Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie

Partijen:

1. De Minister van Klimaat en Groene Groei en handelend als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, hierna te noemen KGG;

2. De Vereniging Element NL1, als vertegenwoordiger van Vergunninghouders en Beheerders die in Nederland actief zijn op het gebied van het opsporen en winnen van olie en gas, vertegenwoordigd door Voorzitter, Gerda Verburg, hierna te noemen Element NL;

3. De besloten vennootschap Energie Beheer Nederland, vertegenwoordigd door Chief Executive Officer, Jan Willem van Hoogstraten, hierna te noemen EBN.

Hierna gezamenlijk te noemen Partijen constateren het volgende:

AANLEIDING

Nederland gaat over op duurzame energie. In die overgang speelt aardgas nog tot ten minste 2045 een belangrijke rol als transitiebrandstof: ruim een derde van het primair energieverbruik van Nederland wordt momenteel nog ingevuld door aardgas. Dit gas is met name nodig om huizen te verwarmen. Ook de Nederlandse industrie kan nog niet zonder. Er is nog niet voldoende duurzame energie beschikbaar om nu al te kunnen stoppen met het gebruik van aardgas. Prognoses2 laten zien dat het volledig afbouwen van de Nederlandse gasvraag in lijn met onze klimaatambities nog zeker enkele decennia in beslag zal nemen.

Het benodigde aardgas komt niet meer alleen uit Nederland. Sinds 2018 is Nederland netto-importeur van aardgas. Dat betekent dat er sindsdien per saldo meer aardgas wordt geïmporteerd dan geëxporteerd. Momenteel dekt de totale gasproductie uit de Nederlandse kleine velden3 nog ongeveer 30% van de totale Nederlandse aardgasvraag van ongeveer 30 miljard m3 per jaar.

Gaswinning en de Staat 1

Het aardgas in de diepe ondergrond van Nederland is eigendom van de Staat2. De opsporing en winning mag alleen plaatsvinden door Vergunninghouder(s) in publiek-private samenwerking met Energie Beheer Nederland (EBN), waarvan de aandelen eigendom van de Staat zijn. Bij de winning gaat het eigendom van het aardgas over van de Staat op EBN en de Vergunninghouder(s), naar rato van de daarover gemaakte afspraken, veelal in een verhouding van 40/60. Ook de bijbehorende kosten (investeringen, operationele en opruimkosten) worden volgens dezelfde verhouding tussen deze partijen gedeeld. Inclusief belastingen en belastingaftrek wordt de totale opbrengst bij aardgaswinning tussen Staat en Vergunninghouder(s) gedeeld in een verhouding van circa 70/30.

X Noot
1

De tekstkaders zijn bedoeld ter verduidelijking van de inhoudelijke tekst en maken geen onderdeel uit van het Sectorakkoord. Dit geldt voor alle kaders in dit Sectorakkoord.

X Noot
2

Met inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003 is opgenomen dat delfstoffen eigendom van de staat zijn. Die bepaling is op grond van artikel 143 lid 4 van de Mijnbouwwet niet van toepassing voor een beperkt aantal oude vergunningen op land.

Importafhankelijkheid beperken

De inval van Rusland in Oekraïne in 2022 en het wegvallen van de toevoer van gas uit Rusland heeft duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is om minder afhankelijk te zijn van het buitenland voor de levering van het in Nederland benodigde aardgas. De huidige geopolitieke ontwikkelingen versterken dit. Daarnaast werd duidelijk dat de Nederlandse consument kwetsbaar is voor sterke prijsschommelingen op de mondiale gasmarkt. Ook het Draghi-rapport4 waarschuwt voor te veel geopolitieke afhankelijkheid en stelt dat binnenlandse gasproductie dit risico deels kan mitigeren. Zo kan Nederlands aardgas strategisch bijdragen aan (Europese) leveringszekerheid en betaalbaarheid van aardgas. En daarmee is de gaswinning uit de Nederlandse kleine velden van nationaal en Europees belang.

Om deze redenen wordt in dit akkoord ingezet op het stimuleren van nieuwe investeringen in opsporing en winning van gas uit de Nederlandse kleine velden op de Noordzee, om de importafhankelijkheid zo beperkt mogelijk te houden en de voorzieningszekerheid te bevorderen. Dit is ook in lijn met het regeerprogramma5, waarin het kabinet heeft aangegeven in te zetten op de opschaling van de gaswinning op de Noordzee. Daarnaast blijft ook de gaswinning uit kleine velden op land van belang.

Daling afvlakken

De gasproductie uit de Nederlandse kleine velden is in de afgelopen twintig jaar sterk afgenomen, van circa 36 miljard m3 in 2004 naar 8,8 miljard m3 in 20236. Om de daling van productievolume zoveel mogelijk af te vlakken – er is immers nog gas nodig – moeten nieuwe investeringen in de opsporing van en winning uit zowel al aangetoonde als nieuwe, nog aan te tonen Nederlandse gasvelden worden gestimuleerd. De verwachting is dat met de winning van het resterende, nog in de ondergrond aanwezige aardgas, nooit een niveau wordt bereikt waarbij er meer aardgas wordt gewonnen dan dat er in Nederland wordt gebruikt. Kortom: toekomstige Nederlandse gaswinning zal altijd onder de toekomstige binnenlandse aardgasvraag blijven.

Nederlands aardgas als transitiebrandstof

Nederlands aardgas maakt Nederland tijdens de transitiefase naar een duurzaam energiesysteem niet alleen minder afhankelijk van de import van buitenlands gas, maar is ook beter voor het klimaat. De uitstoot van broeikasgassen, waaronder ook methaan, tijdens de winning en het transport uit de Nederlandse kleine velden is in het algemeen 30 tot 50 procent lager dan de uitstoot veroorzaakt door geïmporteerd aardgas (LNG)7 , 8 met uitzondering van pijpleidinggas uit Noorwegen. Noors gas voorziet in ongeveer 30% van de aardgasvraag in de Europese Unie9.

Gasreserves en infrastructuur straks mogelijk niet meer beschikbaar

De gasinfrastructuur in het Nederlandse deel van de Noordzee is sterk geïntegreerd, waarbij de gasproducenten gebruikmaken van elkaars installaties en pijpleidingen om zo op een efficiënte wijze het gewonnen gas aan land te brengen. Met het afnemen van de productievolumes, wordt het gebruik van de infrastructuur (relatief) duurder. Onder de huidige omstandigheden bereiken productievolumes komende jaren een dermate laag niveau dat delen van de infrastructuur niet langer economisch te behouden zijn. Zonder maatregelen zal waardevolle gasinfrastructuur binnen enkele jaren verdwijnen. Daarmee zouden significante gasreserves niet meer beschikbaar zijn voor de transitiefase. De offshore infrastructuur zal dan ook niet meer beschikbaar zijn voor hergebruik voor andere toepassingen, zoals transport en opslag van CO2 en waterstof.

Criteria bij investeringsbeslissingen

Voor de opsporing en winning van aardgas en de aanleg van de benodigde infrastructuur zijn grote investeringen nodig. Belangrijke criteria bij investeringsbeslissingen zijn onder andere de kans op succes, de verwachte netto-opbrengsten en de vergunningensituatie. De verwachte waarde van de verschillende investeringsopties wordt onderling gerangschikt, zodat de beschikbare investeringsruimte zo rendabel mogelijk wordt ingezet.

Veel internationaal opererende producenten geven steeds meer de voorkeur aan investeringen elders in de wereld boven investeringen in Nederland, omdat elders de terugverdientijden korter zijn en de te winnen volumes groter. (Ervaren) obstakels in Nederland, zoals onzekerheid in het vergunningentraject en het gebrek aan een politiek en maatschappelijk draagvlak voor gaswinning spelen daarin ook een belangrijke rol.

Er is al veel van het aardgas dat aanwezig was in de Nederlandse ondergrond geproduceerd, maar ook nu nog kent de Nederlandse ondergrond veel potentie. Ondanks dat veel potentiële projecten in Nederland rendabel te ontwikkelen zijn, hebben projecten in het buitenland met een hogere Net Present Value (NPV) de voorkeur. Om onder de huidige omstandigheden het aanwezige potentieel toch te kunnen benutten dient het huidige stelsel te worden aangepast, ter bevordering van investeringen in de transitiefase van gaswinning in Nederland. Dit vraagt, binnen de vigerende wet- en regelgeving, om een andere instelling van betrokken partijen, zoals een intensievere samenwerking tussen operators en transparante en voorspelbare vergunningverlening.

Ook de kleine gasvelden op land dragen bij aan de leveringszekerheid van energie in Nederland. Hiervoor is het noodzakelijk dat er actieve landoperators zijn. Hierover worden aanvullend op dit akkoord afspraken gemaakt.

Andere aanpak is nodig

De Nederlandse gaswinning bevindt zich inmiddels in een ‘transitiefase’; veel gasvelden zijn of raken de komende jaren uit productie en er komen relatief weinig nieuwe velden bij. Nieuwe velden zijn veelal veel kleiner en technisch en/of economisch moeilijker te ontwikkelen. De verwachting is dat met het huidige (en historisch lage) activiteitenniveau van opsporing en winning nog slechts 35 tot 40 miljard m3 Nederlands aardgas gewonnen zal worden.

Het technisch potentieel is echter nog aanzienlijk en wordt geschat op ruwweg 200 miljard m3, waarvan ongeveer 150 miljard m3 op de Noordzee en 50 miljard m3 op land. Benutting van dit potentieel beperkt niet alleen de afhankelijkheid van buitenlands aardgas, maar levert de Staat ook significante inkomsten op. Om dit potentieel te benutten is een andere aanpak nodig voor de opsporing en winning van Nederlands aardgas. Het vergt een andere houding van het Rijk en de sector om knelpunten op te lossen en nieuwe investeringen aan te trekken.

Vergunningen en samenwerkingsverbanden

Een vergunning voor opsporing of winning kan verleend worden aan één of meerdere private partijen, die samenwerken in een joint venture om hun risico’s en kapitaalverplichtingen te spreiden. De meeste van deze partijen maken onderdeel uit van een internationaal opererende organisatie. Elke vergunning kent één uitvoerder (in het Engels: operator) die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent.

