Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 22480 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 22480 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;
Gelet op artikel 6 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, artikel 4 van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne en artikelen 2, eerste lid, onder f, en 3 van het Besluit regels verstrekken specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies voor activiteiten passend in het rijksbeleid (bouwen, wonen en woonomgeving);
Besluiten:
In deze regeling wordt verstaan onder:
een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Rva 2005;
het aantal plaatsen dat gerealiseerd wordt binnen een project, waaronder zowel plaatsen die geschikt zijn voor opvang als voor huisvesting worden begrepen, afhankelijk van de voorwaarden waar het project aan voldoet;
de kosten die direct zijn toe te rekenen aan de beveiliging van het project;
kosten die volgen uit de opvangtaak, die niet op een andere manier uit deze regeling of een voorliggende regeling vergoed kunnen worden;
de toelichting en onderbouwing van het project, waaruit in ieder geval de capaciteit, beoogde doelgroep, de geraamde transitiekosten en exploitatiekosten blijkt, waaronder waar van toepassing de beveiligingskosten en cateringkosten;
de kosten van catering die gemaakt worden indien het project niet beschikt over faciliteiten die vreemdelingen in staat stellen zelf hun maaltijden te verzorgen;
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
de bedragen die aan een vreemdeling in een boekjaar in rekening worden gebracht op grond van de artikelen 7, vierde lid, en 8 van de RooO of artikel 20 en 22a van de Rva 2005;
alle kosten die gemaakt worden voor het gebruik, onderhoud en beheer van een project, die rechtstreeks toegerekend kunnen worden aan dit project of meerdere projecten;
kosten die verband houden met de beëindiging van het gebruik van de desbetreffende voorziening;
de vergoeding die een vreemdeling uit hoofde van een gebruiksovereenkomst betaalt aan de gemeente voor kosten die samenhangen met het gebruik van de aan hem toegewezen woonruimte, niet zijnde de betaling van huur;
een voorziening waarin vreemdelingen die niet onder het toepassingsbereik van de Wet COA vallen geplaatst kunnen worden, en welke voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving;
het bedrag per maand dat bij huur van woonruimte, bedoeld in artikel 7:232 BW, is verschuldigd;
de Minister van Asiel en Migratie, voor zover het projecten betreft die zien op opvangvoorzieningen, of de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, voor zover het projecten betreft die zien op huisvestingsvoorzieningen;
de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gezamenlijk, ieder voor zover het hen aangaat;
de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij onder de reikwijdte valt van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, of een verlenging daarvan;
een voorziening waarin, door of onder verantwoordelijkheid van het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente, dan wel onder verantwoordelijkheid van het COA, opvang wordt geboden aan vreemdelingen die onder de Wet COA vallen en/of aan ontheemden. Een maatschappelijke opvangvoorziening in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 valt hier niet onder;
het realiseren van een opvang- of huisvestingsvoorziening waarvoor via deze regeling een uitkering wordt aangevraagd;
Regeling opvang ontheemden Oekraïne;
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005;
het systeem van single information, single audit, zoals neergelegd in de regeling informatieverstrekking sisa;
een specifieke uitkering, als bedoeld in art. 15a van de Financiële-Verhoudingswet;
de investering die een gemeente doet voor het geschikt maken of realiseren van een opvang- of huisvestingsvoorziening. De kosten van de vaste inrichting behoren tot de transitiekosten. Ook directe apparaatskosten die, in overeenstemming met artikel 63, derde lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, toegerekend kunnen worden aan de investering in de betreffende voorziening, behoren tot de transitiekosten. Ook verwachte afbouwkosten, om de locatie eventueel terug te brengen naar de oorspronkelijke functie, zijn transitiekosten;
de indirecte gemeentelijke apparaatskosten die een gemeente maakt voor processen die verband houden met het realiseren van een project en de kosten van educatieve of vrijetijdsactiviteiten;
geldbedrag dat een gemeente ontvangt per bed, per dag dat de plek werkelijk beschikbaar is voor vreemdelingen, ter bekostiging van de uitvoeringskosten;
de voorzieningen die een ontheemde ontvangt, zoals opgenomen in de RooO, en een vreemdeling die onder het toepassingsbereik van de Wet COA valt ontvangt, zoals opgenomen in de Rva 2005;
een voorziening wordt gerealiseerd door middel van een project en kan zowel een opvangvoorziening als een huisvestingsvoorziening zijn, of een combinatie daarvan, afhankelijk van de voorwaarden waar de voorziening aan voldoet;
de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 3.13 Vb, of 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend en de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, vanaf het moment waarop burgemeester en wethouders zorg dragen voor de voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 28 van de Huisvestingswet 2014;
een asielzoeker of een vergunninghouder voor wie burgemeester en wethouders nog geen zorg dragen voor de voorziening in huisvesting, bedoeld in artikel 28 van de Huisvestingswet 2014;
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
1. De minister kan voor de realisatie van een project ten behoeve van opvang dan wel huisvesting een specifieke uitkering verstrekken aan gemeenten ter bekostiging van:
a. de transitiekosten;
b. de exploitatiekosten;
c. de uitvoeringskosten.
2. Indien een project ziet op zowel opvang- als huisvestingsvoorzieningen beslissen de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gezamenlijk en dient in deze regeling onder ‘minister’ telkens gelezen te worden ‘ministers’.
3. De minister kan een specifieke uitkering verstrekken ter bekostiging van gemaakte bijzondere kosten.
4. De minister kan een specifieke uitkering verstrekken ter bekostiging van de frictiekosten, bedoeld in artikel 7, derde lid, van deze regeling.
5. De minister kan een specifieke uitkering verstrekken ter bekostiging van de kosten van verstrekkingen aan ontheemden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel, b en artikel 12, eerste tot en met vijfde lid, van de RooO.
6. Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 3 wordt afgewezen om redenen die niet aan de gemeente zijn toe te rekenen, kan de minister een uitkering verstrekken ter bekostiging van redelijke en aantoonbare voorbereidingskosten die direct verband houden met het afgewezen project.
7. De specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, het derde, vierde en het vijfde lid, wordt op aanvraag verstrekt aan de gemeente.
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 2, zevende lid, dient met gebruikmaking van het door de Minister van Asiel en Migratie ter beschikking gestelde formulier te worden ingediend.
2. De aanvraag van de gemeente, bedoeld in artikel 2, zevende lid, bevat ten minste:
a. een omschrijving van het project: adres en aard van de opvang dan wel huisvesting;
b. de verwachte datum van ingebruikname;
c. de verwachte beschikbaarheidsduur van het project;
d. voor welke doelgroepen het project beschikbaar gesteld kan worden door de gemeente;
e. het aantal plekken dat bij de start van het project beschikbaar gesteld wordt voor opvang dan wel huisvesting en de verwachte samenstelling van de doelgroepen bij de aanvang van het project;
3. een business case, waaruit in ieder geval blijkt de capaciteit, beoogde doelgroep, de exploitatiekosten en waar van toepassing de transitiekosten om het beoogde project geschikt te maken voor opvang dan wel huisvesting.
4. Indien het wegens spoedeisend belang niet mogelijk is de aanvraag in te dienen voordat de kosten voor een project worden gemaakt, dient de gemeente zo spoedig mogelijk na aanvang van het project de aanvraag in. De aanvraag vermeldt de daadwerkelijke ingebruikname.
