Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/105979, tot wijziging van de Binnenvaartregeling ter actualisatie van de technische eisen en het model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations [KetenID WGK028633]

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Gelet op artikel 8 van de Binnenvaartwet;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Binnenvaartregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Bijlage 3.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De begripsbepalingen in artikel 1.01 van ES-TRIN zijn van overeenkomstige toepassing op deze bijlage.

b. In het tweede lid komt de begripsbepaling van het begrip ‘CPR 9-1’ te vervallen.

c. In het tweede lid, komt de begripsbepaling van het begrip ‘IEC-publicatie 245’ te luiden:

IEC-publicatie 60245:

de publicatie ‘Leidingen met aderisolatie van rubber – Nominale spanning tot en met 450/750 V – Deel 1: Algemene eisen, en Deel 4: Snoeren en buigzame leidingen’, uitgegeven door de International Electrotechnical Commission;

d. In de alfabetische volgorde wordt in het tweede lid een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

Richtlijn PGS 30:

Richtlijn 30 uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties, raadpleegbaar op: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/publicaties/pgs30/;

2. In artikel 2 wordt ‘9 met uitzondering van de artikelen 9.02 en 9.17, 10 met uitzondering van de artikelen 10.01, 10.02 en 10.03a tot en met 10.04, 11 en 12 van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG’ vervangen door ‘10 met uitzondering van de artikelen 10.02 en 10.17, 13 met uitzondering van de artikelen 13.01, 13.02, 13.05, 13.06 en 13.07, 14 en 15 van ES-TRIN’.

3. In artikel 8, elfde lid, wordt ‘CPR 9-1, Hoofdstuk 6’ vervangen door ‘Richtlijn PGS 30’.

4. In artikel 11, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en zesde lid, wordt ‘een erkend onderzoekingsbureau’ vervangen door ‘de commissie van deskundigen’.

5. In artikel 33, eerste lid, wordt ‘artikel 10.03, eerste lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG’ vervangen door ‘artikel 13.03, eerste lid, van ES-TRIN’ en wordt ‘Artikel 10.03, tweede lid, van bijlage II van richtlijn 2006/87/EG’ vervangen door ‘Artikel 13.03, tweede lid, van ES-TRIN’.

6. In artikel 35, onderdeel d, wordt ‘de bijlage II van richtlijn 2006/87/EG’ vervangen door ‘ES-TRIN’.

7. In artikel 42, vierde lid, wordt ‘een erkend onderzoekingsbureau’ vervangen door ‘de commissie van deskundigen’.

8. In artikel 56, eerste lid, wordt ‘in het bezit van een verklaring omtrent bijzondere kennis van het ADN als bedoeld in 8.6.2 van Bijlage 1 van de VBG, tenzij men door de plaatselijk bevoegde autoriteit van deze verplichting is ontslagen’ vervangen door ‘opgeleid overeenkomstig Hoofdstuk 1.3 van het ADN’.

B

Bijlage 3.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘De Minister van Infrastructuur en Milieu’ wordt telkens vervangen door ‘De Minister van Infrastructuur en Waterstaat’.

2. ‘CVOB nr’ komt te vervallen.

3. In nummer 2 wordt ‘Officieel scheepsnummer’ vervangen door ‘Uniek Europees scheepsidentificatienummer’.

4. In nummer 7, eerste gedachtestreepje, wordt ‘Eigen onderzoek op’ vervangen door ‘eigen onderzoek op’.

5. In nummer 7, tweede gedachtestreepje wordt ‘onderzoekingsbureau’ vervangen door ‘classificatiebureau’.

6. In nummer 8 wordt ‘waarbij de volgende’ vervangen door ‘Waarbij de volgende’.

7. In nummer 10 komt ‘Rotterdam’ te vervallen.

8. ‘Inspecteur-generaal Verkeer en Waterstaat’ wordt vervangen door ‘Inspecteur-generaal Inspectie Leefomgeving en Transport’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Bijlage 3.8 van de Binnenvaartregeling bevat de technische eisen voor bunkerstations. Een bunkerstation is een drijvend bouwsel met permanente ligplaats dat is bestemd of wordt gebruikt voor de opslag of levering van brandstof aan schepen. De (verwijzingen naar) technische voorschriften zijn verouderd geraakt door wijzigingen in de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN)1 en zijn met onderhavige wijzigingsregeling geactualiseerd. Daarnaast zijn met deze wijzigingsregeling de opleidingseisen voor de bemanningsleden van bunkerstations vereenvoudigd.

