Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 19 juni 2026 nr. WJZ/100646398, tot wijziging van de Postregeling 2009 in verband met de wijziging van de overkomstduur van de universele postdienst (KetenID WGK 28307)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 23, tweede lid, van de Postwet 2009, en artikel 7, derde lid, van het Postbesluit 2009;

Besluit:

ARTIKEL I

De Postregeling 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘met de standaard overnight service, bedoeld in artikel 4a van het besluit’ vervangen door ‘binnen de bezorgtermijn, bedoeld in artikel 4a, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van het besluit’.

2. In het tweede lid wordt ‘met de standaard overnight service’ vervangen door ‘binnen de bezorgtermijn, bedoeld in artikel 4a, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van het besluit,’.

B

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De jaarlijkse rapportage gaat vergezeld van het resultaat van een meting van de verlener van de universele postdienst over de periode 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026 van de kwaliteit van het postvervoer binnen Nederland van brieven met de standaard overnight service, bedoeld in artikel 4a van het besluit zoals dat artikel luidde voor 1 juli 2026, met uitzondering van rouwbrieven en medische brieven.

2. In het derde lid wordt ‘voor 1 juni van het kalenderjaar na de meting’ vervangen door ‘voor 1 juni 2027’.

C

Na artikel 10 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

  • 1. Het onderdeel van de jaarlijkse rapportage dat betrekking heeft op de kwaliteit van het postvervoer binnen Nederland van brieven die binnen de bezorgtermijn, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van het besluit, worden besteld, bevat het resultaat van een meting van die kwaliteit door de verlener van de universele postdienst over de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027.

  • 2. De verlener van de universele postdienst laat de meting, bedoeld in het eerste lid, maandelijks uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling.

  • 3. De verlener van de universele postdienst legt aan de Autoriteit Consument en Markt voor 1 december 2027 over:

    • a. de algehele uitkomsten van de meting;

    • b. een toelichting bij de uitkomsten;

    • c. een nauwkeurige omschrijving van de door de instelling toegepaste meetsystematiek.

Artikel 10b

  • 1. Het onderdeel van de jaarlijkse rapportage dat betrekking heeft op de kwaliteit van het postvervoer binnen Nederland van brieven die binnen de bezorgtermijn, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, van het besluit, worden besteld, bevat het resultaat van een meting van die kwaliteit door de verlener van de universele postdienst over het voorafgaande kalenderjaar, met dien verstande dat voor het kalenderjaar 2027 de meting betrekking heeft op de periode van 1 juli 2027 tot en met 31 december 2027.

  • 2. De verlener van de universele postdienst laat de meting, bedoeld in het eerste lid, maandelijks uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling.

  • 3. De verlener van de universele postdienst legt aan de Autoriteit Consument en Markt voor 1 juni van het kalenderjaar na de meting over:

    • a. de algehele uitkomsten van de meting;

    • b. een toelichting bij de uitkomsten;

    • c. een nauwkeurige omschrijving van de door de instelling toegepaste meetsystematiek.

Artikel 10c

  • 1. Het onderdeel van de jaarlijkse rapportage dat betrekking heeft op de kwaliteit van het postvervoer binnen Nederland van rouwbrieven en medische brieven die binnen de bezorgtermijn, bedoeld in artikel 4a, derde lid, van het besluit, worden besteld, bevat het resultaat van een meting van die kwaliteit door de verlener van de universele postdienst over het voorafgaande kalenderjaar.

  • 2. De verlener van de universele postdienst laat de meting, bedoeld in het eerste lid, maandelijks uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling.

  • 3. De verlener van de universele postdienst legt aan de Autoriteit Consument en Markt voor 1 juni van het kalenderjaar na de meting over:

    • a. de algehele uitkomsten van de meting;

    • b. een toelichting bij de uitkomsten;

    • c. een nauwkeurige omschrijving van de door de instelling toegepaste meetsystematiek.

D

Artikel 12, tweede lid, onder e, komt te luiden:

  • e. de kwaliteit van het postvervoer waarover wordt gerapporteerd op grond van de artikelen 10 tot en met 10c;

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 19 juni 2026

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inhoud van de regeling

Deze regeling wijzigt de Postregeling 2009. De regeling strekt ertoe de bepalingen over de rapportageverplichting voor de verlener van de universele postdienst (UPD) en de terminologie van de Postregeling 2009 in overeenstemming te brengen met het gewijzigde Postbesluit 2009.

