Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 juni 2026, nr. 2026-0000198456, tot wijziging van de Regeling Waadi in verband met de vaststelling van de vergoeding voor de aanwijzingsprocedure van inspectie-instellingen [KetenID WGK28900]

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 12s, derde lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en 1b:9, derde lid, van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs;

Besluit:

ARTIKEL I

Na artikel 3d van de Regeling Waadi wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3e

  • 1. De vergoeding voor de behandeling van een aanvraag tot aanwijzing, bedoeld in artikel 1b:9, tweede lid, van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs, bedraagt € 1.960.

  • 2. De vergoeding voor de behandeling voor het behoud van een aanwijzing, bedoeld in artikel 1b:9, tweede lid, van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs, bedraagt € 13.427.

  • 3. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 31 december van elk kalenderjaar voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgesteld op basis van het benodigde uitvoeringsbudget van de Nationale Autoriteit Uitleenmarkt, door de totale verwachte kosten van de aanwijzingsprocedure te delen door het verwachte aantal aanvragen tot aanwijzing.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

TOELICHTING

1. Algemeen

De onderhavige regeling voorziet in regels met betrekking tot het heffen van leges door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt die namens de Minister van SZW de taken van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (hierna: de wet) uitvoert. Met onderhavige regeling worden de leges voor door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt geleverde individuele diensten met betrekking tot de behandeling van een aanvraag voor de aanwijzing tot inspectie-instelling geregeld.

2. Vergoeding aanwijzing inspectie-instellingen

Artikel 12s, derde lid, onderdeel b, van de wet regelt de doorberekening van de kosten voor aanwijzing van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt aan inspectie-instellingen. Op grond van artikel 1b:9, tweede lid, van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Baadi) is de inspectie-instelling een vergoeding verschuldigd voor de behandeling van de aanvraag tot aanwijzing en voor het in stand houden van de aanwijzing (‘jaarbijdrage’). Deze regeling stelt het bedrag voor de leges voor de aanvraag tot aanwijzing voor inspectie-instellingen vast op € 1.960. De jaarbijdrage die aangewezen inspectie-instellingen verschuldigd zijn voor de instandhouding van de aanwijzing is vastgesteld op € 13.427. Deze bedragen gelden vanaf 1 juli 2026 en worden jaarlijks opnieuw vastgesteld.

3. Jaarlijks vaststellen leges

De Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt wordt gefinancierd vanuit leges. Bij het vaststellen van de hoogte van de leges dienen de uitgangspunten uit het rapport ‘Maat houden’ in acht te worden genomen.1 De leges worden gebaseerd op de verwachte uitgaven over meerdere jaren, zoals is toegestaan in de Handreiking kostentoerekening leges en tarieven. Jaarlijks wordt de raming op de verwachte uitgaven geactualiseerd op basis van de realisatie.

De leges zijn conform artikel 12s, derde lid, onderdeel b, van de wet vastgesteld op basis van de verwachte kosten voor de aanwijzingsprocedure, waarbij onder andere rekening is gehouden met het verwachte aantal aanvragers en houders van een aanwijzing, voor zover de kosten van deze procedure niet betaald worden uit de vergoedingen van de uitleners.2 Het benodigde uitvoeringsbudget wordt vastgesteld op basis van de formule: prijs (P) x hoeveelheid (Q). De Q heeft betrekking op de verschillende aantallen die binnen het stelsel relevant zijn, waaronder het aantal aanvragen van inspectie-instellingen voor aanwijzing en het aantal aangewezen inspectie-instellingen dat jaarlijks een bijdrage betaalt. De P staat voor de legestarieven die worden betaald door inspectie-instellingen. De hoogte van de in rekening te brengen vergoedingen (de legestarieven) zal worden bepaald door de verschillende factoren die gezamenlijk het uitvoeringsbudget vormen zoals het aantal te behandelen aanvragen, de gemiddelde behandeltijd per zaak, het aantal bezwaar- en beroepsprocedures, alsmede de verhouding tussen de onderscheiden werkstromen voor meer en minder complexe aanvragen. De leges worden vastgesteld op basis van het benodigde uitvoeringsbudget, door de totale verwachte kosten te delen door het verwachte aantal aanvragen.