Nederland kent op dit moment ruim 170 vergunningen voor opsporing, winning en opslag van koolwaterstoffen. Er zijn 14 operators, die vaak ook joint venture partner zijn in andere vergunningen, en circa 10 niet-uitvoerende Vergunninghouders. De Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) is de vergunningverlener voor mijnbouwvergunningen. EBN levert op verzoek inlichtingen ten behoeve van de vergunningverlening.

Transitiefase

Omdat nieuwe velden veelal kleiner en vaak technisch en/of economisch moeilijker te ontwikkelen zijn, is het investeringsrendement per veld lager dan voorheen. Investeringen door producenten kunnen moeilijker worden gefinancierd en terugverdiend. Doordat de (financiële) risico’s van opsporings- en winningsactiviteiten toenemen en het algemene investeringsklimaat voor producenten niet als stabiel wordt ervaren, stellen Partijen vast dat bedrijven terughoudender zijn geworden om te investeren in de opsporing en winning van nieuwe Nederlandse velden. De toenemende druk op de ruimte op de Noordzee en het gebrek aan draagvlak voor gaswinning zorgen daarbij voor extra onzekerheid voor producenten. Wanneer bedrijven investeringen doen in opsporing, willen zij ook de zekerheid hebben dat zij deze investeringen kunnen terugverdienen met de winning van aardgas. Deze veranderende marktomstandigheden bieden kansen voor en vergen investeringen van nieuwe spelers.

Nederlands aardgas is essentieel gedurende de energietransitie

Het energiesysteem bevindt zich in een transitie naar een CO2-neutrale energievoorziening. Nederlands aardgas is essentieel voor deze energietransitie. Het vergt een nieuwe houding in relatie tot thema’s als samenwerking, duidelijkheid en voorspelbaarheid, die past bij deze transitiefase. Het is een verantwoordelijkheid van producenten om vanuit samenwerking nieuwe investeringen te doen, en het vergt beleid van de overheid dat nieuwe investeringen stimuleert.

Nederland bereidt zich voor op een toekomst zonder gaswinning, terwijl bestaande infrastructuur en (lege) velden benut kunnen worden voor de transitie naar een duurzaam energiesysteem. Wanneer het aardgaspotentieel niet benut wordt en de sector verdwijnt, verdwijnt ook infrastructuur voor nieuwe toepassingen voor onder andere CO2 en waterstof. Een gecoördineerde aanpak is nodig om aardgas te blijven winnen en infrastructuur beschikbaar te houden gedurende de energietransitie.

PROBLEEMANALYSE

Partijen constateren de volgende knelpunten die belemmerend zijn voor de aardgaswinning in Nederland:

1. Fragmentatie van producentenbelangen

De versnippering van het producentenlandschap in Nederland staat verregaande samenwerking tussen uitvoerders momenteel in de weg. Vooral op zee werken verschillende Vergunninghouders met vaak verschillende strategische agenda’s binnen een verknoopt netwerk samen. Door deze verschillen wordt het potentieel van de ondergrond onvoldoende benut.

2. Gaswinning in de energietransitie

Op termijn wordt het Nederlandse energiesysteem klimaatneutraal. Maar op dit moment is nog niet voldoende duurzame energie beschikbaar om te stoppen met het gebruik van aardgas. Gaswinning uit Nederlandse kleine velden op land en op zee is van belang voor de leveringszekerheid gedurende de energietransitie. Tegelijkertijd staat de gaswinning maatschappelijk onder druk. Mede gelet op de geopolitieke ontwikkelingen is van belang dat aardgas uit Nederlandse bodem, veilig en verantwoord geproduceerd, beschikbaar blijft gedurende de transitie en wordt ingepast in de schaarse ruimte op land en op zee.

3. Onzekerheid over de duur van het vergunningsproces

De vergunningsprocedures rond gaswinning zijn vaak langdurig en complex. Er is de laatste tijd een aantal concrete verbeteringen gerealiseerd, zoals het verduidelijken van de benodigde aan te leveren gegevens bij een vergunningaanvraag door het ontwikkelen van de zogeheten branchedocumenten. Echter, het proces voor de vergunningverlening en de bezwaar- en beroepsprocedures zijn vaak complex en langdurig. Dat leidt steeds vaker tot het niet meer ontplooien van nieuwe initiatieven.

4. Zorgen over een aantrekkelijk vestigingsklimaat

Nieuwe producenten ervaren een aantal knelpunten dat hen ervan weerhoudt om toe te treden tot de Nederlandse markt. Dit beperkt de beweging in een markt die vraagt om de toetreding van producenten met een ambitie om te investeren in nieuwe projecten. Daarnaast hebben gevestigde producenten zonder investeringsambities moeite om opgebouwde belangen over te dragen. Hierbij vormt de afhandeling van voorziene ontmantelingskosten een belangrijk knelpunt, waardoor overnames vastlopen.

5. Investeringsklimaat en beleid

Investeerders beoordelen het investeringsklimaat in een sector niet alleen op basis van het huidige beleid en investeringsklimaat, maar vooral op het verwachte, toekomstige beleid voor de periode waarin zij hun investeringen moeten terugverdienen. Twijfels over de stabiliteit van overheidsbeleid leiden tot terughoudendheid bij nieuwe investeringen.

6. Delen van vergunde gebieden op de Noordzee blijven onbenut

Een deel van de Nederlandse Noordzee is momenteel vergund voor het uitvoeren van opsporings- of winningsactiviteiten voor aardgas. Hiervan blijft een deel onbenut vanwege onder meer bovenstaande knelpunten. Ook op land is een deel van het reeds vergunde gebied onbenut. Dat hangt mede samen met moeizame procedures voor het overhevelen en (her-)vergunnen van areaal, het ontbreken van een prikkel om vergund gebied voortvarend te ontwikkelen en onvoldoende toegankelijkheid van geologische gegevens.

7. Draagvlak

Voor de winning van fossiele brandstoffen is maatschappelijk draagvlak in algemene zin niet meer vanzelfsprekend. Gaswinning blijft nodig in de transitiefase voor energiezekerheid en betaalbaarheid.

Voor energieontwikkelingen op land is draagvlak een aandachtspunt. Draagvlak kan worden versterkt door het actief uitdragen van nut en noodzaak van de winning van Nederlands aardgas gedurende de energietransitie en het definiëren van duidelijke randvoorwaarden. Daarbij is het tijdig en zorgvuldig betrekken van de omgeving cruciaal.

Gelet op de voorgaande knelpunten komen Partijen het volgende overeen:

Artikel 1. Definities

Definities zijn in het Sectorakkoord met een Hoofdletter geschreven en onderstreept. Een deel van de definities is overgenomen uit de Mijnbouwwet. Deze definities zijn gemarkeerd met een (M). Bij onduidelijkheid of een wijziging in de Mijnbouwwet is de definitie uit de Mijnbouwwet leidend. Het Sectorakkoord hanteert de volgende definities:

Aanvraag:

De aanvraag voor een toestemming, vergunning, instemming, ontheffing of anderszins genoemd, bij of krachtens de Mijnbouwwet of de Omgevingswet met betrekking tot Mijnbouwwerken en Pijpleidingen ten behoeve van het opsporen of winnen van Koolwaterstoffen, waarvoor de Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is.

Aanvrager:

De natuurlijke of rechtspersoon die de Aanvraag doet.

Advies:

Het schriftelijke advies van een Adviseur op een Aanvraag.

Adviseur:

Een adviseur die bij of krachtens de Mijnbouwwet of de Omgevingswet is aangewezen.

Beheerder (M):

De natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een Pijpleiding wordt aangelegd, gebruikt dan wel in stand gehouden.

Branchedocumenten:

De branchedocumenten die van toepassing zijn op Aanvragen zoals gepubliceerd op het Nederlandse Olie- en Gasportaal (NLOG).

Buiten werking:

Een situatie, waarin een Mijnbouwwerk of Pijpleiding, bestemd voor het opsporen of winnen van Koolwaterstoffen niet meer als zodanig in werking is.

Buiten gebruik stellen van een boorgat (M):

Het permanent afsluiten van een boorgat.

Eén-operator-gedachte:

Het samenwerken van Vergunninghouders en Beheerders alsof ze één partij zijn, met als doel de relatieve operationele prestaties in de gehele levenscyclus van een project technisch en economisch te verbeteren en zo de operationele kosten te verlagen binnen de randvoorwaarden van het mededingingsrecht. Het gaat hier bijvoorbeeld om samenwerking binnen opsporings- en winningsactiviteiten, gebruik van beschikbare infrastructuur, Herbestemming, Hergebruik en Ontmanteling.

Herbestemming:

Het gebruiken van Mijnbouwwerken, Pijpleidingen en boorgaten voor andere doeleinden dan het opsporen, winnen of opslaan van Koolwaterstoffen, zoals CO2-opslag, transformatorlocaties voor windmolenparken, power-to-gas (bijvoorbeeld waterstof uit windenergie) en het opsporen en winnen van Aardwarmte.

Hergebruik:

Het opnieuw gebruiken van Mijnbouwwerken, Pijpleidingen en boorgaten voor het opsporen, winnen of opslaan van Koolwaterstoffen, zoals de verplaatsing van offshore platformen om andere velden te realiseren en het gebruik van velden voor ondergrondse opslag van Koolwaterstoffen.

Koolwaterstoffen:

Verzamelnaam van aardgas, aardolie en condensaat.

Mijnbouwinstallatie (M):

Een Mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem van een oppervlaktewater.

Mijnbouwwerk:

Een werk dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werken:

  • a. ten behoeve van het opsporen of het winnen van Koolwaterstoffen;

  • b. ten behoeve van het opslaan van stoffen;

  • c. die samenhangen met de in de onderdelen a en b bedoelde werken.

Noordzeeregio:

Een gebied op de Noordzee als onderdeel van de Regioprogrammering.

