Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 23542 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 23542 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 5, eerste en tweede lid, 10, 16, 17, 18 en 32 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.13.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid komt de begripsbepaling fundingkosten te luiden:
kosten die de financier maakt om geld aan te trekken op de kapitaalmarkt, waarvan de hoogte op de volgende wijze wordt vastgesteld:
a. bij banken op basis van Euribor vermeerderd met een liquiditeitsopslag;
b. bij door de minister aangewezen kredietverstrekkers op basis van de risicovrije rente;.
2. In het eerste lid komt onderdeel c van de begripsbepaling lening te luiden:
c. is afgesloten met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten;.
3. In het eerste lid vervalt de begripsbepaling liquiditeitsopslag.
4. Aan het eerste lid wordt de volgende begripsbepaling toegevoegd:
de rente op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd die het beste aansluit bij de looptijd van de te verstrekken lening.
5. Aan het tweede lid wordt ‘en een door de minister aangewezen kredietverstrekker’ toegevoegd.
B
Aan artikel 3.13.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een door de minister aangewezen kredietverstrekker verstrekt enkel vreemd vermogen financiering aan de ondernemer.
C
In artikel 3.13.6, eerste lid, wordt ‘Adviescommissie Kredietcommissie’ vervangen door ‘Adviescommissie Kredietcommissie Garantie Ondernemingsfinanciering’.
D
Artikel 3.13.10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt ‘vermeerderd met een liquiditeitsopslag’.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.
E
Aan artikel 3.13.11 wordt, onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel c, het volgende onderdeel toegevoegd:
d. indien het gaat om een door de minister aangewezen kredietverstrekker:
1°. een brief van DNB en AFM waaruit blijkt dat de aanvrager aan de door hen gestelde eisen voldoet, dan wel dat deze eisen op hem niet van toepassing zijn;
2°. een ondernemersplan;
3°. een uittreksel uit het Handelsregister;
4°. een volledig C.V. van sleutelfunctionarissen;
5°. een overzicht van kosten die voortvloeien uit de overeenkomst met betrekking tot de funding van de lening alsmede een opgave van de risicovrije rente.
F
Bijlage 3.13.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. ‘Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies’ wordt telkens vervangen door ‘Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies’.
2. ‘Minister van Economische Zaken’ wordt telkens vervangen door ‘Minister van Economische Zaken en Klimaat’.
3. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel c, komt het derde gedachtestreepje van de begripsbepaling lening te luiden:
– is afgesloten met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten;.
b. Onderdeel d vervalt, onder verlettering van onderdelen e tot en met j tot d tot en met i.
c. In onderdeel g (nieuw) wordt aan de begripsbepaling financier toegevoegd ‘of een door de minister aangewezen kredietverstrekker’.
d. In onderdeel i (nieuw) komt de begripsbepaling fundingkosten te luiden:
kosten die de financier maakt om geld aan te trekken op de kapitaalmarkt, waarvan de hoogte op de volgende wijze wordt vastgesteld:
a. bij banken op basis van Euribor vermeerderd met een liquiditeitsopslag;
b. bij door de minister aangewezen kredietverstrekkers op basis van de risicovrije rente;.
e. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
j risicovrije rente: de rente op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd die het beste aansluit bij de looptijd van de te verstrekken lening.
4. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘vermeerderd met een liquiditeitsopslag’.
b. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot en met negende lid tot tweede tot en met achtste lid.
5. In artikel 8, elfde lid, wordt ‘MKB-ondernemer’ vervangen door ‘ondernemer’.
6. In artikel 12a wordt ‘nader’ vervangen door ‘nadere’.
7. In artikel 15 wordt ‘Ministerie van Economische Zaken’ vervangen door ‘Ministerie van Economische Zaken en Klimaat’ en wordt ‘RVO.nlL’ vervangen door ‘RVO.nl’.
