Call for proposals, NGF Holomicrobioom – 2026, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Op weg naar microbioomtoepassingen voor het milieu, voedsel en gezondheid.

2026

Inhoudsopgave

1

Overzicht en inleiding

 

1.1

Kort overzicht

 

1.2

Inleiding

2

Doelstelling en achtergrond

 

2.1

Doelstelling van het programma

 

2.2

Achtergrond

 

2.3

Consortiumvorming

3

Opstellen en indienen

 

3.1

Tijdpad

 

3.2

Wie kan aanvragen

 

3.3

Wat kan worden aangevraagd

 

3.4

Fases

 

3.5

Aanmelden voor en de deelname aan de matchmaking

 

3.6

Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

 

3.7

Voorwaarden voor in behandeling nemen

 

3.8

Subsidievoorwaarden

4

Beoordeling

 

4.1

Criteria

 

4.2

Procedure

 

4.3

Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

5

Na de toewijzing

 

5.1

Start van het project

 

5.2

Monitoring en projectbeheer

 

5.3

Richtlijnen en kaders voor uitvoering project

 

5.4

Afronding

 

5.5

Onderzoeksresultaten – Open Science

 

5.6

Evaluatie5

6

Contact

7

Bijlagen

 

7.1

Budgetmodules en tarieven voor onderzoeksorganisaties

 

7.2

Toelichting op budgetmodules

 

7.3

In aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties

 

7.4

De integrale kostensystematiek (IKS) en het vaste uurtarief

 

7.5

Reservering van UNL, UMCNL en HOT loonkosten

 

7.6

Erkende onderzoekorganisaties

 

7.7

Inhoudelijke toelichting op Hoofdstuk 2

1 Overzicht en inleiding

In dit hoofdstuk vindt u een kort overzicht van de ronde en een inleiding.

1.1 Kort overzicht

Titel: NGF Holomicrobioom 2026 – Op weg naar microbioomtoepassingen voor het milieu, voedsel en gezondheid.

Doel: Het NGF-programma Holomicrobioom heeft als doel om toegepast wetenschappelijk onderzoek naar microbiomen te stimuleren uit alle mogelijke toepassingsgebieden. Specifiek wil het programma het beter mogelijk maken om de effecten en neveneffecten van mogelijke interventies te voorspellen, in verschillende domeinen zoals dieren, mensen, water, bodem en planten. Op basis van deze kennis kunnen bedrijven innovatieve producten en diensten gericht op gezondheid en duurzaamheid ontwikkelen, op de markt brengen en nieuwe markten aanboren.

De Call for proposals kent binnen de categorie ‘Flagship-projecten’ 4 zogenaamde ‘Challenges’, en in de categorie ‘Use Case-projecten’ 4 soorten microbioomproducten zoals beschreven in Hoofdstuk 2.2.

Budget: Het subsidieplafond voor deze Call for proposals bedraagt in totaal € 26.000.000. Binnen deze Call for proposals zijn twee categorieën waarvoor subsidie aangevraagd kan worden: ‘Flagship’ en ‘Use Case’ (zie paragraaf 3.3). Voor elke categorie is maximaal € 13.000.000 beschikbaar. Voor Flagship-projecten kan minimaal € 1.500.000 en maximaal € 3.250.000 aangevraagd worden per project. Voor Use Case-projecten kan minimaal € 500.000 maximaal € 1.500.000 aangevraagd worden per project.

Cofinancieringseis: Afhankelijk van de omvang van het project wordt minimaal 15% (Flagship-projecten) of 30% (Use Case-projecten) van de totale projectomvang als Financiering anders dan door NWO verplicht gesteld.

Eigen bijdrage: Geen.

Indieningsdeadline(s):

De deadline voor aanmelding voor de matchmaking is 25 juni 2026, voor 14:00:00 CEST.

De matchmaking vindt plaats op 30 juni 2026.

De deadline voor het indienen van aanvragen is 27 oktober 2026, voor 14:00:00 CET.

De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van in Nederland én in het buitenland gevestigde organisaties (zie paragraaf 3.2.3) is dinsdag 29 september 2026 (20 werkdagen voor de indieningsdeadline, voor 14:00:00 CEST.

Procedure: Deelname aan de matchmaking is verplicht voor hoofdaanvragers, en aanbevolen voor overige deelnemers. Aanmelding voor de matchmaking is verplicht. Aanvragers worden op interview uitgenodigd om hun aanvraag toe te lichten aan de beoordelingscommissie. Wanneer twee keer zoveel aanvragen per categorie zijn ingediend dan kunnen worden toegewezen, wordt binnen deze Call for proposals gebruik gemaakt van een interviewselectie.

1.2 Inleiding

Deze Call for proposals beschrijft hoe het aanvraagproces is ingericht voor de ‘NGF Holomicrobioom 2026 Call for proposals’, die onderdeel is van het Holomicrobioom Groeifondsprogramma en bestaat uit zeven hoofdstukken. Het voorstel Holomicrobioom Groeifondsprogramma is door de Nederlandse overheid gehonoreerd in het kader van het Nationaal Groeifonds. Deze Call for proposals valt onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Aangezien deze oproep tot het indienen van voorstellen wordt gerealiseerd in het kader van het Nationaal Groeifonds, kunnen de voorwaarden die erop van toepassing zijn afwijken van die in standaard NWO-oproepen tot het indienen van voorstellen.

Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing.

NWO verwerkt ontvangen persoonsgegevens die zij in het kader van deze ronde ontvangt conform de NWO Privacyverklaring. De persoonsgegevens die NWO verstrekt aan de Stichting Holomicrobioom, het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), worden vermeld op de financieringspagina.

2 Doelstelling en achtergrond

In dit hoofdstuk leest u meer over de doelstelling en de achtergrond van het programma.

2.1 Doelstelling van het programma

Het NGF Holomicrobioom programma gaat microbiomen in brede context bestuderen. Het doel is om innovatieve oplossingen te ontwikkelen die zich richten op microbiomen. Het programma wil het beter mogelijk maken om de effecten en neveneffecten van mogelijke interventies te voorspellen, in verschillende domeinen zoals dieren, mensen, water, bodem en planten. Deze kennis moet bedrijven helpen om een breed scala aan innovatieve, effectieve en veilige microbioomproducten en -diensten te ontwikkelen en op de markt te brengen, gericht op betere gezondheid en duurzame oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken.

Het NGF Holomicrobioom programma beoogt deze doelstellingen te bereiken door twee categorieën projecten te subsidiëren:

  • 1. Het verkrijgen van meer funderend systeembegrip van complexe microbiomen in uiteenlopende domeinen om de effecten van microbioomproducten te begrijpen, voorspellen en sturen voor bovengenoemde doelstellingen. Dit gebeurt door het stimuleren en ondersteunen van publiek-privaat onderzoek binnen Flagship-projecten.

  • 2. Het versnellen van microbioomgerelateerde innovaties richting markttoepassing in de domeinen mens, dier, plant, water en bodem. Dit gebeurt door het stimuleren en ondersteunen van publiek-privaat, toegepast onderzoek binnen Use Case-projecten.

2.2 Achtergrond

NWO en het Nationaal Groeifonds

Via het Nationaal Groeifonds investeert de overheid in de periode 2021-2025 in projecten die economische groei op lange termijn waarborgen. Het Nationaal Groeifonds investeert onder andere in onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten. In sommige van deze projecten is NWO betrokken als één van de uitvoerende organisaties, bijvoorbeeld voor het organiseren van subsidieprogramma’s voor wetenschappelijk onderzoek of wetenschappelijk talent.

Het Holomicrobioom Instituut

Het Holomicrobioom Groeifondsprogramma komt tot stand dankzij de toekenning van € 200.000.000 uit het Nationaal Groeifonds aan het Holomicrobioom Instituut.

Microbiomen – ons overal omringende gemeenschappen van micro-organismen zoals bacteriën, schimmels en virussen – hebben grote impact op de gezondheid van mensen, dieren, planten en het milieu. Leren hoe ze werken, en effecten aantonen en voorspellen van aangepaste of grootschalig ingezette microbiomen, effent de weg voor nieuwe toepassingen in landbouw, gezondheidszorg en voedingsindustrie. Individuele microbiomen vormen samen ‘holomicrobiomen’, die alle domeinen omvatten.

Onze samenleving staat voor grote opgaven op het gebied van klimaat, milieukwaliteit, circulariteit en dier- en volksgezondheid. Die uitdagingen vormen echter ook grote economische kansen op wereldwijde groeimarkten van vele miljarden euro's. Het wijdverbreide gebruik van bestaande toepassingen, zoals chemische bestrijdingsmiddelen in de landbouw, stuit steeds meer op grenzen, zoals nieuwe milieurichtlijnen en negatieve bijeffecten. Tegelijkertijd zijn in afgelopen decennium alternatieve benaderingen in hoog tempo in het vizier gekomen. Deze maken gebruik van de potentie van microbiomen om duurzamere oplossingen te bieden voor bovengenoemde uitdagingen.

Voorbeelden van doelen die gerealiseerd kunnen worden:

  • terugbrengen schadelijke emissies in de landbouw en veeteelt,

  • versterken weerbaarheid en gezondheid van mens, (landbouw)dier en plant,

  • voorkomen en bestrijden van antimicrobiële resistentie (AMR),

  • verbeterde circulariteit leidend tot verbeterde kwaliteit van het oppervlaktewater en vruchtbaarheid van bodems.

Als voorloper op het microbioom-onderzoeksterrein laten Nederlandse onderzoeksinstellingen momenteel de potentie zien om diversiteit en activiteit van natuurlijke microbiomen in te zetten als alternatieve benaderingen. Middels het Holomicrobioom Groeifonds programma kan Nederland sneller dan elders dit voordeel gaan omzetten in toekomstige economische groei.

Het is daarbij niet vanzelfsprekend dat aanpassingen in het microbioom door consumenten zullen worden geaccepteerd. Ook is er nog steeds sprake van terughoudendheid ten aanzien van toelating van microbioom toepassingen. Het is de vraag welke wetenschappelijke kennis nodig is voor acceptatie van aanpassingen in het microbioom in land- en tuinbouwproductiesystemen. En onder welke voorwaarden worden toepassingen van microbioom in de land- en tuinbouw door boeren, producenten en consumenten verwelkomd? Welke factoren spelen daarbij een rol? Zo lang deze fundamentele vragen leven, heeft het onderwerp microbioom voor het bedrijfsleven een zeer beperkte economische meerwaarde, terwijl de potentie tot toepassing van deze belangrijke innovaties wel wordt gezien.

Hieronder worden beide categorieën waarvoor aanvragen kunnen worden ingediend in deze Call for proposal nader toegelicht.

  • 1. Flagship-projecten: het fundament bouwen voor microbioom toepassingen

    Elke toepassing van microbiomen om voedsel te verbeteren, reststromen te valoriseren, de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de weerbaarheid van planten te vergroten of de gezondheid van landbouwdieren en mensen te verbeteren, heeft uiteindelijk invloed op bepaalde functionele eigenschappen van het onderliggende ecosysteem. Dit maakt interventies in microbiomen uitdagend, omdat deze eigenschappen voortkomen uit geneste interacties en feedbackloops op meerdere niveaus tussen microben en hun omgeving, waaronder – indien aanwezig – een gastheer (host).

    Het Holomicrobioom Groeifondsprogramma heeft de ambitie om innovaties in microbioom toepassingen te versnellen. Naast de Use Case-projecten die dichter bij toepassing staan (zie hier onder), wil het Holomicrobioom Groeifondsprogramma een meer kwantitatieve, mechanistische en dynamische basis leggen. Deze basis is nodig om microbioom-innovatie te verschuiven van beschrijvende profilering naar een meer mechanisme-gedreven en voorspellende discipline, toepasbaar op milieukundige, agrarische, industriële en gastheer-geassocieerde systemen.

    Rekening houdend met het doel zoals beschreven in paragraaf 2.1, richt dit onderdeel van deze Call for proposals zich op het financieren van zogeheten Flagship-projecten die belangrijke uitdagingen adresseren en generieke, domein-overstijgende oplossingen genereren in de vorm van modellen en modelsystemen, workflows, methoden en tools.

    Van Flagship-projecten wordt verwacht dat zij één van de onderstaande vier Uitdagingen (‘Challenges’) als primaire Challenge adresseren en een duidelijke bijdrage leveren aan het oplossen ervan (zie uitgebreide uitleg in paragraaf 7.7.1:

    • Challenge 1 betreft het vertalen van typische microbioomgegevens over samenstelling (metagenomen, metabolomen, etc.) naar functionele interpretaties.

    • Challenge 2 betreft de behoefte aan mechanisme-geïnformeerde functionele signaturen die dynamische microbioom-toestanden vastleggen en meetbare, interpreteerbare en regulator-klare indicatoren van ecosysteemprestaties bieden.

    • Challenge 3 gaat over de geschiktheid van modelsystemen om bevindingen te valideren en te vertalen en om causaliteit vast te stellen. Welk niveau van complexiteit, throughput en detail is vereist voor welk doel?

    • Challenge 4 heeft betrekking op het ontwerpen van interventiestrategieën voor gewenste microbioom-functionaliteiten. Hoe kunnen we de samenstelling en functie van microbiomen sturen?

    Indien een aanvraag meerdere Challenges adresseert, wordt gevraagd in de aanvraag de belangrijkste als primaire Challenge te selecteren (zie ook paragraaf 4.2.7).

  • 2. Use Case-projecten: Microbioom-toepassingen tot leven brengen

    Rekening houdend met het hierboven beschreven doel van het Holomicrobioom Groeifondsprogramma richt dit onderdeel van deze Call for proposals zich op het financieren van zogeheten Use Case-projecten. Dit zijn toegepaste onderzoeksprojecten die in publiek-privaat verband worden uitgevoerd, en waarbij een concrete innovatie voor ogen staat die in toekomstige applicaties kan gaan worden toegepast.

    Men kan denken aan innovaties zoals benoemd in bijlage 7.7.4 ‘Use cases Theories of Change’ die, goed onderbouwd, een bijdrage gaan leveren aan de volgende microbioomgerichte producten:

    • Microbioomgerichte producten als (aanvullende) alternatieven voor bemesting en pesticiden. Deze te ontwikkelen en potentiële alternatieven dragen bij aan een verbeterde bodem- en voedselkwaliteit, verhoogde kwaliteit van het oppervlaktewater en verminderde uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 en NO2 in de keten.

    • Microbioomgerichte producten voor circulariteit, valorisatie van reststromen, sanering en waterzuivering & vervuiling. Deze te ontwikkelen en potentiële producten dragen bij aan slim hergebruik van stromen door boeren waardoor de bodem verbetert en de waterkwaliteit minder onder druk komt te staan.

    • Microbioomgerichte producten die bijdragen aan de gezondheid van landbouwdieren (vee). Deze te ontwikkelen en potentiële producten (feed, feed additieven en therapieën dragen bij aan lagere (economische en/of maatschappelijke) kosten bij veehouders in vergelijking met bestaande alternatieven, en hogere opbrengsten als gevolg van het feit dat het vee (langer) gezonder blijft.

    • Microbioomgerichte producten die bijdragen aan de gezondheid van mensen. Deze te ontwikkelen en potentiële producten (voedsel, medische voeding, supplementen en therapieën) dragen bij aan lagere ziektekosten en een verminderde druk op de samenleving door factoren die te maken hebben met een ongezonde populatie.

    Bij bovenstaande moet opgemerkt worden dat innovaties die ondersteunend en aanpalend zijn aan het creëren van genoemde microbioomgerichte producten ook relevant zijn voor Use Case-projecten. Hierbij kan gedachten worden aan diagnostieke tools die data verzamelen, medical devices of technologieën die toegepast kunnen worden in bepaalde diensten.