Ontmanteling:
  • a. Voor Mijnbouwwerken, uitgezonderd Mijnbouwinstallaties: het (geheel of gedeeltelijk) schoonmaken, verwijderen en afvoeren van de bovengrondse installaties, en het zo veel mogelijk terugbrengen in de oorspronkelijke staat of – bij afwijkende afspraken met de grondeigenaar – in de afgesproken staat, van het terrein waarop het Mijnbouwwerk is opgericht en de bodem van het terrein;

  • b. Voor Mijnbouwinstallaties: het (geheel of gedeeltelijk) schoonmaken, verwijderen en afvoeren van de installaties, en het zo veel mogelijk terugbrengen in de oorspronkelijke staat van de waterbodem waarop de Mijnbouwinstallatie is opgericht;

  • c. Voor Pijpleidingen: het schoon en veilig achterlaten of verwijderen van Pijpleidingen;

  • d. Voor boorgaten: het Buiten gebruik stellen van een boorgat overeenkomstig de bepalingen uit de Mijnbouwregeling.

Opsporingsvergunning:

Een vergunning voor het opsporen van Koolwaterstoffen.

Partijen:

De gezamenlijke initiatiefnemers en ondertekenaars van het Sectorakkoord, te weten KGG, Element NL en EBN.

Pijpleiding (M):
  • a. Leiding die twee of meer Mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het Mijnbouwwerk;

  • b. Andere leiding dan bedoeld onder a, aan te wijzen door KGG, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het Mijnbouwwerk.

Regioprogrammering:

Maatwerkaanpak en -afspraken voor opsporing en winning van Koolwaterstoffen tussen EBN, (potentiële) Vergunninghouder(s) en Beheerder(s) voor een specifieke Noordzeeregio om knelpunten voor de winning van Koolwaterstoffen in de betreffende Noordzeeregio op te lossen en daarmee de winning van Koolwaterstoffen te vergroten.

Regiotafel:

Gremium dat onder leiding van EBN de Regioprogrammering voor een specifieke Noordzeeregio uitwerkt.

Sectorakkoord:

Dit integrale pakket van afspraken tussen Partijen om te zorgen voor de optimalisatie van de onshore en offshore winning van Koolwaterstoffen in Nederland.

Transitiefase:

De periode waarin Nederland overgaat naar een duurzaam energiesysteem.

Vergunninghouder:

De houder van een Opsporings- en /of Winningsvergunning voor het opsporen of winnen van Koolwaterstoffen.

Werkplan10:

Plan van de Vergunninghouder met de planning van lopende en toekomstige activiteiten en investeringen en de daarbij behorende Aanvragen.

Winningsvergunning:

Een vergunning voor het winnen van Koolwaterstoffen, alsmede voor het opsporen van Koolwaterstoffen

Artikel 2. Actief samenwerken

  • 2.1. Partijen erkennen dat optimalisatie van gaswinning, waaronder wordt verstaan het zoveel mogelijk invullen van de binnenlandse gasvraag met binnenlandse productie en binnen het Klimaatakkoord van Parijs, nodig is ten behoeve van de Nederlandse energielveringszekerheid. Partijen erkennen dat voor de optimalisatie van gaswinning er aanvullend op het huidige systeem waarbinnen gaswinning nu plaatsvindt afspraken kunnen worden gemaakt. Deze aanvullende afspraken zijn neergelegd in dit Sectorakkoord. Partijen zijn doordrongen van het belang en de urgentie van de afspraken in dit Sectorakkoord, en zetten zich voluit in om de afspraken tot uitvoering te brengen.

  • 2.2. Met het oog op de optimalisatie van gaswinning werken Partijen intensief samen om knelpunten te voorkomen of weg te nemen en het investeringsklimaat aantrekkelijker te maken. Hierbij is de vigerende wet- en regelgeving leidend. Partijen hebben voor de optimalisatie van gaswinning elk hun eigen taken en verantwoordelijkheden. Deze zijn in lijn met hun wettelijke bevoegdheden, rechten en plichten en zijn als volgt:

    • a. KGG spant zich in om, binnen de vigerende juridische en politieke kaders en randvoorwaarden, belemmeringen weg te nemen in beleid en in uitvoering en in wet- en regelgeving om de gewenste optimalisatie van de Nederlandse gaswinning mogelijk te maken. Daarmee verband houdend zal KGG voor zover relevant bij andere onderdelen van de Rijksoverheid, en decentrale overheden, de thema’s zoals opgenomen in dit Sectorakkoord agenderen;

    • b. Element NL vertegenwoordigt de Vergunninghouders en Beheerders die in Nederland actief (willen) zijn en faciliteert de intensivering van de samenwerking binnen de sector, waarbij (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders zo veel als haalbaar werken vanuit een Eén-operator-gedachte. Vergunninghouders en Beheerders zetten zich gezamenlijk in voor een optimale productie van Koolwaterstoffen in Nederland conform de afspraken in dit Sectorakkoord. Vergunninghouders en Beheerders handelen in de context van de in Nederland geldende randvoorwaarden voor olie- en gaswinning. Daarbij zijn zij gebonden aan de standaarden van, vaak internationale, hoofdkantoren waar ook de economische afwegingen voor het nemen van investeringsbeslissingen plaatsvinden;

    • c. EBN vult haar deelname aan opsporings- en winningswerkzaamheden en inlichtingen aan KGG proactief in. Hier wordt steeds het belang van doelmatige opsporing en winning en planmatig beheer voor ogen gehouden. Naast continuering van haar huidige activiteiten, coördineert EBN de Regioprogrammering, deelt EBN informatie met Partijen en zet EBN eventuele nieuwe instrumenten in bij invulling van deze taken ter invulling van dit Sectorakkoord.

  • 2.3. Partijen stellen uiterlijk 31 december 2025 een convenant op met betrekking tot datadeling op basis van de uitgangspunten in Bijlage B.

Artikel 3. Mitigeren financiële risico’s voor verhoging investeringsniveau

  • 3.1. Partijen onderschrijven de noodzaak voor de verhoging van het aantal opsporingsactiviteiten. Om hier aan bij te dragen, verkent KGG de wenselijkheid om EBN in specifieke gevallen een (financieel) aandeel van maximaal 85% te kunnen laten nemen in exploratieprojecten. Als dit wenselijk is, wordt dit voorstel voor aanpassing van de Mijnbouwwet uitgewerkt en in procedure gebracht. Aan het vergroten van het aandeel van de marktconforme deelname door EBN in opsporingsactiviteiten worden in elk geval voorwaarden verbonden om het publieke belang te waarborgen en marktverstoring te voorkomen.

  • 3.2. Voor de toekomstige kosten van de verplichte ontmanteling van een Mijnbouwwerk of Pijpleiding bouwt de Vergunninghouder een ontmantelingsvoorziening op. De jaarlijkse toevoeging aan deze voorziening verlaagt de jaarlijks belastbare winst en daarmee het jaarlijks te betalen winstaandeel van de Vergunninghouder. De vrijval van de voorziening, zoals bij de overdracht aan een derde partij, kan tot belastingheffing leiden. Partijen constateren dat het voorgaande tot een mogelijke belemmering van nieuwe toetreders tot de Nederlandse markt kan leiden met als gevolg dat nieuwe investeringen uitblijven. Partijen spreken in dit kader het volgende af:

    • a. De wet kent reeds een aantal mogelijkheden om de overdracht van een bedrijf fiscaal geruisloos vorm te geven. Met het oog op het verkrijgen van meer duidelijkheid omtrent de toepassing van die mogelijkheden biedt de Belastingdienst elke belastingplichtige de gelegenheid om via een bespreking vooraf zekerheid over de toepassing van fiscale wet- en regelgeving te vragen.

    • b. KGG gaat met de sector en het Ministerie van Financiën in gesprek over de door Partijen geconstateerde potentiële belemmering in de Mijnbouwwet ten aanzien van de fiscale claim op de winst (positief of negatief) die wordt behaald bij de overdracht van een Winningsvergunning.

Artikel 4. Aanvragen en verlenen van vergunningen

  • 4.1. Een voorspelbaar en zorgvuldig vergunningverleningsproces is van groot belang voor de Nederlandse gaswinning. Met het oog hierop werken KGG en Aanvragers (pro)actief samen, ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Daarvoor spreken Partijen het volgende af:

    • a. KGG en Aanvragers werken (pro)actief samen bij het behandelen van Aanvragen;

    • b. KGG en Aanvragers voeren overleg mocht er onzekerheid ontstaan ten aanzien van het vergunningverleningsproces danwel wanneer van de afspraken dreigt te worden afgeweken;

    • c. KGG en Aanvragers spannen zich in om te zorgen dat er in de praktijk een voorspelbaar en zorgvuldig vergunningverleningsproces ontstaat binnen wettelijke vereisten en redelijke termijnen.

  • 4.2. Partijen spreken het volgende af over termijnen:

    • a. Binnen twee weken na ontvangst van een Aanvraag controleert KGG of de Aanvraag in behandeling kan worden genomen in de zin van artikel 4:5 Awb (ontvankelijkheidstoets);

    • b. Zodra, en onder voorwaarde dat, de Aanvraag ontvankelijk is maakt KGG met de Aanvrager afspraken over de termijn waarbinnen een besluit zou kunnen worden genomen met het oog op tijdige besluitvorming binnen wettelijke vereisten en redelijke termijnen.

  • 4.3. Partijen zetten zich in om het Vergunningsproces vlot, efficiënt en transparant in te richten, en zullen:

    • a. De Branchedocumenten gezamenlijk actualiseren en waar nodig uitbreiden (n.a.v. ervaringen en de Omgevingswet) en daartoe voor 1 juni 2025 een planning afspreken. De Branchedocumenten zullen vervolgens uitgangspunt zijn voor het vergunningsproces;

    • b. Indien gewenst, voorafgaand aan het indienen van de Aanvraag, een vooroverleg houden tussen KGG en de Aanvrager, over de inhoud van de Aanvraag, de vergunning en het te volgen proces;

    • c. Indien relevant en/of gewenst één of meerdere Adviseurs voor het vooroverleg uitnodigen.

  • 4.4. Aanvragers zullen daarnaast:

    • a. Ieder een vast contactpersoon aanwijzen die periodiek overleg voert met de contactpersoon van KGG over het Werkplan en andere aan het vergunningsproces gerelateerde kwesties;

    • b. Zorgdragen voor tijdige indiening van een ontvankelijke Aanvraag en daarvoor een tijdige vooraankondiging doen;

    • c. Tijdig reageren op aanvullende vragen en/of verzoeken van KGG;

    • d. Tijdig vóór het verstrijken van een einddatum van bijvoorbeeld een vergunning of winningsplan een Aanvraag voor verlenging indienen, zodat besluitvorming redelijkerwijs kan hebben plaatsgevonden vóór die einddatum;

    • e. KGG periodiek informeren over hun plannen en benodigde vergunningen en daarbij een planning overleggen.

