Ontwerp-Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Kroonstein

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Besluit:

Artikel 1

Op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet wordt het Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Kroonstein vastgesteld, zoals deze in Bijlage 1 is opgenomen inclusief de daarbij behorende bijlagen.

Artikel 2

Het projectbesluit treedt in werking 4 weken na de dag van bekendmaking.

Aldus besloten op [datum],

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Namens deze

hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Oost-Nederland,

PM

Bijlage 1 Artikel 1

Ontwerp-Projectbesluit KRW IJssel, maatregel Kroonstein

1. Projectbesluit en projectgebied

Het projectbesluit KRW IJssel, maatregel Kroonstein ziet toe op de uitvoering van de KRW-maatregel in de uiterwaard Kroonstein, te weten het realiseren van een meestromende nevengeul over een lengte van 580 meter.

Bijlage I bevat de geometrische informatie van het projectgebied waarop dit projectbesluit betrekking heeft.

1.1 Beschrijving KRW-maatregel

Door de aanleg van de KRW-maatregel zal de ligging, vorm, afmeting en inhoud van de rivier en de uiterwaard (het waterstaatswerk) wijzigen. Van de beschreven maatregel zijn in bijlagen II t/m IV de ontwerptekening en dwarsdoorsneden opgenomen. De onderlinge samenhang van de maatregel in het projectgebied is te zien op de ontwerptekening van bijlage II.

De te realiseren KRW-maatregel ‘meestromende nevengeul’ bestaat uit het aanleggen van een instroomopening. Deze maatregel omvat de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

  • Het uitgraven van een verbindingsgeul van 150 meter;

  • Het verdiepen van de bestaande strang;

  • Het aanleggen van een dam met duiker om het ontstane eiland bereikbaar te houden;

  • Het nemen van erosiebeschermende maatregelen bestaande uit het aanbrengen van stortsteen en erosiebestendige klei;

  • Het plaatsen van een scheepvaartgolfdempende constructie bij de instroomopening;

  • Het realiseren van een maaiveldophoging (oeverwal) met een hoogte van 9,80m+NAP en flauwe taluds om nadelige rivierkundige effecten tegen te gaan. Deze oeverwal krijgt een breedte van minimaal 3,0 meter, zodat deze ook geschikt als onderhoudspad;

  • Het verhogen van de toegangskade die de primaire kering met de oeverwal van Kroonstein verbindt. Deze is onderdeel van de maaiveldverhoging vanwege rivierkundige effecten;

  • Het verflauwen van de bestaande oevers van de strang.

De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in bijlagen II t/m IV weergegeven aanlegtekeningen.

1.2. Maatvoering

In de bijlagen II en III zijn de ontwerptekeningen (eindsituatie) opgenomen op basis waarvan het project wordt uitgevoerd, inclusief de afmetingen. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de maatvoering zoals opgenomen in de bijlagen. Dit is inherent aan de aard van de werkzaamheden voortkomend uit de praktisch en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en inzet van type machines. Dit onder voorwaarde dat de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

2. Maatregel ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen fysieke leefomgeving

Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen.

2.1 Soortenbescherming

Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren. Namelijk:

  • Algemene broedvogels: Voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is worden mitigerende maatregelen getroffen:

    • Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

    • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, worden geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt en gehouden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

  • Vleermuizen: negatieve effecten door verstoring door licht op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied in de directe omgeving worden voorkomen door:

    • Te werken tussen zonsopgang en zonsondergang.

  • Bever: Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de bever door het nemen van mitigerende maatregelen om verstoring te voorkomen. Dergelijke maatregelen dienen uitgewerkt te worden door een ter zake kundige ecoloog in een ecologisch werkprotocol.

  • Otter: Negatieve effecten op verblijfplaatsen van de otter door aantasting dan wel verstoring zijn niet uit te sluiten. In het kader van de zorgplicht dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de otter door het nemen van maatregelen om nadelige effecten door aantasting van verblijfplaatsen en verstoring zo veel mogelijk te voorkomen. Dergelijke maatregelen dienen uitgewerkt te worden door een ter zake kundige ecoloog in een ecologisch werkprotocol.

  • Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort gemaaid en/of gesnoeid. Hierdoor wordt het voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden.

  • De werkzaamheden worden rustig uitgevoerd en in één richting en/of van open water af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden.

  • Bij vorst worden er geen werkzaamheden uitgevoerd in watergangen.

  • Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en toegepast.

2.2 Waterhuishouding en waterveiligheid

Ter bescherming van de waterhuishouding en waterveiligheid worden de volgende maatregelen getroffen:

  • Daar waar hoge stroomsnelheden verwacht worden, worden talud- en bodembeschermingen toegepast om erosie te voorkomen.

  • Grondwatermeetpunt peilbuis Pb L dient te worden behouden tijdens de uitvoering en tot één jaar na realisatie van de maatregel, om zo de grondwatersituatie te kunnen blijven monitoren.

  • Bij de instroom dient een scheepsgolfdempende constructie toegepast te worden, om het effect van scheepsgolven in de geul te dempen.

  • Het ontstane eiland wordt verbonden met het land door een dam met duiker.

2.3 Archeologie en ontplofbare oorlogsresten

Ter bescherming van mogelijk in het projectgebied aanwezige archeologische waarden worden de volgende maatregelen getroffen:

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst archeologische resten’ opgesteld en toegepast.

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst Ontplofbare Oorlogsresten’ opgesteld en toegepast.

3. Tijdelijke maatregelen

Werkterreinen, werkwegen en een laad- / losinrichting

Om het project te kunnen realiseren worden de volgende tijdelijke maatregelen getroffen:

  • overslaglocatie voor het overslaan van materiaal dat per schip wordt aangevoerd naar materieel per as en vice versa;

  • ruimte voor een dagdepot;

  • werkweg voor aan- en afvoer van materiaal en materieel.

De locaties van deze tijdelijke maatregelen zijn weergegeven in bijlage IV.

4. Geïntegreerde omgevingsvergunning

Dit projectbesluit geldt - gelet op het bepaalde in artikel 5.52, tweede lid onder a van de Omgevingswet - als een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, voor zover de uitvoering van de in dit projectbesluit beschreven maatregelen op grond van artikel 6.17, eerste lid onder c en g, artikel 6.29 en artikel 6.58 (van toepassing afhankelijk van de uitvoeringsperiode) van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn.

5. Termijn niet vaststellen omgevingsplan of provinciaal projectbesluit

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot drie jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in een omgevingsplan van de gemeente Doesburg en de provincie Gelderland geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren.

Als het project eerder dan drie jaar na vaststelling van het projectbesluit is gerealiseerd wordt dit namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat door Rijkswaterstaat tegelijkertijd aan gemeente Doesburg en provincie Gelderland schriftelijk meegedeeld.

6. Bijlagen

I Overzicht informatieobjecten

II Maatregel Kroonstein: Ontwerp – Maatregel nevengeul

III Maatregel Kroonstein: Ontwerp – Dwarsprofielen

IV Kaart Tijdelijke maatregelen

Bijlage I Overzicht informatieobjecten

projectgebied

/join/id/regdata/mnre1130/2026/pb_KRW_Kroonstein_projectgebied/nld@2026‑06‑18

Besluit Motivering

1 Inleiding

Dit document bevat de motivering voor het projectbesluit met de bijbehorende bijlagen en een overzicht van de voor het opstellen van de motivering gebruikte achtergronddocumenten. Het document biedt een compleet overzicht van zowel het besluitvormingsproces rondom het project als het project zelf. Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de opgave, een toelichting op het programma en een introductie op de KRW-maatregelen. Hoofdstuk 2 geeft het wettelijk kader weer. Hoofdstuk 3 beschrijft het omgevingsproces. Hoofdstuk 4 behandelt het project, het projectgebied en de te treffen KRW-maatregelen. Hoofdstuk 5 bespreekt de impact op de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de verschillende belangen in het gebied en hoe deze worden beïnvloed en afgewogen. Hoofdstuk 7 behandelt de projectrealisatie. Hoofdstuk 8 behandelt de procedure van het projectbesluit en hoofdstuk 9 biedt een overzicht van de bijlagen die voor het projectbesluit zijn opgesteld en de achtergrondrapporten die voor het projectbesluit zijn opgesteld.

In bijlage 1 is de Ontwerptoelichting Maatregel Kroonstein opgenomen en in bijlage 2 is de eigendomssituatie van de gronden waar de maatregelen worden gerealiseerd weergegeven. Voor de KRW-maatregel is in bijlage 3 de vegetatie-interventiewaardenkaart opgenomen. De documenten benodigd om de impact op de fysieke leefomgeving vast te stellen gelden als achtergronddocument.

1.1. Aanleiding en doel KRW

Schoon oppervlaktewater is van levensbelang voor mensen, dieren en planten. Rijkswaterstaat (hierna: RWS) werkt aan het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit van de Nederlandse rivieren. De maatregelen die RWS hiervoor neemt worden uitgevoerd om te voldoen aan de verplichtingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW).

De KRW stelt dat de EU-landen de doelen moeten halen voor de chemische en ecologische waterkwaliteit van hun oppervlakte- en grondwaterlichamen. Het doel: een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit in heel Europa, wat essentieel is voor zowel de natuur als de mens. De KRW verbiedt (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit van deze waterlichamen. Uiterlijk in 2027 moeten de doelen voor schoon en gezond water zijn gehaald of moeten op zijn minst alle KRW-maatregelen zijn genomen om dit mogelijk te maken. Langs de grote rivieren zijn de afgelopen jaren al diverse KRW maatregelen uitgevoerd.

1.2. Programma KRW-ON

De KRW schrijft voor dat er stroomgebiedbeheerplannen (hierna: SGBP’s) moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen. Voor de Rijn, Maas, Schelde en Eems zijn de eerste SGBP’s opgesteld in 2009; in 2015 en 2022 zijn deze geactualiseerd. De SGBP’s zijn een wettelijke bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In deze SGBP’s is op hoofdlijnen beschreven welke maatregelen de komende zes jaar worden uitgevoerd. RWS, als waterbeheerder van de rijkswateren, is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de KRW voor de rijkswateren, waaronder het Nederlandse stroomgebied van de Rijn.

Binnen het Nederlandse stroomgebied van de Rijn zijn afzonderlijke waterlichamen vastgesteld, waaronder de IJssel, de Bovenrijn/Waal, de Nederrijn/Lek en de Oude Maas.

Een overzichtstekening van de waterlichamen is te vinden in Figuur 1.

De afbeelding toont een kaart van Nederland met daarop verschillende trajecten van waterlichamen die vallen onder de Kaderrichtlijn Water (KRW). De trajecten zijn met gekleurde lijnen aangegeven en worden in de legenda toegelicht. De kaart beslaat het gebied tussen Lobith, Arnhem, Zaltbommel, Zwolle, Schoonhoven en Deventer. De gekleurde lijnen vertegenwoordigen de verschillende deeltrajecten van grote rivieren zoals de Waal, Nederrijn-Lek, IJssel en Zwarte Water. Steden als Arnhem en Zwolle zijn als referentiepunten weergegeven. De legenda geeft per kleur aan welke riviertrajecten en locaties bij elk deeltraject horen.
Figuur 1: Waterlichamen deeltrajecten van KRW Oost-Nederland.

Voor elk waterlichaam zijn ecologische waterkwaliteitsdoelen vastgesteld volgens de doelstellingen van de KRW. Vervolgens zijn maatregelen bepaald waarmee deze KRW-doelen bereikt moeten worden. De maatregelen zijn verdeeld over drie tranches (of planperioden). De eerste tranche (2009-2015) is afgerond en de maatregelen binnen de tweede tranche (2016-2021) zijn deels uitgevoerd. De resterende maatregelen van de tweede tranche voert RWS uit in samenhang met de maatregelen van de derde tranche (2022-2027). Om in deze laatste uitvoeringsperiode te komen tot realisatie van de KRW-maatregelen langs de IJssel, Waal, Nederrijn en Lek is het Programma Kaderrichtlijn Water Oost Nederland (hierna: KRW ON) opgesteld. Tot het Programma behoren ongeveer 50 maatregelen. Deze maatregelen zijn onderverdeeld in verschillende projecten. Het project Kroonstein is daar één van.

