Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 24092 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 24092 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, na overleg met de Minister van Justitie en Veiligheid,
Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en artikel 15, tweede lid, van het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten;
BESLUIT:
In deze regeling wordt verstaan onder:
elektronisch platform voor de uitwisseling van informatie tussen publieke en particuliere belanghebbenden om vlotte havenprocessen en logistieke processen te waarborgen;
Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
Verordening (EU) 2024/1679 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk, tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1153 en Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1315/2013.
1. Deze regeling is van toepassing op kritieke entiteiten in een of meer van de volgende sectoren als bedoeld in bijlage 1 van de wet:
|
Bevoegde autoriteit |
Sector |
Subsector |
|---|---|---|
|
Minister van Infrastructuur en Waterstaat |
Vervoer |
Lucht |
|
Spoor |
||
|
Water |
||
|
Weg |
||
|
Openbaar vervoer |
||
|
Drinkwater |
||
|
Afvalwater |
2. Deze regeling is verder van toepassing op kritieke entiteiten in sectoren als bedoeld in artikel 3.
Binnen de volgende sectoren dan wel subsectoren worden de volgende categorieën entiteiten aangewezen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, op grond van de volgende binnen die categorieën entiteiten verleende essentiële dienst of diensten:
|
Sector |
Subsector |
Categorieën entiteiten |
Essentiële dienst |
|---|---|---|---|
|
Vervoer |
Water |
Exploitanten van havengemeenschapssystemen |
Exploitatie, beheer en onderhoud van havengemeenschapssystemen |
|
Beheerders van hoofdvaarwegen |
Beheer van het vervoer over het hoofdvaarwegennet |
||
|
Weg |
Instanties belast met de taken, bedoeld in de artikelen 42, tweede lid en 126, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 |
Beheer van kenteken- en rijbewijzenregister |
|
|
Nucleair |
Houders van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet; Bedrijven vallend onder het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet |
Verwerking en opslag van nucleair materiaal |
|
|
Keren en beheren |
Instanties belast met het keren en beheren van waterkwantiteit |
Keren en beheren van waterkwantiteit |
|
|
Chemie |
Ondernemingen die stoffen vervaardigen en stoffen of mengsels distribueren als bedoeld in artikel 3, onderdelen 9 en 14, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en ondernemingen die voorwerpen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van die verordening produceren uit stoffen of mengsels |
Vervaardiging, productie en distributie van chemische stoffen |
|
|
Meteorologie |
Instanties belast met de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet taken meteorologie en seismologie |
Meteorologische dienstverlening |
Geplande dienstonderbrekingen en geplande gevolgen van geplande onderhoudswerkzaamheden die door of namens de kritieke entiteit worden uitgevoerd, worden niet als aanzienlijke verstoring beschouwd.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector vervoer, subsector vervoer door de lucht, aanzienlijk:
a. voor luchthavenbeheerders als door het incident is opgeschaald naar de hoogste crisisbeheersingsstructuur van de nationale luchthaven of regionale luchthaven van nationale betekenis;
b. voor een logistiek dienstverlener van vliegtuigbrandstoffen als deze voor een periode van een uur of langer geen vliegtuigbrandstoffen kan leveren die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de vluchtoperatie;
c. voor luchtverkeersleidingsdiensten als de hoogst gehanteerde codering geldt, of de gehanteerde codering voor potentiële incidenten, conform het organisatie-specifieke classificatiesysteem voor crises; of
d. voor luchtvaartmaatschappijen en overige entiteiten als de afhandeling niet of niet veilig kan plaatsvinden van 20% van het geplande aantal vluchten in een aaneengesloten periode van twaalf uur of langer, of als de verwachting daartoe bestaat.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector vervoer, subsector vervoer over spoor, aanzienlijk:
a. voor de infrastructuurbeheerder als het personenvervoer op de hoofdspoorweg voor een periode van ten minste vier uur is gestremd;
b. voor de infrastructuurbeheerder als het goederenvervoer op de hoofdspoorweg voor een periode van ten minste twaalf uur is gestremd;
c. voor een personenvervoerder als een verstoring in de bedrijfsvoering leidt tot uitval van een of meer treinen voor een periode van ten minste vier uur en daarbij ten minste 100.000 reizigers worden getroffen; of
d. voor een goederenvervoerder als diens dienstverlening voor een periode van ten minste twaalf uur wordt gestaakt door een incident in de bedrijfsvoering.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector vervoer, subsector vervoer over water, aanzienlijk als:
a. dienstverlening met betrekking tot toegang tot de haven en nautische dienstverlening voor een periode van twaalf uur of langer niet beschikbaar is;
b. overslag in de haven voor een periode van twaalf uur of langer niet beschikbaar is;
c. dienstverlening met betrekking tot transport in het maritieme achterland over, op en langs het hoofdvaarwegennet voor een periode van vierentwintig uur of langer niet beschikbaar is.
1. Een verstoring is voor wegbeheerders die als kritieke entiteit zijn aangewezen in de sector vervoer, subsector vervoer over de weg, aanzienlijk als:
a. de weg een onderdeel is van het trans-Europees vervoersnetwerk als bedoeld in Verordening (EU) 2024/1679 en voor een periode van twaalf uur of langer niet bruikbaar is; of
b. de weg een onderdeel is van het hoofdwegennet of het onderliggend wegennet waarvoor de wegbeheerder is aangewezen als kritieke entiteit en voor een periode van vierentwintig uur of langer niet beschikbaar is.
