Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende modernisering voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen

Nader Rapport

2026-0000140575

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende modernisering voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 26 maart 2026, nr. 2026000445, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 18 maart 2026, No. W04.26.00047/I, bied ik U hierbij aan. De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 19 februari 2026, no.2026000445, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen in verband met modernisering (Modernisering voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Verder is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de inwerkingtredingsbepaling naar de huidige stand van zaken aan te passen.

Ik moge U hierbij het hierbij gevoegde ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma.

Advies Raad van State

No. W04.26.00047/I

’s-Gravenhage, 18 maart 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 19 februari 2026, no.2026000445, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen in verband met modernisering (Modernisering voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van [PM] tot wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen in verband met modernisering (Modernisering voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen) (KetenID WGK028655)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. ...;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. ...;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, wordt ‘50’ vervangen door ‘75’.

B

Artikel 3 komt te luiden:

  • 1. Aan ministers en staatssecretarissen die niet zijn verhuisd en van wie de woning zich op een afstand van ten minste 75 kilometer van het ministerie bevindt, wordt op hun verzoek, naargelang de beschikbaarheid, voor de duur van de vervulling van hun ambt een gemeubileerde verblijfsvoorziening binnen een afstand van 25 kilometer van het ministerie ter beschikking gesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt vanuit veiligheidsoverwegingen aan Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken te allen tijde het Catshuis als gemeubileerde verblijfsvoorziening ter beschikking gesteld.

  • 3. Aan ministers en staatssecretarissen die een gemeubileerde verblijfsvoorziening als bedoeld in het eerste lid ter beschikking is gesteld, worden in verband met de verblijfsvoorziening verstrekt dan wel de kosten vergoed van:

    • a. huur van een parkeerplaats, voor zover deze onderdeel uitmaakt van de ter beschikking gestelde verblijfsvoorziening;

    • b. beveiliging als bedoeld in artikel 4, eerste lid;

    • c. informatie- en communicatievoorzieningen als bedoeld in artikel 5;

    • d. gemeentelijke belastingen als bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet en waterschapsbelastingen als bedoeld in artikel 123, eerste lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;

    • e. abonnement voor ontvangst van radio en televisie;

    • f. abonnement voor een krant;

    • g. gas, licht, water;

    • h. wassen en strijken;

    • i. schoonmaak.

  • 4. In plaats van de in het eerste en derde lid bedoelde voorziening kunnen bewindslieden die niet zijn verhuisd en van wie de woning zich op een afstand van ten minste 75 kilometer van het ministerie bevindt en die op het tijdstip van benoeming reeds een gemeubileerde verblijfsvoorziening binnen een afstand van 25 kilometer van het ministerie huren of in eigendom hebben, aanspraak maken op een bedrag ter vergoeding voor verblijfkosten waarvan de hoogte afhankelijk is van de afstand van de woonplaats of deel van de woonplaats van de betrokkene tot het gebouw van het betreffende ministerie.

  • 5. De hoogte van het in het vierde lid bedoelde bedrag wordt als volgt berekend:

    75 kilometer: 85 * X

    150 kilometer en meer: 140 * X

    waarbij X gelijk is aan het voor dienstreizen van ambtenaren, die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, geldende bedrag voor vergoeding wegens verblijfskosten in verband met logies, zoals overeengekomen in de voor die ambtenaren laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor vergoeding wegens verblijfskosten in verband met logies. De vergoeding, behorend bij afstanden, afgerond op hele kilometers, tussen de in bovenstaand schema genoemde afstanden, wordt berekend naar evenredigheid met het verschil tussen de in het schema aangegeven vergoedingen bij de naast hogere en naast lagere afstand. Het bedrag van de vergoeding wordt afgerond op hele euro’s.

  • 6. Een verstrekking als bedoeld in het eerste of derde lid of een vergoeding als bedoeld in het derde of vierde lid wordt in aanmerking genomen als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.

  • 7. In afwijking van het zesde lid valt de terbeschikkingstelling van het Catshuis aan onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken als bedoeld in het tweede lid onder de gerichte vrijstelling als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964.

C

In artikel 4, derde lid, wordt ‘tweede en vijfde lid’ vervangen door ‘derde en zesde lid’.

D

In artikel 10, tweede lid, wordt onder verlettering van de onderdelen c en d tot e en f een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. voor de Minister of Staatssecretaris belast met de zorg voor ontwikkelingssamenwerking € 940,00;

  • d. voor Onze Minister van Defensie € 940,00;

ARTIKEL II

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 23 februari 2026.