Voorbeelden van te nemen maatregelen zijn:

  • herstel van verbindingen om vissen ruim baan te geven;

  • verbeteren van geleidelijke overgangen tussen water en land en tussen zoet en zout water;

  • een betere uitwisseling tussen de hoofdstroom van de rivier en geulen in de uiterwaarden.

Door herinrichting van oevers, uiterwaarden en beekmondingen kunnen verdwenen leefgebieden van waterplanten en dieren in en langs de IJssel, de Waal, de Nederrijn en de Lek weer zoveel mogelijk worden teruggebracht.

Voor de uitvoering van deze KRW-maatregelen worden op grond van de Omgevingswet (ontwerp-) projectbesluiten opgesteld dan wel omgevingsvergunningen voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk aangevraagd. Elk besluit omvat één of meer KRW-maatregelen. Maatregelen in eenzelfde uiterwaard zijn zoveel mogelijk in hetzelfde besluit of dezelfde vergunningaanvraag opgenomen.

1.3. Maatregel voor KRW IJssel, Kroonstein

De uiterwaard Kroonstein bevindt zich in het deelgebied IJssel, op Figuur 1 aangegeven als ‘R7 IJssel: IJsselkop-Deventer’. De ecologische kwaliteit van het waterlichaam IJssel en de manier waarop wordt beoogd deze kwaliteit te verbeteren, worden hieronder beschreven.

1.3.1 Ecologische toestand IJssel

Voor de IJssel zijn biologische kwaliteitsdoelen gesteld voor vis, macrofauna en overige waterflora. Uit de KRW-factsheet IJssel (van september 2025) blijkt dat de KRW-doelen voor de IJssel nog niet zijn bereikt. De KRW factsheets zijn online raadpleegbaar via www.waterkwaliteitsportaal.nl. In de KRW factsheet is de Ecologische Kwaliteitsratio (hierna: EKR) voor het waterlichaam IJssel opgenomen. Voor de EKR worden verschillende meetwaarden gecombineerd tot één getal en met een norm vergeleken. Hieronder is de EKR in de categorie biologie opgenomen met een weergave van de huidige toestand en het 'goed ecologisch potentieel' (hierna: GEP) van de IJssel, zie Tabel 1. Deze tabel is overgenomen uit de KRW-factsheet IJssel. Het GEP betreft het minimaal te behalen doel voor dat element. Uit de tabel volgt dat het leefgebied van macrofauna (of ongewervelde waterdieren) en vissen ontoereikend en voor overige waterflora matig scoort.

Een tabel met een de Ecologische Kwaliteitsratio voor Biologie  van de IJssel. Er wordt gekeken naar Macrofauna, Overige waterflora, Vis en Fytoplankton. Voor 2009, 2015, 2021 en 2025 is de toestand vergeleken. Scores worden aangegeven per jaar en zijn met kleuren aangeduid: groen betekent goed, geel is matig, oranje is onvoldoende. De kolom 'Doelbereik 2027' geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat het KRW-doel in 2027 wordt gehaald, wat bij alle groepen als 'Redelijk zeker' wordt aangegeven. In 2025 is Macrofauna en Vis ontoereikend. Overige waterflora is matig , en Fytoplankton is niet van toepassing.
Tabel 1: EKR-scores per jaar voor de IJssel Legenda: groen = goed, geel = matig, oranje = ontoereikend en rood = slecht
1.3.2 Maatregel Kroonstein

Voor de periode 2022-2027 dienen er in het KRW-waterlichaam IJssel nog 17,915 kilometer aan nevengeulen gerealiseerd te worden. Dit is opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan Rijn 2022 - 2027. De voornoemde factsheet is een nadere uitwerking van dit SGBP. Binnen KRW-ON zijn voor de uitvoering van deze opgave meerdere projecten in uitwerking, waaronder het project Kroonstein.

In de KRW-leidraad Oost-Nederland zijn de gidssoorten voor het riviertype R7 (IJssel, Nederrijn-Lek, Waal) en R8 (Oude Maas) benoemd, zie Tabel 2. Deze gidssoorten zijn representatief voor een soortgroep die op het riviertraject voor hoort te komen. De eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied zijn als leidraad genomen voor het ontwerp van KRW-maatregelen.

De tabel toont een overzicht van KRW-gidssoorten voor de rivieren IJssel, Nederrijn-Lek en Waal (R7) en Oude Maas (R8). De soorten zijn ingedeeld in drie groepen: water- en oeverplanten, macro-invertebraten (macrofauna), en vissen. Per soort wordt aangegeven in welke riviersegmenten (R7, R8) ze voorkomen. De tabel is gebaseerd op de Leidraad KRW ON van Marijs et al. (2020).
Tabel 2: KRW-gidssoorten voor IJssel, Nederrijn-Lek en Waal (R7) en Oude Maas (R8) (Leidraad KRW ON, Marijs et al. 2020)

Leefgebieden van deze soorten zijn:

  • Ondiep, stromend water – één van de belangrijkste rivierleefgebieden voor veel (stroomminnende) riviersoorten. In tegenstelling tot de hoofdgeul is dit water ondiep (<3m) en beschut tegen scheepsgolven. Dit type leefgebied wordt gecreëerd door de aanleg van nevengeulen of natuurvriendelijke oever.

  • Water verbonden met de rivier – dit water is éénzijdig verbonden met de rivier, er is geen of nauwelijks stroming. Hier kunnen waterplanten ontstaan en komen vissen en macrofauna voor die in, op en tussen de water- en oeverplanten leven. Peilfluctuaties zijn beperkt en doorzicht tot de bodem is essentieel om waterplanten te laten ontwikkelen. Dit leefgebied ontstaat met de KRW maatregel ‘strang’ voor de R7-typen.

  • Geïsoleerde plas met kwel – poelen en plassen die vrij zijn van overstroming en verstoring staan juist niet in verbinding met de rivier, maar bieden wel ruimte aan doelsoorten van het rivierengebied. De plassen zijn rijk begroeid. Waar gewenst kunnen deze plassen in de KRW systematiek opgevoerd worden als natuurvriendelijke oevers.

  • Overstromingsvlakte – dit zijn gebieden die bij hoge waterstanden meestromen met de rivier en vervolgens een tijdje onder water staan. Deze gebieden dienen in het voorjaar als paai- en opgroeigebied voor vis. De KRW-maatregel uiterwaardverlaging biedt ruimte voor dit leefgebied.

  • Beekmonding – beekmondingen zijn de schakel tussen de rivieren en regionale watersystemen en vormen belangrijke knooppunten in de uitwisseling van soorten. Het water in de beekmondingen is over het algemeen van een andere kwaliteit dan van de rivier. Daarom heeft het de voorkeur dit water zo lang mogelijk gescheiden te houden.

Per uiterwaard is beschouwd welk van deze leefgebieden/maatregelen wenselijk en ruimtelijk inpasbaar zijn.

Om invulling te geven aan de doelen van de KRW voor de IJssel wordt voor het project Kroonstein over een lengte van 580 meter een meestromende nevengeul gerealiseerd. In Figuur 2 is de locatie weergegeven waar deze maatregel gerealiseerd zal worden en waar dit projectbesluit betrekking op heeft. De voorgenomen maatregel binnen Kroonstein is:

  • het realiseren van een meestromende nevengeul. Dit wordt mogelijk gemaakt door een bestaande strang van 430 meter te verlengen en te verbinden met de IJssel.

In hoofdstuk 4 worden de voorgenomen maatregelen nader toegelicht.

De kaart toont een rivier die door het midden van het beeld stroomt, met een langgerekte landtong in de rivier. Ten zuiden van de landtong en over de aansluiting van de landtong links op de kaart loopt een paarse lijn. De omliggende gebieden zijn benoemd als “Wemmersweerd” en “Looierweerd”. Wegen, gebouwen en andere landschapselementen zijn ook aangegeven op de kaart.
Figuur 2: Locatie Kroonstein met de KRW-maatregel meestromende nevengeul (de paarse lijn).

2. Wettelijk kader

2.1. Vaststelling projectbesluit

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de Minister) stelt op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (hierna: Ow), het projectbesluit vast. Het projectbesluit is een instrument van de Minister voor het toestaan van projecten in de fysieke leefomgeving met een nationaal belang. Met het realiseren van een KRW-maatregel locatie Kroonstein is een nationaal en zelfs Europees belang gemoeid. Het projectbesluit is daarom voor de realisatie van deze maatregel te beschouwen als een doeltreffend en doelmatig instrument waarvan de minister gebruik kan maken.

Volgens artikel 5.44, lid 1, Ow stelt de Minister een projectbesluit vast in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze overeenstemming is voor dit project echter niet vereist, omdat het gaat om een project gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit (zoals volgt uit artikel 5.44, lid 2, Ow in samenhang met 10.3, aanhef, onder b, van de Omgevingsregeling).

Relatie tot het omgevingsplan

Volgens artikel 5.52 Ow wijzigt het projectbesluit het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Bij de inwerkingtreding van de Ow hebben (veel) gemeenten echter nog geen omgevingsplan vastgesteld volgens de regels van de Ow. In het overgangsrecht van de Ow is daarom opgenomen dat een tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaat. Dit tijdelijke deel bestaat onder meer uit de bestemmingsplannen die golden direct voor de inwerkingtreding van de Ow. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan in lijn met de Ow om te zetten naar een nieuw deel. Tijdens deze overgangsfase hoeft het projectbesluit niet tevens het omgevingsplan te wijzigen als dit vanwege strijdigheid van het projectbesluit met dat plan nodig mocht zijn. Dit volgt uit artikel 22.16, lid 1, eerste zin Ow. Voor zover het projectbesluit in strijd is met een omgevingsplan, geldt het projectbesluit op grond van artikel 22.16, lid 1, Ow van rechtswege (automatisch) als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA).

Voor de realisatie van de maatregel in de uiterwaard Kroonstein is het niet nodig om het omgevingsplan te wijzigen, aangezien de realisatie van de maatregel niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan.

Instructieregels

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels die voor een gemeente gelden bij het vaststellen van een omgevingsplan, beoordelingsregels die voor het bevoegd gezag aangeven waaraan een ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden getoetst en regels voor monitoring.

Artikel 9.1, tweede lid Bkl geeft aan welke instructieregels - die voor de gemeente gelden bij het vaststellen van een omgevingsplan - ook van toepassing zijn als de minister een projectbesluit vaststelt. Als de minister een projectbesluit vaststelt kunnen daarnaast ook nog instructieregels gelden die gaan over werelderfgoederen (artikel 9.2 Bkl) en Natuurnetwerk Nederland (artikel 9.3 Bkl). Voor dit projectbesluit is het bij de afwezigheid van strijdigheid met de regels uit het omgevingsplan enkel relevant om te toetsen aan de instructieregel over het Natuurnetwerk Nederland. Deze beoordeling vindt plaats in hoofdstuk 5.

2.2. Mer-beoordeling

Voorafgaand aan het vaststellen van het projectbesluit moet worden beoordeeld of het de uitvoering van een project betreft waarvoor een milieueffectrapport (MER) of een mer-beoordeling moet worden gemaakt. De activiteiten waarin het projectbesluit voorziet zijn als project volgens bijlage V van het Omgevingsbesluit niet MER- of mer-beoordelingsplichtig. De KRW-maatregel Kroonstein valt onder geen enkele categorie benoemd in bijlage V van het omgevingsbesluit, waarmee het project niet MER of mer beoordelingsplichtig is.

3. Omgevingsproces

In het proces om te komen tot het projectbesluit zijn belanghebbenden intensief betrokken. Via verschillende kanalen is mondeling en schriftelijk aandacht besteed aan het tijdig en doelmatig verstrekken en verkrijgen van informatie van belanghebbenden.

