Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 23373 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 23373 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op de Invorderingswet 1990 en paragraaf 3 van hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
Besluit:
Het besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2025, nr. 2025-498969, wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 9.3 wordt ‘23’ vervangen door ‘49’.
B
Artikel 14.4.14 komt te luiden:
Als derdenbeslag onder de ontvanger wordt gelegd op een voorlopige teruggaaf, dan wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet.
In overeenstemming met het bepaalde in artikel 9.3 van deze leidraad wordt het bedrag dat ingevolge het gelegde beslag moet worden voldaan, berekend uitgaande van het termijnbedrag.
C
In artikel 25 wordt na het derde gedachtestreepje een gedachtestreepje ingevoegd, luidende:
– uitstel volgens de standaardbetalingsregeling voor particulieren;
D
In artikel 25.1.3, onderdeel i, wordt onder vervanging van de puntkomma aan het einde door een punt, een zin toegevoegd, luidende:
Er wordt in ieder geval vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen in het geval een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen, de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden zoals vermeld in artikel 25.7.5 van deze leidraad;
E
In artikel 25.1.14 vervalt ‘in verband met betalingsproblemen’.
F
Na artikel 25.3.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De ontvanger kan op verzoek van de belastingschuldige een standaardbetalingsregeling verlenen met een looptijd van maximaal twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking verleent. De belastingschuldige betaalt de belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen van ten minste € 20.
De ontvanger verleent de betalingsregeling voor alle belastingaanslagen van de belastingschuldige die ten tijde van het verzoek openstaan, met uitzondering van:
– voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over het lopende jaar,
– conserverende aanslagen, en
– aanslagen waartegen op dat moment een verzoek om uitstel in verband met bezwaar of (hoger) beroep in behandeling is dan wel is toegewezen.
Gedurende de looptijd van de standaardbetalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met de openstaande belastingschuld. De ontvanger kan op verzoek van de belastingschuldige afzien van het verrekenen van voornoemde teruggaven. Tenzij anders overeengekomen, verrekent de ontvanger een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over het lopende jaar niet met een belastingschuld waarvoor de betalingsregeling is verleend.
De afwijzingsgronden vermeld in artikel 25.1.3 van deze leidraad zijn van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de onderdelen f, g en j. In aanvulling hierop kan de ontvanger niet instemmen met het verzoek om toepassing van de standaardbetalingsregeling als:
a. nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is;
b. nieuw opkomende fiscale verplichtingen meer dan incidenteel niet (volledig) worden voldaan;
c. sprake is van een aanzienlijk fiscaal belang; de belastingschuld waarvoor de standaardbetalingsregeling wordt gevraagd bedraagt ten tijde van indiening van het verzoek ten minste € 100.000.
In de gevallen waarin de ontvanger niet kan instemmen met een verzoek om een standaardbetalingsregeling volgt geen afwijzende beschikking, maar zal de ontvanger het verzoek in aanmerking nemen als een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1 van deze leidraad.
In aanvulling op artikel 25.1.4 van deze leidraad kan de ontvanger het uitstel beëindigen als een nieuwe invorderbare belastingschuld ontstaat en de belastingschuldige het nalaat hierover contact op te nemen met de ontvanger. Onderdeel d van artikel 25.1.4 is niet van toepassing.
Wanneer gedurende de standaardbetalingsregeling een nieuwe schuld ontstaat en de belastingschuldige verzoekt de ontvanger hiervoor een regeling te treffen, beoordeelt de ontvanger het verzoek als een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1. Wanneer de ontvanger aan het verzoek tegemoetkomt, geeft de ontvanger, onder intrekking van de toegekende standaardbetalingsregeling, een nieuwe beschikking af. Ook wanneer de belastingschuldige aangeeft de termijnen van de toegekende standaardbetalingsregeling niet te kunnen voldoen, zal de ontvanger dit opvatten als een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1.
G
Na artikel 25.4.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Wanneer de belastingschuldige gedurende de behandeling van een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient dat betrekking heeft op nieuw opgekomen of op te komen fiscale verplichtingen, voegt de ontvanger dit verzoek samen met het eerdere verzoek en behandelt hij de verzoeken gezamenlijk.
H
Artikel 25.7.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Na de tweede alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende:
Als gedurende de behandeling van het administratief beroep tegen de afwijzende beschikking op het eerdere verzoek om uitstel van betaling de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient voor dezelfde belastingschuld, merkt de ontvanger het nieuwe verzoek om uitstel van betaling aan als aanvulling op het lopende beroep. De directeur zal met inachtneming van het nieuwe verzoek om uitstel van betaling beslissen op het administratief beroep.
2. In de derde alinea (oud) wordt na ‘belastingschuldige’ ingevoegd ‘, behoudens de situatie als bedoeld in de vorige alinea,’.
3. Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ indien:
– de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of
– de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het uitstelverzoek.
I
Artikel 26.3.4 wijzigt als volgt:
1. Aan de eerste alinea wordt een zin toegevoegd, luidende:
De materiële belastingschuld mag ook worden betrokken in het akkoord, indien de belastingschuld in omvang bepaalbaar is en ziet op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van indiening van het verzoek.
2. Aan het einde van het artikel wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Het voldoen van schulden aan andere handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om kwijtschelding vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het saneringsakkoord.
J
In artikel 26.3.5 vervalt de laatste alinea.
K
Artikel 26.3.5a vervalt.
L
De tweede en derde zin in artikel 26.3.7 vervallen.
