Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Politie | Staatscourant 2026, 23730 | delegatie- of mandaatbesluit |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Politie | Staatscourant 2026, 23730 | delegatie- of mandaatbesluit |
De korpschef van politie,
Gelet op de Algemene wet bestuursrecht;
Gelet op de Politiewet 2012;
Gelet op het Besluit beheer politie;
Overwegende:
dat de korpschef belast is met de leiding en het beheer van de politie en de politie in en buiten rechte vertegenwoordigt en dat ter uitvoering hiervan een mandaatregeling van kracht is;
dat daarbij het werken vanuit eenheid voorop staat, met ruimte voor verscheidenheid gebaseerd op professionaliteit en georganiseerd vertrouwen;
dat het een collectieve verantwoordelijkheid is van de gehele korpsleiding en van de leidinggevenden in de eenheden en de ondersteunende diensten genoemd in dit mandaatbesluit om vanuit de visie en kernwaarden van de politie leiding te geven;
dat dit mandaatbesluit hen daartoe faciliteert en ondersteunt, door aan hen alle benodigde bevoegdheden te mandateren met zoveel mogelijk de bevoegdheid tot het geven van ondermandaat, een en ander voorzover niet uitdrukkelijk uitgesloten in dit besluit;
dat enkele actuele ontwikkelingen en technische aanpassingen thans leiden tot aanpassingen in het mandaatbesluit;
besluit het Mandaatbesluit politie januari 2024 te wijzigen zodat het mandaatbesluit met ingang van 1 juli 2026 luidt als volgt:
In dit besluit wordt verstaan onder:
de Minister van Justitie en Veiligheid;
de korpschef als bedoeld in artikel 27 Politiewet 2012;
de ambtenaren als bedoeld in artikel 28, derde lid Politiewet 2012;
het landelijk politiekorps als bedoeld in artikel 25, eerste lid Politiewet 2012;
de ambtenaren als bedoeld in artikel 38 en artikel 42 lid 3 en lid 4 Politiewet 2012;
de ambtenaar als bedoeld in artikel 2 Besluit beheer politie;
de rechtstreeks onder de korpsleiding ressorterende algemeen directeur Staf Korpsleiding (SKL);
de rechtstreeks onder de algemeen directeur ressorterende directeuren van de tot de Staf korpsleiding behorende beleidsdirecties Communicatie, Financiën & Control, Facility Management, HRM, Informatievoorziening, Korpsstaf, Operatiën, Strategie en Innovatie;
de directeur van het Politiedienstencentrum als bedoeld in artikel 36 Besluit beheer politie;
de directeuren van de onderdelen van het Politiedienstencentrum, te weten: de Diensten Human Resource Management, Facility Management, Financiën en Control, Communicatie, Informatievoorziening (IV), Vastgoed, en Verwerving;
de ondersteunende dienst Landelijke Meldkamer Samenwerking, als bedoeld in art. 43b Besluit beheer politie, het organisatieonderdeel van de politie dat belast is met het landelijk beheer van de meldkamers;
de directeur van de ondersteunende dienst Landelijke Meldkamer Samenwerking;
de Politieacademie als bedoeld in artikel 73 Politiewet 2012;
de Ondersteunende dienst Politieacademie als bedoeld in artikel 43a Besluit beheer politie;
de bevoegdheid om namens de korpschef besluiten te nemen;
de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de Wet explosieven voor civiel gebruik;
Algemene verordening gegevensbescherming;
Wet politiegegevens;
Besluit algemene rechtspositie politie;
Besluit bezoldiging politie;
Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie;
Regeling landelijk sociaal statuut politie;
Wet open overheid;
Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Dit besluit heeft betrekking op bevoegdheden en taken die bij of krachtens de wet aan de korpschef toekomen.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder de verlening van mandaat mede begrepen het verlenen van:
a. volmacht: de bevoegdheid om namens de rechtspersoon politie privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
b. machtiging: de bevoegdheid om namens de politie dan wel de korpschef handelingen te verrichten die noch een bestuursrechtelijk besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, waaronder in ieder geval het vertegenwoordigen van de politie dan wel de korpschef in (gerechtelijke) procedures en buiten rechte;
c. de bevoegdheid tot het nemen van een procesbesluit in civiele procedures.
De directeur PDC beheert het register waarin per functieniveau de maximale bedragen verbonden aan de volmacht van alle bevoegde functionarissen binnen de politie worden bijgehouden. Dit register ligt ter inzage bij het PDC. Een algemeen overzicht van de functieniveaus en bijbehorende bedragen is opgenomen in Bijlage 1.
Daarnaast zijn aan functionarissen met een bepaalde rol in de veranderorganisatie budgetten toegekend met bijbehorende financiële volmacht, zie Bijlage 2. Ook dit register wordt beheerd door de directeur PDC.
De bevoegdheden die in dit besluit worden gemandateerd, komen ook toe aan de plaatsvervangers van de gemandateerden, indien en voor zover zij als zodanig optreden.
1. Mandaat wordt niet verleend met betrekking tot:
a. de bevoegdheid tot het vaststellen van beleid, dienstvoorschriften of andere regelingen met algemene werking;
b. het afdoen en ondertekenen van stukken van groot gewicht aan (leden van) de regering, de Staten-Generaal, het College van Procureurs-Generaal en de commissarissen van de Koning;
c. het sluiten van overeenkomsten die een door de minister vast te stellen bedrag te boven gaan;
d. het doen van investeringen die een door de minister vastgesteld bedrag te boven gaan;
e. het oprichten of mede oprichten van rechtspersonen dan wel het deelnemen daarin;
f. het vastleggen van de bij of krachtens artikel 13, vierde lid Wpg bepaalde gegevens met betrekking tot de verwerking van politiegegevens ter ondersteuning van de politietaak, bedoeld in artikel 13, leden 1, 2 en 3 Wpg;
g. het periodiek doen controleren van de naleving van de bij of krachtens de Wpg gegeven regels door het periodiek doen verrichten van privacy audits, bedoeld in artikel 2 Regeling periodieke audit politiegegevens;
h. het benoemen van een functionaris gegevensbescherming, bedoeld in artikel 36 Wpg;
i. het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken met een totale (meerjarige) contractwaarde van € 10 miljoen en hoger;
j. het verlenen van een machtiging om namens de korpschef op te treden in gerechtelijke procedures, daaronder tevens begrepen bezwaarprocedures bij bestuursorganen;
k. het benoemen van leden van adviescommissies ter zake het Proces Borging, Beheer en Dynamisch Onderhoud LFNP, alsmede de commissie als bedoeld in het Instellingsbesluit Adviescommissie Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie;
l. het aanwijzen van een persoon die namens de korpschef lid is van een bestuur van een privaatrechtelijke rechtspersoon;
m. het benoemen van een functionaris gegevensbescherming als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 39 van de Algemene verordening gegevensbescherming;
n. het benoemen van de voorzitters, plaatsvervangend voorzitters en leden van de commissies geweldsaanwending als bedoeld in het Instellingsbesluit commissie geweldsaanwending 2024;
o. het nemen van personeelsbesluiten die de rechtspositie raken voor functionarissen met een LFNP functie in schaal 15 en hoger.
