsvoering.
8. De rijinstructeur heeft inzicht in salaris, pensioenopbouw, en arbeidsongeschiktheidsverzekering en kent de voordelen en nadelen van een franchiseorganisatie.
1. De rijinstructeur is in staat om op juiste wijze uitleg te geven over het ontstaan van kantel- ongevallen.
2. De rijinstructeur weet te benoemen wanneer en hoe hij het onderwerp kantelrisico’s tijdens de rijles onder de aandacht kan brengen bij de leerling.
3. De rijinstructeur is in staat uitleg te geven over gelaagde ruiten en het gebruik van de Life-Hammer.
4. De rijinstructeur is in staat om te denken aan de veiligheid rondom de plaats van het kantelongeval en denkt daarbij aan de eigen veiligheid, het slachtoffer en derden. Hij weet dit te benoemen naar de leerling. Dit zowel in de rol van omstander als in de rol van slachtoffer.
5. De rijinstructeur is in staat om uitleg te geven over de techniek in het voertuig ter voorkoming van brand en het belang van de kooiconstructie.
6. De rijinstructeur is in staat de gekantelde simulator op de juiste wijze te verlaten.
7. De rijinstructeurs is in staat op juiste te wijze met twee of meer personen de simulator te verlaten en dit te motiveren naar de leerling.
8. De rijinstructeur kan uitleg geven hoe gehandeld dient te worden als er kinderen aanwezig zijn in een gekanteld voertuig.
9. De rijinstructeur heeft de kennis en is ook in staat hulp te verlenen aan slachtoffers die betrokken zijn bij een kantelongeval en beheerst het volgende:
– het op juiste wijze melden van het ongeval via 112
– hulpverlening als het voertuig gedeeltelijk of geheel is omgeslagen
– de volgorde van handelen als er meer personen dan één persoon in het voertuig zitten
– het op juiste wijze hulp verlenen aan kinderen die bij het ongeval betrokken zijn.
1. De rijinstructeur kan art 5 WvW (veiligheidsartikel) verklaren en uitleggen aan de leerling.
2. De rijinstructeur kan art 5a WvW (opzettelijke overtredingen vanuit RVV) verklaren en uitleggen aan de leerling. (nieuw)
3. De rijinstructeur kan art 6 WvW (zwaar lichamelijk letsel | dood door schuld) verklaren en uitleggen aan de leerling.
4. De rijinstructeur kan art 7 WvW (plaats van ongeval verlaten) verklaren en uitleggen aan de leerling.
5. De rijinstructeur kan art 8 WvW (alcoholwetgeving) verklaren en uitleggen aan de leerling.
6. De rijinstructeur kan de gevolgen bespreken van overtreding van de alcoholwetgeving door een beginnende leerling.
7. De rijinstructeur kan art 162 WvW (rijverbod) en art 163 WvW (medewerking onderzoek) verklaren en uitleggen aan de leerling.
8. De rijinstructeur kan het verschil uitleggen tussen rijverbod en rijontzegging en door wie dit opgelegd kan worden en voor welke duur.
9. De rijinstructeur kan art 164 WvW (inhouden| invorderen rijbewijs) verklaren en uitleggen aan de leerling.
10. De rijinstructeur kan art 9 WvW (rijontzegging motorrijtuigen) verklaren, uitleggen en gevolgen voor de leerling aangeven.
11. De rijinstructeur kan art 2 lid 1 Wet Aansprakelijkheidsverzekering (WAM) (verplichte verzekering motorrijtuigen) verklaren en uitleggen aan de leerling.
12. De rijinstructeur kan art 5.1.1. Regeling Voertuigen (RV) (aansprakelijkheid: algemene eisen) verklaren en uitleggen aan de leerling.
13. De rijinstructeur kan art 72 WvW (APK) verklaren en uitleggen aan de leerling.
1. De rijinstructeur kan het gespreksmodel: | opening | feitelijke situatie | gewenste situatie | afronding | verklaren en in de praktijk toepassen.
2. De rijinstructeur kan het verschil tussen Beeldgedrag (BG) en Waargenomen gedrag (WG) uitleggen en in de praktijk toepassen.
3. De rijinstructeur kan de leerling overtuigen wat het Gewenste Gedrag (GG) is.
4. De rijinstructeur kan aangeven wat het gewenste rijgedrag is en in welke documenten dit te vinden is.
5. De rijinstructeur kan met behulp van het gesprekmodel een professioneel gesprek voeren met de leerling over: getoond rijgedrag | niet nakomen van afspraken | sociaal gedrag.
6. De rijinstructeur kan met behulp van het gesprekmodel een professioneel gesprek voeren met een van de ouders van de leerling over de aanvraag van een examen.
7. De rijinstructeur kan met behulp van het gesprekmodel een professioneel gesprek voeren met een examinator over een examenuitslag.
1. De rijinstructeur kan algemene bepalingen RVV | begrippen |benoemen en verklaren m.b.t.
a. regels voetgangers
b. regels brommobielen
c. regels snorfietsen
d. gebruik mobiele communicatieapparatuur
2. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. gebruik gordels en helmen; zitplaats voor passagiers.
3. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. gebruik van verlichting en de risico’s bij dat gebruik.
4. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. handelen bij ongevallen en pech onderweg.
5. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. voorrang verlenen op kruispunten.
6. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. voor laten gaan bij het afslaan.
7. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. voor laten gaan van blinden, gehandicapten en voetgangers.
8. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. voor laten gaan van voorrangsvoertuigen, militaire colonnes en trams.
9. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. uitvoeren van bijzondere manoeuvres / voor laten gaan bij bijzondere manoeuvres.
10. De rijinstructeur kan de regels benoemen verklaren m.b.t. plaats op de weg en voorsorteren.
11. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. inhalen.
12. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. stilhouden, stilstaan en parkeren.