M
In artikel 26.3.8 wordt na laatste gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje toegevoegd, luidende:
– Kleine crediteuren. Onder kleine crediteuren worden verstaan: crediteuren met een zogenoemde kleine vordering. Van een kleine vordering is sprake wanneer de inspanningen om die crediteuren individueel te betrekken bij het akkoord niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger om het dubbele uitkeringspercentage te verlangen. Er wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering als de totale vordering van de betreffende crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Ook hogere vorderingen kunnen door de ontvanger onder omstandigheden als klein worden aangemerkt. Daarvan kan sprake zijn wanneer de ontvanger een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW.
N
Artikel 26.4.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Na de tweede alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende:
Als gedurende de behandeling van het administratief beroep tegen de afwijzende beschikking op het eerdere verzoek om kwijtschelding de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld, merkt de ontvanger het nieuwe verzoek om kwijtschelding aan als aanvulling op het lopende beroep. De directeur zal met inachtneming van het nieuwe verzoek om kwijtschelding beslissen op het administratief beroep.
2. In de derde alinea (oud) wordt na ‘belastingschuldige’ ingevoegd ‘, behoudens de situatie als bedoeld in de vorige alinea,’.
3. Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ indien:
– de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of
– de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek.
O
In artikel 48.2 wordt ‘23’ vervangen door ‘49’.
P
Artikel 73.5.1a vervalt.
Q
Artikel 79.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de tweede alinea wordt ‘De artikelen 11 tot en met 16 van de regeling’ vervangen door ‘De artikelen 11, 12, eerste tot en met vierde lid, 13 tot en met 16 van de regeling’.
2. De achtste alinea komt te luiden:
Als een belanghebbende of de in artikel 3 van de Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken, wordt pas na aanwending van dit vermogen een persoonlijke betalingsregeling toegekend, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.
R
Na artikel 79.8a. wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De Dienst Toeslagen kan als de belanghebbende of de in artikel 3 Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt, waarvan het onredelijk bezwarend is dit liquide te maken als bedoeld in artikel 7, zevende lid, Uitvoeringsregeling Awir (hierna: illiquide vermogen), op verzoek een verlengde persoonlijke betalingsregeling toekennen met inachtneming van het volgende.
Eventuele bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) worden op het vermogen in mindering gebracht.
De Dienst Toeslagen verlengt de persoonlijke betalingsregeling van 24 maanden met maximaal 48 maanden. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de Dienst Toeslagen rekening met de betalingscapaciteit van de belanghebbende. Deze wordt overeenkomstig artikel 79.8 van deze leidraad vastgesteld. In de periode waarmee de persoonlijke betalingsregeling is verlengd, lost de belanghebbende in beginsel een bedrag af gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen. Wanneer de betalingscapaciteit onvoldoende is om in een periode van 48 maanden een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen af te lossen wordt maandelijks een bedrag afgelost gebaseerd op de aanwezige betalingscapaciteit. Wanneer de belanghebbende niet over enige betalingscapaciteit beschikt wordt een betalingsregeling voor maximaal 72 maanden toegekend waarin, zolang er geen betalingscapaciteit is, niet afgelost hoeft te worden.
Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is de belanghebbende verplicht de Dienst Toeslagen zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts kan de Dienst Toeslagen jaarlijks beoordelen of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de Dienst Toeslagen opnieuw de betalingscapaciteit van de belanghebbende en past het maandbedrag zo nodig aan. Wanneer een betalingsregeling is toegekend waarin de belanghebbende een bedrag aflost gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de toeslagschuld past de Dienst Toeslagen na verloop van 24 maanden de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld. Wanneer de belanghebbende een lager bedrag aflost dan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de toeslagschuld past de Dienst Toeslagen de betalingsregeling ook aan wanneer de betalingscapaciteit naar boven moet worden bijgesteld. In dit laatste geval zal het maandelijks af te lossen bedrag worden verhoogd.
Belanghebbende kan tijdens de looptijd van een verlengde betalingsregeling te maken krijgen met een nieuwe terugvordering. De Dienst Toeslagen kan deze terugvordering op verzoek van een belanghebbende meenemen in de verlengde betalingsregeling. De looptijd van de verlengde betalingsregeling blijft ongewijzigd. Nieuwe terugvorderingen kunnen tot 4 jaar gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de verlengde betalingsregeling is vastgesteld worden meegenomen.
Als een belanghebbende of de in artikel 3 Awir bedoelde partner over vermogen in de zin van artikel 12, eerste tot en met vierde lid, van de regeling beschikt, waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken, kent de Dienst Toeslagen pas na aanwending van dit vermogen een verlengde betalingsregeling toe.
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een verlengde betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling. De Dienst Toeslagen beëindigt de betalingsregeling als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt. De betalingsregeling wordt eveneens beëindigd wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet. Wanneer de betalingsregeling wordt beëindigd kan de Dienst Toeslagen de invordering aanhouden voor een redelijke termijn zodat de belanghebbende het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen. Dit geldt eveneens wanneer de Dienst Toeslagen de betalingsregeling afwijst.
S
Artikel 79.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. De eerste alinea komt te luiden:
Als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal de Dienst Toeslagen na afloop van die betalingsregeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld. Hetzelfde geldt wanneer de belanghebbende een verlengde betalingsregeling is toegestaan als bedoeld in artikel 79.8b en er nog een openstaande schuld is na afloop van de regeling.