2.2.1 Maatschappelijke impact van onderzoek

Nieuwe kennis en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken van vandaag én morgen. Door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke kennisgebruikers, neemt de kans op het toepassen van kennis toe en daarmee ook de kans op maatschappelijke impact. Maatschappelijke impact staat hier voor veranderingen die (mede) het gevolg zijn van door onderzoek gegenereerde kennis en kunde. Deze veranderingen dragen bij aan het welzijn van mens, planeet en maatschappij voor deze en toekomstige generaties. Via haar beleid op impact bevordert NWO de mogelijke bijdrage vanuit onderzoek aan maatschappelijke vraagstukken door het stimuleren van productieve interacties met maatschappelijke belanghebbenden. Zowel tijdens de ontwikkeling als in de uitvoering van het onderzoek. Dit doet zij op een manier die past bij het doel van het financieringsinstrument. NWO stimuleert onderzoekers om met een brede blik te kijken naar de mogelijke gewenste en ongewenste impact van hun onderzoek.

In dit programma wordt de maatschappelijke impact afgestemd met het Holomicrobioom Groeifondsprogramma. Hiermee dragen NWO en het Holomicrobioom Groeifondsprogramma bij aan de impact doelen conform de doelstelling van het Nationaal Groeifonds. De maatschappelijke impact in dit programma moet aansluiten op de volgende doelstellingen: duurzame en structurele verhoging van het Nederlandse verdienvermogen door middel van transitie naar een duurzame economie en samenleving en groeiende innovatiekracht (zie ook bijlage 7.7).

In de aanvraag wordt beschreven wat de beoogde doorwerking van het project in onderzoek, onderwijs en praktijk is en hoe deze beoogde doorwerking bijdraagt aan het behalen van bovenstaande impactdoelen.

NWO biedt een e-learning module aan die geïnteresseerden op weg kan helpen via NWO Impact -Online workshops. Voor meer informatie over het kennisbenuttingsbeleid van NWO zie de website: Kennisbenutting | NWO.

2.3 Consortiumvorming

Om de kans op impact van het onderzoek te vergroten, is samenwerking tussen onderzoekers, met onderzoekers van andere disciplines én met partners uit de maatschappij, zoals bedrijven en maatschappelijke organisaties nodig. In deze Call for proposals ondersteunt NWO de vorming van consortia door het organiseren van een voor hoofdaanvragers verplichte matchmakingbijeenkomst, waarbij ook een verplichte aanmelding wordt ingestuurd. Deze methode wordt hieronder kort toegelicht. Meer informatie over consortiumvorming is te vinden op Consortiumvorming | NWO.

2.3.1 Matchmaking

Het doel van matchmaking is het samenbrengen van potentiële aanvragers, onderzoekers, samenwerkingspartners en stakeholders uit diverse werkvelden en sectoren om ideeën voor, of behoefte aan, onderzoek rond de Challenges (Flagship-projecten) en microbioomgerichte producten (Use case-projecten), en de beschreven impact in de Call for proposals uit te wisselen.

Tijdens de eenmalige matchmakingsbijeenkomst is er de mogelijkheid voor deelnemers om ideeën uit te wisselen, te netwerken en om eventueel ontbrekende expertises in kaart te brengen. Het is aan de deelnemers zelf om vorm te geven aan het vervolg van de resultaten van de matchmaking.

Daarnaast wordt tijdens de matchmaking meer informatie gegeven over het aanvraagproces en de Impact benaderingen (zie ook paragraaf 7.7.4).

Verdere informatie over de matchmaking wordt op de websitepagina van deze Call for proposals gepubliceerd. Deelname aan de matchmaking is verplicht voor de hoofdaanvrager (deze mag zich laten vervangen) en wordt sterk aanbevolen voor overige (potentiële) consortiumleden.

3 Opstellen en indienen

In dit hoofdstuk staat informatie over het opstellen en indienen van een aanvraag.

Het gebruik van generatieve AI is niet uitgesloten bij het opstellen van uw aanvraag, mits dit verantwoord gebeurt. De richtlijnen vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO ).

3.1 Tijdpad

Hieronder staan de indieningsdeadline inclusief het tijdpad van de gehele beoordelingsprocedure van de ronde. Het kan zijn dat NWO het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure nog aanpassingen in het tijdpad aan te brengen. De hoofdaanvrager wordt hierover geïnformeerd.

Aanvragen die na de deadline zijn ingediend, neemt NWO niet in behandeling.

De deadline voor het indienen van een verzoek tot toetsing van (buitenlandse) organisaties (zie paragraaf 3.2 en 7.2.3) is dinsdag 29 september 2026 (20 werkdagen voor de indieningsdeadline) aanvraag, voor 14:00:00 CEST.

Matchmaking

25 juni 2026, 14:00:00 uur CEST Deadline verplichte aanmeldingsformulier voor de matchmaking

Toetsing Nederlandse en buitenlandse organisaties

dinsdag 29 september 2026 voor 14:00:00 CEST Deadline verzoek toetsing Nederlandse en buitenlandse organisaties

Aanvragen

27 oktober 2026 voor 14:00:00 CET

Deadline aanvragen

November ’26 – januari ’27

Preadvisering beoordelingscommissie

Januari 2027

Interviewselectie en interviews

Januari-februari 2027

Vergadering beoordelingscommissie

Februari-maart 2027

Besluit door het bestuur van NWO-domein TTW

3.2 Wie kan aanvragen

Aanvragen worden ingediend door een hoofdaanvrager en één of meerdere medeaanvragers namens het consortium. De hoofdaanvrager (of diens vervanger) heeft aan de matchmaking deelgenomen (zie paragraaf 2.3.1 en 4.2).

Een aanvraag wordt opgesteld door een consortium, waarin naast de aanvragers ook andere deelnemers betrokken kunnen zijn.

Er worden vier categorieën van deelnemers aan een consortium onderscheiden:

  • 1. Hoofdaanvrager

  • 2. Medeaanvrager(s)

  • 3. Samenwerkingspartners

  • 4. Cofinanciers

Een consortium dient te bestaan uit minimaal een hoofdaanvrager en een medeaanvrager, eventueel aangevuld door één of meerdere cofinancier(s). Bij de zogenaamde Flagship-projecten dienen daarbij minimaal twee verschillende onderzoeksinstituten te zijn betrokken. Samenwerkingspartners zijn niet verplicht, maar kunnen deel uitmaken van het consortium.

De voorwaarden per deelnemer worden in de volgende paragrafen nader toegelicht. Alleen de hoofd-en medeaanvragers kunnen binnen deze Call for proposals subsidie ontvangen.

3.2.1 Hoofdaanvrager

Onderzoekers mogen een aanvraag indienen als zij in vaste dienst zijn (en dus een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben) of een tenure track-overeenkomst hebben bij één van de onderstaande onderzoeksorganisaties:

  • universiteiten en hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • universitaire medische centra zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • TO2 Instituten1;

  • KNAW- en NWO-instituten;

  • het Nederlands Kanker Instituut;

  • het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;

  • NCB Naturalis;

  • Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);

  • Prinses Máxima Centrum.

* Voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling geldt dat zij ook als hoofdaanvrager mogen indienen indien zij een bezoldigd dienstverband voor bepaalde tijd hebben.

Personen met een nul uren-arbeidsovereenkomst of met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track en de hierboven genoemde uitzondering voor lectoren in dienst van een hogeschool en onderzoekers in dienst van een TO2-instelling) zijn uitgesloten van indiening.

Aanvragers met een deeltijdcontract moeten voldoende toezicht garanderen op het project en alle projectleden voor wie financiering wordt aangevraagd.

Het kan voorkomen dat de tenure trackovereenkomst van hoofdaanvrager en/of medeaanvragers eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project, of dat het vaste dienstverband van de hoofdaanvrager en/of medeaanvragers eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval dient bij de aanvraag een verklaring van de werkgever te worden toegevoegd. Hierin garandeert de betreffende onderzoeksorganisatie dat het project – en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd – adequaat wordt begeleid voor de volledige duur van het project.

3.2.2 Aanvullende voorwaarden voor hoofdaanvragers en medeaanvragers

Een hoofdaanvrager mag slechts één aanvraag binnen deze Call for proposals indienen in de hoedanigheid van hoofdaanvrager. Een hoofdaanvrager mag daarnaast binnen deze Call for proposals maximaal één keer als medeaanvrager deelnemen aan een ander consortium. Een medeaanvrager mag maximaal twee keer als medeaanvrager deelnemen aan een consortium.

3.2.3 Medeaanvragers

Als medeaanvragers kunnen optreden medewerkers van:

  • (1) de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.2.1;

  • (2) Nederlandse onderzoeksorganisaties anders dan de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.2.1 die voldoen aan de toetsing van in Nederland gevestigde organisaties;

  • (3) buitenlandse onderzoeksorganisaties, die voldoen aan de toetsing van in het buitenland gevestigde organisaties;

  • (4) ondernemingen en overige publieke en private organisaties (hierna: ondernemingen en maatschappelijke organisaties) anders dan de onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in paragraaf 3.2.1.

Ad 1

Voor de medewerkers van de onderzoeksorganisaties onder 1 gelden dezelfde voorwaarden als genoemd onder 3.2.1.

Ad 2 en 3

Nederlandse en buitenlandse onderzoeksorganisaties dienen aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:

  • de organisatie dient een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, of in geval van een buitenlandse organisatie het equivalent daarvan in het land van vestiging (alle andere rechtsvormen, waaronder besloten en naamloze vennootschappen – althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie – zijn uitgesloten);

  • de organisatie dient zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;

  • de organisatie dient te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

Let op: Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag wordt door NWO aan de hand van bovengenoemde voorwaarden getoetst of een organisatie aan artikel 1.1, lid 4, van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet en dus als medeaanvrager mag deelnemen. NWO voert deze toets mede uit om te controleren of er geen sprake is van het verlenen van verboden staatssteun.

De organisatie van de beoogde medeaanvrager levert ten behoeve van deze toetsing uiterlijk 20 werkdagen voor de deadline van indiening per e-mail aan NGF-Holomicrobioom@NWO.NL

(dus uiterlijk 29 september 2026 voor 14:00:00 CEST) de volgende documenten aan:

  • een recent uittreksel van de kamer van koophandel, of in het geval van een buitenlandse onderzoeksorganisatie het equivalent daarvan in het land van vestiging;

  • de oprichtingsakte en/of actuele statuten;

  • de laatst beschikbare jaarrekening voorzien van een controleverklaring2;

  • de ingevulde Verklaring Onderzoeksorganisatie, beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals.

De documenten worden in het Engels of Nederlands aangeleverd. Het is toegestaan om andere relevante documentatie toe te voegen. Tevens kan NWO om aanvullende informatie vragen als bovenstaande documenten niet voldoende uitsluitsel bieden om te bepalen of de organisatie mag optreden als medeaanvrager.

Als de organisatie van de beoogde medeaanvrager binnen een ander NWO programma is getoetst aan deze voorwaarden, neem dan tijdig voor de genoemde deadline contact op met NWO via het bovengenoemde e-mailadres om af te stemmen of deze organisatie opnieuw moet worden getoetst.

Indien de organisatie van de beoogde medeaanvrager de voor de toets op de voorwaarden benodigde stukken niet op tijd aanlevert, kan NWO de betreffende organisatie niet als medeaanvrager accepteren.

Voor het dienstverband van de medewerkers van organisaties onder Ad 2 en Ad 3 geldt dat zij dienen te voldoen aan de kwalificatie-eisen gesteld in artikel 1.3 NWO Subsidieregeling 2024.

Ad 4

Voor medewerkers van organisaties genoemd onder 4 geldt dat zij kunnen deelnemen als medeaanvrager in het consortium mits:

  • zij een vast dienstverband hebben voor minimaal 0,6 fte;

  • hun organisatie aantoonbare Research&Development (R&D) activiteiten heeft in Nederland;

  • zij over een masteropleiding beschikken.

3.2.4 Samenwerkingspartners

Een samenwerkingspartner is een partij die geen subsidie ontvangt en geen cofinanciering bijdraagt aan de aanvraag, maar wel nauw betrokken is bij de uitvoering van het onderzoek en/of de kennisbenutting. Een samenwerkingspartner is dus geen hoofd- of medeaanvrager of cofinancier, maar kan bijvoorbeeld wel betrokken zijn door middel van deelname aan een kennisdelingscommissie.

Hierbij kan gedacht worden aan partijen die betrokken zijn door middel van deelname aan een kennisdelingscommissie, of partijen die op voorhand niet in staat zijn om hun bijdrage te kapitaliseren.

Let op: voor personeel van organisaties die als samenwerkingspartner deelnemen aan het consortium kan geen subsidie voor salaris- of onderzoekskosten als medeaanvrager worden aangevraagd. Wel is het mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de modules ‘materiële kosten’, ‘kennisbenutting’ of ‘projectmanagement (zie paragraaf 3.3 en bijlage 7.2).

3.2.5 Cofinanciers

Een cofinancier is een organisatie die deelneemt aan het consortium en cash en/of in kind bijdraagt aan het project. Voor de verdere specifieke cofinancieringsvoorwaarden die gelden in deze Call for proposals, zie paragraaf 3.6.1. De rol die deze organisaties spelen bij de voorbereiding, uitvoering en vertaling van het onderzoek naar de maatschappij dient in de aanvraag beschreven te worden.

Een cash cofinancier ontvangt geen subsidie van NWO op basis van deze Call for proposals. Ook is het niet mogelijk kosten te vergoeden door deze organisaties als derden in te huren via de budgetmodule Materieel.

3.3 Wat kan worden aangevraagd

Deze Call for proposals onderscheidt twee categorieën projecten waarvoor subsidie worden aangevraagd:

Categorie 1. Flagship-projecten

Per project is minimaal € 1.500.000 en maximaal € 3.250.000 subsidie aan te vragen. De maximale looptijd van het voorgestelde project is 60 maanden. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, investeringen en kennisbenutting.

NWO financiert hiermee maximaal 85% van de totale projectomvang van de subsidiabele kosten zoals hieronder beschreven en in 3.3.1. Een aanvraag vereist daarmee minimaal 15% van de totale projectomvang als Financiering anders dan door NWO. Van de aangevraagde subsidie dient minimaal 50% te gaan naar onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in 3.2.1.

Categorie 2. Use Case-projecten

Per project is minimaal € 500.000 en maximaal € 1.500.000 subsidie aan te vragen. De maximale looptijd van het voorgestelde project is 36 maanden. De aanvrager en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren voor personeel, materieel, en kennisbenutting.

NWO financiert hiermee maximaal 70% van de totale projectomvang van de subsidiabele kosten zoals hieronder beschreven en in 3.3.1. Een aanvraag vereist daarmee minimaal 30% van de totale projectomvang als Financiering anders dan door NWO. Van de aangevraagde subsidie dient minimaal 50% te gaan naar onderzoeksorganisaties genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ in 3.2.1.

Financiering anders dan door NWO bestaat uit:

  • i. De eigen bijdrage, i.e. het niet-gesubsidieerde deel van de ingebrachte in aanmerking komende kosten van ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zie verderop in deze paragraaf).

  • ii. Eventuele cash (exclusief btw) of in kind cofinanciering (zie paragraaf 3.6.1). Onderzoeksorganisaties in paragraaf 3.2 genoemd onder ‘hoofdaanvrager’ of bij 3.2.3 ‘medeaanvragers’ onder Ad 2 kunnen geen eigen bijdrage als Financiering anders dan door NWO opvoeren of als cofinancier optreden.

De hoofd en medeaanvragers kunnen kosten opvoeren volgens de beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. De tarieven en een toelichting op deze budgetmodules staan in bijlage 7.2. Deze Call for proposals maakt onderscheid tussen de budgetmodules voor de onderzoeksorganisaties (zoals benoemd in paragraaf 3.2.1 onder ‘hoofdaanvrager’ en bij 3.2.3 ‘medeaanvrager’ onder 1.) en ‘ondernemingen en maatschappelijke organisaties’ (zoals benoemd bij 3.2.3 bij ‘medeaanvrager’ onder 2).

Subsidiepercentages per type aanvrager.

  • Onderzoeksorganisatie (zie paragraaf 3.2.1)

  • Subsidiepercentage 100% van de subsidiabele kosten voor niet-economische activiteiten.

