Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 29 juni 2026, nr. 2026-0000263873, houdende wijziging van de Algemene douaneregeling in verband met de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2026/382 over de afschaffing van de vrijstelling van douanerechten op basis van drempelwaarden

De Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 6:3 van de Algemene douanewet;

Besluit:

ARTIKEL I

In de Algemene douaneregeling wordt artikel 7:27 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt ‘23, 24,’.

2. In het tweede lid vervalt ‘24,’.

3. In het derde lid vervalt ‘23, 24,’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang 1 juli 2026 en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel 2, terug tot en met 8 juli 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg

TOELICHTING

I. Algemeen

Op grond van Verordening (EG) 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (Vrijstellingsverordening) is een vrijstelling van invoerrechten van toepassing voor goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 die rechtstreeks van een bedrijf buiten de Europese Unie (EU) naar een consument in de EU worden verzonden (hierna: e-commercezendingen). Verordening (EU) 2026/382 van de Raad van 11 februari 2026 tot wijziging van Verordening (EG) 1186/2009 wat betreft de afschaffing van de vrijstelling van douanerechten op basis van drempelwaarden (Verordening 2026/382) regelt dat deze vrijstelling vervalt met ingang van 1 juli 2026.1

De heffing van invoerrechten enerzijds en de heffing van accijns en verbruiksbelastingen anderzijds, is om uitvoeringstechnische reden sterk vervlochten, omdat in beide gevallen sprake is van heffing door de Douane bij invoer. De vrijstelling van invoerrechten voor e-commercezendingen op grond van de Vrijstellingsverordening is in de Algemene douaneregeling (Adr) dan ook van overeenkomstige toepassing verklaard met betrekking tot de heffing van accijnzen en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Aangezien de betreffende artikelen uit de Vrijstellingsverordening met ingang van 1 juli 2026 vervallen, ligt het in de rede de verwijzingen in de Adr naar die artikelen per die datum te laten vervallen. De onderhavige regeling voorziet hierin. Ook wordt met deze regeling een technische omissie met betrekking tot de heffing van de omzetbelasting hersteld.

De vrijstelling voor accijnsgoederen heeft door de uitzonderingen op de vrijstelling voor e-commercezendingen feitelijk geen effect. Van de vrijstelling voor verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt in de praktijk nauwelijks gebruik gemaakt. Om deze reden en gezien de eerdergenoemde sterke vervlechting met de heffing van invoerrechten, is er niet voor gekozen om een nieuwe vrijstelling te introduceren.2 Deze regeling heeft gezien het voorgaande zeer beperkte budgettaire consequenties.

De uitvoeringstoets met betrekking tot Verordening 2026/382 is onverkort van kracht met betrekking tot deze wijzigingen van de Adr. De onderhavige regeling heeft geen extra impact. Om die reden heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden.

II. Artikelsgewijs

Artikel I (artikel 7:27 van de Algemene douaneregeling)

Op grond van artikel 7:27, eerste tot en met derde lid, Adr zijn bepaalde artikelen van de Vrijstellingsverordening van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Dit ziet voor de accijnzen en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken onder meer op artikel 23 Vrijstellingsverordening: de vrijstelling voor e-commercezendingen. Zoals in het algemeen deel is toegelicht, vervalt dat artikel per 1 juli 2026. Artikel 24 Vrijstellingsverordening regelt dat bepaalde producten zijn uitgesloten van de vrijstelling voor e-commercezendingen en vervalt daarom eveneens per die datum. Daarom wordt op grond van artikel I, onderdelen 1 en 3, van deze regeling voor de accijnzen onderscheidenlijk de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken geregeld dat de verwijzing naar de artikelen 23 en 24 Vrijstellingsverordening in artikel 7:27, eerste en derde lid, Adr per 1 juli 2026 vervalt. Vanaf die datum is de vrijstelling voor e-commercezendingen niet meer van toepassing voor de heffing van accijnzen en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Een nadere toelichting is opgenomen in het algemeen deel.