2. Behoudens aan de algemeen directeur en het hoofd juridische zaken, zoals bepaald in artikel 5.1, tweede lid, wordt mandaat niet verleend met betrekking tot het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid voor zover die bestuurlijk of politiek gevoelig zijn.
1. Alle in dit besluit genoemde gemandateerden oefenen hun mandaat uit met inachtneming van de aanwijzingen van de korpschef.
2. Voorgenomen besluiten die afwijken van de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen, dienen door de korpschef te worden goedgekeurd.
Bij het nemen van besluiten op grond van de artikelen 77, 85 en 94, eerste lid onder d Barp, richten alle (onder)gemandateerden zich naar de uitkomst van bespreking van de voorgenomen bestraffing in het landelijk strafmaatoverleg. In gevallen waarin onvoorwaardelijk strafontslag aan de orde is, wijkt de (onder)gemandateerde alleen na voorafgaande instemming van de korpschef af van de uitkomst van het strafmaatoverleg.
Bij het nemen van rechtspositionele besluiten over ontslag in combinatie met een vertrekregeling (in de vorm van een vaststellingsovereenkomst) dient de (onder)gemandateerde voorafgaand aan de besluitvorming advies te vragen aan een jurist van het PDC, HRM Arbeidszaken over de juridische risico’s en consequenties.
1. Aan de leden van de korpsleiding wordt mandaat verleend ten aanzien van de aangelegenheden die behoren tot de aan hen toebedeelde portefeuilles en de daarmee samenhangende budgetverantwoordelijkheid.
2. In spoedeisende gevallen bij ontstentenis van het portefeuillehoudend lid van de korpsleiding, kan een ander lid in diens plaats optreden.
In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de leden van de korpsleiding geen mandaat verleend ten aanzien van:
a. het opleggen van de verplichting te gaan of te blijven wonen in of nabij de gemeente van plaats van tewerkstelling (art. 61 Barp);
b. het aanvragen van subsidies ten behoeve van de politie;
c. het benoemen van leden van de adviescommissie PTSS politie als bedoeld in artikel 5 van de Circulaire PTSS politie.
Besluiten die op grond van dit mandaatbesluit worden genomen door de leden van de korpsleiding, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie, namens deze,
[naam & handtekening]
lid korpsleiding’
1. Leden van de korpsleiding zijn niet bevoegd tot het verlenen van ondermandaat, tenzij met voorafgaande schriftelijke toestemming van de korpschef.
2. Besluiten die door een lid van de korpsleiding genomen worden op basis van dit artikel, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie, namens deze,
[naam & handtekening]
lid korpsleiding’
1. Aan de politiechefs wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het territoriale en functionele werkgebied van de politiechef en de daarmee samenhangende budgetverantwoordelijkheid.
2. Aan de politiechefs wordt tevens mandaat verleend om aspiranten te beëdigen die feitelijk werkzaam zijn bij de eenheid.
3. Ten aanzien van de korpschefwetten is het mandaat beperkt tot het behandelen van aangelegenheden betreffende binnen het grondgebied van de eenheid woonachtige dan wel gevestigde belanghebbenden. Voor het beslissen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit van in het buitenland wonende jagers is uitsluitend de politiechef van de eenheid Den Haag bevoegd. Indien een verzoek of aanvraag door een belanghebbende wordt ingediend bij een eenheid die op grond van de eerste of tweede volzin niet bevoegd is, wordt het verzoek of de aanvraag onverwijld naar de juiste eenheid doorgezonden, en stelt de eerstgenoemde eenheid de belanghebbende van het doorzenden op de hoogte.
4. De in het eerste lid genoemde territoriale begrenzing van het mandaat geldt niet ten aanzien van verzoeken van betrokkenen op grond van de Wpg en de Avg.
5. Aan de politiechefs wordt tevens mandaat verleend om te beslissen op een klacht over een gedraging van een medewerker van de Politieacademie of ODPA wanneer de klacht een gedraging ter uitvoering van de politietaak betreft. Bevoegd is de politiechef van de eenheid waarin de betrokken medewerker diens werkgebied heeft.
1. In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de politiechefs geen mandaat verleend ten aanzien van:
a. het beslissen op een bijstandsaanvraag van het bevoegd gezag (art. 56 Politiewet 2012);
b. de besluiten bedoeld in de artikelen 5.1, tweede lid en 5.2, tweede lid en artikel 5.2 vijfde lid;
c. het aanvragen van subsidies ten behoeve van de politie;
d. het benoemen van leden van de adviescommissie PTSS politie als bedoeld in artikel 5 van de Circulaire PTSS politie.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, wordt aan de politiechef van de eenheid Landelijke expertise en operaties mandaat verleend om bedoelde bijstandsaanvragen toe te kennen.
1. De politiechefs zijn bevoegd ondermandaat te verlenen. Voor vaststelling wordt het concept-ondermandaatbesluit ter instemming voorgelegd aan de korpschef. De politiechefs houden een register bij van de geldende en vervallen of ingetrokken ondermandaten binnen de eenheid.
2. In afwijking van het vorenstaande verlenen de politiechefs geen ondermandaat aangaande de volgende bevoegdheden, tenzij aan de leden van hun eenheidsleiding:
a. het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 77 eerste lid onder j Barp;
b. het beslissen op een klacht als bedoeld in hoofdstuk 7 Politiewet 2012 jo. artikel 7 van de Uitvoeringsregelingklachtbehandeling politie;
c. het periodiek doen controleren van de naleving van de bij of krachtens de Wpg gegeven regels door het periodiek doen verrichten van interne audits, bedoeld in artikel 3 Regeling periodieke audit politiegegevens;
d. het benoemen van de privacyfunctionaris als bedoeld in artikel 34 Wpg;
e. het benoemen van leden van commissies als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, de plaatsingsadviescommissie als bedoeld in artikel 5 van de Regeling landelijk sociaal statuut politie en commissies ter behandeling van klachten inzake ongewenste omgangsvormen;
f. het aanwijzen van het hoofd van een territoriaal onderdeel van een regionale eenheid als bedoeld in artikel 46 eerste lid Politiewet;
g. het voeren van correspondentie met (leden van) de regering, de Staten-Generaal, het College van Procureurs-Generaal en de commissarissen van de Koning;
h. het nemen van beslissingen als bedoeld in artikel 20 lid 1 Wpg;
i. het afwijken van het bepaalde in artikel 16a derde lid van het Brvvp als bedoeld in de slotzin van dit artikellid.
3. De politiechefs zijn bevoegd om aan een ‘toegevoegd lid eenheidsleiding’ ondermandaat te verlenen op gelijke voet en onder dezelfde voorwaarden als aan de leden eenheidsleiding, derhalve met inachtneming van het bepaalde in dit artikel. Het toegevoegd lid eenheidsleiding is niet bevoegd ondermandaat te verlenen.