  • Ondernemingen en maatschappelijke organisaties (zie paragraaf 3.2.3 bij ‘medeaanvrager’ onder 2) Subsidiepercentage Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten.

3.3.1 Bekostiging personeel

Voor personeel dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt. Loonkosten voor aanvragers zijn niet subsidiabel.

Er kan in deze Call for proposals gebruik worden gemaakt van de volgende tariefsystemen:

  • UNL-salaristabellen plus 50% opslag (zie bijlage 7.1);

  • UMCNL-salaristabellen plus 50% opslag (zie bijlage 7.1);

  • tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven plus 50% opslag (zie bijlage 7.1);

  • integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd3 bij RVO voor de betreffende organisatie (zie bijlage 7.4)4;

  • vast uurtarief van € 60 (zie bijlage 7.4).

Bijlage 7 geeft per type aanvrager aan welk tariefsysteem ter beschikking staat. De verschillende tariefsystemen zijn verwerkt in het begrotingsformat dat NWO beschikbaar stelt.

3.3.2 Budgetmodules voor onderzoeksorganisaties

Voor de onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.2.1, zowel bij ‘hoofdaanvrager’ als bij ‘medeaanvrager’, gelden de budgetmodules (inclusief de maximum bedragen) zoals hieronder vermeld. Vraag alleen datgene aan wat essentieel is om het project uit te voeren. Een nadere toelichting op de budgetmodules vindt u in de bijlage bij deze Call for proposals (zie bijlage 7.2).

Activiteiten waarvoor een onderzoeksorganisatie subsidie aanvraagt dienen te kwalificeren als niet-economische activiteiten, zoals bedoeld in paragraaf 20 van de Europese Kaderregeling betreffende staatssteun voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (2022/C 414/01)5. Onderzoeksorganisaties die subsidie aanvragen in deze Call for proposals dienen te verklaren dat deze activiteiten niet-economisch van aard zijn. De kwalificatie als niet-economische activiteit betreft een drempelcriterium om voor subsidie in aanmerking te komen. De beoordelingscommissie zal daarom de voorgestelde activiteiten van onderzoeksorganisaties beoordelen op de mate van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, gericht op meer kennis en beter inzicht (zie paragraaf 4.1).

3.3.3 Personeel

Voor de verschillende tariefsystemen die gebruikt kunnen worden, zie paragraaf 3.3.1 en paragraaf 7.1.

Let op: het is niet mogelijk om subsidie aan te vragen voor de inzet van de hoofd- of medeaanvragers zelf anders dan via de budgetmodules ‘Vervanging van aanvragers’ en ‘Personeel hogescholen en TO2-instituten’.

Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of een onderzoeksorganisatie

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: Engineering Doctorate, postdoc, arts-onderzoeker, niet-wetenschappelijk personeel (NWP) en voor de vervanging van de aanvrager(s). Daarnaast worden loonkosten voor de functie promovendus alleen voor Flagship-projecten toegelaten, vanwege de looptijd van deze projecten.

Er kan een onbeperkt aantal posities van het subsidiebedrag worden aangevraagd volgens;

  • UNL-salaristabellen plus 50% opslag, of

  • Tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers.

Er kan voor ten hoogste 5% van het subsidiebedrag vervanging worden aangevraagd.

Financiering voor de functie van een Engineering Doctorate (EngD) kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een promovendus (alleen voor Flagship-projecten) of postdoc wordt aangevraagd.

Er kan een onbeperkt aantal posities van het subsidiebedrag worden aangevraagd volgens;

  • UNL-salaristabellen plus 50% opslag, of

  • UMCNL-salaristabellen plus 50% opslag, of

  • Tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers.

Personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten en overige onderzoeksorganisaties

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen, onderwijsinstellingen, TO2-instituten, overige organisaties.

Er kan een onbeperkt aantal posities worden aangevraagd volgens;

  • De op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) plus 50% opslag, of

  • arief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers.

Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.2. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project.

Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Het is mogelijk om loonkosten van buitenlandse onderzoeksorganisaties die medeaanvrager zijn, op te voeren voor wetenschappelijk personeel.

Er kan een onbeperkt aantal tot maximaal 20% van het subsidiebedrag voor personeel worden aangevraagd bij onderzoeksorganisaties in het buitenland.

Let op: voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt door NWO getoetst of de buitenlandse organisatie aan artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 voldoet (zie paragraaf 3.2 en paragraaf 7.2.3).

Reservering voor indexeren

Indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de UNL-, en/of UMCNL-en/of HOT-tarieven stijgen, dient de aanvrager in de aanvraagbegroting middelen te reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren (zie bijlage 7.5).

3.3.4 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke materiële kosten. Voor deze kosten geldt een maximum van 25% van het NWO subsidiebedrag.

Van het materiële budget aangevraagd bij NWO mag maximaal 50% worden ingezet voor werk door derden.

Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor materieel worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.3.5 Investeringen (alleen voor Flagship-projecten)

Bij aanvragen voor Flagship-projecten kan financiering worden aangevraagd voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, kan worden opgevoerd als onderdeel van de investering. De tarieven en voorwaarden van Personeel zijn hierbij van toepassing en de kosten moeten worden opgevoerd als Investering. Investeringen door onderzoeksorganisaties kunnen alleen worden gedaan bij onderzoeksorganisaties genoemd in paragraaf 3.2.

Er kan ten hoogste € 1.000.000 worden aangevraagd voor investeringen. Hiervoor geldt een eigen bijdrage van ten minste 25% door de aanvragende onderzoeksorganisatie bij de financiering van de aanschaf vanaf € 500.000. Alleen de afschrijvingskosten worden gefinancierd.

3.3.6 Kennisbenutting

Financiering kan worden aangevraagd voor activiteiten die bevorderen dat kennis uit het onderzoek wordt benut,6 om zo de maatschappelijke impact van het onderzoek te vergroten.

Het is verplicht om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten minste 5% en ten hoogste 20% van het subsidiebedrag.

Er kan maximaal 25% van het subsidiebedrag voor kennisbenutting worden aangevraagd voor onderzoeksorganisaties in het buitenland.

3.3.7 Projectmanagement

Het is mogelijk om maximaal 5% van het totale subsidiebedrag in te zetten voor projectmanagement. Het is verplicht om hiervan gebruik te maken.

3.3.8 In aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties

Onder deze Call for proposals wordt subsidie verstrekt aan ondernemingen en maatschappelijke organisaties op grond van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van 17 juni 2014, hierna: “AGVV”). Hieronder worden de maximaal in aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties genoemd. Voor deze organisaties wordt maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten vergoed. Een nadere toelichting op deze in aanmerking komende kosten vindt u tevens in de bijlage bij deze Call for proposals (zie bijlage 7.3).

Uit de AGVV volgt dat per individuele onderneming of maatschappelijke organisatie maximaal € 15.000.000 per project kan worden toegewezen.

In aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties

  • Personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoek bezighouden, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub a AGVV;

    Maximaal bedrag: Onbeperkt aantal posities volgens;

    • de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven plus 50% opslag, of

    • een vast uurtarief van € 60, of

    • een tarief conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers.

  • Operationele kosten, zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 sub e AGVV

Maximaal bedrag Maximaal € 150.000 in totaal in het project/per aanvragende organisatie

3.4 Fases

Deze Call for proposals kent twee fases:

Matchmaking:

  • Aanmelden voor en deelname aan de matchmaking (voor hoofdaanvragers verplicht om zelf deel te nemen of zich te laten vervangen door een lid van het beoogde consortium);

  • Het indienen van een aanvraag.

3.5 Aanmelden voor en de deelname aan de matchmaking

De eerste fase van deze Call for proposals omvat een Matchmaking. Aanmelden voor de matchmaking is verplicht. De aanmelding wordt door NWO onder andere gebruikt voor het faciliteren van nieuwe samenwerkingen, het voorbereiden van de matchmaking en het samenstellen van de beoordelingscommissie.

In het aanmeldingsformulier voor de matchmaking geeft een deelnemer aan op welke manier deze een bijdrage kan en wil leveren aan het beoogde onderzoeks- en innovatieprogramma, welke onderzoekers of andere medewerkers hierin een rol spelen, welke expertise en faciliteiten men inbrengt en welke uitkomsten men beoogt.

Ook geeft de deelnemer aan of deze voornemens is subsidie aan te vragen en zo ja, geeft deze een indicatie van welk onderzoeksveld en voor welk type project.

In totaal kunnen er vanwege de capaciteit van de locatie van de matchmaking maximaal 90 afgevaardigden fysiek deelnemen aan de matchmaking. Indien het aantal aanmeldingen voor de matchmaking het maximum van 90 overschrijdt, kan van reeds gevormde consortia gevraagd worden slechts één deelnemer af te vaardigen naar de matchmaking. Om op te treden als hoofdaanvrager in deze Call for proposals moet een beoogd hoofdaanvrager (of diens vervanger) aan de matchmaking hebben deelgenomen. Indien de beoogd hoofdaanvrager zich laat vervangen tijdens de matchmaking, stelt deze NWO hiervan op de hoogte via e-mail (NGF-Holomicrobioom@NWO.NL), bij voorkeur één werkdag voor de betreffende matchmaking.

Voor het indienen van het aanmeldingsformulier voor de matchmaking doorloopt u de volgende stappen:

  • download het aanmeldingsformulier voor de matchmaking vanaf de website van NWO (op de website van het betreffende financieringsinstrument);

  • vul het aanmeldingsformulier voor de matchmaking in;

  • sla het formulier op als pdf en dien in via de aanmeldsite (wordt t.z.t. gepubliceerd op de programmawebsite);

3.6 Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

NWO werkt met het systeem ISAAC. Begin tijdig met de aanvraag in ISAAC.

Voor het opstellen van uw aanvraag doorloopt u de volgende stappen:

  • maak een account aan of update indien nodig de gegevens als u al een account heeft;

  • download het aanvraagformulier en de formats voor bijlagen in ISAAC;

  • sla het ingevulde aanvraagformulier op als pdf en dien het in ISAAC in. Dien apart de bijlage(n) in;

  • in ISAAC vult u daarnaast de gevraagde gegevens in, onder andere de disciplinecodes | NWO en de publiekssamenvatting in het Nederlands en Engels. De publiekssamenvatting publiceert NWO bij het nieuwsbericht over de toewijzingen van de subsidie, bedraagt 50-100 woorden en moet toegankelijk geschreven zijn voor een bredere doelgroep. De wetenschappelijke samenvatting wordt niet gepubliceerd vanwege intellectueel eigendom;

  • nieuwe organisatie aanmelden die niet in de database van ISAAC staat? Dit kan tot 5 werkdagen voor de deadline via relatiebeheer@nwo.nl;

  • de aanvraag is geschreven in het Engels.

Voorzie de aanvraag van de volgende verplichte bijlagen door deze te uploaden in ISAAC:

  • begroting (Excel-bestand);

  • ingevulde en ondertekende verklaring Voorwaarden van de AGVV (zie paragraaf 3.8.1);

  • verklaring cofinanciering (pdf).

Optionele bijlage(n) uitsluitend (indien van toepassing):

  • verklaring toestemming opvragen IKS tarieven (pdf);

  • verklaring aanstelling en projectbegeleiding (pdf);

  • steunverklaring (zonder cofinanciering) (pdf).

Gebruik voor de bijlagen alleen de door NWO aangeboden templates. Andere bijlagen dan hierboven vermeld zijn niet toegestaan. Alle bijlagen, met uitzondering van de begroting, dienen als pdf-bestand (zonder beveiliging) te worden ingediend. De begroting moet als Excel-bestand worden ingediend in ISAAC.

Documentatie, zoals formats voor indiening van de aanvraag, is ook beschikbaar via de financieringspagina van deze ronde op de NWO-website.

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC) of kan er contact worden opgenomen met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. Mailen kan naar isaac.helpdesk@nwo.nl. Een reactie volgt binnen twee werkdagen.

3.6.1 Cofinanciering

Cofinanciering is in deze Call for proposals verplicht. Onderscheid wordt gemaakt tussen cash cofinanciering (te innen door de hoofdaanvrager), die dient als dekking voor de begroting van de projectactiviteiten beschreven in de aanvraag, en cofinanciering in kind, die kan bestaan uit personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisaties. Onderzoeksorganisaties, hetzij als ‘hoofdaanvrager’ of als ‘medeaanvrager’, mogen geen eigen bijdrage als cofinanciering dan wel als ‘Financiering anders dan door NWO’ opvoeren en kunnen dus niet als cofinancier optreden.

Cofinancieringseis

Dit onderzoeksprogramma vereist respectievelijk 15% (Flagship-projecten) of 30% (Use Case-projecten) van het totale projectbudget als financiering anders dan door NWO. Deze verplichte cofinanciering mag zowel cash als in kind worden geleverd.

De cofinanciering moet 100% van private oorsprong zijn. De definitie van private (co)financiering; geldmiddelen die niet direct of indirect afkomstig zijn van:

  • een onderzoeksinstelling, zijnde een onderzoeksorganisatie die alle winst opnieuw investeert in fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling, in het verspreiden van de resultaten daarvan, of in onderwijs, namelijk een met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek NWO en de KNAW of;

  • een openbaar lichaam.

Alleen ingebrachte cofinanciering die aan deze definitie voldoet, kan als een private bijdrage worden aangemerkt. Ingebrachte cofinanciering door een onderzoeksinstelling of een openbaar lichaam geldt als een publieke bijdrage.

Voor cofinanciering gelden de volgende uitgangspunten:

  • NWO is hoofdfinancier van een aanvraag. Aanvragen waarbij de cofinanciering van de cofinanciers meer dan 49% van de totale projectkosten bedraagt, worden niet in behandeling genomen;

  • in kind bijdragen worden alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat het gedeelte dat door de cofinancier wordt ingebracht integraal onderdeel is van de projectactiviteiten en als identificeerbare inspanning kan worden gevolgd of aangemerkt. Bij vragen kan NWO verzoeken om nadere motivering en bewijsstukken van de gehanteerde tarieven en eveneens om aanpassing. Daarnaast mogen eventuele in kind bijdragen in de vorm van diensten en know how niet reeds bij de onderzoeksorganisatie(s) van de aanvrager(s) beschikbaar of voorhanden zijn;

  • voor het kapitaliseren van de personele inbreng (mensuren) aan een project worden vaste integrale uurtarieven gebruikt. Voor de tarieven, zie de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. Hierbij dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert;

  • cash cofinanciering, is het netto bedrag dat een cofinancier betaalt aan de aanvrager. De aanvrager factureert cash cofinanciering en eventuele btw aan de cofinancier.

Niet toelaatbaar als cash/in kind cofinanciering zijn7:

  • alle bijdragen uit publieke middelen (waaronder door NWO verstrekte subsidie, PPS-toeslag en andere bijdragen van overheidswege)

  • cofinanciering mag niet afkomstig zijn van onderzoeksorganisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.2.1. en 3.2.3 onder 1;

  • kosten m.b.t. overhead, begeleiding, consultancy en/of deelname aan de kennisdelingscommissie.

Verklaring cofinanciering deelnemende cofinanciers

In een verklaring cofinanciering spreekt de cofinancier financiële steun uit aan het project en bevestigt deze de toegezegde cofinanciering. Verklaringen cofinanciering van cofinanciers, welke genoemd worden in de aanvraag, zijn verplicht als bijlagen bij het indienen van de aanvraag. De verklaring cofinanciering moet zijn ondertekend door een tekenbevoegd persoon van de cofinancier. NWO stelt een verplicht format voor de verklaring cofinanciering beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO-website en in ISAAC.

In geval van toewijzing van de aanvraag dient de cofinancier zijn bijdrage(n) te bevestigen in de consortiumovereenkomst. In deze overeenkomst worden ook verdere afspraken gemaakt tussen de cofinancier(s) en de aanvrager(s) (zie paragraaf 5.1.3).