13. De rijinstructeur kan de regels benoemen en verklaren m.b.t. verkeerstekens op het wegdek en borden.
1. De rijinstructeur is zich bewust van de risico’s bij rijden onder winterse en minder gunstige weersomstandigheden.
2. De rijinstructeur kan uitleg geven over de risico’s van alcohol en drugs in het verkeer, die een grote invloed hebben op de waarneming en reactietijd. Het gebruik van mobiele telefoon en de invloed van de social media die voor afleiding zorgen en daarmee de risico’s op ongevallen vergroten.
3. De rijinstructeur kan de waarde van een geautomatiseerde voertuigbeheersing verklaren.
4. De rijinstructeur kan het verschil tussen remafstand en stopafstand uitleggen.
5. De rijinstructeur kan de remweg bij verschillende snelheden berekenen en hierover uitleg geven. De rijinstructeur kan de verschillen in de remtechniek uitleggen.
6. De rijinstructeur kan voorbeelden noemen van de krachten die ontstaan bij een voertuig in beweging, in kritieke situaties. Zoals aandrijfkrachten, remkrachten en stuurkrachten bij bijvoorbeeld uitwijkmanoeuvres en bij het rijden van bochten.
7. De rijinstructeur kan uitleg geven over de cirkel van Kamm.
8. De rijinstructeur kan de verschillen verklaren tussen voorwielslip, achterwielslip en een vierwielslip en de werking van vierwielaandrijving.
9. De rijinstructeur kan de verschillen benoemen tussen voertuigen op het gebied van stuurkarakter.
10. De rijinstructeur kan de verschillen benoemen tussen zomer- en winterbanden en de coderingen verklaren die op de banden zijn aangegeven.
11. De rijinstructeur begrijpt de werking van de meest voorkomende ADAS systemen. De rijinstructeur kan in geval van kritieke situaties, bij een voertuig in beweging, of een slip deze systemen herkennen en optimaal gebruiken.
12. De rijinstructeur kan in praktijk de verschillende stuurtechnieken toepassen.
13. De rijinstructeur kan in praktijk een noodstop- en uitwijkmanoeuvre maken op nat wegdek.
14. De rijinstructeur beheerst in praktijk onder- en overstuursituaties en weet deze te voorkomen of te corrigeren.
15. De rijinstructeur kan in praktijk een achterwielslip voorkomen of corrigeren.
1. Doelstellingen – opzet – inhoud – structuur Rijopleiding In Stappen (RIS)
Verklaren:
• De RIS-filosofie
• de basisprincipes van de RIS
• de algemene uitgangspunten van de RIS
• hoe de RIS is opgebouwd
• op welke wijze de integratie van theorie en praktijk plaatsvindt
• hoe de RIS zich verhoudt t.o.v. de WRM
• dwarsverbanden tussen de RIS-Modules & Scripts, de verkeerstak, het Leerdoelen- document ‘Vlakveld 2000,’ de Rijprocedure-B en de GDE-matrix
Benoemen:
• welke leermiddelen behoren bij het pakket van leermiddelen
2. Verkeerstaak Beschrijven en verklaren:
• wat de verkeerstaak van een bestuurder is
• de relatie is tussen een verkeersopgave en een handelingsscript Ad WRM-scholingsonderwerp
3. Modules en Script
Benoemen:
• wat een module is
• uit hoeveel modules de RIS bestaat
• wat zijn de benamingen van de achtereenvolgende modules
• Beschrijven en verklaren:
• wat een handelingsscript is
• het ontstaan van de handelingsscripts
• de ‘principewerking’ van handelingsscripts
• de inhoud van elk handelingsscript van de RIS
• welke handelingsscripts er binnen de RIS bestaan
• welke handelingsscripts behoren tot welke module Beschrijven en verklaren:
• Scaffolding binnen de RIS
4. Didactiek
Beschrijven en verklaren:
• wat de didactische componenten lesvoorbereiding, lesrealisatie en lesevaluatie inhouden
• wat wordt verstaan onder een ‘model didactische analyse’ (model Van Gelder / De Corte)
• hoe het M.D.A. model is samengesteld
• toepassingsmogelijkheden t.a.v. ‘doel – middel’
• werkingssfeer van de toetsoefeningen
• welke vier instructiefasen de RIS-instructeur doorloopt wanneer hij zijn leerlingen scripts aanleert
• welke fasen van het aanleren van scripts binnen de RIS bestaan
• uit hoeveel en welke stappen deze fasen bestaan Toepassen:
1. het ‘Pareto principe’ binnen de RIS-methodiek in de dagelijkse praktijk van de (rij)les Ad WRM-Rijprocedure
Verklaren:
• de werkingssfeer van de hoofdstukken I, II en III
• de onderlinge samenhang met de modules van de RIS
• de onderlinge samenhang met de scripts van de RIS
2. Doel-Middel in de RIS-opleiding
Beschrijven en verklaren:
• het ‘Doel-Middel’ binnen de RIS-methodiek Toepassen:
• ‘Doel/Middel’ binnen de RIS-methodiek in de dagelijkse praktijk van de (rij)les Ad WRM-
3. Leerdoelendocument Vlakveld 2000
Verklaren:
• de werkingssfeer van het Leerdoelendocument ‘Vlakveld 2000’ binnen de RIS
4. Leerstijlen
Beschrijven en verklaren:
• de leerstijlen van Kolb
5. Meervoudige intelligentie
Toepassen:
• effectief omgaan met ‘meervoudige intelligentie’ binnen de RIS-methodiek en dit toepassen in de dagelijkse praktijk van de (rij)les
6. Toetsen binnen de RIS
Beschrijven en verklaren:
• welke toetsen en manieren van toetsen er zijn binnen de RIS Ad WRM-scholingsonderwerp
7. Module 4 RIS
Beschrijven en verklaren:
• het belang van Module 4 binnen de RIS
• de koppeling van module 4 met de Rijprocedure-B
• de koppeling van Module 4 met de GDE-matrix
8. Begeleiding binnen de RIS