1. De minister kan een aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien:
a. de kosten, de voorziening of de activiteiten naar verwachting niet zullen voldoen aan een of meerdere van de voorwaarden, genoemd in deze regeling;
b. de omvang van de kosten, bedoeld in artikel 2, niet in redelijke verhouding staat tot de periode van het gebruik van het project en het aantal toegezegde plekken gedurende deze periode;
c. er regionaal, dan wel landelijk, naar verwachting al voldoende capaciteit voor opvang of huisvesting beschikbaar is, of gerealiseerd zal worden;
d. de looptijd van het project de looptijd van de regeling overschrijdt.
e. de aanvraag ziet op een project ten behoeve van huisvesting in een bestaande sociale huurwoning, tenzij het onzelfstandige huisvesting betreft.
2. De minister kan, in afwijking van deze regeling, een aanvraag afwijzen wanneer daar gegronde redenen voor zijn, met overeenkomstige toepassing van artikel 4.35 van de Algemene wet bestuursrecht.
1. Indien een gemeente ontheemden wenst te plaatsen in een project, voldoet de daarvoor beschikbaar gestelde beddencapaciteit minimaal aan de voorwaarden gesteld in artikel 5 van de RooO.
2. Indien een gemeente vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen wenst te plaatsen in een project, voldoet de daarvoor beschikbaar gestelde beddencapaciteit minimaal aan de voorwaarden die volgen uit het Besluit Bouwwerken leefomgeving en de eventuele aanvullende eisen die gesteld worden vanuit het COA.
3. Indien een gemeente vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen, wenst te plaatsen in een project, is de daarvoor beschikbaar gestelde beddencapaciteit geschikt voor bewoning in een woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 en voldoet deze aan de voorwaarden uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
1. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt aan welke doelgroep(en) de beschikbare beddencapaciteit wordt toegewezen.
2. Wanneer de overeengekomen gebruiksduur van de voorziening verlopen is, kan het college van burgemeester en wethouders deze voorziening inzetten voor andere doelgroepen.
3. Indien er regionaal, dan wel landelijk, naar verwachting reeds voldoende capaciteit voor opvang of huisvesting beschikbaar is, of gerealiseerd zal worden, dan kan, onverminderd hetgeen bepaald in het vierde lid, gedurende de overeengekomen gebruiksduur beddencapaciteit die beschikbaar is gekomen vanwege doorstroming of uitplaatsing van de geplaatste vreemdelingen ook benut worden voor andere doelgroepen.
4. De specifieke uitkering wordt uitsluitend verstrekt voor beddencapaciteit die beschikbaar gesteld wordt voor vreemdelingen.
5. De gemeente bewaart bij het aanbieden van opvang of huisvesting zo veel mogelijk de eenheid van het gezin.
6. De gemeente houdt bij het plaatsen van vreemdelingen rekening met de bijzondere behoeften van kwetsbare personen. Hieronder worden in ieder geval verstaan: personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.
7. Wanneer een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt wordt geplaatst in een huisvestingsvoorziening moet, in aanvulling op de voorwaarden die zijn neergelegd in deze regeling, aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:
a. de vreemdeling verblijft in afwachting van huisvesting in een opvangvoorziening onder verantwoordelijkheid van het COA, of het college van burgemeester en wethouders, of in een voorziening waar vervolgopvang wordt geboden door of in opdracht van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;
b. de vreemdeling is door het COA gekoppeld aan de gemeente op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 dan wel aan een deelnemende gemeente in de regio;
1. De minister kan de periode waarvoor de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, wordt verstrekt, beëindigen indien de prognose of taakstelling voor de opvang of huisvesting van vreemdelingen daartoe aanleiding geeft.
2. Bij de beëindiging van het gebruik van de voorziening op basis van het eerste lid wordt een opzegtermijn van maximaal zes maanden in acht genomen, tenzij anders overeengekomen met de gemeente. Gedurende de opzegtermijn wordt de verstrekking van de reeds overeengekomen uitkering voortgezet, tenzij anders overeengekomen met de gemeente.
3. De minister kan op aanvraag, in aanvulling op de verstrekking van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, een specifieke uitkering verstrekken ter bekostiging van de frictiekosten.
1. Gemeenten ontvangen ter bekostiging van de kosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, het derde lid en het vijfde lid een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.
2. Gemeenten ontvangen ter bekostiging van de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, een vergoeding van € 11,– per plek voor een ontheemde, of vreemdeling die onder de reikwijdte van de Wet COA valt. Vergoeding vindt hierbij plaats op basis van beschikbare beddencapaciteit, vanaf de dag dat de beddencapaciteit daadwerkelijk beschikbaar is.
3. Gemeenten ontvangen ter bekostiging van de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, een vergoeding van € 11,– per plek voor een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt. De vergoeding gaat in op de dag van plaatsing van deze vreemdeling die onder de reikwijdte van de Wet COA valt in het project en wordt voor maximaal twee jaar per vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt verstrekt.
4. Indien de werkelijk gemaakte kosten van het project, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, de toegekende specifieke uitkering met minder dan 10% overschrijden worden deze kosten alsnog vergoed.
5. Indien de werkelijk gemaakte kosten van het project, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, de toegekende specifieke uitkering met meer dan 10% overschrijden, en de gemeente deze kosten via deze regeling wil bekostigen, dient de gemeente een aanvullende aanvraag in voor het gedeelte dat hoger is dan het verleende bedrag en de overschrijding van 10%. De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 4, zijn van overeenkomstige toepassing op deze aanvraag.
6. De vergoeding, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt jaarlijks geïndexeerd met de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde prijsloonindex, vanaf 1 januari 2027. Indien wijzigingen daar aanleiding toe geven, kan de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, incidenteel herzien worden.
7. Op de hoogte van de specifieke uitkering worden in mindering gebracht de baten van het betreffende verantwoordingsjaar van de eigen bijdragen, gebruiksvergoedingen of huur, die door bewoners aan de gemeente worden betaald voor de geboden opvang of huisvesting in het project.
1. De minister verstrekt een voorschot van maximaal 100% van de op aanvraag toegekende kosten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van het bestedingsjaar waarin de aanvraag is gedaan.
2. De minister verstrekt op aanvraag een voorschot aan gemeenten van maximaal 100% van de geschatte bestedingen in het betreffende kalenderjaar voor de verwachte plekken in projecten ten behoeve van opvang dan wel huisvesting die bekostigd worden via deze regeling. Het voorschot betreft de kosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, c en het derde, vierde en vijfde lid van deze regeling.
3. Op het voorschot, bedoeld in het tweede lid, worden in mindering gebracht de verwachte baten van het betreffende verantwoordingsjaar van de eigen bijdragen, gebruiksvergoedingen of huur die door bewoners aan de gemeente worden betaald voor de geboden opvang of huisvesting in het project.
4. De aanvraag voor een voorschot, bedoeld in het tweede lid, kan de gemeente voor 1 november van het betreffende kalenderjaar indienen bij de minister.
5. In afwijking van het vierde lid kan de minister een aanvraag voor een voorschot dat is ingediend na 1 november van het betreffende boekjaar, maar vóór 31 december van het betreffende boekjaar in behandeling nemen, indien er sprake is van:
a. een onverwacht hoge toestroom van ontheemden en vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen na 1 november van het betreffende kalenderjaar;
b. een stagnatie of afname van het aantal beschikbare plekken ten opzichte van het aantal vreemdelingen dat een plek nodig heeft;
c. een onvoorziene omstandigheid waardoor de gemeente een aanvraag voor een voorschot niet voor 1 november heeft kunnen indienen; of
d. een aantoonbare reden waarom de kosten door de gemeente niet konden worden voorzien.
