Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijksinspectie Digitale Infrastructuur | Staatscourant 2026, 24110 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijksinspectie Digitale Infrastructuur | Staatscourant 2026, 24110 | beleidsregel |
De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) heeft de volgende beleidsregel vastgesteld met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom. Dit dwangsombeleid heeft betrekking op lasten onder dwangsom die worden opgelegd wegens overtredingen van voorschriften waarop de RDI toezicht houdt en waarvoor de RDI bevoegd is om namens de Minister, dan wel Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Digitale Economie en Soevereiniteit), de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de Minister dan wel de Staatssecretaris) een last onder dwangsom op te leggen. Deze voorschriften zijn opgenomen in bijlage 1.
In het kader van dit beleid wordt verstaan onder:
de termijn die is opgenomen in een last onder dwangsom waarbinnen de overtreder aan de last kan voldoen zonder dat één of meer dwangsommen worden verbeurd;
de herstelsanctie inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding of tot het voorkomen van verdere overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 5:31d en artikel 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht;
de personen bedoeld in titel 2.1 van het Burgerlijk Wetboek of een buitenlandse equivalent.Voor de toepassing van dit beleid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen;
de som van het mogelijk te verbeuren totale bedrag aan dwangsommen, in beginsel vastgesteld binnen de bandbreedte uit artikel 5.1.
Dit dwangsombeleid is van toepassing op lasten onder dwangsom die worden opgelegd vanwege overtredingen van bepalingen met het toezicht op de naleving waarvan de RDI belast is. Deze bepalingen zijn opgenomen in bijlage 1.
3.1 Bij het opleggen van een last onder dwangsom door de RDI staat het bevorderen van normconform gedrag centraal.
3.2 De RDI kan een last onder dwangsom opleggen strekkende tot herstel van een geconstateerde overtreding. De RDI kan voorts een last onder dwangsom opleggen om te voorkomen dat een overtreding wordt begaan dan wel ter voorkoming van herhaling, indien het gevaar daarvoor klaarblijkelijk dreigt.
3.3 Het opleggen van een last onder dwangsom laat de bevoegdheid om voor dezelfde overtreding een punitieve sanctie op te leggen onverlet.
3.4 Indien de RDI een dwangsombesluit neemt, omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. Indien de dwangsom strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een begunstigingstermijn gesteld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
3.5 Indien de RDI een last onder dwangsom oplegt, stelt de RDI de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang, de maatschappelijke impact, de mogelijke schade voor derden en de beoogde werking van de last onder dwangsom. Het bedrag moet een voldoende prikkel zijn om de overtreder te stimuleren de overtreding te beëindigen binnen de begunstigingstermijn. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met het met de overtreding te behalen financiële voordeel en onder omstandigheden, met het oog op de beoogde werking van de dwangsom, met de omvang van de overtreder. Daarnaast stelt de RDI in een dwangsombesluit een maximumbedrag vast waarboven geen verdere dwangsom meer wordt verbeurd.
3.6 Indien de RDI een last onder dwangsom oplegt die strekt tot beëindiging van een vastgestelde overtreding, stelt de RDI een zo kort mogelijke begunstigingstermijn vast. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn houdt de RDI rekening met de noodzaak tot herstel op korte termijn en de termijn waarbinnen redelijkerwijs verwacht kan worden dat de overtreder tot herstel kan komen.
3.7 In artikel 5.1 is een categorie-indeling opgenomen met daarin de uitgangspunten voor het vaststellen van de hoogte van een dwangsom per categorie. De RDI past de uitgangspunten uit artikel 5.1 in beginsel toe. De RDI kan hiervan afwijken indien zij dat passend acht in het licht van de omstandigheden van het geval. Indien de RDI van deze uitgangspunten afwijkt, motiveert zij in het dwangsombesluit waarom de afwijking passend wordt geacht.
3.8 Indien de RDI meerdere overtredingen vaststelt, kan de RDI in één dwangsombesluit meerdere lasten onder dwangsom opleggen. Per overtreden norm zal de RDI de hoogte van de dwangsom conform het bepaalde in artikel 5.1 vaststellen.
3.9 Indien sprake is van samenloop of samenhang van overtredingen van twee of meer bepalingen die op grond van artikel 5.1 in een andere categorie zijn ingedeeld en die zich ervoor lenen dat de RDI één last onder dwangsom oplegt, gaat de RDI voor wat betreft de hoogte van de op te leggen last onder dwangsom uit van de overtreding die in de hoogste van de bij de overtredingen betrokken categorieën is ingedeeld.
3.10 Indien een overtreder een opgelegde last niet binnen de gestelde begunstigingstermijn naleeft, worden van rechtswege dwangsommen verbeurd. De RDI neemt een separaat besluit over de invordering van verbeurde dwangsommen.
3.11 De last onder dwangsom kent in beginsel een maximale looptijd van twee jaar. De last onder dwangsom is in ieder geval uitgewerkt als de maximale dwangsom verbeurd is.
3.12 Indien een dwangsombesluit is uitgewerkt terwijl de overtreding voortduurt, kan de RDI een nieuwe last onder dwangsom opleggen.
3.13 Indien na oplegging van een last onder dwangsom één of meer dwangsommen zijn verbeurd en binnen vijf jaar na dat dwangsombesluit opnieuw een last onder dwangsom wordt opgelegd voor een overtreding van eenzelfde of soortgelijk wettelijk voorschrift, kunnen de in artikel 5.1 genoemde bedragen worden verdubbeld.
In het Boetebeleid RDI1 heeft de RDI overtredingen van de bepalingen waarop de RDI toeziet en waarvoor de RDI beschikt over een boetebevoegdheid ingedeeld in categorieën. De RDI sluit ten behoeve van dit dwangsombeleid aan bij de indeling uit het Boetebeleid RDI. Deze indeling is in bijlage 2 bij dit dwangsombeleid opgenomen. De bepalingen die niet in het Boetebeleid RDI zijn opgenomen, maar waarvoor de RDI wel over de bevoegdheid beschikt een last onder dwangsom op te leggen, zijn aanvullend opgenomen in bijlage 1 en bijlage 2 bij dit dwangsombeleid.
5.1 De RDI stelt de hoogte van een dwangsom vast op een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang en de beoogde werking van de last onder dwangsom. Daarvoor hanteert de RDI een categorie-indeling, waarbij de verschillende normen naar zwaarte zijn ingedeeld. Daarbij worden de volgende bandbreedtes van de totale dwangsombedragen als uitgangspunt gehanteerd bij de verschillende categorieën:
|
Categorie |
Bandbreedte totale dwangsom |
|---|---|
|
Categorie I |
Tussen € 250 en € 2.500 |
|
Categorie II |
Tussen € 2.500 en € 10.000 |
|
Categorie III |
Tussen € 5.000 en € 20.000 |
|
Categorie IV |
Tussen € 15.000 en € 75.000 |
|
Categorie V |
Tussen € 50.000 en € 150.000 |
|
Categorie VI |
Tussen € 75.000 en € 500.000 |
|
Categorie VII |
Tussen € 100.000 en € 5.000.000 |
5.2 In bijlage 2 bij dit dwangsombeleid zijn de verschillende normen voor de overtreding waarvan de RDI een last onder dwangsom kan opleggen, ingedeeld in de categorieën als bedoeld in artikel 5.1.