Beschrijven en verklaren:
• wanneer er begeleiding plaats vind binnen de RIS
• wie de begeleiding uitvoert
9. Comfortabel rijden gekoppeld aan Module 1 van de RIS
Demonstreren gekoppeld aan de scripts Gas geven (script 9), Sturen (script 11), Ontkoppelen (script 14), Stoppen (script 15) en Koppelen (script 16):
• wat wordt bedoeld met comfortabel rijgedrag
• hoe een beginnend volgroeid bestuurder verkeersopgaven oplost
• hoe toetsoefeningen worden gebruikt
10. Praktische rij- en instructievaardigheden
Verklaren, demonstreren tijdens een praktijkles:
• een heldere, meetbare, eenduidig geformuleerde doelstelling
• ‘meten’ van de beginsituatie
• instrueren van de lesstof (kern van de les)
• bepalen van de juiste stap
11. Additionele kennis
Benoemen en verklaren en demonstreren:
• wat een RIS-instructiekaart is
• wat een leerlingenkaart is
• wat het doel van deze documenten is
• welke gegevens deze documenten moeten bevatten
• op welke wijze documenten dienen te worden ingevuld door de RIS-instructeur en de RIS- examinator
• wat de voordelen zijn van een juist gebruik van deze documenten
• hoe ‘later’ te leren scripts kunnen worden gebruikt bij de instructie van een script of module
• hoe gebruikt kan worden gemaakt van het onbewust opname vermogen van leerlingen
• de rol van toetsoefeningen
• coaching in relatie met Doel/Middel binnen de RIS-methodiek in de dagelijkse praktijk van de (rij)les effectief toepassen
12. Registreren en beoordelen
Benoemen, verklaren en demonstreren:
• invullen RIS-instructievorderingenkaart
• vaststelling van beheersingsniveau van scripts; zowel rijdend als stilstaand; zowel binnen als buiten de auto
• waar juist oefen- en toets gebied aan moet voldoen. Hij kan dit nauwkeurig afstem men op de te toetsen module
• juiste en tijdige coaching, gericht op voorkomen van ingrijpen
• wat zijn rol als ‘coach’ inhoudt
• op welke wijze nabespreking plaats dient te vinden (lesevaluatie) gezamenlijk vaststellen van verbeterpunten
13. Samenstellen en presenteren RIS-praktijkles
Demonstreren:
• een RIS-praktijkles conform het RIS-WRM-beoordelingsprotocol
1. De RIS-rijinstructeur kan de RIS filosofie beschrijven en verklaren;
2. De RIS-rijinstructeur kan in relatie tot de RIS-modules en -scripts, scaffolding beschrijven en verklaren;
3. De RIS-rijinstructeur kan de ‘Zone van de naaste ontwikkeling’ van Vygotsky beschrijven en verklaren;
4. De RIS-rijinstructeur kan de ‘Zone van de naaste ontwikkeling’ van Vygotsky in de dagelijkse praktijk van de (rij)les effectief toepassen;
5. De RIS-rijinstructeur kan de dwarsverbanden tussen de RIS Modules & Scripts/ Ver- keerstaak/Leerdoelen document/Rijprocedure B/GDE-Matrix beschrijven en verklaren;
6. De RIS-rijinstructeur kan het ‘Doel/Middel’ binnen de RIS-methodiek beschrijven en verklaren;
7. De RIS-rijinstructeur kan effectief het ‘Doel/Middel’ binnen de RIS-methodiek in de dagelijkse praktijk van de (rij)les toepassen;
8. De RIS-rijinstructeur kan effectief omgaan met ‘meervoudige intelligentie’ binnen de RIS- methodiek en dit toepassen in de dagelijkse praktijk van de (rij)les;
9. De RIS-rijinstructeur kan effectief omgaan met coaching in relatie met Doel/Middel binnen de RIS-methodiek en dit in de dagelijkse praktijk van de (rij)les toepassen;
10. De RIS-rijinstructeur kan het ‘Pareto principe’ binnen de RIS-methodiek in de dagelijkse praktijk van de (rij)les effectief toepassen.
De rijinstructeur kan:
1. Verklaren op welke wijze je ouders kunt betrekken bij het leertraject van hun zoon/dochter.
2. Beschrijven in welke mate een goed ingevulde instructievorderingenkaart een positieve bijdrage kan leveren aan het in kaart brengen van het leertraject van de leerling.
3. Verklaren op welke manier een rijinstructeur de leerling bewust kan maken van zijn eigen verantwoordelijk m.b.t. veilig rijgedrag en mogelijke gevolgen?
4. Verklaren wat de meest 10 gemaakte fouten in het rijgedrag zijn waardoor een rijbewijsleerling het examen met onvoldoende resultaat afsluit.
5. Verklaren wat de mogelijke gevolgen van het rijgedrag zijn m.b.t. verkeersveiligheid die tot onvoldoende resultaat leiden in het verkeer.
6. Verklaren welke aanpak het meest gewenst is voor de rijinstructeur om de 10 meest gemaakte fouten te voorkomen?
7. Beschrijven wat is het nut en doel van een persoonlijk logboek voor de leerling.
1. De rijinstructeur kan de kostprijs van een product of dienst (verantwoorde lesprijs) berekenen en uitleggen hoe de berekening tot stand is gekomen / is opgebouwd.
2. De rijinstructeur kan uitleggen hoe de kostprijs van een product of dienst (verantwoorde lesprijs) kan worden verhoogd/verlaagd.
3. De rijinstructeur kan uitleggen wat de invloed van een goede prijsberekening is op een gezonde en verantwoorde financiële bedrijfsvoering.
4. De rijinstructeur kan de betekenis van marge-verhogende producten of diensten uitleggen (en enkele voorbeelden noemen) en welk effect ze hebben op de financiële bedrijfsvoering van de eigen rijschool.
5. De rijinstructeur kan de invloed van prijsveranderingen in de markt op een product of dienst van de eigen rijschool uitleggen en berekenen.