2. In de tweede alinea wordt ‘toeslagenschuld’ vervangen door ‘toeslagschuld’.
3. In de derde alinea wordt ‘beide’ vervangen door ‘de hiervoor genoemde’.
T
Artikel 79.9b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt:
a. aan de eerste zin toegevoegd ‘als bedoeld in artikel 79.7 en 79.8’ en
b. in de tweede zin ‘Daarbij is het bepaalde in de artikelen 79.7 en 79.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande’ vervangen door ‘In afwijking van deze artikelen geldt’.
Den Haag, 26 juni 2026
De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, C.H.L.M. van de Louw Directeur-Generaal Toeslagen
M.C. de Graaf Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken
Artikel I, onderdeel A, indexeert het in artikel 9.3 opgenomen maandelijkse termijnbedrag. De voorlopige teruggaven van artikel 9, zesde en zevende lid, van de wet, worden in maandelijkse termijnen betaald. Wanneer het maandelijkse termijnbedrag niet meer bedraagt dan het genoemde maandelijkse termijnbedrag, worden de voorlopige aanslagen, behoudens de in artikel 9.3 van deze leidraad genoemde uitzondering, in één keer uitbetaald. Voor de indexatie van dit bedrag is aansluiting gezocht bij het bedrag genoemd in artikel 33 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: de regeling).1
Artikel I, onderdeel B, betreft een redactionele wijziging van artikel 14.4.14. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Artikel 14.4.14 ziet op de situatie dat een derdenbeslag wordt gelegd onder de ontvanger op een voorlopige teruggaaf. In die situatie wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet. De tweede zin van artikel 14.4.14 waarin was vermeld dat de regeling van de beslagvrije voet ook van toepassing was wanneer het maandelijkse termijnbedrag niet groter was dan het daar genoemde bedrag is komen te vervallen. Uit artikel 9.3 van deze leidraad volgt reeds dat de daar genoemde uitzondering geen toepassing vindt wanneer een derde aanspraak maakt op een voorlopige teruggaaf ingevolge een gelegd derdenbeslag. De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag is daarom irrelevant.
Artikel I, onderdeel D, verduidelijkt de huidige afwijzingsgrond van artikel 25.1.3, onderdeel i, van deze leidraad, in die zin dat wordt aangegeven in welke situatie er vanuit het perspectief van de ontvanger in ieder geval wordt vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient, terwijl een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan, en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat een belastingschuldige, nadat een eerder verzoek om uitstel van betaling is afgewezen, een nieuw verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen indient, zonder dat hij hierbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeldt. Wanneer het nieuwe verzoek ziet op dezelfde belastingschuld dan is er sprake van een herhaald verzoek en handelt de ontvanger conform artikel 25.7.5 van deze leidraad. Maar wanneer er niet voor dezelfde belastingschuld uitstel van betaling wordt gevraagd, is er geen sprake van een herhaald verzoek, maar van een nieuw verzoek. Dit geldt ook wanneer in het nieuwe verzoek uitstel van betaling wordt gevraagd voor zowel de oude onbetaald gelaten belastingaanslagen als voor de belastingschulden die nadien zijn ontstaan.
Wanneer een eerder verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waarop dat verzoek betrekking had nog geheel of gedeeltelijk openstaan, terwijl inmiddels opnieuw belastingschulden zijn ontstaan, vormt dit een aanwijzing dat geen sprake is van een tijdelijk liquiditeitstekort, maar van betalingsproblemen met een meer structureel karakter. In die gevallen bestaat onvoldoende perspectief dat met het verlenen van uitstel van de betaling de openstaande belastingschulden binnen afzienbare tijd alsnog kunnen worden voldaan en een oplossing wordt geboden voor de belastingschuldige.
Met het verduidelijken van deze afwijzingsgrond wordt beoogd te voorkomen dat bij herhaling wordt verzocht om uitstel van betaling in gevallen dat er onvoldoende perspectief bestaat op voldoening van de schuld. Deze verduidelijking draagt bij aan het voorkomen van onnodige herbeoordelingen en waarborgt dat uitstel van betaling zijn karakter behoudt als instrument voor het overbruggen van tijdelijke betalingsproblemen.
Een absolute afwijzingsgrond kan onevenredig uitpakken. Om die reden zijn er twee waarborgen ingebouwd. Ten eerste gaat het hier om een vermoeden van structurele betalingsproblemen. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, zal de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid stellen dit vermoeden te weerleggen. Ten tweede geldt dat wanneer er sprake is van nieuwe of veranderde omstandigheden dit vermoeden van structurele betalingsproblemen zich niet voordoet. Er is dan immers niet per definitie sprake van een structureel betalingsprobleem.
Artikel I, onderdeel E, betreft een wijziging van artikel 25.1.14. Deze wijziging hangt samen met de invoering van de standaardbetalingsregeling. In artikel 25.1.14 is opgenomen dat de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen afwijst als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop heeft plaatsgevonden of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen. Aangezien voor de toepassing van de standaardbetalingsregeling niet is vereist dat er sprake is van betalingsproblemen zou een executoriale verkoop eenvoudig te frustreren zijn door het indienen van een verzoek om toepassing van de standaardbetalingsregeling. Om te waarborgen dat een in gang gezet executietraject niet wordt doorkruist, is verduidelijkt dat deze beperking geldt voor alle verzoeken om uitstel van betaling.