Verantwoording cash cofinanciering en cofinanciering in kind

De verhouding tussen cofinanciering (zowel cash als in kind) en de door NWO verstrekte subsidie in deze Call for proposals is van toepassing vanaf het indienen van een aanvraag tot en met de vaststelling van de subsidie. Cash cofinanciering heeft invloed op het subsidiebedrag dat NWO verstrekt omdat zowel de bijdrage van NWO als cash cofinanciering voor dezelfde project specifieke kosten gebruikt worden (in tegenstelling tot cofinanciering in kind).

Indexeren (zie bijlage 7.5) als gevolg van andere geldende tarieven na indiening heeft geen invloed op de verhouding en cofinancieringseis voor de NWO bijdrage. NWO gaat daarvoor uit van de verhouding in de door NWO geaccepteerde aanvraagbegrotingen.

Na afsluiting van een project, wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld aan hand van de eindverantwoording, de financiële voorwaarden en de verhouding cofinanciering zoals aanwezig in de aanvraagbegroting.

In geval van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering (door onvoorziene omstandigheden, zoals faillissementen) gaat NWO voor haar bijdrage uit van de oorspronkelijke subsidieverlening, rekening houdend met de wel geleverde cash cofinanciering en de geldende minimale cofinancieringseis, indien deze van toepassing is.

Cash cofinanciering boven de cofinancieringseis heeft invloed op de gehanteerde verhouding tussen cofinanciering en door NWO verstrekte subsidie. Indien een project cash cofinanciering kent boven de cofinancieringseis en er bij vaststelling sprake is van gedeeltelijk geleverde cash cofinanciering, is de NWO bijdrage nooit meer dan de oorspronkelijke bijdrage uit de subsidieverlening. De verhouding van de NWO bijdrage is dan maximaal de bijdrage die volgt uit de cofinancieringseis.

Te allen tijde dient NWO op de hoogte gesteld worden van problemen in verwachte cofinanciering (cash en/of in kind). Naast financiële gevolgen voor een project, kan NWO ook adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.

3.6.2 Steunverklaring samenwerkingspartner

In een steunverklaring (zonder cofinanciering) spreekt de samenwerkingspartner steun uit aan het project en beschrijft diens rol binnen het project. Steunverklaringen mogen alleen voor aanvragen worden aangeleverd. NWO stelt een standaard format beschikbaar op de financieringspagina.

In geval van toekenning dient de samenwerkingspartner diens deelname aan het project te bevestigen in de consortiumovereenkomst. Tevens worden in deze overeenkomst verdere afspraken gemaakt tussen de samenwerkingspartner(s) en de aanvrager(s) (zie ook paragraaf 5.1.3).

3.7 Voorwaarden voor in behandeling nemen

NWO toetst een aanvraag op alle in deze Call for proposals gestelde voorwaarden, inclusief onderstaande voorwaarden. Alleen als de aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag in behandeling genomen.

Voorwaarden:

  • De hoofdaanvrager (of diens vervanger) was aanwezig bij de matchmaking bijeenkomst (zie paragrafen 2.3.1 en 4.2.1);

  • de aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline;

  • de hoofdaanvrager en medeaanvrager(s) voldoen aan de in paragraaf 3.2 en paragraaf 7.2.3 gestelde voorwaarden;

  • de cofinanciers voldoen aan de in paragraaf 3.6.1 gestelde voorwaarden;

  • de samenwerkingspartners voldoen aan de in paragraaf 3.2.4 gestelde voorwaarden;

  • de aanvraag voldoet aan de DORA richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.3.4;

  • de aanvraag voldoet aan de aanvullende voorwaarden voor indiening zoals beschreven in paragraaf 3.7;

  • de aanvraag is opgesteld met gebruikmaking van de formulieren die beschikbaar zijn gesteld in ISAAC en op de financieringspagina (webpagina) van deze ronde op de NWO-website;

  • de datamanagementparagraaf is ingevuld (hiermee maken aanvragers kenbaar hoe met data voortkomend uit het onderzoek wordt omgegaan);

  • het aanvraagformulier en de verplichte bijlagen zijn, na eventueel eenmalig verzoek tot aanvulling of wijziging, juist, compleet en volgens de instructies ingevuld;

  • de aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de hoofdaanvrager;

  • de aanvraag is in het Engels opgesteld;

  • de aanvraag voldoet aan de eisen ten aanzien van de pagina- dan wel woordlimiet;

  • de begroting in de aanvraag is volgens de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld (gebruikmakend van het beschikbaar gestelde format dat de meest recente tarieven bevat);

  • de vereiste cofinanciering is, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, correct en volledig toegezegd middels verklaringen cofinanciering.

  • het voorgestelde project heeft een looptijd bij Flagship-projecten van maximaal 60 maanden en bij Use Case-projecten maximaal 36 maanden;

  • de aanvraag voldoet aan de vereisten ten aanzien van cofinanciering;

  • aanvragers die het IKS-tariefsysteem gebruiken hebben NWO toestemming gegeven om hun IKS-tarieven op te vragen bij RVO;

  • alle vereiste bijlagen zijn, na eventueel verzoek tot aanvulling of wijziging, compleet en volgens de instructies ingevuld en conform de voorwaarden van deze Call for proposals opgesteld en ingediend.

In het aanvraagformulier kunnen aanvullende voorwaarden, toelichtingen, werkwijzen en vragen staan die nodig zijn om het formulier correct te kunnen invullen.

In behandeling nemen en administratieve correcties

Zo snel mogelijk nadat de benodigde stukken zijn ingediend, ontvangt de aanvrager bericht of NWO de aanvraag in behandeling neemt. Houd er rekening mee dat NWO de aanvrager binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening.

De aanvrager krijgt één keer de gelegenheid om binnen maximaal vijf werkdagen de correcties door te voeren. Als blijkt dat gecorrigeerde stukken wederom niet volledig en/of juist zijn, neemt NWO de aanvraag niet in behandeling.

Informeren eigen onderzoeksorganisatie

NWO gaat ervan uit dat aanvragers de onderzoeksorganisatie waar zij werkzaam zijn hebben geïnformeerd over het indienen van de aanvraag en dat de organisatie de subsidievoorwaarden van deze Call for proposals aanvaardt. Tijdens het aanvraagproces communiceert NWO met de hoofdaanvrager.

3.8 Subsidievoorwaarden

Op alle aanvragen zijn de NWO Subsidieregeling 2024 en het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek van toepassing met uitzondering van;

  • Artikel 1.4 lid 1, lid 5 en lid 6 van de NWO Subsidieregeling 2024 en artikel 2.1 van het Akkoord bekostiging wetenschappelijk onderzoek; in de zin dat onder projectkosten in deze Call for proposals ook overhead vergoed wordt en dat aanvragers per (mede)aanvrager een keuze moeten maken tussen: 1) integrale kostensystematiek (IKS) mits hun IKS-boekhoudmethode is goedgekeurd door RVO, of 2) de reguliere NWO-tarieven (UNL, UMCNL, HOT) plus een opslag voor 50% van de overhead of, 3) vast uurtarief (€ 60);

  • Artikel 1.1. van de NWO Subsidieregeling 2024; in de zin dat ondernemingen en maatschappelijke organisaties financiering mogen aanvragen. Daarbij dient het staatssteunkader in acht te worden genomen;

  • Artikel 4.1.1 lid 4 van de NWO Subsidieregeling 2024;

  • De zinsnede “zonder hoofdaanvrager of medeaanvrager te zijn” in artikel 5.1, aanhef en sub f van de NWO Subsidieregeling 2024, indien door een aanvragende onderneming of maatschappelijke organisatie in kind cofinanciering wordt geleverd.

NWO verleent geen subsidie dan wel trekt de subsidie in, wanneer blijkt dat er sprake is van ongeoorloofde staatsteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3.8.1 Voorwaarden van de AGVV

NWO financiert de aanvragen in deze Call for proposals met toepassing van artikel 25 van de AGVV. NWO verleent geen subsidie als het onvoldoende aannemelijk is dat de aanvraag past binnen de definities en voorwaarden van de AGVV.

NWO verstrekt geen subsidie aan ondernemingen waartegen een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij door Nederland toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen. Daarnaast verstrekt NWO geen subsidie aan ondernemingen in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 18, van de AGVV.

Cumuleren van subsidies (of andere vormen van staatssteun) voor dezelfde – geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten, mag er niet toe leiden dat de aanmeldingsdrempels voor onderzoek- en ontwikkelingsprojecten onder i, van de AGVV geldt, worden overschreden.

Onderzoeksactiviteiten

Ondernemingen en maatschappelijke organisaties zoals bedoeld in paragraaf 3.2.3 bij ‘medeaanvragers’ onder 2, die subsidie aanvragen voor onderzoeksactiviteiten zoals bedoeld in paragraaf 3.3.8 van deze Call for proposals, dienen de verklaring AGVV ingevuld en ondertekend als bijlage bij de aanvraag te uploaden in ISAAC.

4 Beoordeling

In dit hoofdstuk staat informatie over de beoordelingsprocedure van een aanvraag.

4.1 Criteria

De beoordeling vindt plaats aan de hand van inhoudelijke beoordelingscriteria en gaat van start nadat een aanvraag in behandeling is genomen. De aanvragen worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Beoordelingscategorie 1:

  • Voldoen aan kaderregeling O&O&I

    Voor onderzoeksorganisaties: de beoordelingscommissie beoordeelt in hoeverre of de activiteiten die in de aanvraag zijn aangemerkt als niet-economisch van aard kwalificeren als onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door de onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, gericht op meer kennis en beter inzicht.

Beoordelingscategorie 2:

Criterium 1. Passendheid van de projecten bij de gekozen categorie (10%) Criterium 2. Kwaliteit consortium (30%)

Criterium 3. Wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact (30%) Criterium 4. Wetenschappelijke kwaliteit (30%)

Criterium 1: Passendheid van de projecten bij de gekozen categorie (10%)

  • 1. De in de aanvraag geformuleerde probleemstelling sluit voldoende aan bij de in paragraaf 2.2 geformuleerde categorieën (Flagship- of Use case-projecten);

  • 2. De aanvraag maakt voldoende duidelijk hoe het onderzoek gaat bijdragen aan de oplossing van een of meerdere “Challenge(s)” (bij Flagship-projecten), of het opleveren van microbioomgerichte producten (bij Use Case projecten).

Criterium 2: Kwaliteit consortium (30%)

  • 1. Expertise en track record van de hoofdaanvrager (tevens beoogd projectleider) en eventuele beoogde technisch managers en het consortium specifiek met betrekking tot publiek-private samenwerking op het gebied van deze Call for proposals;

  • 2. Samenstelling van het consortium in relatie tot het voorgestelde onderzoeks- en innovatieprogramma;

  • 3. Helderheid van de governancestructuur en onderlinge samenhang van en inzet op verbinding tussen onderzoeksthema’s binnen het plan;

  • 4. Actieve participatie van de projectpartners in onderzoeks- en kennisdelingsactiviteiten;

  • 5. Verdeling van resources over taken en projectpartners.

Criterium 3: Wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact (30%)

  • 1. Verwachte impact, route naar impact en strategisch belang: in welke mate draagt het voorstel bij aan de Challenges (Flagship-projecten) of microbioomgerichte producten (Use Case-projecten);

  • 2. Het project heeft voldoende focus en perspectief om een bijdrage te leveren aan het economisch verdienvermogen van Nederland.

Denk bij Flagships-projecten bijvoorbeeld aan: Verbindingsstrategie voor het betrekken van de relevante stakeholders.

Denk bij Use Case-projecten bijvoorbeeld aan: Impact plan beschrijving bevat adequate plannen met betrekking tot voorziene translatie van onderzoeksresultaten naar concrete innovaties, inclusief IP strategie, toekomstige ontwikkelingskosten, potentiële baten, exploitatie en disseminatie strategieën

Criterium 4: Wetenschappelijke kwaliteit (30%)

  • 1. De urgentie van het onderzoek, de gemaakte keuzes in relatie tot de Challenges (Flagship-projecten) of microbioomgerichte producten (Use Case-projecten) zoals beschreven in hoofdstuk 2 en 7;

  • 2. De mate waarin het voorgestelde onderzoek bijdraagt aan de vergroting van inzicht en kunde met betrekking tot de doelen van deze Call for proposals in het algemeen;

  • 3. Wetenschappelijke en methodologische kwaliteit;

  • 4. Haalbaarheid van het voorgestelde plan, wetenschappelijke, operationele en financiële keuzes in de projectopzet inclusief de bijbehorende begroting;

  • 5. De mate waarin het voorgestelde plan geschikt is om het beoogde onderzoeksdoel te halen;

  • 6. (voor Flagship-projecten): In hoeverre bevat het onderzoeksvoorstel overtuigend vernieuwende en/of grensverleggende wetenschappelijke elementen ten opzichte van de state-of-the-art, die logisch volgen uit de probleemanalyse?

Het criterium uit Beoordelingscategorie 1 wordt door de beoordelingscommissie beoordeeld met een voldoende of onvoldoende.

De criteria 1, 2, 3 en 4 krijgen een score. Hierbij wordt de NWO-scoretabel gehanteerd op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend.

Alle aanvragen ontvangen een gewogen gemiddelde totaalscore op de criteria 1, 2, 3 en 4 en worden op basis van deze score in prioritering gezet. In rondes met vijf of meer aanvragen worden de scores van de leden van de beoordelingscommissie genormaliseerd om tot een prioritering te komen. NWO past normalisatie toe op basis van de mediaan en de gemiddelde deviatie.

Om in aanmerking te komen voor subsidie dient een aanvraag op het criterium van Beoordelingscategorie 1: ‘Voldoen aan kaderregeling O&O&I’ een voldoende te scoren, en op elk van de criteria uit Beoordelingscategorie 2 (criterium 1, 2, 3 en 4) een 4,0 of hoger te scoren. Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.

4.2 Procedure

De beoordelingsprocedure van de aanvraag bestaat uit de volgende stappen (zie het tijdpad in paragraaf 3.1):

  • indiening van het aanmeldingsformulier matchmaking;

  • deelname aan de matchmaking;

  • indiening van de aanvraag;

  • in behandeling nemen van de aanvraag;

  • preadvisering beoordelingscommissie;

  • interviewselectie;

  • interview;

  • vergadering van de beoordelingscommissie;

  • besluitvorming.

Voor deze ronde wordt een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie ingesteld door het bestuur van NWO-domein TTW. De leden hiervan zijn afkomstig uit de wetenschap en verschillende sectoren van de samenleving: onderzoeksorganisaties, het bedrijfsleven en andere maatschappelijke sectoren met kennis van het vakgebied. De taak van de beoordelingscommissie is om de ingediende aanvragen te beoordelen aan de hand van de beoordelingscriteria. Iedere aanvraag wordt op zichzelf staand beoordeeld.

Vanwege de aanwezige expertise in de beoordelingscommissie en de specifieke doelstellingen van het programma, heeft NWO besloten om bij de beoordeling van de aanvragen gebruik te maken van de mogelijkheid gegeven in artikel 2.2.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024, om de beoordelingsprocedure uit te voeren zonder referenten in te schakelen.

4.2.1 Matchmaking

Op 30 juni 2026 organiseert NWO een matchmaking voor deze Call for proposals. Deelname aan deze activiteit wordt aanbevolen maar is alleen verplicht voor hoofdaanvragers. Zie paragraaf 3.5 voor de procedure van aanmelding. De aanmelding voor de matchmaking is onder andere bedoeld om NWO te informeren over het te verwachten aantal aanvragen.

Verdere informatie over de invulling en planning van de matchmaking zal bekend worden gemaakt via website van deze Call for Proposals en de NWO nieuwsbrieven.

4.2.2 Indiening van een aanvraag

Voor indiening van de aanvraag is een standaardformulier beschikbaar op de financieringspagina van deze Call for proposals op de NWO website. In uw aanvraag moet u zich houden aan de vragen die in dit formulier staan en aan de werkwijze die in de toelichting staat. Ook moet u zich houden aan de voorwaarden voor het maximale aantal woorden en pagina’s.

Uw volledig ingevulde aanvraagformulier moet voor de deadline via ISAAC zijn ontvangen (zie paragraaf 1.3). Na dit tijdstip kunt u geen aanvraag meer indienen. De hoofdaanvrager ontvangt na indiening van de aanvraag een ontvangstbevestiging.