2. Een verstoring is voor de als kritieke entiteit aangewezen dienst belast met het beheer van de registers, bedoeld in de artikelen 42, tweede lid en 126, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aanzienlijk als de geleverde dienst voor een periode van vier uur of langer niet beschikbaar is.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector vervoer, subsector openbaar vervoer aanzienlijk als zij in de bedrijfsvoering leidt tot uitval van het personenvervoer gedurende een periode van vier uur of langer en daarbij ten minste 100.000 reizigers worden getroffen.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector drinkwater aanzienlijk:
a. voor drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet, als aan 10.000 aansluitingen of meer voor een periode van zes uur of langer geen drinkwater geleverd kan worden;
b. voor producenten en leveranciers van verpakt water als gedurende een periode van drie weken of langer geen water geproduceerd onderscheidenlijk geleverd kan worden.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector afvalwater aanzienlijk als:
a. daardoor opgeschaald moet worden naar categorie 3 of hoger in de Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdingsprocedure (GRIP);
b. daardoor opgeschaald moet worden naar dreigingsniveau 3 of hoger, bedoeld in het op grond van artikel 19.14 van de Omgevingswet door het waterschap opgestelde calamiteitenplan; of
c. voor een periode van zes uur of langer een of meer van de essentiële functies verstoord zijn bij een object dat is opgenomen op het actuele overzicht van de kritieke infrastructuur, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector nucleair aanzienlijk als op het terrein dat de kritieke entiteit in gebruik heeft:
a. een stralingsincident, ongeval of radiologische noodsituatie plaatsvindt waarvan op grond van artikel 6.1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming melding moet worden gemaakt bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming;
b. een gebeurtenis plaatsvindt die in de weg staat aan onverkorte toepassing van het beveiligingspakket als bedoeld in artikel 22a van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector keren en beheren aanzienlijk als voor een periode van vier uur of langer een of meer van de voor het keren en beheren van waterkwantiteit essentiële functies verstoord zijn bij een object dat is opgenomen op het actuele overzicht van de kritieke infrastructuur, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector vervaardiging, productie en distributie van chemische stoffen aanzienlijk als:
a. daardoor de bij een overeenkomst vastgestelde levertijden overschreden worden met een periode van drie weken of meer; of
b. daardoor een andere kritieke entiteit die voor haar dienstverlening afhankelijk is van de verleende dienst, daarvan voor een periode van zes uur of langer geen gebruik kan maken.
Een verstoring is voor kritieke entiteiten in de sector meteorologie aanzienlijk als:
a. een andere kritieke entiteit voor de verlening van de essentiële dienst waarvoor zij als kritieke entiteit is aangewezen, afhankelijk is van de meteorologische dienst en deze dienst door de verstoring niet beschikbaar is voor een periode van zes uur of langer; of
b. de kritieke entiteit in de sector meteorologie de verstoring meldt bij de daarvoor aangewezen faciliteit bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Deze regeling, de Regeling weerbaarheid kritieke entiteiten IenW, strekt tot uitwerking van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten (Bwke). De Wwke strekt tot uitvoering van de Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad1. Deze richtlijn wordt ook wel aangeduid als de CER-richtlijn. De CER-richtlijn ziet op het verhogen van de weerbaarheid van kritieke entiteiten. Dit zijn aanbieders van essentiële diensten. Die weerbaarheid ziet op natuurlijke en door de mens veroorzaakte risico’s die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de verlening van essentiële diensten. Voorbeelden van zulke risico’s zijn ongevallen, natuurrampen, noodsituaties op het gebied van de volksgezondheid (zoals pandemieën) en dreigingen als terroristische misdrijven, criminele infiltratie en sabotage.
Gelijktijdig met de CER-richtlijn is de Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/11482 vastgesteld. Die richtlijn wordt ook wel aangeduid als de NIS2-richtlijn. De NIS2-richtlijn wordt geïmplementeerd in de Cyberbeveiligingswet (Cbw). De Cbw heeft tot doel om netwerk- en informatiesystemen en de fysieke omgeving daarvan te beschermen tegen gebeurtenissen die de beveiliging van die systemen kunnen aantasten.
Uitgangspunt is dat de Wwke en de Cbw en de onderliggende regelgeving zoveel mogelijk op elkaar aansluiten, zodat entiteiten niet met (dubbele) administratieve lasten te maken krijgen die verder gaan dan nodig is om de doelstellingen van de Wwke en de Cbw te verwezenlijken.
Deze regeling bevat, in aanvulling op de Wwke en het Bwke, nadere regels voor de sectoren waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) op grond van artikel 8 van de Wwke de bevoegde autoriteit is. De regeling bevat de aanwijzing van sectoren en daarbinnen categorieën entiteiten waarbinnen kritieke entiteiten kunnen worden aangewezen. De grondslag voor deze aanwijzing is gelegen in artikel 7 van de Wwke. De kritieke entiteiten zelf worden aangewezen op grond van artikel 6 van de Wwke, en zullen daartoe een beschikking van de Minister of Staatssecretaris van IenW ontvangen.
Deze regeling bevat verder regels over de criteria aan de hand waarvan bepaald wordt of incidenten de essentiële dienst van een kritieke entiteit aanzienlijk verstoren of kunnen verstoren als bedoeld in artikel 17 van de Wwke. Voor dergelijke incidenten geldt een meldplicht als bedoeld in deze bepaling. De terminologie en scope van de meldplicht in de Wwke en die in de Cbw verschillen van elkaar. In de onderscheiden ministeriële regelingen zijn de criteria voor meldplichtige incidenten (drempelwaarden) grotendeels gelijkluidend vormgegeven, om de uitvoerbaarheid voor entiteiten die onder beide wetten vallen te waarborgen evenals de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor de toezichthouders.
De belangrijkste elementen van deze regeling worden hieronder nader toegelicht.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wwke kan de minister die het aangaat, na overleg met de Minister van Justitie en Veiligheid, naast de in de bijlage bij de Wwke genoemde (sub)sectoren en categorieën entiteiten, bij ministeriële regeling een of meer extra (sub)sectoren en categorieën van entiteiten aanwijzen waarvoor hij beleidsverantwoordelijk is, waarbinnen vervolgens kritieke entiteiten kunnen worden aangewezen op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wwke. Voor de volgende (sub)sectoren is op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wwke een risicobeoordeling uitgevoerd, en daarbij is geconstateerd dat voldaan is aan de criteria van artikel 7, tweede lid, van de Wwke. Daarom wordt in deze regeling voor deze (sub)sectoren gebruik gemaakt van de hiervoor genoemde bevoegdheid.
Sector vervoer, subsector water
In de sector vervoer, subsector water, worden, naast de bestaande in de bijlage van de Wwke genoemde categorieën entiteiten, als volgende categorieën entiteiten aangewezen: exploitanten van havengemeenschapssystemen en beheerders van hoofdvaarwegen.