Besluiten die door de politiechefs op grond van dit mandaatbesluit worden genomen, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie, namens deze,
[naam & handtekening]
politiechef van [naam eenheid]’
1. Aan de algemeen directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van alle aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de Staf Korpsleiding en de daarbij behorende budgetverantwoordelijkheid.
2. In aanvulling op het eerste lid, worden de volgende mandaten verleend:
a. aan de algemeen directeur en bij diens ontstentenis aan het hoofd juridische zaken: het nemen van besluiten namens de korpschef op verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo) als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid;
b. aan het hoofd juridische zaken: het nemen van (proces)besluiten die samenhangen met de behandeling van de onder a. genoemde verzoeken;
c. bij ontstentenis van het hoofd juridische zaken kan diens mandaat worden uitgeoefend door zijn plaatsvervanger.
3. In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de algemeen directeur geen mandaat verleend ten aanzien van de besluiten bedoeld in artikel 5.2, tweede lid en artikel 5.2 vijfde lid.
4. De algemeen directeur is bevoegd ondermandaat te verlenen aan de stafdirecteuren en aan het sectorhoofd Bijzonder Beheer voor aangelegenheden behorend tot hun expertisegebied en voor het nemen van personeelsbesluiten ten aanzien van medewerkers aangesteld bij de Staf Korpsleiding en werkzaam in het expertisegebied van de stafdirecteur resp. bij Bijzonder Beheer. Voor vaststelling legt de algemeen directeur het concept-ondermandaatbesluit ter instemming voor aan de korpschef.
5. Besluiten die door de algemeen directeur op basis van het aan deze in het eerste lid en het tweede lid onder a toegekende mandaat worden genomen respectievelijk door het hoofd juridische zaken genomen worden op basis van het tweede lid, onder a en b, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie, namens deze,
[naam & handtekening]
algemeen directeur /hoofd juridische zaken’
1. Aan de directeur PDC wordt mandaat verleend, inclusief volmacht voor beschikkingsdaden, ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot diens werkterrein en de daarbij behorende budgetverantwoordelijkheid, daaronder begrepen het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken met een totale (meerjarige) contractwaarde tot € 10 miljoen.
2. In aanvulling op het eerste lid, wordt aan de directeur PDC mandaat verleend tot het nemen van de volgende besluiten ten aanzien van alle medewerkers van de politie met uitzondering van de medewerkers met een LFNP functie van schaal 15 en hoger:
a. aanstelling in tijdelijke dienst met aparte arbeidsvoorwaarden (art. 2a, eerste lid Barp);
b. aanwijzen van ATH-slijtende functie (individueel) (art. 10, vierde lid Barp);
c. toekennen tegemoetkoming in noodzakelijke kosten in verband met ziekte in bijzondere gevallen (art. 53 Barp);
d. toekennen noodzakelijk gemaakte medische kosten tengevolge van dienstongeval of beroepsziekte (art. 54 Barp oud)1;
e. toekennen smartengeld in geval van invaliditeit (art. 54a, eerste lid Barp oud);
f. toekennen uitkering bij overlijden in geval van dienstongeval (art.54a, tweede lid Barp oud);
g. het toekennen van schadevergoeding op grond van artikel 54 b Barp (oud: beroepsincident);
h. openbaarmaking nevenwerkzaamheden korpschef, leden korpsleiding, politiechef, leiding (art. 55a, tweede lid Barp);
i. toepassen van hardheidsclausule reorganisatie (art. 55v Barp);
j. toekennen tegemoetkoming in rechtskundige bijstand in bijzondere gevallen (art. 69a, vijfde lid Barp);
k. verlenen van ontslag wegens reorganisatie (art. 91 Barp);
l. verlenen van ontslag op grond van art. 12, tweede lid Ambtenarenwet 2017 (art. 93 Barp);
m. verlenen van eervol ontslag op andere gronden (art. 95, eerste lid Barp);
n. treffen van regeling mbt uitkering (art. 95, derde lid Barp);
o. toekennen toelage om redenen van werving of behoud (art.19 Bbp);
p. toekennen representatietoelage (art. 20 Bbp);
q. toekennen uitkering in verband met werving of behoud (art. 26 Bbp);
r. afwijking inzake vergoeding extra reistijd (art. 30, derde lid Bbp);
s. afwijken inhouden geheel of gedeeltelijk salaris (art. 37a, derde lid Bbp);
t. het nemen van besluiten betreffende en samenhangende met PTSS als beroepsziekte (voor oude gevallen);
u. het nemen van besluiten op grond van artikel 69b Barp;
v. het doen van kennisgevingen op grond van art. 4:5 en 4:14 Awb aan de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel 1 onder b van de Regeling houdende de mogelijkheid tot wijziging van de functie op aanvraag van de ambtenaar;
w. het nemen van besluiten tot het opleggen van maatregelen en het geheel of gedeeltelijk schorsen of opschorten van de betaling van de Wga-uitkering;
3. In aanvulling op het eerste lid wordt aan de directeur PDC mandaat verleend tot het beslissen op een verzoek tot schadevergoeding van derden, niet zijnde ambtenaren van politie, alsmede het beslissen tot het verhalen van schade op derden, niet zijnde ambtenaren van politie.
4. In aanvulling op het eerste lid wordt aan de directeur PDC mandaat verleend voor het aanvragen van subsidies ten behoeve van de politie en alle daarmee samenhangende beslissingen.
5. In aanvulling op het eerste lid wordt aan de directeur PDC mandaat verleend voor het nemen van een beslissing omtrent de betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 48q Politiewet 2012.
6. In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de directeur PDC geen mandaat verleend ten aanzien van de besluiten bedoeld in artikel 5.1, tweede lid.
7. De directeur PDC is bevoegd ondermandaat te verlenen. Voor vaststelling legt de directeur het concept-ondermandaatbesluit ter instemming voor bij de korpschef.
1. De leidinggevende van een medewerker is verantwoordelijk voor de personeelszorg tijdens ziekte en re-integratie en bevoegd voor het nemen van besluiten over aanspraken bij beroepsgerelateerde gezondheidsklachten als bedoeld in paragraaf 2 van het Barp.
2. In afwijking van het eerste lid berust het mandaat voor het nemen van de volgende besluiten uitsluitend bij de directeur PDC:
a. besluiten tot vergoeding van kosten van gezondheidskundige behandeling en gezondheidskundige verzorging als bedoeld in art. 53b sub a Barp;
b. alle besluiten als bedoeld in paragraaf 2 van het Barp ten aanzien van gewezen ambtenaren.
3. De leidinggevende is verplicht om voor het nemen van een besluit over de vaststelling van schadevergoeding als bedoeld in artikel 53d derde en vierde lid, advies in te winnen bij Team Beroepsrisico van het PDC. Het mandaat om af te wijken van het advies van Team Beroepsrisico is voorbehouden aan de hoofden Bedrijfsvoering in de eenheden.