6. De rijinstructeur kan de basiscijfers van de rijschoolbranche in Nederland opzoeken (slagingspercentage theorie en praktijk, aantal nieuwe rijscholen in de regio etc.) en vervolgens uitleggen welke invloed deze basiscijfers op de eigen rijschool kan hebben.
7. De rijinstructeur kan uitleggen uit welke posten de inkomsten en uitgaven van een rijschool zijn opgebouwd.
8. De rijinstructeur kan de belangrijkste verzekeringen voor een rijschool benoemen.
1. De rijinstructeur kan de betekenis van breinleren uitleggen.
2. De rijinstructeur kan uitleggen hoe het geheugenproces werkt en wat de invloed op het leren is.
3. De rijinstructeur kan de zes breinprincipes benoemen en de invloed ervan op het leren uitleggen.
4. De rijinstructeur kan benoemen welke werkvormen aansluiten bij de principes van breinleren.
5. De rijinstructeur kan op basis van inzichten over breinleren bestaande lesmethoden aanpassen.
6. De rijinstructeur kan de zes breinprincipes toepassen-demonstreren in de rijles.
7. De rijinstructeur kan de betekenis van Scaffolding uitleggen en toepassen-demonstreren.
8. De rijinstructeur kan de drie elementen van de A.S.OOO-benadering toepassen-demonstreren.
Deze bijscholing is bedoeld om de kennis opgedaan tijdens de WRM A fase 1A leerdoel 4 kort te herhalen maar vooral een verdieping in de volgende punten:
1. Na het volgen van deze bijscholing kan de instructeur nog concreter de essentiële en niet essentiële handelingen gecombineerd met deelhandelingen en de eventueel daaruit voortvloeiende foutgedragingen van iedere AVB-oefening benoemen.
2. De instructeur kan de techniek qua bediening en kijkgedrag van iedere oefening vertalen naar een praktijksituatie die voorkomt tijdens de rijlessen AVD. Uiteraard is deze bijscholing gebaseerd op het gewenste rijgedrag beschreven in de Rijprocedure-A. Benodigde kennis is noodzakelijk om een kandidaat te kunnen voorbereiden op het AVB-examen bij het CBR. Indien nodig moet een instructeur een gedegen inhoudelijk discussie kunnen voeren met een CBR-examinator.
Het beschikken over de juiste kennis, zonder de eigen interpretatie die een persoon altijd is geneigd ergens aan te geven, van de rijprocedure is essentieel voor de instructeur om zijn werkzaamheden met een juiste mate van kwaliteit te kunnen uitvoeren.
Tijdens deze bijscholing worden de 12 bijzondere verrichtingen behandeld die onderdeel zijn van het AVB examen. N.B. de bijzondere verrichtingen die onderdeel zijn van het getrapte examentraject vallen niet onder deze bijscholing.
De deelhandelingen en foutgedragingen die in de voertuigbeheersing voor (kunnen) komen zijn essentieel om te kennen als instructeur en deze te kunnen benoemen en herkennen bij een kandidaat. Wanneer een kandidaat tijdens de rijlessen AVB de techniek foutief aanleert kan dit leiden tot risicovolle situaties tijdens de verkeersdeelname.
Niet alle onderstaande leerdoelen worden (uitgebreid) getoetst tijdens de opleiding WRM-A instructeur, daar waar daardoor kennis ontbreekt/is verdwenen is deze bijscholing van sterk toegevoegde waarde.
1. De rijinstructeur kan benoemen wat er in de rijprocedure staat m.b.t. de zithouding, het wegrijden, het op-terugschakelen en het bedienen van de remmen.
2. De rijinstructeur kan uitleggen waarom de bediening en zithouding belangrijk zijn bij de AVB-oefeningen.
3. De rijinstructeur kan de AVB-oefeningen demonstreren conform de rijprocedure.
4. De rijinstructeur kan benoemen welke uitvoeringscriteria per oefening gelden volgens de rijprocedure.
5. De rijinstructeur kan uitleggen waarom deze eisen per AVB-oefening belangrijk zijn.
6. De rijinstructeur kan per oefening de deelhandeling en foutgedragingen benoemen en eventueel tijdens de verkeersdeelname daaruit voortvloeiende gevolgen ervan benoemen en verklaren.
7. De rijinstructeur kan de verbanden tussen de AVB-oefeningen en de AVD-lessen benoemen en verklaren.
8. De rijinstructeur kan zijn/haar rol als coach in het lerend leren proces i.p.v. beoordelaar zijn benoemen en toepassen.
De bijscholing ‘Een veilig werkklimaat’ heeft als doelstelling: Bewustwording creëren en kennis vergroten van grensoverschrijdend gedrag. De gevaren (her)kennen en dilemma’s kunnen benoemen bij grensoverschrijdend gedrag. Agressief gedrag en intimidatie herkennen, onder controle te houden en er mee om kunnen gaan.
De bijscholingeen veilig werkklimmaat is bestemd voor rij-instructeurs in Nederland. De bijscholing kan tevens nuttig zijn voor instructeurs en examinatoren van de verkeersopleiding.
De bijscholing bestaat uit twee dagdelen van ieder drie uur, dus 6 uur in totaal.
Een docent met 3 jaar WRM bevoegdheid en een gastdocent gespecialiseerd in Grensoverschrijdend Gedrag en gesprekstechnieken.
1. De rij-instructeur kan uitleggen wat er verstaan wordt onder grensoverschrijdend gedrag en diens verschijningsvormen(verbaal, fysiek seksueel) benoemen/ herkennen.
2. De rij-instructeur kan de gevaren en gevolgen van grensoverschrijdend gedrag benoemen/ herkennen.
3. De rij-instructeur kan de verschijningsvormen van grensoverschrijdend gedrag van klant naar instructeur benoemen/ herkennen.
4. De rij-instructeur kan de verschijningsvormen van grensoverschrijdend gedrag van instructeur naar klant benoemen/ herkennen.
5. De rij-instructeur kan in een interactief gesprek een mening over dilemma’s met grensoverschrijdend gedrag formuleren.