Wat de exploitanten van havengemeenschapssystemen betreft: de door hen verleende essentiële dienst is de exploitatie, het beheer en het onderhoud van havengemeenschapssystemen. Om de continuïteit van vervoer over water doorgang te laten vinden, is het noodzakelijk om de mogelijkheid te hebben om exploitanten van havengemeenschapssystemen als kritieke entiteiten aan te wijzen. De beschikbaarheid van havengemeenschapssystemen is essentieel voor de continuïteit van vlot vervoer over water. Havengemeenschapssystemen zijn een centraal knooppunt voor de digitale uitwisseling van informatie tussen publieke en particuliere belanghebbenden in de maritieme sector. Deze uitwisseling gebeurt op basis van de data van deze belanghebbenden of gebruikers. Zonder deze informatievoorziening kan het gebruikelijke vervoer over water niet op hetzelfde niveau worden uitgevoerd. Uitval heeft ook gevolgen voor andere ketens en andere sectoren of subsectoren in de bijlage van de Wwke, zoals vervoer over de weg, vervoer over het spoor, en chemie. De diensten die voor havengemeenschapssystemen worden vervaardigd en geleverd zijn complex. Door netwerkeffecten en uitgebreide koppelingen tussen organisaties in het scheepvaartafwikkelingsproces is reële en gelijkwaardige substitutie niet snel mogelijk. Bovendien is er een beperkt aantal aanbieders. Hierbij kan in Nederland, gelet op de beperkte oppervlakte, geen bijzonder onderscheid worden gemaakt naar geografisch gebied. Een verstoring in de dienstverlening werkt in Nederland al snel door het gehele land.
Wat de beheerders van hoofdvaarwegen betreft, gaat het meer precies om Rijkswaterstaat. De door Rijkswaterstaat verleende essentiële dienst is het beheer van het vervoer over het hoofdvaarwegennet, inclusief netwerkbeschikbaarheid, Vessel Traffic Service (VTS)-begeleiding en de bediening van bruggen en sluizen en van relevante digitale systemen. Delen van deze dienstverlening worden al gedekt door in de bijlage bij de Wwke genoemde categorieën van entiteiten (zoals exploitanten van verkeersbegeleidingssystemen en entiteiten die werken en uitrusting in havens beheren), maar voor de continuïteit van vervoer over water is het cruciaal om de volledige dienstverlening van Rijkswaterstaat m.b.t. het vervoer over het hoofdvaarwegennet onder het bereik van de wet te brengen. Zonder de dienstverlening van Rijkswaterstaat kan het gebruikelijke vervoer over water niet op hetzelfde (veilige) niveau worden uitgevoerd. Reële alternatieven ontbreken.
Sector vervoer, subsector weg
Voor de subsector vervoer over de weg wordt, naast de twee bestaande in de bijlage van de Wwke genoemde categorieën entiteiten, nog een derde categorie toegevoegd, namelijk voor de dienst die belast is met de taken, bedoeld in de artikelen 42, tweede lid en 126, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994: de RDW (Dienst wegverkeer). Deze door de RDW verleende diensten waren al van vitaal belang binnen het vitale proces ‘vervoer over het (hoofd)wegennet’. Uit de meest recente herbeoordeling vitaal (2025), uitgevoerd onder de cyclus vitaal, is opnieuw gebleken dat deze diensten van essentieel belang zijn, gelet op de potentiële impact van een aanzienlijke verstoring. Aanzienlijke verstoringen zouden ertoe kunnen leiden dat opsporingsdiensten geen gebruik kunnen maken van deze diensten en hierdoor niet goed hun taak uit kunnen voeren. Daarnaast gaat het uitvoeren van deze diensten gepaard met het verwerken van grote hoeveelheden (gevoelige) persoonsgegevens die een adequate bescherming vragen.
Sector nucleair
In deze sector waren entiteiten reeds aangewezen als aanbieders van essentiële diensten onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Dit is gedaan vanuit het oogpunt van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Er moet voorkomen worden dat radioactieve stoffen vrijkomen (met de bijbehorende gevolgen voor mens en milieu) en dat specifieke kennis over nucleaire technologie in verkeerde handen terecht komt. Dit belang en de potentiële risico’s zijn nog steeds relevant. De essentiële dienst op grond waarvan nucleaire instellingen kunnen worden aangewezen als kritieke entiteit is: verwerking en opslag van nucleair materiaal. Een aanzienlijke verstoring van deze dienst zou ertoe kunnen leiden dat radioactieve stoffen vrijkomen met potentiële gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid. Een grootschalig incident waarbij radioactieve stoffen vrijkomen zou bovendien kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. De mogelijkheid om entiteiten aan te wijzen is dan ook gericht op de veiligheidsmaatregelen die genomen moeten worden om dit soort verstoringen en incidenten te voorkomen.
Keren en beheren
Voor de sector keren en beheren geldt dat voorheen Rijkswaterstaat aangewezen was als aanbieder van een essentiële dienst onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Deze sector is voor Nederland van essentieel belang, gelet op de potentiële impact van een verstoring. Dit blijkt uit een vitaalbeoordeling, uitgevoerd onder de cyclus vitaal3. Daaruit is gebleken dat voor keren en beheren in een worst-case-scenario de drempelwaarden voor fysieke, maatschappelijke en economische gevolgen worden overschreden. Voor deze sector kunnen verschillende overheidsorganen met taken ten aanzien van het waterkwantiteitsmanagement worden aangewezen. Dit betreft in ieder geval Rijkswaterstaat en de waterschappen.
Sector chemie
De sector vervaardiging, productie en distributie van chemische stoffen (chemie) wordt aangewezen vanwege het belang voor vele andere ketens. Zoals de Europese Commissie beschrijft in haar actieplan voor de chemische industrie4, bevat 96% van alle geproduceerde goederen in de EU een chemische component. Daarmee is de chemie een essentiële basis voor vele andere kritieke sectoren en ketens, zoals brandstofvoorziening, medicijnproductie en waterzuivering. Een verstoring van de chemische sector kan daarmee significante gevolgen hebben voor de Nederlandse samenleving, en zowel fysieke, economische als maatschappelijke effecten teweegbrengen. Sinds 2005 is de chemische sector in Nederland dan ook als vitale sector aangewezen.
Sector meteorologie
De sector meteorologie wordt aangewezen met het oog op de aanwijzing van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) als kritieke entiteit. Ook deze sector is voor Nederland van essentieel belang, gelet op de potentiële impact van een verstoring. Ernstige verstoringen zouden ertoe kunnen leiden dat de drempelwaarden voor fysieke, maatschappelijke en economische gevolgen worden overschreden. Specifiek geldt dit voor de sector vervoer door de lucht, waarbij uitval tot ernstige verstoring kan leiden. Ook het proces keren en beheren zou ernstig worden geraakt als het KNMI geen meteorologische dienstverlening kan uitvoeren. In een worst-case scenario zou dit tot grote extra fysieke en economische schade kunnen leiden, met potentiële slachtoffers.