1. De gemeenten leggen uiterlijk 15 juli van het jaar dat volgt op het jaar van besteding verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering via de Sisa-verantwoording.
2. Gemeenten moeten de beschikbare en vrije capaciteit, waarvoor via deze regeling rijksmiddelen ter beschikking zijn gesteld, registreren en melden bij een daartoe aangewezen landelijke of regionale autoriteit.
1. De minister stelt de specifieke uitkering uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van besteding vast.
2. De minister kan de specifieke uitkering lager vaststellen, indien:
a. de verantwoordingsinformatie onjuist, onvolledig, te laat, of niet is verstrekt;
b. de uitkering niet rechtmatig is besteed;
c. de rechtmatigheid of de juistheid van de besteding volgens de controlerende accountant onzeker is;
d. het project minder lang als zodanig is ingezet dan waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De verstrekte specifieke uitkering kan worden teruggevorderd voor het deel dat blijkens de verantwoordingsinformatie niet of niet rechtmatig is uitgegeven.
4. Onverschuldigd betaalde uitkeringsbedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd, voor zover na de dag waarop de beschikking waarbij de uitkering wordt vastgesteld is bekendgemaakt, nog geen vijf jaren zijn verstreken.
1. De aanvragen die reeds goedgekeurd of bekostigd zijn op basis van de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne worden gestand gedaan en kunnen vanaf 1 juli 2026 bekostigd worden via deze regeling. Gemeenten die per 1 juli 2026 onder deze regeling willen verantwoorden, dienen hiertoe uiterlijk op 1 november 2026 een schriftelijk verzoek bij de Minister van Asiel en Migratie in.
a. Voor aanvragen die vóór 1 juli 2026 goedgekeurd zijn wordt geen nieuwe aanvraag ingediend.
b. Voor de verlenging van een voor 1 juli 2026 reeds bestaande voorziening wordt geen nieuwe aanvraag ingediend.
c. Voor voorzieningen waarvoor transitiekosten zijn goedgekeurd voor 1 juli 2026 maar in gebruik genomen worden vanaf 1 juli 2026 worden geen nieuwe aanvragen ingediend.
d. Voorschotten voor transitiekosten die zijn goedgekeurd met een bestedingsjaar na 2026, worden betaald conform het bestedingsjaar vermeld in de toekenningsbeschikking.
2. De aanvragen die reeds goedgekeurd of bekostigd zijn op basis van de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne worden gestand gedaan en worden vanaf 1 januari 2027 bekostigd via deze regeling.
a. Voor aanvragen die vóór 1 januari 2027 goedgekeurd zijn wordt geen nieuwe aanvraag ingediend.
b. Voor de verlenging van een voor 1 januari 2027 reeds bestaande voorziening wordt geen nieuwe aanvraag ingediend.
c. Voor voorzieningen waarvoor transitiekosten zijn goedgekeurd voor 1 januari 2027 maar in gebruik genomen worden vanaf 1 januari 2027 worden geen nieuwe aanvragen ingediend.
d. Voorschotten voor transitiekosten die zijn goedgekeurd met een bestedingsjaar na 2027, worden betaald conform het bestedingsjaar vermeld in de toekenningsbeschikking.
3. Bestaande bestuursovereenkomsten met het COA die zijn afgesloten voor 1 juli 2026 blijven van toepassing, tenzij de gemeente met het COA anders overeenkomt.
4. De Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties wordt ingetrokken op 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor 1 januari 2027 zijn toegekend.
5. De Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne wordt ingetrokken op 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor 1 januari 2027 zijn toegekend.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 juni 2026
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O'Sullivan
De Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten (hierna bekostigingsregeling) maakt onderdeel uit van een samenhangend pakket aan maatregelen dat gericht is op het realiseren van meer huisvestingsmogelijkheden, voldoende betaalbare en flexibele opvang en participatie en inburgering. De beoogde effecten van deze maatregelen beslaan verschillende beleidsterreinen, en zien onder meer op het creëren van meer flexibele, al dan niet tijdelijke, huisvestingsoplossingen voor vergunninghouders en andere woningzoekenden en het op korte termijn sneller huisvesten van vergunninghouders door gemeenten.
Hiermee draagt de regeling bij aan het doel in het coalitieakkoord van het kabinet Jetten I om in meer alternatieve huisvesting tussen COA-opvang en reguliere huisvesting te voorzien en afspraken met gemeenten te maken over flexibele locaties voor tijdelijke woningen waar vergunninghouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben terechtkunnen.
Deze regeling bestaat uit het vergoeden van gemeentelijke opvang en huisvesting van:
1) ontheemden in de zin van de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne;
2) vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen in de gemeentelijke opvang (asielzoekers en nog niet uitgeplaatste vergunninghouders);
3) vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen. Dit zijn de naar een gemeente uitgeplaatste vergunninghouders.
Gemeenten kunnen voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het realiseren en exploiteren van een opvang- of huisvestingsvoorziening naast de bekostiging op basis van onderhavige regeling ook recht hebben op een specifieke uitkering op basis van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen, indien zij aan de specifieke voorwaarden voldoen die gesteld zijn in de Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.
Deze bekostigingsregeling voorziet in het verstrekken van een specifieke uitkering aan gemeenten voor het vergoeden van de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het realiseren en exploiteren van een opvang- of huisvestingsvoorziening voor Oekraïense ontheemden (ook bij een eventuele vervolgstatus), vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen en vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen. Het kerndoel van deze regeling is het wegnemen van drempels voor het organiseren van opvang en huisvesting, het uniformeren van de bekostigingsregels ongeacht de doelgroep en bieden van meer flexibiliteit.
Door middel van deze bekostigingsregeling wordt van zo veel mogelijk van de verschillende bekostigingswijzen van een opvang- of huisvestingsvoorziening één consistente bekostigingssystematiek gemaakt en daarmee financieel ontschot en geüniformeerd. Door uniformering van de bekostigingssystematiek vermindert het aantal bekostigingsregelingen, waardoor het Rijk transparant, eenduidig en consequent gemeenten ondersteunt bij het voldoen aan de verplichting voor het realiseren van gemeentelijke opvangcapaciteit voor Oekraïense ontheemden, het voldoen aan de gemeentelijke taakstelling voor vergunninghouders en de verplichtingen die volgen uit de Spreidingswet. Dit betekent ook dat er niet langer financieel geconcurreerd wordt tussen verschillende bekostigingsregelingen, omdat de bekostiging voor alle opvang- of huisvestingsvoorzieningen gelijk is en het Rijk de financiële risico’s die gemeenten nu ervaren bij de huidige bekostigingsregelingen beperkt.
Op basis van deze bekostigingsregeling kan, op aanvraag, een specifieke uitkering verstrekt worden voor de realisatie en exploitatie van een project. De regeling loopt van 1 juli 2026 tot 4 maart 2030, met een aanloopperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Daarover meer in artikel 12. Business cases worden in principe beoordeeld op basis van verwachte opleverdatum tot 4 maart 2030. Wanneer de regeling eindigt of de gebruiksduur van de voorziening verstreken is, kan de gemeente de voorziening zelf overnemen en/of afbouwkosten aanvragen bij het Rijk, als onderdeel van de transitiekosten.