  • 4.5. KGG zal daarnaast:

    • a. Een vast contactpersoon per Vergunninghouder en/of Aanvrager aanwijzen die periodiek overleg voert met de contactpersoon van de Vergunninghouder en/of Aanvrager over het Werkplan en andere aan het vergunningsproces gerelateerde kwesties;

    • b. Indien gewenst en mogelijk, en in elk geval bij Aanvragen voor activiteiten op de Noordzee, Adviezen gelijktijdig aanvragen, teneinde de voortgang van de besluitvorming te versnellen11;

    • c. In het adviesverzoek aangeven welke vragen de Adviseur wordt verzocht te beantwoorden. Tevens worden Adviseurs verzocht in het Advies aan te geven op basis van welke gegevens het Advies tot stand is gekomen. Daarbij is voor een efficiënte besluitvorming van belang dat de advisering is afgestemd op de aard van het te nemen besluit;

    • d. Adviseurs verzoeken om overige onderwerpen die niet binnen de wettelijke gronden vallen van het te nemen besluit in een aparte reactie op te nemen;

    • e. Op grond van artikel 3:6, eerste lid, van de Awb aan de Adviseurs aangeven binnen welke termijn een Advies wordt verwacht;

    • f. Het adviesproces actief coördineren en stroomlijnen, waaronder tijdig en adequaat interveniëren bij mogelijke vertraging.

  • 4.6. Partijen zetten zich in om gezamenlijk en doorlopend te onderzoeken of verbeteringen kunnen worden aangebracht aan, en onnodige hindernissen kunnen worden weggenomen uit, de regelgeving die van toepassing is op de gaswinning om de gewenste optimalisatie van de gaswinning in Nederland te bereiken. Elke zes maanden wordt de voortgang op deze afspraken geëvalueerd conform artikel 11.

Artikel 5. Samenwerking tussen (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders op de Noordzee

  • 5.1. Partijen zien samenwerking, met inachtneming van het mededingingsrecht, tussen (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders als een essentiële stap om de gaswinning te stimuleren.

  • 5.2. Element NL bevordert de totstandkoming van samenwerkingen op de onderdelen van de exploratie- en productieprocessen waar samenwerking tussen Vergunninghouders en Beheerders leidt tot een grotere economische haalbaarheid van projecten. Jaarlijks rapporteert Element NL over de tot stand gekomen samenwerkingen en de daardoor bereikte effecten.

  • 5.3. Vergunninghouders en Beheerders besluiten gezamenlijk voor welk van de kansrijke domeinen een samenwerking wordt aangegaan. Vergunninghouders en Beheerders informeren via Element NL, KGG en EBN hierover.

  • 5.4. Vergunninghouders, Beheerders en EBN streven naar een zo efficiënt en effectief mogelijke inzet van de offshore infrastructuur inclusief de gerelateerde gasbehandelingsstations op land gezien vanuit de gewenste versnelling van gaswinning op de Noordzee. De mogelijkheid om nieuwe velden met aanvullende volumes aan te sluiten, zowel fysiek als economisch, maakt hier onlosmakelijk onderdeel van uit. Voorbeelden hiervan zijn:

    • a. Het optimaliseren van de processing hubs per Noordzeeregio: dit kan zowel optimalisatie van bestaande platforms zijn, de verdeling van de Koolwaterstoffen over deze platforms en de realisatie van eventuele nieuwe hubs;

    • b. Het optimaliseren van de afvoerroutes van ontwikkelde en nog niet ontwikkelde voorkomens naar land middels optimalisatie van de lay-out van de bestaande Pijpleidingen, de optimalisatie van de verdeling van de Koolwaterstoffen over de Pijpleidingen en de realisatie van eventuele nieuwe Pijpleidingen;

    • c. Het optimaliseren van de verdeling van de Koolwaterstoffen over de gasbehandelingsstations op land;

    • d. Onderzoeken in welke mate grensoverschrijdende Pijpleidingen met omliggende landen kunnen bijdragen aan een efficiënter gebruik van bestaande infrastructuur.

  • 5.5. Beheerders, KGG, en EBN onderzoeken in welke mate interconnecties met omliggende landen kunnen bijdragen aan efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur. Dit wordt meegenomen in de te maken afspraken zoals bedoeld in artikel 9.1.

Artikel 6. Regioprogrammering Noordzee

  • 6.1. Ter optimalisatie van de gaswinning in de Noordzee wordt gewerkt met Regioprogrammering. Het uitgangspunt van de Regioprogrammering is actieve deelname van (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders. Bij het uitvoeren van de Regioprogrammering wordt zoveel mogelijk geacteerd binnen de Eén-operator-gedachte. Voor de gebieden buiten de Noordzeeregio’s geldt dat bestaande en nieuwe activiteiten worden voortgezet.

  • 6.2. EBN is verantwoordelijk voor de volgende onderdelen van de Regioprogrammering:

    • a. Het komen tot en waar nodig bijstellen van de indeling van de Noordzeeregio’s op basis van onder andere (mogelijke) synergie en samenhang voor (potentiële) winning en ontsluitingsmogelijkheden voor infrastructuur, en dat ter goedkeuring voorleggen aan Partijen;

    • b. Het leiden van het proces om uiterlijk eind 2026 voor elke Noordzeeregio een Regioprogrammering op te stellen. Voor elke Noordzeeregio wordt een Regiotafel ingericht, waaraan de Vergunninghouders en Beheerders die actief zijn in de betreffende Noordzeeregio deelnemen. De volgorde, prioritering en planning van de Noordzeeregio’s wordt in afstemming met KGG en Element NL bepaald op basis van de in artikel 6.4 benoemde criteria;

    • c. Het betrekken van de (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders en eventuele andere partijen die actief zijn in een Noordzeeregio bij het opstellen van de Regioprogrammering;

    • d. Het identificeren en agenderen van eventuele (regionale) belemmeringen en de bijbehorende mitigerende maatregelen en oplossingen met betrekking tot de Eén-operator-gedachte bij de betreffende Vergunninghouder of Beheerder;

    • e. Het regelmatig, in elk geval eens per half jaar, informeren van KGG over de voortgang en status van de Regioprogrammering;

    • f. Het zorgdragen voor de uitwisseling van data en informatie met en tussen (potentiële) Vergunninghouders, Beheerders en EBN, waar nodig voor de totstandkoming en uitvoering van de Regioprogrammering, binnen de hiervoor geldende wet- en regelgeving en afspraken uit overeenkomsten. Uitgangspunten voor de data-overdracht zijn opgenomen in Bijlage B.

  • 6.3. Voor het opstellen van de Regioprogrammering doorloopt de Regiotafel de volgende stappen:

    • a. Maken van samenwerkingsafspraken over het proces, de werkwijze en het delen van data en informatietransparantie;

    • b. Vanuit de Eén-operator-gedachte opties optimaliseren voor opsporing, ontwikkeling, winning en operatie in de Noordzeeregio;

    • c. Identificeren van interne en externe risico’s en knelpunten, en het onderzoeken en vervolgens beleggen van mitigerende maatregelen en oplossingen;

    • d. Het opstellen van een ontwikkelingsplan per Noordzeeregio. Hierin staan de afspraken voor het komende jaar tussen de Vergunninghouders in een Noordzeeregio en een raming van activiteiten voor de opvolgende periode van 5 jaar staan. Deze afspraken worden in overeenstemming met de Eén-operator-gedachte gemaakt. Jaarlijks wordt het ontwikkelingsplan bijgesteld.

  • 6.4. EBN doet elk half jaar een voorstel voor de volgordelijkheid waarin voor de Noordzeeregio’s de Regioprogrammering wordt opgesteld, binnen de kaders van het Klimaatakkoord van Parijs en het Noordzeeakkoord. Bij het opstellen van het ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel 6.3 lid d, zullen EBN, de Vergunninghouders en Beheerders rekening houden met:

    • a. De beschikbaarheid van infrastructuur en/of het medegebruik in de Noordzeeregio voor andere activiteiten die ruimte nodig hebben;

    • b. Maximaal mogelijke opsporing en winning van gas.

  • 6.5. De actieve deelname van Vergunninghouders en Beheerders bij het uitvoeren van de Regioprogrammering betreft onder andere:

    • a. Zich inzetten om tot een Regioprogrammering te komen, en hiervoor de benodigde informatie met EBN te delen die zij tot hun beschikking hebben, met inachtneming van de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b. De Regioprogrammering uitvoeren die Vergunninghouders en Beheerders met EBN uitwerken en afspreken in het ontwikkelingsplan, leidend tot een besluit over benodigde investeringen in het eerstvolgende jaar en een intentie tot het doen van investeringen conform de investeringsraming in de opvolgende jaren (rekening houdend met de randvoorwaarden van Vergunninghouders en Beheerders zoals aangegeven in artikel 2.2);

    • c. Elkaar tegen kosten- en risico dekkende vergoeding toegang geven tot de infrastructuur als dat nodig is om gaswinning binnen een Noordzeeregio mogelijk te maken;

    • d. Mee te werken aan (commerciële) overeenkomsten met andere of nieuwe Vergunninghouders indien deze interesse tonen in gedeeltes van het gebied van een Opsporings- en/of Winningsvergunning waarin geen activiteiten gepland zijn.

  • 6.6. Partijen onderschrijven dat de Regioprogrammering een adaptief proces is. De Regioprogrammering wordt vanuit de op dat moment geldende context en kennis opgesteld. Indien er zich nieuwe inzichten voordoen treedt de Regiotafel hierover in overleg om waar nodig de Regioprogrammering hierop aan te passen. EBN en/of elk van de deelnemers aan de Regiotafel kan dat overleg initiëren, waarvan EBN vervolgens de regie op zich neemt.