In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt aan titel 3.13 de volgende rij toegevoegd:
|
3.13.2 & 3.14.2 |
13-07-2026 t/m 15-12-2026 |
€ 300.000.000 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 2 juli 2026
De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert
Deze wijzigingsregeling voorziet in de wijziging van de subsidiemodule Garantie ondernemingsfinanciering (hierna: de GO), opgenomen in titel 3.13 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (hierna: RNES), alsmede de openstelling en verhoging van het subsidieplafond van de GO en van de met de GO verband houdende subsidiemodule Garantstelling gericht op bankgaranties die in titel 3.14 van de RNES is opgenomen. Deze wijzigingsregeling voorziet niet in inhoudelijke wijzigingen van titel 3.14.
De GO geldt voor het midden- en grootbedrijf. Zij beoogt de toegang tot krediet voor het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren. Op grond van de GO kunnen banken een garantstelling van de Nederlandse Staat verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers. Ook bevat de GO een faciliteit ter zake van bankgaranties die ervoor zorgt dat de Nederlandse Staat garant kan staan voor door banken af te geven garanties voor de nakoming van contractuele verplichtingen van de desbetreffende onderneming. Voor de garantstelling wordt een kostendekkende premie geheven.
De wijzigingen in de onderhavige regeling subsidiemodules GO voorzien in het verruimen van de toegang tot de GO voor door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: minister) aangewezen kredietverstrekkers. Hiermee wordt beoogd de toegang tot bedrijfsfinanciering voor het midden- en grootbedrijf te verbeteren. Non-bancaire financiers spelen namelijk in toenemende mate een belangrijke rol in de markt voor kredietverlening. Non-bancaire financiers die zich op kredietverstrekking richten dienen, om toegang tot de GO-regeling te krijgen, een verzoek in bij de minister (in de praktijk de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO)). RVO beoordeelt dit verzoek en legt het vervolgens ter advies voor aan de Adviescommissie Kredietcommissie Garantie Ondernemingsfinanciering, waarna een besluit volgt.
Tussen de verstrekker van vreemd vermogen en de verstrekker van eigen vermogen (aandeelhouder) kan een belangenconflict ontstaan. Het belangenconflict tussen aandeelhouder en kredietverstrekker kan ontstaan bij zowel de verstrekking als bij het beheer van de lening. Bij verstrekking is de aandeelhouder gebaat bij zo laag mogelijke rentekosten en soepele kredietvoorwaarden, terwijl de kredietverstrekker een ander belang heeft. Ook bij een mindere gang van zaken na kredietverlening kan een belangenconflict ontstaan. Zo kan er geld bijgestort moeten worden om de continuïteit van de onderneming te behouden. De kredietverstrekker heeft er in zo’n situatie belang bij dat de aandeelhouder zich maximaal inzet voor de bijstorting, terwijl de aandeelhouder er belang bij kan hebben dat de benodigde bijstorting zoveel mogelijk wordt ingevuld met kredietuitbreiding.
Ter voorkoming van dergelijke belangenconflicten mogen non-bancaire financiers enkel vreemd vermogen financiering aan de ondernemer verstrekken. Dit wordt door RVO gecontroleerd bij een aanvraag.
Een tweede wijziging betreft dat het jaarlijkse garantieplafond voor de GO- en titel 3.14 vanaf 13 juli 2026 is vastgesteld op € 300.000.000. Met dit bedrag worden de GO en titel 3.14 (opnieuw) opengesteld vanaf 13 juli 2026 tot en met 15 december 2026. Hiertoe wordt de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 (hierna: ROES) aangepast.
De GO bevat geen staatssteun (zie artikel 3.13.12 van de RNES). De wijzigingen van de GO alsmede de openstelling en de ophoging van het subsidieplafond van de GO en titel 3.14 brengen hierin geen verandering, omdat de overige voorwaarden van de GO en van titel 3.14 ongewijzigd blijven.