Artikel I, onderdelen F en C, betreft de invoering van een nieuw artikel 25.3A en de hierbij behorende redactionele wijziging van artikel 25. Met dit artikel wordt een standaardbetalingsregeling voor particulieren in het beleid geïntroduceerd. In de Invorderingsstrategie van de Belastingdienst, die op 23 december 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd zijn verbetermogelijkheden opgenomen, gebaseerd op de uitgangspunten: een persoonsgerichte benadering, stimuleren dat burgers uit zichzelf betalen, voorkomen van problematische schulden, het waarborgen van het bestaansminimum en de inzet van dwanginvordering als uiterst middel.2 Met een standaardbetalingsregeling voor particulieren wordt hieraan uitvoering gegeven.
Met de standaardbetalingsregeling wordt het de belastingschuldige mogelijk gemaakt om een belastingschuld – voor zover de standaardbetalingsregeling daarop van toepassing is – in maximaal twaalf maanden gespreid te betalen, onder lichte voorwaarden, waarbij in beginsel niet naar de financiële draagkracht van de belastingschuldige wordt gekeken. Dit houdt in dat de afwijzingsgronden van artikel 25.1.3, onderdelen f, g en j, niet van toepassing zijn op onderhavig artikel.
De standaardbetalingsregeling kan worden toegekend op verzoek van de belastingschuldige, zijnde een particulier (waaronder ook ex-ondernemers vallen). De belastingschuldige kan een dergelijk verzoek, mondeling, schriftelijk of digitaal indienen. Uitgangspunt is dat minimaal € 20 per maand afgelost wordt. Dit bedrag is in overeenstemming met het minimumbedrag van de standaardbetalingsregeling zoals die voor Dienst Toeslagen geldt.
Om in aanmerking te komen voor de standaardbetalingsregeling hoeft er geen sprake te zijn van betalingsproblemen. Op deze manier krijgt de betalingsregeling voor particulieren een bredere reikwijdte. De standaardbetalingsregeling biedt daarmee uitkomst voor particulieren die liever in termijnen betalen. Hierbij geldt dat gedurende de betalingsregeling invorderingsrente wordt gerekend, omdat na de uiterste betaaldatum wordt betaald. Met de standaardbetalingsregeling wordt aan particulieren financiële ruimte en meer keuzevrijheid geboden. Dit is een verruiming ten opzichte van de betalingsregeling bij tijdelijke betalingsproblemen, waarbij een betalingsregeling wordt afgesloten op basis van de (financiële) draagkracht van de belastingschuldige.
De standaardbetalingsregeling kan worden aangevraagd voor belastingaanslagen die de belastingschuldige ten tijde van het verzoek heeft openstaan voor zover de standaardbetalingsregeling daarop van toepassing is. De volgende belastingaanslagen vallen niet onder de standaardbetalingsregeling:
• De voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over het lopende jaar. Dit betreft reeds een belastingaanslag die gespreid kan worden voldaan.
• De conserverende aanslagen. Deze belastingaanslagen passen niet goed bij het eenvoudige karakter van de standaardbetalingsregeling.
• Aanslagen waarvoor een verzoek om uitstel van betaling in verband met bezwaar of (hoger) beroep nog in behandeling is of waarvoor uitstel is verleend. Voor deze belastingaanslagen wordt de invordering opgeschort of is reeds uitstel van betaling verleend. Wanneer een verzoek om uitstel van betaling in verband met bezwaar of (hoger) beroep wordt afgewezen, staat het de belastingschuldige vrij om voor die belastingaanslag alsnog een standaardbetalingsregeling aan te vragen.
Er zijn een aantal situaties, in aanvulling op artikel 25.1.3 van deze leidraad, waarin de ontvanger niet (direct) instemt met een verzoek om een standaardbetalingsregeling.
Dit betreft in de eerste plaats de situatie waarin naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is gewaarborgd dat de betalingsregeling zal worden nagekomen. Bij deze beoordeling betrekt de ontvanger de informatie die hem bekend is en weegt hij de relevante feiten en omstandigheden af. In het geval de ontvanger aanwijzingen heeft dat nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is, zal een nadere beoordeling moeten uitwijzen of de belastingschuldige toch in aanmerking komt voor de standaardbetalingsregeling.
Ten tweede kan de ontvanger niet instemmen met een verzoek om een standaardbetalingsregeling wanneer de fiscale verplichtingen (aangifte en/of betaling) meermaals niet (volledig) zijn voldaan. Incidenteel niet voldoen aan de nieuw opkomende verplichtingen hoeft niet tot het niet instemmen met het verzoek te leiden.
Tot slot, kan de ontvanger niet instemmen met een verzoek om toepassing van de standaardbetalingsregeling wanneer er sprake is van een aanzienlijk fiscaal belang. Hiervan is sprake als de belastingschuld waarvoor bij deze regeling om uitstel van betaling kan worden verzocht ten tijde van het indienen van het verzoek om de betalingsregeling ten minste € 100.000 bedraagt.
Overeenkomstig artikel 25.4.3 zal de ontvanger gedurende de looptijd van de standaardbetalingsregeling belastingteruggaven of andere door hem uit te betalen bedragen verrekenen met openstaande belastingaanslagen. De ontvanger kan op verzoek van de belastingschuldige afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven. Als er op dat moment geen risico bestaat voor onverhaalbaarheid van de schuld, kan de ontvanger de teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.
