Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2026, nr. WJZ/64809295, houdende wijziging van het Besluit vaststelling Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS cultuurgoederen in verband met het openstellen van nieuwe aanvraagtijdvakken en het verruimen van de reikwijdte naar gebouwd erfgoed en archeologisch erfgoed in Nederland

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 7.1 juncto artikel 7.7, tweede lid, van de Erfgoedwet en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Besluit vaststelling Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS cultuurgoederen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1. Vaststellen beleidskaders

  • 1. Op grond van dit besluit worden de volgende beleidskaders vastgesteld:

    • a. het Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS cultuurgoederen, opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit; en

    • b. het Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS, opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit.

  • 2. Ten aanzien van subsidieverstrekking in 2024 is uitsluitend het beleidskader opgenomen in bijlage 1 van toepassing. Ten aanzien van subsidieverstrekking in 2026, 2027 en 2028 is uitsluitend het beleidskader opgenomen in bijlage 2 van toepassing.

B

1. Het opschrift van artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2. Subsidieplafond en verdeling subsidie 2024

2. In het tweede lid wordt ‘in de bijlage’ vervangen door ‘in bijlage 1’.

C

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a. Subsidieplafonds en verdeling subsidie 2026, 2027 en 2028

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van dit besluit is in 2026, 2027 en 2028 in totaal een bedrag van € 1.100.000,– beschikbaar. Van dit bedrag is:

    • a. € 400.000,– beschikbaar voor subsidieverstrekking in 2026;

    • b. € 400.000,– beschikbaar voor subsidieverstrekking in 2027; en

    • c. € 300.000,– beschikbaar voor subsidieverstrekking in 2028.

  • 2. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verdeelt het beschikbare bedrag door middel van een onderlinge afweging van de aanvragen aan de hand van de in bijlage 2 bij dit besluit opgenomen afwegingscriteria.

  • 3. Indien in 2026 of 2027 een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verstrekt, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het daaropvolgende kalenderjaar.

D

In artikel 3, eerste lid, wordt ‘het in artikel 1 bedoelde beleidskader’ vervangen door ‘de in artikel 1 bedoelde beleidskaders’.

E

In artikel 5 wordt ‘Beleidskader’ vervangen door ‘Beleidskaders’ en vervalt ‘cultuurgoederen’.

F

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

BIJLAGE 1. BELEIDSKADER SUBSIDIE ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR E-RIHS CULTUURGOEDEREN

2. In de eerste zin na het opschrift wordt ‘Beleidskader’ vervangen door ‘Beleidskaders’ en vervalt ‘cultuurgoederen’.

G

Er wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 2. BELEIDSKADER SUBSIDIE ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR E-RIHS

Deze bijlage behoort bij het Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS.

Het Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS regelt de voorwaarden waaronder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) subsidie kan verstrekken voor de activiteiten die in de beleidskaders omschreven zijn. Dit Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS (hierna: het beleidskader) is van toepassing voor subsidieverstrekking in 2026, 2027 en 2028. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) is van toepassing op dit beleidskader.

De subsidies die op grond van dit beleidskader worden verstrekt, worden verstrekt onder toepassing van artikel 53 van Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014/187) (hierna: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening).

1. Inleiding

De European Research Infrastructure Heritage Science (hierna: E-RIHS) biedt de Europese gemeenschap van erfgoedonderzoekers een internationaal netwerk voor uitwisseling van expertise, onderzoeksfaciliteiten en -data.

E-RIHS richt zich op drie domeinen: roerend erfgoed, gebouwd erfgoed en archeologisch erfgoed. Het is de bedoeling de E-RIHS infrastructuur in Nederland te versterken, mede ter ondersteuning van het E-RIHS European Research Infrastructure Consortium. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) is hiervoor de coördinator.

De minister subsidieert een aantal projecten om de Nederlandse infrastructuur te versterken (voorbeelden hiervan zijn te vinden op de website https://www.E-RIHS.nl). De projecten moeten zijn gericht op cultuurgoederen of op gebouwd of archeologisch erfgoed, waarbij iedere aanvraagronde wordt opengesteld voor aanvragen die betrekking hebben op een specifiek thema. Het gaat om de volgende thema’s:

  • 2026: textiel, leersoorten en papier;

  • 2027: baksteen, natuursteen en andere steenachtige materialen;

  • 2028: plastics en moderne natuurlijke materialen.