Met de wijziging van het Postbesluit 2009 zijn de wettelijke kwaliteitseisen voor de UPD aangepast. Deze aanpassing houdt verband met het dalende postvolume en heeft tot doel de uitvoerbaarheid van de UPD te waarborgen. De wijzigingen betreffen de overkomstduur en de bezorgbetrouwbaarheid voor UPD-poststukken, met uitzondering van rouw- en medische post.

Voor UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post, geldt:

  • van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027 een overkomstduur van twee dagen na aanbieding (D+2) en een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%;

  • met ingang van 1 juli 2027 een overkomstduur van drie dagen na aanbieding (D+3) en een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 92% per kalenderjaar.

Voor rouw- en medische post blijft een overkomstduur van één dag (D+1) en een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 95% per kalenderjaar gelden.

1.1 Rapportageverplichting

Op grond van artikel 23 van de Postwet 2009 rapporteert de UPD-verlener jaarlijks over de uitvoering van de UPD, waaronder de kwaliteit. Deze jaarlijkse rapportageverplichting blijft ongewijzigd.

In de Postregeling 2009 gold voor alle onderdelen van de jaarlijkse rapportage één aanlevermoment – voor 1 juni van het daaropvolgende jaar over het voorgaande kalenderjaar. Met deze regeling worden voor het kwaliteitsonderdeel van de jaarlijkse rapportage afzonderlijke aanleverdata per postsoort vastgesteld, in lijn met de opsplitsing van de kwaliteitsnormen per postsoort in het gewijzigde Postbesluit 2009. De overige onderdelen van de jaarlijkse rapportage blijven voor 1 juni van het daaropvolgende jaar aangeleverd.

UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post: D+1 en 95% (standaard overnight service, eerste helft 2026)

Artikel 10 regelt de afronding van de rapportageverplichting over de standaard overnight service, met uitzondering van rouw- en medische post. De rapportage over deze postsoort vindt plaats onder artikel 10c.

Tot 1 juli 2026 gold voor de standaard overnight service een norm van 95% bezorgbetrouwbaarheid binnen D+1 op grond van artikel 4a van het Postbesluit 2009 zoals dat artikel luidde voor die datum. Met ingang van 1 juli 2026 vervalt deze norm. De rapportageverplichting over de periode januari tot en met juni 2026 blijft echter van kracht. De UPD-verlener dient de meetresultaten over de eerste helft van 2026 voor 1 juni 2027 te overleggen aan de ACM.

UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post: D+2 en 90% (1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027)

De tijdelijke norm van D+2 met een bezorgbetrouwbaarheid van 90% geldt voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Deze normperiode valt niet samen met een kalenderjaar. Voor dit onderdeel is daarom een afwijkend rapportagemoment vastgesteld.

Artikel 10a bepaalt dat over de naleving van de D+2 norm en de bijbehorende bezorgbetrouwbaarheid wordt gerapporteerd voor 1 december 2027. Dit sluit aan bij de inrichting van de jaarlijkse rapportage, waarbij binnen vijf maanden na afloop van de betreffende periode wordt gerapporteerd.

UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post D+3 en 92% (vanaf 1 juli 2027)

De norm van D+3 met een bezorgbetrouwbaarheid van 92% geldt met ingang van 1 juli 2027 en wordt per kalenderjaar beoordeeld. Het rapportagemoment blijft ongewijzigd – de UPD-verlener rapporteert voor 1 juni over het voorgaande kalenderjaar (artikel 10b). Omdat de norm ingaat op 1 juli 2027, heeft de eerste meting betrekking op de periode van 1 juli tot en met 31 december 2027, overeenkomstig artikel 4a, tweede lid, laatste zin, van het Postbesluit 2009. De rapportage over die eerste periode vindt plaats voor 1 juni 2028.