4.2.3 In behandeling nemen van de aanvraag

Zo snel mogelijk nadat u uw aanvraag heeft ingediend, hoort u of NWO uw aanvraag in behandeling neemt. NWO bepaalt dit aan de hand van een aantal administratief-technische criteria (zie de formele voorwaarden voor indiening, paragraaf 3.6). Alleen als uw aanvraag hieraan voldoet, kan NWO deze in behandeling nemen.

Houdt er rekening mee dat NWO u binnen twee weken na de indieningsdeadline kan benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. U krijgt één keer de gelegenheid om de correcties door te voeren, hiervoor krijgt u vijf werkdagen de tijd.

4.2.4 Preadvisering beoordelingscommissie

De aanvragen worden voor commentaar voorgelegd aan de beoordelingscommissie. Daarbinnen worden per aanvraag bij voorkeur minstens twee preadviseurs aangewezen. De preadviseurs geven schriftelijk een inhoudelijk en beargumenteerd commentaar op de aanvraag. Zij formuleren dit commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een cijfermatige score. Hierbij wordt de NWO-scoretabel gehanteerd (op een schaal van 1 tot 9, waarbij ‘1’ excellent is en ‘9’ ontoereikend). De datamanagementparagraaf wordt niet beoordeeld en daarom ook niet meegewogen in de beslissing om een aanvraag al dan niet toe te wijzen. De beoordelingscommissie kan wel advies geven met betrekking tot de datamanagementparagraaf.

4.2.5 Interviewselectie

Interviewselectie vindt plaats indien NWO in een categorie meer dan 2 maal het aantal aanvragen ontvangt dan dat op basis van het beschikbare budget kan worden toegewezen. De interviewselectie vindt plaats op basis van het resultaat van de preadviezen en de daaruit resulterende prioritering.

Vervolgens ontvangen de hoogst geprioriteerde aanvragen per categorie (Flagship-projecten: maximaal 10; Use case-projecten: maximaal 20) een uitnodiging voor een interview. Aanvragers die geen uitnodiging voor het interview ontvangen, komen niet voor toewijzing in aanmerking.

4.2.6 Interview

Tijdens het interview heeft de beoordelingscommissie de gelegenheid om vragen te stellen. Het consortium kan tijdens het interview in de discussie met de beoordelingscommissie reageren. Op deze wijze wordt hoor- en wederhoor toegepast. Het interview is een belangrijk onderdeel van de beoordeling en kan leiden tot bijstelling van de beoordeling en de score van de aanvraag tot dan toe.

4.2.7 Vergadering van de beoordelingscommissie

De beoordelingscommissie maakt op basis van het beschikbare materiaal een eigen afweging. Hierbij geldt dat de preadviezen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar de beoordelingscommissie neemt deze niet per se onverkort over. De beoordelingscommissie weegt de argumenten van de preadviseurs (ook onderling) en bekijkt of in het interview een goede reactie is gegeven op de vragen van de beoordelingscommissie. De beoordelingscommissie geeft alle aanvragen een eindscore, afgerond op twee decimalen.

De beoordelingscommissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan het bestuur van NWO-domein TTW over de kwaliteit en prioritering van de aanvragen. Dit advies baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag moet tenminste de kwalificatie ‘voldoende’ krijgen op beoordelingscriterium categorie 1 om in aanmerking te komen voor de subsidie (zie paragraaf 4.1). De aanvraag als geheel moet daarnaast tenminste de kwalificatie ‘zeer goed’ krijgen om in aanmerking te komen voor de subsidie. Tevens moet de aanvraag op elk van de overige beoordelingscriteria tenminste de score 4,0 krijgen. Voor meer informatie over de kwalificaties zie Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.

Op basis van de beoordelingscriteria in paragraaf 4.1 stelt de beoordelingscommissie één prioritering op voor alle aanvragen in de categorie Flagship-projecten, en één prioritering voor alle aanvragen de categorie Use case-producten, ongeacht de Challenge (Flagship-projecten) of het microbioomgerichte product (Use case-projecten). Vervolgens draagt de beoordelingscommissie de volgende van deze aanvragen voor toewijzing voor:

Categorie Flagship-projecten:

  • 1. Per Challenge wordt de hoogst geprioriteerde aanvraag die deze als ‘primaire Challenge’ adresseert voor toewijzing voorgedragen;

  • 2. Indien na stap 1 het subsidieplafond voor deze categorie nog niet is uitgeput, draagt de beoordelingscommissie de eerstvolgende hoogst geprioriteerde aanvragen voor toewijzing voor. Dit kan ertoe leiden dat voor sommige Challenges van de categorie Flagships geen aanvraag voor toewijzing wordt voorgedragen, en voor andere Challenges meer dan één aanvraag.

  • 3. Indien na stap 2 het subsidieplafond nog niet is uitgeput, kan de beoordelingscommissie een in budgetomvang kleinere aanvraag die lager in de prioritering is geëindigd voordragen voor toewijzing indien het past in het nog resterende budget.

  • 4. Indien na stap 3 het subsidieplafond voor deze categorie nog niet is uitgeput, kan het resterende budget gebruikt worden om bij de categorie ‘Use case-projecten’ aanvragen toe te wijzen.

Categorie Use Case projecten:

  • 1. Per microbioomgericht product wordt de hoogst geprioriteerde aanvraag die deze als ‘primair microbioomgericht product’ adresseert voor toewijzing voorgedragen;

  • 2. Indien na stap 1 het subsidieplafond voor deze categorie nog niet is uitgeput, draagt de beoordelingscommissie de eerstvolgende hoogst geprioriteerde aanvragen voor toewijzing voor. Dit kan ertoe leiden dat voor sommige microbioomgerichte producten van de categorie Use case-projecten geen aanvraag voor toewijzing wordt voorgedragen, en voor andere microbioomgerichte producten meer dan één aanvraag;

  • 3. Indien na stap 2 het subsidieplafond nog niet is uitgeput, kan de beoordelingscommissie een in budgetomvang kleinere aanvraag die lager in de prioritering is geëindigd voordragen voor toewijzing indien het past in het nog resterende budget.

4.2.8 Besluitvorming

Voor de besluitvorming toetst het bestuur van NWO-domein TTW de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. De definitieve kwalificaties worden vastgesteld en over de toe-en afwijzing van de aanvragen wordt besloten. De aanvrager ontvangt na dit besluit van NWO bericht of de aanvraag is toegewezen of afgewezen. De aanvrager ontvangt ook een brief (per e-mail) met daarin het besluit.

4.3 Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

Onderstaande richtlijnen en kaders zijn van toepassing tijdens de beoordeling van uw aanvraag.

4.3.1 Code persoonlijke belangen

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken NWO-medewerkers is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing.

4.3.2 Generatieve AI

Het gebruik van generatieve AI is volledig uitgesloten bij de beoordeling van een aanvraag. Meer informatie over het beleid op generatieve AI vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).

4.3.3 Diversiteit en inclusie

NWO streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). NWO biedt leden van een beoordelingscommissie handvatten voor het inclusief beoordelen bij de schriftelijke beoordeling en bij de vergadering van de beoordelingscommissie (Inclusief beoordelen | NWO).

4.3.4 Brede definitie van wetenschappelijke output (DORA)

NWO hanteert bij het beoordelen van het wetenschappelijke track record van aanvragers een brede definitie van wetenschappelijke output.

NWO verzoekt de beoordelingscommissie bij de beoordeling van de aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. Deze mogen niet worden vermeld in de aanvraag. Wel mogen naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten worden vermeld, zoals datasets, patenten, software, code enzovoort.

De basis voor dit beleid ligt in de ‘San Francisco Declaration on Research Assessment’ (DORA), ondertekend door NWO. DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier te verbeteren waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksorganisaties, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

4.3.5 Kennisveiligheid

In de Nationale leidraad kennisveiligheid hebben de Nederlandse kennissector (waaronder NWO) en verschillende onderdelen van de Rijksoverheid handvatten vastgelegd voor wie binnen onderzoeksorganisaties te maken heeft met internationale samenwerking en daarbij kansen en (veiligheids-)risico’s tegen elkaar moet afwegen. Bij de aanpak van kennisveiligheid binnen Nederland staat zelfregulering door de kennissector centraal.

NWO verwacht van aanvragers dat zij zich conformeren aan het kennisveiligheidsbeleid van de onderzoeksorganisatie. Indien NWO signalen ontvangt dat een aanvraag of toegewezen project kennisveiligheidsrisico’s met zich meebrengt, kan NWO de aanvrager of projectleider verzoeken inzicht te geven in de risico mitigerende maatregelen. Daarnaast kan NWO besluiten om in het subsidieverleningsbesluit nadere voorwaarden op te nemen ter bescherming van de kennisveiligheid.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

4.3.6 Tegemoetkomingsregeling

Tegemoetkomingsregeling bij overmacht

Aanvragers die gedurende de beoordelingsprocedure verhinderd zijn om tijdig de benodigde input te leveren kunnen mogelijk een beroep doen op de Tegemoetkomingsregeling bij overmacht | NWO.

4.3.7 Ex aequo

Onder ex aequo verstaat NWO de situatie waarin twee of meer aanvragen op basis van hun gewogen score niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een ex aequo situatie is relevant rondom de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Of er sprake is van een ex aequo situatie wordt als volgt bepaald. Het uitgangspunt is de door de beoordelingscommissie opgestelde prioritering, met eindscores afgerond op 2 decimalen. De referentiescore is de score van de laagst geprioriteerde aanvraag binnen de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens. Alle aanvragen met een score die 0,05 of minder van de referentiescore afliggen, worden in overweging genomen. Zo worden de aanvragen geselecteerd die binnen 0,10 gelijk zijn. Indien een ex aequo situatie zich voordoet op de grens van het subsidieplafond of de selectiegrens, dan zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium 1.

Passendheid van de projecten bij de gekozen categorie als hoogste eindigen. Als de ex aequo situatie daarmee niet wordt doorbroken, zal de aanvraag met de hoogste score op het criterium 4: Wetenschappelijke kwaliteit als hoogste eindigen. Als ook dan aanvragen gelijk eindigen bepaalt de beoordelingscommissie met behulp van een (anonieme) meerderheidsstemming de prioritering (conform artikel 2.2.6, vijfde lid van de NWO Subsidieregeling 2024). Als ook stemming geen uitsluitsel biedt, of niet gewenst is, wordt de ex aequo situatie doorgestuurd naar het bestuur van NWO-domein TTW.

5 Na de toewijzing

In dit hoofdstuk staan de voorwaarden en verplichtingen die gelden na toewijzing van de subsidie. Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk relevant voor aanvragers van toegewezen aanvragen.

5.1 Start van het project

Na toewijzing van een aanvraag wordt de hoofdaanvrager automatisch de projectleider en het aanspreekpunt voor NWO. De onderzoeksorganisatie van de projectleider is de begunstigde en wordt penvoerder. De projectleider en penvoerder zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project. Medeaanvragers hebben een actieve rol bij de uitvoering van het project en worden medeprojectleiders.

De projectleider van het project ontvangt namens het bestuur van NWO-domein TTW een subsidieverleningsbesluit. Daarin staan ook specifieke formulieren of richtlijnen vermeld. Het startformulier en het datamanagementplan en de consortiumovereenkomst dienen voor aanvang van het project te worden ingediend. Zonder deze documenten mag het project niet starten. De subsidie wordt uitbetaald in termijnen nadat aan alle startvoorwaarden is voldaan.

5.1.1 Startformulier

Om de start van het project aan te geven, dient gebruik te worden gemaakt van het startformulier. Het startformulier wordt tegelijk met het subsidieverleningsbesluit aan de projectleider gestuurd.

Projectleiders kunnen anderen machtigen om administratieve acties voor hun project uit te voeren in het ISAAC systeem. Meer informatie over de machtigingsregeling voor projectleiders staat hier: Machtigingsregeling voor projectleiders | NWO.

5.1.2 Datamanagementplan

Bij goed onderzoek hoort verantwoord datamanagement. Voorafgaand aan de start van het project werkt de projectleider de datamanagementparagraaf uit tot een datamanagementplan. Als er door de beoordelingscommissie advies gegeven is over datamanagement, dan kan daarvan gebruik worden gemaakt. De projectleider beschrijft in het plan of er gebruik gemaakt wordt van bestaande data of dat het om een nieuwe dataverzameling gaat en hoe de dataverzameling dan FAIR – vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar – gemaakt wordt.

Het datamanagementplan moet worden afgestemd met een datasteward of vergelijkbare functionaris van de onderzoeksorganisatie waar het project wordt uitgevoerd. Het datamanagementplan moet voor de startdatum van het project via ISAAC bij NWO worden ingediend. NWO beoordeelt het plan. Goedkeuring van het datamanagementplan door NWO is een voorwaarde voor de subsidieverlening. Het plan kan tijdens het onderzoek worden bijgesteld.

5.1.3 Consortiumovereenkomst

In de consortiumovereenkomst worden afspraken vastgelegd over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindverslagen. De NWO-consortiumovereenkomst is beschikbaar in het Nederlands en in het Engels. De consortiumovereenkomst wordt aangegaan door alle projectpartners en ondertekend door tekenbevoegde personen binnen de betrokken organisaties en dient via ISAAC te worden ingediend voordat het project mag starten. De verantwoordelijkheid voor het regelen van de consortiumovereenkomst ligt bij de aanvrager.

NWO beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door NWO gefinancierde projecten publiekelijk toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (één van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures. Dit wordt bepaald in de consortiumovereenkomst.

5.2 Monitoring en projectbeheer

Tijdens de loop van het project houdt de projectleider NWO op de hoogte van de voortgang. Dit gebeurt op verschillende manieren.

5.2.1 Voortgangsverslag

NWO vraagt periodiek de voortgang van een project op. De projectleider ontvangt tijdig per e-mail een verzoek voor het opstellen en indienen van een voortgangsverslag, inclusief de deadline voor indiening. Een voortgangsverslagsjabloon is online beschikbaar. Indien er een afwijkend voortgangsverslagsjabloon voor het project geldt, krijgt de projectleider daar informatie over. Omdat voor deze ronde een Impact benadering van toepassing is, wordt de projectleider gevraagd om langs de lijnen van deze benadering over maatschappelijke impact te rapporteren.

5.2.2 Kennisdelingscommissie

De Stichting Holomicrobioom interacteert met de projecten die volgen uit deze Call for proposals via een kennisdelingscommissie voor deze Call for Proposals. In deze commissie wordt elk project vertegenwoordigd door de projectleider en de eventuele technisch manager. De kennisdelingscommissie vergadert 4x per jaar. De projectleiders (en de eventuele technisch managers) voorzien het programmabestuur van relevante informatie (o.a. kennis en projectresultaten) over het R&D-programma. Daarnaast worden kennis en inzichten uit de verschillende projecten met elkaar uitgewisseld. Voor meer toelichting, zie paragraaf 7.7.

5.2.3 (Verplichte) Bijeenkomsten

Er wordt naast de vergaderingen van de kennisdelingscommissie jaarlijks een verplichte bijeenkomst georganiseerd door de Stichting Holomicrobioom en NWO, waarvoor de projectleider en projectpartners worden uitgenodigd. NWO raadt de projectleider aan om in de begroting een budget te alloceren voor deelname aan deze bijeenkomsten.

5.2.4 Onderzoeksoutput

NWO wil op de hoogte blijven van alle output die het onderzoek oplevert, zowel wetenschappelijk als voor het brede publiek. Op de NWO-website is meer informatie te vinden over verschillende soorten output. Projectleiders kunnen deze output indienen via het ISAAC-systeem.

5.2.5 Wijzigingen in het project

Als er tijdens de looptijd van het project wijzigingen zijn ten opzichte van de toegewezen aanvraag en begroting dan moet de projectleider deze wijzigingen vooraf ter goedkeuring voor leggen aan NWO via een wijzigingsformulier. Zie ook artikel 3.4 van de NWO Subsidieregeling 2024.