Voor de in artikel 5.1 genoemde algemeen directeur wordt door expertisegebied juridische zaken van de Korpsstaf een register bijgehouden van de geldende en vervallen of ingetrokken ondermandaten. Voor de ondermandaten van de directeur PDC wordt door de Staf PDC een register bijgehouden van de geldende en vervallen of ingetrokken ondermandaten.
Aan de directeur LMS wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein en de daarmee samenhangende budgetverantwoordelijkheid ten aanzien van het beheer van meldkamers.
1. In aanvulling op artikel 2.1 wordt aan de directeur LMS geen mandaat verleend ten aanzien van:
a. de besluiten bedoeld in de artikelen 5.1, tweede lid en 5.2, tweede lid;
b. het aanvragen van subsidies ten behoeve van de politie;
c. het benoemen van leden van de adviescommissie PTSS politie als bedoeld in artikel 5 van de Circulaire PTSS politie.
1. De directeur LMS is bevoegd ondermandaat te verlenen. Voor vaststelling wordt het concept-ondermandaatbesluit ter instemming voorgelegd aan de korpschef.
2. In afwijking van het vorenstaande verleent de directeur LMS geen ondermandaat aangaande de volgende bevoegdheden, tenzij aan de leden van de leiding van LMS:
a. het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 77 eerste lid onder j Barp;
b. het beslissen op een klacht als bedoeld in hoofdstuk 7 Politiewet 2012 jo. artikel 7 van de Uitvoeringsregeling klachtbehandeling politie;
c. het benoemen van leden van commissies als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, de plaatsingsadviescommissie als bedoeld in artikel 5 van de Regeling landelijk sociaal statuut politie en commissies ter behandeling van klachten inzake ongewenste omgangsvormen;
d. het namens de politie benoemen of het voordragen voor benoeming namens de politie van bestuursleden, leden van toezichthoudende of (mede-)beleidsbepalende organen van andere rechtspersonen.
Besluiten die door de directeur LMS op grond van dit mandaatbesluit worden genomen, worden als volgt ondertekend:
‘De korpschef van politie, namens deze,
[naam & handtekening]
directeur LMS’
1. Het Mandaatbesluit politie 2024 komt hierbij te vervallen.
2. Dit mandaatbesluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en op www.politie.nl, en treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.
3. Dit besluit wordt aangehaald als ‘Mandaatbesluit politie 2026’.
|
Functionaris |
Bevoegdheid financieel mandaat1 |
|---|---|
|
Korpschef |
Ongelimiteerd |
|
plv. korpschef |
Ongelimiteerd |
|
lid korpsleiding |
Ongelimiteerd |
|
Politiechef |
Ongelimiteerd |
|
plv. politiechef |
Ongelimiteerd |
|
sectorhoofd FIU |
Ongelimiteerd |
|
Directeur |
Ongelimiteerd |
|
directeur LMS |
Ongelimiteerd |
|
teamchef RST |
Ongelimiteerd |
|
hoofd operatiën |
€ 1.000.000 |
|
hoofd operatiën LMS |
€ 1.000.000 |
|
hoofd bedrijfsvoering |
€ 1.000.000 |
|
hoofd bedrijfsvoering LMS |
€ 1.000.000 |
|
directeur dienst PDC |
€ 1.000.000 |
|
sectorhoofd vastgoed (dienst) |
€ 1.000.000 |
|
sectorhoofd (district/Dienst) |
€ 250.000 |
|
teamchef (Dienst) |
€ 100.000 |
Altijd is het uitgangspunt dat de uitgaven moeten passen in het aan de beslissingsbevoegde functioneel toegekende budget. ‘Ongelimiteerd’ betekent dan ook: met inachtneming van het toekende budget. Bedragen zijn inclusief BTW.
|
Rol |
Bevoegdheid financiele volmacht1 |
|---|---|
|
Boardvoorzitter |
Ongelimiteerd |
|
Landelijk Portefeuillehouder |
€ 1.000.000 |
|
Programmadirecteur (HO/HBV/Directeur) |
€ 500.000 |
|
Programmamanager |
€ 250.000 |
|
Projectleider |
€ 100.000 |
Altijd is het uitgangspunt dat de uitgaven moeten passen in het aan de beslissingsbevoegde functioneel (rol) toegekende budget. Grensbedragen bevoegdheid betekent dan ook: met inachtneming van het toekende budget. Bedragen zijn inclusief BTW.
Dit mandaatbesluit regelt de verdeling van de bevoegdheden die wettelijk aan de korpschef zijn toegekend. Het mandaatbesluit regelt de mandatering van de korpschef aan leden van de korpsleiding, de politiechefs, de directeuren en de directeur LMS. Gebaseerd op dit mandaatbesluit zijn verschillende ondermandaatbesluiten genomen.
Het besluit is opgesteld op basis van de uitgangspunten ‘georganiseerd vertrouwen’ en ‘professionele ruimte’. Dit vertaalt zich naar de keuze voor een negatief geformuleerd mandaat: alles wat niet expliciet uitgezonderd is, wordt gemandateerd.
Dit mandaatbesluit is in 2026 aangepast vanwege wettelijke en organisatorische ontwikkelingen. De ontwikkelingen in het korps zijn nog volop gaande. Opgemerkt wordt dat het Besluit beheer politie (nog) niet is aangepast aan alle actuele ontwikkelingen in inrichting van de organisatie. Er is voor gekozen in het mandaatbesluit de stand van zaken van de huidige werkwijze te volgen, omdat dit de werkelijkheid in de uitvoering is.
Het Mandaatbesluit ziet op bevoegdheden op grond van de wettelijke taken van de korpschef. Dit omvat in ieder geval de taken opgenomen in de Politiewet 2012 voor het landelijk politiekorps, alsmede de taak tot het zorgdragen voor het op meldkamers uitvoeren van de meldkamerfunctie als bedoeld in artikel 25a van de Politiewet 2012.
Toegevoegd is de aanwezigheid van een overzicht van de maximale financiële verplichtingen die op de verschillende functieniveaus binnen de politie mogen worden aangegaan. In Bijlage 1 is het algemene overzicht op functieniveau opgenomen. Voor partijen die zaken willen doen met de politie is inzage van dit register op persoonsniveau mogelijk bij het PDC. Nieuw is Bijlage 2 waarin de maximale financiële bevoegdheden zijn opgenomen voor functionarissen in de daar genoemde rollen.
In dit artikel wordt geregeld dat als gemandateerden een plaatsvervanger hebben aangewezen, deze op dezelfde voet gemandateerd is. Het gaat hier om incidentele plaatsvervanging bij ontstentenis van de gemandateerde, bij voorbeeld in geval van vakantie of ziekte. Het mandaatbesluit regelt niet wie als plaatsvervanger kan optreden. Bij het aanwijzen van plaatsvervangers dienen de uitgangspunten van het LFNP in acht genomen te worden.
In artikel 2.1 wordt (limitatief) opgesomd welke bevoegdheden door de korpschef niet worden gemandateerd. Dit zijn dus bevoegdheden die alleen de korpschef (en diens plaatsvervanger) kan uitoefenen.