5.3 De RDI stelt de hoogte van de totale dwangsom in beginsel vast binnen de bandbreedte van de van toepassing zijnde categorie als bedoeld in artikel 5.1. Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom houdt de RDI in ieder geval rekening met omstandigheden rondom de vastgestelde overtreding, de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang, de maatschappelijke impact, de mogelijke schade aan derden, de beoogde werking van de dwangsom en het door de overtreder te behalen financiële voordeel bij het voortduren van de overtreding. Ook kan, met het oog op de beoogde werking van de dwangsom, rekening worden gehouden met de draagkracht van de overtreder.
5.4 Indien de hoogte van de dwangsom op grond van de categorie-indeling uit artikel 5.1 vanwege het financiële met de overtreding te behalen voordeel een onvoldoende financiële prikkel oplevert, wordt de hoogte van de dwangsom vastgesteld op ten minste het geschatte voordeel. De categorie-indeling uit artikel 5.1 en de daarin opgenomen bandbreedtes gelden dan niet.
5.5 In afwijking van artikel 5.1 wordt de hoogte van de dwangsom, in geval van een overtreding door een vergunninghouder van frequentieruimte met betrekking tot mobiele communicatie, gerelateerd aan de veilingprijs (dekkings- en snelheidsverplichting), respectievelijk reserveprijs (ingebruiknameverplichting). Dit is nader uitgewerkt in het Toezichtkader Mobiele Communicatie2.
5.6 Indien de RDI een last onder dwangsom oplegt aan een natuurlijk persoon, worden in beginsel dezelfde uitgangspunten gehanteerd als ten aanzien van rechtspersonen.
5.7 Per last onder dwangsom bepaalt de RDI per hoeveel tijdseenheden dan wel overtredingen een dwangsom kan worden verbeurd. Dat kan een bedrag ineens zijn, per tijdseenheid of per overtreding. Indien een dwangsom per tijdseenheid of overtreding wordt vastgesteld, wordt het totale dwangsombedrag dat op grond van artikel 5.1 tot en met artikel 5.4 is vastgesteld gedeeld door het aantal tijdseenheden of overtredingen. Dat bedrag wordt per tijdseenheid of overtreding verbeurd in geval van niet naleving van de last.
5.8 De RDI hanteert in beginsel één, drie of vijf tijdseenheden dan wel overtredingen. Het aantal tijdseenheden of overtredingen wordt afgestemd op de mate van impact van de overtreding en het te behalen voordeel met het voortzetten van de overtreding.
5.9 Indien de RDI één tijdseenheid hanteert, wordt de op grond van artikel 5.1 tot en met artikel 5.4 vastgestelde totale dwangsom ineens verbeurd indien niet binnen de begunstigingstermijn wordt voldaan aan de last.
6.1 De RDI gaat in beginsel over tot publicatie van een dwangsombesluit en bijbehorend invorderingsbesluit als de overtreding is ingedeeld in categorie V of hoger en één of meer dwangsommen zijn verbeurd. Het verdere proces met betrekking tot de publicatie is uitgewerkt in het Publicatiebeleid sancties RDI3.
6.2 De RDI kan een dwangsombesluit en bijbehorend invorderingsbesluit publiceren indien de betreffende overtreding is ingedeeld in categorie IV of lager, één of meer dwangsommen zijn verbeurd en publicatie gezien de aard van de betrokken belangen gerechtvaardigd is. Het verdere proces met betrekking tot de publicatie is uitgewerkt in het Publicatiebeleid sancties RDI.
6.3 Indien een dwangsombesluit met invorderingsbesluit gepubliceerd is, zal in beginsel ook de beslissing op bezwaar gepubliceerd worden.
6.4 Indien in een dwangsombesluit tevens een bestuurlijke boete wordt opgelegd, kunnen de beide besluiten worden gepubliceerd in verband met de samenhang tussen de beide besluiten, ook als één of meer van de overtredingen in categorie V of hoger is ingedeeld en één of meer overtredingen in categorie IV of lager is ingedeeld.
6.5 Indien in een dwangsombesluit lasten onder dwangsom worden opgelegd vanwege meerdere overtredingen, waarvan één of meer overtredingen in categorie V of hoger en één of meer overtredingen in categorie IV of lager zijn ingedeeld, kan het dwangsombesluit integraal worden gepubliceerd in verband met de samenhang tussen de overtredingen.
Dit beleid wordt aangehaald als: Dwangsombeleid RDI en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, treedt dit beleid in de plaats van eventuele andere beleidsdocumenten van de RDI waarin is uitgewerkt op welke wijze de hoogte van een last onder dwangsom en de daaraan gekoppelde termijnen worden bepaald.
Algemene wet bestuursrecht: artikel 5:20.
Eidas-verordening4: artikel 15, artikel 19bis, artikel 20, artikel 21, artikel 23, artikel 24, artikel 26, artikel 28, artikel 29, artikel 29bis, artikel 30, artikel 32, artikel 32bis, artikel 33, artikel 34, artikel 36, artikel 38, artikel 42, artikel 44, artikel 45, artikel 45bis, artikel 45 quinquies, artikel 45 septies, artikel 45 octies, artikel 45 nonies, artikel 45 undecies, artikel 45 terdecies, artikel 51.
Besluit vertrouwensdiensten: artikel 2.
Regeling vertrouwensdiensten: artikel 3.
Energiewet: artikel 2.46, artikel 2.47, artikel 3.18, artikel 3.53, artikel 4.3, artikel 4.4, artikel 4.14, artikel 4.20, artikel 4.21, artikel 4.22, artikel 7.28.
Energiebesluit: artikel 3.4, artikel 4.18, artikel 4.19.
Energieregeling: artikel 3.21a.
Netcode voor Cybersecurity5: artikel 15, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 29, artikel 31, artikel 32, artikel 33, artikel 38, artikel 39, artikel 40, artikel 41, artikel 43, artikel 44, artikel 45, artikel 46, artikel 47, artikel 48.
Metrologiewet: artikel 9a, artikel 22, artikel 23, artikel 23a, artikel 23b, artikel 24, artikel 25, artikel 25a, artikel 28c.
Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers: artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 12, artikel 13, artikel 16, artikel 18, artikel 19, artikel 20, artikel 21, artikel 24, artikel 25, artikel 26, artikel 28, artikel 29, artikel 31.
Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten: artikel 2, artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 14, artikel 15, artikel 16, artikel 17, artikel 18, artikel 19, artikel 20, artikel 21, artikel 22, artikel 23, artikel 25, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 29, artikel 30, artikel 31, artikel 32, artikel 33, artikel 34, artikel 35, artikel 36, artikel 37, artikel 38, artikel 39, artikel 40, artikel 41, artikel 42, artikel 43, artikel 44, artikel 45, artikel 46, artikel 47, artikel 48, artikel 49, artikel 50, artikel 51, artikel 52, artikel 53, artikel 54, artikel 55, artikel 56, artikel 57, artikel 58, artikel 59, artikel 60, artikel 61, artikel 62, artikel 63, artikel 64, artikel 65, artikel 66, artikel 67, artikel 68, artikel 69, artikel 70, artikel 71, artikel 72, artikel 73, artikel 74, artikel 75, artikel 76, artikel 77, artikel 78.
Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten: artikel 2, artikel 3, artikel 4, artikel 6, artikel 7, artikel 8a, artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 14, artikel 15, artikel 16, artikel 17, artikel 18, artikel 19, artikel 19a.
Regeling metrologische merktekens: artikel 1, artikel 2, artikel 3, artikel 3a.
Telecommunicatiewet: artikel 2.5c, artikel 3.12, artikel 3.13, artikel 3.14, artikel 3.21, artikel 3.23, artikel 6.3a, artikel 7.7, artikel 8.3, artikel 8.4a, artikel 10.1, artikel 10.2, artikel 10.11a, artikel 10.11b, artikel 10.11c, artikel 10.11d, artikel 10.12, artikel 10.13, artikel 10.15, artikel 10.17, artikel 11.5, artikel 11.5a, artikel 11.13, artikel 11a.1, artikel 11a.2, artikel 11a.3, artikel 12.11, artikel 13.1, artikel 13.2, artikel 13.2a, artikel 13.2b, artikel 13.4, artikel 13.5, artikel 13.8, artikel 14.1, artikel 14.6, artikel 18.2, artikel 18.4, artikel 18.7, artikel 18.7a, artikel 18.9, artikel 18.15b, artikel 18.15c, artikel 18.15d, artikel 18.15e, artikel 18.17, artikel 18.17a, artikel 18.18.
Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten: artikel 2, artikel 3.
Regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten: artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 12.
Regeling technisch protocol aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten: artikel 1.
Besluit beveiliging en continuïteit openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten: artikel 2, artikel 2a, artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 5a, artikel 5b, artikel 6, artikel 7, artikel 9.
Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie: artikel 2, artikel 3, artikel 4, artikel 6, artikel 7, artikel 8.
Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016: artikel 3, artikel 4, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 11, artikel 12, artikel 14, artikel 18, artikel 20.
Besluit radioapparaten 2016: artikel 3, artikel 3a, artikel 5, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 11, artikel 14, artikel 15, artikel 17.
Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie: artikel 2.
Regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie: artikel 2, artikel 3.
Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie: artikel 3, artikel 4, artikel 5.
Frequentiebesluit 2013: artikel 2, artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 17, artikel 23, artikel 24, artikel 25.
Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015: artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 8, artikel 9, artikel 10.
Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht 2015: artikel 3, artikel 3a.
Regeling openbaar antenneregister: artikel 1.
Regeling alarmeringsdienst NL-Alert 2023: artikel 2, artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 7, artikel 14.
Regeling voorbereiding buitengewone omstandigheden sector telecommunicatie 2007: artikel 2, artikel 3, artikel 4.
Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening: artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 8.
Uitvoeringsregeling cyberbeveiligingsverordening: artikel 2, artikel 2a, artikel 2c.
Verordening (EU) 2019/1020 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten6: artikel 4.
Waarborgwet 2019: artikel 2, artikel 30, artikel 31, artikel 32, artikel 33, artikel 35, artikel 40.
Waarborgregeling 2019: artikel 3, artikel 4, artikel 5, artikel 6, artikel 11, artikel 15.
Warenwet: artikel 35.
Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen: artikel 7, artikel 8, artikel 10, artikel 11, artikel 12, artikel 13, artikel 14, artikel 23, artikel 26, artikel 27.
Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen: artikel 3a, artikel 5, artikel 6.
Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken: artikel 2, artikel 5a, artikel 6, artikel 11, artikel 12, artikel 13a, artikel 13b, artikel 15, artikel 17, artikel 24, artikel 30, artikel 41a.
Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken: artikel 4, artikel 5, artikel 7, artikel 8.
Regeling informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken: artikel 7, artikel 11, artikel 12.
Wet ruimtevaartactiviteiten: artikel 3, artikel 7, artikel 10, artikel 11.
|
Algemene wet bestuursrecht |
Categorie |
|
Artikel 5:20 |
IV |
|
Eidas-verordening |
Categorie |
|
Artikel 15 |
II |
|
Artikel 19bis lid 1 onder a |
VII |
|
Artikel 19bis lid 1 onder b |
II |
|
Artikel 20 lid 1 |
VI |
|
Artikel 20 lid 1 bis |
IV |
|
Artikel 21 |
IV |
|
Artikel 23 lid 1 |
VI |
|
Artikel 23 lid 2 |
II |
|
Artikel 24 lid 1 |
VI |
|
Artikel 24 lid 1 bis |
IV |
|
Artikel 24 lid 1 ter |
IV |
|
Artikel 24 lid 2 |
IV |
|
Artikel 24 lid 2 f bis |
VII |
|
Artikel 24 lid 2 f ter |
VI |
|
Artikel 24 lid 3 |
IV |
|
