Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 9 juli 2026, nr. WJZ/106861568, houdende wijziging van de Regeling uitvoering aanpak piekbelasting in verband met het toekennen van additionele middelen aan de provincies Overijssel en Zeeland [KetenID WGK29198]

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op artikelen 2a, eerste lid, en 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling uitvoering aanpak piekbelasting wordt als volgt gewijzigd:

In de BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3: MAXIMALE RIJKSBIJDRAGE, wordt in Tabel 2: maximale rijksbijdrage voor provincies met wie werkafspraken zijn gemaakt, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, in de kolom ‘maximale rijksbijdrage’ voor de provincie Overijssel ‘€ 301.000’ vervangen door ‘€ 601.000’ en voor de provincie Zeeland ‘€ 295.000’ vervangen door ‘€ 495.000’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 juli 2026

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

TOELICHTING

Inleiding en doel

Met de Regeling uitvoering aanpak piekbelasting (Ruapb) heeft het Rijk financiële middelen beschikbaar gesteld aan provincies. Provincies kunnen met de ontvangen middelen het proces voor de uitvoering van de aanpak piekbelasting faciliteren door het instellen van regionale uitvoeringsteams (hierna: het proces). Onderhavige regeling (hierna: de regeling) kent additionele middelen toe aan de provincies Overijssel en Zeeland.

Provincies wenden de Ruapb middelen aan voor het proces tot en met 31 december 2027. Afgezien van de provincies Overijssel en Zeeland hebben de overige provincies nog voldoende middelen voor het proces en het ordentelijk afronden hiervan. Aan de provincies Overijssel en Zeeland wordt middels deze regeling respectievelijk € 300.000 en € 200.000 aan extra middelen toegekend.

Deze extra investering is van belang voor een volledige en zorgvuldige afronding van de aanpak. Hiervoor is het noodzakelijk dat in zowel Overijssel als Zeeland de eerder afgesproken ambtelijke inzet voor provinciale coördinatie ook in 2026 en 2027 wordt gecontinueerd. De afronding vraagt meer tijd dan eerder voorzien en daarmee een langere periode van provinciale inzet. Het gaat in beide provincies specifiek om het voortzetten van de inzet van FTE’s. De reden dat Zeeland en Overijssel hun beschikbare middelen uit de Ruapb 2023-2025 reeds hebben uitgeput, is dat deze middelen enkel waren bedoeld voor een coördinerende rol en slechts waren geraamd tot en met 2025. Door de langere doorlooptijd, mede vanwege het afronden van de piek in werkzaamheden, is continuering van deze coördinerende inzet noodzakelijk tot en met 2027.

De Minister van LVVN keert de middelen op aanvraag uit als specifieke uitkering. De Ruapb vormt daarvoor de grondslag.

Regeldruk

De regeling heeft geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk.

Vaste verandermomenten

Met de inwerkingtreding van deze regeling op de dag na de publicatie in de Staatscourant, wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten en de minimum invoeringstermijn. Deze afwijking is gerechtvaardigd omdat het van belang is dat de doelgroep van de Ruapb, namelijk de provincies Overijssel en Zeeland, zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over wanneer zij middelen kunnen aanvragen ten behoeve van het afronden van de uitvoering aanpak piekbelasting.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

Naar boven