Met deze regeling kunnen het Rijk en de gemeenten samen tot een betere aanwending van aangeboden voorzieningen komen, omdat investeringen over een langere periode ingezet kunnen worden en de voorzieningen voor verschillende groepen gebruikt kunnen worden. Daarbij maakt het gemakkelijke opvolgbaarheid van doelgroepen in een zelfde voorziening onder dezelfde voorwaarden mogelijk (volgtijdelijk doelgroepflexibel), waarmee het leegstandrisico voor gemeenten wordt verminderd. Ook kunnen gemeenten hun voorzieningen op deze manier flexibeler inzetten door verschillende doelgroepen te plaatsen binnen één project (gelijktijdig doelgroepflexibel). De inhoudelijke voorwaarden die gesteld worden aan de respectievelijke voorzieningen via deze regeling per doelgroep worden niet geüniformeerd, noch worden de taakstellingen aangepast. Met het uniformeren van de bekostigingsregelingen wordt slechts het financiële beleid gewijzigd.
Voor compensatie van de kosten die moeilijker in kaart te brengen en te verantwoorden zijn, namelijk de indirecte kosten van gemeenten, wordt nog steeds gewerkt op basis van een ruime vergoeding.
Het Rijk zal de kosten die gemaakt worden voor de realisatie en exploitatie van opvang- en huisvestingsvoorzieningen voor vreemdelingen integraal vergoeden. Gemeenten kunnen een aanvraag indienen voor de verstrekking van een specifieke uitkering. De specifieke uitkering die op grond van deze regeling aan gemeenten wordt toegekend bestaat uit drie componenten. Ten eerste ontvangen gemeenten op grond van de business case door middel van een voorschot een vergoeding voor de transitiekosten. Ten tweede krijgen zij op basis van deze bekostigingsregeling een vergoeding voor werkelijk gemaakte exploitatiekosten, de kosten van verstrekkingen en eventuele bijzondere kosten. Ten derde ontvangen gemeenten een vergoeding per persoon per dag ter vergoeding van de uitvoeringskosten.
In artikel 1 van deze regeling zijn de definities opgenomen van begripsbepalingen in deze regeling. Voor een groot deel van deze definities wordt aangesloten bij definities die zijn opgenomen in andere wetten of regelingen, hier wordt in de definitiebepalingen ook naar terugverwezen.
In artikel 2 van deze regeling is de grondslag ingeregeld waarmee de minister een specifieke uitkering aan gemeenten kan verstrekken ten behoeve van de bekostiging van de realisatie van een opvang- of huisvestingsvoorziening. Deze opvang- en huisvestingsvoorzieningen kunnen in gebruiksduur en functie verschillen van elkaar: zo kunnen zowel duurzame opvangprojecten, tijdelijke noodopvangoplossingen als bijzondere overlastlocaties allemaal op basis van deze regeling vergoed worden als project.
Afhankelijk van de invulling van het project waarvoor de gemeente een aanvraag doet neemt de Minister van Asiel en Migratie (asielopvang of Oekraïne-opvang) of de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (huisvesting) een besluit, of nemen zij gezamenlijk een besluit over de aanvraag. Wanneer de ministers gezamenlijk een besluit nemen dient in deze regeling onder ‘minister’ telkens gelezen te worden ‘ministers’.
In dit artikel is bepaald welke kostenposten vergoed kunnen worden. Hieronder worden de verschillende kostenposten nader toegelicht. Ook wordt toegelicht hoe deze kosten verwerkt moeten worden door gemeenten en hoe eventuele ontvangen huuropbrengsten, gebruiksvergoedingen en eigen bijdragen verrekend moeten worden met deze kosten. Een gemeente kan ook een voorschotaanvraag indienen voor deze kosten, dit is geregeld in artikel 9 van deze regeling.
Kostprijsverhogende BTW is onderdeel van de te vergoeden kosten.
Transitiekosten
Transitiekosten worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte kosten. Het Rijk verstrekt een 100% voorschot van de op aanvraag goedgekeurde transitiekosten. Onder transitiekosten wordt verstaan de investering die nodig is om de beoogde voorziening geschikt te maken voor opvang of huisvesting, om te kunnen voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden voor de doelgroepen die geplaatst zullen worden in de voorziening. Ook verwachte afbouwkosten, om de voorziening terug te brengen naar de oorspronkelijke functie, zijn transitiekosten. De kosten van de vaste inrichting behoren tot de transitiekosten. Ook apparaatskosten die conform art 63, derde lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) onderdeel vormen van de betreffende investering behoren tot de transitiekosten.
De transitiekosten dienen opgenomen te worden in de business case die onderdeel uitmaakt van de aanvraag die wordt voorgelegd. Indien de gemeente kosten maakt voor een aanvraag die niet leidt tot een akkoord, kunnen voorbereidingskosten die aantoonbaar en redelijk zijn vergoed worden door het Rijk.
Exploitatiekosten
De exploitatiekosten worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte kosten. Onder de exploitatiekosten wordt verstaan: alle kosten die gemaakt worden voor het gebruik, onderhoud en beheer van een project, die rechtstreeks toegerekend kunnen worden aan dit project.Het betreft in ieder geval:
• kosten van huur betaald aan derden, dan wel kapitaallasten van eigen panden
• kosten van nutsvoorzieningen: gas, water en licht
• regulier periodiek en preventief onderhoud
• beveiligingskosten
• cateringkosten
• kosten van losse inrichting, zoals zitmeubelen of tafels
• schoonmaakkosten
• verzekeringen
• begeleiding van de vreemdelingen verblijvend in de opvang- of huisvestingsvoorziening
• Alle kosten van medewerkers voor activiteiten die rechtstreeks betrekking hebben op het beheer van de voorziening (waaronder locatiemanagement)
Het kan hierbij zowel gefactureerde kosten van derden als directe gemeentelijke apparaatskosten betreffen.
Indien een gemeente een pand in eigendom heeft, dan wel verwerft, of bouwt, om als een opvang- of huisvestingsvoorziening in te zetten, mogen kapitaallasten meegenomen worden bij de exploitatiekosten. Bij het bepalen van de hoogte van de kapitaallasten zijn de grondslagen zoals opgenomen in het BBV leidend. Dit wordt nader toegelicht in de Invulinstructie SiSa-verantwoording. In het geval van huur kan zowel een interne huur als een externe huurvergoeding worden opgevoerd.
De kosten van de vaste inrichting behoren niet tot de exploitatiekosten, maar tot de transitiekosten.
Ook de kosten van locatiebegeleiding behoren tot de exploitatiekosten. Dit kan zijn het begeleiden en ondersteunen van groepen van bewoners, alsook locatiemanagement. Een voorbeeld kan zijn de kosten van preventieve psycho-sociale ondersteuning. Individuele zorg valt hier dus niet onder.
Exploitatiekosten die betrekking hebben op meer dan één project behoren ook tot de exploitatiekosten, zolang dergelijke kosten direct betrekking hebben op een of meerdere projecten van de gemeente, oftewel direct betrekking hebben op de opvangtaak van gemeenten. Het is niet verplicht om dergelijke kosten door middel van een verdeelsleutel toe te rekenen aan een individueel project. De SiSa-verantwoording is immers op gemeentelijk niveau, niet op locatieniveau.
Voorbeeld: een gemeente huurt een locatiemanager in die verantwoordelijk is voor twee locaties. In dit geval is het niet verplicht om, bijvoorbeeld op basis van geschreven uren, de kosten toe te rekenen aan de afzonderlijke locaties. Uiteraard kunnen de volledige kosten van de ingehuurde locatiemanager verantwoord worden als exploitatiekosten bij de SiSa-verantwoording.
De exploitatiekosten dienen opgenomen te worden in de business case die onderdeel uitmaakt van de aanvraag die wordt voorgelegd aan het ministerie.