Onderdeel b betreft correspondentie met (leden van) de regering, de Staten-Generaal, het College van Procureurs-Generaal en de commissarissen van de Koning. Alleen correspondentie die vanwege de impact op de organisatie, de politiek-bestuurlijke gevoeligheid en/of onderwerpen betreffen die bij uitstek horen bij de eindverantwoordelijkheid van de korpschef, is van het mandaat uitgezonderd.
Onder c, d en e is een drietal soorten handelingen genoemd die volgens artikel 29 Politiewet 2012 weliswaar behoren tot de bevoegdheid van de korpschef, maar instemming van de minister behoeven.
Onder f t/m h: Van het mandaat is uitgezonderd het vaststellen van de randvoorwaarden voor het verwerken van politiegegevens ter ondersteuning van de politietaak, de zogenaamde ‘artikel 13 Wpg verwerkingen’. Deze randvoorwaarden bepalen de omvang van deze artikel 13 Wpg verwerkingen. Het principiële karakter hiervan rechtvaardigt dat de korpschef dit niet mandateert. Dit draagt tevens bij aan centraal overzicht over artikel 13 Wpg verwerkingen en kan overlappingen, witte vlekken of wildgroei helpen voorkomen.
Ten tweede is uitgezonderd een aantal zaken dat verband houdt met controle en toezicht op de verwerking van politiegegevens. De Wpg heeft de eindverantwoordelijkheid voor de politiegegevens uitdrukkelijk neergelegd bij de korpschef en het past daarbij dat deze zelf opdracht geeft tot het uitvoeren van de verplichte externe privacy-audits en zelf eventueel de functionaris gegevensbescherming benoemt. Het benoemen van de privacyfunctionaris wordt niet uitgezonderd van mandaat, en kan dus door de politiechefs en directeuren gebeuren. Zij kunnen die benoemingsbevoegdheid echter niet dan wel beperkt ondermandateren.
Onder j: het is wenselijk om het verlenen van procesmachtigingen centraal te laten plaatsvinden, zodat daar voldoende zicht op bestaat en de kwaliteit van procesvertegenwoordiging geborgd is.
Onder l: het komt voor dat privaatrechtelijke rechtspersonen worden opgericht waarbij het wenselijk is dat de politie in het bestuur daarvan vertegenwoordigd is. Om zicht te houden op dergelijke constructies is het wenselijk dat slechts de korpschef daarvoor toestemming verleent.
Onder m: het benoemen van de functionaris gegevensbescherming Avg die onafhankelijk moet kunnen opereren en uitsluitend aan de korpschef verantwoording aflegt, is voorbehouden aan de korpschef, zoals dat sinds 1 januari 2013 ook geldt ten aanzien van de functionaris gegevensbescherming Wpg.
Onder n: sinds 2019 bestaat in elke eenheid een commissie geweldsaanwending; de (plv) voorzitters en leden worden door de korpschef benoemd op voordracht van de algemeen directeur (zie Instellingsbesluit commissie geweldsaanwending d.d. 17 januari 2019).
Onder het tweede lid: het beslissen op Woo-verzoeken is in het geval van politiek of bestuurlijk gevoelige verzoeken voorbehouden aan de algemeen directeur en het hoofd juridische zaken. Hieronder worden alle verzoeken begrepen die, gelet op de inhoud, mogelijk tot politiek-bestuurlijke gevolgen kunnen leiden. In de vorige versies van het mandaatbesluit was de coördinatie van alle verzoeken die de gehele organisatie betreffen of die bij meer dan een eenheid zijn ingediend bij de korpsstaf belegd. Inmiddels is de samenwerking tussen de Woo-specialisten binnen de politieorganisatie goed geregeld en wordt indien nodig afstemming tussen de eenheden gezocht. Dit soort verzoeken kunnen daarom thans door de betreffende eenheid/eenheden worden afgehandeld.
Onder ‘aanwijzingen van de korpschef’ in het eerste lid worden verstaan zowel structurele beleids- en begrotingskaders als ad hoc aanwijzingen.
Dit artikel bepaalt dat degene die op grond van dit besluit of op grond van ondermandaten bevoegd is om disciplinaire straffen op te leggen, dan wel besluiten m.b.t. inhouding van bezoldiging tijdens schorsing en ontslag bij onherroepelijk worden van een vrijheidsstraf te nemen, zich dient te richten naar de uitkomsten van bespreking in het landelijk afstemmingsoverleg voor disciplinaire bestraffing. Als het strafmaatoverleg concludeert dat in een bepaalde casus de meest passende disciplinaire straf een onvoorwaardelijk strafontslag is, en een (onder)gemandateerde wil een lagere straf opleggen, legt de (onder)gemandateerde de casus voor aan de korpschef. Die procedure geldt ook in omgekeerde situaties: als de (onder)gemandateerde een onvoorwaardelijk strafontslag wil opleggen terwijl het strafmaatoverleg een lagere straf geïndiceerd acht. In de situatie dat sprake is van verschil van mening tussen het bevoegd gezag en het strafmaatoverleg over een voorwaardelijk strafontslag, hoeft de casus niet aan de korpschef te worden voorgelegd.
Vertrekregelingen, ook vaak aangeduid als vaststellingsovereenkomsten, kunnen een oplossing zijn om in goed overleg tussen het korps en een medewerker afscheid van elkaar te nemen. Omdat politieambtenaren een ambtelijke aanstelling hebben, zal altijd een besluit in de vorm van een eenzijdig ontslag nodig zijn. Het geheel aan rond het ontslag gemaakte afspraken kan in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd worden.
Het algemene uitgangspunt is om hier terughoudend mee om te gaan, vooral omdat de politie een afgewogen rechtspositiestelsel kent. De leidinggevende dient eerst met de HR-adviseur te onderzoeken of er andere oplossingen mogelijk zijn. Indien de uitkomst is dat een vaststellingsovereenkomst hier de aangewezen weg is, dient in het voortraject verplicht advies te worden ingewonnen bij HRM Arbeidszaken van het PDC. De reden daarvoor is enerzijds dat de juridische risico’s en consequenties van een vaststellingsovereenkomst voor zowel werkgever als medewerker groot kunnen zijn en anderzijds om binnen de organisatie te zorgen voor maatwerk binnen eenduidige kaders. Er is een landelijk handelingskader vastgesteld. De Dienst HRM Arbeidszaken beschikt over expertise en zal ook alle afgesloten vaststellingsovereenkomsten registreren.
In dit artikel wordt het mandaat geregeld van de leden van de korpsleiding. Uitgangspunt is dat zij kunnen besluiten binnen de grenzen van hun portefeuilles. Het tweede lid regelt dat zij elkaar in spoedeisende gevallen kunnen vervangen. Hoofdstuk 3 geldt voor alle leden van de korpsleiding.