Artikel 7. Ruimtegebruik op de Noordzee

  • 7.1. Partijen erkennen de druk op de schaarse ruimte van de Nederlandse Noordzee en zetten zich ieder binnen hun eigen rol en verantwoordelijkheid in voor zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik voor opsporing, winning van Koolwaterstoffen en Ontmanteling van Mijnbouwinstallaties, in ieder geval daar waar het nodig is voor (ontwikkeling van) ander ruimtegebruik en waar geen alternatieven voorhanden zijn. Partijen zetten hiervoor bijvoorbeeld, maar niet limitatief, in op:

    • a. Het minimaliseren van helikoptertransport, conform het Noordzeeakkoord, voor transport van mensen en goederen naar Mijnbouwinstallaties. Er wordt consequent een afweging gemaakt of dit per boot kan en transport per helikopter vermeden kan worden;

    • b. Het verder onderzoeken van de ontwikkeling van logistieke hubs in samenwerking met andere energiesectoren;

    • c. Het gebruik maken van nieuwe technieken of (technische) ontwikkeling of innovatie met een positief effect op de vermindering van ruimtebeslag;

    • d. Het zoveel mogelijk beperken van de ecologische voetafdruk en activiteiten natuurbeschermend en -versterkend uit te voeren conform het document ’Afwegingskader natuurvriendelijk bouwen Noordzee – onderzoek naar natuurbeschermende en natuurversterkende maatregelen voor energie-infrastructuur op de Noordzee’, zoals vastgelegd in het Noordzeeakkoord.

  • 7.2. Partijen onderschrijven dat een gezamenlijke integrale aanpak met spelers uit de verschillende sectoren vereist is om ruimtelijke ordening op de Nederlandse Noordzee te optimaliseren. Dit betekent dat:

    • a. Partijen zich binnen hun eigen rol en verantwoordelijkheid inzetten om ruimtegebruik te optimaliseren;

    • b. Partijen hun verantwoordelijkheid nemen om zo vroeg mogelijk hun belangen kenbaar te maken;

    • c. KGG zich inspant om zo vroeg mogelijk in het ruimtelijke ordeningsproces van de Noordzee de verschillende belangen in verband met het ruimtegebruik voor de opsporing en winning van Koolwaterstoffen en andere belangen voor dat ruimtegebruik te identificeren en te betrekken bij een integrale belangenafweging ten aanzien van de verschillende beleidsterreinen binnen diens portefeuille en deze verschillende belangen in te brengen bij de gremia die verantwoordelijk zijn voor de integrale ruimtelijke planning;

    • d. Aanvragers, KGG en EBN zich ieder binnen hun eigen rol en verantwoordelijkheid inspannen om gezamenlijk maatwerkoplossingen mogelijk te maken voor opsporings-, winnings- en transportactiviteiten op het moment dat nieuw potentieel wordt ontdekt in een gebied waar nog geen winningsactiviteiten plaatsvinden en het gebied al voor andere (toekomstige) activiteiten is aangewezen (bijv. windenergie). Hierbij wordt, in lijn met artikel 5.14 uit het Noordzeeakkoord, waar mogelijk gezocht naar adaptieve planning en maatwerkoplossingen om de ondergrondse potentie zoveel mogelijk te benutten, daarbij rekening houdend met andere belangen op de Noordzee. Meervoudig ruimtegebruik en medegebruik zijn daarbij het uitgangspunt.

  • 7.3. Met het oog op tijdig kunnen winnen van de beschikbare Koolwaterstofvoorraden zetten Partijen binnen hun eigen rol en verantwoordelijkheid in op:

    • a. Het in principe eerst opsporen en leeg produceren van Koolwaterstoffen uit velden binnen de economische levensduur van het betreffende veld, alvorens over te gaan tot ander gebruik van deze voorkomens. Hierbij dienen afwegingen rondom de winning van de resterende gasvolumes ten behoeve van tijdig en planmatig kunnen starten van ander gebruik te worden meegenomen;

    • b. Eventueel uitvoeren van mijnbouwactiviteiten in N2000- en KRM12-gebieden. Voor N2000-gebieden worden activiteiten uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde kaders waaronder het Noordzeeakkoord;

    • c. Daar waar de aard en de ontwikkeling van de defensieactiviteiten dit toelaten, wordt onderzoek gedaan naar medegebruik van militaire gebieden om dit onder voorwaarden mogelijk te maken.

Artikel 8. Gebruik en afstaan Opsporing- en Winningsvergunning op de Noordzee

  • 8.1. Vergunninghouders die geen significante activiteiten (willen) ontplooien in (een deel van) een Noordzeeregio stellen, conform Artikel 6.5.d, de bijbehorende Opsporings- of Winningsvergunning voor (het betreffende deel van) de Noordzeeregio beschikbaar aan anderen overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de Mijnbouwwet voor deze situatie is geregeld en met inachtneming van het mededingingsrecht. Voor zover in overeenstemming met hetgeen bij of krachtens Mijnbouwwet is geregeld en met inachtneming van het mededingingsrecht, ontwikkelen leden van Element NL die actief zijn op de Noordzee daarnaast een Industry Code of Practice (ICoP) voor bestaande Vergunningen zoals opgenomen in Artikel 8.2, en committeren zich hieraan. Ten aanzien van het beschikbaar stellen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. Er wordt bezien op welke wijze een verdere invulling van definitie van significante activiteiten zoals bedoeld in de artikelen 32a tot en met 32c van de Mijnbouwwet kan worden vormgegeven die voor alle Partijen aanvaardbaar is, waarbij KGG zich desgewenst inspant om mede aan de hand van de in het kader van dit akkoord verkregen input deze definitie uit te werken ten behoeve van de herziening van de Mijnbouwwet;

    • b. Gebieden waarin geen activiteit conform gemaakte afspraken wordt vertoond, en waarbij de bestaande Vergunninghouder geen activiteitenplan voor de volgende fase kenbaar heeft gemaakt, kunnen beschikbaar komen voor een potentiële (mede)Vergunninghouder. Indien de interesse voor onbenut gebied kenbaar is gemaakt, moet het indienen van een Aanvraag voor de splitsing van de vergunning zo spoedig mogelijk plaatsvinden. Huidige Vergunninghouders moeten de mogelijkheid krijgen om te kiezen voor deelname, of gebruik te maken van toekomstige redelijke inkoopopties;

    • c. Voorwaarden voor carve-out, back-in opties, overdracht van data of vergunningen en toegang tot infrastructuur zijn bepaald in Artikel 8.3;

    • d. Potentiële Vergunninghouders die een Aanvraag voor onbenut gebied doen, committeren zich aan een opsporings- en winningsverplichting voor het betreffende gebied mits winning aan de vereiste criteria van de Vergunninghouder voldoet.

  • 8.2. De leden van Element NL die actief zijn op de Noordzee formuleren en committeren zich aan een te ontwikkelen ICoP voor bestaande vergunningen, waarin wordt gestreefd naar eerlijke en redelijke voorwaarden voor de overdracht van niet actief gebied, inclusief bijbehorende data en vergunningen. Hierin staan de volgende elementen:

    • a. Verstrekking van informatie;

    • b. Tijdigheid (geen vertraging in de onderhandelingen);

    • c. Strikte procedure voor onderhandelingen;

    • d. Bemiddelaar houdt toezicht op de voortgang;

    • e. Minimaliseren van belangenverstrengeling;

    • f. Bepalingen rond in-/terugkoop opties, participatie, vergoedingen, overdracht van data en de overdracht van bestaande vergunningen met rechten en plichten voor bestaande, en nieuwe vergunninghouders;

    • g. Aansprakelijkheden en vrijwaringen.

  • 8.3. De leden van Element NL formuleren en volgen de principes en procedures van een te ontwikkelen ICoP voor toegang tot infrastructuur, gebaseerd op het Britse NSTA-systeem, waarin wordt gestreefd naar eerlijke en redelijke voorwaarden voor de toegang tot Mijnbouwwerken. Hierin staan de volgende elementen:

    • a. Verstrekking van informatie;

    • b. Tijdigheid (geen vertraging in de onderhandelingen);

    • c. Strikte procedure voor onderhandelingen;

    • d. Bemiddelaar houdt toezicht op de voortgang;

    • e. Minimaliseren van belangenverstrengeling;

    • f. Voorwaarden waaronder toegang wordt verstrekt;

    • g. Scheiding van diensten (ontvlechting);

    • h. Eerlijke en redelijke tarieven en voorwaarden;

    • i. Aansprakelijkheden en vrijwaringen.

Artikel 9. Transitieperspectief

  • 9.1. Partijen onderschrijven dat gaswinning op termijn eindigt, waarbij gaswinning tijdens de Transitiefase en het gebruik van de infrastructuur voor een duurzaam energiesysteem van belang is. Partijen spreken af om binnen 12 maanden na ondertekening van dit Sectorakkoord aanvullende afspraken te maken. Deze afspraken gaan in ieder geval over een integrale afweging voor het Herbestemmen en Hergebruiken van infrastructuur en assets voor nieuwe toepassingen en kunnen indien wenselijk ook grensoverschrijdende Pijpleidingen met buurlanden bevatten, zoals opgenomen in artikel 5.4 onder e, zolang dit ondersteunend is aan de maatregelen in dit akkoord. Uitgangspunt hierbij is het continueren en waar mogelijk intensiveren van bestaande afspraken, zoals:

    • a. Het principe “infrastructuur blijft liggen, tenzij” blijft van toepassing;

    • b. De afspraken zoals vastgelegd in het Noordzeeakkoord blijven gelden;

    • c. Het principe dat Hergebruik en Herbestemming, indien veilig en verantwoord, de voorkeur heeft boven nieuwbouw of Ontmanteling.

  • 9.2. De Net-Zero Industry Act (NZIA) legt een rechtstreekse verplichting op aan Vergunninghouders om CO2-injectiecapaciteit te realiseren in 2030. Partijen gaan hier als volgt mee om:

    • a. Om duidelijkheid te krijgen over de implicaties en de benodigde invulling van de individuele verplichtingen treden EBN en de Vergunninghouders die een verplichting opgelegd krijgen en/of hebben gekregen vanuit de NZIA in overleg om inzicht te krijgen in de voorgenomen invulling van deze verplichting en brengen in kaart of Vergunninghouders voornemens zijn deze gezamenlijk in de verschillende joint ventures in te gaan vullen;

    • b. KGG, EBN en de Vergunninghouders die een verplichting opgelegd krijgen en/of hebben gekregen werken elk vanuit hun eigen taken en verantwoordelijkheden aan de ontwikkeling van CO2-injectiecapaciteit en treden waar nodig daarover met elkaar in overleg.