In dit beleidskader wordt onder ‘cultuurgoederen’ verstaan: cultuurgoederen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dit zijn roerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed. In de praktijk worden cultuurgoederen ook wel ‘roerend erfgoed’ genoemd. Onder ‘gebouwd erfgoed’ wordt verstaan: een monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat geen archeologisch monument is. In de praktijk gaat het om ‘onroerend erfgoed’ dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Onder ‘archeologisch erfgoed’ wordt verstaan: een archeologisch monument of archeologische vondst als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

2. Doelgroep en weigeringsgronden

Op grond van dit beleidskader kan subsidie worden aangevraagd door Nederlandse instellingen die zich bezig houden met (het bevorderen van de) instandhouding van of onderzoek naar cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed. Onder deze instellingen vallen bijvoorbeeld musea, archieven, bibliotheken, instellingen die (historische) collecties beheren die toegankelijk zijn voor publiek, universiteiten en kennisinstituten. Door zo’n instelling kan uitsluitend een aanvraag worden ingediend ten behoeve van een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen. Om voor subsidie in aanmerking te komen moet naast de penvoerder ten minste één van de andere twee partijen in het samenwerkingsverband een instelling zijn die aan de voornoemde eisen voldoet.

Dit beleidskader richt zich nadrukkelijk op samenwerkingsverbanden. De subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend indien de desbetreffende instelling een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is (zoals een stichting of een besloten vennootschap), of een rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld (zoals een openbare universiteit). Een subsidieaanvraag wordt in ieder geval geweigerd, indien de desbetreffende instelling of één van de partners in het samenwerkingsverband een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, of indien tegen de instelling of één van de partners in het samenwerkingsverband een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

Op grond van het beleidskader kan geen subsidie worden aangevraagd door:

  • natuurlijke personen;

  • gemeenten, provincies, waterschappen of de openbare lichamen, bedoeld in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

De hier bovengenoemde partijen die op grond van dit beleidskader geen subsidie kunnen aanvragen, kunnen wel deelnemen aan een samenwerkingsverband, bijvoorbeeld door de inbreng van arbeidsuren of door het beschikbaar stellen van data of collecties.

3. Te subsidiëren activiteiten

Op grond van dit beleidskader kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor projecten die aan de volgende randvoorwaarden voldoen:

  • een project moet zich richten op cultuurgoederen of op gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed;

  • een project dient bij te dragen aan de Nederlandse infrastructuur ter bevordering van onderzoek;

  • het beschikbaar stellen van de resultaten die uit het project voortkomen leidt tot verbetering van de Nederlandse infrastructuur. Voorbeelden hiervan zijn: data-ontsluiting, de ontwikkeling van instrumenten en trainingen;

  • een project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen. De penvoerder en minimaal één andere partij die deelneemt aan het samenwerkingsverband, dient een Nederlandse instelling te zijn die zich bezig houdt met (het bevorderen van de) instandhouding van of onderzoek naar cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed.

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijke kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project. Binnen deze kaders zijn bijvoorbeeld de kosten voor de volgende activiteiten subsidiabel:

  • het genereren van nieuwe onderzoeksdata;

  • het ontsluiten en (opnieuw) toegankelijk maken of synthetiseren van bestaande onderzoeksdata (bijvoorbeeld archieven);

  • het ontwikkelen en het gedurende de subsidieperiode ter beschikking stellen van (digitale) instrumenten aan de doelgroep;

  • het ontsluiten en toegankelijk maken van kennis en informatie ten behoeve van behoud van vakmanschap of ambachten (bijvoorbeeld oral history informatie);

  • het organiseren van fysieke of online conferenties, workshops of bijeenkomsten, inclusief reiskosten en verblijfskosten voor deelnemende onderzoekers en deskundigen in het geval van fysieke bijeenkomsten;

  • overige reis- en verblijfskosten, voor zover direct aan het project gerelateerd;

  • personeelskosten, voor zover direct aan het project gerelateerd;

  • het ontwikkelen van vernieuwende trainings- en opleidingsmethodes;

  • de aanschaf van bestaande apparatuur of materialen die benodigd zijn voor de uitvoering van het project, voor zover het gaat om apparatuur of materiaal met een prijs tot € 450,– per apparaat of materiaal. Voor de aanschaf van apparatuur of materialen bóven € 450,– zijn alleen afschrijvingskosten subsidiabel.