6. De rij-instructeur kan omgaan met verbale agressie en weet de-escalerend te handelen.
7. De rij-instructeur kan uitleggen hoe om te gaan met grensoverschrijdend gedrag en dit afhandelen volgens de gedragscode.
8. De rij-instructeur kan preventief handelen bij mogelijke tekenen van grensoverschrijdend gedrag.
Motivatie:
Als rijinstructeur kun je te maken krijgen met kandidaten met een lichamelijke beperking op het gebied van gezichtsvermogen, hersenen, motoriek of een combinatie daarvan. Mensen kunnen met een dergelijke beperking geboren worden (examenkandidaten). Maar ze kunnen ook op latere leeftijd beperkingen oplopen (rijbewijsbezitters), waardoor het bedienen en besturen van een standaard auto problemen oplevert.
Er zijn gelukkig diverse betaalbare aanpassingen waarmee mensen toch zelfstandig mobiel kunnen blijven. Dit vereist echter training met een aangepaste lesauto en vaak zelfs een complete aangepaste rijopleiding. Het is daarom van belang dat rijinstructeurs goed weten wat de mogelijkheden zijn, waar specifiek op gelet moet worden, wat de procedures van het CBR zijn en wat de risico’s zijn van lesgeven aan mensen met een beperking.
Doelgroep:
WRM-B Rijinstructeurs.
Doel:
De rijinstructeur is aan het einde van deze bijscholing op de hoogte van de diverse mogelijkheden van autoaanpassingen. Hij kan analyseren welke aanpassing bij welke beperking hoort en is op de hoogte van de diverse wet-, en regelgeving omtrent het autorijden met aanpassingen. De rijinstructeur is zich daarbij bewust dat het CBR uiteindelijk bepaalt welke aanpassingen noodzakelijk zijn.
Leerdoelen:
Aan het einde van de bijscholing, kan de deelnemer:
1. de CBR-procedure voor kandidaten met een beperking, die in het bezit zijn van een rijbewijs uitleggen.
2. de CBR-procedure voor kandidaten met een beperking, die nog niet in het bezit zijn van een rijbewijs uitleggen.
3. de CBR-procedure Mededeling op basis van geschiktheid en bekwaamheid uitleggen.
4. uitleggen wat het verschil is tussen de begrippen rijvaardigheid en rijgeschiktheid.
5. de verschillende soorten gezondheidsverklaringen interpreteren en invullen
6. kan de betekenis herkennen/opzoeken van de codes op een rijbewijs met behulp van de EU codelijst zoals genoemd in de Regeling Coderingen Beperkingen Rijbevoegdheid.
7. de meest voorkomende lichamelijke beperkingen en bijbehorende symptomen in de domeinen Zien, Denken, Doen omschrijven.
8. inschatten op welke aspecten de focus van de rijtest bij het CBR ligt, zodat de instructeur hierop kan anticiperen tijdens het trainen van de kandidaten.
9. de meest voorkomende aanpassingen in de auto (licht, middel, hightech) en bijbehorende voorbeelden benoemen.
10. analyseren welke aanpassingen in de auto kunnen worden ingezet bij de meest voorkomende aandoeningen.
Onderwerpen die aan bod komen:
1. CBR-procedure voor kandidaten met een beperking die nog niet in het bezit zijn van een rijbewijs
2. CBR-procedure voor kandidaten met een beperking die in het bezit zijn van een rijbewijs.
3. CBR-procedure Mededeling op basis van geschiktheid en op basis van rijvaardigheid.
4. Soorten gezondheidsverklaringen, hoe moet je die interpreteren en hoe vul je deze in?
5. Aspecten van beoordeling en bijbehorende normen in de domeinen Zien, Denken, doen
6. Codes voorkomend op een rijbewijs van iemand met een beperking.
7. Meest voorkomende lichamelijke beperkingen en bijbehorende symptomen in de domeinen Zien, Denken, Doen.
8. Beoordelingsaspecten en behorende normen in de domeinen Zien, Denken, Doen.
9. Soorten aanpassingen in de auto (licht, middel, hightech) en bijbehorende voorbeelden.
In een steeds veranderende en meer complexe verkeersomgeving is het voor de rijinstructeurs essentieel om hun leerlingen niet alleen te voorzien van technische rijvaardigheden, maar ook te helpen om effectiever te leren. De rijinstructeur kan het leren van de leerling bevorderen door toepassing van vier leerstrategieën in de les. Door het toepassen van deze strategieën, nemen de leerlingen kennis beter op en passen deze effectiever en sneller toe in hun rijvaardigheid. Meer complexe verkeerssituaties en verkeersregels en de rijvaardigheid worden hierdoor sneller beheerst. Leerlingen worden beter voorbereid op het rijexamen én groeien uit tot veilige en zelfstandige bestuurders op de lange termijn.
In deze bijscholing staan vier leerstrategieën centraal. Deze zijn gebaseerd op inzichten uit de cognitieve psychologie en uitgewerkt in enkele technieken/werkvormen. Ze stellen de instructeur in staat de leerling beter voor te bereiden op het praktijkexamen én leiden leerlingen op tot veilige, zelfstandige en zelfverzekerde bestuurders.
De strategieën zijn wetenschappelijk bewezen en effectief in het bevorderen van het leerproces en leveren een blijvend resultaat.
De vier leerstrategieën zijn:
– het actief ophalen van kennis,
– spaced practice (spreiding van lesstof),
– interleaved practice (afwisselen van lesonderdelen),
– dual coding (combineren van visuele en mondelinge uitleg).
Door het toepassen van de technieken en werkvormen in de lessen, wordt niet alleen de leerprestatie van de leerling verbeterd, maar worden ook de professionaliteit en de leskwaliteit van de instructeur vergroot.
Deze bijscholing biedt daarmee een waardevolle aanvulling op de bestaande opleiding van de rijinstructeur.