2. Aanleiding en inhoud van deze wijzigingsregeling

2.1. Verwijzingen en actualisaties

In Bijlage 3.8 staan verschillende verwijzingen naar Richtlijn 2006/87/EG, Richtlijnen uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) en ADNR. Deze wet- en regelgeving is al enkele jaren verouderd en actualisering is per abuis achterwege gebleven. Om die reden is Bijlage 3.8 geactualiseerd. Hieronder volgt een overzicht van de wijzigingen:

  • Artikelen waarnaar in Bijlage 3.8 wordt verwezen en die voorheen waren opgenomen in Bijlage II van de in 2018 vervallen Richtlijn 2006/87/EG, zijn nu opgenomen in ES-TRIN. Er is een verwijzing opgenomen naar de betreffende artikelen in ES-TRIN;

  • Artikelen waarnaar in Bijlage 3.8 wordt verwezen en die voorheen waren opgenomen in CPR 9-1 (Richtlijn voor de ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof, uitgegeven door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen), zijn nu opgenomen in Richtlijn PGS30. Er is een verwijzing opgenomen naar de betreffende artikelen in PGS30;

  • De term ‘erkend onderzoeksbureau’ is aangepast naar ‘Commissie van Deskundigen’ en daarmee in lijn gebracht met de terminologie in ES-TRIN;

  • De verwijzing naar het inmiddels verouderde ADNR is aangepast in het huidige ADN.

Ook in Bijlage 3.10 zijn de hierboven aangehaalde verouderde begrippen in lijn gebracht met de huidige terminologie.

2.2. Wijziging opleidingseisen bemanningsleden bunkerstations
2.2.1. Inleiding

De regelgeving omtrent de verplichte aanwezigheid van een ADN-certificaathouder op een bunkerstation is aangepast. Conform Bijlage 3.8, artikel 56, eerste lid, moet tijdens het laden, bunkeren en ontgassen ten minste één van de bemanningsleden aan boord in het bezit zijn van een ADN-verklaring, tenzij men door de plaatselijke bevoegde autoriteit van deze verplichting is ontslagen.

In de praktijk is het lastig om het personeel dat werkzaamheden verricht op een bunkerstation aan deze eis te laten voldoen. De bemanning op het bunkerstation wordt opgeleid om de operationele handelingen op het bunkerstation veilig uit te kunnen voeren. Ook de te nemen maatregelen in noodsituaties worden in de praktijk aangeleerd. Echter, het behalen van een ADN-certificaat wordt als te verstrekkend ervaren. Een bunkerstation is een stationaire installatie waar het personeel in beginsel slechts één product behandelt. Hierdoor sluit de breed georiënteerde ADN-opleiding niet aan bij de dagelijkse praktijk van een bunkerstation. De huidige regels van het ADN gaan met andere woorden ver voorbij het kennisniveau dat is vereist voor het werken op een bunkerstation. Daarom is het vanuit veiligheidsoogpunt niet bezwaarlijk dat de ADN-opleiding met deze wijzigingsregeling is vervangen.

In de Binnenvaartregeling bestond de mogelijkheid om de plaatselijk bevoegde autoriteit toestemming te vragen om de onderneming van deze verplichting te ontslaan. Dit was echter slechts een lokale oplossing en kon leiden tot ongelijkheid tussen verschillende locaties. Daarbij ontbrak een standaard aan welke opleidingseisen dan wel moest worden voldaan. Met de onderhavige wijziging van Bijlage 3.8 wordt dit nu uniform geregeld, zodat een gelijk speelveld ontstaat.

2.2.2. Wijziging

Een bunkerstation is een stationaire installatie die qua werkzaamheden meer overeenkomsten vertoont met een opslagterminal dan met een schip. Men laadt olie in vanuit een tankschip/wagen, slaat deze tijdelijk op, en bunkert deze in de langszij komende schepen. Hierbij wordt de gasolie via een vulpistool in de brandstoftanks van het schip gepompt.