3.1. Kennisgeving voornemen en participatie

Volgens de Ow start de projectprocedure om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. De kennisgeving voornemen volgt uit artikel 5.47, eerste lid van de Ow. De kennisgeving participatie volgt uit artikel 5.47, vierde lid van de Ow.

De kennisgeving voor de maatregel Kroonstein ging over een voorgestelde oplossingsrichting. Met deze kennisgeving werd iedereen geïnformeerd en uitgenodigd mee te denken over de verkenning van oplossingsrichtingen.

De kennisgeving voornemen en participatie voor de maatregel Kroonstein is gepubliceerd op 6 maart 2024 in de Staatscourant (nr. 7247) en te raadplegen via officielebekendmakingen.nl. Naar aanleiding van deze kennisgeving zijn geen reacties binnengekomen.

Zoals in de kennisgeving is aangegeven, wordt voor dit project geen voorkeursbeslissing genomen als bedoeld in artikel 5.49 van de Ow.

3.2. Participatieproces

In het proces om te komen tot het projectbesluit zijn belanghebbenden intensief betrokken. Via verschillende kanalen is mondeling en schriftelijk aandacht besteed aan het tijdig en doelmatig verstrekken en verkrijgen van informatie van belanghebbenden.

Het participatietraject voor de maatregel Kroonstein is gestart met het opstellen van een stakeholder analyse bij de start van de planuitwerking van de KRW-maatregel langs de IJssel. Hierin is bepaald wie de belanghebbenden zijn, welke belangen er spelen, hoeveel invloed zij hebben en hoe de verschillende belanghebbenden kunnen worden betrokken. Na de start van en gedurende de planuitwerking zijn persoonlijke gesprekken gevoerd met de grondeigenaar, de visverenigingen, enkele omwonenden, gemeente Doesburg, de provincie Gelderland en waterschap Rijn en IJssel. Tijdens deze gesprekken zijn het programma Kaderrichtlijn Water Oost-Nederland en de betreffende KRW-maatregel toegelicht. Vragen en belangen zijn daarnaast actief opgehaald door stakeholders te vragen naar hun mening en beeld over de KRW-maatregel en ideeën in te brengen. De gesprekken zijn vastgelegd in verslagen.

Naast de opgave van RWS voor het uitwerken van KRW-maatregel in de uiterwaard Kroonstein heeft de provincie Gelderland een Natura 2000-opgave om natuurdoelen te realiseren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor aanvang van het ontwerpproces hebben RWS en de provincie afgesproken om beide doelen in één plan uit te werken. Dit is uitgewerkt in het eerste schetsontwerp. Voor de provincie ontbraken vervolgens de middelen voor verdere uitwerking en eventuele realisatie van de beoogde natuurmaatregelen. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het schetsontwerp en vervolgens het vergunningenontwerp, waarin uitsluitend de KRW-maatregel verder is uitgewerkt. Hierdoor was er tevens geen sprake meer van meerdere varianten om te overwegen.

Tijdens het ontwerpproces zijn in de ontwerpsessies belanghebbenden zoals de grondeigenaar, de gemeente Doesburg, de provincie Gelderland, waterschap Rijn en IJssel, lokale belangenverenigingen waaronder Hengelsportfederatie Midden-Nederland en Hengelsportvereniging Doesburg en belangstellenden uitgenodigd om mee te denken over het ontwerp. Na het opstellen van het schetsontwerp is een informatiebord geplaatst dat geruime tijd nabij het projectgebied heeft gestaan om het programma Kaderrichtlijn Water Oost-Nederland en de betreffende KRW-maatregel toe te lichten en belanghebbenden de mogelijkheid te geven om te reageren hoe zij aankijken tegen de voorgestelde maatregel. Hierna is een tweede ronde gesprekken gevoerd om wensen te valideren en is een tweede ontwerpsessie gestart met als resultaat een definitief ontwerp. Deze validatie leidde niet tot een vervolgactie (nader onderzoek) of tot een wijziging in het ontwerp. Meer informatie over de opgehaalde input en de verschillende belangenafwegingen is opgenomen in de volgende paragraaf belangenafweging.

Informatiekanalen

De (bredere) omgeving is en wordt verder geïnformeerd via diverse media, zoals:

  • Projectinformatie op www.samenwerkenaanriviernatuur.nl;

  • Persberichten.

3.3. Wensen belanghebbenden

De noodzaak voor de KRW-maatregel raakt per definitie andere belangen. In het omgevings- en participatieproces worden deze belangen opgehaald en verkend, in contact met de verschillende belanghebbenden (zie hierboven). In het proces met de belanghebbenden worden wensen voor het ontwerp opgehaald. De ingebrachte wensen en aandachtspunten worden beoordeeld via een honoreringsproces. Het uitgangspunt is recht te doen aan de verschillende belangen door dit zo goed mogelijk in het ontwerp te verwerken. Als dit niet mogelijk blijkt, kan RWS onderbouwd de afweging maken het (nationale) KRW-belang voorrang te geven boven particuliere en/of lokale belangen. Een aantal wensen zijn opgenomen in het ontwerp (gehonoreerd), voor een aantal was dat om verschillende redenen niet mogelijk. Aan de belanghebbenden is gecommuniceerd of en hoe aan hun wensen gehoor is gegeven.

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de voornaamste wensen die wel en niet gehonoreerd zijn.

3.3.1 Gehonoreerde wensen

Door de inbreng van belanghebbenden is het vergunningenontwerp op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van het schetsontwerp:

  • Het waterschap heeft aangegeven dat er geen erosie van de oostelijke oever mag plaatsvinden. Daar waar hoge stroomsnelheden verwacht worden zijn talud- en bodembeschermingen toegepast om erosie te voorkomen. Vervolgens is er met een flauw talud aangesloten op de bestaande situatie.

  • Om de rivierkundige effecten te mitigeren is een oeverwal nodig. Deze loopt vanaf de primaire waterkering van het waterschap parallel langs de IJssel in noordelijke richting. De aansluiting van de oeverwal aan de waterkering is op het verzoek van het waterschap aangepast ten opzichte van het eerdere schetsontwerp. Deze oeverwal krijgt een breedte van minimaal 3,0 meter, zodat deze ook geschikt is als onderhoudspad.

3.3.2 Wensen die niet gehonoreerd zijn

De volgende wensen van belanghebbenden hebben geen plek gekregen in het ontwerp:

  • Er is vanuit de omgeving een verzoek gekomen om een ijsvogel-broedwand aan te leggen. Vanwege financiële gevolgen hiervan voor de indiener van deze wens is de aanleg van de broedwand niet doorgegaan.

  • Vanuit de omgeving kwam de oproep om de Amerikaanse rivierkreeft weg te halen om de diversiteit te bevorderen. Het verwijderen van de Amerikaanse rivierkreeft heeft zeker aandacht maar zal voor deze maatregel in Kroonstein niet anders uitgevoerd worden dan op de overige locaties.

4. Inhoud projectbesluit

4.1. Het projectgebied

Het projectgebied is het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft. Onder het projectgebied vallen de volgende onderdelen:

  • Het gebied waarbinnen de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van de KRW-maatregel zal plaatsvinden. De maatregel zelf is opgenomen in Bijlage 1, artikel 1 van het projectbesluit, hoofdstuk 1. Door de aanleg van de KRW-maatregel zal de vorm, afmeting en constructie van de rivier en de uiterwaard (het zogeheten waterstaatswerk) wijzigen. Het projectgebied omvat het gewijzigde waterstaatswerk in beheer van het Rijk en een particuliere eigenaar. Onderdelen van het waterstaatswerk zijn bijvoorbeeld:

    • Vlak van vrije ruimte: dat is het gebied waarbinnen de rivierdynamiek de ruimte heeft om via erosie en sedimentatie invloed uit te oefenen op de vormgeving van de oevers van het waterstaatswerk.

    • Beheerstroken: dat is het gebied dat aansluit op het waterstaatswerk en nodig is voor het kunnen uitvoeren van beheer en onderhoud.

    • Kunstwerken of objecten zoals steenbestorting, kribwortels en in- en uitlaatwerken.

  • Na het onherroepelijk worden van het projectbesluit zal het gewijzigde waterstaatswerk met haar ligging, vorm, afmeting en constructie opgenomen worden in de legger rijkswaterstaatswerken. RWS zal als beheerder vervolgens op basis van deze legger het beheer en onderhoud uitvoeren. Zie ook paragraaf 7.3.

  • De tijdelijke dan wel permanente maatregel(en) ter voorkoming, beperking of compensatie van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Zie voor een beschrijving van deze maatregelen het Regelingendeel, hoofdstuk 2.

  • Het gebied dat in de tijdelijke situatie nodig is om de realisatie van de KRW-maatregel mogelijk te maken (uitvoering). Hieronder vallen bijvoorbeeld werkterreinen, werkwegen en/of overslaglocaties. Zie voor een beschrijving van deze maatregelen het Regelingendeel, hoofdstuk 3 en paragraaf 7.2 van deze motivering voor de toelichting op de tijdelijke maatregelen.

4.2. Beschrijving project KRW IJssel, maatregel Kroonstein

4.2.1. Huidige situatie

De uiterwaard Kroonstein bevindt zich binnen de gemeente Doesburg en ligt aan de rechteroever van de IJssel. Aan de noordkant wordt de uiterwaard door een ruime meander van de rivier begrensd. Door deze meander beslaat de uiterwaard slechts een kleine oppervlakte. Dit gedeelte van de IJssel kenmerkt zich door het meanderende karakter. Tegenwoordig kunnen deze meanders zich, deels door het normaliseren van de rivier, niet meer vrij verleggen.

De voorziene nevengeul ligt tussen rivierkilometer 900,9 en 901,4. Het maaiveld in de uiterwaard varieert tussen 8 en 10 m + NAP. De winterdijk ligt op een hoogte tussen 12,0 en 12,6 m + NAP. Aan de zuidkant van het gebied ligt een waterkering met daarachter een woonwijk. Het oostelijke gedeelte grenst aan het stedelijk gebied van Doesburg.

Aan de zuidkant van de uiterwaard ligt de winterdijk met daarop een recreatief voetpad waar vandaan de uiterwaard en de IJssel goed zichtbaar zijn. Ten noordoosten stroomt de Oude IJssel uit in de IJssel. Op dit punt bevinden zich een brug, sluis, vispassage en een jachthaven. Voor scheepvaart vormt dit ook de verbinding tussen de twee vaarroutes: de IJssel en de Oude IJssel.

In de huidige situatie zijn de percelen in de uiterwaard Kroonstein in gebruik als agrarisch grasland, strang en natuur. De graspercelen worden gebruikt als hooiland voor de melkveehouderij.

Het gebied is onderdeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken. De oevers langs de geul zijn onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Het gebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van soorten die matig droogteresistent en/of matig vochtminnend zijn. De vegetatie in het gebied bestaat voor een groot deel uit gras- en akkerland (productiegrasland), afgewisseld met natuurlijk grasland, bos en riet en overige helofyten.

De IJssel, de strang en een klein deel van het schiereiland zijn in eigendom van de Staat. De rest van de uiterwaard ter plaatse van de maatregel is in eigendom van een particuliere eigenaar (agrariër). De percelen grenzend aan de zuidzijde zijn in eigendom van een stichting en gemeente Doesburg.

4.2.2. Toekomstige situatie

Om de ecologische kwaliteit van de IJssel te verbeteren en een bijdrage te leveren aan de KRW-opgave is binnen de uiterwaard Kroonstein de inrichtingsmaatregel tweezijdige meestromende nevengeul uitgewerkt. De maatregel wordt hierna meestromende nevengeul genoemd en verder toegelicht (zie Figuur 3).