1. De rijinstructeur kan de betekenis van effectief leren uitleggen.
2. De rijinstructeur kan de vier leerstrategieën benoemen en de invloed ervan op het leren uitleggen.
3. De rijinstructeur kan benoemen welke technieken/werkvormen aansluiten bij de vier leerstrategieën en deze toepassen in de les.
4. De rijinstructeur kan uitleggen hoe het geheugenproces werkt; inzicht in het korte- en langetermijngeheugen.
5. De rijinstructeur kan uitleggen hoe je een leerling effectief feedback geeft en dit toepassen-demonsteren in de rijles.
6. De rijinstructeur kan een lesplan opstellen waarin de vier leerstrategieën zijn geïntegreerd.
Lesstof bestaat o.a. uit een PowerPoint presentatie, een hand-out van de presentatie, lescontent ter voorbereiding en naslagwerk en een toets van 10 meerkeuzevragen.
Algemene doelstelling
De bijscholing E- bestelauto heeft als doelstelling:
Kennis, inzicht en vaardigheden ontwikkelen om een gedegen training met E-bestelauto’s te kunnen verzorgen. De instructeur leert de gevaren benoemen, die gepaard gaan met het rijden in zwaardere elektrische bestelauto’s, en ontwikkelt kennis van de geldende regelgeving die ten grondslag ligt aan de uitzonderingspositie van het B-rijbewijs. Hierbij is kennis van wet en regelgeving, kennis van elektrische voertuigen van belang alsmede professioneel rijgedrag en de vertaling van het leerplan uit het convenant naar een lesaanpak.
Toelichting algemene doelstelling instapniveau
Iedere deelnemer is een gecertificeerd rijinstructeur B, BE of C.
Werkvormen/media
• Presentatie, doceren en onderwijsleergesprek
• Rijden met een E-bestelauto op een afgesloten terrein/ slipbaan en zelf de krachten ervaren.
Doelgroep
De bijscholing E-bestelauto is bestemd voor rijinstructeurs in Nederland die affiniteit hebben met grotere voertuigen.
Instructeurs hebben bij voorkeur ervaring met het rijden met BE en/of C voertuigen.
Docentkwalificatie
Een docent met 3 jaar WRM-bevoegdheid en kennis van elektrische voertuigen.
Duur
De training omvat twee dagdelen waarin zowel een theorie als praktijkdeel (max 1,5 uur) is opgenomen.
Leerdoelen
Kennis van wet- en regelgeving én het convenant
1. (K) De rij-instructeur kan benoemen onder welke voorwaarden gebruik mag worden gemaakt van de uitzondering om met een E-bestelauto (>3500 kg) te rijden met rijbewijs B.
2. (K) De rij-instructeur kan de afwijkende regelgeving t.o.v. voertuigen met een TMM van niet meer dan 3500 kg benoemen en toelichten.
3. (K) De rij-instructeur kan de belangrijkste uitgangspunten van het convenant Verkeersveiligheidwaarborgen toelichten alsmede de regels omtrent arbeidstijden.
Kennis van elektrische voertuigen
4. (B) De rij-instructeur kan verklaren hoe een elektromotor werkt en wat de belangrijkste verschillen zijn met conventionele motoren.
5. (B) De rij-instructeur kan het effect van verhoogd voertuiggewicht op rijgedrag verklaren.
6. (K) De rij-instructeur kan benoemen welke energieverbruikers invloed hebben op de actieradius van het voertuig.
7. (K) De rij-instructeur kan benoemen welke maatregelen genomen moeten worden bij incidenten met E-bestelauto’s
Professioneel rijgedrag
8. (Va) De rij-instructeur kan voertuiggedrag zoals acceleratie, vertraging en belading ervaren en demonstreren tijdens praktijkoefeningen op een afgesloten terrein.
Kennis van de didactiek
9. (T) De rij-instructeur kan de inhoud van de cursus voor deelnemers (inclusief de e-learning) beschrijven en deze toepassen in de praktijk.
10. (T) De rij-instructeur kan het leerplan (uit het convenant) interpreteren en omzetten in een didactische lesopzet voor de cursus.
Motivatie:
Het bieden van kennis en vaardigheden aan rijinstructeurs om op een verantwoorde, respectvolle en verkeersveilige manier om te gaan met ouderen in het verkeer. De vergrijzing in Nederland leidt tot een groeiend aantal oudere automobilisten. Deze doelgroep heeft unieke uitdagingen, zoals afnemende fysieke en cognitieve vaardigheden, onzekerheid in het verkeer en een verhoogde kans op betrokkenheid bij verkeersongevallen. De bijscholing biedt rijinstructeurs inzicht, kennis en praktische instrumenten om deze doelgroep veilig en effectief te begeleiden.
Doelgroep:
Rijinstructeurs in Categorie B. Het onderwerp is toepasbaar bij:
• Opfrislessen aan senioren (rijbewijsbehoud)
• Begeleiding voor en na medische herkeuring
• Terugkeer in het verkeer na pauze
• Communicatie met ouderen, mantelzorgers of familieleden
Leerdoelen:
De rijinstructeur...
1. Kan uitleggen welke demografische ontwikkelingen van invloed zijn op rijbewijsbezit bij ouderen en hoe deze van invloed zijn.
2. Kan uitleggen welke fysieke en cognitieve veranderingen invloed hebben op de rijvaardigheid.
3. Kan benoemen welke gedragingen kunnen wijzen op verminderde rijgeschiktheid.
4. Kan uitleggen wat de procedure is bij verlenging van het rijbewijs na 75 jaar (CBR, keuring, bezwaar).
5. Communiceert op een respectvolle manier met oudere bestuurders over gevoelige onderwerpen.
6. Kan uitleggen welke les strategieën passend zijn in rijlessen of opfrissessies voor ouderen en past deze succesvol toe.