Rouw- en medische brieven: D+1 (95%)

De norm voor rouw- en medische post (een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 95% binnen D+1, beoordeeld per kalenderjaar) is inhoudelijk ongewijzigd en gold ook voor 1 juli 2026 op grond van artikel 4a van het Postbesluit 2009 zoals dat artikel luidde voor die datum.

Tot 1 juli 2026 rapporteerde de UPD-verlener over de naleving van deze norm als onderdeel van de rapportage over de standaard overnight service op grond van artikel 10. Met de opsplitsing van de kwaliteitsnormen per postsoort in het Postbesluit 2009 krijgt de meet- en rapportageverplichting voor rouw- en medische post een eigen grondslag in artikel 10c, zonder de inhoud van de verplichting te wijzigen.

Voor het kalenderjaar 2026 meet de UPD-verlener rouw- en medische post over het gehele jaar: de eerste helft van het jaar op grond van de tot 1 juli 2026 geldende meetverplichting onder artikel 10, de tweede helft op grond van artikel 10c. De rapportage over het volledige kalenderjaar 2026 vindt plaats onder artikel 10c, voor 1 juni 2027. Artikel 10c introduceert geen nieuwe norm en leidt niet tot een verzwaring van de verplichtingen voor de UPD-verlener.

Werking van de rapportage

De jaarlijkse rapportageverplichting op grond van artikel 23 van de Postwet 2009 blijft ongewijzigd. Er is sprake van één rapportageverplichting per jaar. De artikelen 10 tot en met 10c regelen uitsluitend de inrichting van het kwaliteitsonderdeel van die jaarlijkse rapportage, waaronder het moment waarop de verschillende onderdelen worden aangeleverd. Het afwijkende aanlevermoment voor het kwaliteitsonderdeel D+2 (artikel 10a) introduceert geen extra of afzonderlijke rapportageverplichting, maar stelt voor dit onderdeel een ander aanlevermoment vast. Dit is noodzakelijk omdat de normperiode voor D+2 niet samenvalt met een kalenderjaar, waardoor aansluiting bij het reguliere aanlevermoment van 1 juni zou betekenen dat de ACM pas ruim een jaar na afloop van de normperiode over de benodigde kwaliteitsinformatie beschikt.

De overige onderdelen van de jaarlijkse rapportage, waaronder de financiële verantwoording, worden gerapporteerd op grond van de ongewijzigde bepalingen van de Postregeling 2009 en blijven voor 1 juni van het daaropvolgende jaar ingediend.

De inhoud van de rapportage over de kwaliteit van het postvervoer blijft ongewijzigd. De rapportage bevat, zoals voorheen, de resultaten van maandelijkse metingen van het postvervoer binnen Nederland. Deze metingen worden in opdracht van de UPD-verlener uitgevoerd door een onafhankelijke en deskundige instelling. De uitkomsten van deze metingen worden, met een toelichting en een beschrijving van de toegepaste meetsystematiek, aan de ACM verstrekt. Op grond van artikel 12, tweede lid, onder e, wordt bij de rapportage tevens een accountantsverklaring gevoegd. Deze verplichting blijft bestaan.

Door het afwijkende rapportagemoment voor de tijdelijke norm van D+2 (90%) zijn in 2027 twee momenten van indiening. Voor 1 juni 2027 rapporteert de UPD-verlener over de onderdelen die per kalenderjaar worden beoordeeld (D+1, D+3 en rouw- en medische brieven). Voor 1 december 2027 rapporteert de UPD-verlener over de naleving van de D+2 (90%)-norm over de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Op beide indieningsmomenten wordt een accountantsverklaring bijgevoegd.

Dit leidt tot het volgende overzicht:

Poststroom

Postregeling 2009

Rapportagemoment

Standaard overnight service- D+1 (1 januari t/m 30 juni 2026)

Artikel 10

Voor 1 juni 2027

UPD-post, niet zijnde rouw- of medisch – D+2

(1 juli 2026 t/m 30 juni 2027)

Artikel 10a

Voor 1 december 2027

UPD-post, niet zijnde rouw- of medisch – D+3

(vanaf 1 juli 2027)

Artikel 10b

Voor 1 juni

Rouw- en medische post

Artikel 10c

Voor 1 juni

1.2 Aanpassing terminologie

De wijzigingen van de artikelen 3 en 12 vloeien voort uit de recente wijziging van het Postbesluit 2009 waarbij de kwaliteitseisen voor de universele postdienst (UPD) zijn aangepast. Met deze regeling wordt de terminologie van de Postregeling 2009 daarmee in overeenstemming gebracht. Het betreft redactionele aanpassingen.