Voor de standaardbetalingsregeling zijn de reguliere beëindigingsgronden van artikel 25.1.4, behoudens onderdeel d, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Voor de standaardbetalingsregeling wordt immers in beginsel niet gekeken naar de betaalcapaciteit van belastingschuldige. In aanvulling hierop kan de ontvanger het uitstel volgens de betalingsregeling eveneens beëindigen als een nieuwe invorderbare schuld ontstaat en de belastingschuldige nalaat contact hierover op te nemen met de ontvanger.
Wanneer gedurende de standaardbetalingsregeling een nieuwe schuld ontstaat en de belastingschuldige verzoekt de ontvanger hiervoor een regeling te treffen, dan zal de ontvanger het verzoek aanmerken als een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1. Wanneer de ontvanger aan een dergelijk verzoek tegemoetkomt, geeft de ontvanger, onder intrekking van de toegekende standaardbetalingsregeling, een nieuwe beschikking af. Wanneer de belastingschuldige aangeeft de termijnen van de toegekende standaardbetalingsregeling niet te kunnen voldoen, zal de ontvanger dit opvatten als een verzoek om een betalingsregeling in de zin van artikel 25.5.1.
In de gevallen waarin de ontvanger niet instemt met een verzoek om een standaardbetalingsregeling, volgt geen afwijzende beschikking op het verzoek om een standaardbetalingsregeling, maar zal de ontvanger het verzoek in behandeling nemen als een verzoek om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1 van deze leidraad. Op deze manier kan mogelijk een passende oplossing worden gevonden voor de betaling van de belastingschuld.
Artikel I, onderdeel G, betreft de invoering van een nieuw artikel 25.4.7. Dit artikel bepaalt dat wanneer er gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling wordt ingediend dat ziet op de nieuw opgekomen dan wel op te komen fiscale verplichtingen, de ontvanger dit verzoek bij het eerdere verzoek voegt en hij de verzoeken gebundeld behandelt. Hiermee wordt voorkomen dat de ontvanger afzonderlijke beschikkingen moet afgeven en er hierdoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Voorts zorgt dit voor een integrale beoordeling van de totale schuldpositie. Deze werkwijze zorgt voor een efficiënte behandeling doordat de verzoeken worden gebundeld.
Artikel I, onderdelen H en N, betreffen de wijzigingen van artikel 25.7.5 en 26.4.2.
De eerste wijziging van de artikelen bewerkstelligt dat wanneer er gedurende de behandeling van het administratieve beroep tegen de beschikking op een eerder verzoek om uitstel van betaling respectievelijk kwijtschelding, een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding wordt ingediend voor dezelfde belastingschuld de ontvanger dit verzoek aanmerkt als aanvulling op het lopende administratieve beroep. Hiermee wordt net als bij de wijziging van artikel 25.4.7 voorkomen dat de ontvanger afzonderlijke beschikkingen afgeeft en er daardoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Deze wijziging strekt uitsluitend tot een doelmatige bundeling van samenhangende verzoeken en doet geen afbreuk aan de rechtsbescherming. De belastingschuldige behoudt de mogelijkheid om alle aangevoerde gronden en omstandigheden in het kader van het lopende administratieve beroep aan de orde te stellen, zodat materieel geen afbreuk wordt gedaan aan zijn rechtspositie.
De tweede wijziging, hangt samen met de eerste wijziging. In de derde alinea (oud) van de artikelen 25.7.5 en 26.4.2 stond tot deze wijziging vermeld dat wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, de ontvanger op dat verzoek dan bij voor administratief beroep vatbare beschikking beslist. Hiervoor is aangegeven dat bij een nieuw verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding gedurende de behandeling van het administratieve beroep, het nieuwe verzoek zal aanmerken als een aanvulling op het lopende administratieve beroep. In die gevallen zal de ontvanger de verzoeken bundelen en dus niet op het nieuwe verzoek afzonderlijk beslissen bij een voor administratief beroep vatbare beschikking.
De derde wijziging betreft een verduidelijking van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’. In beide artikelen wordt meermaals ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ genoemd, maar tot op heden ontbrak hiervoor een helder kader. Met deze wijziging wordt daaraan invulling gegeven door in de artikelen op te nemen dat er slechts sprake is van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ wanneer (1) de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of (2) de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek. Voorbeelden van andere feiten of veranderde omstandigheden bij een verzoek om uitstel zijn een aantoonbare wijziging van de financiële positie van de belastingschuldige of de mogelijkheid om een zekerheid te bieden die eerder niet kon worden geboden. Een voorbeeld van andere feiten of veranderde omstandigheden bij een verzoek om kwijtschelding is wanneer er een wijziging in het vermogen of in de betalingscapaciteit heeft plaatsgevonden. Van andere feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake wanneer bijvoorbeeld een belastingschuldige telkens hetzelfde verzoek opnieuw indient zonder nadere onderbouwing.
Artikel I, onderdeel I, betreft een aantal wijzigingen van artikel 26.3.4. De wijziging van de eerste alinea betreft een verduidelijking van welke aanslagen kunnen worden meegenomen bij een saneringsakkoord. In artikel 26.3.4 stond dat de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek om sanering als uitgangspunt gold voor het bepalen welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken. In artikel 26.3.4 is nu opgenomen dat de geformaliseerde belastingschuld weliswaar het uitgangspunt vormt voor het saneringsakkoord, maar dat ook de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen die zien op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van de indiening van het saneringsverzoek, kunnen worden meegenomen in het saneringsakkoord. Voorwaarde is wel dat het bedrag van de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslag in omvang bepaalbaar is. Dit houdt in dat de belastingschuldige reeds de benodigde aangifte heeft ingediend en er geen verschil van inzicht bestaat over de hoogte van de belastingaanslag met de inspecteur. Door deze aanvulling wordt de werkwijze verduidelijkt. Ook zorgt het meenemen van deze materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen ervoor dat de ontvanger niet achteraf belastingaanslagen moet toevoegen aan de eerder afgegeven beschikking.