  • 9.3. Uiterlijk eind 2026 wordt door Element NL en EBN een aanpak voor ontmanteling en nazorg opgesteld en ter goedkeuring aan KGG voorgelegd.

Artikel 10. Verantwoorde gaswinning op land

  • 10.1. Partijen maken voorafgaand aan het zomerreces 2025 aanvullende afspraken over de gaswinning op land tijdens de Transitiefase. Deze afspraken zien in ieder geval toe op de volgende onderwerpen:

    • a. De wijze waarop de omgeving betrokken wordt bij de gaswinning op land;

    • b. Waar (mogelijk) wel en niet gas gewonnen wordt met een duidelijk afbouwpad;

    • c. De voorwaarden voor het verantwoord winnen van gas op land en de communicatie daarover;

    • d. Batendeling en andere financiële zaken;

    • e. Proces- en kwaliteitsafspraken voor Partijen ten aanzien van de vergunningverlening;

    • f. Ontmanteling en nazorg.

  • 10.2. Bovenstaande nader te maken afspraken worden integraal onderdeel van dit Sectorakkoord.

  • 10.3. De in artikel 10.1 genoemde nog te maken afspraken zijn, waar relevant, richtinggevend voor het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond en voor de wijziging van de Mijnbouwwet.

Artikel 11. Organisatie, monitoring en evaluatie

  • 11.1. Elk van de Partijen stelt een vertegenwoordiger aan die namens de desbetreffende Partij gesprekspartner en trekker is voor uitvoering van de afspraken uit het Sectorakkoord. Indien gewenst en van toepassing zal vanuit Element NL één vertegenwoordiger voor Noordzee en één vertegenwoordiger voor land aangesteld worden. Het staat Partijen vrij een andere vertegenwoordiger aan te wijzen. Dit dient schriftelijk gecommuniceerd te worden aan de andere vertegenwoordigers.

  • 11.2. Partijen houden maandelijks, tenzij Partijen op termijn een andere frequentie afspreken, een voortgangsoverleg, waarin de opvolging van de afspraken uit het Sectorakkoord worden besproken, knelpunten worden geadresseerd en gezamenlijk oplossingen worden gezocht.

  • 11.3. Partijen monitoren en evalueren gezamenlijk de effectiviteit van de afspraken in het Sectorakkoord. Jaarlijks rapporteren Partijen onder regie van KGG in het eerste kwartaal gezamenlijk over de uitvoering van de afspraken uit het Sectorakkoord. Op basis daarvan bepalen Partijen of wijziging van het Sectorakkoord nodig is. De rapportage heeft in elk geval betrekking op:

    • a. Uitgevoerde activiteiten op basis van de afspraken opgenomen in het Sectorakkoord. In Bijlage A is neergelegd welke Partij verantwoordelijk is voor het aanleveren van de informatie;

    • b. Bereikte effecten, uitgedrukt in de volgende indicatoren:

      • i. Gerealiseerde en verwachte productie op jaarbasis in relatie tot de huidige verwachtingen, waarbij het doel is dat de gerealiseerde en verwachte productie op basis van de afspraken uit het Sectorakkoord toeneemt. De gerealiseerde productie wordt afgeleid uit het Jaarverslag Delfstoffen en aardwarmte in Nederland dat KGG jaarlijks opstelt. De verwachte productie is een prognose van Vergunninghouders die Element NL aanlevert;

      • ii. Totaal aandeel geproduceerde volumes op zee en op land in verhouding tot de totale Nederlandse gasvraag;

      • iii. Het aantal geboorde putten, onderverdeeld in exploratie, evaluatie en ontwikkeling op basis van de rapportages van TNO.

    • c. Reflectie op de doelstellingen van het Sectorakkoord en mate waarin aanvullende activiteiten nodig zijn.

  • 11.4. Minimaal één keer per jaar vindt een overleg plaats tussen de bestuurlijke vertegenwoordigers van elk van de Partijen. In dit overleg worden de samenwerking, de voortgang, de bereikte resultaten en de in artikel 11.3 genoemde rapportage geëvalueerd.

Artikel 12. Wijzigen van het Sectorakkoord

  • 12.1. Dit Sectorakkoord bouwt voort op afspraken die voortkomen uit andere (cross)sectorale afspraken. Partijen gaan hier als volgt mee om:

    • a. Daar waar gezamenlijk wordt geconstateerd dat voor de uitvoering van de afspraken in het Sectorakkoord aanvullingen of wijzigingen van wet- en regelgeving en geldende afspraken nodig zijn, spannen Partijen zich in om de uitwerking van deze aanvullingen of wijzigingen met bijbehorende agendering te realiseren;

    • b. Op het moment dat bestaande afspraken eindigen of wijzigen, treden Partijen in overleg over de impact daarvan op dit Sectorakkoord, en maken zij afspraken over hoe daarmee om te gaan, waarbij het vertrekpunt is voort te bouwen in de geest van het Sectorakkoord.

  • 12.2. Wijzigingen in dit Sectorakkoord hebben geen rechtskracht, tenzij deze schriftelijk zijn aangegaan en door Partijen ondertekend.

Artikel 13. Slotbepalingen

  • 13.1. Dit Sectorakkoord treedt in werking met ingang van de dag van ondertekening door alle Partijen en loopt totdat er geen gaswinning meer in Nederland plaatsvindt.

  • 13.2. De afspraken in dit Sectorakkoord zijn niet in rechte afdwingbaar aangezien dit Sectorakkoord geen overeenkomst is in de zin van het burgerlijk recht. Indien Partijen niet aan de afspraken (kunnen of willen) voldoen, wordt dit expliciet geagendeerd en besproken in een overleg als bedoeld in artikel 11.4, dat zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden.

  • 13.3. Alle geschillen in verband met dit Sectorakkoord trachten Partijen in onderling overleg op te lossen. Wanneer dit niet lukt wijzen Partijen gezamenlijk een onafhankelijk bemiddelaar aan. Indien deze bemiddeling niet succesvol is zal het geschil in eerste aanleg worden voorgelegd aan de bevoegde rechter in het arrondissement Den Haag.

  • 13.4. Het Sectorakkoord wordt beheerst door en uitgelegd naar Nederlands recht.

  • 13.5. Het Sectorakkoord kan tussentijds worden beëindigd indien Partijen dit gezamenlijk in een overleg overeenkomen en dit schriftelijk vastleggen.

  • 13.6. Het Sectorakkoord wordt openbaar gemaakt.

Aldus overeengekomen en in drievoud ondertekend teDen Haag op _________

Element NL G. Verburg Voorzitter

Energie Beheer Nederland J.W. van Hoogstraten Chief Executive Officer

Ministerie van Klimaat en Groene Groei S.Th.M. Hermans Minister van Klimaat en Groene Groei

BIJLAGE A. OVERZICHT VERANTWOORDELIJKHEDEN

Artikel

Titel

Trekker rapportage

2.

Actief samenwerken

Gezamenlijke reflectie

3.

Mitigeren financiële risico’s voor verhoging investeringsniveau

KGG

4.

Aanvragen en verlenen van vergunningen

KGG

5.

Samenwerking tussen (potentiële) Vergunninghouders en Beheerders

Element NL

6.

Regioprogrammering Noordzee

EBN

7.

Ruimtegebruik op de Noordzee

7.1 Element NL

7.2 KGG

7.3 KGG

8.

Gebruiken afstaan Opsporingsvergunning op de Noordzee

Element NL

9.

Transitieperspectief

KGG

BIJLAGE B. UITGANGSPUNTEN DATADELING

Het delen van data levert toegevoegde waarde, maakt binnenlandse investeringen in Nederland mogelijk en zal helpen om de resterende Nederlandse koolwaterstofbronnen te ontsluiten. Daarbij zal het ook andere mogelijkheden zoals CO2-opslag en geothermische energie ondersteunen. Bij het delen van data gaat het om koolwaterstof gerelateerde informatie, zoals boor-, geofysische, veld- en infrastructuurdata.

De Vergunninghouder die afstand doet van de opsporingsvergunning kan in geen geval aansprakelijk worden gesteld voor directe of indirecte schade die voortvloeit uit het gebruik van enige gedocumenteerde interpretaties en analyses van de data in het afstandsrapport door de nieuwe Vergunninghouder.

Er zijn drie soorten situaties waar overdracht van (ondergrond)data wordt overwogen:

  • a. Vergunningenoverdracht als gevolg van een activadeal tussen Element NL-leden;

  • b. Overdracht aan een nieuwe Vergunninghouder: de vergunning wordt niet door KGG ingetrokken, maar wordt binnen Element NL-leden overgedragen. Data en een inventarisatie worden overgedragen aan de nieuwe Vergunninghouder;

  • c. Overdracht van data aan een andersoortige operator (niet Exploratie & Productie (hierna: E&P)) en aan TNO (voor openbaar gebruik om verdere investeringen van andere partijen te ondersteunen). Hierbij wordt niet de reguliere wachttijd van 5 jaar gehanteerd. Een verlatingsrapport (relinquishment report) wordt geschreven door de Vergunninghouder volgens het template voor ‘Afstandsrapport Nederlandse vergunning’ en samen met de data aan TNO ter beschikking gesteld voor openbaar gebruik. In het nog op te stellen dataconvenant wordt nader gespecificeerd welke typen ondergrondkaarten opgenomen worden in het verlatingsrapport.

Voor de bovenstaande situaties, kan data overdracht worden toegepast op:

  • a. Prospects in open gebied (overweeg afstemming met de EBN-database over prospects in open gebied);

  • b. Synchronisatie van de vrijgave van seismische ruwe data en de laatste reprocessing daarvan (incl. reprocessing rapport) zonder de interpretatie daarvan. Dit omvat bijvoorbeeld de field tapes, near-mid-far data, velocity data, diepte en log data en depths and logs data;

  • c. Verkorting van de vertrouwelijkheidsperiode kan worden toegepast in de volgende situaties:

    • I. Direct delen van seismische ruwe en opnieuw verwerkte niet-geïnterpreteerde data, alleen bij vrijwillige afstand van de vergunning;

    • II. 5 jaar vertrouwelijkheidsperiode blijft in gevallen waarin verlenging van de vergunning is aangevraagd, maar niet verleend;

    • III. 10 jaar vertrouwelijkheidsperiode voor multiclient onderzoeken kan worden weggelaten als vereiste, vanwege de huidige afwezigheid van multiclient data en markt.