5.3 Richtlijnen en kaders voor uitvoering project

Hieronder staan de richtlijnen en kaders beschreven die van toepassing zijn op de uitvoering van het project.

5.3.1 Naleving Nationale leidraad kennisveiligheid

Net zoals bij de beoordeling (zie paragraaf 4.3) is na toewijzing de Nationale leidraad kennisveiligheid van toepassing. NWO verwacht van projectleiders dat zij zich conformeren aan het kennisveiligheidsbeleid van de onderzoeksorganisatie. In het subsidieverleningsbesluit kunnen nadere voorwaarden zijn opgenomen ter bescherming van de kennisveiligheid. De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Loket Kennisveiligheid.

5.3.2 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de projectleider om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de projectleider een kopie van deze verklaring of vergunning aan NWO verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.

5.3.3 Wetenschappelijke integriteit

Onderzoek dient volgens de normen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (2018) te worden uitgevoerd. In geval van (mogelijke) schending van deze normen, moet de projectleider NWO hiervan onmiddellijk op de hoogte stellen en alle relevante documenten aan NWO overleggen. Onderzoekers kunnen ook een klacht indienen bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van hun onderzoeksorganisatie of bij het Meldpunt wetenschappelijke integriteit | NWO.

NWO hecht grote waarde aan de wetenschappelijke integriteit van door haar gefinancierd onderzoek en spant zich in om integriteitsschendingen te voorkomen en te signaleren. Niet-integer onderzoek kan immers leiden tot directe schade (bijvoorbeeld aan de omgeving of patiënten), en kan het publieke vertrouwen in de wetenschap en het vertrouwen tussen wetenschappers onderling aantasten.

5.3.4 Principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de tien principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, die te vinden zijn op de website van UMCNL.

5.3.5 Genetische bronnen en Nagoya Protocol

Onderzoekers moeten de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen. Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke verdeling van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische bronnen, inclusief (traditionele) kennis over deze bronnen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die gebruik maken van deze bronnen (in of uit het buitenland) dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (Home | ABS Focal Point).

5.3.6 Intellectueel eigendom

Het beleid van NWO met betrekking tot intellectueel eigendom (IE) is te vinden in de NWO Subsidieregeling 2024.

Projectleiders moeten een door NWO gefinancierd project uitvoeren in de tijd dat ze voor de begunstigde onderzoeksorganisatie werken. Indien een projectleider of een door NWO gefinancierde onderzoeker bij meerdere werkgevers is aangesteld, dient de niet-begunstigde werkgever afstand te doen van eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit het project voortvloeien.

5.4 Afronding

Uiterlijk drie maanden na het einde van de looptijd van het project levert de projectleider schriftelijk een inhoudelijk en financieel eindverslag in. Het niet of niet tijdig indienen van deze verslagen kan leiden tot het lager of op nihil vaststellen van de subsidie. De projectleider ontvangt een verzoek per e-mail, inclusief de deadline voor indiening. Een basis eindverslagsjabloon en een financieel eindverslagsjabloon zijn te vinden op: Het afsluiten van een project | NWO. Indien er een afwijkend eindverslagsjabloon voor het project geldt, ontvangt de projectleider daar te zijner tijd informatie over.

5.4.1 Controleverklaring bij financiële verantwoording

Om zekerheid te verkrijgen over of de subsidie op de juiste wijze is besteedt, vraagt NWO bij een vaststellingsverzoek om een controleverklaring / auditrapport uitgevoerd door een externe accountant wanneer:

  • het Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ niet van toepassing is op de begunstigde van een subsidie voor een project en de verleende subsidie boven de € 125.000 ligt;

  • bij de financiering van een project door NWO een andere publieke financier dan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is betrokkenen en deze een controleverklaring vereist. In die gevallen maakt het niet uit of het Onderwijsaccountantsprotocol van toepassing is.

Het Onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ is van toepassing op door het Ministerie van OCW bekostigde rechtspersonen in de onderwijssectoren Primair Onderwijs (PO), Voortgezet Onderwijs (VO), Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en Hoger Onderwijs (HO).

De penvoerder is verantwoordelijk voor het tijdig regelen van de controleverklaring. Deze verantwoordelijkheid blijft onverminderd van toepassing als de penvoerder een deel van de subsidie heeft besteed aan een andere partij. Stem dit op tijd af met de externe accountant.

Neem voor vragen over dit onderwerp tijdig, bij voorkeur bij de start van het project, contact op met NWO, zie hoofdstuk 6.

5.5 Onderzoeksresultaten – Open Science

Open Science is de beweging die staat voor een meer open en participatieve onderzoekspraktijk waarbij publicaties, data, software en andere vormen van wetenschappelijke informatie in een zo vroeg mogelijk stadium gedeeld worden en voor hergebruik beschikbaar gesteld worden.

Wetenschappelijke publicaties over het project dienen Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access. Op de website van NWO staat beschreven welke opties er zijn voor het Open Access beschikbaar maken van verschillende typen publicaties zoals wetenschappelijke artikelen, boeken en boekhoofdstukken en proefschriften. Op de NWO-website staat ook informatie over de toepassing van licenties. Eventuele kosten voor Open Access publiceren dienen te worden begroot als onderdeel van de aanvraagbegroting.

Leidt NWO-onderzoek tot een publicatie of andere relevante onderzoeksoutput? Dan moet de penvoerder bij de acknowledgements NWO noemen als financier.

5.6 Evaluatie

NWO kan aanvragers/projectleiders mogelijk benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

6 Contact

Vragen over de financiering van aanvragen?

Kijk voor meer informatie op Financiering aanvragen, hoe werkt dat? | NWO.

Vragen over de inhoud van deze ronde?

Voor inhoudelijke vragen over deze ronde kan contact worden opgenomen met: Titia Plantinga, Senior Program officer

Tel: 06 4570 6334

Floor Hugenholtz, Program officer Tel: 06 2307 9588

E-mail: NGF-Holomicrobioom@NWO.nl

Technische vragen over het elektronische aanvraagsysteem ISAAC?

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC). Daarnaast kan er contact opgenomen worden met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur CET/CEST op telefoonnummer +31 (0)70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen twee werkdagen een reactie.

7 Bijlagen

7.1 Budgetmodules en tarieven voor onderzoeksorganisaties

Voor personeel dat een substantiële bijdrage levert aan het onderzoek kan subsidie voor de salariskosten worden aangevraagd. Subsidiëring van deze salariskosten is afhankelijk van het type aanstelling en de onderzoeksorganisatie waar het personeel wordt aangesteld.

  • Voor universitaire instellingen worden salariskosten gefinancierd conform:

    • de op het moment van subsidieverlening geldende UNL-salaristabellen plus 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;

    • de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.4.

  • Voor universitair medisch centra worden salariskosten gefinancierd conform:

    • de op het moment van subsidieverlening geldende UMCNL-salaristabellen plus 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;

    • de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.4.

  • Voor personeel van hogescholen, TO2-instituten en overige onderzoeksorganisaties worden salariskosten gefinancierd op basis van:

    • de cao-inschaling van de betreffende medewerker conform de op het moment van subsidieverlening geldende tarieven uit tabel 2.1 ‘Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven plus 50% opslag (Salaristabellen | NWO) of;

    • de tarieven conform integrale kostensystematiek (IKS) zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende hoofd- of medeaanvragers. Zie ook paragraaf 7.4.

  • Voor de Nederlandse Cariben geldt dat de Rijksoverheid in Caribisch Nederland ambtenaren op de BES-eilanden onder andere voorwaarden in dienst neemt dan in Europees Nederland. https://www.rijksdienstcn.com/werken-bij-rijksdienst-caribisch-nederland/arbeidsvoorwaarden.

De tarieven voor alle budgetmodules, met uitzondering van de IKS-tarieven (zie paragraaf 7.4), zijn verwerkt in het begrotingsformat bij het aanvraagformulier. Voor de budgetmodules ‘Promovendus’, ‘EngD’ en ‘Postdoc’ komt bovenop de salariskosten een eenmalige persoonsgebonden benchfee van

€ 5.000 (niet van toepassing bij gebruik van IKS), ter stimulering van de wetenschappelijke carrière van de door NWO gefinancierde projectmedewerker. Behalve bij het gebruik van IKS-tarieven. De IKS-tarieven zijn al integraal dus hierin is benchfee opgenomen. Vergoedingen voor promotiestudenten/beursalen aan een Nederlandse universiteit komen niet in aanmerking voor subsidie van NWO.

7.2 Toelichting op budgetmodules

7.2.1 Personeel

Voor genoemde salaristabellen en tarieven: zie Salaristabellen | NWO.

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, sub c tot en met h van de NWO Subsidieregeling 2024 kunnen loonkosten worden opgevoerd voor onderstaande personeelsposities.

Promovendus (alleen voor Flagship-projecten)

Een promovendus wordt 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld. Het equivalent van 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een promovendus die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en UMCNL plus een opslag van 50% of de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor iedere promovendus is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar (niet van toepassing bij gebruik van IKS) ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Engineering Doctorate

Een Engineering Doctorate (EngD) wordt ten hoogste 24 maanden voor 1,0 fte aangesteld. De EngD is in dienst van de aanvragende onderzoeksorganisatie en kan voor bepaalde tijd werkzaamheden binnen het onderzoek bij een industriële partner uitvoeren.

Financiering voor de aanstelling van een EngD kan alleen worden aangevraagd als er ook financiering voor een promovendus of postdoc wordt aangevraagd. Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een EngD die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een promovendus in de salaristabellen van UNL en UMCNL plus een opslag van 50% of de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor iedere EngD is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar (niet van toepassing bij gebruik van IKS) ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Postdoc

Een postdoc wordt aangesteld voor een specifieke periode en fte.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL plus een opslag van 50%, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van UMCNL plus een opslag van 50%. Komt de postdoc van een hogeschool dan kunnen de HOT-tarieven plus een opslag van 50% worden gebruikt.’ Of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL plus een opslag van 50%, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van UMCNL plus een opslag van 50%. Komt de postdoc van een hogeschool dan kunnen de HOT-tarieven plus een opslag van 50% worden gebruikt.’ Of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO.

Arts-onderzoeker

Financiering kan worden aangevraagd voor de aanstelling van een basisarts of arts-assistent als arts-onderzoeker voor de uitvoering van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek aan een umc. Een arts-onderzoeker wordt minimaal 36 en maximaal 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld. Het equivalent van 36 of 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 48 of 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is in bijzondere situaties mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een arts-onderzoeker die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van (arts-)onderzoeker in de salaristabellen van UMCNL plus een opslag van 50% of de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor iedere arts-onderzoeker is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar (niet van toepassing bij gebruik van IKS) ter stimulering van diens wetenschappelijke carrière.

Niet-wetenschappelijk personeel

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectmanagers. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door NWO gefinancierde project.

Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of UMCNL plus een opslag van 50% voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor NWP is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Vervanging van de aanvrager

Met deze budgetmodule kan financiering worden aangevraagd voor de kosten van de te vervangen hoofd- en/of medeaanvragers. Hiermee kan de werkgever van de betreffende aanvrager de kosten dekken om die vrij te stellen van onderwijs-, begeleidings-, bestuurs- of beheertaken (niet van onderzoekstaken). De aanvrager mag de tijd die vrijkomt door vervanging alleen inzetten voor werkzaamheden voor het project. In de aanvraag moet beschreven worden welke werkzaamheden in het kader van het project de aanvrager(s) in de vrijgestelde tijd zullen verrichten.

NWO financiert de vervanging op basis van de op de besluitdatum geldende salaristabellen plus 50% opslag voor een senior wetenschappelijk medewerker (UNL) of postdoc (UMCNL) of op basis van het IKS-tarief zoals gedeponeerd bij RVO voor maximaal het tarief wat is gebruikt in de aanvraagbegroting. (Salaristabellen | NWO)

7.2.2 Personeel van hogescholen, TO2-instituten, onderwijsinstellingen en overige (onderzoeks)organisaties

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen en overige (onderzoeks)organisaties. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.1, ‘gemiddelde directe loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ plus 50% opslag. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel.

Of gebruik de IKS-tarieven zoals gedeponeerd bij RVO. Voor personeel van hogescholen, TO2-instituten, overige onderwijsinstellingen en overige (onderzoeks)organisaties is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden), dient het tarief te worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert.

7.2.3 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. De buitenlandse onderzoeksorganisatie moet voldoen aan de definitie van onderzoeksorganisatie zoals bedoeld in artikel 1.1, leden 4 en 5 van de NWO Subsidieregeling 2024 en aan de onder ‘voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie’ genoemde cumulatieve voorwaarden.

Onderbouw overtuigend hoe de onderzoeker van de buitenlandse onderzoeksorganisatie specifieke expertise aan het project bijdraagt die in Nederland niet beschikbaar is op het niveau dat voor het project noodzakelijk is. De beoordelingscommissie beoordeelt deze onderbouwing als onderdeel van het criterium 4. Wetenschappelijke kwaliteit. Deze onderbouwing is niet nodig wanneer NWO een bilaterale overeenkomst omtrent Money follows cooperation heeft gesloten met de nationale onderzoeksfinancier van het land waar de buitenlandse onderzoeksorganisatie zich bevindt. Op de NWO-website staat met welke onderzoeksfinanciers NWO een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. NWO verstrekt geen subsidie aan medeaanvragers in het buitenland die vallen onder toepasselijke sanctiewetgeving.

De hoofdaanvrager ontvangt de subsidie en is verantwoordelijk voor het overmaken van subsidiemiddelen aan de buitenlandse onderzoeksorganisatie van de medeaanvrager en voor de financiële verantwoording van de besteding van het buitenlandse deel van de subsidie. Het wisselkoersrisico ligt bij de aanvrager. Baten of lasten door wisselkoersen zijn niet subsidiabel.

Gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

Als binnen deze budgetmodule meer dan € 125.000 per organisatie wordt aangevraagd, dan is een controleverklaring nodig bij financiële eindverantwoording.

Voorwaarden buitenlandse onderzoeksorganisatie

De organisatie dient:

  • een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn, althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie; (alle andere rechtsvormen, waaronder besloten en naamloze vennootschappen – althans het equivalent daarvan in het land van vestiging van de buitenlandse organisatie – zijn uitgesloten);

  • zich in de hoofdzaak zelf bezig te houden met het op onafhankelijke wijze verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of met het met het breed verspreiden van de resultaten van de eigen onderzoeksactiviteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht;

  • te kunnen verklaren dat de organisatie een gescheiden boekhouding voert ten aanzien van economische/niet-economische activiteiten en dat ondernemingen met een beslissende invloed op de organisatie geen preferente toegang krijgen tot de onderzoeksresultaten van de organisatie.

Zie voor tijdpad en aan te leveren documenten paragraaf 3.2.3.

7.2.4 Materieel

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke kosten met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module. Maximaal 50% van het bij NWO aangevraagde materiele budget kan ingezet worden voor werk door derden (bijvoorbeeld laboratoriumanalyses, dataverzameling enz.).

In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de universiteit of hogeschool. Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, exclusief btw’ plus 50%, schaal 1.

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in de paragraaf 5.5 Open Science. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor onderzoeksorganisaties die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding;

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur; reguliere onderwijsactiviteiten;

  • leden van de kennisdelingscommissie.

Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.2.3 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland.

7.2.5 Investeringen (alleen voor Flagship-projecten)

Financiering kan worden aangevraagd voor alle project-specifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in primaire activiteiten van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 3.1.4, lid 2, van de NWO Subsidieregeling 2024. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek en om investeringen in de opbouw of (verdere) ontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur. Loonkosten als onderdeel van de investering zijn op te voeren als personele kosten.

De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.

Subsidiabel zijn:

  • kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur;

  • kosten voor investeringen in datasets;

  • loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering.

Niet-subsidiabel zijn:

  • kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden (volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding);

  • dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn;

  • loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering;

  • overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit;

  • kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project. De kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden.