Het toevoegen van een vierde alinea aan artikel 26.3.4 betreft eveneens een verduidelijking, namelijk dat het voldoen van schulden aan handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om sanering geen belemmering vormt voor de totstandkoming van het saneringsakkoord. De ontvanger verleent onder meer ingevolge artikel 22 van de regeling slechts medewerking aan een saneringsakkoord indien fiscale verplichtingen die opkomen tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding tijdig en volledig worden nagekomen. Dit houdt in dat de belastingschulden die na de indiening van het saneringsverzoek zijn geformaliseerd en niet onder het akkoord vallen, tijdig en volledig dienen te worden voldaan. Het is reëel te veronderstellen dat de andere handelscrediteuren die medewerking verlenen aan het saneringsakkoord bereid zijn een deel kwijt te schelden eveneens onder de voorwaarde dat de nieuw opkomende verplichtingen worden voldaan. Het past dus niet om dit als belemmering voor deelname aan een saneringsakkoord op te werpen.
Artikel I, onderdelen J, K en R, laten de derde alinea van artikel 26.3.5 en de artikelen 26.3.5a en 73.5.1a geheel vervallen. Deze artikelen waren bedoeld om de minnelijke saneringsakkoorden van ondernemers te bevorderen. In het kader daarvan nam de ontvanger van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met hetzelfde uitkeringspercentage (in plaats van het dubbele percentage zoals staat vermeld in artikel 22 van de regeling) als aan concurrente crediteuren werd aangeboden. Het beleid zoals neergelegd in deze artikelen was enkel van toepassing op saneringsverzoeken die in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 werden ontvangen. Nu deze periode inmiddels alweer meer dan ruim twee jaar verstreken is, is de relevantie van deze artikelen komen te vervallen.
Artikel I, onderdeel L, betreft de wijziging van artikel 26.3.7. Dit naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt ‘Hoe wordt invorderingsrente betrokken in een saneringsakkoord?’3. Ingevolge artikel 7 van de wet geschiedt de toerekening van de betalingen achtereenvolgens aan de kosten, de rente, en de belastingaanslag. In artikel 26.3.7 stond echter dat het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, in afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom wordt afgeboekt. In het standpunt van de kennisgroep komt naar voren dat de afboekingsregels van artikel 7 van de wet dwingendrechtelijk van aard zijn, dat er geen goede reden is om hiervan af te wijken voor wat betreft de betaling van het bedrag van het saneringsakkoord en dat in de praktijk zelden conform het in artikel 26.3.7 beschreven beleid gehandeld wordt. Door deze wijziging wordt het beleid in lijn gebracht met de praktijk en de wettekst.
Artikel I, onderdeel M, betreft een aanvulling van de speciale crediteuren in artikel 26.3.8 van deze leidraad met de zogenoemde kleine crediteuren. In artikel 21 van de regeling is bepaald dat kwijtschelding uitsluitend wordt verleend wanneer dit geschiedt in het kader van een akkoord met alle schuldeisers. De toepassing van deze regeling kan in de praktijk soms tot praktische bezwaren leiden. Het kan bijvoorbeeld niet opportuun zijn om van een schuldeiser te verlangen alle schuldeisers mee te krijgen in het akkoord, met name wanneer het gaat om een bedrijf met veel schuldeisers en het bij een deel van deze schuldeisers bovendien gaat om relatief kleine vorderingen. Als er in de praktijk op basis van het evenredigheidsbeginsel al wel voor werd gekozen om een deel van de schuldeisers vanwege hun relatief lage vordering buiten het akkoord te houden, was er geen eenduidigheid over wat dan een relatief lage vordering was. Om deze reden bestaat de wens om in beleid een regeling op te nemen die het mogelijk maakt dat kleine crediteuren buiten het akkoord worden gehouden en die duidelijk maakt wat moet worden verstaan onder een kleine crediteur.
De regeling bestaat uit meerdere lagen. Uitgangspunt is dat de inspanningen die worden geleverd, waaronder het aanschrijven van de crediteuren en hen bewegen medewerking te verlenen aan het akkoord, niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger om het dubbele percentage te verlangen. Wanneer het voorgaande het geval is wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering wanneer de totale vordering van de crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Er is hier gekozen voor ‘een vermoeden’ van een ‘kleine crediteur’ in plaats van de kwalificatie van een ‘kleine crediteur’, omdat bij een bedrijf dat slechts enkele crediteuren heeft, niet zonder meer gezegd kan worden dat de inspanningen die moeten worden geleverd niet in verhouding staan tot het belang van de ontvanger om het dubbele percentage te verlangen. Anderzijds kan de ontvanger ook hogere vorderingen onder omstandigheden als klein aanmerken. Daarvan kan sprake zijn wanneer de ontvanger een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW. Dit laat ruimte voor de ontvanger om maatwerk te leveren, wanneer dat nodig is.