  • d. Directe vrijgave van data na vrijwillige beëindiging van de vergunning, of wanneer juridische procedures (geschillen, rechtszaken, etc.) zijn afgerond en gesloten;

  • e. Kenmerkende data (zoals diepte onder NAP, kH, GIIP, etc.), maar alleen voor statische parameters en exclusief ultieme reserves, saturatie en winningsfactoren. Kenmerkende data kan verder worden gedefinieerd in het nog te sluiten dataconvenant;

  • f. Voor zover nog niet onderdeel van het huidige wettelijke kader over datadeling de drukdata, maar alleen voor statische drukken (niet voor dynamische data);

  • g. De productiedata van voor 2003 wordt op veldniveau beschikbaar gemaakt;

  • h. In de considerans van het dataconvenant opnemen dat:

    • i. Bij afstand doen aan een Groene energie operator (niet E&P) of de Staat, kunnen werkprogramma’s, dagrapportages en eindrapportages over het aanleggen, repareren en Buiten gebruik stellen van boorgaten (die als administratieve verplichting aan SodM worden verstrekt) vanuit SodM, zover nog niet al doorgezonden aan TNO, via SodM aan TNO beschikbaar gesteld worden ter datadeling;

    • ii. Uitvoerders delfstofwinning die Nederland gaan verlaten nemen zich voor om kernen en cuttings niet te vernietigen en beschikbaar te maken voor openbaar gebruik via TNO.

Template voor Afstandsrapport Nederlandse vergunning

Dit rapport moet een volledige samenvatting bevatten van het werk dat is uitgevoerd op de Opsporingsvergunning, eventuele studies en de resultaten daarvan, en een verslag van de prospects voor het gebied waarvan de vergunning wordt overgedragen.

Het rapport wordt uiterlijk 3 maanden na de overdracht van de vergunning voltooid en moet bevatten:

  • 1. Managementsamenvatting:

    • Een beknopte samenvatting van de inhoud van het afstandsrapport, uitgevoerd werk, en redenen voor afstand van het gebied;

  • 2. Informatie over de vergunning:

    • Locatiekaart, blokken, duur, deelnemers, vergunning en vergunning wijzigingen, verleende verlengingen;

  • 3. Database:

    • Bestaande boorputdatabase die individuele boorputdata van vóór 2003 omvat, behalve voor productiedata die op veldbasis moet blijven;

    • Bestaande geofysische database: 2D Seismisch, 3D Seismisch en andere geofysische onderzoeken;

  • 4. Samenvatting van de oorspronkelijke opsporingsvergunningaanvraag:

    • Beschrijving van de oorspronkelijke opsporing en ontdekte prospects;

    • Toegezegd werkprogramma (studies, seismisch, boren) en duur;

    • Voorwaardelijke verplichtingen en duur;

  • 5. Samenvatting van het uitgevoerde werkprogramma:

    • Beschrijving van het uitgevoerde opsporingswerk (d.w.z. post-well analyse en/of relevante, grotere studies of ander technisch werk), veranderingen in begrip van het Petroleumsysteem (combinatie van gesteenten met een hoog gehalte aan Koolwaterstoffen);

    • Opmerkingen over resterende prospectiviteit en reden voor afstand.

  • 6. Ondergrondkaarten in geschikte resolutie.

    • Minimaal een locatiekaart.

    • Een structuurkaart.

    • Illustratieve seismische secties en illustratieve geoseismische dwarsdoorsnede(s).

Voetnoten:

  • i. Het is belangrijk dat de indienende Vergunninghouder bevestigt, in het rapport, dat TNO vrij is om het rapport te publiceren en dat alle eigendomsrechten van derden (op eventuele opgenomen data en/of interpretaties) zijn overwogen, en naar behoren zijn vrijgegeven voor publicatiedoeleinden.

  • ii. Alle geofysische/ seismische data betreffen seismische ruwe en opnieuw verwerkte niet-geïnterpreteerde data.

SECTORAKKOORD GASWINNING IN DE ENERGIETRANSITIE – HOOFDSTUK GASWINNING OP LAND

Dit document bevat de uitwerking van artikel 10 uit het Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie van 23 april 2025 met aanvullende afspraken over gaswinning op land tijdens de Transitiefase.

Datum: 14 januari 2025

Partijen:

  • 1. De Minister van Klimaat en Groene Groei en handelend als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, hierna te noemen KGG;

  • 2. De Vereniging Element NL, als vertegenwoordiger van de Vergunninghouders en Beheerders die in Nederland actief zijn op het gebied van het opsporen en winnen van olie en gas, vertegenwoordigd door Voorzitter, Gerda Verburg hierna te noemen Element NL;

  • 3. De besloten vennootschap Energie Beheer Nederland B.V., vertegenwoordigd door Chief Executive Officer, Jan Willem van Hoogstraten, hierna te noemen EBN BV.

Hierna gezamenlijk te noemen Partijen.

Overwegende dat:

  • i. Partijen op 23 april 2025 het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie (het Sectorakkoord) hebben gesloten.

  • ii. In het Sectorakkoord in artikel 10 is overeengekomen dat Partijen aanvullende afspraken over gaswinning op land tijdens de Transitiefase gaan maken en dat, waar relevant, deze afspraken richtinggevend zijn voor het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond en voor de wijziging van de Mijnbouwwet.

  • iii. Partijen deze aanvullende afspraken in dit addendum (hierna: Addendum) vastleggen en dat daarmee de tekst van dit Addendum ter vervanging dient van ‘Artikel 10. Verantwoorde gaswinning op land’ van het Sectorakkoord.

  • iv. De afspraken gemaakt in het Sectorakkoord en in dit Addendum tezamen een totaalpakket aan afspraken over gaswinning in de energietransitie vormen en daarom in samenhang moeten worden beschouwd. Deze afspraken moeten worden gelezen met in achtneming van de wettelijke kaders en zijn in aanvulling op de bestaande wet- en regelgeving.

  • v. Binnen de scope van dit Addendum valt alle gaswinning uit kleine velden op land en de gaswinning aan de landzijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn13.

Komen hierbij als volgt overeen:

1. Definities

  • 1.1. Onderstaand zijn aanvullende definities in aanvulling op de definities in Artikel 1 van het Sectorakkoord, relevant voor dit Addendum opgenomen:

    Definitie

    Omschrijving

    Betrokkenheidsplan

    Een document waarin staat uitgewerkt op welke wijze het Gaswinningsbedrijf de omgeving heeft betrokken en zal betrekken bij de voorgenomen plannen voor gaswinning op land.

    Winningsplan

    Een plan zoals bedoeld in de artikelen 34 van de Mijnbouwwet en artikel 24 van het Mijnbouwbesluit.

  • 1.2. Dit Addendum geeft invulling aan artikel 10 van het Sectorakkoord en komt hiervoor in de plaats. Dit Addendum is een integraal onderdeel van het Sectorakkoord. De afspraken gemaakt in het Sectorakkoord en in dit Addendum vormen tezamen een totaalpakket aan afspraken over gaswinning in de Energietransitie.

  • 1.3. De afspraken gemaakt in dit Addendum zijn uitgewerkt in Bijlagen I t/m VI. In het geval van tegenstrijdigheid tussen dit Addendum en deze bijlagen prevaleren de afspraken gemaakt in het Addendum.

2. De wijze waarop de omgeving betrokken wordt bij de gaswinning op land

  • 2.1. Partijen onderschrijven de noodzaak van het tijdig en zorgvuldig betrekken van de decentrale overheden en lokale belanghebbenden bij (projecten gerelateerd aan) gaswinning op land, gedurende alle fases van gaswinning. Hiertoe hebben Partijen in dit Addendum afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn in aanvulling op de formele inspraakmomenten uit de Mijnbouwwet, de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.2. Partijen hebben in Bijlage I een ‘Stroomschema voor het betrekken van de omgeving’ opgesteld waarin per fase van de gaswinning inzichtelijk wordt gemaakt welke aanvullende acties worden uitgevoerd om de omgeving zorgvuldig te betrekken. Hierin blijft ruimte voor maatwerk en schaalbaarheid. Kortweg betreffen deze afspraken het volgende:

    • a. Vergunninghouders gaan voorafgaand aan het indienen van een Winningsplan of een wijziging daarvan in gesprek met betrokken decentrale overheden en relevante belanghebbenden (conform het betrokkenheidsplan) over voorgenomen plannen en de wijze van betrekken van de omgeving.

    • b. De Vergunninghouder overlegt tegelijkertijd bij indiening van een Winningsplan het Betrokkenheidsplan aan KGG.

    • c. KGG treedt in contact met betrokken decentrale overheden over het Betrokkenheidsplan. KGG bespreekt, daar waar nodig, de uitkomsten van het gesprek met decentrale overheden inzake het betrekken van de omgeving met de Vergunninghouder.

  • 2.3. Element NL verwerkt voor 1 juli 2026 de relevante afspraken uit het Sectorakkoord en dit Addendum in het document ‘ Gedragscode Gaswinning Kleine Velden‘ waarin algemene richtlijnen staan voor een zorgvuldige betrokkenheid van de omgeving bij gaswinningsprojecten voor kleine velden op land gedurende alle fasen van gaswinning en draagt deze actief uit. Deze gedragscode wordt uiterlijk na 4 jaar geëvalueerd en uitkomsten worden met KGG en EBN gedeeld.

3. Waar (mogelijk) wel en niet gas gewonnen wordt met een duidelijk afbouwpad

  • 3.1. Partijen begrijpen de wens van de omgeving om een perspectief te hebben over de toekomst van gaswinning in hun regio. De winning van gas op land neemt al jaren af maar blijft in de Transitiefase nodig. Om helderheid te verschaffen over gaswinning op land spreken Partijen het volgende af:

    • a. EBN actualiseert en publiceert, in afstemming met en met medewerking van Vergunninghouders op land, jaarlijks de analyse ‘Stand van zaken gaswinning op land in de Transitiefase’ (Bijlage II). Deze jaarlijkse analyse wordt ter informatie ook gedeeld met KGG.