Algemene inleiding bij de nadere regels meldplicht
De nadere regels inzake de meldplicht beogen duidelijkheid te verschaffen over wanneer een kritieke entiteit een melding moet doen bij het door de bevoegde autoriteit ingericht meldpunt. Deze nadere regels zijn van toepassing op de sectoren en daarbinnen genoemde subsectoren en soorten entiteiten waarvoor de Minister van IenW beleidsverantwoordelijk is. Het gaat om de sectoren genoemd in artikel 2. Daarnaast geldt de meldplicht voor de kritieke entiteiten die zijn aangewezen op grond van artikel 7 van de Wwke (zie hierover paragraaf 3 van deze toelichting).
De meldplicht ziet op elke gebeurtenis die het verlenen van een essentiële dienst aanzienlijk kan verstoren of verstoort. De zinsnede ‘kan verstoren of kan veroorzaken’ in de Wwke moet zo worden begrepen dat er een reële kans is op een incident dat leidt tot een aanzienlijke verstoring in de (nabije) toekomst waarvan het gevaar op dat moment nog niet is geweken. Het is aan de kritieke entiteit om in te schatten of een incident potentieel leidt tot een aanzienlijke verstoring van de essentiële dienst.
Artikel 16, eerste lid, van het Bwke bepaalt dat de minister die het aangaat, na overleg met de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), bij regeling aanvullende criteria kan vaststellen op basis waarvan wordt bepaald of sprake is van een aanzienlijke verstoring. In paragraaf 4 van deze regeling worden per sector de criteria (drempelwaarden) bepaald.
Bij het opstellen van deze drempelwaarden is afstemming gezocht met diverse stakeholders en vertegenwoordigers van stakeholders in de desbetreffende sectoren en betrokken toezichthouders. Deze afstemming had als doel de regels goed te laten aansluiten op de praktijk en bestaande kaders, zoals de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en onderliggende regelgeving, de meldplicht uit de Wwke en sectorale regelgeving, om de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te borgen en onnodige regeldruk te beperken.
Bij het formuleren van de drempelwaarden is nadrukkelijk gezocht naar een benadering die onafhankelijk is van de oorzaak van een incident. Er is geen onderscheid gemaakt tussen een fysieke of digitale oorzaak. Daardoor konden de drempelwaarden zoveel mogelijk worden geharmoniseerd met die onder de Cbw. Dit komt de uitvoerbaarheid van kritieke entiteiten ten goede, omdat kritieke entiteiten van rechtswege kwalificeren als essentiële entiteit onder de Cbw.
Conform artikel 17, vijfde lid, van de Wwke, is er in deze regeling onderscheid gemaakt tussen sectoren, subsectoren en categorieën van entiteiten bij het opstellen van de nadere regels voor de meldplicht. In de regeling zijn dus alleen sectorspecifieke drempelwaarden opgenomen. Het bleek niet goed mogelijk om generieke drempelwaarden op te stellen, omdat er te grote verschillen tussen, maar ook binnen de sectoren waren, en er om die reden ook verschil was in de impact op de samenleving.
Een kritieke entiteit meldt op basis van artikel 17, eerste lid, van de Wwke, zonder onnodige vertraging een incident dat de verlening van haar essentiële dienst aanzienlijk verstoort of kan verstoren bij het door de bevoegde autoriteit ingericht meldpunt. Hiertoe wordt één centraal meldloket onder regie van de Minister van JenV ingericht. De kritieke entiteit doet die melding binnen 24 uur nadat zij kennis heeft genomen van dat incident. De termijn voor het doen van de melding start als een kritieke entiteit kennis heeft genomen van een incident waarvan op dat moment redelijkerwijs moet worden aangenomen dat dit heeft gezorgd voor een verstoring van de essentiële dienst die aanzienlijk is of kan worden of de potentie heeft om voor een aanzienlijke verstoring van de essentiële dienst te zorgen.
De regeling bevat regels die betrekking kunnen hebben op decentrale overheden. Het gaat daarbij over de waterschappen, maar ook over andere decentrale overheden, als gemeenten en provincies. Afhankelijk of deze decentrale overheden worden aangewezen als kritieke entiteiten, bevat deze regeling voor decentrale overheden relevante drempelwaarden voor ernstige operationele verstoringen. Over de inhoud van de concepten van deze regeling is overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de decentrale overheden.
Gedurende de totstandkoming van deze regeling is een Uitvoeringstoets Decentrale Overheden (UDO) met beperkte omvang uitgevoerd. Daarbij werd door de decentrale overheden aandacht gevraagd voor de onzekerheid of en welke decentrale overheden zouden worden aangewezen als kritieke entiteiten. De onzekerheid die daarover bij de totstandkoming van deze regeling bestaat, stelt de medeoverheden niet goed in staat een inschatting te maken van de impact. Ook geldt dat daardoor nog niet begroot kan worden voor de kosten die gemaakt moeten worden. De medeoverheden vragen daarbij om getrapte inwerkingtreding, waarbij niet alle maatregelen van de zorgplicht getroffen moeten zijn, binnen tien maanden na inwerkingtreding. In reactie daarop het volgende. Bij de concrete aanwijzing van kritieke entiteiten wordt de impact op de organisatie wel betrokken. Daarbij geldt dat de zorgplicht proportioneel is; de kosten van de uitvoering en de haalbaarheid van de maatregelen mogen daarbij een rol spelen, en worden afgewogen tegen de risico’s als gevolg van een verstoring.
Medeoverheden hebben, bij monde van het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, in hun reacties aangegeven dat zij graag meewerken aan de totstandkoming van een normenkader, voor de objecten die niet informatietechnologie (IT) betreffen. Voor de beveiliging van informatietechnologie is in artikel 5 van de Cyberbeveiligingsregeling IenW een normenkader uitgewerkt. De totstandkoming van zo’n normenkader dat op operationele technologie (OT) en op de fysieke weerbaarheid van objecten ziet is ook een beleidsmatige wens, maar kon niet plaatsvinden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet en daarmee van deze regeling. Wel wordt de handschoen samen met hen opgepakt om dat normenkader te ontwikkelen.
Deze regeling veroorzaakt geen nieuwe regeldruk ten opzichte van de Wwke en het Bwke. De regeldruk voor kritieke entiteiten is verantwoord in de memorie van toelichting bij de Wwke en de nota van toelichting bij het Bwke.