Niet-subsidiabel zijn:

  • indirecte kosten (overhead en exploitatie);

  • onkosten;

  • onvoorziene kosten;

  • leasekosten die niet zijn toegespitst op het project;

  • kosten voor het opstellen van een accountantsverklaring;

  • kosten voor activiteiten die zijn uitgevoerd voorafgaand aan of ten behoeve van de indiening van de subsidieaanvraag;

  • kosten die op grond van andere rijkssubsidieregelingen subsidiabel zijn, kosten die uit anderen hoofde worden vergoed, of kosten die moeten worden gemaakt uit hoofde van een wettelijke verplichting;

  • het uitvoeren van objectgericht onderzoek op het gebied van cultuurgoederen, gebouwd of archeologisch erfgoed;

  • kosten voor de aanschaf van bestaande apparatuur of materialen die benodigd zijn voor de uitvoering van het project, indien het gaat om apparatuur of materiaal van € 450,– of meer; voor de aanschaf van apparatuur of materialen met een waarde van € 450,– of meer, zijn namelijk alleen afschrijvingskosten subsidiabel.

4. Subsidieplafond en verdeling beschikbare middelen

Voor de subsidieverstrekking op grond van dit beleidskader is beschikbaar:

  • in 2026: een bedrag van € 400.000,–;

  • in 2027: een bedrag van € 400.000,–;

  • in 2028: een bedrag van € 300.000,–.

Indien het subsidieplafond voor enige aanvraagperiode in 2026 of 2027 niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag dat voor subsidieverlening beschikbaar is voor het eerstvolgende kalenderjaar. De minister verdeelt het beschikbare bedrag aan de hand van een rangschikking van de aanvragen op basis van de hieronder genoemde criteria. Daarbij komen de aanvragen die het hoogst scoren op deze criteria, het eerst in aanmerking voor subsidie.

Bij het beoordelen van de subsidieaanvragen worden de volgende criteria gehanteerd:

  • a. de mate waarin de beoogde projectresultaten bijdragen aan de onderzoeksinfrastructuur voor het onderzoek naar cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed in Nederland;

  • b. de mate waarin de bestaande of nieuwe onderzoeksdata duurzaam beschikbaar worden gemaakt voor het Nederlandse erfgoedveld, zo mogelijk vindbaar, toegankelijk, uitwisselbaar en herbruikbaar (FAIR-principes);

  • c. de mate waarin verschillende domeinen gecombineerd worden in het project; en

  • d. de mate waarin verschillende expertises en (academische) werkervaring een plaats hebben in het samenwerkingsverband en ingezet worden voor het project.

De aanvragen worden inhoudelijk beoordeeld door de minister, die zich bij de voorbereiding van zijn besluitvorming laat bijstaan door een begeleidingsgroep. De begeleidingsgroep bestaat uit minimaal vier en maximaal zes leden die allen de aanvragen beoordelen aan de hand van een gestandaardiseerd formulier met de voornoemde criteria en een daaraan gekoppeld puntensysteem. De begeleidingsgroep wordt gevormd door leden van de E-RIHS.nl werkgroep en andere leden, die samen een evenwichtige vertegenwoordiging van de drie domeinen cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed vormen. De leden vertegenwoordigen verschillende expertises vanuit verschillende functies en expertise op het gebied van digitalisering. Leden van de begeleidingsgroep beoordelen niet de projecten waar zij of hun instelling zelf bij betrokken zijn.

De aanvragen worden gerangschikt op basis van het aantal toegekende punten. De minister besluit op de aanvragen op basis van de rangschikking, waarbij aanvragen met een hoger aantal punten voorrang hebben op aanvragen met een lager aantal punten. Een aanvraag kan alleen geheel worden gehonoreerd. Indien aan twee of meer aanvragen een gelijke score is toegekend en niet al deze aanvragen binnen de grenzen van het subsidieplafond kunnen worden toegekend, wordt voorrang verleend aan de aanvragen met het hoogste subsidiebedrag. Als een aanvraag gelet op het beschikbare budget niet geheel kan worden gehonoreerd, komt de eerstvolgende aanvraag in de rangschikking die geheel kan worden gehonoreerd voor subsidie in aanmerking.

5. Hoogte van de subsidie

Het subsidiepercentage bedraagt 80 procent van de subsidiabele kosten. De subsidie bedraagt minimaal € 50.000,– en maximaal € 100.000,– per subsidieaanvraag. Aanvragen die onder het minimale of boven het maximale subsidiebedrag uitkomen, komen niet voor subsidie in aanmerking. Dit betekent dat de aanvraag minimaal € 62.500,– aan subsidiabele kosten moet bevatten, en ten hoogste € 125.000,– aan subsidiabele kosten kan bevatten.