Luchtfoto van een landschappelijk gebied met landbouwpercelen, een woonwijk en een industriezone langs een waterloop. Over de afbeelding zijn projectcontouren en lijnen weergegeven die de indeling van een meestromende nevengeul aanduiden, inclusief zones voor werkzaamheden en mogelijke tracés nabij een brug en kruising.
Figuur 3: Aanduiding indeling meestromende nevengeul. Een hoge resolutietekening van de maatregel is opgenomen als separate bijlage II bij het Regelingendeel van dit projectbesluit.

Meestromende nevengeul

Het doel van het realiseren van de meestromende nevengeul is het creëren van het leefgebied ‘stromend water verbonden met de rivier’, zonder scheepvaarteffecten. Dit leefgebied biedt ruimte aan hoofdzakelijk de rheofiele (stroomminnende) soorten in de IJssel. De meestromende geul dient leefomstandigheden en bij voorkeur voorplantingshabitat te creëren voor de volgende gidssoorten: barbeel, serpeling, sneep, rivierprik, winde, slijkgroen, Bataafse stroommossel, kokerjuffer, schoraas, rivierrombout en zandslurfje.

In de uiterwaard Kroonstein wordt een meestromende nevengeul met een lengte van in totaal 580 meter gerealiseerd. Er wordt een nieuwe geul gegraven van circa 150 meter. De bestaande strang (430 meter) wordt hiermee aan twee zijden verbonden met de IJssel. Ook wordt de bestaande strang lokaal verdiept en worden de oevers verflauwd. De meestromende nevengeul in de uiterwaard Kroonstein volgt de voormalige ligging van de IJssel. De bestaande strang, ook wel het Broekhuizerwater genoemd, staat in verbinding met de IJssel aan de benedenstroomse zijde. Het Broekhuizerwater wordt straks ook bovenstrooms aangetakt op de IJssel. De geul wordt aangelegd tot op het punt waar de bestaande strang voldoende diep is.

Bij de instroom wordt een drempel gerealiseerd op OLR-niveau (Overeengekomen Laagste Rivierwaterstand) om onttrekking van water uit de rivier bij lage waterstanden tegen te gaan. Zodra de waterstand in de IJssel onder dit niveau komt, zal er geen water meer in de geul stromen, maar blijft het water in de IJssel ‘behouden’ voor de scheepvaart. Gedurende 19 dagen per jaar is de waterstand gelijk aan of lager dan de instroomdrempel die ligt op OLR, 4,70 m +NAP. Het zo ontstane leefgebied biedt ruimte aan hoofdzakelijk de rheofiele (stroomminnende) soorten in de IJssel.

De nieuwe meestromende nevengeul bestaat uit een open waterzone en oevervegetatie. De geul heeft gevarieerde taluds afhankelijk van de situering boven en onder water en van de beschikbare ruimte. De instroomopening en duikers worden voorzien van stortsteen om erosie en verplaatsing tegen te gaan. Ook wordt bij de instroomopening een palenrij toegepast als scheepvaartgolfdempende maatregel. Bij locaties van de geul die niet mogen eroderen of verplaatsen wordt erosiebestendige klei toegepast.

De nevengeul krijgt een open verbinding met de IJssel, doordat de bestaande strang ook bovenstrooms wordt aangesloten op de IJssel. De dam met duiker maakt het eiland bereikbaar. De uiterwaard Kroonstein heeft overwegend een agrarische functie. Op de locaties die benodigd zijn voor de KRW-maatregel (nevengeul inclusief dam met duiker) zal het huidige agrarisch gebruik niet meer mogelijk zijn. Omdat de oeverwal wordt aangelegd met flauwe taluds, is agrarisch gebruik van het overige deel van het eiland nog wel mogelijk.

Bij het ontwerp is gekeken naar het landschap. Zo is er geen aantasting van archeologische of cultuurhistorische waarden en hoeft er relatief weinig grond te worden verplaatst. Alleen op de plek van de nevengeul inclusief dam met duiker verandert het gebruik: daar is landbouw straks niet meer mogelijk.

De ontwerpdoelstellingen van de maatregel is na te lezen in het volgende rapport:

  • rapport: VO-Ontwerp Natte waterbouw en Constructies Kroonstein, GROW, 2025.

5. Het project en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

5.1. Inleiding

De effecten op de fysieke leefomgeving voor zowel de uitvoerings- als gebruiksfase worden in dit hoofdstuk voor diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en/of afgewogen. In algemene zin geldt dat het project bijdraagt aan het beschermen en verbeteren van een aantal van de volgende (algemene) doelen van de Omgevingswet, die zijn gericht op het in onderlinge samenhang:

  • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarden van de natuur, en;

  • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.

Daarnaast voldoet het project aan het Bkl. Zoals toegelicht (in paragraaf 2.1) bevat het Bkl instructieregels over de fysieke leefomgeving die bij het vaststellen van het projectbesluit van toepassing zijn en beogen bepaalde belangen te borgen en te beschermen. Dit wordt in dit hoofdstuk - voor zover nodig - nader toegelicht.

5.2. Natuur

5.2.1 Omgevingswet

Onder de Omgevingswet maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Bij het toetsingskader voor natuur zijn de regels over gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland), die over soortenbescherming en die over houtopstanden relevant.

De KRW-maatregel Kroonstein is te beschouwen als beheermaatregel voor het Natura 2000-gebied Rijntakken, omdat de maatregel een bijdrage levert aan de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Voor andere Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het projectgebied is een voortoets stikstofdepositie (of andere effecttypen) uitgevoerd, waarvan de conclusie is dat significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Dit betekent dat het uitvoeren van de maatregel niet is aan te merken als een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit betekent op grond van de Omgevingswet ook dat voor de maatregel geen omgevingsvergunning nodig is voor een flora- en fauna-activiteit. De noodzakelijke maatregelen in het kader van beschermde soorten worden in een ecologisch werkprotocol opgenomen.

Voorgaande is nader uitgewerkt en toegelicht in de volgende rapportages:

  • rapport: Rapportage Natura 2000-gebied – Kroonstein, GROW, 2026;

  • rapport: Rapportage Soortenbescherming Deelgebied Kroonstein, GROW, 2026;

  • rapport: Rapportage Natura 2000 en stikstofdepositie - Kroonstein;

  • memo: Memo Provinciaal beschermde gebieden – Kroonstein, GROW, 2025.

Deze rapportages vormen achtergronddocumenten bij dit projectbesluit. Hieronder volgt een samenvatting van de conclusies van deze rapportages ter motivering van de uitvoerbaarheid van het onderhavige projectbesluit wat betreft natuur.

5.2.2 Gebiedsbescherming

De KRW-maatregel in Kroonstein levert indirect een ecologische stapsteenfunctie richting omliggende Habitatrichtlijngebieden, onder meer voor slikkige oevers (H3270), beken en rivieren met waterplanten (H3260B), stroomdalgraslanden (H6120) en verschillende Habitatrichtlijnsoorten zoals trekvissen, meervleermuis, bever en otter.

De maatregel vergroot en verbetert het leefgebied voor diverse Vogelrichtlijnsoorten (broed- én niet-broedvogels), waaronder viseters als ijsvogel, aalscholver, fuut en nonnetje, moerasbroeders als blauwborst en dodaars, en foeragerende eenden en steltlopers, door extra ondiepe, dynamische en voedselrijke oever- en waterzones te creëren.

Negatieve effecten binnen Rijntakken zijn beperkt tot klein verlies van agrarisch grasland bij de instroomopening en tijdelijke verstoring (mechanische effecten, geluid, licht, vertroebeling) tijdens de aanleg; door de lokale omvang, de tijdelijke duur en de aanwezige alternatieve leefgebieden in de omgeving wordt geen meetbare afname van draagkracht voor habitattypen of soorten verwacht. De AERIUS-berekening laat zien dat de stikstofbijdrage van de werkzaamheden maximaal 0,01 mol N/ha/jr bedraagt op enkele stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Veluwe, en dat deze bijdrage klein, tijdelijk (enkele maanden) en ecologisch verwaarloosbaar is ten opzichte van achtergronddepositie en kritische depositiewaarden; voor de beoordeelde habitattypen en vogelsoorten (waaronder H9120 beuken-eikenbossen met hulst, wespendief, draaihals, zwarte specht, boomleeuwerik en tapuit) worden significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen uitgesloten.

Voor de provinciale beschermde gebieden is vastgesteld dat de maatregel gedeeltelijk plaatsvindt binnen de beheertypen N02.01 Rivier en N14.01 Rivier‑ en beekbegeleidend bos van het Gelders Natuurnetwerk, en dat er sprake is van een geringe afname van N02.01 door oeveraanpassing, maar een toename en kwaliteitsverbetering van N14.01 door meer ondiep, dynamisch en natuurlijk ingericht riviergeul‑ en oeverhabitat. Omdat de inrichting leidt tot verbeterde riviergebonden natuurwaarden en ecologische samenhang, en omdat binnen de Gelderse werkwijze is afgesproken dat KRW‑maatregelen zonder compensatie mogen leiden tot omvorming naar een hogerwaardig of natter beheertype, wordt de maatregel als kwaliteitsverbetering binnen het GNN beoordeeld.

In het aangewezen ganzenrustgebied rond Kroonstein bedraagt de permanente afname van grasland door de geul slechts circa 1.600 m² ten opzichte van ruim 900 ha ganzenrustgebied; daarmee wordt geconcludeerd dat de functie van het gebied als rust‑ en foerageergebied voor overwinterende ganzen behouden blijft.

Herinrichting van Kroonstein leidt niet tot negatieve effecten op kernkwaliteiten van GNN of overige (provinciaal) beschermde gebieden. Aanvullende toetsing of maatregelen zijn niet vereist.

Op basis van de stikstofrapportage geldt aanvullend dat de kleine, tijdelijke depositiebijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe ecologisch als verwaarloosbaar wordt beoordeeld en significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van habitattypen en vogelsoorten worden uitgesloten

5.2.3 Soortenbescherming

Er is onderzoek (Rapportage Soortenbescherming Kroonstein VO fase, GROW, 2026) gedaan naar mogelijke effecten van de KRW maatregelen op beschermde soorten binnen het deelgebied Kroonstein.

Tijdens het proces is aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd, waaronder veldbezoeken in zowel winter als zomer voor bever en otter, en cameraonderzoek voor marterachtigen. Daarnaast zijn eerdere oriënterende bevindingen getoetst aan het definitieve ontwerp en is bepaald voor welke soorten nader onderzoek noodzakelijk was. Uit de resultaten blijkt dat de bever het gebied actief gebruikt en in 2025 twee nieuwe burchten zijn aangetroffen, die niet direct worden geraakt door de maatregel maar wel gevoelig zijn voor verstoring. Er zijn binnen het onderzoeksgebied verder potentiële verblijfplaatsen van otters aangetroffen in de vorm van holten onder wilgenwortels. Tevens zijn er spraints aangetroffen, die duiden op het gebruik van holten door de otter. Negatieve effecten door de werkzaamheden zijn niet uitgesloten indien de oeverholen worden aangetast. Ook kan er sprake zijn van verstoring. Hiervoor dienen maatregelen genomen te worden. Voor boom en steenmarter zijn slechts incidentele waarnemingen gedaan, zonder essentiële habitat, waardoor negatieve effecten voor deze soorten niet aan de orde zijn.

Andere soortgroepen zoals vleermuizen, rivierrombout en diverse vlinders vallen buiten de invloedssfeer van werkzaamheden of hun waardplanten worden niet geraakt, waardoor nader onderzoek niet nodig was. Op basis van de zorgplicht moeten voor bever en otter wel maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om verstoring te voorkomen of te beperken.

5.3. Weging van het waterbelang

Op grond van artikel 9.1 Bkl is het bij een projectbesluit verplicht om de waterbelangen mee te wegen. Dit geldt voor alle waterbelangen, zoals bijvoorbeeld grondwater, waterkwaliteit en afwatering. De term ‘weging van het waterbelang’ vervangt de term ‘watertoets’ zoals die tot 1 januari 2024 werd gehanteerd. In onderstaande sub-paragrafen wordt per thema een korte samenvatting gegeven van de uitkomst van de analyse van mogelijke effecten van het project op deze aspecten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de onderliggende onderzoeksrapporten van dit projectbesluit.