Artikel I, onderdeel O, indexeert het in artikel 48.2 opgenomen bedrag. In het geval voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft de invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan dit opgenomen bedrag moet worden ingevorderd, achterwege. Voor de indexatie van dit bedrag is aansluiting gezocht bij het bedrag genoemd in artikel 33 van de regeling.4
Artikel I, onderdeel Q, betreft de wijziging van artikel 79.8. In dit artikel zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in verband met de aanpassing van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling Awir) per 1 juli 2026. Bij wijziging van artikel 7 is in het zesde lid het woord ‘voldoende’ voor het woord ‘vermogen’ geschrapt en wordt niet langer verwezen naar artikel 12 van de regeling maar meer specifiek naar het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel. Daarnaast is een nieuw lid (het zevende lid) toegevoegd op grond waarvan de Dienst Toeslagen een verlengde persoonlijke betalingsregeling kan toestaan wanneer een belanghebbende over vermogen beschikt dat bestaat uit bezittingen waarvan het onredelijk bezwarend is om deze terstond liquide te maken.
De wijzigingen van artikel 79.8 brengen dit artikel in overeenstemming met het gewijzigde artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. Onder meer is overeenkomstig de wijziging van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir ook in de leidraad het woord ‘voldoende’ voor het woord ‘vermogen’ geschrapt. Door het schrappen van het woord ‘voldoende’ komt een belanghebbende ook wanneer er weliswaar vermogen is, maar dit onvoldoende is om de gehele schuld te voldoen, niet in aanmerking voor een persoonlijke betalingsregeling. In artikel 79.8 is bepaald dat dit vermogen eerst moet worden aangewend voor het aflossen van de schuld voordat een persoonlijke betalingsregeling kan worden verleend. Hierbij is de beperking opgenomen dat dit alleen geldt wanneer het gaat om vermogen waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken. Wanneer er sprake is van vermogen waarvan het wel onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken, kan de Dienst Toeslagen op grond van artikel 7, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling Awir en artikel 79.8b van de leidraad een verlengde betalingsregeling toekennen.
Artikel I, onderdeel R, betreft de invoering van een nieuw artikel 79.8b. Artikel 79.8b is in deze leidraad opgenomen in verband met de toevoeging van een nieuw lid aan artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir per 1 juli 2026 op grond waarvan de Dienst Toeslagen een verlengde persoonlijke betalingsregeling kan toestaan wanneer een belanghebbende over vermogen beschikt dat bestaat uit bezittingen waarvan het onredelijk bezwarend is om deze terstond liquide te maken. De toevoeging van dit nieuwe lid sluit aan bij de recente wijziging van artikel 12 van de regeling en bij de hiermee samenhangende wijziging van de leidraad waarbij artikel 25.5a hieraan is toegevoegd.
Om in aanmerking te komen voor de verlengde betalingsregeling van artikel 79.8b zal een belanghebbende eerst het eventuele overige vermogen waarvan het niet onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken moeten aanwenden voor voldoening van de toeslagschuld. Dit is in overeenstemming met artikel 79.8 dat ziet op de persoonlijke betalingsregeling waarin, na wijziging bij dit besluit, ook is bepaald dat dit vermogen eerst moet worden aangewend voordat een persoonlijke betalingsregeling kan worden toegekend.
In de artikelsgewijze toelichting bij de toevoeging van het zevende lid aan artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir staat dat het van de feiten en omstandigheden van het geval afhangt of het onredelijk bezwarend is om te eisen dat een belanghebbende zijn vermogensbestanddeel liquide maakt. Hierbij is het voorbeeld gegeven van een situatie waarin een belanghebbende een overwaarde heeft op zijn eigen woning, maar vanwege een beperkte betalingscapaciteit zijn schuld niet kan voldoen binnen de standaardbetalingsregeling van vierentwintig maanden. In een dergelijke situatie kan het onevenredig zijn om van de belanghebbende te verlangen zijn woning te verkopen om de toeslagschuld te voldoen. De regeling is niet beperkt tot de eigen woning. Het kan ook gaan om vermogensbestanddelen die voor de belanghebbende noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, zoals aandelen in de eigen BV. Daarnaast kunnen ook de hoogte van de toeslagschuld en de waarde van het vermogen indicatoren zijn voor het bepalen of het onredelijk bezwarend is om het vermogen terstond liquide te maken. Zo zal een lage toeslagschuld of een lage waarde van het vermogen eraan kunnen bijdragen dat het terstond liquideren leidt tot een situatie die volgens de Dienst Toeslagen voor de belanghebbende onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Het wordt in beginsel niet passend geacht vermogensbestanddelen te ontzien die kunnen kwalificeren als een luxegoed, zoals een plezierjacht, onroerend goed wat niet de eigen woning is of een tweede auto.
Het is daarnaast aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat er sprake is van vermogen waarvan het onredelijk bezwarend is om dit liquide te maken en wat de nettowaarde is van het vermogen in kwestie. De wijze waarop is afhankelijk van de betreffende bezitting en de situatie. Voor de waardering van een eigen woning kan gedacht worden aan de WOZ-waarde, een taxatierapport of indien dit een reëler beeld geeft van de nettowaarde, het eigen aankoopbedrag.