2. Notificatie

Deze regeling bevat geen technische voorschriften in de zin van richtlijn nr. 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241). Er is derhalve geen notificatie krachtens deze richtlijn nodig.

3. Regeldruk

Deze regeling heeft uitsluitend gevolgen voor de regeldruk van de verlener van de UPD, die de in de regeling uitgewerkte rapportageverplichting moet naleven. Hierbij geldt dat de regeldrukeffecten mede afhangen van de wijze waarop de UPD verlener, in samenspraak met de toezichthouder, invulling geeft aan de rapportageverplichting. Aangezien de regeling niet voorschrijft hoe de kwaliteitsmeting wordt uitgevoerd, bestaat ruimte voor de UPD-verlener om de meting in te richten op een manier die regeldrukeffecten en operationele werkbaarheid in acht nemen.

Wat betreft de vereiste accountancyverklaring kan de wijziging van inrichting van de rapportageverplichting eenmalig tot aanvullende regeldruk leiden. De UPD-verlener rapporteerde al over de behaalde kwaliteit van de dienstverlening en met deze wijziging blijft dit ongewijzigd. Mogelijk vloeien meerkosten voort uit het afwijkende aanlevermoment voor de rapportage over de periode met een bezorgnorm van twee bezorgdagen (D+2). Bij dit aanlevermoment is een accountancyverklaring vereist. Dit betekent dat in 2027 de accountancyverklaring over de behaalde kwaliteit eenmalig op een ander moment wordt afgegeven, separaat van de rapportage over de overige onderdelen die uiterlijk 1 juni wordt ingediend. Dit kan tot meerkosten leiden die voor de rekening van de UPD-verlener komen.

De kosten van een accountantsverklaring zijn afhankelijk van het type verklaring en de mate van complexiteit. Op basis van marktinformatie wordt voor eenvoudige verklaringen een bandbreedte van circa € 2.000 tot € 3.000 gehanteerd. Zwaardere verklaringen, zoals beoordelings- of controleverklaringen, variëren doorgaans van circa € 3.000 tot € 10.000. Uit onderzoek van het UWV in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgevoerd in het kader van de NOW-regeling, blijkt dat de gemiddelde kosten van een accountantsverklaring circa € 5.300 bedragen. Hoewel de aard en omvang van die verplichting niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn met de accountantsverklaring die op grond van de onderhavige regeling is vereist, geeft dit een indicatie van de orde van grootte van de kosten.

In het onderhavige geval heeft de verklaring uitsluitend betrekking op de geleverde kwaliteit en de gehanteerde meetsystematiek. Financiële verslaggeving valt buiten de reikwijdte van deze accountantsverklaring, hetgeen de complexiteit naar verwachting beperkt. Daarnaast gaat het hier niet om een nieuwe verklaring, maar slechts om een verklaring die op een ander moment wordt afgegeven. De mogelijke eenmalige meerkosten hiervan worden daarom op maximaal € 3.000 tot € 5.000 geraamd.

4. Bedrijfseffectentoets en MKB-toets

Omdat deze regeling uitsluitend gevolgen heeft voor de UPD-verlener, is een MKB-toets niet uitgevoerd. Een inschatting van de regeldrukeffecten is opgenomen in paragraaf 3.

5. Adviezen en consulatie

5.1. Internetconsultatie

De onderdelen A, B en D van deze regeling zijn samen met het ontwerpbesluit tot wijziging van het Postbesluit 2009 geconsulteerd via www.internetconsultatie.nl. De consultatie heeft 18 reacties opgeleverd, waarvan geen betrekking had op de conceptregeling. Na de consultatie is de regeling aangevuld met onderdeel C. Voor dit onderdeel is afgezien van een brede internetconsultatie, omdat de in de regeling uitgewerkte rapportageverplichting op één partij van toepassing is: de UPD-verlener. Met deze partij heeft afstemming plaatsgevonden (zie paragraaf 5.3).