Er is gekozen voor het jaarlijks vaststellen van de leges op basis van het benodigde uitvoeringsbudget in plaats van het gebruik van een percentage voor inflatiecorrectie. Het hanteren van een inflatiecorrectie heeft immers tot gevolg dat de organisatie het verband tussen kosten en baten niet meer jaarlijks analyseert en dat de eis van maximaal kostendekkende heffingen en rechten gemakkelijker zou kunnen worden overschreden. Om sterke schommelingen in legestarieven te voorkomen, worden de legestarieven op basis van een 5-jaarlijkse voortschrijdende raming (rolling forecast) jaarlijks vastgesteld, zoals is toegestaan in de Handreiking kostentoerekening leges en tarieven. Daarbij worden ook gerealiseerde verschillen tussen kosten en ontvangsten meegenomen, zodat de leges meerjarig kostendekkend blijven. Dit draagt bij aan een consistente bedrijfsvoering en een gelijkmatige, transparante tariefstelling richting de uitleenmarkt. De leges worden jaarlijks aan het eind van het kalenderjaar vastgesteld en door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekend gemaakt voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Ieder jaar stelt de NAU een meerjarenplan vast. Dit plan bevat de begroting voor het komende jaar, een meerjarenraming voor de komende vijf jaren, het overzicht van de kostendekkendheid per taak en het tarievenvoorstel. Aan de hand van en tegelijk met de vaststelling van de begroting van de NAU wordt het tarief voor de leges vastgesteld. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks voor 31 december de tarieven vast voor het daaropvolgende kalenderjaar, nadat de NAU hem hierover heeft geadviseerd. De leges worden jaarlijks verantwoord in het jaarverslag.

4. Regeldruk

In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke regeldruk van inspectie-instellingen en uitleners als gevolg van deze wijzigingsregeling. Voor een uitgebreide toelichting over de regeldruk bij het toelatingsstelsel wordt verwezen naar de regeldrukparagraaf bij de wet en het Baadi.3

De regeldruk bestaat uit incidentele regeldruk (kennisname van nieuwe regelgeving) en structurele regeldruk. Hieronder wordt aangegeven hoe de regering deze effecten inschat. Daarbij is uitgegaan van het Handboek Meting Regeldrukkosten (2023) van het Ministerie van Economische Zaken.

Bij de berekening van de regeldruk van onderdeel A is van de volgende aannames uitgegaan:

  • We gaan uit van zeven aangewezen inspectie-instellingen omdat er momenteel zeven inspectie-instellingen inspecteren voor het SNA certificaat. Deze inspectie-instellingen zullen kennis moeten nemen van de tarieven. De inspectie-instelling ontvangt van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt een e-factuur voor het overmaken van de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De aangewezen inspectie-instelling ontvangt gedurende de toelating een factuur voor de jaarbijdrage. Voor het kennis nemen over de hoogte van de leges en het betalen van de leges gaan wij uit van een tijdsbesteding van in totaal 6 minuten. Voor het uurloon wordt uitgegaan van de bedragen zoals genoemd in het Handboek Meting Regeldrukkosten (2023) voor administratief personeel zijnde € 39. Zodra minder belastende alternatieven beschikbaar zijn, zoals een automatische incasso, dan worden die geïncorporeerd in de processen van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt.

  • In de regeldrukparagraaf bij de wet is toegelicht dat de kosten voor uitleners voor het verkrijgen van een inspectierapport van een aangewezen inspectie-instelling zullen stijgen ten opzichte van de kosten die een uitlener maakt voor het vrijwillige SNA certificaat. Het is aannemelijk dat de inspectie-instelling de kosten voor het aanwijzen verdisconteren in de prijs voor een inspectierapport en dat de kosten voor uitleners verder stijgen. Dit is echter onzeker en afhankelijk van veel onbekende variabelen (zoals het aantal verwachte klanten en het bedrijfsmodel van de betreffende inspectie-instelling) dat het niet mogelijk is om de verhoogde regeldruk voor uitleners op basis van de bekendmaking van de leges voor inspectie-instellingen te berekenen.