De maximale hoogte van het subsidiebedrag laat de totale projectkosten vanzelfsprekend onverlet. Omdat voor het aanvragen van subsidie op grond van dit beleidskader als aanvraageis geldt dat de penvoerder en deelnemende partijen in het samenwerkingsverband aantonen dat zij zich actief inzetten voor het project via een inbreng in geld, in natura of in arbeidsuren (zie nader paragraaf 6 hieronder), kunnen de totale projectkosten vanzelfsprekend hoger liggen dan € 125.000,–.

6. Aanvraagprocedure en aanvraageisen

De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat in afwijking van artikel 3.1 van de Kaderregeling door de RCE bekend is gemaakt op de website van de RCE, https://www.cultureelerfgoed.nl. Een subsidieaanvraag wordt ingediend door een penvoerder, namens de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband. Elke penvoerder kan slechts één aanvraag doen.

De penvoerder dient de aanvraag in via subsidies@cultureelerfgoed.nl. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend:

in 2026 van 14 tot en met 30 september;

in 2027 van 13 tot en met 29 september;

in 2028 van 11 tot en met 27 september.

Een aanvraag die buiten deze aanvraagtijdvakken wordt ingediend, wordt afgewezen.

Voor de subsidieaanvraag gelden de volgende eisen:

  • een aanvraag voor een subsidie gaat vergezeld van een activiteitenplan dat voldoet

  • aan artikel 3.4 van de Kaderregeling, alsmede een begroting die voldoet aan

  • artikel 3.5 van de Kaderregeling en die in aanvulling daarop een financieel dekkingsplan en een uitgavenplanning bevat. Het activiteitenplan en de begroting worden opgesteld met gebruikmaking van de modellen die daartoe op https://www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar zijn gesteld;

  • de start van het project wordt gepland na de sluiting van de aanvraagperiode, maar voor het einde van het jaar waarbinnen de subsidie wordt verleend;

  • de afronding van het project wordt gepland binnen twee jaar na de startdatum van het project;

  • projectvoorstellen worden ingediend in het Nederlands;

  • de penvoerder en deelnemende partijen in het samenwerkingsverband tonen in de aanvraag aan dat hun instelling zich actief inzet voor het project in geld, in natura of in arbeidsuren. Deze bijdrage kan bestaan uit de inzet van medewerkers of de verlening van toegang tot relevante collecties en onderzoeksfaciliteiten om de activiteiten beschreven in het activiteitenplan mogelijk te maken;

  • in de begroting wordt aangegeven hoe de aangevraagde middelen worden verdeeld over de partijen in het samenwerkingsverband;

  • in de aanvraag verklaart de penvoerder dat hij, noch één van de andere partners in het samenwerkingsverband een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, alsmede dat tegen de penvoerder noch tegen één van de andere partners in het samenwerkingsverband een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

7. Subsidieverstrekking

De minister beslist op een aanvraag binnen 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak. Indien de aanvraag voor subsidie in aanmerking komt, wordt de subsidie verleend. Bij bekostigde onderwijsinstellingen wordt – in afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de Kaderregeling – niet direct vastgesteld. De minister verstrekt een voorschot van 100% dat wordt uitbetaald volgens een betaalritme dat in de beschikking wordt bepaald. Het verantwoordingsregime en de wijze waarop vaststelling plaatsvindt, zijn afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag en van de vraag of de subsidieontvanger een bekostigde onderwijsinstelling is. Zie hierover nader paragraaf 9 hieronder.

8. Subsidieverplichtingen

Voor de subsidieontvanger gelden in aanvulling op hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, waarin onder meer de meldingsplicht is opgenomen, de volgende verplichtingen ten aanzien van het project en de projectresultaten.

Erkenning van steun E-RIHS en promotie

De bijdrage van E-RIHS.nl aan het project moet worden benoemd in alle publicaties of andere publieke uitingen rondom het project, zoals persberichten, webpagina's, e-communicatie, promotiefilms of video’s, advertenties in de media, posters, folders en brochures over het project. De penvoerder zal alle redelijke inspanningen leveren om ervoor te zorgen dat de andere partijen in het samenwerkingsverband hetzelfde doen. Verder dient de bijdrage van E-RIHS.nl aan het project te worden erkend door waar mogelijk het logo van E-RIHS.nl te gebruiken.