In artikel 7:27, tweede lid, Adr is geregeld dat eerdergenoemde uitzondering op de vrijstelling voor e-commercezendingen op grond van artikel 24 Vrijstellingsverordening van overeenkomstige toepassing is betrekking tot de omzetbelasting. De vrijstelling van de omzetbelasting voor e-commercezendingen is echter reeds per 8 juli 2021 vervallen.3 Het vervallen van de verwijzing naar artikel 24 Vrijstellingsverordening in artikel 7:27, tweede lid, Adr is toen ten onrechte niet geregeld. Die verwijzing had vanaf 8 juli 2021 echter geen feitelijke betekenis meer, omdat de vrijstelling niet langer van toepassing was. Deze omissie wordt daarom hersteld met terugwerkende kracht tot en met die datum.

Artikel II

Aangezien de artikelen 23 en 24 Vrijstellingsverordening vervallen per 1 juli 2026, treedt artikel I, onderdelen 1 tot en met 3, van deze regeling in werking per die datum. Artikel I, onderdeel 2, werkt terug tot en met 8 juli 2021. Voor een toelichting op deze terugwerkende kracht wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel 2, van deze regeling.

De Staatssecretaris van Financiën, E. Eerenberg


X Noot
1

Op grond van artikel 1 Verordening 2026/382 vervalt hiertoe hoofdstuk V, titel II, Vrijstellingsverordening, waarin de artikelen 23 en 24 Vrijstellingsverordening zijn opgenomen. Verordening 2026/382 regelt voorts dat van 1 juli 2026 tot in beginsel 1 juli 2028 in bepaalde situaties niet de reguliere tariefbepalingen van toepassing zijn, maar dat een douanerecht van € 3 per goed in een zodanige zending wordt geheven.

X Noot
2

Ook zonder deze aanpassing van de Adr zou de vrijstelling voor e-commercezendingen met betrekking tot de accijnzen en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken overigens vervallen per 1 juli, nu vanaf die datum wordt verwezen naar een artikel dat per die datum niet langer van toepassing is.

X Noot
3

In artikel 7:27, derde lid, Adr was tot 8 juli 2021 overeenkomstige toepassing van artikel 23 Vrijstellingsverordening geregeld, met dien verstande dat onder ‘goederen met een te verwaarlozen waarde’ werd verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt. Genoemd derde lid is vervallen op grond artikel I van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2021 tot wijziging van de Algemene douaneregeling (Stcrt. 2021, 35039). De reden daarvoor was het schrappen van de mogelijkheid voor lidstaten om goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt markt vrij te stellen van omzetbelasting in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348).


X Noot
1

Op grond van artikel 1 Verordening 2026/382 vervalt hiertoe hoofdstuk V, titel II, Vrijstellingsverordening, waarin de artikelen 23 en 24 Vrijstellingsverordening zijn opgenomen. Verordening 2026/382 regelt voorts dat van 1 juli 2026 tot in beginsel 1 juli 2028 in bepaalde situaties niet de reguliere tariefbepalingen van toepassing zijn, maar dat een douanerecht van € 3 per goed in een zodanige zending wordt geheven.

X Noot
2

Ook zonder deze aanpassing van de Adr zou de vrijstelling voor e-commercezendingen met betrekking tot de accijnzen en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken overigens vervallen per 1 juli, nu vanaf die datum wordt verwezen naar een artikel dat per die datum niet langer van toepassing is.

X Noot
3

In artikel 7:27, derde lid, Adr was tot 8 juli 2021 overeenkomstige toepassing van artikel 23 Vrijstellingsverordening geregeld, met dien verstande dat onder ‘goederen met een te verwaarlozen waarde’ werd verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt. Genoemd derde lid is vervallen op grond artikel I van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2021 tot wijziging van de Algemene douaneregeling (Stcrt. 2021, 35039). De reden daarvoor was het schrappen van de mogelijkheid voor lidstaten om goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt markt vrij te stellen van omzetbelasting in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348).

Naar boven