5.3.1. Hoogwaterveiligheid en scheepvaartveiligheid

In het rivierkundig onderzoek is de rivierkundige invloed van de maatregel geanalyseerd door deze te toetsen aan het Rivierkundig Beoordelingskader (hierna: RBK) en het memo waterdiepte‑effecten in HVWN. Het RBK is een door Rijkswaterstaat vastgesteld beoordelingskader dat wordt gebruikt bij de technisch-inhoudelijke oftewel rivierkundige beoordeling van ingrepen in het rivierbed. In dit memo (voluit geheten “Beoordeling waterdiepte-effecten door rivierprojecten in de hoofdvaarwegen in de Rijntakken, Rijkswaterstaat Oost-Nederland, 1 juni 2021) staat beschreven hoe Rijkswaterstaat Oost-Nederland negatieve effecten door een ingreep op het HVWN classificeert en beoordeelt. Bij het uitgevoerde onderzoek is onder andere het effect op de dwarsstroming (veiligheid van de scheepvaart) en de hoogwaterveiligheid onderzocht. Dit heeft de volgende rivierkundige resultaten opgeleverd:

  • Het ontwerp zorgt bij een waterafvoer van 16.000 m³/s te Lobith voor een waterstandsverhoging in de as van de rivier van maximaal 0,43 mm en een bovenstroomse verlaging van 0,19 mm. De waterstandsverhoging langs de primaire waterkering is eveneens kleiner dan 1 mm.

  • De afvoerverdeling op de IJsselkop bij 10.000 en 16.000 m³/s wordt door dit ontwerp niet beïnvloed, omdat de maatregel op beide afvoerniveaus geen waterstandseffect veroorzaakt ter hoogte van de splitsingspunten

  • Het ontwerp voldoet aan de eisen ten aanzien van dwarsstroming. De maatregel zorgt bij alle afvoeren voor een daling of gelijkblijven van de dwarsstroming; waar een lichte toename optreedt is deze kleiner dan 0,15 m/s en daarmee binnen de norm.

  • Door de veranderende stroompatronen treden er zeer beperkte veranderingen in waterdiepte op ten opzichte van de huidige situatie. Lokaal ontstaat geringe aanzanding (1–6 cm), met een maximale verondieping op rkm 900,9 en 902, maar deze blijft ruim binnen de vergunbare marges. Tegelijkertijd ontstaat een significante verdieping van 50–70 cm op bestaande MODV‑ en MGD‑locaties (Meest Ondiepe Delen van de Vaarweg respectievelijk Minst Gepeilde Diepte), waardoor de hinder voor scheepvaart naar verwachting minimaal is. Het volume boven de norm neemt in het projectgebied sterk af.

Ter voorkoming van te veel wateronttrekking en dwarsstroming is in het ontwerp een verhoogde oeverwal aangebracht langs de landtong (tot 9,80 m +NAP). Deze maatregel beperkt het meestromen van de uiterwaard bij middelhoge afvoeren en voorkomt daarmee ongewenste aanzanding en toename van dwarsstroming. Ook de duikerinlaat met drempel op OLR is ontworpen om wateronttrekking te beperken en beheerbaar te houden.

Uit de rivierkundige beoordeling van het project, getoetst aan de RBK‑criteria en het memo waterdiepte‑effecten in HVWN, blijkt dat er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van hoogwaterveiligheid, afvoerverdeling of scheepvaartveiligheid.

De analyse en conclusies zijn na te lezen in het volgende rapport:

  • Rivierkundige Analyse Kroonstein, GROW, 2026.

5.3.2. Morfologie en bodem

In het rivierkundig onderzoek is het effect op erosie en sedimentatie beschreven. De KRW‑maatregel is rivierkundig doorgerekend om de effecten van de maatregel te bepalen. Als gevolg van veranderingen in het stromingspatroon door de maatregel kunnen er morfologische veranderingen optreden. Een inschatting van de morfologische effecten is gemaakt met D‑FAST MI (2026). Dit heeft de volgende rivierkundige resultaten opgeleverd: Door de veranderende stroompatronen vindt er erosie plaats ter hoogte van de maatregel ten opzichte van de bestaande situatie. Deze erosie wordt veroorzaakt doordat bij middelhoge afvoeren meer water door het zomerbed stroomt als gevolg van de verhoogde landtong. Bovenstrooms en benedenstrooms van de maatregel treedt beperkte aanzanding op, respectievelijk door een lichte snelheidsafname en door een veranderde stromingsverdeling in de bocht bij Doesburg. De maximale verondieping is zeer gering (orde grootte 1–6 cm).

Het merendeel van het traject laat echter een toename van de vaardiepte zien. Op de plekken waar MODV’s en MGD’s voorkomen, neemt de diepte toe met circa 50–70 cm, waardoor bestaande knelpunten verminderen. De beperkte verondieping die lokaal optreedt is klein ten opzichte van de totale morfologische verbetering en leidt nergens tot overschrijding van de norm.

Omdat de geul alleen bij hogere afvoeren meestroomt en de stroomsnelheden in de geul laag blijven (orde 0–0,2 m/s), is het morfologisch effect in de uiterwaard zelf beperkt. Erosie van taluds of oeverinstabiliteit wordt niet verwacht. De nieuwe instroomvoorziening is beschermd door steenbestorting.

Uit de rivierkundige beoordeling van het project blijkt dat er geen negatieve effecten optreden ten aanzien van erosie en sedimentatie. De maatregel heeft zelfs een gunstig effect op de waterdiepte ter plaatse van bestaande knelpunten.

De analyse en conclusies zijn na te lezen in het volgende rapport:

  • Analyse rivierkundige effecten VO Kroonstein, GROW (2026).

5.3.3. Geohydrologie

In de bureaustudie is aan de hand van de geohydrologische bodemopbouw in de uiterwaard bepaald of er (geo)hydrologische effecten te verwachten zijn op het omliggende gebied (rapport: VO Onderzoeksrapport Geohydrologie Kroonstein, GROW, 2026). De bestaande situatie is vergeleken met de toekomstige situatie volgens het Toetsingskader Water, waarbij is beoordeeld of een kwalitatieve of kwantitatieve analyse nodig was. Omdat de maatregel kleinschalig is en de IJssel het grondwatersysteem al sterk beïnvloedt, werd een kwalitatieve beoordeling voldoende geacht. Voor de analyse zijn bodemonderzoek, grondwatermetingen (peilbuis Pb L) en regionale hydrologische gegevens gebruikt om de effecten op grondwaterstanden, stijghoogtes en kwel te beoordelen.

Het projectgebied bestaat uit een kleiige deklaag van 0,5 tot 2,35 m dik boven een goed doorlatend watervoerend pakket, dat in de huidige situatie al sterk wordt gestuurd door de waterstanden van de IJssel. De aanleg van de geul betreft een beperkte vergraving (ca. 150 m, 4,5 m diep) die nauwelijks invloed heeft op de weerstand van de deklaag, mede doordat de geul wordt aangevuld met 0,5–0,7 m erosiebestendige klei. Grondwatermetingen tonen dat de fluctuaties in grondwater veel kleiner zijn dan die van de IJssel, wat duidt op een beperkte hydraulische connectiviteit en bevestigt dat de maatregel weinig extra invloed zal hebben op het grondwatersysteem. Effecten op waterveiligheid, bebouwing, landbouw, natuur en binnendijkse waterhuishouding worden als neutraal beoordeeld, omdat stijghoogte, kwel en freatische standen nauwelijks veranderen. Er worden geen effecten verwacht op het zoet-brak grensvlak, drinkwaterwinning of grondwateronttrekkingen, omdat deze te diep of te ver van de maatregel liggen.

Gezien de doorsnijding van de IJssel door de deklaag in de huidige situatie, is er al een grote hydrologische invloed van de IJssel op het watervoerend pakket en daarmee ook op de freatische grondwaterstanden. De beoogde maatregel heeft daardoor nauwelijks of geen invloed op de grondwaterstanden en stijghoogtes in de directe omgeving. Gezien de hydrologische werking van het maatregelgebied en de omvang van de maatregel is geen (uitgebreide) grondwatermodellering benodigd om te onderbouwen dat er geen negatieve omgevingseffecten zijn of verwacht worden.

5.3.4. Geotechniek en hoogwaterveiligheid

Voor ingrepen die raken aan de kern- en beschermingszones van waterkeringen of die via andere wegen mogelijk een negatieve invloed hebben op de waterkering dient een onderbouwing opgesteld te worden. Dit is gedaan in het rapport: Adviesrapportage Geotechniek en Waterveiligheid, GROW, 2026.

Het ontwerp is geanalyseerd op alle faalmechanismen, waaronder piping, heave, macrostabiliteit, bekleding en stabiliteit van het voorland. De toetsing is uitgevoerd aan de hand van de beleidsregel Permanente Afgravingen van Waterschap Rijn en IJssel, aangevuld met afspraken met de waterveiligheidsspecialist. Bij de beoordeling zijn geometrie, afstand tot de kering, bodemopbouw, stabiliteitszones en de resultaten van eerdere gedetailleerde dijktoetsingen (LBO1) meegenomen.

De maatregel ligt overal buiten de kritische 50 m zone van de waterkering en past binnen de voorwaarden voor afgravingen in beschermingszone 1. Uit de gedetailleerde toetsing blijkt dat kritieke intredepunt‑afstanden van dijkvakken dichter bij de dijk liggen dan de locatie van de KRW‑geul, waardoor de maatregel geen verslechtering van piping‑ of heave‑risico veroorzaakt. De macrostabiliteit binnen- en buitenwaarts blijft onveranderd omdat waterspanningen niet significant wijzigen en de ingreep buiten de 12 m stabiliteitszone valt. Golfafslag op het voorland vormt geen risico, omdat de beschikbare voorlandmarge 23 m bedraagt terwijl de maximaal benodigde marge slechts 13 m is. Ook toekomstige dijkversterking blijft mogelijk omdat de ingreep geen structurele beperkingen of verslechtering van faalmechanismen introduceert.

Conclusie is dat gezien deze specifieke locatie het aanbrengen van de duiker in de landtong en de overige KRW‑maatregelen op oever en in geul een verwaarloosbaar effect hebben op de stijghoogte en piping-weerstand ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast hebben de KRW werkzaamheden geen negatief effect op een mogelijk toekomstige dijkversterking. Gezien voorgaande is er geen sprake van negatieve effecten van de KRW-maatregel op de standzekerheid van de primaire kering en daarmee op hoogwaterveiligheid.

5.3.5. Water(bodem)kwaliteit

Met de waterbodemimmissietoets (hierna: WIT) kan voor het KRW-waterlichaam, waar de ingreep in de waterbodem plaatsvindt, het effect van mogelijke emissies van stoffen uit de waterbodem getoetst worden aan het principe van geen achteruitgang van de waterkwaliteit. Hiervoor is een verkenning WIT uitgevoerd. Binnen het onderzoeksgebied is de achterblijvende waterbodem onderzocht tot de te ontgraven diepte waardoor het bodemonderzoek een dekkend beeld biedt voor de verkenning WIT. Uit de analyse van de mengmonsters van het bodemonderzoek is geconcludeerd dat de beoogde maatregel en de lokale (water)bodemkwaliteit in Kroonstein géén aanleiding geven tot het uitvoeren van de WIT.

Deze analyse en conclusies zijn na te lezen in de volgende rapportages:

  • Verkenning WIT KRW Oost Kroonstein (2025);

  • Milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek Kroonstein (2024).

5.3.6 Tijdelijke achteruitgang KRW

Aanleiding

Rijkswaterstaat is verplicht om voor projecten, ook in de aanlegfase, inzichtelijk te maken dat er geen sprake is van een (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van de oppervlakte-waterlichamen. De Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit biedt hiervoor het kader.