Aangezien de werkzaamheden op het bunkerstation grote gelijkenissen vertoont met de werkzaamheden die worden verricht bij opslagterminals is er een parallel te trekken tussen de opleidingseis voor het personeel op het bunkerstation met die van een opslagterminal. Voor werknemers van een opslagterminal is een opleiding passend bij de taken en verantwoordelijkheden, zoals beschreven in hoofdstuk 1.3 van het ADN. Hierbij kan er dan een betere focus gelegd worden op de daadwerkelijke gevaren van de betrokken stof en de uit te voeren handelingen.

Door de opleidingsplicht in het kader van hoofdstuk 1.3 van het ADN te verankeren in de Binnenvaartregeling wordt de mogelijkheid om een passende opleiding aan te bieden gefaciliteerd en wordt voorkomen dat lokale autoriteiten vrijstelling verlenen waardoor een ongelijk speelveld ontstond en zonder dat er verdere opleidingseisen aan werden gesteld. Het ADN biedt de mogelijkheid dat lidstaten zelf de opleidingseis voor bemanningsleden van bunkerstations vaststellen en staat dus ook deze wijziging toe.

De wijziging is slechts van toepassing op personeel dat werkzaam is op stationaire bunkerstations. Huidig personeel dat beschikt over de ADN-verklaring voldoet door middel van die ADN-verklaring ook aan de nieuwe opleidingseis. Om die reden is er geen overgangsrecht opgenomen bij de wijziging.

Voor personeel dat werkzaam is op bunkerschepen geldt dat zij aan de voor hen geldende bepalingen van het ADN dienen te voldoen, inclusief de opleidingsplicht zoals beschreven in ADN 8.6.2.

3. Toezicht en handhaving

De ILT is de aangewezen toezichthouder met betrekking tot de technische- en opleidingseisen die worden gesteld in de Binnenvaartregeling. De ILT heeft aangegeven dat onderhavige wijziging geen significant effect heeft op het werk van de ILT, waardoor de wijzigingsregeling niet is voorgelegd voor een Handhaafbaarheid-, Uitvoerbaarheid-, en Fraudegevoeligheidstoets.

4. Regeldruk

De kosten voor een training conform hoofdstuk 1.3 van het ADN liggen aanzienlijk lager dan de kosten voor het behalen van een ADN-certificaat.

Een 1.3 training aan boord kost plusminus 675,00 euro. Dit is een bedrag per training en niet per persoon. Er nemen doorgaans tot circa 4 personen gelijktijdig deel, waarbij de ruimte aan boord de beperkende factor is. Dit komt neer op een bedrag van 170 euro per persoon. Voor een bunkerstation zou de groep met enkele personen kunnen worden uitgebreid. Het betreft een tweejaarlijkse training.

De kosten voor een ADN-opleiding Basis (welke nu verplicht is) is 1.350,00 euro per persoon. Het ADN-certificaat is in beginsel 5 jaar geldig.

Op grond van het bovenstaande kan de volgende regeldrukberekening worden gemaakt:

Regime onder ADN-certificaat per deelnemer

€ 1.350/5 jaar=€270 jaarlijkse kosten per deelnemer

Regime onder ADN-training per deelnemer

€ 170/2 jaar= € 85 jaarlijkse kosten per deelnemer

De schatting van het ministerie is dat het jaarlijks maximaal 165 mensen betreft. Dat betekent dat de totale besparing ongeveer € 30.525 euro op jaarbasis zou bedragen (165 * (€ 270–€ 85) = 30.525 jaarlijkse regeldrukbesparing).

5. Advies en consultatie

5.1. Internetconsultatie

Deze regeling is niet aangeboden ter internetconsultatie. De actualisaties betreffen een technische wijziging. Reacties op een internetconsultatie zouden daarom niet tot wezenlijke aanpassingen van deze regeling kunnen leiden. Daarnaast worden de kosten voor de opleiding van bemanningsleden met de wijziging sterk gereduceerd, wat positief is voor de sector. Om die reden is gekozen om af te zien van internetconsultatie.

5.2. Oordeel en advies ATR

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk, is de regeling voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

6. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Er wordt gebruikgemaakt van de uitzondering op de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn van twee maanden, omdat onderhavige wijzigingsregeling reparatieregelgeving betreft en het voordelen biedt voor de doelgroep dat de regeling op een zo kort mogelijke termijn in werking treedt.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

Naar boven