De penvoerder zorgt ervoor dat de projectresultaten toegankelijk worden gemaakt via een hyperlink op de website van E-RIHS.nl. De penvoerder levert de benodigde informatie hiervoor aan via e-rihs@cultureelerfgoed.nl. Vervolgens plaatst de penvoerder op alle webpagina's die door de penvoerder worden gehost in verband met het project een hyperlink naar E-RIHS.nl en zal hij alle redelijke inspanningen leveren om ervoor te zorgen dat andere partijen in het samenwerkingsverband hetzelfde doen.

Voor het overige gebruiken de penvoerder en de andere partijen in het samenwerkingsverband de naam of het logo van E-RIHS.nl niet op een manier die het imago van E-RIHS.nl kan schaden of negatieve publiciteit kan veroorzaken.

Tot slot spannen de penvoerder en de andere partijen in het samenwerkingsverband zich in om met E-RIHS.nl samen te werken om het project onder de aandacht te brengen en te promoten. Dergelijke activiteiten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het verstrekken van informatie en afbeeldingen voor een speciale projectpagina op E-RIHS.nl en het geven van presentaties over het project tijdens een jaarlijkse Partner Dag en andere gelegenheden.

Toegankelijkheid resultaten project

De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van het project gedurende een periode van ten minste vijf jaar voor eenieder vrij beschikbaar te stellen. De subsidieontvanger is bovendien verplicht om ervoor te zorgen dat eventuele bijeenkomsten die over de resultaten van het project worden georganiseerd, vrij toegankelijk zijn.

9. Verantwoording

Verantwoording en vaststelling subsidies

De subsidieontvanger dient binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, met gebruikmaking van het formulier dat daartoe door de RCE beschikbaar wordt gesteld. Daarbij toont de subsidieontvanger aan de hand van een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag om vaststelling.

Verantwoording en vaststelling subsidies aan bekostigde onderwijsinstellingen

Indien de subsidieontvanger een bekostigde onderwijsinstelling is als bedoeld in artikel 9.1 van de Kaderregeling, is de bovengenoemde passage over de verantwoording en vaststelling van subsidies niet van toepassing. De verantwoording van de subsidies aan bekostigde onderwijsinstellingen geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met gebruikmaking model G, onderdeel 1 als bedoeld in bijlage 4 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. In dit geval wordt de subsidie – in afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de Kaderregeling – ambtshalve vastgesteld binnen 22 weken na de ontvangst van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode. De bekostigde onderwijsinstelling toont op verzoek van de minister op de in de beschikking aangegeven wijze aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen. Het eventueel niet aangewende deel van de subsidie kan, mits de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

10. Uitvoerbaarheidstoets

De RCE heeft dit beleidskader als uitvoerbaar beoordeeld.

11. Regeldruk

Met de uitvoering van dit beleidskader zijn administratieve lasten gemoeid voor subsidieaanvragers. Onder administratieve lasten wordt hier verstaan: alle investeringen en (tijds)inspanningen die een subsidieaanvrager levert om te voldoen aan verplichtingen van de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Hieronder is een analyse van de regeldruk opgenomen. Het beleidskader is aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) ter advisering voorgelegd. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Aanvraag

Geschat wordt dat er per aanvraagronde circa 15 subsidieaanvragen worden ingediend. Een subsidieaanvraag bestaat uit een aanvraagformulier met algemene gegevens over de aanvrager en overige partijen uit het samenwerkingsverband, een activiteitenplan, een begroting (inclusief financieel dekkingsplan), een bankafschrift, indien van toepassing en relevant, een oprichtingsakte/statuten, en indien van toepassing een uittreksel van de Kamer van Koophandel. De formats voor het indienen van een subsidieaanvraag zijn toegespitst op de criteria en de overige subsidievereisten die gesteld zijn vanuit dit beleidskader en de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Naar verwachting zal een aanvrager in totaal ongeveer 24 uur nodig hebben voor het indienen van een subsidieaanvraag. Het gaat enerzijds om het opstellen en uitwerken van een activiteitenplan en bijhorende begroting (inclusief het uitwerken van de rolverdeling en bijdrage van alle partijen uit het samenwerkingsverband aan het project). Anderzijds gaat het om administratieve werkzaamheden voor het verzamelen van de vereiste documenten, het kennisnemen van verplichtingen, het invullen van het aanvraagformulier en indiening van de documenten.