Artikel 24 lid 4 |
IV |
|
Artikel 26 |
II |
|
Artikel 28 lid 1 |
IV |
|
Artikel 28 lid 4 |
II |
|
Artikel 29 |
IV |
|
Artikel 29 bis |
IV |
|
Artikel 30 |
IV |
|
Artikel 32 |
VI |
|
Artikel 32 bis |
VI |
|
Artikel 33 |
II |
|
Artikel 34 |
II |
|
Artikel 36 |
II |
|
Artikel 38 |
II |
|
Artikel 42 |
II |
|
Artikel 44 |
II |
|
Artikel 45 |
II |
|
Artikel 45 bis |
II |
|
Artikel 45 quinquies |
IV |
|
Artikel 45 septies |
II |
|
Artikel 45 octies |
II |
|
Artikel 45 nonies |
II |
|
Artikel 45 undecies |
II |
|
Artikel 45 terdecies |
II |
|
Artikel 51 lid 4 |
IV |
|
Besluit vertrouwensdiensten |
Categorie |
|
Artikel 2 |
III |
|
Regeling vertrouwensdiensten |
Categorie |
|
Artikel 3 |
II |
|
Energiewet |
Categorie |
|
Artikel 2.46 |
IV |
|
Artikel 2.47 |
I |
|
Artikel 3.18 |
VI |
|
Artikel 3.53 |
IV |
|
Artikel 4.3 |
VI |
|
Artikel 4.4 |
VI |
|
Artikel 4.14 |
VI |
|
Artikel 4.20 |
VI |
|
Artikel 4.21 |
VI |
|
Artikel 4.22 |
VI |
|
Artikel 7.28 |
IV |
|
Energiebesluit |
Categorie |
|
Artikel 3.4 |
VI |
|
Artikel 4.18 |
IV |
|
Artikel 4.19 |
VI |
|
Energieregeling |
Categorie |
|
Artikel 3.21a |
VI |
|
Netcode voor Cybersecurity |
Categorie |
|
Artikel 15 |
IV |
|
Artikel 26 |
VI |
|
Artikel 27 |
V |
|
Artikel 28 |
VI |
|
Artikel 29 |
VI |
|
Artikel 31 |
V |
|
Artikel 32 |
VI |
|
Artikel 33 |
VI |
|
Artikel 38 |
VI |
|
Artikel 39 |
VI |
|
Artikel 40 |
VI |
|
Artikel 41 |
VI |
|
Artikel 43 |
IV |
|
Artikel 44 |
IV |
|
Artikel 45 |
IV |
|
Artikel 46 |
VI |
|
Artikel 47 |
VI |
|
Artikel 48 |
IV |
|
Metrologiewet |
Categorie |
|
Artikel 9a |
II |
|
Artikel 22 |
II |
|
Artikel 23 |
II |
|
Artikel 24 |
II |
|
Artikel 25 |
II |
|
Artikel 25a |
II |
|
Artikel 28c |
II |
|
Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers |
Categorie |
|
Artikel 5 |
II |
|
Artikel 6 |
II |
|
Artikel 7 |
II |
|
Artikel 8 |
II |
|
Artikel 12 |
II |
|
Artikel 13 |
II |
|
Artikel 16 |
II |
|
Artikel 18 |
II |
|
Artikel 19 |
II |
|
Artikel 20 |
II |
|
Artikel 21 |
II |
|
Artikel 22 |
II |
|
Artikel 24 |
II |
|
Artikel 25 |
II |
|
Artikel 26 |
II |
|
Artikel 28 |
II |
|
Artikel 29 |
II |
|
Artikel 31 |
II |
|
Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten |
Categorie |
|
Artikel 2 |
II |
|
Artikel 3 |
II |
|
Artikel 4 |
II |
|
Artikel 5 |
II |
|
Artikel 6 |
II |
|
Artikel 7 |
II |
|
Artikel 8 |
II |
|
Artikel 9 |
II |
|
Artikel 10 |
II |
|
Artikel 11 |
II |
|
Artikel 12 |
II |
|
Artikel 13 |
II |
|
Artikel 14 |
II |
|
Artikel 15 |
II |
|
Artikel 16 |
II |
|
Artikel 17 |
II |
|
Artikel 18 |
II |
|
Artikel 19 |
II |
|
Artikel 20 |
II |
|
Artikel 21 |
II |
|
Artikel 22 |
II |
|
Artikel 23 |
II |
|
Artikel 25 |
II |
|
Artikel 26 |
II |
|
Artikel 27 |
II |
|
Artikel 28 |
II |
|
Artikel 29 |
II |
|
Artikel 30 |
II |
|
Artikel 31 |
II |
|
Artikel 32 |
II |
|
Artikel 33 |
II |
|
Artikel 34 |
II |
|
Artikel 35 |
II |
|
Artikel 36 |
II |
|
Artikel 37 |
II |
|
Artikel 38 |
II |
|
Artikel 39 |
II |
|
Artikel 40 |
II |
|
Artikel 41 |
II |
|
Artikel 42 |
II |
|
Artikel 43 |
II |
|
Artikel 44 |
II |
|
Artikel 45 |
II |
|
Artikel 46 |
II |
|
Artikel 47 |
II |
|
Artikel 48 |
II |
|
Artikel 49 |
II |
|
Artikel 50 |
II |
|
Artikel 51 |
II |
|
Artikel 52 |
II |
|
Artikel 53 |
II |
|
Artikel 54 |
II |
|
Artikel 55 |
II |
|
Artikel 56 |
II |
|
Artikel 57 |
II |
|
Artikel 58 |
II |
|
Artikel 59 |
II |
|
Artikel 60 |
II |
|
Artikel 61 |
II |
|
Artikel 62 |
II |
|
Artikel 63 |
II |
|
Artikel 64 |
II |
|
Artikel 65 |
II |
|
Artikel 66 |
II |
|
Artikel 67 |
II |
|
Artikel 68 |
II |
|
Artikel 69 |
II |
|
Artikel 70 |
II |
|
Artikel 71 |
II |
|
Artikel 72 |
II |
|
Artikel 73 |
II |
|
Artikel 74 |
II |
|
Artikel 75 |
II |
|
Artikel 76 |
II |
|
Artikel 77 |
II |
|
Artikel 78 |
II |
|
Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten |
Categorie |
|
Artikel 2 |
II |
|
Artikel 3 |
II |
|
Artikel 4 |
II |
|
Artikel 6 |
II |
|
Artikel 7 |
II |
|
Artikel 8a |
II |
|
Artikel 9 |
II |
|
Artikel 10 |
II |
|
Artikel 11 |
II |
|
Artikel 12 |
II |
|
Artikel 13 |
II |
|
Artikel 14 |
II |
|
Artikel 15 |
II |
|
Artikel 16 |
II |
|
Artikel 17 |
II |
|
Artikel 18 |
II |
|
Artikel 19 |
II |
|
Artikel 19a |
II |
|
Regeling metrologische merktekens |
Categorie |
|
Artikel 1 |
II |
|
Artikel 2 |
II |
|
Artikel 3 |
II |
|
Artikel 3a |
II |
|
Telecommunicatiewet |
Categorie |
|
Artikel 2.5c |
II |
|
Artikel 3.12 |
IV |
|
Artikel 3.13 |
I–IV |
|
– Illegaal maritiem frequentiegebruik |
I |
|
– Illegale omroep en jammers |
IV |
|
– Overig illegaal frequentiegebruik |
II |
|
Artikel 3.14 |
IV |
|
Artikel 3.21 |
II |
|
Artikel 3.23 |
II |
|
Artikel 6.3a |
IV |
|
Artikel 7.7 |
VI |
|
Artikel 8.3 |
IV |
|
Artikel 8.4a |
IV |
|
Artikel 10.1 |
III–V |
|
– Essentiële (technische) eisen |
V |
|
– Niet-meewerken aan terugroepen of aanpassen risicovolle apparaten/producten |
V |
|
– Administratieve eisen en traceerbaarheidseisen |
IV |
|
– Geen (CE) markering |
III |
|
Artikel 10.2 |
III |
|
Artikel 10.11a |
V |
|
Artikel 10.11b |
IV |
|
Artikel 10.11c |
IV |
|
Artikel 10.11d |
V |
|
Artikel 10.12 |
V |
|
Artikel 10.13 |
V |
|
Artikel 10.15 |
I–IV |
|
– Illegaal maritiem frequentiegebruik |
I |
|
– Illegale omroep en jammers |
IV |
|
– Overig illegaal frequentiegebruik |
II |
|
Artikel 10.17 |
IV |
|
Artikel 11.5 lid 1 t/m 3 |
V |
|
Artikel 11.5 lid 4 en 5 |
IV |
|
Artikel 11.5a lid 1 en 3 |
V |
|
Artikel 11.5a lid 2 en 6 |
IV |
|
Artikel 11.5a lid 5 |
III |
|
Artikel 11.13 lid 2 |
V |
|
Artikel 11.13 lid 3 |
IV |
|
Artikel 11a.1 lid 1 t/m 4 |
VI |
|
Artikel 11a.1 lid 5 |
V |
|
Artikel 11a.2 lid 1 t/m 5 |
VI |
|
Artikel 11a.3 lid 1 en 3 t/m 6 |
VI |
|
Artikel 11a.3 lid 2 |
V |
|
Artikel 12.11 |
IV |
|
Artikel 13.1 |