Om de mandaatstructuur binnen de organisatie eenduidig te houden, is het van belang dat mandatering en ondermandatering zo veel mogelijk langs de lijn van de formele hiërarchie plaatsvindt. Daarom is in dit artikel bepaald dat alle gemandateerde bevoegdheden binnen de organisatie zoveel mogelijk rechtstreeks (d.w.z. zonder tussenkomst van een ander lid van de korpsleiding) door de korpschef worden gemandateerd.
In het eerste lid wordt aan de politiechef mandaat verleend voor de eigen eenheid, maar ook voor diens landelijke aandachtsgebieden / portefeuilles. In deze laatste hoedanigheid zijn politiechefs ook bevoegd tot correspondentie met (leden van) de regering, de Staten-Generaal, het College van Procureurs-Generaal en de commissarissen van de Koning, behoudens de gevallen genoemd in art. 2.1, eerste lid onder b. Als het gaat om correspondentie over controversiële onderwerpen, dient de politiechef de inhoud vóór verzending af te stemmen met zijn/haar referent in de korpsleiding. Een onderwerp kan controversieel zijn als het voorgenomen politiestandpunt op essentiële onderdelen afwijkt ten opzichte van dat van relevante andere partijen.
Het tweede lid regelt dat de politiechefs bevoegd zijn om aspiranten te beëdigen die feitelijk werkzaam zijn bij de eenheid. Deze bepaling is opgenomen, omdat aspiranten formatief onder een ander korpsonderdeel (kunnen) vallen.
Aanvragen voor vergunningen, verloven etc. als bedoeld in de korpschefwetten kunnen sinds 1 januari 2013 overal in Nederland worden ingediend. In het derde lid wordt vastgelegd dat de woon-/vestigingsplaats intern bepaalt welke politiechef tot afhandeling bevoegd is. Daarnaast wordt bepaald dat ‘verkeerd’ ingediende verzoeken onverwijld naar de juiste eenheid doorgestuurd moeten worden, en dat de eenheid die het verzoek van de belanghebbende heeft ontvangen, deze over de interne doorzending moet informeren.
Het vierde lid doorbreekt de territoriale beperking die het eerste lid aanbrengt in het mandaat van de politiechef, voor zover het betreft de afhandeling van verzoeken van betrokkenen op grond van de Wet politiegegevens en de Avg. Concreet betekent dit dat een politiechef die een dergelijk verzoek ontvangt, bevoegd is dit namens de korpschef af te handelen, ook al betreft het gegevens die in een andere eenheid worden beheerd.
Het vijfde lid is nieuw en betreft klachtbehandeling. Ambtenaren die werken voor de Politieacademie zijn ondergebracht in de Ondersteunende Dienst Politieacademie. Wanneer er over een gedraging van deze ambtenaren een klacht wordt ingediend dan hangt het van de aard van de gedraging af wie deze behandelt. Gaat het om de uitvoering van de onderwijstaak, dan is op grond van artikel 70 vijfde lid van de Politiewet 2012 de directeur van de Politieacademie bevoegd. Onder onderwijstaak wordt in dit verband verstaan: de ontwikkeling en verzorging van het politieonderwijs, kennisontwikkeling, het verrichten van onderzoek of het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden of het verrichten van werkzaamheden binnen de staf van de Politieacademie. Er zijn ambtenaren die voor de Politieacademie werken en zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet. In het kader van het onderwijs kan immers feitelijk de politietaak worden uitgevoerd, bijvoorbeeld in de vorm van een verkeerscontrole uitgevoerd door aspiranten onder leiding van docenten. Gaat een klacht daarover, dan is niet de directeur maar de korpschef degene die de klacht behandelt. Het gezag bij de uitvoering van de politietaak kan immers niet liggen bij de directeur van de Politieacademie, aldus de MvT bij de wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie (vergaderjaar 2014–2015, 34 129, nr. 3, pagina 44). Vanwege de gelijkenis met klachten over opsporingsambtenaren van de regionale eenheden en het feit dat deze behandeld worden door de politiechefs, is ervoor gekozen ook deze klachten over ambtenaren die werken voor de Politieacademie door de politiechefs te laten behandelen. Voor de vraag welke politiechef dan bevoegd is, is aangesloten bij de in artikel 2 tweede lid van de Regeling klachtbehandeling politie reeds geregelde bevoegdheid van de klachtencommissies.
In het eerste lid onder b is het vijfde lid van artikel 5.2 toegevoegd vanwege de beslissing om alle besluiten over screening van ambtenaren van politie en politie-externen centraal bij het PDC te beleggen. Zie verder de toelichting bij dit artikellid.
Het tweede lid is in 2024 aangepast naar aanleiding van de splitsing van de Landelijke Eenheid per 1 januari 2024. De nieuwe Eenheid Landelijke Expertise en Operaties is vanaf 2024 verantwoordelijk voor deze bijstandsaanvragen.
Er wordt van uit gegaan dat de politiechef in gevallen die politiek-bestuurlijke implicaties van meer dan regionale betekenis (kunnen) hebben voorafgaand overleg zoekt met de korpsleiding. Het is niet nodig dit in het mandaat op te nemen.
In dit artikel wordt een aantal zaken geregeld rondom de ondermandatering door de politiechefs. Het eerste lid regelt dat, ter waarborging van de consistentie in de interne mandaatstructuur, alle ondermandaatbesluiten voor vaststelling getoetst worden door de korpschef. Daarnaast is bepaald dat de politiechefs een overzicht bijhouden van geldende, vervallen en ingetrokken ondermandaten, zodat op ieder moment duidelijk is op welke wijze bevoegdheden binnen de eenheid zijn belegd.
Het tweede lid geeft aan welke bevoegdheden door politiechefs niet aan anderen dan de leden van hun eenheidsleiding ondergemandateerd mogen worden. Onder sub a. wordt gedoeld op zowel de voorwaardelijke als de onvoorwaardelijke vorm van de disciplinaire straf van ontslag.
Bij de wijziging van het mandaat per 1 september 2017 is toegevoegd dat de bevoegdheid om een hoofd aan te wijzen van een territoriaal onderdeel van een eenheid, oftewel het sectorhoofd van een district of de teamchef van een basisteam, als bedoeld in artikel 46 eerste lid Politiewet 2012, niet ondergemandateerd mag worden.
Het bepaalde in het tweede lid sub h is toegevoegd omdat het hier om een zwaarwegende beslissing gaat, die de grondslag geeft om politiegegevens buiten het Wpg-regime te verstrekken, is besloten dat deze beslissingen genomen moeten worden op het niveau van de politiechef en niet kunnen worden ondergemandateerd.
Als er sprake is van een convenant waarbij meerdere eenheden zijn betrokken, moeten alle politiechefs/portefeuillehouders de beslissing mee ondertekenen.
Als het gaat om een landelijk convenant, dat niet onder een portefeuille valt, is de korpschef of een ander lid van de korpsleiding degene die beslist.2
Ook het bepaalde in het tweede lid sub i is nieuw. Dit is voorbehouden aan de politiechef om te waarborgen dat eenduidige besluiten worden genomen.