Bovenstaande uitgangspunten leiden tot de volgende incidentele regeldruk:

P: kosten per handeling

6 minuten x € 39 x 7

Q: aantal handelingen per jaar

1

Regeldruk: P x Q = € 27,30

 

5. Advies, toetsing en internetconsultatie

5.1. Internetconsultatie

Een conceptversie van dit besluit heeft van 24 april 2026 tot en met 8 mei 2026 voorgelegen voor internetconsultatie. In deze periode zijn geen openbare reacties ontvangen en is één niet-openbare reactie ontvangen.

De reactie gaat over het moment van bekendmaking van de leges voor het opvolgende kalenderjaar. Vanwege bedrijfsmatige aspecten wordt de wens uitgesproken om de leges voor 1 juli voor het daaropvolgende kalenderjaar vast te stellen en te publiceren in plaats van voor 31 december. Vaststellen en publiceren van de leges voor 1 juli is niet mogelijk, omdat de begroting van de NAU voor het daaropvolgende jaar volgens een vaste interne planning en control cyclus in het najaar wordt vastgesteld. Op basis van de begroting wordt het tarief voor de leges vastgesteld. De leges moeten immers kostendekkend zijn. De leges worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk voor 31 december gepubliceerd.

Van deze gelegenheid wordt gebruik gemaakt om te verduidelijken dat de jaarbijdrage wordt geheven op het moment van aanwijzing. De inspectie-instelling is de jaarbijdrage naar rato van de betreffende aanwijzing gedurende het kalenderjaar verschuldigd.

5.2. Adviescollege toetsing regeldruk

De Minister van SZW heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) op 24 april 2026 verzocht om te adviseren over de gevolgen van een conceptversie van dit besluit voor de regeldruk.

Het ATR heeft een gezamenlijk advies uitgebracht voor deze regeling alsmede het wijzigingsbesluit dat gelijktijdig ter advisering is voorgelegd. Het ATR heeft dictum meegegeven ‘niet vaststellen, tenzij met de adviespunten rekening wordt gehouden’. Het ATR heeft het advies uitgebracht op basis van een toetsingskader, waarin aandacht wordt besteed aan nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, de werkbaarheid en de gevolgen voor de regeldruk. Het advies van het ATR ziet op de mogelijkheid om minder belastende alternatieven te regelen voor het verstrekken van omzetgegevens door de uitlener voor het vaststellen van de gedifferentieerde leges voor de jaarbijdrage. Dit wordt geregeld in het wijzigingsbesluit. Voor een inhoudelijke reactie op dit advies wordt verwezen naar de toelichting bij het wijzigingsbesluit Baadi. Bij de wijzigingen in deze regeling over de hoogte van de leges voor inspectie-instellingen heeft het ATR geen specifieke opmerkingen geplaatst.

6. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het moment dat inspectie-instellingen een aanvraag bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt kunnen indienen om aangewezen te worden. Dit is mogelijk vanaf 1 juli 2026.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 24 036, nr. 407.

X Noot
2

Kamerstukken II 2023/24, 36 446, nr. 9, p. 30.

X Noot
3

Kamerstukken II 2023/24, 36 446, nr. 3, p. 86 – 87, Stb. 2026, 41, p. 57 – 59.


X Noot
1

Kamerstukken II 2013/14, 24 036, nr. 407.

X Noot
2

Kamerstukken II 2023/24, 36 446, nr. 9, p. 30.

X Noot
3

Kamerstukken II 2023/24, 36 446, nr. 3, p. 86 – 87, Stb. 2026, 41, p. 57 – 59.

Naar boven