De aanwijzing van aanvullende sectoren, waarbinnen kritieke entiteiten worden aangewezen (artikel 3) zou gevolgen kunnen hebben voor de regeldruk. Deze gevolgen zijn niet significant.
De aanwijzing van de sector keren en beheren leidt ertoe dat binnen die sector beheerders van oppervlaktewaterlichamen kunnen worden aangewezen. Dit betreft decentrale overheden (Rijkswaterstaat en waterschappen). De gevolgen voor deze entiteiten zijn beperkt, en worden niet tot de regeldruk gerekend.
De aanwijzing van de nucleaire sector leidt ertoe dat een aantal ondernemingen aangewezen kan worden als kritieke entiteit. Dit is ook het voornemen. Het gaat om minder dan 10 ondernemingen. Voor deze ondernemingen geldt dat ze als gevolg van deze aanwijzing als kritieke entiteit moeten voldoen aan de eisen die zijn gesteld bij en krachtens de Wwke. Voor de toename in regeldruk zij daarvoor verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wwke5 en de nota van toelichting bij het Bwke. Voor deze ondernemingen geldt dat ze als gevolg van de aanwijzing als kritieke entiteit ook gelden als essentiële entiteit onder de Cbw. De toename in regeldruk op grond daarvan zal naar verwachting gering zijn, omdat de entiteiten in deze sector vóór de aanwijzing als kritieke entiteit ook moeten voldoen aan de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. De verplichtingen uit de Cbw en onderliggende regelgeving zijn daarmee goed te vergelijken.
Het aanwijzen van de sector vervaardiging, productie en distributie van chemische stoffen leidt ertoe dat binnen die sector kritieke entiteiten kunnen worden aangewezen. Deze kritieke entiteiten zijn ondernemingen die als gevolg van de aanwijzing te maken krijgen met structurele en incidentele kosten voor de naleving van de bij en krachtens de Wwke geldende verplichtingen. Voor de toename in regeldruk zij daarvoor verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wwke en de nota van toelichting bij het Bwke6.
Aantal bedrijven
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert aan te sluiten bij de gebruikelijke methodiek. De aanwijzing vindt plaats op basis van een risicobeoordeling die nog niet is afgerond. Definitieve aantallen zijn daarom nog niet te geven. Momenteel wordt verwacht dat tussen de 200 en 400 bedrijven aangewezen zullen worden.
Minder belastende alternatieven
Het ATR heeft over het concept van de regeling geadviseerd. In het advies stelt het adviescollege dat het noodzakelijk is dat een nadere toelichting wordt gegeven op de afgewogen alternatieven, de werkbaarheid van de bepalingen voor de sectoren en entiteiten en dat de regeldrukeffecten kwalitatief en kwantitatief worden uitgewerkt. In deze regeling worden de drempels voor meldplichtige incidenten verder geconcretiseerd.
Het ATR merkt op dat bedrijven extra lasten ervaren als deze te maken krijgen met stapeling van verplichtingen of knelpunten. Het ATR adviseert in de toelichting in te gaan op hoe deze voorkomen worden. Ten aanzien van stapeling van toezicht maken de toezichthouders ten aanzien van entiteiten die in meerdere sectoren vallen in abstracto en in concreto werkafspraken. Onderdeel van die afspraken is dat dubbele toezichtslasten worden voorkomen. Ten aanzien van stapeling van drempelwaarden zij opgemerkt dat deze drempelwaarden zo veel mogelijk geoperationaliseerd zijn voor een specifieke sector en dat deze hoog liggen, in veel gevallen duidelijk hoger dan andere meldplichten voor vergelijkbare incidenten. Onderkend wordt dat dit kan betekenen dat een incident op meerdere plekken, bij meerdere instanties moet worden gemeld.
Het ATR vraagt voorts welke regeldruk toeleveranciers, ketenpartners en onderaannemers van kritieke entiteiten ervaren. Deze partijen hoeven niet rechtstreeks te voldoen aan verplichtingen uit deze regelgeving. Zij ervaren mogelijk gevolgen van deze regelgeving omdat de kritieke entiteiten bepaalde producten of diensten met andere standaarden zullen afnemen.
Voor deze regeling hebben de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) een handhaafbaarheids-, uitvoerings- en fraudebestendigheidstoets (HUF) uitgebracht. Deze beoordelen de regeling als handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig.
ILT
De ILT merkt op dat er samenwerkingsafspraken met andere toezichthouders moeten worden gemaakt, waarbij ook rekening gehouden moet worden met reeds bestaande sector-regelgeving. De ILT merkt op dat de drempelwaarde bij de scheepvaartafwikkeling gerelateerd is aan een gebruikelijke situatie, die lastig kenbaar is voor de toezichthouder. Mede naar aanleiding van deze opmerking is de drempel geherformuleerd. De ILT merkt voorts op dat het wenselijk is om beter zicht te krijgen op de normadressaten in enkele sectoren. Onderkend wordt dat dat wenselijk is. Het ministerie spant zich in om daar beter zicht op te krijgen. Communicatie rond de inwerkingtreding van de wet moet daaraan bijdragen.
ANVS
De ANVS wijst er in haar HUF-toets op dat het toezicht alleen uitvoerbaar is als het begrip essentiële dienst nader wordt gedefinieerd. Naar aanleiding van deze opmerking is in de tabel in artikel 3 een nieuwe kolom toegevoegd, waarin per (sub)sector de essentiële dienst is weergegeven op grond waarvan entiteiten op basis van artikel 7, eerste lid, van de Wwke kunnen worden aangewezen als kritieke entiteit.
Voorts wijst de ANVS erop dat, nu de taken en bevoegdheden van de bevoegde autoriteit die samenhangen met toezicht en handhaving zullen worden gemandateerd aan de ANVS, ook de taken en bevoegdheden van de bevoegde autoriteit die samenhangen met de meldplicht zouden moeten worden gemandateerd aan de ANVS. Hiermee zal rekening worden gehouden in het mandaatbesluit.