VI |
|
Artikel 13.2 |
VI |
|
Artikel 13.2a |
IV |
|
Artikel 13.2b |
VI |
|
Artikel 13.4 |
VI |
|
Artikel 13.5 |
VI |
|
Artikel 13.8 |
VI |
|
Artikel 14.1 |
VI |
|
Artikel 14.6 |
VI |
|
Artikel 18.2 |
IV |
|
Artikel 18.4 |
IV |
|
Artikel 18.7 |
IV |
|
Artikel 18.7a |
III |
|
Artikel 18.9 |
IV |
|
Artikel 18.15b |
III |
|
Artikel 18.15c |
III |
|
Artikel 18.15d |
III |
|
Artikel 18.15e |
III |
|
Artikel 18.17 |
III |
|
Artikel 18.17a |
III |
|
Artikel 18.18 lid 1 |
II–V |
|
Artikel 18.18 lid 2 |
V |
|
Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten |
Categorie |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Artikel 4 |
VI |
|
Artikel 5 |
VI |
|
Artikel 6 |
VI |
|
Artikel 7 |
VI |
|
Artikel 8 |
VI |
|
Artikel 9 |
VI |
|
Artikel 10 |
VI |
|
Artikel 11 |
VI |
|
Artikel 12 |
VI |
|
Regeling technisch protocol aftappen openbare telecommunicatienetwerken -diensten |
Categorie |
|
Artikel 1 |
VI |
|
Besluit beveiliging en continuïteit openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 2a |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Artikel 4 |
VI |
|
Artikel 5 |
VI |
|
Artikel 5a |
VI |
|
Artikel 5b |
VI |
|
Artikel 6 |
VI |
|
Artikel 7 |
VI |
|
Artikel 9 |
VI |
|
Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Artikel 4 |
VI |
|
Artikel 6 |
VI |
|
Artikel 7 |
VI |
|
Artikel 8 |
VI |
|
Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016 |
Categorie |
|
Artikel 3 |
V |
|
Artikel 4 |
IV |
|
Artikel 6 |
III |
|
Artikel 7 |
IV |
|
Artikel 8 |
IV |
|
Artikel 9 |
IV |
|
Artikel 10 |
III |
|
Artikel 11 |
III |
|
Artikel 12 |
III |
|
Artikel 14 |
III |
|
Artikel 18 |
V |
|
Artikel 20 |
IV |
|
Besluit radioapparaten 2016 |
Categorie |
|
Artikel 3 |
V |
|
Artikel 3a |
V |
|
Artikel 5 |
IV |
|
Artikel 7 |
III |
|
Artikel 8 |
III |
|
Artikel 9 |
III |
|
Artikel 11 |
III |
|
Artikel 14 |
V |
|
Artikel 15 |
V |
|
Artikel 17 |
IV |
|
Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Regeling veiligheid en integriteit telecommunicatie |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie |
Categorie |
|
Artikel 3 |
V |
|
Artikel 4 |
V |
|
Artikel 5 |
V |
|
Frequentiebesluit 2013 |
Categorie |
|
Artikel 2 |
III |
|
Artikel 3 |
III |
|
Artikel 4 |
III |
|
Artikel 5 |
III |
|
Artikel 17 |
IV |
|
Artikel 23 |
III |
|
Artikel 24 |
III |
|
Artikel 25 |
III |
|
Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015 |
Categorie |
|
Artikel 3 |
I |
|
Artikel 4 |
I |
|
Artikel 5 |
I |
|
Artikel 6 |
I |
|
Artikel 7 |
I |
|
Artikel 8 |
I |
|
Artikel 9 |
I |
|
Artikel 10 |
I |
|
Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht 2015 |
Categorie |
|
Artikel 3 |
I |
|
Artikel 3a |
I |
|
Regeling openbaar antenneregister |
Categorie |
|
Artikel 1 |
III |
|
Regeling alarmeringsdienst NL-Alert 2023 |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Artikel 4 |
VI |
|
Artikel 5 |
VI |
|
Artikel 6 |
VI |
|
Artikel 7 |
VI |
|
Artikel 14 |
V |
|
Regeling voorbereiding buitengewone omstandigheden sector telecommunicatie 2007 |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 3 |
VI |
|
Artikel 4 |
V |
|
Uitvoeringswet cyberbeveiligingsverordening |
Categorie |
|
Artikel 3 |
IV |
|
Artikel 4 |
IV |
|
Artikel 5 |
IV |
|
Artikel 6 |
VI |
|
Artikel 8 |
VI |
|
Uitvoeringsregeling cyberbeveiligingsverordening |
Categorie |
|
Artikel 2 |
VI |
|
Artikel 2a |
VI |
|
Artikel 2c |
III |
|
Verordening 2019/1020 |
Categorie |
|
Artikel 4 |
IV |
|
Waarborgwet 2019 |
Categorie |
|
Artikel 2 |
II |
|
Artikel 30 |
II |
|
Artikel 31 |
II |
|
Artikel 32 |
II |
|
Artikel 33 |
II |
|
Artikel 35 |
II |
|
Artikel 40 |
II |
|
Waarborgregeling 2019 |
Categorie |
|
Artikel 3 |
II |
|
Artikel 4 |
II |
|
Artikel 5 |
II |
|
Artikel 6 |
II |
|
Artikel 11 |
II |
|
Artikel 15 |
II |
|
Warenwet |
Categorie |
|
Artikel 351 |
II–III |
|
– Essentiële (technische) toegankelijkheidsvoorschriften |
III |
|
– Administratieve eisen |
II |
|
– Geen (CE) markering |
II |
|
Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen |
Categorie |
|
Artikel 7 |
VII |
|
Artikel 8 |
VII |
|
Artikel 10 |
VI |
|
Artikel 11 |
V |
|
Artikel 12 |
IV |
|
Artikel 13 |
VI |
|
Artikel 14 |
IV |
|
Artikel 23 |
VII |
|
Artikel 26 |
V |
|
Artikel 27 |
IV |
|
Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen |
Categorie |
|
Artikel 3a |
VII |
|
Artikel 5 |
VII |
|
Artikel 6 |
IV |
|
Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken |
Categorie |
|
Artikel 2 lid 1 |
IV |
|
Artikel 2 lid 2 |
III |
|
Artikel 2 lid 3, onder a |
III |
|
Artikel 2 lid 3, onder b |
III |
|
Artikel 2 lid 3, onder c |
II |
|
Artikel 5a |
III |
|
Artikel 6 |
III |
|
Artikel 11 |
II |
|
Artikel 12 |
III |
|
Artikel 13a |
II |
|
Artikel 13b |
II |
|
Artikel 15 lid 1 |
III |
|
Artikel 15 lid 3 |
V |
|
Artikel 15 lid 4 |
III |
|
Artikel 15 lid 5 |
III |
|
Artikel 17 |
II |
|
Artikel 24 |
III |
|
Artikel 30 |
II |
|
Artikel 41a |
III |
|
Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken |
Categorie |
|
Artikel 4 |
III |
|
Artikel 5 |
III |
|
Artikel 7 |
III |
|
Artikel 8 |
III |
|
Regeling informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken |
Categorie |
|
Artikel 7 |
III |
|
Artikel 11 |
II |
|
Artikel 12 |
II |
|
Wet ruimtevaartactiviteiten |
Categorie |
|
Artikel 3 lid 1 |
V |
|
Artikel 3 lid 3 en 4 |
IV |
|
Artikel 7 |
IV |
|
Artikel 10 |
IV |
|
Artikel 11 |
III |