  • 2. In afwijking van het eerste lid werkt artikel 3, tweede en zevende lid, terug tot en met 2 juli 2024.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 2 en 3, met uitzondering van artikel 3, tweede en zevende lid, in werking op het moment van beëdiging van het kabinet dat gevormd wordt na de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezing.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

NOTA VAN TOELICHTING

Deze wijziging van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen (hierna: het besluit) beoogt het besluit beter op de huidige praktische situatie te laten aansluiten. De laatste niet-technische wijziging van het besluit dateert van meer dan een decennium geleden en sindsdien zijn er belangrijke ontwikkelingen opgetreden die tot wijziging van het besluit nopen.

Zo is de bereikbaarheid van Den Haag aanzienlijk verbeterd. Dankzij investeringen in infrastructuur en mobiliteit en de beschikbaarheid van een dienstauto met chauffeur kunnen steeds bewindspersonen Den Haag sneller en gemakkelijker bereiken, ook vanuit verder van Den Haag gelegen gebieden. Daarnaast is het door de nijpende woningmarkt aanzienlijk lastiger geworden om een pied-à-terre beschikbaar te stellen.

In het licht van beide ontwikkelingen is besloten om voor het kabinet dat aantreedt na de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezing, uitsluitend bewindspersonen die op meer dan 75 kilometer afstand van Den Haag wonen voor de voorzieningen uit artikel 3 in aanmerking te laten komen. Met deze wijziging wordt beoogd dat pied-à-terres uitsluitend worden gebruikt door bewindspersonen voor wie de afstand tot Den Haag een belemmering voor het dagelijks functioneren vormt. De toepasselijkheid van de norm voor de verhuiskostenvergoeding uit artikel 2 is hiermee in overeenstemming gebracht.

Dit laat onverlet dat indien dit om veiligheidsredenen noodzakelijk wordt geoordeeld, bewindspersonen recht hebben op een pied-à-terre, ongeacht de reisafstand van hun woonplaats naar Den Haag. Dit is geregeld in artikel 4, tweede lid, van het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen. Deze bepaling wijzigt niet.

In de situatie waarin de vraag naar pied-à-terres groter dan het aanbod is, wordt voor de toedeling een zorgvuldige afweging gemaakt. Het beveiligingsniveau van de bewindspersoon zoals dit door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) is vastgesteld, is leidend. Vervolgens wordt de afstand tussen de woonplaats en Den Haag bezien. De Minister-President heeft een uitzonderingspositie. Hem staat te allen tijde het Catshuis tot zijn beschikking, onafhankelijk van zijn woonplaats. Deze uitzonderingspositie wordt in het kader van het kunnen waarborgen van de veiligheid van de Minister-President noodzakelijk geacht.

Van een pied-à-terre kan ‘voor de duur van de vervulling van hun ambt’ (artikel 3, eerste lid) gebruikt worden gemaakt. Het gebruik is uitsluitend voorbehouden aan de bewindspersoon zelf. Gebruik door familieleden is verboden, net als het houden van huisdieren in de verblijfsvoorziening. In de gebruikersovereenkomst dient te worden opgenomen dat de pied-à-terre uiterlijk één dag na beëindiging van de ambtstermijn dient te worden opgezegd en dat de pied-à-terre binnen twee weken beschikbaar dient te zijn.

In artikel 10 is toegevoegd dat de bewindspersoon belast met de zorg voor Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Defensie recht hebben op een dubbel bedrag aan onkostenvergoeding ten opzichte van de reguliere onkostenvergoeding voor een minister. Reden daarvoor is dat deze bewindspersonen, net als de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken voor wie deze verdubbeling reeds geldt, substantieel meer reizen naar het buitenland afleggen dan hun ambtsgenoten en daardoor met hogere onkosten te maken hebben. Gezien de geopolitieke situatie is de verwachting dat een dergelijk reispatroon zich voor de genoemde bewindspersonen ook in de toekomst zal voortzetten. Omwille van de veelvuldige wijziging van de benaming van wat thans de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp is, is voor deze meer algemene en daarmee meer duurzame benaming gekozen.

In artikel II is de inwerkingtreding geregeld. Het is noodzakelijk om aan dit besluit terugwerkende kracht te verlenen tot en met de datum van beëdiging van het kabinet-Jetten (23 februari 2026), zodat de wijzigingen van artikel 10 vanaf de start van dit kabinet gelden. De verhoging van de afstand van 50 naar 75 kilometer voor wat betreft het recht op een pied-à-terre, geldt nog niet voor de bewindspersonen van het kabinet-Jetten maar voor de bewindspersonen van het daaropvolgende kabinet. De bepalingen over de terbeschikkingstelling van het Catshuis aan de Minister-President werken terug tot en met de datum van beëdiging van het kabinet-Schoof (2 juli 2024) aangezien er ook toen reeds sprake was van de veiligheidsredenen die aan de betreffende bepalingen ten grondslag liggen.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Naar boven