Verder vraagt de ANVS om de toezichts- en handhavingsbevoegdheden onder de Wwke en Cbw op dezelfde wijze aan haar toe te kennen als is gebeurd onder de Kernenergiewet. In dat verband verzoekt de ANVS om de rol van bevoegde autoriteit neer te leggen bij de ANVS, in plaats van te kiezen voor een mandaatconstructie. Allereerst zij erop gewezen dat eventuele attributie van taken aan de ANVS nu niet aan de orde is. Daarvoor zou een wijziging nodig zijn van de Wwke en de Cbw. Thans gaat het alleen over de in consultatie gebrachte Regeling weerbaarheid kritieke entiteiten IenW en Cyberbeveiligingsregeling IenW. Maar ook los daarvan is het ongewenst om dit verzoek over te nemen. In de Wwke en de Cbw is voor alle sectoren de minister die het aangaat als bevoegde autoriteit aangewezen. Niet valt in te zien waarom voor de nucleaire sector (die overigens geen in de CER- en NIS-richtlijn en dus evenmin in de Wwke en Cbw genoemde kritieke resp. essentiële of belangrijke sector is) een wettelijke uitzondering zou moeten worden gemaakt. De minister die het aangaat is immers de verantwoordelijke vakminister, aan wie in de Wwke en Cbw ook taken en bevoegdheden worden toegekend die verder reiken dan de aan de ANVS te mandateren taken en bevoegdheden in verband met de meldplicht en met toezicht en handhaving. Denk aan de sectorale risicobeoordeling ex artikel 9 van de Wwke, op grond waarvan kritieke entiteiten kunnen worden aangewezen.
Ook vraagt de ANVS om een toezegging dat de Minister van IenW geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid ex artikel 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht om instructies te geven aan de gemandateerde. Ook dit onderwerp is in verband met de voorliggende ministeriële regelingen niet aan de orde. Maar ook los daarvan zou een dergelijke toezegging ongewenst zijn. De Minister van IenW moet zijn rol als bestuurlijk verantwoordelijke kunnen waarmaken. Het zou onverantwoord zijn als hij op voorhand verklaart dat hij (wat er ook gebeurt) geen gebruik gaat maken van hem in verband met die bestuurlijke verantwoordelijkheid wettelijk toekomende bevoegdheden. Wel zij benadrukt dat buiten kijf staat dat de ANVS haar taken op basis van de Kernenergiewet in onafhankelijkheid uitvoert (zie ook artikel 3, tweede lid, van de Kernenergiewet). Eventuele instructies van de Minister van IenW kunnen dan ook uitsluitend gaan over de taakuitoefening door de ANVS op basis van de Wwke en de Cbw. Gelet op de onafhankelijke positie van de ANVS op grond van de Kernenergiewet en op het feit dat de te handhaven regels op grond van de Kernenergiewet deels overlappen met die op grond van de Wwke en de Cbw, zal, ter vergroting van de transparantie, in het besluit waarmee aan de ANVS mandaat wordt verleend om namens de Minister van IenW taken op grond van de Wwke en de Cbw uit te voeren, worden geregeld dat de Minister van IenW van eventuele instructies mededeling doet in de Staatscourant.
Ten slotte vraagt de ANVS aandacht voor de uitvoeringslasten die gepaard gaan met de bestuurlijke boetebevoegdheid, nu deze bevoegdheid op dit moment geen deel uitmaakt van het handhavingsinstrumentarium van de ANVS. Deze opmerking wordt onderkend. In overleg met de ANVS zal verder in kaart worden gebracht wat de gevolgen van de invoering van deze bevoegdheid voor de uitvoeringslasten zal betekenen.
Een concept van de regeling is geconsulteerd op www.internetconsulatie.nl.
Meerdere partijen hebben in een reactie aangegeven dat de concept-regeling drempelwaarden bevatte die ook bereikt worden onder ‘normale’ omstandigheden. In reactie daarop zijn de drempelwaarden voor de relevante sectoren aangepast.
Meerdere partijen gaven aan dat onduidelijk was welke drempelwaarden voor hen specifiek zouden gelden. In reactie daarop is dat in de formulering van de verschillende drempelwaarden verduidelijkt.
Medeoverheden hebben, bij monde van het Interprovinciaal Overleg (IPO), in de reacties aangegeven dat zij graag meewerken aan de totstandkoming van een normenkader, voor de objecten die niet informatietechnologie (IT) betreffen. Voor de beveiliging van informatietechnologie is in artikel 5 van de Cyberbeveiligingsregeling IenW een normenkader uitgewerkt. De totstandkoming van zo’n normenkader dat op operationele technologie (OT) en op de fysieke weerbaarheid van objecten ziet is ook een beleidsmatige wens, maar kon niet plaatsvinden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet en daarmee van deze regeling.
Ten slotte vragen meerdere partijen om een getrapte inwerkingtreding, waarbij niet alle verplichtingen gelden en maatregelen getroffen moeten zijn binnen tien maanden na de aanwijzing als kritieke entiteit. Daarover het volgende. Bij de concrete aanwijzing van kritieke entiteiten wordt de impact op de organisatie wel betrokken. Daarbij geldt dat bij de zorgplicht proportioneel is; de kosten van de uitvoering en de haalbaarheid van de maatregelen mogen daarbij een rol spelen, en worden afgewogen tegen de risico’s als gevolg van een verstoring.
Deze regeling zal periodiek worden geëvalueerd en waar nodig aangepast of aangevuld. Conform artikel 15, derde lid van het Bwke evalueert de minister die het aangaat ten minste elke vier jaar de doeltreffendheid van de nadere regels van de meldplicht en de effecten daarvan in de praktijk en zal indien nodig aanpassingen doorvoeren.
De regeling is uitsluitend van toepassing op kritieke entiteiten die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zijn aangewezen. De minister kan deze kritieke entiteiten aanwijzen in de sectoren waarvoor hij als bevoegd gezag is aangewezen in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en voor de sectoren die op grond van artikel 7 zijn aangewezen. In deze regeling worden deze sectoren in artikel 3 aangewezen.
In artikel 3 worden de sectoren aangewezen, op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wwke. Deze sectoren voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 7, tweede lid, van de Wwke. Voor de onderbouwing daarvan zij verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 4, eerste lid, bepaalt dat van een aanzienlijke verstoring geen sprake is als het gaat om een geplande dienstonderbreking met geplande gevolgen. Als de gevolgen van een geplande dienstonderbreking anders zijn dan gepland, kan er wel sprake zijn van een aanzienlijke verstoring, als de gevolgen zelf voldoen aan een van de andere artikelen in deze paragraaf.
In het tweede lid wordt geregeld dat de perioden die in deze paragraaf genoemd zijn, telkens aanvangen op het vroegste moment dat de verstoring kan worden opgemerkt.