De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (hierna: RDI) is door de Minister dan wel de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Digitale Economie en Soevereiniteit), de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister dan wel de Staatssecretaris) aangewezen als toezichthouder, belast met het toezicht op de naleving van verschillende wetten die betrekking hebben op onder andere het gebied van telecommunicatie en het digitale domein. De RDI beschikt over verschillende handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van een last onder dwangsom, in naam van de Minister dan wel de Staatssecretaris.
Een last onder dwangsom is een herstelsanctie die strekt tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, dan wel ter voorkoming van (herhaling van) een overtreding en die de verplichting inhoudt tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Bij de vaststelling van de hoogte en termijnen van de last onder dwangsom neemt de RDI onder meer de toepasselijke bepalingen uit hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht. Met inachtneming van de toepasselijke wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur beschikt de RDI over beleidsruimte bij zowel het vaststellen van de hoogte van de dwangsom, als het vaststellen van de begunstigingstermijn van de dwangsom. De wijze aan de hand waarvan de RDI deze vaststelt, is vastgelegd in dit Dwangsombeleid RDI. Een uitzondering hierop zijn de dwangsombevoegdheden die de RDI, namens de Minister dan wel de Staatssecretaris, heeft voor Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Dit beleid is niet van toepassing op deze bevoegdheden.
In deze toelichting worden de door de RDI in het kader van dwangsombesluiten te maken afwegingen uitgelegd.
Het doel van het Dwangsombeleid RDI is tweeledig, namelijk:
• om in elke afzonderlijke zaak te komen tot een dwangsom waarvan de hoogte en de gestelde termijnen, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, evenredig zijn; en
• om op voorhand zoveel mogelijk transparantie te geven over de wijze waarop de hoogte van de dwangsom en de daarvoor geldende termijnen worden vastgesteld.
Het Dwangsombeleid RDI is van toepassing op dwangsombesluiten die worden genomen vanwege overtredingen van bepalingen met het toezicht op de naleving waarvan de RDI belast is. Deze bepalingen zijn opgenomen in bijlage 1. Dit dwangsombeleid zal ook worden toegepast bij dwangsombesluiten die worden opgelegd vanwege overtredingen van wettelijke voorschriften waarvoor de RDI na de datum van inwerkingtreding van dit beleid bevoegd wordt een last onder dwangsom op te leggen, indien deze voorschriften op dat moment nog niet zijn opgenomen in bijlage 1.
In artikel 3 van het Dwangsombeleid RDI zijn de uitgangspunten geformuleerd die de RDI hanteert bij het opleggen van een last onder dwangsom. Het betreffen nadrukkelijk uitgangspunten. Omdat de beoogde werking van een last onder dwangsom per geval zal verschillen, zijn op voorhand geen vaste dwangsombedragen en (begunstigings)termijnen voor iedere denkbare situatie uit te werken. Dat is ook niet wenselijk of nodig: de inzet van de dwangsombevoegdheid vergt flexibiliteit. Daarom wordt van geval tot geval bepaald welke dwangsom en welke termijnen in het concrete geval passend en geboden zijn. De RDI neemt daarbij de in dit beleid geformuleerde uitgangspunten in acht. Indien en voor zover een individuele situatie daartoe noopt, wijkt de RDI af van dit beleid. De RDI motiveert in die situatie dat en waarom van dit beleid wordt afgeweken.
De inhoud van een last onder dwangsom bestaat uit een aantal elementen (artikel 5:32a en 5:32b Awb) en moet voldoen aan een aantal eisen:
• de last bevat de te nemen herstelmaatregel(en) (tenzij sprake is van een last ter voorkoming van een overtreding of herhaling);
• de last bevat een begunstigingstermijn waarbinnen de herstelmaatregel(en) getroffen moet(en) worden. Indien de herstelmaatregel(en) binnen deze termijn worden getroffen, wordt geen dwangsom verbeurd;
• de last bevat de te verbeuren dwangsom, dit is of een bedrag ineens, of een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel een bedrag per overtreding van de last;
• de last bevat een bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, in de situatie waarin de dwangsom wordt bepaald op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding waarin de last niet is uitgevoerd.
De RDI heeft beleidsruimte bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom, het maximum van het te verbeuren bedrag en de relevante daarvoor te stellen termijnen. Gelet op artikel 5:32b van de Awb moet de dwangsom in redelijke verhouding staan tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijk voorschrift geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Uit artikel 5:32b Awb volgt verder dat bepaald moet worden of de dwangsom een bedrag ineens of per tijdseenheid dan wel overtreding is waarin de last niet is uitgevoerd. Als de dwangsom per tijdseenheid of overtreding wordt opgelegd, is de RDI verplicht een maximum bedrag vast te stellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De volgende uitgangspunten zijn van belang bij het vaststellen van de dwangsom:
• de hoogte van de dwangsom moet zijn afgestemd op de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang en de beoogde werking van de last onder dwangsom;
• de dwangsom moet dusdanig hoog zijn dat de overtreder geen voordeel heeft bij het laten voortduren van de overtreding;
• de financiële omstandigheden van de overtreder spelen in beginsel geen rol bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom, maar kunnen wel worden betrokken indien dat nodig is voor de beoogde werking van de dwangsom;
• de begunstigingstermijn moet zo kort mogelijk worden vastgesteld: lang genoeg om de overtreder in staat te stellen tot herstel te komen, maar zo kort mogelijk om zo snel mogelijk tot herstel van de overtreding te komen.