Bij dit besluit gaat het echter om een maatregel van een KRW-programma die niet gewijzigd is. Daarom hoeft het toetsingskader van de beleidsregel niet gevolgd te worden. Om te bepalen of er sprake is van tijdelijke achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam, zowel ecologisch als chemisch, is gebruik gemaakt van de werkinstructies tijdelijke achteruitgang ecologie en chemie.

Werkwijze

Per KRW-maatregel is gekeken of de negatieve effecten van de aanleg van de maatregel leiden tot (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam. Hierbij is zowel naar de ecologische als chemische aspecten gekeken. Voor ecologie vinden er ingrepen plaats die vertroebeling veroorzaken. Er is geen sprake van het maaien van waterplanten of ingrepen die beslag doen op de ruimte. De IJssel is een lijnvormig waterlichaam. De drempelwaarde voor de omvang van vertroebeling voor lijnvormige wateren (R- en O-typen) is als volgt.

De maximale omvang van het gebied waar de ingreep plaatsvindt en die leidt tot een drempel overschrijdende doorzichtverlaging, bedraagt minder dan 1% van het ecologische relevant areaal en 25% van de breedte van het watervoerende deel van het waterlichaam gemeten van oever tot oever.

Omdat er sprake is van opwerveling van stoffen, een emissie naar de waterkolom, is ook gekeken of de negatieve effecten van de KRW-maatregel zorgen voor (tijdelijke) achteruitgang van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam voor chemie. Op basis van de werkinstructie tijdelijke achteruitgang chemie is de eerste stap de omvang van het project en beïnvloedingsgebied te bepalen en dit af te zetten tegen de oppervlakte van het ecologisch relevant areaal. Projecten met een (ecologisch relevante) oppervlakte van minder dan 1% van het waterlichaam zorgen niet voor tijdelijke achteruitgang van het waterlichaam als geheel. In het rivierengebied (R-typen waterlichamen) wordt als criterium minder dan 1% van het ecologisch relevant areaal van het oppervlaktewaterlichamen gehanteerd.

Door de kaart van de omvang van het project op de kaart met de omvang van het ecologisch relevant areaal te leggen (shape files) en de bijbehorende oppervlakten op te nemen in de tabel is vastgesteld dat het beïnvloedingsgebied van het project/de KRW-maatregel een oppervlakte beslaat die kleiner is dan 1% van het ecologisch relevant areaal van het oppervlaktewaterlichaam.

De resultaten van deze analyse, inclusief kaarten en tabellen, zijn opgenomen in het achtergrond document Analyse tijdelijke achteruitgang KRW IJssel - maatregel Kroonstein, RWS, 2026.

Conclusie

De conclusie is dat er door de KRW-maatregel geen tijdelijke achteruitgang van de toestand plaatsvindt op het waterlichaam IJssel.

5.4. Behoud cultureel erfgoed

Het projectbesluit houdt, in overeenstemming met artikel 9.1 in relatie tot artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), rekening met het behoud van cultureel erfgoed, waaronder bekende en te verwachten archeologische monumenten.

5.4.1 Archeologie

Het uitgevoerde bureauonderzoek (Onderzoeksrapportage Archeologie en Cultuurhistorie) laat zien dat gezien de ligging van het projectgebied Kroonstein er geen archeologische of cultuurhistorische waarden worden verwacht. Het projectgebied lag tot in de jaren ’70 in de IJssel. De IJsselstroom is toen aangepast, waardoor het projectgebied in de uiterwaarden kwam te liggen, naast het toen ook nieuwe Broekhuizerwater. Het projectgebied bevindt zich dus geheel op een stuk kunstmatig aangelegd land. Dit is bevestigd door het Team Archeologie van de gemeente Zutphen (adviseur Archeologie namens de gemeente Doesburg). Cultuurhistorische elementen bevinden zich hier ook niet.

Gezien de ligging op een recent kunstmatig aangebracht deel van de uiterwaarden worden er geen archeologische of cultuurhistorische waarden verwacht. Er is geen onderzoek vereist. Dit sluit niet uit dat er (onvoorspelbare) archeologische toevalsvondsten kunnen worden aangetroffen, zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. In dat geval moet hiervan melding worden gedaan bij het bevoegd gezag.

5.4.2 Cultuurhistorie

Rijkswaterstaat Oost‑Nederland (RWS ON) heeft een omvangrijke opgave voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) te realiseren vóór juni 2027, waarbij zowel voor de IJssel‑zone als voor deelgebied Kroonstein cultuurhistorische studies zijn uitgevoerd. Voor de volledige IJssel zijn historische elementen binnen 150 meter van de oever geïnventariseerd op basis van een breed bronnenonderzoek, terwijl voor Kroonstein een projectspecifieke toetsing is uitgevoerd op basis van het Voorlopig Ontwerp en overleg met de gemeentelijk archeoloog. In de brede IJssel‑inventarisatie zijn 454 cultuurhistorische elementen vastgesteld, waaronder erven, steenovens, kribben, schansen, havens en onderdelen van de IJssellinie, waarvan een groot deel niet meer zichtbaar is maar wel archeologisch aanwezig kan zijn. Voor Kroonstein laat historisch kaartmateriaal echter zien dat het gebied pas sinds de jaren ’70 bestaat als kunstmatig aangelegd uiterwaarddeel, waardoor geen archeologische of cultuurhistorische waarden worden verwacht (Rapport: Onderzoeksrapportage Archeologie en Cultuurhistorie).

5.5. Overige milieuaspecten

5.5.1. Ontplofbare oorlogsresten

Er is een onderzoek uitgevoerd naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO) binnen de rivier(tak) IJssel Zuid in de SO‑fase van project KRW‑Oost GROW. Het Vooronderzoek OO van Saricon omvat het gehele planstudiegebied Kroonstein en is uitgevoerd conform de geldende eisen voor OO‑onderzoek. Uit dit onderzoek volgt dat in Kroonstein géén aanwijzingen zijn voor oorlogshandelingen die tot achtergebleven explosieven hebben geleid. Op de OO‑bodembelastingkaart zijn binnen het projectgebied uitsluitend onverdachte zones weergegeven, zonder afgebakende verdachte gebieden. Daarmee is er volgens het onderzoek geen sprake van risico’s op afwerpmunitie, geschutmunitie, gedumpte munitie of defensiewerken binnen de projectgrenzen. Omdat het onderzoek volledig overlap heeft met het projectgebied en aan de kwaliteitseisen voldoet, gelden de onderzoeksresultaten als leidend binnen de KRW‑Oost‑scope (Rapport: Onderzoeksrapport Ontplofbare Oorlogsresten Kroonstein).

5.6 Maatregelen ter beperking of voorkoming van effecten

Om de effecten van de KRW-maatregel op de fysieke leefomgeving te beperken worden maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, te beperken of te mitigeren/compenseren. Namelijk:

5.6.1 Soortenbescherming
  • Algemene broedvogels: Voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is worden mitigerende maatregelen getroffen:

    • Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

    • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, worden geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt en gehouden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

  • Vleermuizen: negatieve effecten door verstoring door licht op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied in de directe omgeving worden voorkomen door:

    • Te werken tussen zonsopgang en zonsondergang;

  • Bever: Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de bever door het nemen van mitigerende maatregelen om verstoring te voorkomen. Dergelijke maatregelen dienen uitgewerkt te worden door een ter zake kundige ecoloog in een ecologisch werkprotocol.

  • Otter: Negatieve effecten op verblijfplaatsen van de otter door aantasting dan wel verstoring zijn niet uit te sluiten. In het kader van de zorgplicht dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de otter door het nemen van maatregelen om nadelige effecten door aantasting van verblijfplaatsen en verstoring zo veel mogelijk te voorkomen. Dergelijke maatregelen dienen uitgewerkt te worden door een ter zake kundige ecoloog in een ecologisch werkprotocol.

  • Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort gemaaid en/of gesnoeid. Hierdoor wordt het voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden.

  • De werkzaamheden worden rustig uitgevoerd en in één richting en/of van open water af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet het water ingejaagd zodat ze verdrinken.

  • Bij vorst worden er geen werkzaamheden uitgevoerd in watergangen.

  • Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en toegepast.

5.6.2 Waterhuishouding en waterveiligheid
  • Grondwatermeetpunt peilbuis Pb L dient te worden behouden tijdens de uitvoering en tot één jaar na realisatie van de maatregel, om zo de grondwatersituatie te kunnen blijven monitoren.

  • Bij de instroom dient een scheepsgolfdempende constructie toegepast te worden, om het effect van scheepsgolven in de geul te dempen.

  • Het ontstane eiland wordt verbonden met het land door een duiker. De duiker wordt voorzien van stortsteen en van erosiebestendige klei klasse 2 met een toplaag.

5.6.3 Waterhuishouding en waterveiligheid
  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst archeologische resten’ opgesteld en toegepast.

  • Er wordt een protocol ‘Toevalsvondst Ontplofbare Oorlogsresten’ opgesteld en toegepast.

5.7. Omgevingsplan en bestaande vergunningen

De KRW-maatregel is getoetst op strijdigheid met het geldende tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Doesburg. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle voorgaande bestemmings plannen automatisch (van rechtswege) onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van elke gemeente. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat onder meer uit de bestemmingsplannen en de bruidsschat (rijksregels). De rijksregels gaan met name over de uitvoering. Voor de leesbaarheid wordt hieronder wel de term bestemmingsplan gebruikt. Toetsing aan de bestemmingsplannen ‘IJssel en Oude IJssel’ (vastgesteld op 31‑10‑2013) en ‘Archeologie Doesburg 2009’ (vastgesteld op 28‑10‑2010). biedt hiermee voldoende duidelijkheid over strijdigheid in gebruik. Het realiseren van de nevengeul in Kroonstein is niet strijdig met (dubbel)bestemmingen van de gronden waarop de maatregel gerealiseerd wordt.

5.8. Geïntegreerde omgevingsvergunning

De Omgevingswet biedt de mogelijkheid in het projectbesluit te bepalen dat het projectbesluit eveneens geldt als een omgevingsvergunning, indien een dergelijke vergunning voor de uitvoering van het projectbesluit is vereist (artikel 5.52, lid 2, onder a, Ow). Daarmee krijgt het projectbesluit juridisch het karakter van een integraal besluit. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door in het hoofdstuk 4 van het Regelingendeel van het projectbesluit een omgevingsvergunning te integreren.

Het project wordt deels gerealiseerd binnen een zogeheten beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk. De uitvoering van de in het projectbesluit beschreven maatregel is op grond van artikel 6.17, eerste lid, onder g, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving aan te merken als vergunningplichtige activiteit, waarvoor een zogeheten omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaam in beheer bij het Rijk is vereist.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag om deze omgevingsvergunning te verlenen. Deze minister is ook bevoegd gezag voor dit projectbesluit. Het projectbesluit bevat reeds de onderbouwing die ook benodigd is voor de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit.

Als het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een oppervlaktelichaam, moet wel worden voldaan aan de in artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor deze vergunning geldende beoordelingsregels. Dit laatste is het geval. Zo zijn deze in het projectbesluit beschreven maatregelen onder andere verenigbaar met het belang (zoals aangegeven in het eerste lid onder b van dit artikel) van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

5.9. Aanhangende vergunningen projectbesluit

Voorafgaand aan de uitvoering worden de vereiste vergunningen aangevraagd en meldingen gedaan die mede nodig zijn om het project te kunnen realiseren. Het betreft in ieder geval de volgende vergunningen:

Toestemmingen

Bevoegd gezag

Reden

Omgevingsvergunning - omgevingsplanactiviteit 'het doen van werkzaamheden'

Gemeente Doesburg

Per 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen omgezet naar tijdelijke omgevingsplannen. Dit geldt tevens voor de gemeente Doesburg. De KRW maatregel bevindt zich binnen gronden die aangemerkt zijn met de bestemmingen bestemming ‘'Water – Rivier’, ‘Natuur’, ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ en ‘Waarde – Natura 2000’. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor de omgevingsplan activiteit 'het doen van werkzaamheden' nodig.

activiteiten uitgevoerd in het beperkingengebied van een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap

Waterschap Rijn en IJssel

Er worden activiteiten uitgevoerd in het beperkingengebied van een waterstaatswerk in beheer bij het waterschap die vergunningsplichtig zijn:

Het verwijderen van werken, objecten, bomen en beplanting is vergunnings- of meldingsplichtig als niet wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 2.63 van de waterschapsverordening.