In artikel 5 worden de drempelwaarden voor aanzienlijke verstoringen in de subsector vervoer door de lucht vastgesteld.
Voor luchthavenbeheerders (onderdeel a) wordt aangesloten bij de hoogste crisisbeheersingsstructuur van de nationale en regionale luchthavens. Op het moment van schrijven zijn de hoogste crisisbeheersingsstructuren: het (gemeentelijk) beleidsteam of de lokale driehoek. Daarbij kan het calamiteitenplan voorzien in samenwerking met de Veiligheidsregio. Door aan te sluiten bij bestaande opschalingsniveaus wordt gebruikgemaakt van reeds bestaande procedures op de luchthavens.
Voor de logistiek dienstverlener van vliegtuigbrandstoffen (onderdeel b) geldt dat een periode van één uur of langer zonder levering van noodzakelijke brandstoffen wordt aangemerkt als een aanzienlijke verstoring. Hierbij is van belang dat het gaat om brandstoffen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de vluchtoperatie; incidentele of beperkte verstoringen zonder operationele impact vallen hierbuiten. De drempelwaarde geldt voor de in Nederland gevestigde logistiek dienstverlener van vliegtuigbrandstoffen waarmee een overeenkomst is gesloten. De dienstverlener meldt ook als de oorzaak van de verstoring zich voordoet bij eventuele onderaannemers.
Voor luchtverkeersleidingsdiensten (onderdeel c) wordt aangesloten bij het reeds bestaande organisatie-specifieke classificatiesysteem voor crises. Indien de hoogste gehanteerde codering van toepassing is, of de codering voor potentiële incidenten, wordt de verstoring als aanzienlijk beschouwd.
Voor luchtvaartmaatschappijen en overige entiteiten (onderdeel d) wordt een kwantitatieve drempelwaarde gehanteerd. Indien de afhandeling van 20% of meer van het geplande aantal vluchten gedurende een aaneengesloten periode van twaalf uur of langer niet of niet veilig kan plaatsvinden, is sprake van een aanzienlijke verstoring. Dit criterium ziet zowel op feitelijke verstoringen als op situaties waarin redelijkerwijs te verwachten is dat deze drempel wordt bereikt. Deze drempelwaarde is van toepassing op luchtverkeer deel uitmakend van het proces vlucht- en vliegtuigafhandeling.
Voor de sector vervoer, subsector vervoer over spoor is bepaald dat voor een aanzienlijke verstoring sprake moet zijn van een stremming van ten minste vier uur bij personenvervoer (onderdeel a). Dit is lijn met de gehanteerde treinincidentscenario-meldingen (TIS-meldingen) die de sector hanteert om incidenten te classificeren. In afstemming met de sector is gebleken dat alle significante verstoringen met deze drempelwaarde zijn gedekt.
In onderdeel b is bepaald dat de drempelwaarde voor goederenvervoer hoger ligt. Een stremming van het spoorgoederenvervoer heeft minder impact, omdat er minder vervoer plaatsvindt en een meldplicht van vier uur daarmee niet proportioneel zou zijn voor bijvoorbeeld de Havenspoorlijn.
Omdat er ook sprake kan zijn van een aanzienlijke verstoring waarvan de oorzaak niet ‘op het spoor’ ligt maar in de bedrijfsvoering van een personen- of goederenvervoerder, is in onderdelen c en d bepaald dat die vervoerders verplicht zijn om verstoringen te melden die de dienstverlening stilleggen met meer dan vier uur voor personenvervoer en twaalf uur voor goederenvervoer. Dit sluit aan bij de tijden genoemd in sub a en b. Bij een verstoring die de dienstverlening van personenvervoer meer dan 4 uur stillegt (onderdeel c), moeten ten minste 100.000 reizigers getroffen worden voordat sprake is van een meldplichtige verstoring. Onder het aantal getroffen reizigers wordt verstaan: het verwachte aantal reizigers dat ten gevolge van het verstoring niet kan reizen per spoor. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van reizigersprognoses voor de uitgevallen treinen, op grond van historische (check-in) gegevens.
Voor de subsector vervoer over water zijn de verschillende stappen in de keten onderscheidend geweest voor de drempelwaarden van een aanzienlijke verstoring. De drempelwaarden gelden voor kritieke entiteiten die aangewezen worden in de subsector vervoer over water, met een op maat gemaakte driedeling in drempelwaarden voor kritieke entiteiten voor wat betreft 1) dienstverlening met betrekking tot toegang tot de haven en nautische dienstverlening, 2) de overslag in de haven en 3) dienstverlening met betrekking tot transport in het maritieme achterland (het hoofdvaarwegennet). Het uitgangspunt van de drempelwaarden is de continuïteit van vervoer over water.
Met dienstverlening met betrekking tot toegang tot de haven en nautische dienstverlening (onderdeel a) wordt bedoeld: alle activiteiten, diensten, middelen en systemen die noodzakelijk zijn om een schip veilig en efficiënt vanaf de vastgestelde buitengrens van het havenaanloop- of Vessel Traffic Service-gebied tot en met het afmeren aan de toegewezen ligplaats in de haven te begeleiden en weer terug.
Met overslag in de haven (onderdeel b) wordt bedoeld: alle activiteiten, diensten, middelen en systemen die in de haven noodzakelijk zijn om goederen en passagiers van een schip veilig en efficiënt over te zetten naar een andere modaliteit, opslagfaciliteit of bewerkingsplaats binnen de haven.
Met dienstverlening met betrekking tot transport in het maritieme achterland (onderdeel c) wordt bedoeld: alle activiteiten, diensten, middelen en systemen die noodzakelijk zijn om goederen veilig, efficiënt en tijdig over het Nederlandse hoofdvaarwegennet te vervoeren.
De wegbeheerders die als kritieke entiteiten zijn aangewezen, hebben drempelwaarden die een onderscheid maken naar het belang van de weg. Als de weg voor een bepaalde periode niet beschikbaar is als gevolg van de verstoring, is de impact daarvan verschillend. Een verstoring is aanzienlijk als onderdelen van het trans-Europeesvervoersnetwerk langer dan twaalf uur niet beschikbaar zijn. Met het niet beschikbaar zijn van de weg wordt bedoeld dat minimaal één volledige rijbaan (of rijrichting) niet beschikbaar is voor het verkeer.