7.2.6 Kennisbenutting

Het aangevraagde budget dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden. Gebruik voor de bepaling van de tarieven de bepalingen van Personeel en Materieel.

Het doel van deze budgetmodule is het bevorderen van de benutting van de uit het onderzoek voortkomende kennis8, gerelateerd aan de beoogde impactdoelen voor het Groeifondsprogramma Holomicrobioom (zie paragraaf 2.2.1).

Het is verplicht om een bedrag op te voeren voor kennisbenutting. Deze kosten zijn ten minste 5% en ten hoogste 20% van het subsidiebedrag.

Voorbeelden van mogelijke kosten, maar niet gelimiteerd tot, zijn een haalbaarheidsstudie naar toepassingsmogelijkheden dan wel een mogelijke toepassing toetsen in de praktijk, vaardigheden ontwikkelen, kosten voor het indienen van een octrooiaanvraag, outreach & kennisoverdracht, netwerkvorming, het gebruik maken van een business developer.

Deze Call for proposal vraagt om praktijkgericht onderzoek, waarin kennisbenutting middels doorwerking via vraagarticulatie en samenwerking in een consortium deels al geïntegreerd is in de projectactiviteiten. De aanvrager dient duidelijk aan te geven waar deze doorwerking uit bestaat en hoe de beoogde te ontwikkelen kennis wordt benut en bijdraagt aan de impactdoelen.

Het aangevraagde budget voor kennisbenutting dient in de aanvraag adequaat gespecificeerd te worden.

Let op: Indien financiering wordt aangevraagd voor bovenstaande project-specifieke kosten van buitenlandse organisaties dienen deze organisaties voor indiening getoetst te worden op de wijze omschreven in paragraaf 7.2.3.

7.2.7 Projectmanagement

De module Projectmanagement geeft de mogelijkheid om een post voor projectmanagement aan te vragen tot maximaal 5% van het totale bij NWO aangevraagde budget. Deze post kan uitsluitend activiteiten betreffen die zuiver ondersteunend zijn aan het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De aanvrager moet deze post adequaat motiveren.

Onder projectmanagement wordt onder andere verstaan het optimaal vormgeven van de organisatiestructuur van het consortium, ondersteuning van het consortium en de hoofdaanvrager, het bewaken van de samenhang, voortgang en eenheid van het project, en de afstemming tussen de deelprojecten binnen het project. Deze taken mogen ook door externe organisaties worden uitgevoerd voor zover niet beschikbaar op de onderzoeksorganisatie van de hoofd- en/of medeaanvrager(s).

Onderzoeksorganisaties dienen bij de offerteprocedure tot het selecteren van een derde partij rekening te houden met de inkoopregels van de overheid en waar nodig een Europese aanbestedingsprocedure te volgen. De werkzaamheden van de hoofdaanvrager en medeaanvragers zelf in het kader van het project(management) mogen niet bekostigd worden uit deze budgetmodule.

Het voor projectmanagement aan te vragen budget kan bestaan uit materiële- of uitvoeringskosten en personele kosten. Voor personele kosten kan een maximaal tarief van € 121 per uur worden opgevoerd. Het uurtarief van het aan te stellen personeel dient te zijn gebaseerd op een kostendekkend tarief en wordt berekend op basis van het gehanteerde standaard productief aantal uur van de organisatie. Het kostendekkend tarief omvat:

  • (gemiddeld) brutoloon behorende bij de functie van de medewerker die zal bijdragen aan het project (op basis van de cao-inschaling van de betreffende medewerker);

  • vakantiegeld en 13e maand (indien van toepassing in de geldende cao) naar rato van de inzet in fte;

  • sociale lasten;

  • pensioenlasten;

  • overhead.

Het is toegestaan om taken in het kader van projectmanagement door externe organisaties te laten uitvoeren, maar het deel van (commerciële) uurtarieven dat voornoemde tarieven overschrijdt, is niet subsidiabel en kan derhalve niet worden opgenomen in de begroting.

7.3 In aanmerking komende kosten voor ondernemingen en maatschappelijke organisaties

7.3.1 In aanmerking komende kosten voor personeel

Kosten voor de financiering van personeel werkzaam bij een onderneming en maatschappelijke organisaties worden tot maximaal 40% vergoed volgens:

  • de op het moment van subsidieverlening geldende HOT tarieven uit tabel 2.1 ’Gemiddelde directe loonkosten’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’ van de Handleiding Overheidstarieven plus 50% opslag (Salaristabellen | NWO). Het werkelijke uurtarief van de medewerker op basis van de cao van diens organisatie dient als uitgangspunt voor de tariefkeuze. Voor organisaties die niet de cao Rijksoverheid of vergelijkbaar gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden) en of ondernemingen en overige maatschappelijke organisaties die niet onder een cao vallen, kan het HOT-tarief worden gebruikt dat de werkelijke loonkosten het dichtst benadert. Bij berekening moet worden uitgegaan van het aantal productieve uren genoemd in de geldende jaargang van de Handleiding Overheidstarieven, of

  • een vast uurtarief van € 60, of

  • een tarief conform integrale kostensystematiek zoals gedeponeerd bij RVO voor de betreffende medeaanvrager. Zie ook paragraaf 7.4.

Dit kunnen personeelskosten zijn voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden.

Onder artikel 25 van de AGVV vergoedt NWO maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten voor personeel. Om die reden moet, indien na indiening van de aanvraag en voor toewijzing van de aanvraag de HOT-tarieven stijgen, een aanvrager die gebruikt maak van de HOT-tarieven in de aanvraagbegroting middelen reserveren om de stijging van personeelstarieven eenmalig te financieren. NWO zal daartoe in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische, meerjarige cijfers. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het voorgeschreven percentage ten aanzien van de daadwerkelijke stijging van tarieven.

Indien de reservering onvoldoende blijkt om stijging van de personeelstarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingsposten waarbij het substantieel inhoudelijk wijzigen van de aanvraag niet is toegestaan.

Indien blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, stelt NWO de aanvraagbegroting naar beneden bij en worden uitsluitend de kosten verbonden aan de daadwerkelijke stijging toegewezen.

7.3.2 In aanmerking komende kosten (anders dan de personeelskosten)

Voor zover de in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten andere kosten dan de personeelskosten betreffen komen hiervoor in deze Call for proposals de volgende kosten in aanmerking voor financiering:

  • Operationele kosten: bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Maximaal € 150.000 in totaal in het project/per aanvragende organisatie.

Maximaal 40% van de in aanmerking komende kosten wordt als subsidie verleend. De overige minimaal 60% van de in aanmerking komende kosten betreft de eigen bijdrage van de organisatie en wordt meegerekend bij de Financiering anders dan door NWO (zie ook paragraaf 3.3).

7.4 De integrale kostensystematiek (IKS) en het vaste uurtarief

Specifiek en uitsluitend voor Calls for proposals die NWO uitvoert in het kader van het Nationaal Groeifonds kunnen hoofd- en medeaanvragers voor de financiering van personeelskosten gebruikmaken van de Integrale kostensystematiek zoals deze door RVO wordt gehanteerd.

Alleen onderzoeksorganisaties, ondernemingen en maatschappelijke organisaties waarvan de IKS-tarieven zijn gedeponeerd en goedgekeurd door RVO mogen deze tarieven toepassen in de aanvraagbegroting.

Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO ten behoeve van de formele toets op indieningsvoorwaarden door NWO. Tevens houdt de keuze in dat men de IKS-tarieven deelt met de consortiumpartners van het voorstel op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.

NWO zal als onderdeel van de toets op formele voorwaarden voor indiening de IKS-tarieven in de aanvraagbegroting vergelijken met de bij RVO gedeponeerde en goedgekeurde tarieven. NWO hanteert hierbij de tarieven die gebruikt zijn bij indiening van de aanvraag. Indien er een afwijking geconstateerd wordt in de IKS-tarieven van de aanvraagbegroting en de IKS-tarieven bij RVO zal door NWO contact gezocht worden met de hoofdaanvrager, die de verantwoordelijkheid heeft om de aanvraag (incl. begroting) binnen de daartoe gestelde termijn in overeenstemming te brengen met de voorwaarden (zie ook de paragraaf 4.2.3).

De opgevoerde functies in de aanvraagbegroting moeten overeenkomen met de benoemde functies in de IKS-tabel zoals deze is gedeponeerd bij RVO. De bijbehorende uurtarieven dienen verder zonder indexatie te worden opgevoerd in de aanvraagbegroting. Er is géén mogelijkheid tot indexatie van tarieven gedurende de looptijd van het project. Als gebruik is gemaakt van IKS-tarieven is benchfee niet van toepassing omdat deze integrale kosten al in het IKS-tarief zijn opgenomen.

In de financiële eindverantwoording moet de aanvrager de gemaakte personeelskosten van alle jaren afzonderlijk opnemen.

Vast uurtarief

(Bron: Vaste uurtarief systematiek (rvo.nl)) De vaste-uurtarief-systematiek is een standaardmethode om de hoogte van subsidie voor in aanmerking komende kosten te berekenen. Onderzoeksorganisaties kunnen geen gebruik maken van dit tarief.

Het vaste uurtarief is een vergoeding voor de loonkosten/arbeidskosten en de indirecte-, of overheadkosten van uw organisatie, bijvoorbeeld huisvestingskosten, kosten van kantoorapparatuur en kosten van binnenlandse reizen voor werkoverleg. De hoogte van het vaste uurtarief bedraagt in deze Call for proposals € 60.

Indien u gebruik maakt van deze systematiek moet in uw administratie het aantal gewerkte uren door uw projectmedewerkers en de kosten van apparatuur, materialen en derden (facturen) duidelijk terug te vinden zijn. Een verantwoording over de werkelijke loonkosten van de medewerkers die aan het project werken is niet nodig.

7.5 Reservering van UNL, UMCNL en HOT loonkosten

Indien na indiening van het voorstel en voordat het voorstel wordt toegekend de UNL- en/of UMCNL-en/of HOT-tarieven stijgen, dient de aanvrager in de begroting van het voorstel middelen te reserveren om een eenmalige stijging van de personeelstarieven te financieren. NWO zal in het begrotingsformat een percentage voorschrijven op basis van een inschatting van historische meerjarencijfers. Aan het voorgeschreven percentage kan de aanvrager geen rechten ontlenen ten aanzien van de daadwerkelijke tariefstijging.

Als het gereserveerde bedrag onvoldoende blijkt om de stijging van de personele tarieven te financieren, compenseert de aanvrager de stijging uit andere begrotingscategorieën. Inhoudelijke wijzigingen in de aanvraag zijn niet toegestaan.

Als blijkt dat niet alle gereserveerde middelen nodig zijn, dan past NWO het aanvraagbudget naar beneden aan en worden alleen de kosten vergoed die samenhangen met de daadwerkelijke tariefsverhoging.

7.6 Erkende onderzoekorganisaties

De hieronder genoemde Rijkskennisinstellingen mogen als hoofdaanvrager optreden in een consortium. De toetsing zoals vermeld in paragraaf 3.2.3 is voor deze organisaties niet nodig.

  • KNMI – Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

  • RIVM – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

  • CBS – Centraal Bureau voor de Statistiek

De hieronder genoemde onderzoeksorganisaties mogen als medeaanvrager optreden in een consortium. De toetsing zoals vermeld in paragraaf 3.2.3 is voor deze organisaties niet nodig.

  • IHE Delft Institute for Water Education

  • Waag Futurelab

  • SWOV – Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid

  • IMEC-NL

  • Nivel

  • NLDA- Nederlandse Defensie Academie

  • AMS Institute

  • Trimbos instituut

  • Centre of Expertise Water Technology (CEW)

  • Deltares

  • Marin

  • NIVEL

  • TNO

  • Wageningen Research

7.7 Inhoudelijke toelichting op Hoofdstuk 2

7.7.1 Flagship-projects: foundations for microbiome applications

Challenge-driven Flagship projects

Together with the field, the Holomicrobiome Institute has defined four key scientific Challenges for microbiome applications. Flagship-projects are expected to contribute to generic, cross-domain solutions, in the form of conceptual frameworks and principles, models and model systems, as well as workflows, methods and resources. In this way Flagship projects will increase the competitiveness of the Netherlands and accelerate innovation in (holo)microbiome applications in the longer term.

It is important to stress that differences are acknowledged between domains with respect to currently available mechanistic knowledge, complexity of the system, diversity of the microbiome, ability to sample or control the environment. Flagship projects are expected to make substantial contributions towards the Challenges in view of these differences.

Flagship project proposals do not need to map one-to-one on the Challenges, but can address several Challenges and domains, embracing the ‘holo’ aspect of the Institute’s vision.

Cross-domain relevance and impact

Flagship-projects are invited show how their project output (ideas, methods, principles, resources) can be useful beyond a single domain, even if developed in one main system. Proposals are also expected, by applying the theory of change (paragraph 7.7.4, theory of change for Flagship-projects), to outline potential applications within ~5 years, and to describe how they will involve relevant stakeholders (e.g. industry, regulators, societal partners) to create the intended impact and support real-world uptake.

Standards and robustness

Flagship-projects are asked to build on or contribute to shared standards and datasets where possible as explained in the Holomicrobiome Data Space paragraph 7.7.2, and include strategies to deal with variability, aiming for robust and comparable results rather than exact replication.

Key concepts

To promote shared understanding, we use the following working definitions:

  • Mechanistic understanding: quantitatively testable relationships between microbial activities and interactions and measurable ecosystem properties that remain valid under perturbations and across contexts.

  • Causality: experimentally or computationally validated cause-effect relationships that are robust to controlled perturbations, beyond statistical associations.

  • Functional outputs: measurable ecosystem-level properties such as metabolic fluxes, productivity, adaptability, or host/system performance metrics, depending on the domain.

  • Functional signature: set of data (genomics, multi-omics, physicochemical or biological, possibly spatiotemporal) that is a robust proxy for the microbiome functional output relevant for the application or system at hand. They differ from mere molecular (bio)markers, which are measurements that somehow bears information about the state of a system, and typically are agnostic of the underlying causal relationship, i.e. are often based on correlations.

Challenge 1: Functional potential of microbes and microbiomes

While typical compositional microbiome studies increasingly incorporate multi-omics readouts, translating these data into reliable, condition-dependent predictions of microbiome function across environments and over time remains a key challenge. Moreover, the function of many genes in microbiome datasets remains uncharacterized. The Challenge, therefore, is to translate compositional and (functional) genomic data robustly into functional potential of microbes and microbiomes under application-relevant conditions.

Flagship-projects addressing this Challenge will:

  • Establish experimental and computational workflows to systematically link genotypes and community composition to functional outputs across relevant conditions, using isolates, defined consortia and complex, natural microbiome samples.

  • Generate coherent datasets that capture microbial activities, interactions, and metabolic processes under conditions relevant for key HMB use cases.

  • Develop methods to map functional interactions between microbes, hosts, and environments, by integrating targeted experiments with computational modelling approaches.

  • Build computational workflows that integrate microbial physiology, functional genomics and metadata to predict functional outputs in a condition-dependent manner.

These efforts should be embedded in hypothesis- or model-driven frameworks aimed at improving predictive genotype-phenotype translation, not in open-ended descriptive cataloguing. Outcomes will provide building blocks for mechanistic interpretation, routes to causation, and transferable design principles for microbiome composition, assembly, and function.

Challenge 2: Mechanism-informed functional microbiome signatures

This Challenge targets the definition, validation, and implementation of (mechanism-informed) functional signatures that link community readouts to system-level performance. Such signatures should capture ecosystem behaviour, rather than comprising only static molecular (bio)markers.

Thus, while Challenge 1 addresses what the microbiome (and its constituent microbes) is doing, projects addressing Challenge 2 make such functional understanding actionable in the context of microbiome-based applications (albeit pre-, pro-, or postbiotics, phage therapy, transplants, syncoms or other). Functional signatures provide reliable and robust readouts that support evaluation of the functional impact of microbiome applications and where appropriate, their future regulatory acceptance.

Flagship-projects addressing this Challenge will:

  • Define functional signatures that robustly link to measurable system-level effects and capture dynamic responses to perturbations and environmental variation.