Bijzondere kosten
De bijzondere kosten worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte kosten. Bijzondere kosten zijn kosten die volgen uit de opvangtaak, die niet op een andere manier uit deze regeling of een voorliggende voorziening vergoed worden. Dit kunnen kosten zijn die niet aan locaties toe te rekenen zijn en ook geen indirecte kosten zijn, maar die gemeenten wel vergoed dienen te krijgen, zodat ze hier geen financieel nadeel van ondervinden. Voorbeelden zijn eigen bijdragen van vreemdelingen verblijvend in zorginstellingen onder verantwoordelijkheid van de gemeente of locaties voor de doelgroepen voor studie of samenkomen zonder beddencapaciteit. Deze kosten worden in afstemming met het ministerie vergoed.
Uitvoeringskosten
Gemeenten krijgen een vergoeding van € 11 per dag per gerealiseerde plaats, ter dekking van de uitvoeringskosten. Dit zijn de indirecte kosten die gemeenten maken voor processen rond het realiseren van een project.
Voorbeelden van kosten die hieronder kunnen vallen verschillen per doelgroep, maar zijn:
• Indirecte gemeentelijke apparaatskosten:
a. Werkzaamheden afdeling Burgerzaken: in – uitschrijvingen BRP
b. Boekhouding voor de spuk-regeling en SiSa-verantwoording
c. Projectleider nieuwkomers
• WA-verzekering van de vreemdeling
• verstrekkingen voor recreatieve en educatieve activiteiten
• Programma’s voor educatie en ontwikkeling van de vreemdelingen
Deze regeling biedt gemeenten ook een vergoeding ter dekking van de uitvoeringskosten voor ontheemden uit Oekraïne die wel in de gemeente staan ingeschreven maar niet in een gemeentelijke opvangvoorziening verblijven. Deze vergoeding is geregeld door middel van een opslag die is opgenomen in de vergoeding per beschikbaar gesteld bed, per dag. Met andere woorden: het bedrag dat beschikbaar wordt gesteld per gerealiseerd bed, per dag in de gemeentelijke opvang voor ontheemden dient mede ter dekking van de uitvoeringskosten die een gemeente moet maken voor alle in die gemeente ingeschreven ontheemden, ongeacht of deze ontheemden verblijven in een gemeentelijke opvangvoorziening of in het eigen circuit, waaronder de particuliere opvang.
Indien een gemeente, anders dan vreemdelingen, (ook) gemeentelijke spoedzoekers plaatst in een opvang- of huisvestingsvoorziening, bestaat voor die plaatsen geen recht op de vergoeding.
Kosten van verstrekkingen
De kosten van verstrekkingen worden vergoed op basis van werkelijk gemaakte kosten. Hiermee worden de onderstaande verstrekkingen bedoeld voor het levensonderhoud, niet de hierboven genoemde verstrekkingen voor educatieve of vrijetijdsactiviteiten.
Verstrekkingen aan Oekraïense ontheemden
Op grond van artikel 2, vijfde lid, van deze regeling vergoedt het Rijk de kosten van gemeenten die zij hebben gemaakt voor de verstrekkingen aan ontheemden uit Oekraïne die zijn geregistreerd in de BRP van de betreffende gemeente. Voor de hoogte van de verstrekking aan ontheemden uit Oekraïne wordt verwezen naar artikel 6 van de RooO.
Het betreft zowel verstrekkingen aan ontheemden die verblijven in een gemeentelijke opvangvoorziening, als verstrekkingen aan ontheemden die wel staan ingeschreven in de BRP van de betreffende gemeente, maar niet verblijven in een gemeentelijke opvanglocatie, bijvoorbeeld omdat zij verblijven in particuliere opvang.
Huuropbrengsten, gebruiksvergoedingen en eigen bijdragen
Uitgangspunt is dat vergunninghouders huur of een gebruiksvergoeding betalen voor het wonen in een huisvestingsvoorziening. Voor het huurbedrag geldt dat dit huur is voor woonruimte in de zin van het Burgerlijk wetboek. Daarbij geldt dat het gevraagde bedrag binnen de maximale huur voor een sociale huurwoning valt (liberalisatiegrens). Het Woningwaarderingsstelsel is leidend bij het bepalen van de maximale huurprijs. Bij zelfstandige woonruimte betekent dit dat ook de mogelijkheid van huurtoeslag bestaat.
Ontheemden uit Oekraïne dienen een eigen bijdrage te betalen aan de gemeente, op grond van de artikelen 7, vierde lid, en 8 RooO. Vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen dienen, door middel van een inhouding op het door het COA verstrekt leefgeld, een eigen bijdrage voor de opvang te betalen, op grond van artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005. De hoogte van deze eigen bijdrage wordt bepaald op basis van de bepalingen van de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008. Mocht een gemeente vrijgekomen capaciteit ter beschikking stellen aan andere doelgroepen dan zal de gemeente huur dan wel een gebruiksvergoeding vragen.
Bij het bepalen van de hoogte van huur, gebruiksvergoeding of een eigen bijdrage neemt de gemeente het evenredigheidsbeginsel, als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, in acht. De gemeenten houden hierbij rekening met de individuele omstandigheden van de vreemdeling. Het evenredigheidsbeginsel is een onderdeel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die in acht dienen te worden genomen.
De baten van het betreffende verantwoordingsjaar van de huur, gebruiksvergoeding dan wel eigen bijdrage worden in mindering gebracht op de geclaimde kosten voor het betreffende project.
In artikel 3 van deze regeling is bepaald voor welke verstrekkingen de gemeente een aanvraag dient te doen. Daarnaast vermeldt dit artikel de voorwaarden voor de aanvraag van de verstrekking van de specifieke uitkering aan gemeenten en de stukken die deze aanvraag ten minste moet bevatten. In deze aanvraag geeft de gemeente aan welke doelgroepen de gemeente bereid is op te vangen in de voorziening, wat de aanvankelijke verwachte samenstelling van de groep is, hoeveel plekken er beschikbaar zijn, de verwachte datum van ingebruikname en gebruiksduur en de verwachte kosten over deze gebruiksduur.
Gemeenten die interesse hebben om een opvang- of huisvestingsvoorziening te realiseren kunnen dit kenbaar maken aan de betreffende regio accounthouder van de Nationale Opvang Organisatie (NOO) of Programmadirectie Realisatie Onderdak (PRO) of via PostbusNOO@minjenv.nl. Vanuit de accounthouders of via deze postbus kunnen gemeenten een aanvraag indienen met het hiervoor door de Minister van Asiel en Migratie ter beschikking gestelde aanvraagformulier. Deze formele aanvraag wordt beoordeeld door het accorderingsteam van de NOO (voor ontheemden), de PRO (voor vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen en voor vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen.
Uitgangspunt is dat de aanvraag voor de bekostiging voor aanvang van een project wordt ingediend. In de regeling is echter een noodclausule opgenomen waardoor de regeling ook toepasselijk kan zijn op (doorgaans kortdurende) opvang die met spoed beschikbaar moet worden gesteld. Een voorbeeld hiervan is een gezin met kinderen waarvoor geldt dat buiten kantooruren met spoed opvang moet worden geboden, waarna zo spoedig mogelijk daarna alsnog een aanvraag hiervoor wordt ingediend. Deze aanvraag ziet dan op een tijdvak dat aanvangt in het verleden, en mogelijk zelfs al (door doorplaatsing naar een reguliere opvangplek) beëindigd is. De regeling beoogt middels deze noodclausule flexibiliteit te bieden om met dergelijke gevallen om te gaan. Tegelijk is gewenst dat de gemeente zo spoedig mogelijk een aanvraag indient, om onzekerheid over de vergoeding van de kosten niet lang te laten bestaan.