In 2021 is lid 3 toegevoegd. In de eenheden zijn medewerkers werkzaam als ‘toegevoegd lid eenheidsleiding’ in het kader van een ontwikkeltraject en leiderschapsprogramma, teneinde hen geschikt te maken voor een functie op het niveau van leidinggevende in een eenheid of directie. In het kader van zo’n ontwikkeltraject kan het gewenst kan zijn om het ‘toegevoegd lid eenheidsleiding’ taken en bevoegdheden te laten uitoefenen als ware hij of zij een lid van de eenheidsleiding. Daarom hebben de politiechefs de bevoegdheid in voorkomend geval een ondermandaat te verlenen, waarbij het aan de politiechef is om te bepalen welke taken en bevoegdheden hij/zij aan het toegevoegd lid eenheidsleiding wil ondermandateren.
In hoofdstuk 5 worden de bevoegdheden van de directeuren beschreven. Daarbij wordt op grond van de verschillende rollen in de organisatie onderscheid gemaakt tussen de algemeen directeur Staf Korpsleiding (artikel 5.1) en de directeur PDC (artikel 5.2).
Sinds medio 2024 is er een algemeen directeur die rechtstreeks onder de korpschef ressorteert en verantwoordelijk is voor alle aangelegenheden betreffende de staf korpsleiding en die hierarchisch de beleidsdirecteuren van de staf Korpsleiding aanstuurt door middel van een ondermandaat.
De algemeen directeur heeft mandaat voor het beslissen op de Woo-verzoeken als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid. Het hoofd juridische zaken heeft dit mandaat bij ontstentenis van de algemeen directeur. Het mandaat voor het nemen van (proces)besluiten die hiermee samenhangen, ligt bij het hoofd juridische zaken. Bij diens afwezigheid heeft zijn plaatsvervanger het mandaat.
In het eerste lid van dit artikel is bij volmacht toegevoegd ‘inclusief daden van beschikking’ om duidelijk te maken dat het gaat om rechtshandelingen die niet onder het reguliere ‘beheer’ vallen van een organisatie als de politie. Voor de directeur PDC (en door hem ondergemandateerden van de Dienst FM) gaat het dan voornamelijk (maar niet uitsluitend) om het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot onroerende zaken (transacties in de vastgoedportefeuille) waaronder het afstoten ervan.
De directeur PDC heeft, naast het algemene mandaat voor de aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van het PDC en de daarbij behorende budgetten, een aantal korpsbrede bevoegdheden. Deze zijn opgenomen in het tweede lid. Voor de daarin opgesomde besluiten is dus niet de politiechef of de directeur bevoegd onder wiens gezag een medewerker werkzaam is, maar de directeur PDC. Deze besluiten worden, in ondermandaat van de directeur PDC, genomen binnen de Dienst HRM.
Vanwege het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en het overgangsrecht zijn er medewerkers van wie de aanspraken nog onder het oude recht vallen of die daarvoor gekozen hebben.
De aanduiding ‘oud’ ziet op de toepasselijke artikelen in het Barp zoals die golden tot 1 april 2025.
Ter verduidelijking:
Lid 2 sub d verwijst naar art. 54 Barp, zoals opgenomen in Staatsblad 1999, 131.
Lid 2 sub e en f verwijzen naar artikel 54a Barp, zoals opgenomen in Staatsblad 1999,131.
Lid 2 sub g verwijst naar artikel 54b Barp, zoals opgenomen in Staatsblad 2016, 489.
Lid 2 sub t: dit zijn lopende zaken van voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel over het erkennen van ptss als beroepsziekte en alle daarmee samenhangende rechtspositionele besluiten, alsmede het behandelen van civielrechtelijke aanspraken (restschade).
Lid 2 sub v: met ingang van 1 juli 2017 is een landelijk proces ingericht voor de behandeling van aanvragen van medewerkers tot wijziging van hun LFNP-functie. De beslissing op de aanvraag wordt weliswaar genomen door de bevoegde leidinggevende van de medewerker, maar de behandeling van de aanvraag wordt centraal verzorgd door de Dienst HRM. Om die reden is het van belang dat de directeur PDC bevoegd is om de beslissing op de aanvraag te verdagen of om bijvoorbeeld de medewerker in de gelegenheid te stellen een geconstateerd gebrek te herstellen.
Lid 2 sub w: de politie is eigen risicodrager voor de Wga. De verplichtingen van de Wga-gerechtigde zijn opgenomen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op grond van art. 89 WIA heeft het korps een beleidsregel opgesteld voor het opleggen van maatregelen bij het niet nakomen van verplichtingen door de Wga-gerechtigde. Het opleggen van een maatregel en het opschorten of schorsen van betaling van de Wga-uitkering zijn besluiten in de zin van de Awb.
Lid 3: hier is een mandaat voor de directeur PDC toegevoegd, namelijk om te beslissen op schadeclaims van burgers. Tot dat moment waren alleen de politiechefs, en in hun lijn van ondermandaat de eenheidsleidingen, sectorhoofden en teamchefs, bevoegd om te beslissen op schadeclaims van burgers. Op zichzelf komt dit overeen met de algemene lijn van het mandaatstelsel van de politie. Waar de operationele lijn verantwoordelijk is voor het handelen van de operationele medewerkers horen zij ook te beslissen over de gevolgen daarvan, zoals de door dat handelen veroorzaakte schade. In de dagelijkse praktijk stuit dit echter in veel eenheden op problemen. In het kader van de herinrichting van de processen van schadebehandeling, die binnen de Dienst FM zijn belegd waar het schade van derden betreft, is ervoor gekozen om in ieder geval in de startfase van deze nieuwe processen, de bevoegdheid om te beslissen op schadeclaims van en op derden, te beleggen bij de directeur PDC en de onder hem ressorterende diensthoofd, sectorhoofden en teamchefs van de Dienst FM. Bij wijze van uitzondering is deze bevoegdheid nog niet gelijktijdig uitgezonderd voor de politiechefs in artikel 4.2 lid 1, omdat het gewijzigde proces van schadebehandeling nog niet overal voldoende vorm heeft gekregen om schadebehandeling volledig over te nemen binnen de Dienst FM. Uiteraard is het wel de bedoeling dat waar mogelijk het mandaat nog slechts binnen de lijn van de Dienst FM wordt uitgeoefend. Wanneer in lijn met dit nieuwe voorstel door de Dienst FM beslist wordt op een schadeclaim, dient betrokkenheid van de operationele lijn nog steeds geborgd te worden, en wel door hen kennis te laten nemen van de voorgenomen beslissingen, alvorens deze ondertekend worden. De bedoeling is om deze werkwijze, nadat in alle eenheden de nieuwe processen in werking zijn getreden, te evalueren om te bezien of dit mandaat toch weer in de operationele lijn belegd kan worden. Voor de goede orde zij vermeld dat dit mandaat ook geldt voor schade die voortvloeit uit (de niet nakoming van) overeenkomsten, maar niet voor beslissingen inzake schade van en op ambtenaren van politie. Die dienen door de leidinggevende van de betrokken medewerker te worden genomen (uitgezonderd schade inzake PTSS en beroepsincidenten).