Het aanleggen en wijzigen van waterstaatswerken. Het is op basis van artikel 2.67, lid 1, verboden om zonder vergunning een oppervlaktewaterlichaam of een ondersteunend kunstwerk in een oppervlaktewaterlichaam, aan te leggen of te wijzigen.

De in de tabel weergegeven vergunningen maken geen onderdeel uit van het projectbesluit en worden aangevraagd bij de betreffende bevoegde gezagen. De vergunningen zijn derhalve geen integraal onderdeel van het projectbesluit.

Voor zover het projectbesluit in strijd is met het geldende omgevingsplan van de gemeente geldt dit besluit automatisch (van rechtswege) als zogeheten omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 22.16, eerste lid Ow). Hiermee zijn eventuele strijdigheden met het gemeentelijk omgevingsplan opgeheven.

In geval vergunningen/meldingen nodig zijn voor de daadwerkelijke uitvoering, dan zullen deze voorafgaand aan de uitvoering door de aannemer aangevraagd of gemeld worden. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld toestemmingen in het kader van een algemene plaatselijke verordening, vergunning voor een bronbemaling en lozing van bemalingswater of voor tijdelijke verkeersmaatregelen.

5.10. Buiten toepassing laten regels lokale overheden

Bij de vaststelling van het projectbesluit is niet gebleken dat sprake is van regels van lokale overheden die de uitvoering van het projectbesluit kunnen belemmeren. In het projectbesluit hoeven regels van lokale overheden dan ook niet buiten toepassing te worden verklaard.

5.11. Termijn niet vaststellen belemmerende regels in het omgevingsplan

Op grond van artikel 4.19a eerste lid van de Ow kunnen in een omgevingsplan geen regels worden gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren. Uit lid 3 van datzelfde artikel volgt dat in het projectbesluit een termijn wordt gesteld voor de toepassing van het eerste lid. De termijn wordt vastgesteld door RWS en kan éénmaal worden verlengd indien RWS dat nodig acht voor de uitvoering van het project.

Aangezien het projectgebied in de gemeente Doesburg ligt, betekent dit dat de gemeente Doesburg artikel 4.19a Ow in acht moet nemen.

6. Uitvoerbaarheid projectbesluit

6.1. Gronden benodigd voor de uitvoering van het projectbesluit

De maatregel zoals beschreven in het projectbesluit Kroonstein wordt uitgevoerd binnen het gebied waar dit projectbesluit betrekking op heeft (zie hiervoor ook hoofdstuk 4 van de motivering). Een groot deel van de gronden gelegen binnen het projectgebied is niet in eigendom van de Staat. Voor de realisatie van het project zijn ook gronden van derden nodig. Zie de tekeningen in bijlage 2 (Grondpositieanalyse - Kroonstein) voor een visuele weergave van de eigendomssituatie. Voor de uitvoering van het project zijn dan ook gronden van derden nodig.

RWS streeft ernaar om in goed overleg met de rechthebbende( n) op de gronden gebruik te maken van deze gronden dan wel deze aan te kopen. In het geval deze besprekingen vastlopen heeft RWS de mogelijkheid om een gedoogplichtprocedure dan wel een onteigeningsprocedure in te zetten.

In bijlage 2 is opgenomen welke gronden – ten tijde van het vaststellen van het projectbesluit – in eigendom zijn van de Staat en van derden.

Gedoogplicht

Als de rechthebbenden van de grond (zoals de eigenaar en/of de pachter) geen toestemming verlenen voor het gebruik van de grond voor de realisatie van het project, dan kan de Minister een gedoogplicht opleggen. Een gedoogplicht voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk wordt opgelegd bij beschikking. De rechthebbenden van de grond hebben recht op vergoeding van de schade die door de gedoogplicht wordt veroorzaakt, mits deze schade een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht. In afd. 15.2 van de Ow is de schadevergoeding door gedoogplichten geregeld. Een gedoogplicht kan alleen worden opgelegd als de belangen van de rechthebbende geen onteigening vorderen. In de jurisprudentie is uitgewerkt wanneer de belangen van rechthebbenden onteigening vorderen. Daarbij is onder andere relevant de benodigde grondoppervlakte voor het aanleggen of wijzigen van een waterstaatswerk in verhouding tot het totale grondoppervlak (het zogenoemde oppervlaktecriterium). Deze verhouding wordt in de praktijk vaak uitgedrukt in een percentage. Daarnaast is van belang of zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals de omstandigheid dat de bruikbaarheid van de rest van de grond vermindert door de gedoogplicht.

Onteigening

Het kan zijn dat het instrument van de gedoogplicht niet toereikend is (bijvoorbeeld omdat er omstandigheden zijn waardoor het noodzakelijk is de grond in eigendom te verwerven) of niet geschikt is (bijvoorbeeld omdat de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen). In die gevallen streeft RWS ernaar de benodigde grond minnelijk aan te kopen. Als het minnelijk aankopen van de grond niet lukt, kan RWS het onteigeningsinstrumentarium aanwenden. Het projectbesluit kan dienen als grondslag voor deze onteigening (op grond van artikel 11.6 Ow).

Het onteigeningsinstrumentarium geldt als uiterst middel. RWS probeert altijd eerst vrijwillige overeenstemming met de grondeigenaar te bereiken over de aankoop van de benodigde gronden door in overleg te treden met de grondeigenaar. Dit wordt het minnelijk overleg genoemd. Wanneer na redelijke onderhandelingen de benodigde gronden niet tijdig en binnen een redelijke termijn minnelijk kunnen worden verworven, wordt op enig moment de formele onteigeningsprocedure opgestart. Uitgangspunt bij onteigening is dat de rechthebbenden een volledige schadeloosstelling krijgen. Hieronder vallen onder andere vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade (zoals verhuiskosten).

6.2. Nadeelcompensatie

Het kan zijn dat er schade ontstaat vanwege het rechtmatig vastgestelde projectbesluit. De vergoeding van deze schade is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad). Het kan bijvoorbeeld gaan om schade door langdurige wegonderbrekingen waardoor er sprake is van verminderde bereikbaarheid of schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak. Nadeelcompensatie betreft een vergoeding van schade die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. Deze schade hoeft een burger of bedrijf niet geheel te dragen, maar wordt door de Minister (gedeeltelijk) vergoed. Degene die schade lijdt (de benadeelde) kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij de Minister vanwege schade, mits veroorzaakt door het vastgestelde projectbesluit

De Minister behandelt aanvragen om nadeelcompensatie op basis van de ‘Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024’. De beleidsregel is online raadpleegbaar via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0049076/2024 01 01. In deze beleidsregel staat op welke wijze een verzoek om nadeelcompensatie moet worden ingediend en de manier waarop deze verzoeken worden beoordeeld en afgehandeld. Meer informatie over nadeelcompensatie is te vinden via: https://www.rijkswaterstaat.nl/overons/contact/schade en compensatie/nadeelcompensatie.

6.3. Bouw- en gewasschade

Tijdens de uitvoering van het project worden voorzorgsmaatregelen genomen om schade te voorkomen. Desondanks is het mogelijk dat er tijdens of na de uitvoering schade ontstaat aan eigendommen van derden, bijvoorbeeld schade aan gebouwen of gewassen die groeien in de nabije omgeving van het projectgebied. Het gaat hier om schade als gevolg van de feitelijke, onrechtmatige uitvoering van de werkzaamheden als onderdeel van het project.

Bij gebouwschade valt te denken aan scheurvorming in muren door de uitvoering van werkzaamheden. Bij gewasschade gaat het om schade aan gewassen. Deze schade kan ontstaan door een mogelijk noodzakelijke (tijdelijke) grondwaterstandsverlaging, waardoor in agrarisch gebied aanwezige gewassen kunnen verdrogen. Als van dit soort schade sprake is, kan degene die schade lijdt een verzoek tot schadevergoeding indienen. Tijdens de uitvoering van het project wordt aan de omgeving bekendgemaakt op welke wijze een dergelijk verzoek kan worden ingediend.

6.4. Maatvoering

Er zijn verschillende afbeeldingen en afmetingen van waterstaatswerken opgenomen die met dit projectbesluit worden gewijzigd. De maten en de afbeeldingen zijn bepalend voor de wijze waarop het werk zal worden uitgevoerd. Desondanks is niet uit te sluiten dat in de uitvoering kleine afwijkingen ontstaan van de hierboven beschreven maatvoering. Dit is inherent aan de aard van de waterstaatswerken komt voort uit de praktische en noodzakelijke grofmazigheid van de uitvoeringswerkzaamheden en machines. Deze afwijking in maatvoering wordt enkel toegestaan voor zover de op de ontwerptekening weergegeven grens van het projectgebied niet wordt overschreden.

7. Realisatie projectbesluit

7.1. Maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen de wijze van uitvoering van de in het projectbesluit beschreven KRW-maatregel toegelicht:

  • Wanneer tijdens de uitvoering van de werkzaamheden baggerspecie of grond vrijkomt, wordt deze waar mogelijk hergebruikt in de nabije omgeving. In gevallen waar dit niet kan, wordt baggerspecie of grond opgeslagen in tijdelijke depots. Eventueel vrijkomend matig- of sterk verontreinigd materiaal wordt direct afgevoerd naar een erkende verwerker.

  • De werkzaamheden worden per KRW-maatregel in een aaneengesloten periode uitgevoerd. Zo blijft overlast in het gebied zoveel mogelijk beperkt en kan het project tijdig worden uitgevoerd.

  • Uitgangspunt voor de uitvoering is dat overlast zoveel als mogelijk is, wordt voorkomen.

  • Om veiligheidsredenen vindt er bij voorkeur geen vermenging plaats van bouwverkeer met burger-/ recreatieverkeer.

  • De werkzaamheden voor de KRW-maatregel kunnen naar huidige verwachting in 2026 starten.

  • Tijdens de uitvoering worden vrijkomende materialen zoals puin of ander afval afgevoerd. De locaties van de werkzaamheden zijn over land en/of over water bereikbaar, waardoor de aan- en afvoer over het land of water kan worden uitgevoerd.

    • Transport: Gezien de afvoerroutes in het gebied is grond- en materieel transport over de weg erg lastig zo niet onmogelijk. Hierdoor gaat er een voorkeur naar transport per schip.

    • Transport groot materieel: De omliggende wegen zijn dermate kleinschalig dat het in en afvoeren van kranen en dumpers aandacht vereist. Een parallelle rijroute door enkele weiland percelen, of de amfibische aanvoer van materiaal zijn als opties beschouwd. Voor beiden is afstemming met de omgeving nodig.

    • De uiteindelijke route wordt door de aannemer bepaald aan de hand van de uitvoeringsmethode, de verdere vervolgstappen omtrent afstemming met de omgeving tijdens de bouwfase dient uitgevoerd te worden door de aannemer.

  • De vrijkomende materialen worden mogelijk binnen het projectgebied in depot gezet. Dit is een tijdelijke situatie tijdens de uitvoering en wordt nader vormgegeven door de aannemer.

  • Voor, tijdens en na de uitvoering wordt rekening gehouden met de weers- en terrein omstandigheden. In natte perioden kan dit betekenen dat wordt gewerkt met rijplaten. Verder wordt rekening gehouden met het snel kunnen verwijderen van materieel en materiaal bij hoogwater.