Het maandelijkse aflossingsbedrag is gebaseerd op de betalingscapaciteit. Die wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de betalingscapaciteit voor de persoonlijke betalingsregeling van artikel 79.8. De regeling duurt maximaal 72 maanden en is opgedeeld in twee periodes. Namelijk eerst – in overeenstemming met de persoonlijke betalingsregeling – een vaste periode van 24 maanden en vervolgens een verlenging van maximaal 48 maanden. Binnen deze 48 maanden moet in beginsel een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen afgelost worden of in geval de resterende schuld lager is dan de (over)waarde een bedrag gelijk aan de resterende schuld. Wanneer dit bedrag eerder is afgelost dan na het verstrijken van 48 maanden zal de verlengde regeling korter zijn dan 72 maanden. Wanneer de betalingscapaciteit van een belanghebbende onvoldoende is om in een periode van 48 maanden een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de (rest)schuld af te lossen of wanneer er helemaal geen betalingscapaciteit aanwezig is, zal de verlengde regeling altijd 72 maanden duren. Net als bij de persoonlijke betalingsregeling, wordt er gedurende de gehele regeling verrekend met eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald. Na afloop van de verlengde regeling wordt ook nog drie jaar verrekend met eenmalige toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting wanneer de schuld nog niet volledig is afgelost. Hiervoor zijn bij dit besluit wijzigingen aangebracht in artikel 79.9.
Om te voorkomen dat een belanghebbende onder het bestaansminimum komt en om te bewerkstelligen dat een belanghebbende maandelijks een bedrag aflost gebaseerd op zijn betalingscapaciteit, is als voorwaarde gesteld dat de belanghebbende de Dienst Toeslagen zo spoedig mogelijk informeert als er een verandering in zijn situatie komt. Ook kan de Dienst Toeslagen jaarlijks beoordelen of er veranderingen in het inkomen hebben plaatsgevonden. De Dienst Toeslagen neemt hierbij zo nodig contact op met de belanghebbende. Als er sprake is van een wijziging van de inkomenspositie van de belanghebbende berekent de Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit opnieuw.
Als de betalingscapaciteit naar boven kan worden bijgesteld, past de Dienst Toeslagen de betalingsregeling na 24 maanden alleen aan in geval een belanghebbende in 48 maanden niet het bedrag gelijk aan de (over)waarde van het illiquide vermogen of de restschuld kan aflossen. Wanneer dat wel het geval is, wordt het bedrag niet aangepast, omdat dit onnodig nadelig kan zijn voor de belanghebbende. Overeenkomstig de persoonlijke betalingsregeling van artikel 79.8 wordt het maandbedrag in de eerste 24 maanden na wijziging van de betalingscapaciteit wel altijd aangepast. Als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld kan dit ertoe leiden dat de betalingsregeling een langere looptijd (in totaal maximaal 72 maanden) krijgt en dat het af te lossen bedrag op 0 euro wordt gesteld.
Gedurende de eerste vier jaar van de looptijd van de verlengde betalingsregeling kan een nieuwe vordering op verzoek worden gevoegd. De duur van de betalingsregeling blijft maximaal 72 maanden, gerekend vanaf het ingaan van de initiële betalingsregeling. Door een termijn te hanteren van vier jaar waarbinnen een vordering nog kan worden gevoegd, geldt voor de vordering die wordt gevoegd in ieder geval een betalingsregeling met een termijn van twee jaar. Dit is in overeenstemming met de termijn die wordt gehanteerd voor de persoonlijke betalingsregeling en wordt daarom redelijk geacht.
De betalingsregeling wordt beëindigd als de gerechtigdheid tot het vermogen wijzigt. Hierbij kan gedacht worden aan vervreemding, schenking, wijziging tenaamstelling en het aangaan van een huwelijk waarbij het vermogen in de gemeenschap valt.
Als de betalingsregeling wordt afgewezen of vroegtijdig wordt beëindigd, gunt de Dienst Toeslagen belanghebbende een redelijke termijn om het vermogen te liquideren dan wel op een andere manier de (over)waarde van het vermogen te voldoen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het afsluiten van een tweede hypotheek. De Dienst Toeslagen zal hierover in contact treden met de belanghebbende.
Artikel I, onderdeel S, betreft de wijziging van artikel 79.9. Dit artikel is gewijzigd in verband met de invoering van de verlengde betalingsregeling. Met de wijziging van dit artikel geldt ook voor de verlengde betalingsregeling dat wanneer na afloop van de regeling nog een restschuld openstaat de Dienst Toeslagen aan de belanghebbende zal meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld. Ook geldt daarnaast dat aan deze mededeling de voorwaarde wordt verbonden dat nog gedurende drie jaar wordt verrekend met eenmalige toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting. Naast de wijzigingen in verband met de invoering van de verlengde betalingsregeling is een kleine redactionele wijziging doorgevoerd wat betreft het woord ‘toeslagenschuld’. Dit is in overeenstemming met de hiervoor in artikel 1.1.2 van de leidraad opgenomen definitie veranderd in ‘toeslagschuld’.
Artikel I, onderdeel T, betreft de wijziging van artikel 79.9b. De aanpassing van dit artikel ziet erop dat geen verlengde betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.8b kan worden afgesloten ter voldoening van een bestuurlijke boete. Zoals ook is toegelicht in het algemene deel van de toelichting bij de wijziging van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir zal in verband met de opstart van het Intensief Toezicht-proces, pas na de start van dit proces aan de hand van de casuïstiek volledig beoordeeld kunnen worden, of toepassing van de verlengde betalingsregeling voor het aflossen van een boete wenselijk en noodzakelijk is.
Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging(en). Deze datum is gesteld op 1 juli 2026. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling.5
De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, C.H.L.M. van de Louw Directeur-Generaal Toeslagen
M.C. de Graaf Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23373.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.