Lid 4: de bevoegdheid tot het aanvragen van subsidies ten behoeve van de politie is van de directeur financiën en control verlegd naar de directeur PDC, die daarvoor ondermandaat verleent aan het diensthoofd financiën en control voor aanvragen tot € 1 miljoen. De directeur PDC zal vooraf afstemmen met de voor het onderwerp relevante directie of politiechef/portefeuillehouder. Onder de bevoegdheid is tevens begrepen het afleggen van (tussentijdse) verantwoording over toegekende subsidies.
Voor subsidies die een bedrag van € 0,5 miljoen te boven gaan, is voorafgaand aan de aanvraag de instemming van de directeur financiën en control vereist.
Lid 5: met ingang van 1 januari 2023 is de Wet screening ambtenaren van politie en politie-externen en het Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen in werking getreden. De screening is opgenomen in de Politiewet 2012 paragraaf 3.5.4. (artikelen 48q tot en met 48z). Na het onderzoek naar de betrouwbaarheid neemt het bevoegd gezag een beslissing omtrent de betrouwbaarheid als bedoeld in art. 48q, eerste en vierde lid. Het onderzoek naar de betrouwbaarheid wordt verricht door de Afdeling Screening van het PDC onder de dienst HRM. Om eenduidigheid te bevorderen is besloten om alle besluiten op grond van de onderzoeken door deze Afdeling te laten nemen. Daarom zijn dergelijke besluiten voorbehouden aan de directeur PDC, die daarvoor ondermandaat verleent aan het sectorhoofd Screening. Als er bezwaar wordt gemaakt tegen een dergelijk besluit, is het aan het diensthoofd HRM daar op te beslissen.
Voor (toekomstige) externen die via inhuur werkzaamheden voor de Politieacademie gaan verrichten is de directeur PA het bevoegd gezag als het gaat om de screening van de kandidaat-externe en de externe (art. 1 sub c Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen). De directeur PA verleent ook mandaat aan het sectorhoofd Afdeling Screening van het PDC voor het nemen van besluiten naar aanleiding van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van deze groep en aan het diensthoofd HRM voor het nemen van beslissingen op bezwaar.
Met ingang van 1 april 2025 is een nieuw stelstel in werking getreden dat ziet op beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en het oude regime van beroepsziekten, beroepsincidenten en dienstongevallen vervangt. Het nieuwe stelsel is vervat in het Barp en in de Regeling beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie. Het is van toepassing op ambtenaren en gewezen ambtenaren met beroepsgerelateerde gezondheidsklachten die vanaf 1 april 2025 voor het eerst leiden tot schade of verzuim.
De focus ligt op herstel en re-integratie en snelle vergoeding van schade die deze klachten veroorzaken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn zoveel mogelijk bij de leidinggevende belegd.
Een uitzondering is de besluitvorming over de vergoeding van medische kosten en alle besluiten die zien op gewezen ambtenaren; het mandaat hiervoor is aan de directeur PDC gegeven, die dit via ondermandaat naar diensthoofd HRM uiteindelijk door de teamchef van Team Beroepsrisico laat uitvoeren.
Het derde lid ziet op de verplichting om advies in te winnen bij Team Beroepsrisico, vanwege de specialistische expertise voor het opmaken van schadebesluiten bij een medische eindsituatie. Als het bevoegd gezag wil afwijken van dit advies, is het mandaat voor het nemen van het besluit belegd bij het hoofd bedrijfsvoering in de eenheden. Hiervoor is gekozen om een eenduidige beleidslijn in de uitvoering te waarborgen.
Er is een overgangsregeling bij de stelselwijziging van toepassing. Voor (oud)medewerkers met gezondheidsklachten die zijn ontstaan vóór 1 april 2025 die al een erkenning beroepsziekte, dienstongeval of beroepsincident hadden, verandert er niets en blijft die erkenning en de rechtspositionele aanspraken die daarbij horen van toepassing. Mensen die op 1 april 2025 nog in een lopende procedure zaten voor een erkenning, hebben de keuze gekregen om bij een erkenning beroepsziekte of dienstongeval te opteren voor het nieuwe stelsel.
Dit betekent dat het oude stelsel en het nieuwe stelsel voorlopig nog naast elkaar bestaan in de uitvoering.
In de mandatering zijn de bijbehorende aanspraken aangeduid met ‘oud’ voor de medewerkers die vallen onder of kiezen voor het oude stelsel.
De Ministers van Justitie en Veiligheid, voor Medische Zorg en van Defensie, de besturen van de veiligheidsregio’s en de Regionale Ambulancevoorzieningen vormen gezamenlijk het hoogste niveau van de besturing van de meldkamers. Deze multidisciplinaire sturingslijn geldt voor de politie alleen ten aanzien van de Landelijke meldkamer samenwerking, als afzonderlijk organisatieonderdeel van de politie.
De directeur LMS geeft met mandaat van de korpschef uitvoering aan het beheer van de meldkamers. Dit betreft het zorgdragen voor tien meldkamers die elkaars taken kunnen overnemen en waarin de hulpdiensten hun meldkamerfunctie kunnen uitoefenen. De meldkamers zijn de fysieke plaatsen waar de meldkamerfunctie wordt uitgevoerd. Het beheer van de meldkamers is ondergebracht bij de politie. Het gaat daarbij om dienstverlening, huisvesting, en inrichting, beheer, onderhoud en ontwikkeling van gemeenschappelijke ICT-voorzieningen, inclusief het ICT-beheer ten behoeve van de meldkamers. De LMS is in artikel 43b als ondersteunende dienst van de politie met de als taak de uitvoering van het beheer van de meldkamers in het Besluit beheer politie opgenomen.
In artikel 70, eerste lid van de Politiewet 2012 is bepaald dat de korpschef zorg draagt voor de behandeling van de klacht die is ingediend over een gedraging van een ambtenaar van politie die is tewerkgesteld bij een ondersteunende dienst. Het mandaat aan de directeur LMS omvat echter op grond van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid tot de behandeling van een klacht over een gedraging van een ambtenaar van politie die is tewerkgesteld bij het organisatieonderdeel LMS.
Met de vaststelling van het onderhavige mandaatbesluit is beoogd de wijzigingen integraal in één geactualiseerd besluit op te nemen. Dit betekent dat op basis van de eerdere en thans vervallen Mandaatbesluiten politie (januari 2013, november 2013, januari 2014, januari 2015, maart 2015, november 2015, januari 2017, september 2017, januari 2020, juli 2021 en januari 2024) met instemming van de korpschef genomen ondermandaatbesluiten van kracht blijven, tenzij zij in strijd zijn met het onderhavige mandaatbesluit.
Dit mandaatbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op www.politie.nl. Op deze site worden ook alle ondermandaten gepubliceerd.
De aanduiding ‘oud’ ziet op de artikelen zoals die waren opgenomen in het Barp voor 1 april 2025. Zie voor meer uitleg de Toelichting bij dit artikel.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23730.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.