Voor wegen die wel onderdeel zijn van het hoofdweggennet, maar geen deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk, en voor wegen die onderdeel zijn van het onderliggend wegennet geldt een drempelwaarde van vierentwintig uur waarin de weg niet beschikbaar is.
De drempelwaarde, en daarmee de meldplicht, geldt alleen voor verstoringen op de wegen of delen van wegen waarvoor de wegbeheerder als kritieke entiteit is aangewezen. Een verstoring op andere wegdelen is niet meldplichtig.
Voor de sector vervoer, subsector openbaar vervoer, is van een aanzienlijke verstoring sprake als daardoor het personenvervoer gestremd wordt voor een periode van vier uur of langer en daardoor 100.000 reizigers of meer zijn getroffen. Deze drempelwaarde is gelijk aan die van personenvervoer over spoor, als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder c. De drempelwaarde geldt gelijkelijk voor personenvervoer door bus, tram, metro of trein. Onder het aantal getroffen reizigers wordt verstaan: het verwachte aantal reizigers dat ten gevolge van het incident niet kan reizen met de aanbieder. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van reizigersprognoses voor de uitgevallen vervoersmodaliteiten, op grond van historische (check-in) gegevens.
Een verstoring is voor drinkwaterbedrijven aanzienlijk als deze voor 10.000 aansluitingen of meer, voor een aaneengesloten periode van zes uur of meer geen drinkwater kunnen leveren. De impact van een dergelijke verstoring wordt aanzienlijk geacht, omdat veel ondernemingen, overheden, huishoudens en andere organisaties afhankelijk zijn van de levering van drinkwater. Voor de volledigheid zij erop gewezen dat voor een meldplichtige verstoring aan beide voorwaarden moet zijn voldaan: het moet gaan om 10.000 aansluitingen of meer én de verstoring moet zes uur of langer duren. Een verstoring van een uur bij 20.000 aansluitingen, of een verstoring van acht uur bij 1.000 aansluitingen levert geen meldplichtige verstoring op.
Een verstoring heeft voor producenten en leveranciers van gebotteld water aanzienlijke gevolgen als zij gedurende een periode van drie weken geen water kunnen produceren dan wel leveren. Deze drempel is hoog, omdat de impact van een dergelijke verstoring op de maatschappij niet groot wordt geacht. De Nederlandse situatie wijkt namelijk af van die in het buitenland, omdat de leveringszekerheid van drinkwater is geregeld in de Drinkwaterwet. Dat wettelijke regime legt de verantwoordelijkheid bij drinkwaterbedrijven, en is niet afhankelijk van commerciële producenten van gebotteld drinkwater.
Dit artikel bevat de drempelwaarden voor de kritieke entiteiten in de sector afvalwater. De verstoring kan aanleiding zijn voor de veiligheidsregio om op te schalen naar een bepaalde categorie in de gecoördineerde regionale incidentenbestrijdingsprocedure. Vanaf GRIP 3 is er sprake van een meldplichtig incident als deze opschaling veroorzaakt is door een incident in de afvalwaterketen.
Onderdeel b sluit aan bij de calamiteitenbestrijding van waterschappen. Vanaf dreigingsniveau 3 is er sprake van een meldplichtig incident als deze opschaling veroorzaakt is door een incident in de afvalwaterketen.
Onderdeel c bepaalt dat een verstoring aanzienlijk is als een object (bijvoorbeeld een pomp) dat is opgenomen in het actuele overzicht van de kritieke infrastructuur, zes uur of langer niet een of meer essentiële functies kan uitvoeren.
Voor de kritieke entiteiten in de nucleaire sector is grotendeels aangesloten bij de meldplicht die reeds op grond van de kernenergieregelgeving geldt.
Dit artikel bepaalt dat een verstoring in de sector keren en beheren aanzienlijk is als een object (bijvoorbeeld een pomp, een sluis, of een waterkering) dat is opgenomen in het actuele overzicht van de kritieke infrastructuur, vier uur of langer niet een of meer voor het keren en beheren van waterkwantiteit essentiële functies kan uitvoeren. Er is dus geen sprake van een aanzienlijke verstoring als de voor het keren en beheren essentiële functie niet direct in het geding komt. Zo kan een pomp, sluis of waterkering tijdelijk niet beschikbaar zijn terwijl er geen hoogwater is, en er dus geen verlies is van de functie waterkeren.
Objecten kunnen meerdere functies hebben; zo is voor een sluis relevant dat deze een functie heeft in het bewaken van de waterstand, maar ook in het doorlaten van scheepvaartverkeer. Als een sluis die tot de kritieke infrastructuur behoort, niet open kan, is er even goed een probleem als wanneer deze niet dicht kan.
Van een aanzienlijke verstoring in de sector chemie is sprake als de vastgelegde levertijden van diensten door een kritieke entiteit meer dan drie weken overschreden worden. Daarnaast is een incident significant als een andere kritieke entiteit die afhankelijk is van de dienst van een kritieke entiteit uit de sector vervaardiging, productie en distributie van chemische stoffen, voor een periode van zes aaneengesloten uur of langer geen gebruik kan maken van deze dienst. Dit vanwege de belangrijke positie die de sector heeft aan het begin van verschillende kritieke productketens.
In dit artikel staan de drempelwaarden voor de meteorologische dienst die het KNMI verleent. Omdat andere kritieke entiteiten van deze meteorologische gegevens afhankelijk zijn, heeft een verstoring van de dienstverlening van het KNMI snel impact. Zodra het KNMI deze dienst niet meer kan leveren voor een periode van zes uur of langer, is er sprake van een meldplichtige verstoring. Kritieke entiteiten die afhankelijk zijn de meteorologische diensten van het KNMI zijn onder meer de luchthavens en luchtverkeersleiding. Ook is een verstoring aanzienlijk als het KNMI deze op grond van zijn interne calamiteitenregeling moet melden bij het Meldloketpunt van Rijkswaterstaat.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten in werking treedt. Weliswaar bepaalt artikel 48 van deze wet dat de verschillende artikelen of onderdelen daarvan een verschillend moment van inwerkingtreding kunnen hebben, maar de regering is niet voornemens om te voorzien in een gefaseerde inwerkingtreding van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Zie voor de vitaalbeoordeling ook hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting bij de Wwke, Kamerstukken II 2024/25, 36 765, nr. 3, p. 8 en 9.
Zie voor de vitaalbeoordeling ook hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting bij de Wwke, Kamerstukken II 2024/25, 36 765, nr. 3, p. 8 en 9.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24092.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.