7. Kan samen met de oudere bestuurder beoordelen wat een veilige mate van verkeersdeelname is.
8. Kan uitleggen wat het belang van verkeersdeelname voor de zelfstandigheid en zelfwaarde van ouderen is.
9. Kan de belangrijkste bestaande opfriscursussen die aangeboden worden benoemen en de diverse samenwerkingspartners (VVN, huisarts, gemeente).
10. Gebruikt hulpmiddelen zoals observatieformulieren of zelfevaluatietools bij begeleiding van ouderen.
11. Demonstreert bewustwordingstechnieken gericht op zelfinzicht bij de oudere bestuurder.
|
Cursus: |
Educatief traject |
|
Naam aanbieder: |
|
|
Straatnaam en nummer: |
|
|
Postcode en plaatsnaam: |
|
|
Telefoonnummer: |
|
|
Naam contactpersoon: |
|
|
Telefoonnummer contactpersoon: |
|
|
E-mailadres contactpersoon: |
|
Dagdeel |
Datum |
Tijdstip |
Leerstof en/of lesmateriaal |
|---|---|---|---|
|
1 |
Intake gesprek als bedoeld in artikel 8a lid 2 RRM |
||
|
2 |
|||
|
3 |
|||
|
4 |
|||
|
5 |
|||
|
6 |
Evaluatief eindgesprek als bedoeld in artikel 8a lid 2 RRM |
Totale lestijd: .... minuten (per dagdeel minimaal 3 klokuren, met maximaal 15 minuten pauze per dagdeel)
|
Naam en voorletters docent: |
|
|
Straatnaam en huisnummer: |
|
|
Postcode en woonplaats: |
|
|
Geboortedatum en -plaats: |
|
|
Geslacht: |
|
|
Nummer WRM-bevoegdheidspas docent: |
|
|
WRM-bevoegdheidspas geldig tot: |
|
|
Handtekening docent: |
N.B.: Naast bovenstaande moet van de docent een CV worden aangeleverd, die voldoende bewijs levert van professionaliteit.
|
Naam opleidingsinstituut: |
|
|
Cursusnaam: |
|
|
WRM bijscholingsonderwerp: |
|
|
Cursusdatum: |
|
|
Adres cursuslocatie: |
|
|
Postcode/plaats cursuslocatie |
|
|
Naam docent en handtekening: |
|
|
Naam en voorletters cursist: |
WRM-certificaat geldig tot: |
Certificaat nr: |
Geldig RIS-certificaat: |
Handtekening ochtend: |
Handtekening middag: |
Handtekening avond: |
|
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
1 |
Ja / nee * |
||||||
|
2 |
Ja / nee * |
||||||
|
3 |
Ja / nee * |
||||||
|
4 |
Ja / nee * |
||||||
|
5 |
Ja / nee * |
||||||
|
6 |
Ja / nee * |
||||||
|
7 |
Ja / nee * |
||||||
|
8 |
Ja / nee * |
||||||
|
9 |
Ja / nee * |
||||||
|
10 |
Ja / nee * |
||||||
|
11 |
Ja / nee * |
||||||
|
12 |
Ja / nee * |
||||||
|
13 |
Ja / nee * |
||||||
|
14 |
Ja / nee * |
||||||
|
15 |
Ja / nee * |
|
16 |
Ja / nee * |
|
Aanbieder: |
........................................ |
Naam docent: |
........................................ |
|
Cursusnummer: |
........................................ |
Paraaf: |
........................................ |
|
Steekproefdatum: |
........................................ |
Naam beoordelaar: |
........................................ |
|
Paraaf: |
........................................ |
||
|
Hoofdonderwerpen en beoordelingscriteria |
Observatie/Toelichting |
V/O |
|
|---|---|---|---|
|
1. Vakinhoudelijke kwaliteit |
|||
|
a) |
Behandelt het vooraangemelde onderwerp conform het aangeleverde lesplan |
||
|
b) |
Verdeelt de tijd conform het lesplan |
||
|
c) |
Hanteert werkvormen conform het lesplan |
||
|
d) |
Geeft inhoudelijk juiste informatie over regelgeving |
||
|
e) |
Beantwoordt cursistenvragen inhoudelijk juist |
||
|
f) |
Beheerst de lesstof en laat zien dat hij/zij boven de stof staat |
||
|
2. Didactische kwaliteit, (1) Doelstelling |
|||
|
a) |
Formuleert een heldere doelstelling en motivatie |
||
|
b) |
Motiveert cursisten voor het onderwerp |
||
|
3. Didactische kwaliteit, (2) Overbrengen inhoud |
|||
|
a) |
Geeft begrijpelijk uitleg van de theorie, die cursisten motiveert en gericht is op een leereffect |
||
|
b) |
Hanteert passende werkvormen (zoals doceren, onderwijsleergesprek, opdrachten, groepsdiscussie) en media en varieert hierin |
||
|
c) |
Bespreekt uitgevoerde opdrachten en oefeningen na |
||
|
d) |
Speelt in op (achtergrond)verschillen in de cursistengroep |
||
|
4. Didactische kwaliteit, (3) Begeleiden groepsproces |
|||
|
a) |
Maakt contact met de cursistengroep en houdt dit vast |
||
|
b) |
Vertoont leiderschapsgedrag |
||
|
c) |
Corrigeert wanneer nodig proportioneel t.o.v. ongewenst gedrag |
||
|
d) |
Stuurt het leerproces |
||
|
5. Didactische kwaliteit, (4) Feedback en afsluiting |
|||
|
a) |
Geeft positieve feedback |
||
|
b) |
Signaleert niet-relevante/foutieve interpretaties |
||
|
c) |
Sluit de cursus inhoudelijk en procesmatig af |
||
|
NORMERING: totaalresultaat is voldoende als alle vijf hoofdonderwerpen voldoende zijn |
Totaaloordeel: V/O |
||
Exameninstituut IBKI komt als bestuursorgaan diverse bevoegdheden toe op grond van de artikelen 7 en 8b van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009. Op grond van artikel 4:84 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Met onderhavige beleidsregel wenst IBKI regels te stellen met betrekking tot voornoemde bevoegdheden. Hieronder zal in dat kader per artikel een korte toelichting worden gegeven.