  • Terreineigenaren worden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Ook wordt de rivierbeheerder voorafgaand aan de werkzaamheden op de hoogte gesteld van de startdatum van de uitvoering. Aanwezige afrasteringen worden in stand gehouden, of tijdelijk verplaatst in overleg met de eigenaar. Wanneer wegen tijdelijk moeten worden afgesloten, worden de omwonenden hierover tijdig geïnformeerd.

In het geval vergunningen/melding benodigd zijn voor de uitvoering, dan zullen voorafgaand aan de uitvoering de benodigde vergunningen aangevraagd worden en meldingen gedaan. Hierbij moet gedacht worden aan toestemmingen in het kader van een algemene plaatselijke verordening, of in relatie tot bronbemaling en lozing van bemalingswater, of voor verkeersmaatregelen.

7.2. Tijdelijke maatregelen

Om het project te kunnen realiseren worden de volgende tijdelijke maatregelen getroffen:

  • overslaglocatie voor het overslaan van materiaal dat per schip wordt aangevoerd naar materieel per as en vice versa.

  • ruimte voor een dagdepot.

  • werkweg(en) voor aan- en afvoer van materiaal en materieel.

Aanvullend op de ruimte die voor de KRW-maatregel zelf nodig is (weergegeven op de ontwerptekeningen als “projectgebied”), is aanvullende ruimte nodig om veilig en efficiënt te kunnen werken. Veilig voor zowel aannemer als omgeving, waarbij er op gestuurd wordt dat de aannemer geen rekening hoeft te houden met derden die op zijn terrein kunnen komen. Deze tijdelijke extra werkruimte is alleen nodig voor de periode van uitvoering. Deze ruimte heeft betrekking op werkwegen voor de bereikbaarheid vanaf de openbare weg. Voor toegangswegen naar het werk een breedte van 5 meter en voor de werkwegen wordt een breedte van 10 meter aangehouden, waardoor het mogelijk is dat werkverkeer elkaar ook kan passeren. Daarnaast is werkruimte nodig voor draaicirkels en veiligheidsafstanden van materieel. Omdat de aan- en afvoer van materiaal voorzien is vanaf het water, is er ook ruimte nodig voor een overslaglocatie. Om de overslaglocatie daadwerkelijk te kunnen realiseren is, een aanvullende vergunning nodig. Deze maakt geen onderdeel uit van het projectbesluit.

De tijdelijke werkruimte is op kaart weergegeven in bijlage IV van het Regelingendeel.

7.3. Beheer en onderhoud

Het is de wettelijke taak van RWS om het waterstaatswerk in stand te houden volgens de normatieve toestand. Dit doet RWS door het waterstaatswerk te beheren en te onderhouden, in verband met de geldende wettelijke normen voor waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en functievervulling door watersystemen. Er moeten afspraken gemaakt wordt met derden voor aanleg en onderhoud om de maatregel te kunnen realiseren en in stand houden (zie hierover paragraaf 6.1). Het vegetatiekundig beheer (op land) wordt in principe door RWS zelf of via een openbaar aanbesteed onderhoudscontract uitgevoerd. Hierin is maatwerk mogelijk, afgestemd op locatiespecifieke omstandigheden. Mochten de gronden in eigendom zijn van een terreinbeherende organisatie, dan kan een overeenkomst gesloten worden met die organisatie voor het wettelijk vegetatiebeheer conform de interventiekaart, inclusief daarbij behorende vergoedingen.

Legger Rijkswaterstaatswerken

Door de aanleg van de KRW-maatregel, beschreven in dit projectbesluit, zal de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk (de zogenaamde 'normatieve' toestand’) wijzigen. Deze gewijzigde normatieve toestand wordt vastgelegd op de Legger Rijkswaterstaatswerken. De beheerder moet ervoor zorgdragen dat de waterstaatswerken aan deze in de Legger opgenomen normering blijft voldoen. Hieronder zijn de parameters die relevant zijn voor de wijziging van de Legger van Rijkswaterstaat opgenomen voor de strang en de geul.

Mutatie bestaande legger strang

De bestaande strang is in de huidige situatie eigendom van RWS. Daarom zijn onderstaand de doorstroomvolumes en de volumes te vergraven/aan te vullen grond opgenomen, die nodig zijn om de mutatie in het bestaande waterstaatswerk van RWS te bepalen. Hiermee kan de wijziging ten opzichte van de bestaande situatie bepaald worden.

De Figuur is een tabel met de volgende informatie: Voor het nieuwe te graven deel van de geul bij de dam met duiker is het extra doorstroomvolume bepaald op basis van het mediaan peil (mei–juni). Dit resulteert in een volume van circa 3.930 m³ inclusief 0,2 meter aanzanding en circa 4.580 m³ exclusief aanzanding. Daarnaast wordt voor het nieuwe doorstroombakje in de bestaande streng een ontgravingsvolume van ongeveer 1.245 m³ voorzien op basis van de aanlegsituatie. Vermindering van doorstroomvolume ten opzichte van bestaande leggerstreng Als gevolg van ophoging van de oever onder het mediaan peil wordt een volume van circa 11.040 m³ aan grond toegevoegd, wat leidt tot een afname van het doorstroomvolume.

Parameters van alle nieuwe elementen volgens ontwerp-KRW-maatregel

Er is een ontwerp opgesteld voor de KRW-maatregel, dit bevat nieuwe onderdelen ten opzichte van de huidige situatie. De parameters hiervan zijn hieronder beschreven.

Tabel met ontwerp- en maatvoeringsparameters van een geul, oeverwal, aansluiting op de primaire kering en een duiker. Voor de geul zijn doorstroomvolumes en waterstanden (4,90 m, 4,39 m en 4,26 m +NAP) opgenomen. De oeverwal heeft een hoogte van circa 9,80 m +NAP en loopt van de primaire kering richting eiland. De aansluiting toont een hoogteverloop van 10,00 naar 9,80 m +NAP over circa 15 m. De duiker heeft een nat oppervlak van 7,5 m² (6,9 m² incl. aanzanding), een hoogte van 2,5 m, breedte van 3 m en bodemhoogte van 4,34 m +NAP. Daarnaast is een aanvullend doorstroomvolume van 6.420 m³ boven de ophoging weergegeven.

De Vegetatielegger is onderdeel van de Legger Rijkswaterstaatswerken. Het is een legger waarin de norm voor begroeiing in de uiterwaarden is vastgelegd. De vegetatie zoals die zich als gevolg van dit project mag ontwikkelen is opgenomen in de Vegetatie interventiewaardenkaart, die als bijlage 3 is openomen bij deze Motivering. De Vegetatielegger wordt gelijktijdig gewijzigd met de wijziging van de Legger Rijkswateren.

Instandhouding

Om de KRW-maatregel in stand te houden maakt RWS ook gebruik van de beheer- en onderhoudspaden.

Natuurlijke ontwikkeling

Na aanleg van de KRW-maatregel zal er meer en beter leefgebied voor KRW-doelsoorten zijn gecreëerd. Door natuurlijke processen zullen deze leefgebieden veranderen. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij erosie, verruiging of te veel vegetatie, is aanvullend beheer en onderhoud nodig. Van belang is dat de ecologische doelstellingen (onder andere geschiktere leefgebieden voor vis, waterplanten en ongewervelde dieren) in het water van de IJssel behouden blijven en zich verder kunnen uitbreiden. Daarvoor is goed beheer en onderhoud van belang. Afhankelijk van de ontwikkelingen vindt meer of minder actief beheer en onderhoud plaats.

8. Procedure projectbesluit

8.1. Mogelijkheid indienen zienswijze op het ontwerp-projectbesluit

Op de vaststelling van het projectbesluit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat eerst een ontwerp projectbesluit ter inzage wordt gelegd waarop eenieder gedurende zes weken een zienswijze kan indienen.

Het ontwerp-projectbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Hierin staat vanaf welke datum gedurende een termijn van zes weken een zienswijze op het ontwerp-projectbesluit kan worden ingediend. In de kennisgeving wordt ook aangegeven op welke locatie(s) alle stukken die op het ontwerp-projectbesluit betrekking hebben ter inzage liggen. Ook wordt aangegeven waar deze stukken digitaal zijn te raadplegen.

Het gaat bij deze stukken naast het ontwerp-projectbesluit zelf met bijbehorende bijlagen ook om deze motivering. De motivering bevat ook een aantal bijlagen die specifiek voor de motivering zijn opgesteld. Na ontvangst van alle zienswijzen worden deze verzameld en door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van een reactie voorzien. Vaak wordt hiervoor een Nota van zienswijzen opgesteld.

De reactie op een zienswijze kan zijn dat een bepaald onderwerp wordt toegelicht. Het kan ook zo zijn dat een zienswijze leidt tot een aanpassing die bij de vaststelling van (definitieve) projectbesluit wordt meegenomen. Zo nodig wordt daartoe een onderzoeksrapport aangevuld of geactualiseerd.

Van belang is dat een zienswijze tijdig binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken wordt ingediend. Een zienswijze die later wordt ingediend kan in beginsel namelijk niet in de verdere besluitvorming worden meegenomen, het is aan de Minister om die alsnog bij de definitieve besluitvorming te betrekken. Een zienswijze kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend. De wijze waarop dit kan wordt in de kennisgeving aangegeven.

8.2. Vaststelling van het projectbesluit en mogelijkheid van indienen beroep

Na de terinzagelegging van ontwerp-projectbesluit stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het projectbesluit vast. Deze vaststelling wordt in ieder geval in de Staatscourant bekendgemaakt.

In de bekendmaking wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn en door wie tegen het vastgestelde projectbesluit beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het instellen van beroep is gedurende een periode van zes weken na deze bekendmaking mogelijk.

Belanghebbenden kunnen direct in beroep zonder eerst een zienswijze te hebben ingediend.

Niet-belanghebbenden kunnen onder bepaalde voorwaarden tegen het projectbesluit ook in beroep als zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerp-projectbesluit of hen het niet indienen daarvan redelijkerwijs niet kan worden verweten. De bekendmaking geeft ook aan waar het projectbesluit en alle daarbij behorende stukken, gedurende de beroepstermijn, ter inzage worden gelegd en waar stukken ook digitaal zijn te raadplegen.

8.3. Inwerkingtreding projectbesluit

Het projectbesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het vaststelde projectbesluit bekend is gemaakt.

9. Bijlagen

9.1 Bijlagen zijnde onderdeel van het projectbesluit

Deze motivering van het projectbesluit bevat de volgende bijlagen:

Bijlage 1 Vergunningenontwerp KRW-maatregel Kroonstein;

Bijlage 2 Overzicht grondeigenaren – Kroonstein.

Bijlage 3 Vegetatie interventiewaardenkaart

9.2 Achtergrondinformatie

Onderzoeksrapporten en memo’s die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van dit besluit zijn als relevante achtergrondinformatie te raadplegen op de website ​www.platformparticipatie.nl/ en ​https://open.rijkswaterstaat.nl/. Deze documenten worden ook ter inzage gelegd.

Het betreft de navolgende onderzoeksrapporten en memo’s:

  • Rapportage Natura 2000-gebied – Kroonstein (2026);

  • Rapportage Soortenbescherming Deelgebied Kroonstein (2026);

  • Rapportage Natura 2000 en stikstofdepositie - Kroonstein;

  • Memo Provinciaal beschermde gebieden – Kroonstein (2025);

  • VO-Ontwerp Natte waterbouw en Constructies Kroonstein (2025);

  • Analyse rivierkundige effecten VO Kroonstein (2026);

  • VO Onderzoeksrapport Geohydrologie Kroonstein (2026);

  • Adviesrapportage Geotechniek en Waterveiligheid (2026);

  • Verkenning WIT KRW Oost Kroonstein (2025);

  • Milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek Kroonstein (2024);

  • Analyse tijdelijke achteruitgang KRW IJssel - maatregelen Kroonstein (2026);

  • Onderzoeksrapportage Archeologie en Cultuurhistorie;

  • Onderzoeksrapport Ontplofbare Oorlogsresten Kroonstein.

Naar boven