Van de uitgangspunten als bedoeld in artikel 3 kan worden afgeweken indien specifieke omstandigheden van het individuele geval daartoe aanleiding geven. In paragraaf 6 van deze toelichting wordt aan de hand van enkele voorbeelden ingegaan op de toepassing van het Dwangsombeleid RDI in de praktijk.
In artikel 5.1 van het Dwangsombeleid RDI is een tabel opgenomen met daarin verschillende categorieën. Deze categorieën sluiten aan bij de categorieën die in het Boetebeleid RDI zijn opgenomen. Bij iedere categorie is een bandbreedte van het totale dwangsombedrag opgenomen. De RDI stelt iedere op te leggen totale dwangsom in beginsel vast binnen de bandbreedte die geldt voor de overtreding van de desbetreffende norm. In bijlage 2 bij het Dwangsombeleid RDI zijn de normen waarop de RDI toeziet en waarvoor de RDI een last onder dwangsom kan opleggen ingedeeld in één van de categorieën uit artikel 5.1. Daarbij geldt dat grondslagbepalingen niet zijn opgenomen in de bijlagen: de onderliggende normen zijn ingedeeld om een zo gespecificeerd mogelijke indeling te bewerkstelligen. Bij het vaststellen van de hoogte van de totale dwangsom binnen de bandbreedte als bedoeld in artikel 5.1 en verder houdt de RDI in ieder geval rekening met omstandigheden rondom de vastgestelde overtreding, de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang, de mogelijke schade voor derden, de beoogde werking van de dwangsom en het door de overtreder te behalen financiële voordeel bij het voortduren van de overtreding.
In alle gevallen dient de dwangsom in een redelijke verhouding te staan tot enerzijds de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijke voorschrift geschonden belang, de maatschappelijke impact, de mogelijke schade aan derden en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Daarbij is van belang dat van de dwangsommen een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de oplegde lasten worden nagekomen en het verbeuren van dwangsommen wordt voorkomen. De beoogde werking van de dwangsom brengt mee dat de hoogte van het te verbeuren bedrag mag worden afgestemd op het met de overtreding te behalen financiële voordeel. Daaronder kan ook calculerend gedrag worden verstaan van een overtreder die (bewust) niet meewerkt aan een onderzoek van de RDI, omdat de dwangsom voor niet meewerken (artikel 5:20 Awb) lager is ingedeeld dan de materiële norm waarop het onderzoek gericht is.
Als het met de overtreding te behalen financiële voordeel het bedrag uit de bandbreedte naar schatting overstijgt, kan de RDI de dwangsom op een hoger bedrag vaststellen om de beoogde werking te verzekeren. De RDI kan de hoogte van de dwangsom dan ten minste op het geschatte te behalen voordeel vaststellen. De bandbreedte uit de tabel in artikel 5.1 geldt in dat geval niet.
Hoewel de (financiële) omvang van een overtreder in beginsel geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom, kan de RDI dit wel meewegen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De RDI zal bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom immers de beoogde werking van de dwangsom tot uitgangspunt nemen. Als een onderneming (zeer) vermogend is of onderdeel uitmaakt van een vermogende groep, dan zou een relatief lage dwangsom afbreuk kunnen doen aan de beoogde werking van de dwangsom. Een last onder dwangsom moet ook in die omstandigheden een voldoende financiële prikkel voor de overtreder opleveren om de overtreding alsnog te beëindigen.
De RDI kan de maximale hoogte van de totale dwangsom als bedoeld in artikel 5.1 verdubbelen indien na oplegging van een last onder dwangsom één of meer dwangsommen zijn verbeurd en binnen vijf jaar na dat dwangsombesluit opnieuw een last wordt opgelegd voor een overtreding van eenzelfde of soortgelijk wettelijk voorschrift. In dat geval geldt het maximumbedrag uit de bandbreedte als bedoeld in artikel 5.1 dus niet, maar wordt dat bedrag verdubbeld. Op die manier kan de RDI de overtreder verder prikkelen om herstel te bewerkstelligen.
Zodra de RDI de totale hoogte van de maximaal te verbeuren dwangsom op basis van de artikelen 5.1 tot en met 5.4 heeft vastgesteld, bepaalt de RDI per hoeveel overtredingen of tijdseenheden deze maximaal te verbeuren dwangsom wordt verbeurd. De te verbeuren bedragen ineens, per tijdseenheid of per overtreding tellen op tot het maximaal te verbeuren dwangsombedrag zoals vastgesteld op basis van de artikelen 5.1 tot en met 5.4.
Voorbeeld: de RDI stelt een overtreding vast van een bepaling die in bijlage 2 is ingedeeld in categorie IV en is voornemens een last onder dwangsom op te leggen strekkende tot het beëindigen van die overtreding. Op basis van de omstandigheden rondom de overtreding stelt de RDI de totale dwangsom vast op € 45.000,–. Dat betreft, gezien de definitie uit artikel 1 van dit Dwangsombeleid, de som van de mogelijk te verbeuren dwangsommen. De RDI stelt de begunstigingstermijn op twee weken vast en bepaalt dat na afloop van de termijn van twee weken, per week dat de overtreding voortduurt, een dwangsom van € 15.000,– per week wordt verbeurd, met een maximum van € 45.000,–. Daarmee stelt de RDI dus drie tijdseenheden vast.
De RDI bepaalt per overtreding, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, of een dwangsom ineens, per tijdseenheid of per overtreding wordt verbeurd. Indien de RDI bepaalt dat dwangsommen per tijdseenheid of overtreding worden verbeurd, maakt de RDI duidelijk welk bedrag per tijdseenheid dan wel overtreding wordt verbeurd. Ook bepaalt de RDI het maximum van de te verbeuren dwangsommen (de totale dwangsom).
De RDI hanteert in beginsel één, drie of vijf tijdseenheden dan wel overtredingen. Het aantal tijdseenheden of overtredingen hangt af van de mate van maatschappelijke impact van de overtreding. Ook houdt de RDI in dit verband rekening met het voordeel dat wordt behaald met de overtreding. Indien het (tijdelijk) voortzetten van een overtreding loont, omdat een dwangsom per een paar tijdseenheden nog niet opweegt tegen het financiële voordeel, ligt het in de rede dat voor minder tijdseenheden wordt gekozen zodat de te verbeuren dwangsom per overtreding of tijdseenheid hoger is.