De wijzigingen van de GO en ophoging van het subsidieplafond leiden niet tot een toename van informatieverplichtingen en daarom ook niet tot een toe- of afname van de regeldruk voor financiers – de subsidieaanvragers op grond van de GO – of de bedrijven die een krediet bij de financier aanvragen. De GO leunt in haar vormgeving en uitvoering namelijk volledig op de reguliere ingerichte processen van financiers waarin zij per kredietaanvraag tot een gedegen afweging komen om tot het eventueel verstrekken van een financiering overgaan. Activiteiten die hier zoal onder vallen zijn het verrichten van een zorgvuldige analyse door financiers op de kredietwaardigheid van een bedrijf die financiering wenst te verkrijgen. Er is dan ook sprake van zogeheten bedrijfseigen kosten die volledig buiten de GO om reeds worden gemaakt door zowel de financiers die kredietaanvragen beoordelen en bedrijven die een kredietenaanvraag indienen. De verschillende (bewijs)stukken die bedrijven bij financiers voor een kredietaanvraag aanleveren, betreffen dezelfde stukken die financiers voor een GO-aanvraag dienen aan te leveren bij RVO. Ook de wijziging van artikel 3.13.11 betreft informatie die bedrijven bij een kredietaanvraag al hebben ingediend bij de financier.
Voor de eenmalige accreditatie van formeel nog niet aangewezen kredietverstrekkers door de minister (in praktijk RVO) geldt een eenmalige tijdsinspanning. Deze bedraagt circa 60 uur in totaal per alternatieve financier die toegang tot de GO-regeling wil hebben. Hiertoe worden gerekend activiteiten als bijvoorbeeld het opstellen en indienen van het GO toelatingsverzoek door de alternatieve financier, een RVO bezoek op locatie van de alternatieve financier en tot slot een dagdeel waarin de financier haar accreditatieverzoek mondeling nader toelicht aan de Adviescommissie Kredietcommissie Garantie Ondernemingsfinanciering die aan de minister per toelatingsverzoek advies uitbrengt en het eventuele beantwoorden van vragen na afloop. De totale tijdsbesteding is in die zin binnen een beperkte proportie voor de alternatieve financier en de geschatte kosten op basis van deze tijdsbesteding bedraagt per geval, uitgaande van een uurtarief van € 85, in totaal € 5.100 per alternatieve financier (€ 85*60 uren). Uitgaande van twee jaarlijkse aanvragen van alternatieve financiers bedraagt dit op jaarbasis € 5.100*2=€ 10.200). Verder is de verwachting dat de tijdsbesteding bij de subsidiemodules GO twee uur bedraagt. Uitgaande van een uurtarief van € 85 en circa vijf verwachte aanvragen per jaar, leidt dit derhalve tot circa 2*85*5 = € 850 aan jaarlijkse regeldruk voor (cumulatief geschat voor zowel drie bancaire als 2 niet-bancaire jaarlijkse aanvragers) financiers van de subsidiemodules GO. Dit staat los van de gebruikelijke kosten die de bank moet maken voor het verstrekken en beheren van een lening, maar deze kosten zijn voor de bank niet anders dan voor een lening zonder overheidsgarantstelling en vloeien derhalve niet voort uit deze regeling. Inzake derhalve de aanbeveling om de administratieve lasten te reduceren is het belangrijk in ogenschouw te nemen dat er voor wat betreft de uitvoering en het beheer van de regeling gebruik gemaakt wordt van de besluitvormingsprocessen en -documenten van de financier, hierdoor zijn de administratieve lasten beperkt.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) heeft deze regeling geselecteerd voor een formeel advies. Bij brief1 van 17 juni 2026 heeft ATR geadviseerd om concrete doelstellingen te formuleren, bijvoorbeeld in termen van het aantal non-bancaire financiers dat gebruik zal gaan maken van de GO en het totaal benutte budget. Dit mede gelet op de evalueerbaarheid van de regeling. Daarnaast heeft ATR geadviseerd om de regeldruk volledig in kaart te brengen, door een inschatting te maken van het aantal non-bancaire financiers dat toegang wil hebben tot de regeling. Dit voor een consistente beoordeling van de methodiek.