In artikel 4 van deze regeling worden de afwijzingsgronden voor de aanvraag van een verstrekking beschreven. Hieronder worden de afwijzingsgronden nader toegelicht.
Artikel 4, eerste lid, onder a, bepaalt dat de minister kan besluiten om een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen indien de activiteiten niet voldoen, of naar verwachting niet zullen voldoen, aan de voorwaarden die volgen uit deze regeling. Het gaat hierbij om de voorwaarden die worden gesteld aan het project of de doelgroep.
Artikel 4 eerste lid, onder b, bepaalt dat de minister een aanvraag voor een specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk kan afwijzen indien de omvang van kosten zoals die blijkt uit de businesscase naar opvatting van de minister niet in redelijke verhouding staat tot de periode van de ingebruikname van de het project en het aantal plekken gedurende deze periode.
Artikel 4, eerste lid, onder c, bepaalt dat de minister een aanvraag voor een specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk kan afwijzen indien er naar opvatting van de minister regionaal, dan wel landelijk, naar verwachting al voldoende capaciteit voor opvang of huisvesting beschikbaar is.
Artikel 4 eerste lid, onder d, bepaalt dat locaties niet bekostigd worden als de looptijd van het project de looptijd van de budgettaire dekking voor de regeling overschrijdt. Bij aanvang van de regeling geldt dat de dekking voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne geregeld is tot 4 maart 2030 (afloop RTB 4 maart 2027 plus drie jaar – de voorgestelde termijn van het transitiedocument). Dit betekent dat projecten bestemd voor uitsluitend ontheemden uit Oekraïne met een looptijd voorbij 3 maart 2030 na die datum niet bekostigd zullen worden.
Artikel 4 eerste lid, onder e, bepaalt dat wanneer een gemeente een vergunninghouder die aan deze gemeente is gekoppeld zelfstandige woonruimte aanbiedt in een bestaande huurwoning, de gemeente op reguliere wijze voldoet aan haar taakstelling. De betreffende gemeente kan dan geen aanspraak maken op verstrekkingen op grond van deze regeling. Artikel 4, eerste lid, onder e, bepaalt dat een aanvraag afgewezen kan worden indien dit het geval is.
Verder kan de minister een aanvraag ook afwijzen wanneer daar gegronde redenen voor zijn. Artikel 4.35 van de Algemene wet bestuursrecht is overeenkomstig van toepassing.
Bij gedeeltelijke afwijzing kan de gemeente ervoor kiezen om zelf de niet-goedgekeurde kosten te bekostigen. Daarnaast kan de gemeente het project terugtrekken of het project aanpassen zodat het binnen de goedkeuringskaders van deze regeling komt te vallen en een hernieuwde aanvraag doen.
Het beoordelingskader dat gebruikt wordt bij voornoemde beoordeling ligt niet vast. Naast kwantitatieve criteria spelen ook kwalitatieve criteria als looptijd, noodzaak en het doelgroep-flexibel kunnen inzetten een rol. Het beoordelingskader zal periodiek geëvalueerd worden en waar nodig aangepast naar aanleiding van monitoring op basis van de aanvragen van gemeenten.
In artikel 5 van deze regeling wordt verwezen naar de inhoudelijke regelingen die de voorwaarden bepalen waaraan een project moet voldoen voor de plaatsing van een doelgroep. Deze voorwaarden worden hieronder nader toegelicht.
Het college van burgemeester en wethouders bepaalt aan welke doelgroep(en) de beschikbare beddencapaciteit wordt toegewezen. Indien in de periode na de eerste toewijzing beddencapaciteit beschikbaar komt vanwege doorstroming van de geplaatste doelgroep, kan het college van burgemeester en wethouders ook overige doelgroepen plaatsen in een project, indien er geen vreemdelingen beschikbaar zijn om geplaatst te kunnen worden. De specifieke uitkering wordt echter slechts verstrekt voor de plekken die beschikbaar gesteld worden voor vreemdelingen.
Een project kan bestaan uit:
a. zelfstandige wooneenheden met een eigen kookgelegenheid, sanitaire voorzieningen en slaapkamer;
b. niet-zelfstandige wooneenheden met, eventueel gedeelde, kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen;
c. een combinatie van zelfstandige en niet-zelfstandige wooneenheden, met, eventueel gedeelde, kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen;
d. niet-zelfstandige wooneenheden zonder kookgelegenheid maar met, eventueel gedeelde, sanitaire voorzieningen;
In deze regeling wordt verwezen naar de regelingen waarin inhoudelijke voorwaarden zijn opgenomen en wordt als eis gesteld dat aan deze voorwaarden voldaan wordt. Een voorbeeld hiervan is de RooO.
Om vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen in een project te kunnen plaatsen, dient het project te voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Huisvestingswet 2014 en aan de woonfunctie van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Als een gemeente een beschikbare sociale huurwoning toewijst aan een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt, zonder dat sprake is van onzelfstandige huisvesting, heeft de gemeente daarmee op reguliere wijze voldaan aan de taakstelling en kan geen gebruik gemaakt worden van deze regeling.
In artikel 6 van deze regeling zijn de voorwaarden ingeregeld die gesteld worden aan de doelgroep die geplaatst wordt. Deze voorwaarden zien op de vreemdelingen zelf en niet op het project. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen welke doelgroep(en) zij bereid zijn te plaatsen in een project. Wanneer de overeengekomen gebruiksduur van de voorziening verlopen is, kan het college van burgemeester en wethouders deze voorziening inzetten voor andere doelgroepen.
Indien er gedurende de overeengekomen gebruiksduur beddencapaciteit beschikbaar komt vanwege doorstroming of uitplaatsing van de geplaatste vreemdelingen dan kan de gemeente in afstemming met het ministerie, wanneer er naar het oordeel van de Minister regionaal, dan wel landelijk, naar verwachting reeds voldoende capaciteit voor opvang of huisvesting beschikbaar is, of gerealiseerd zal worden, deze beschikbare beddencapaciteit ook benutten voor andere doelgroepen.
Inhoudelijke voorwaarden per doelgroep
De doelgroepen dienen geplaatst te worden conform de voor hen geldende voorwaarden. Dit kan betekenen dat er voor verschillende doelgroepen verschillende voorwaarden kunnen gelden binnen een project. Een project kan bijvoorbeeld een verdieping hebben die slechts geschikt is voor de plaatsing van vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen en ontheemden, terwijl een andere verdieping ook voldoet aan de voorwaarden om vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen te kunnen plaatsen. Het is niet vereist dat het gehele project voldoet aan de voorwaarden die gelden voor de doelgroep waarvoor de hoogste voorwaarden gelden, slechts het gedeelte waarin zij geplaatst worden.
Voor Oekraïense ontheemden volgen de inhoudelijke voorwaarden uit de juridische kaders van de RooO.