De RDI bepaalt binnen welke begunstigingstermijn de last dient te worden opgevolgd. Binnen deze termijn kan de overtreder de gegeven last opvolgen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. De RDI stelt een zo kort mogelijke begunstigingstermijn vast. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn houdt de RDI rekening met de noodzaak om op zo kort mogelijke termijn tot beëindiging van de overtreding te komen en met de termijn waarbinnen redelijkerwijs verwacht kan worden dat de overtreder tot herstel kan komen. De termijn kan daardoor, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, variëren van een uur of enkele uren, tot dagen, weken of maanden.
Hierbij geldt dat de RDI van de overtreder verlangt alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk tot beëindiging van de overtreding over te gaan. De RDI verlangt van de overtreder dat kosten en middelen worden vrijgemaakt om dit te bewerkstelligen. Daarop wordt de begunstigingstermijn afgesteld. Uiteraard zal de RDI daarbij rekening houden met wat redelijkerwijs van de overtreder gevergd kan worden.
Zodra binnen de begunstigingstermijn opvolging aan de last wordt gegeven, dan wel de maximale dwangsom is verbeurd, is de last onder dwangsom uitgewerkt.
De aard van een last onder dwangsom en de beoogde werking daarvan brengt zoals hiervoor is toegelicht met zich dat van geval tot geval bepaald moet worden welke dwangsom en welke termijnen in het concrete geval passend en geboden zijn. Hieronder is een aantal voorbeelden opgenomen waaruit blijkt hoe de inzet van de last onder dwangsom in diverse situaties kan uitwerken.
Allereerst is voorstelbaar dat een last onder dwangsom wordt opgelegd vanwege de storing van een apparaat tijdens een evenement, bijvoorbeeld op het netwerk van de nood-, spoed- of veiligheidsdiensten. In die situatie ligt een (zeer) korte begunstigingstermijn van hooguit enkele uren in de rede. In die situatie is immers, gezien het betrokken belang en de maatschappelijke impact, van belang dat de vastgestelde overtreding op zo kort mogelijke termijn wordt beëindigd. Bovendien is voorstelbaar dat de storing snel kan worden verholpen, bijvoorbeeld door het betreffende apparaat uit te zetten. Een zeer korte begunstigingstermijn is dan dus passend en ook evenredig. In die situatie ligt bovendien, in geval van niet naleving van de opgelegde last binnen de gestelde begunstigingstermijn, een bedrag ineens in de rede. Dat bedrag moet bovendien, mede gezien de mogelijke inkomsten die op het evenement worden gegenereerd met gebruikmaking van de betreffende apparatuur, voldoende hoog zijn om een financiële prikkel tot beëindiging van de overtreding te bewerkstelligen.
Een ander voorbeeld om de toepassing van dit beleid in de praktijk te duiden, is de situatie dat een energiemeter moet worden gewisseld. De aangeslotene op het energienetwerk die nog beschikt over een zogenaamde Ferrarismeter, heeft er financieel voordeel van als de meterwissel niet wordt doorgevoerd. Dat is anders bij de aangeslotene in een pand waarop geen zonnepanelen zijn aangebracht. Het betreft een overtreding van dezelfde norm (artikel 2.47 Energiewet), die is ingedeeld in categorie I. Om de aangeslotene mét zonnepanelen (meer) te kunnen prikkelen om tot normconform gedrag te komen, kan de RDI het door de aangeslotene in een pand met zonnepanelen te behalen financiële voordeel betrekken bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom binnen de bandbreedte als bedoeld in artikel 5.1. Dat kan in de praktijk tot een hogere dwangsom leiden dan aan aangeslotenen in een pand zonder zonnepanelen.
Een vergelijkbaar onderscheid kan worden gemaakt in overtredingen onder de Wibon. Netbeheerders moeten jaarlijks het aantal schadegevallen als gevolg van graafwerkzaamheden in het voorgaande kalenderjaar rapporteren bij het Kadaster. Om de netbeheerders te stimuleren dit bij nalaten alsnog te doen, kan een last onder dwangsom worden opgelegd. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen primaire beheerders, waarbij het verdienmodel afhankelijk is van het netwerk, en secundaire beheerders, die niets aan de kabel of leiding in de openbare grond verdienen. De primaire beheerders hebben immers mogelijk een belang bij het niet-rapporteren. Daar kan de RDI bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening mee houden.
Verder kan onderscheid worden gemaakt tussen situaties bij illegaal frequentiegebruik in de FM-omroepband. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat iemand alleen vanuit huis illegaal uitzendt in de FM-omroepband en de situatie dat een groep tijdens een georganiseerd feest uitzendt in de FM-omroepband waarvoor al dan niet entree wordt betaald. De RDI kan de dwangsom in die laatste situatie hoger vaststellen en daarbij rekening houden met het feit dat meerdere personen kunnen bijdragen aan de inkomsten van het feest.
Tot slot een voorbeeld van een situatie het nog te behalen voordeel hoger is dan de bandbreedte van de betreffende categorie uit artikel 5.1. Bij een overtreding van de Metrologiewet met betrekking tot het keuren, wordt bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening gehouden met het keuringstarief. Dat zal over het algemeen binnen de bandbreedte van categorie II als bedoeld in artikel 5.1 passen. Sommige keuringen zijn daarentegen een stuk duurder. Daardoor kan het voordelig zijn de overtreding te laten voortduren, met name als de dwangsom lager is dan het keuringstarief. In die situatie kan de RDI de bandbreedte uit artikel 5.1 buiten toepassing laten en het dwangsombedrag hoger vaststellen, zodat er geen voordeel is van het laten voortduren van de overtreding.
Dit Dwangsombeleid RDI treedt direct na de publicatie daarvan in de Staatscourant in werking. Dit Dwangsombeleid RDI zal direct worden toegepast. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, treedt dit beleid in de plaats van eventuele andere beleidsdocumenten van de RDI waarin is uitgewerkt hoe de hoogte van een dwangsom en daaraan gekoppelde termijnen wordt bepaald. Aanpassingen van wet- en regelgeving, alsmede nieuwe taken van de RDI, dan wel nieuwe inzichten, kunnen leiden tot aanpassingen van dit Dwangsombeleid RDI.
U kunt het Publicatiebeleid sancties RDI vinden op de website: www.rdi.nl. Zie ook Stcrt. 2026, 24109.
Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257), en de op grond van die verordening door de Europese Commissie vastgestelde uitvoerings- en gedelegeerde handelingen zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2024/1183 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 van de Commissie van 11 maart 2024, tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad door middel van de vaststelling van een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.
Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011.
U kunt het Publicatiebeleid sancties RDI vinden op de website: www.rdi.nl. Zie ook Stcrt. 2026, 24109.
Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257), en de op grond van die verordening door de Europese Commissie vastgestelde uitvoerings- en gedelegeerde handelingen zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2024/1183 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 van de Commissie van 11 maart 2024, tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad door middel van de vaststelling van een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.
Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24110.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.