5.2. Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets (UHT) uitgevoerd. De ACM concludeert dat met deze regeling een eerder gesignaleerd knelpunt wordt weggenomen, maar dat op onderdelen aandachtspunten blijven bestaan.

In haar UHT over de wijziging van het Postbesluit 2009 uitte de ACM zorgen over de handhaafbaarheid van de kwaliteitsnorm voor de overkomstduur in de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026 (D+2). Met de onderhavige wijziging zijn deze zorgen weggenomen en acht de ACM handhaving op deze norm mogelijk. Wel signaleert de ACM een aandachtspunt voor de handhaafbaarheid van de D+1-norm over de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2026. De ACM constateert dat de in die periode geldende norm niet goed handhaafbaar is. De norm in artikel 4a van het Postbesluit 2009, zoals dat luidde in de periode tot 1 juli 2026, heeft immers betrekking op een kalenderjaar. Dit aandachtspunt wordt onderkend.

Verder signaleert de ACM dat niet duidelijk is hoe over aangetekende post moet worden gerapporteerd, en adviseert zij een aparte kwaliteitsnorm voor aangetekende post op te nemen in het Postbesluit 2009. De onderhavige regeling voorziet uitsluitend in de kaders voor de inrichting van de rapportageverplichting over de kwaliteitsnormen die in het Postbesluit 2009 zijn vastgesteld. Zij biedt geen ruimte voor het introduceren van nieuwe of aanvullende kwaliteitsnormen. Het is aan de ACM en de UPD-verlener om binnen deze kaders tot een werkwijze te komen die operationeel uitvoerbaar en doelmatig is. Het advies van de ACM zal vanzelfsprekend worden betrokken bij de reeds voorziene evaluatie van het Postbesluit 2009.

5.3. Reactie UPD-verlener (uitwerking rapportageverplichting)

Onderdeel C is met de UPD-verlener afgestemd. De UPD-verlener heeft gevraagd te verduidelijken op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de meetsystematiek. In dat verband heeft de UPD-verlener aangegeven dat, gelet op de aard van bepaalde poststromen, het gebruik van interne registratiegegevens bij de rapportage over specifieke postsoorten voor de hand ligt. Deze regeling voorziet in de kaders voor de inrichting van de rapportageverplichting over de kwaliteitsnormen die in het Postbesluit 2009 zijn vastgesteld. Het is aan de ACM en de UPD-verlener om binnen die kaders tot een werkwijze te komen die operationeel uitvoerbaar en doelmatig is.

5.4 Adviescollege toetsing regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft de onderhavige regeling niet geselecteerd voor een formeel advies, wegens de beperkte gevolgen voor regeldruk.

6. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2026. Deze datum is een vast verandermoment in de zin van Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en sluit aan bij de datum waarop de gewijzigde kwaliteitseisen in het Postbesluit 2009 in werking treden.

II. Artikelgewijs

Artikel I

Onderdelen A en D (artikelen 3 en 12)

De wijzigingen van de artikelen 3 en 12 betreffen een redactionele aanpassing. De verwijzing naar 'de standaard overnight service' is in overeenstemming gebracht met de gewijzigde terminologie in artikel 4a van het Postbesluit 2009.

Onderdeel B (artikel 10)

De wijziging van artikel 10 strekt ertoe de rapportageverplichting over de kwaliteit van de standaard overnight service af te ronden. Tot 1 juli 2026 gold op grond van artikel 4a van het Postbesluit 2009 een norm van 95% bezorgbetrouwbaarheid binnen D+1 voor UPD-post. Met ingang van 1 juli 2026 vervalt deze norm.

Het eerste lid wordt zodanig aangepast dat de meetperiode wordt beperkt tot de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026. De verwijzing naar artikel 4a, zoals dat luidde voor 1 juli 2026, verduidelijkt op welke kwaliteitseis de meting betrekking heeft.

Rouwbrieven en medische brieven zijn uitgezonderd van de werking van dit artikel. De meetresultaten voor deze postsoorten over de periode januari tot en met juni 2026 zijn beschikbaar op grond van het tot 1 juli 2026 geldende artikel 10 en worden betrokken bij de rapportage over het volledige kalenderjaar 2026 op grond van artikel 10c.