Voor vreemdelingen die onder de reikwijdte van de Wet COA vallen volgen de inhoudelijke voorwaarden uit de betreffende gebruiksfunctie in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast bevat het Ruimtelijk en Functioneel Programma van Eisen van het COA een verzameling van zowel wensen van het COA als wettelijke vereisten waaraan een voorziening moet voldoen (die veelal volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving). Voor vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen volgen de inhoudelijke voorwaarden uit de Huisvestingswet 2014 en de eisen die worden gesteld aan de woonfunctie in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Wanneer een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt door het COA geplaatst wordt in een voorziening die voldoet aan de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving is er direct sprake van passende huisvesting zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Rva 2005 en valt deze niet langer onder de reikwijdte van de Wet COA. Hierbij wordt ook benadrukt dat, wanneer een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt wordt geplaatst in een huisvestingsvoorziening, dit meetelt voor de taakstelling als bedoeld in artikel 28 van de Huisvestingswet van de betreffende koppelgemeente. Met de plaatsing van een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt in een huisvestingsvoorziening verschuiven derhalve de verantwoordelijkheden voor deze vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt van het COA naar de gemeenten, alsmede de rechten en plichten krachtens de Rva 2005 en geldt de desbetreffende wet- en regelgeving op de verschillende aanpalende beleidsterreinen: het sociaal domein (inburgering, participatie), onderwijs en gezondheidszorg. Dit betekent ook dat een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt na plaatsing in de huisvestingsvoorziening niet kan terugkeren naar een opvangvoorziening van het COA.
Het kan echter ook voorkomen dat een asielzoeker of ontheemde in een opvangvoorziening geplaatst wordt en gedurende zijn verblijf in de opvangvoorziening zijn vergunning verkrijgt. Dit heeft geen gevolgen voor de gemeente voor wat betreft de bekostiging voor de plaats die de vergunninghouder inneemt binnen de opvangvoorziening. De vergunninghouder blijft namelijk onder de reikwijdte van de Wet COA vallen zolang geen passende huisvesting is gerealiseerd. De tijdelijkheid van de vergoeding van de uitvoeringskosten ten behoeve van een plek die beschikbaar gesteld wordt voor een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt is niet van toepassing op deze doelgroep, omdat deze plek in beginsel beschikbaar gesteld is voor een asielzoeker of ontheemde, en niet voor een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt. Dat de asielzoeker of ontheemde gedurende deze periode zijn vergunning verkrijgt doet daar niet aan af. Deze vergunninghouder valt nog steeds onder de reikwijdte van de Wet COA en behoudt het recht op opvang, en daarmee het recht om te verblijven in het project en de verstrekkingen die hij krijgt van het COA, tot het moment waarop er passende huisvesting gerealiseerd wordt door de gemeente. Wel kan hij (wellicht reeds wanneer hij nog asielzoeker is) beginnen met participatie, werken en integratie in de regio. Deze vergunninghouder telt op het moment dat hij zijn vergunning verkrijgt ook nog niet mee voor de taakstelling die de koppelgemeente heeft. Dit is zo omdat de vergunninghouder nog geen passende huisvesting heeft zolang hij in de opvangvoorziening verblijft. Deze voorziening voldoet namelijk in beginsel niet aan de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Een vergunninghouder telt pas mee voor de taakstelling wanneer deze is gehuisvest. Het is daarmee ook nog niet mogelijk om te starten met de inburgering, omdat deze plaats dient te vinden binnen de gemeente waar de vergunninghouder aan gekoppeld is.
Uiteindelijk is het doel dat alle vergunninghouders uitstromen, vanuit een opvangvoorziening, naar passende, permanente, huisvesting. Dit kan permanente huisvesting zijn (bijvoorbeeld een sociale huurwoning), dit kan tevens een project zijn dat gerealiseerd is door dezelfde gemeente via deze bekostigingsregeling en dat voldoet aan de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (bijvoorbeeld als een gemeente op kleine schaal zowel opvangvoorzieningen als huisvestingsvoorzieningen wil realiseren). Het kan hierbij gaan om een project dat in het geheel aan deze eisen voldoet (dus zowel de opvang als de huisvesting), of waarin het gedeelte waar de vergunninghouder in wordt geplaatst voldoet aan de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aanvullende voorwaarden
Gemeenten dienen in algemene zin bij de plaatsing van vreemdelingen rekening te houden met de gezinssamenstelling, de eenheid van het gezin en de bijzondere behoeften van kwetsbare personen, zoals personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.
Voor het plaatsen van een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt in een voorziening geldt, naast de inhoudelijke voorwaarden waaraan een voorziening moet voldoen, ook dat het een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt betreft die in afwachting van huisvesting verblijft in een opvangvoorziening onder verantwoordelijkheid van het COA, of het college van burgemeester en Wethouders. Daarnaast kan het een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt betreffen die verblijft in een voorziening waar vervolgopvang wordt geboden door of in opdracht van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder vallen de alleenstaande minderjarige vreemdelingen die reeds in de COA-opvang hun verblijfsvergunning verkrijgen en waarvoor vervolgopvang kan worden geboden bij Nidos. Wanneer deze alleenstaande minderjarige vreemdelingen meerderjarig worden dienen zij gehuisvest te worden. Zij kunnen alleen geplaatst worden in een voorziening die voldoet aan de Huisvestingswet 2014 en de woonfunctie uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen kunnen geplaatst worden in een project wanneer zij gekoppeld zijn aan deze gemeente, of een gemeente in de regio. Het COA is de koppelende instantie en dient ervoor te zorgen dat er voldoende koppelingen zijn ten behoeve van de uitvoering van het project.
Regionale voorzieningen
Het is ook mogelijk om via deze bekostigingsregeling de realisatie van een regionale huisvestingsvoorziening te bekostigen. Dit volgt uit artikel 6, zevende lid, onder b, van deze regeling. Het is op grond van deze bepaling mogelijk om een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt te plaatsen in een regionale voorziening die gerealiseerd wordt door één gemeente, maar om daar een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt in te plaatsen die gekoppeld is aan een andere gemeente in de regio.
De Wet inburgering 2021 en de bijbehorende regelgeving zijn opgesteld in een tijd waarin nog geen regionale voorzieningen of flexibele huisvestingsvormen bestonden. Door de komst daarvan is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag welke gemeente verantwoordelijk is voor het vaststellen van het Persoonlijk Plan voor Inburgering en Participatie (het PIP) wanneer een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt verblijft in een regionale voorziening of flexibele huisvestingsvorm. In het geval van een regionale voorziening die gerealiseerd wordt door middel van deze bekostigingsregeling staat de vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt ingeschreven in de BRP van de gemeente waar de vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt geplaatst wordt, maar is diegene nog gekoppeld aan een deelnemende gemeente in de regio, wat tot onduidelijkheid kan leiden in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen deze gemeenten.
Volgens het huidige Besluit inburgering 2021 moet de gemeente waar de vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 aan wordt gekoppeld (en daar zou moeten worden gehuisvest) het PIP vaststellen, na inschrijving in de BRP van diezelfde gemeente. Dit is de zogeheten koppelgemeente. Gemeenten ontvangen in het kader van de Wet inburgering 2021 een specifieke uitkering voor de bekostiging van voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. De omvang van deze uitkering is afhankelijk van het aantal gehuisveste inburgeraars in de gemeente (op basis van de BRP-inschrijving). Daarnaast is het voor het uitkeringsdeel voor inburgeringsplichtige vreemdelingen die niet onder de reikwijdte van de Wet COA vallen van belang dat de BRP-inschrijving overeenkomt met de koppelgemeente. Als dit niet overeenkomt, wordt deze persoon niet betrokken in de uitkering.
Voor de Participatiewet is echter de gemeente verantwoordelijk waar de persoon zijn of haar woonplaats heeft (artikel 40 Pw). Dit wordt bepaald aan de hand van feitelijke omstandigheden; de BRP-inschrijving is hiervoor niet doorslaggevend (ECLI:NL:CRVB:2019:2818). De verantwoordelijkheid ligt daarmee bij de gemeente waar de regionale voorziening gerealiseerd wordt, niet bij de koppelgemeente.