  • Provide experimental and/or modelling evidence that these signatures reflect system behaviour and remain robust across time, conditions, and biological variability.

  • Implement indicators as quantitative and reproducible readouts that can be integrated into predictive models, decision frameworks, and where relevant, intervention strategies.

  • Assess generalisability and cross-domain applicability, showing that the resulting indicators and methods are transferable beyond a single use case or domain.

Purely correlative molecular (bio)marker panels without causal validation fall outside this Challenge. Correlation-based biomarkers may be used as practical proxies when embedded within a strategy aimed at improving mechanistic understanding or predictive value. Hybrid approaches that combine data-driven and mechanistic modelling may provide one way to deriving such transferable signatures.

Challenge 3: Translational models for validation and causation

Microbiome research has produced a wide range of models in different domains, but there is a lack of a coherent, validated set of model systems that bridges real-world complexity with mechanistic understanding and sufficient experimental throughput. This limits translation of model outcomes into predictable and controllable system behaviour. Projects addressing this Challenge are expected to improve our ability to select, combine, and align models that are fit for purpose in terms of complexity, throughput and biological relevance.

Flagship-projects addressing this Challenge will:

  • Identify and, where needed, develop a coherent set of experimental and, preferably in collaboration with Pillar 1 (paragraph 7.7.2), also computational models that span levels of complexity and throughput, and clarify which system properties (e.g. safety, filtering, spatiotemporal dynamics) are represented in each.

  • Provide experimental and computational validation that models quantitatively reflect system behaviour at appropriate levels of detail, are reproducible, and embody a mechanistic structure that is relevant to prediction and understanding.

  • Use these models to quantify how perturbations propagate through microbiomes, define measurable system-level properties such as adaptability and stability landscapes, and test predictive, control-relevant hypotheses.

  • Derive generalizable principles and transferable dynamic motifs that are valid across studies and domains, supported where relevant by information from Challenge 1.

Model development should be tightly linked to well-defined predictive or causal validation objectives and application-relevant hypotheses, rather than improving models or biology in isolation. The model landscape is expected to include complementary top-down models with reduced natural complexity and bottom-up models with higher biological detail, which together allow for robust causal inference and translatable mechanistic understanding of microbiome assembly, engraftment and function.

Challenge 4: Microbiome intervention design

The success of microbiome applications hinges on our ability to design interventions that robustly and predictably steer functional outputs, rather than relying on trial-and-error or blind optimization.

Emergent behaviours, multi-scale interactions, and eco-evolutionary feedbacks currently limit predictive application design. It also remains unclear which aspects of micriobiome function are predictable and controllable, or what level of model granularity is required for effective predictive applications: when is a detailed mechanistic network necessary, and when can simplified representations suffice?

Flagship-projects addressing this Challenge will:

  • Develop methods and workflows for application design that use stepwise complexity, starting from lower ecological and experimental complexity (e.g. simplified or more tractable microbial communities, including defined or naturally derived inocula when appropriate), and increasing complexity only when needed, while capturing key activities, interactions, and processes underlying emergent functional behaviour.

  • Define generic principles for guiding microbiome assembly, functional outputs, and adaptability, and identify (keystone) species, interactions, and environmental conditions to which these outputs are sensitive and thus amenable to steering.

  • Provide frameworks and tools that are transferable across domains, enabling applications to be grounded in explicit, testable quantitative predictions and integrated with models and insights from the other Challenges.

Empirical optimization alone, without mechanistic or model-based reasoning is considered out of scope. Instead, empirical screening can be used within a design-build-test-learn cycle guided by explicit hypotheses and quantitative predictions. A successful outcome of this Challenge will be the establishment of science-based principles and workflows that reduce uncertainty and failure rates and accelerate the development of microbiome-based intervention strategies.

7.7.2 Holomicrobiome projects participation in Pillar 1

The Holomicrobiome Data Space

A core element of the Holomicrobiome Growthfund programme (HMB) is the development of the Holomicrobiome Data Space: a cross-domain data and modeling infrastructure that will serve as a lasting foundation for (holo)microbiome research. The Holomicrobiome Institute coordinates its development and invites applicants to be part of this first-of-its-kind effort to build and shape the infrastructure to their needs.

The Holomicrobiome Data Space enables availability, accessibility, interoperability and reusability of high-quality data, standardized metadata, and validated fit-for-purpose modeling workflows, models and tools (FAIR-by-design). It comprises a registry/catalogue of datasets, workflows, models, tools and policies for data access and exchange that implement metadata, vocabularies, standardized ontologies and minimal information requirements.

The data space will be populated with curated, high-quality datasets, as well as reusable workflows and (foundation) models that support development and use of advanced cross-domain analyses. Prioritization of data types, domains and modeling methods is driven by use cases, and the full value of the infrastructure is realized through active interaction with projects funded under this Call for proposals.

Accordingly, the Holomicrobiome Institute aims to act as a collaborative partner in funded projects. For Use case-projects, Holomicrobiome Institute will offer central support for data sharing and analysis on a case-by-case basis. For Flagship projects addressing cross-domain, pre-competitive research challenges, close collaboration with the data integration team is recommended, and in case of collaboration with Holomicrobiome Institute, direct partnering in the form of dedicated personnel is expected. For the Flagship projects, this contribution is at no additional cost, as the Holomicrobiome Institute data team is funded directly through the National Growthfund.

All projects collaborating with Holomicrobiome Institute are asked to describe if and how they will interact with the Holomicrobiome Data Space and comply with the Holomicrobiome Institute’s data sharing policy including:

  • (i) data sharing protocols and standards (including handling of sensitive or confidential data);

  • (ii) minimal information and metadata requirements;

  • (iii) strategies to make generated data FAIR, e.g. by using a FAIR-by-design approach.

Applicants are, therefore, encouraged to actively engage with the HMB data team at an early stage to define together in more detail how the collaboration will look like, and which specifications are required for compliance.

7.7.3 Holomicrobiome projects participation in Pillar 3

Living Lab and Reflexive Monitoring activities for HMB projects

Within Pillar 3 (Outreach & Valorisation) of the Holomicrobiome Growthfund programme (HMB), key tasks are (1) building the HMB Living Lab: a space where scientists, industry partners, policymakers, and other societal stakeholders work together to strengthen the HMB innovation ecosystem; and (2) reflexively monitoring the progress of projects and the HMB. These tasks are coordinated by the Athena Institute of the Vrije Universiteit Amsterdam, and funded projects are invited to take an active role as specified below.

Purpose of the Living Lab (LL)

The Living Lab brings together partners from science and society to

  • Exchange knowledge and experiences across projects.

  • Jointly explore and address societal and economic questions related to microbiome innovations.

  • Co-develop practical solutions that improve the uptake and impact of innovations emerging from HMB projects.

Key activities under Pillar 3

  • Communities of Practice

    Collaborative and regular sessions in which projects that work on similar themes exchange insights, learn from one another and from societal perspectives, and adapt their Theories of Change to enhance societal impact.

  • Reflexive monitoring

    Structured reflection and learning on progress and outcomes, both within individual projects as well as for the HMB as a whole. This helps identify what works, where adjustments are needed, and how HMB can improve its impact.

  • Social science research on shared questions

    Building on activities 1 and 2, projects work together to explore broader socio-economic challenges relevant to microbiome innovations, and/or to address these through action-research. These include questions on

    • Implementation of microbiome-based products and solution

    • Policy and regulatory alignment

    • Outreach and communication strategies

    • Education and human capital (in collaboration with Pillar 4)

    • Strengthening and developing business models

For project applications: What to expect in pillar 3?

As part of the knowledge utilization within a project, consortia can choose to participate in the Living Lab and reflexive monitoring. If projects join pillar 3 as part of the knowledge utilization activities, they are expected to:

  • Representatives engage in project-to-project learning, share insights and challenges, and bring those learnings back to their project.

  • Representatives attend (online) community of practice sessions at least each quarter.

  • Update the project Theory of Change regularly, using lessons from the LL activities.

  • Representatives of projects take part in consortium-wide training sessions on monitoring, reflection, and learning for impact.

  • Project proposals should describe how the project aligns with Pillar 3 activities and how projects plan to contribute to the Living Lab.

  • Note 1: Allocate one or two dedicated representatives who will actively contribute to Living Lab activities and reflexive monitoring. We expect this will amount to 0.2 FTE (0.1 FTE living labs / 0.1 FTE reflexive monitoring).

  • Note 2: this allocation should not preclude projects from dedicating specific capacity for knowledge utilization – activities to enhance the utilization of the project’s specific outputs.

Applicants are, therefore, encouraged to actively engage with the Holomicrobiome Institute’s data team at an early stage to define together in more detail how the collaboration will look like, and which specifications are required for compliance.

7.7.4 Theories of Change

The Holomicrobiome Growthfund programme (HMB) aims to contribute to societal challenges and economic earning capacity. The Theories of Change that are described in this appendix outline the impact pathways through which projects can contribute to both objectives.

Project proposals are expected to demonstrate how they relate to these impact pathways. Yet, as they are generic and are examples, each project proposal should tailor and specify the generic impact pathway to the innovative work planned in their project. This means that some components in the impact pathways presented below will be more relevant to some proposed projects and others less or hardly relevant to proposed projects. Project-specific components may also be missing and can be added. Projects are encouraged to use these theories of changes, and the example types of outputs and types of impacts in the theories are expected to be usefull for most projects.

Elaborating on these theories of change will ensure that each project:

  • Connects to the larger microbiome ecosystem by taking into consideration market pull and actual problems that need to be solved to get to impact.

  • Delivers project outputs that are fit-for-purpose; as alignment with future stakeholders and/or end-users and corresponding course corrections are already anticipated during project execution.

  • Allows for actively engaging in productive interactions with stakeholders during the project that will help alleviate identified barriers that might arise after the project has ended.

During the project execution, the impact pathway will serve as a tool to monitor progress, and update theories of change. Such monitoring will be supported via the Communities of Practice that are part of the Living Labs (see paragraph 7.7.3). These are collaborative and regular sessions in which projects that work on similar themes exchange insights, learn from one another and from societal perspectives, and adapt their Theories of Change to enhance societal impact.

Below you can find examples of several types of theories of changes for both categories of projects.

Theories of Change for Flagship-Projects: addressing one or more Challenges to create cross-domain solutions

Outputs of projects are new solutions such as knowledge; models; model systems; workflows; methods; tools and other resources. These outputs should enable innovators to improve and/or accelerate innovation efforts – either as output that can be used directly or following further development. This includes outputs that allow innovators to generate evidence on safety and efficacy or to engage in process optimisation for concrete market applications. It may also include outputs that will strengthen the Dutch Holomicrobiome innovation platform for microbiome(-targeting) applications.

Theories of Change for Use Case-Projects: bringing innovations to life Use case-projects should lead to new proven concepts that are either:

  • microbiome products: products and solutions that consists of a microbiome, being natural microbiomes or synthetic communities.

  • microbiome-targeting products: products and solutions that impact the microbiome (host, environment, system) by supplementation, feeding or modulation towards a desired, beneficial state.

  • diagnostics or functional signatures (see also flagship Challenge 2) that are supportive for the success of creating such products and solutions.

  • tools that are supportive for the success of creating products and solutions.

  • services that are supportive for the success of creating products and solutions.

Theories of Change for Flagship-Projects: addressing one or more Challenges to create cross-domain solutions

Theories of Change for Use Case-Projects: bringing innovations for fertilizers and pesticides to life

Explanation: Use case-projects will lead to new proven concepts that are either microbiome or microbiome-targeting products that can be seen as safer alternatives to current fertilizers and pesticide solutions with at least a similar effectiveness and at a competitive cost-base, or diagnostics, tools and services that are supportive of such products. By collecting relevant data packages to support claims of safety, effectiveness and cost-effectiveness, innovators in the plant domain are able to convince regulators and relevant stakeholders and at the same time make aware and motivate farmers to start using the products in their farming practice. The innovators will create new sustainable markets for their products. The use of these new products (in the Netherlands) by farmers will reduce environmental costs, reduce emissions, increase the quality of water and soil and will ultimately increase the quality of our foods.

Theories of Change for Use case-projects: bringing innovations for circularity to life

Explanation: Use case-projects will lead to new proven concepts that are either microbiome or microbiome-targeting products that are used to improve circularity, enable the valorisation of waste streams, reduce waste, improve bioremediation and improve water treatment solutions at a competitive cost-base, or diagnostics, tools and services that are supportive of such products. By collecting relevant data packages to support claims of safety, effectiveness and cost-effectiveness innovators in the plant, soil and water domain are able to convince regulators and relevant stakeholders and at the same time make aware and motivate farmers, water authorities and other users to start using the products in their practice. The innovators will create new sustainable markets for their products. The use of these new products (in the Netherlands) by the end-users will increase the quality of water and soil and will ultimately keep our foods affordable.

Theories Change for Use case-projects: bringing innovations for animal health to life

Explanation: Use case-projects will lead to new proven concepts that are either microbiome or microbiome-targeting products that can be seen as contributors to animal health (livestock) at a competitive cost-base, or diagnostics, tools and services that are supportive of such products. By collecting relevant data packages to support claims of safety, effectiveness and cost-effectiveness innovators in the animal domain (feed, feed additives, therapies) are able to convince regulators and relevant stakeholders and at the same time make aware and motivate veterinarians and farmers/pet owners to start using the products. These innovators will create new sustainable markets for their products. The use of these new products (in the Netherlands) will improve animal health in general, contribute to lower impact of AMR and GHG emissions, and/or lead to cost reduction and/or higher yields from livestock and aquaculture.

Theories of Change for Use case-projects: Bringing innovations for human health to life

Explanation: Use case-projects will lead to new proven concepts that are either microbiome or microbiome-targeting products that can be seen as contributors to human health at a competitive cost-base, or diagnostics, tools and services that are supportive of such products. By collecting relevant data packages to support claims of safety, effectiveness and cost-effectiveness innovators in the human domain (food, supplements, drugs) are able to convince regulators and relevant stakeholders and at the same time make aware and motivate healthcare practitioners, patients and consumers to start using the products. These innovators will create new sustainable markets for their products. The use of these new products will improve human health and wellness in general and lead to a reduced disease burden to society and lower healthcare costs in the Netherlands.


X Noot
1

De TO2 Instituten zijn Deltares, NLR, TNO, WUR en MARIN

X Noot
2

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
3

NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.

X Noot
4

Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.

X Noot
6

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

X Noot
7

Niet toelaatbare cofinanciering is beschreven in de Regeling Cofinanciering, artikel 6.

X Noot
8

In deze budgetmodule wordt aangesloten bij de definitie voor “kennisoverdracht” die de Europese Commissie hanteert in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C 198).


X Noot
1

De TO2 Instituten zijn Deltares, NLR, TNO, WUR en MARIN

X Noot
2

Organisaties die niet wettelijk verplicht zijn hun jaarrekening te laten controleren, hoeven een dergelijke controleverklaring niet aan te leveren. Zij moeten daarbij wel kunnen aantonen dat deze wettelijke verplichting niet van toepassing is op de betreffende organisatie.

X Noot
3

NWO sluit zich aan bij de RVO terminologie: gedeponeerd houdt ook in dat de tarieven door RVO goedgekeurd zijn.

X Noot
4

Indien een aanvrager gebruik wenst te maken van de IKS-tarieven, dan houdt deze keuze automatisch in dat men NWO toestemming geeft de IKS-tarieven op te vragen bij RVO en te delen met de consortiumpartners van de aanvraag op het moment dat er een gezamenlijke begroting wordt opgesteld.

X Noot
6

Alle activiteiten die worden aangevraagd onder deze budgetmodule moeten passen binnen de definitie van "Activiteiten inzake kennisoverdracht" die door de Europese Commissie wordt gehanteerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2022, C 414).

X Noot
7

Niet toelaatbare cofinanciering is beschreven in de Regeling Cofinanciering, artikel 6.

X Noot
8

In deze budgetmodule wordt aangesloten bij de definitie voor “kennisoverdracht” die de Europese Commissie hanteert in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C 198).

Naar boven