Het derde lid wordt aangepast door de dynamische rapportagedeadline te vervangen door een vaste datum. Nu artikel 10 na indiening van de rapportage over de oude kwaliteitsnorm geen materiële betekenis meer heeft, volstaat een vaste uiterste indieningsdatum van 1 juni 2027.

Onderdeel C
Artikel 10a

Artikel 10a werkt de rapportageverplichting uit voor de tijdelijke D+2-norm voor UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post. Op grond van artikel 4a, eerste lid, van het Postbesluit 2009 geldt deze norm voor de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Omdat deze normperiode niet samenvalt met een kalenderjaar, wordt in afwijking van de overige rapportagebepalingen een afwijkend rapportagemoment gehanteerd.

Het eerste lid bepaalt dat de meting betrekking heeft op de periode van 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2027. Hiermee sluit de meetperiode aan op de normperiode in artikel 4a, eerste lid, van het besluit.

Het tweede lid verplicht de UPD-verlener de meting maandelijks te laten uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling.

Het derde lid verplicht de UPD-verlener de meetresultaten voor 1 december 2027 aan de ACM te overleggen. Deze termijn sluit aan bij de systematiek van de overige rapportageartikelen, waarbij de rapportage steeds binnen vijf maanden na afloop van de meetperiode wordt ingediend.

Artikel 10b

Artikel 10b werkt de rapportageverplichting uit voor de D+3-norm voor UPD-post, niet zijnde rouw- of medische post. Op grond van artikel 4a, tweede lid, van het Postbesluit 2009 geldt deze norm met ingang van 1 juli 2027 en wordt zij per kalenderjaar beoordeeld.

Het eerste lid bepaalt dat de meting betrekking heeft op het voorafgaande kalenderjaar. Voor het kalenderjaar 2027 geldt dat de D+3-norm eerst met ingang van 1 juli 2027 van toepassing is. Artikel 4a, tweede lid, laatste zin, van het besluit bepaalt daarom dat de bezorgbetrouwbaarheid voor 2027 wordt berekend over de periode van 1 juli tot en met 31 december. Het eerste lid sluit hierbij aan.

Het tweede lid verplicht de UPD-verlener de meting maandelijks te laten uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling.

Het derde lid verplicht de UPD-verlener de meetresultaten voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op de meetperiode aan de ACM te overleggen. Voor de meetperiode van 1 juli tot en met 31 december 2027 betekent dit dat de rapportage uiterlijk op 1 juni 2028 wordt ingediend.

Artikel 10c

Artikel 10c werkt de rapportageverplichting uit voor rouwbrieven en medische brieven. De bijbehorende kwaliteitsnorm (een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 95% binnen D+1, beoordeeld per kalenderjaar) blijft inhoudelijk ongewijzigd.

Onder het tot 1 juli 2026 geldende artikel 10 werd de kwaliteit van rouw- en medische post gemeten en gerapporteerd als onderdeel van de standaard overnight service. Artikel 10c zet deze verplichting voort in een afzonderlijke bepaling, in lijn met de differentiatie van kwaliteitseisen per postsoort in het gewijzigde Postbesluit 2009. Artikel 10c wijzigt uitsluitend de grondslag en introduceert geen nieuwe verplichtingen.

Het eerste lid bepaalt dat de meting betrekking heeft op het voorafgaande kalenderjaar. Voor het kalenderjaar 2026 zijn de meetresultaten over de eerste helft beschikbaar op grond van het tot 1 juli 2026 geldende artikel 10. De meetresultaten over de tweede helft volgen uit artikel 10c. De rapportage over het volledige kalenderjaar 2026 vindt plaats op grond van artikel 10c en wordt voor 1 juni 2027 ingediend.

Het tweede lid verplicht de UPD-verlener de meting maandelijks te laten uitvoeren door een onafhankelijke en deskundige instelling. Deze verplichting is inhoudelijk ongewijzigd.

Het derde lid bepaalt dat de meetresultaten voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op de meetperiode aan de ACM worden overgelegd. Ook het aanlevermoment blijft ongewijzigd.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert

Naar boven