Voor het opstellen en uitwerken van het activiteitenplan en de begroting is inhoudelijke kennis vereist. Naar verwachting zal een aanvrager daar ongeveer 20 uur voor nodig hebben. Er wordt uitgegaan van een uurtarief van € 54,– voor bedrijven, andere organisaties en onderwijsinstellingen en een uurtarief van € 17,– voor instellingen zonder winstoogmerk (stichtingen en verenigingen). De regeldruk voor het opstellen en uitwerken van het activiteitenplan en de begroting wordt daarmee berekend op (€ 54,– x 20 uur =) € 1.080,– per aanvraag voor bedrijven, andere organisaties en onderwijsinstellingen en (€ 17,– x 20 uur =) € 340,– voor instellingen zonder winstoogmerk. Ten aanzien van de doelgroep wordt ingeschat dat 20% van de subsidieaanvragers bestaat uit bedrijven en andere organisaties, 20% uit onderwijsinstellingen en 60% uit instellingen zonder winstoogmerk. Naar verhouding bedraagt de regeldruk voor het opstellen en uitwerken van het activiteitenplan en de begroting voor een aanvrager gemiddeld € 636,–.

Naar verwachting zal een aanvrager ongeveer 4 uur nodig hebben voor administratieve werkzaamheden. Als uurtarief voor de administratieve werkzaamheden wordt voor bedrijven en andere organisaties € 39,–, voor onderwijsinstellingen € 54,– en voor instellingen zonder winstoogmerk € 17,– aangehouden. Daarmee bedraagt de regeldruk voor administratieve werkzaamheden voor bedrijven en andere organisaties (€ 39,– x 4 uur =) € 156,–, voor onderwijsinstellingen (€ 54,– x 4 uur =) € 216,– en voor instellingen zonder winstoogmerk (€ 17,– x 4 uur =) € 68,–. Naar verhouding bedraagt de regeldruk voor het indienen van een aanvraag gemiddeld € 115,–.

Delen van resultaten

Ten behoeve van kennisdeling gaat het hier om het opvolgen van een subsidievereiste waarbij door de subsidieaanvrager kenbaar wordt gemaakt op welke locatie (digitale kanalen) de projectresultaten publiek toegankelijk zijn gemaakt. Naar verwachting zal dit een administratieve last inhouden van ongeveer 2 uur. Als uurtarief voor de administratieve werkzaamheden wordt voor bedrijven en andere organisaties € 39,–, voor onderwijsinstellingen € 54,– en voor instellingen zonder winstoogmerk € 17,– aangehouden. Daarmee bedraagt de regeldruk voor administratieve werkzaamheden voor bedrijven en andere organisaties (€ 39,– x 2 uur =) € 78,–, voor onderwijsinstellingen (€ 54,– x 2 uur =) € 108,– en voor instellingen zonder winstoogmerk (€ 17,– x 2 uur =) € 34,–. Naar verhouding bedraagt de regeldruk voor het delen van resultaten gemiddeld € 58,–.

Eindverantwoording

Onderwijsinstellingen verantwoorden het project via de jaarverslaglegging, waardoor de regeldrukeffecten voor hen beperkter zijn. Naar verwachting geldt ten aanzien van 6 aanvragers (waarvan 50% bedrijven en 50% instellingen zonder winstoogmerk) een plicht tot het indienen van een eindverantwoording. Er is daarbij sprake van een subsidiebijdrage tussen de € 50.000,– en een maximum subsidiebijdrage van € 100.000,–. Voor het opstellen van de eindverantwoording is inhoudelijke kennis vereist. Hiervoor wordt uitgegaan van een uurtarief van € 54,– voor bedrijven en andere organisaties en € 17,– voor instellingen zonder winstoogmerk. Een aanvrager zal naar verwachting 6 uur nodig hebben voor het indienen van de eindverantwoording. Het gaat hier om het opstellen van een inhoudelijk activiteitenverslag. De regeldruk hiervoor wordt berekend op (€ 54,– x 6 uur =) € 324,– en voor instellingen zonder winstoogmerk (€ 17,– x 6 uur =) € 102,–. Naar verhouding bedraagt de regeldruk voor het indienen van de eindverantwoording gemiddeld € 213,–.

Het aantal subsidieaanvragen per aanvraagronde wordt ingeschat op circa 15. Daarmee bedraagt de regeldruk voor het uitwerken en indienen van aanvragen € 11.265,–. De regeldruk voor het delen van de resultaten bedraagt naar verwachting € 348,– en de regeldruk voor het indienen van eindverantwoording bedraagt naar verwachting € 1.278,–.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert

Naar boven