Gemeenten kunnen wel onderling afspraken maken over het in samenhang uitvoeren van de Participatiewet en de Wet inburgering, bijvoorbeeld door de uitvoering van de Participatiewet voor een vreemdeling die niet onder de reikwijdte van de Wet COA valt die verblijft in een regionale voorziening te mandateren aan de koppelgemeente. Gemeenten kunnen daarbij ook afspraken maken over financiële verrekening (voor uitvoeringskosten, de uitkering zelf, arbeidstoeleiding, etc.) of ervoor kiezen dat de gemeente waar de vergunninghouder feitelijk verblijft (en ingeschreven is in de BRP) de feitelijke betalingen doet.
In artikel 7 van deze regeling wordt de mogelijkheid opgenomen voor de minister om de duur van een project vroegtijdig te beëindigen indien de prognose of taakstelling voor de opvang of huisvesting van vreemdelingen daartoe aanleiding geeft. Hierbij wordt een opzegtermijn van maximaal zes maanden in acht genomen en kan de minister een uitkering verstrekken voor eventuele frictiekosten die een gemeente heeft als gevolg van deze vroegtijdige beëindiging.
In artikel 8 van deze regeling wordt de hoogte van de specifieke uitkering bepaald. Gemeenten ontvangen een vergoeding ter bekostiging van de werkelijk gemaakte kosten en daarnaast ontvangen zij een vergoeding in de vorm van een normbedrag per beschikbaar gesteld bed, per dag.
Gemeenten ontvangen een vergoeding, per bed, per dag, voor de dekking van de uitvoeringskosten van de vreemdeling die geplaatst wordt in het project. Deze vergoeding is per 1 juli 2026 € 11. Dit bedrag wordt in 2026 geëvalueerd. Gemeenten ontvangen deze vergoeding echter voor maximaal twee jaar (730 dagen) per vergunninghouder. Gemeenten kunnen desgewenst op eigen kosten vergunninghouders voor langer dan twee jaar huisvesten.
In artikel 9 van deze regeling wordt de procedure tot vaststelling van (de hoogte van) het voorschot op de specifieke uitkering door de minister ingeregeld.
Ten eerste verstrekt de minister een voorschot van 100% van de op aanvraag toegekende transitiekosten en exploitatiekosten van het bestedingsjaar waarin een aanvraag is gedaan.
Ten tweede kan een gemeente een voorschot aanvragen voor de geschatte bestedingen in het betreffende kalenderjaar. Deze aanvraag hoeft niet per locatie te worden gedaan, maar kan geconsolideerd voor alle locaties binnen de gemeente gedaan worden.
Dit stelt een gemeente in staat om voor meerdere voorzieningen tegelijk een voorschot aan te vragen. Ook stelt dit een gemeente in staat om kosten die ten tijde van het indienen van een business case nog niet bekend waren beter te schatten en mee te nemen in de voorschotaanvraag.
Het staat een gemeente vrij om meerdere voorschotaanvragen per kalenderjaar in te dienen.
In artikel 10 van deze regeling wordt de procedure tot verantwoording van de specifieke uitkering aan gemeenten ingeregeld. De verantwoording vindt jaarlijks achteraf plaats via het systeem van single information, single audit (ook wel de SiSa-verantwoording genoemd) zoals bepaald in de ministeriële regeling informatieverstrekking SiSa, op grond van artikel 17a van de Financiële verhoudingswet. Deze bekostigingsregeling bewerkstelligt dat gemeenten jaarlijks achteraf moeten verantwoorden dat het (vooraf) uitgekeerde bedrag is besteed aan (een of meerdere van) de in artikel 2 van deze regeling beschreven kosten.
Daarnaast dient telkens de beschikbare capaciteit te zijn aangemeld bij de daartoe aangewezen instantie(s). Afspraken hieromtrent worden in overleg met de daartoe aangewezen landelijke of regionale autoriteit, de (regionale vertegenwoordigers van) gemeenten en de relevante Rijksonderdelen gemaakt.
Voor deze regeling worden de SiSa-invulwijzer en Nota verwachtingen accountantscontrole SiSa aangevuld.
In artikel 11 van deze regeling wordt de procedure tot vaststelling en terugvordering van de specifieke uitkering ingeregeld. De minister stelt de uitkering uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van besteding vast. De minister kan de uitkering in sommige gevallen ook lager vaststellen. De uitkering kan worden teruggevorderd voor het deel dat blijkens de verantwoordingsinformatie niet of niet rechtmatig is uitgegeven. Hierbij geldt dat voor dat deel waarbij vergoedingen worden gedeclareerd deze als rechtmatig besteed gezien worden zodra is vastgesteld dat het aantal plekken waar ontheemden, asielzoekers dan wel vergunninghouders kunnen verblijven, gerealiseerd is met inachtneming van de voorwaarden van deze regeling.
In artikel 12 van deze regeling wordt het overgangsrecht geregeld van bestaande bekostigingsregelingen die opgaan in deze regeling.
In artikel 12, eerste lid, wordt tot uitdrukking gebracht dat gemeenten kunnen kiezen om vanaf 1 juli gebruik te maken van de DFR. Hier is sprake van een kan-bepaling. Gemeenten kunnen ook ervoor kiezen om per 1 januari 2027 pas over te stappen op de DFR. In dat geval is artikel 12, tweede lid, van toepassing.
Bestaande bestuursovereenkomsten met het COA voor DGO-locaties blijven van kracht en gaan niet over in deze regeling, tenzij gemeenten met het COA anders overeenkomen.
Om gestand te doen aan gedane toezeggingen en zo min mogelijk afbreuk te doen aan gestarte trajecten, blijven in een aanloopperiode de Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties en de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne tot en met 31 december 2026 parallel van kracht. Ook lopende voorzieningen kunnen gehandhaafd blijven, conform eerder gedane toezeggingen. Voor de verlenging van een reeds bestaande voorziening hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend.
Gemeenten hoeven voor een opvang- of huisvestingsvoorziening geen aanvraag in te dienen indien:
• Het een opvangvoorziening voor Oekraïense ontheemden betreft die vóór 1 juli 2026 actief was en waarvan de bestedingen tot 30 juni in bestedingsjaar 2026 verantwoord worden bij de SiSa-verantwoording M16 over 2026;
• Het een opvangvoorziening voor Oekraïense ontheemden betreft die na 1 juli 2026 opent, maar waarvan voor 1 juli 2026 in 2025 een aanvraag voor de bekostiging van transitiekosten is goedgekeurd onder de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne.
In artikel 13 van deze regeling wordt de inwerkingtreding van de onderhavige regeling en het vervallen van de regeling ingeregeld. De looptijd van de regeling ziet op de tijdelijke vergoeding aan gemeenten van de kosten van de realisatie en exploitatie van opvangvoorzieningen voor diverse doelgroepen.
De regeling treedt in werking op 1 juli 2026. Voor de periode 1 juli 2026 tot en met 31 december is de regeling niet verplicht. Gemeenten hebben keuzevrijheid om de kosten van gemeentelijke opvang van ontheemden al vanaf 1 juli 2026 te claimen onder de DFR, of nog gebruik te maken van de huidige BooO. Vanaf 1 januari 2027 is de DFR verplicht voor alle gemeenten.
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening E. Boekholt-O'Sullivan
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-22480.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.