Spreekt voor zich.
In artikel 2 is uitgewerkt welke documenten een aanvrager voor een certificaat om theoretische bijscholingen dient aan te leveren in het kader van de aanvraag. In dit artikel wordt in dat kader aangesloten bij artikel 7 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009. De aanvraag dient te worden ingediend op basis van een vast aanvraagformulier, dat onderdeel uitmaakt van deze beleidsregel. In het kader van de aanvraag wordt onderscheid gemaakt tussen 'bestaande' en 'nieuwe' bijscholingsonderwerpen. Voor nieuwe bijscholingsonderwerpen dient de aanvrager alle documenten en informatie aan te leveren zoals opgenomen in dit artikel. Voor bestaande bijscholingsonderwerpen – die eerder zijn goedgekeurd en zijn gepubliceerd als bijlage bij deze beleidsregel – hoeft de aanvrager de documenten en informatie zoals bedoeld in sub b (de cursusdoelstelling) en sub c (de leerdoelen) niet aan te leveren.
Om de bijlage (bijlage 3) bij deze beleidsregel – met bestaande bijscholingsonderwerpen – actueel te houden, zal de bijlage elk jaar worden geactualiseerd.
In dit artikel is uitgewerkt op basis van welke criteria IBKI beoordeelt of een 'nieuw bijscholingsonderwerp' wordt goedgekeurd en daarmee wordt opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregel (bijlage 3). Een bijscholingsonderwerp wordt – bij goedkeuring – voor een periode van 4 jaar door IBKI geaccepteerd als bestaand bijscholingsonderwerp.
In artikel 4 is opgenomen op welke wijze (het proces) een bijscholingsonderwerp – na afloop van de periode van vier jaar – kan worden verlengd. Een bijscholingsonderwerp kan slechts eenmalig met een periode van vier jaar worden verlengd. Daarna kan het bijscholingsonderwerp in de huidige vorm niet meer worden aangeboden op basis van het certificaat.
Door IBKI is een adviesraad ingesteld. Door deze adviesraad – die bestaat uit leden van brancheorganisaties van rijscholen, organisaties van opleidingsinstituten voor rijinstructeurs en expertorganisaties – wordt IBKI periodiek geadviseerd, bijvoorbeeld over de bestaande bijscholingsonderwerpen die zijn opgenomen in bijlage 3. IBKI kan een reglement vaststellen voor de WRM-adviesraad.
In artikel 6 is uitgewerkt op welke wijze een aanvraag kan worden ingediend voor het verkrijgen van een certificaat waarmee bijles mag worden geboden en welke documenten en informatie een aanvrager in het kader van de aanvraag dient te overleggen. In dit artikel wordt in dat kader aangesloten bij artikel 8b van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009. De aanvraag dient te worden ingediend op basis van een vast aanvraagformulier, dat onderdeel uitmaakt van deze beleidsregel.
In dit artikel zijn de criteria uitgewerkt op basis waarvan IBKI komt tot een goedkeuring of afwijzing van de aanvraag voor een certificaat om bijles te mogen leveren.
In aanvulling op artikel 2 wordt in deze artikelen nadere voorwaarden gesteld aan de aanvraag voor een certificaat om theoretische bijscholing te mogen bieden. De aanvrager voor een certificaat voor theoretische bijscholing dient kortom ook te voldoen aan de vereisten die zijn uitgewerkt in deze artikelen. In het bijzonder gaat het om voorwaarden om de theoretische bijscholing in de vorm van een webinar te mogen aanbieden.
In deze artikelen worden door IBKI nadere eisen gesteld aan bijscholings- of bijlescursussen. Indien en voor zover een aanvrager niet voldoet aan deze eisen wordt een certificaat niet verstrekt. Indien reeds een certificaat is verstrekt maar de aanbieder niet voldoet aan de gestelde eisen, kan door IBKI een certificaat in het meest vergaande geval worden ingetrokken.
In deze artikelen is uitgewerkt op welke wijze IBKI – na verstrekking van een certificaat voor het geven van een theoretische bijscholing – toezicht houdt dat de aanbieder de theoretische bijscholing ook geeft conform de door IBKI gestelde eisen en de theoretische bijscholing van voldoende kwaliteit is. Tevens is opgenomen op welke wijze IBKI overgaat tot handhaving indien wordt geconstateerd dat de aanbieder zich niet houdt aan voornoemde eisen en/of wordt vastgesteld dat de uitvoering van de theoretische bijscholing van onvoldoende kwaliteit is. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel werkt IBKI volgens de volgende systematiek:
1. Indien de aanbieder naar aanleiding van een controle een onvoldoende beoordeling krijgt ontvangt de aanbieder van IBKI een waarschuwing en volgt een tweede (onaangekondigde) controle.
2. Indien uit deze tweede controle opnieuw een onvoldoende beoordeling volgt, wordt het certificaat van de aanbieder geschorst voor een periode van 6 maanden.
3. Na de periode van schorsing zal een nieuwe steekproef worden verricht. Na een derde onvoldoende beoordeling trekt exameninstituut IBKI het certificaat voor onbepaalde tijd in.
Artikel 19 sluit aan bij de opzet van artikel 16 tot en met 18, met dien verstande dat het in dit geval gaat om de bijles.
In dit artikel is het toezicht- en handhavingskader opgenomen ten aanzien van de bijles (kwaliteitstoezicht). Door IBKI is daarbij aansluiting gezocht bij de systematiek zoals die geldt voor aanbieders van theoretische bijscholingen, met dien verstande dat gezien de aard van de bijles bij een onvoldoende beoordeling geen waarschuwing wordt gegeven.
Deze beleidsregel treedt in werking per 1 januari 2026.
Dit besluit wordt aangehaald als ‘Beleidsregel Exameninstituut IBKI certificering bijscholingen en bijlessen (2026)'. De beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24322.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.