Met betrekking tot het advies van ATR wordt verwacht dat er ongeveer vijf aanvragen per jaar zullen worden ingediend. Dit betekent een totaal van 25 aanvragen in de periode van 13 juli 2026 tot 1 juli 2031. Dit is in bovenstaande tekst verduidelijkt. De (extra) aanvragen van alternatieve kredietverstrekkers zullen naar verwachting niet leiden tot het bereiken van het subsidieplafond.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met de datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van de GO gebaat is bij spoedige inwerkingtreding. Omdat de openstellingsperiode van de GO pas op 15 december 2026 zal eindigen, heeft de doelgroep ook voldoende tijd om een aanvraag voor te bereiden en in te dienen.
Met dit onderdeel worden de begripsbepalingen ‘fundingkosten’ en ‘lening gewijzigd’. Met betrekking tot de begripsbepaling ‘fundingkosten’ geldt dat de toegang voor non-bancaire financiers tot de GO noodzaakt tot aanpassing van de deze begripsbepaling. Bij deze aanpassing is ermee rekening gehouden dat non-bancaire financiers op andere wijze funding aantrekken. In onderdeel c van de begripsbepaling ‘lening’ vervallen de verwijzingen naar de rente en Euribor omdat deze terugkomen in de nieuwe definitie van fundingkosten.
Daarnaast komt met dit onderdeel de begripsbepaling ‘liquiditeitsopslag’ te vervallen. Dit houdt verband met het feit dat de liquiditeitsopslag niet aansluit bij de praktijk van non-bancaire financiering. Bovendien is deze term een gangbaar begrip in de financiële wereld dat geen nadere duiding behoeft. Daarnaast wordt met dit onderdeel een begripsbepaling toegevoegd. Het gaat om de begripsbepaling ‘risicovrije rente’. De toevoeging maakt het mogelijk om voor non-bancaire financiers een rente zonder risicokosten, operationele kosten en winstmarge te kunnen bepalen. Met ‘de rente op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd die het beste aansluit bij de looptijd van de te verstrekken lening’ wordt bedoeld dat wanneer bijvoorbeeld een lening wordt afgesloten voor zes jaar, aangesloten kan worden bij de rente van een staatsobligatie van vijf jaar en wanneer de lening wordt afgesloten voor een periode van acht jaar dat dan aangesloten wordt bij de rente van een staatsobligatie van tien jaar. Tot slot wordt met dit onderdeel geregeld dat ook een door de minister aangewezen kredietverstrekker toegang heeft tot de GO om subsidie aan te vragen. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2 van deze toelichting.
Met dit onderdeel wordt geëxpliciteerd dat een door de minister aangewezen kredietverstrekker alleen vreemd vermogen financiering mag verstrekken aan de ondernemer. Dit om belangenconflicten tegen te gaan (zie hierover ook paragraaf 2 van de toelichting.
De wijziging opgenomen in dit onderdeel ziet slechts op een naamswijziging van de adviescommissie.
Dit onderdeel houdt verband met het schrappen van de begripsbepaling liquiditeitsopslag. Zie hierover de toelichting bij onderdeel A.
Dit onderdeel voegt een onderdeel d toe aan artikel 3.13.11. De informatie die de non-bancaire financier moet aanleveren op grond van dit onderdeel is voor RVO onder andere nodig om te bepalen of deze financier deskundig, betrouwbaar en integer is (zie in dit kader ook de criteria opgenomen in artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit).
Met dit onderdeel wordt bijlage 3.13.1 in lijn gebracht met de wijzigingen die met deze wijzigingsregeling in subsidiemodule 3.13 zijn aangebracht. Daarnaast worden enkele tekstuele correcties doorgevoerd.
Met dit artikel worden titels 3.13 en 3.14 opengesteld van 13 juli 2026 tot en met 15 december 2026 met een subsidieplafond van € 300 mln. Deze openstelling geschiedt door wijziging van de ROES.
Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23542.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.