    • b. Vergunninghouders geven op verzoek van decentrale overheden op provinciaal niveau periodiek inzage in de lopende en de op korte termijn (< 5 jaar) voorgenomen gaswinningsprojecten, bijvoorbeeld via de provinciale mijnbouwtafels.

  • 3.2. Vergunninghouders en EBN hebben ten behoeve van de transparantie een ‘Overwegingendocument gaswinning op land’ (Bijlage III) opgesteld om helderheid te geven op basis waarvan ze beslissingen nemen over bestaande en voorgenomen nieuwe winning uit kleine velden op land.

4. De voorwaarden voor het verantwoord winnen van gas op land en de communicatie daarover

  • 4.1. Partijen onderschrijven dat veiligheid voorop staat. Bestaande systematiek ziet daar reeds op toe. In aanvulling daarop spreken Partijen het volgende af:

    • a. Vergunninghouders werken mee aan de verkenning van een actualisatie van de methodiek van een Seismisch Risico Beheersplan (SRB)14 voor kleine velden. Tot de afronding van deze verkenning wordt de huidige werkwijze gecontinueerd.

    • b. Vergunninghouders zeggen toe dat de afspraak zoals opgenomen in de matrix behorende bij het seismische risicobeheersysteem van het SRB van de NAM, waarbij winning uit kleine velden bij bevingen met een magnitude van >3 op de Schaal van Richter (tijdelijk) wordt stilgelegd voor nader onderzoek, ook geldt voor categorie 1 velden15. De productie wordt dan alleen gecontinueerd als blijkt dat binnen de grenzen van het besluit op het Winningsplan wordt geopereerd en de activiteit veilig kan plaatsvinden.

  • 4.2. Ter bevordering van de positie van schademelders spreken Partijen uit positief te kijken naar de uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie Mijnbouwschade (CM) op de volgende twee onderdelen voor wat betreft gaswinningsactiviteiten conform de daarvoor afgesproken wijze16:

    • a. Verruimen van de huidige indieningstermijn van twaalf maanden na het tijdstip van de geïnduceerde beving, zoals vastgesteld door het KNMI.

    • b. Kleine stichtingen die geen onderneming zijn ook de mogelijkheid bieden om zich te kunnen wenden tot de CM.

    • c. Bovenstaande afspraken worden meegenomen in de jaarlijkse evaluatie van de CM, waar nodig worden deze aangevuld met aandachtspunten die daaruit voortkomen. Partijen realiseren zich dat ten behoeve van bovenstaande andere belanghebbenden moeten worden betrokken17.

  • 4.3. Vergunninghouders werken mee aan het oprichten van een Commissie Bodemdaling Aardgaswinning voor de provincies die daar niet over beschikken, indien daar vanuit decentrale overheden behoefte aan is. Al dan niet door aansluiting bij of door uitbreiding van het werkgebied van de bestaande commissies.

  • 4.4. KGG geeft door het opstellen een ‘Narratief gaswinning kleine velden op land’ (Bijlage IV) helderheid over nut en noodzaak van gaswinning in de Transitiefase en hoe de veiligheid van gaswinning op land uit kleine velden wordt geborgd en gemonitord. Dit narratief wordt indien nodig periodiek geactualiseerd.

5. Batendeling en andere financiële zaken

  • 5.1. Partijen komen overeen dat de regio waar gaswinning plaatsvindt mee mag delen in de baten (na aftrek van kosten). Daartoe zijn gezamenlijk ‘Afspraken over batendeling gaswinning op Land’ (Bijlage V) opgesteld. Kortweg staan hierin de volgende uitgangspunten:

    • a. Bij projecten die de 2 miljard Nm3, gedurende de looptijd van de winning, niet overschrijden vindt batendeling plaats op basis van een basisformule.

    • b. De basisformule is: Batendeling per jaar (€) = ((winningsvolume × gasprijs) – (kosten van productie)) × 0,05 (5%). Wat neerkomt op een percentage van 5% van de netto omzet. Randvoorwaarde is hierbij wel dat batendeling alleen mogelijk is indien er een positieve economische exploitatie voor het betreffende gaswinningsproject bestaat (na aftrek van kosten).

    • c. Bij gaswinningsprojecten waarbij meer dan de 2 miljard Nm3 gedurende de looptijd van de winning, wordt gewonnen, maakt de Vergunninghouder maatwerkafspraken voor batendeling met de betrokken decentrale overheden.

    • d. De overeengekomen batendeling geldt alleen voor (voorgenomen) gaswinningsprojecten waar nieuwe of additionele winning plaatsvindt, ook op bestaande locaties.

    • e. Deze afspraken gelden niet voor projecten waar reeds maatwerkafspraken over batendeling zijn gemaakt. In dat geval blijven bestaande afspraken in stand.

    • f. De batendeling wordt jaarlijks ter beschikking gesteld aan de regio waar aardgaswinning plaatsvindt. De regio wordt op adequate wijze betrokken bij de inrichting en vormgeving en de wijze van besteding van de ter beschikking gestelde middelen. De besteding van de ter beschikking gestelde middelen wordt bij voorkeur uitgegeven aan verduurzamingsprojecten in de regio.

  • 5.2. Ten behoeve van de in artikel 5.1. opgenomen batendeling spreken Vergunninghouders en KGG af de uitvoering van het ‘Convenant investeringsaftrek kleine velden op land’18 op te schorten met als doel de batendeling maximaal ten gunste te laten komen aan de regio. De totale omvang van de op grond van artikel 5.1. door een Vergunninghouder uit te keren batendeling(en) aan het betreffende project dient hoger dan of ten minste gelijk te zijn aan de totale door Vergunninghouder verkregen investeringsaftrek voor het betreffende project. Mocht er geen sprake zijn van voorgenomen batendeling dan maakt een Vergunninghouder geen gebruik van de investeringsaftrek.

  • 5.3. Vergunninghouders geven jaarlijks inzage aan KGG en EBN over het bepaalde in 5.2. en gaan hierover waar nodig (periodiek) in gesprek.

  • 5.4. Mocht het in artikel 5.2. bepaalde onvoldoende blijken het geval te zijn, dan treden Partijen in overleg om de batendeling te verhogen tot de genoten investeringsaftrek. Indien het Partijen niet lukt om tot een gezamenlijke oplossing te komen dient zo nodig het convenant weer te worden nagekomen.

6. Proces- en kwaliteitsafspraken ten aanzien van de vergunningverlening

  • 6.1. Partijen erkennen het belang van een voorspelbaar vergunningsproces voor alle betrokkenen.

  • 6.2. Partijen erkennen ook dat verbeteringen kunnen bijdragen aan het halen van de wettelijke vereisten en redelijke termijnen, ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid. In aanvulling op artikel 4 uit het Sectorakkoord hebben Partijen deze door te voeren procesverbeteringen neergelegd in ‘Procesafspraken voor efficiënte vergunningverlening’ (Bijlage VI).

7. Ontmanteling en nazorg

  • 7.1. Partijen erkennen dat verantwoord beheer niet stopt bij beëindiging van de gaswinning. Ten behoeve van meer transparantie rond ontmanteling en nazorg spreken Partijen – in aanvulling op artikel 9.3 uit het Sectorakkoord en de geplande herziening van de Mijnbouwwet – het volgende af:

    • a. Vergunninghouders informeren KGG in een verwijderingsplan over hoe ze beogen invulling te gegeven aan ‘ontmanteling en nazorg’. Aanvullend zullen zij het verwijderingsplan vanaf heden ook met betreffende decentrale overheden delen.

    • b. EBN stelt met ingang van 2026, in afstemming met en met medewerking van Vergunninghouders op land en als onderdeel van de onder 3.1. onder a. genoemde analyse, een jaarlijkse rapportage op over de status van het ontmantelingsproces19 waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe het staat met de ontmanteling van Mijnbouwwerken op land in Nederland en publiceert deze.

    • c. Vergunninghouders geven op verzoek van decentrale overheden op provinciaal niveau periodiek inzage in de ontmantelingsprocessen, bijvoorbeeld via de provinciale mijnbouwtafels.

Aldus overeengekomen en in drievoud ondertekend te <plaats> op <datum><plaats> op <datum>

Element NL G. Verburg Voorzitter

EBN BV J.W. van Hoogstraten Chief Executive Officer

Ministerie van Klimaat en Groene Groei S.Th.M. Hermans Minister van Klimaat en Groene Groei

BIJLAGE I STROOMSCHEMA BETREKKEN OMGEVING BIJ GASWINNING KLEINE VELDEN LAND

Dit stroomschema maakt deel uit van het Addendum en ziet hoofdzakelijk op het betrekken van de omgeving. De nieuwe acties ten aanzien van betrekken van omgeving in dit voorstel hebben geen betrekking op projectprocedures (omdat daarin al voorzien is). Het stroomschema laat zien wat de stappen zijn in het gaswinningsproces, maar is een versimpelde weergave van de werkelijkheid. Het stroomschema sluit aan bij de huidige structuur en opbouw van het branchedocument ‘Branchedocument Instemming winningsplan Koolwaterstoffen Land + zee (binnen 12-mijlszone)’ 20 (hierna: Branchedocument) en bij de gedragscode ‘Gaswinning kleine velden op Land’21 (hierna: Gedragscode).

Deel 1 van de uitwerking ziet op de periode voor indiening winningsplan tijdens dit vergunningverleningsproces (donkerblauw). Hierbij is het winningsplan centraal gesteld omdat dit op land doorslaggevend is om daadwerkelijk over te kunnen gaan tot gaswinning. Voor gaswinning op land zijn meerdere vergunningen nodig. Deel 1 sluit aan bij het Branchedocument’ waarin onder meer de rolomschrijving (van centrale actoren in het vergunningsproces) staat verwoord. De huidige indicatieve termijnen uit dit Branchedocument sluiten niet aan op bestaande praktijk en moeten worden geactualiseerd met betrekking tot de afspraken die zijn in artikel 4.3 onder a van het Sectorakkoord. Insteek van die actualisatie ziet op een voorspelbaar en efficiënter vergunningsproces.

Deel 2 van de uitwerking ziet in dit stroomschema op de operationele fase tot en met de nazorgfase: boorfase, de productieperiode, opruimen en nazorg (lichtblauw). Deel 2 sluit aan bij de Gedragscode. Deze Gedragscode heeft als doel om de omgeving gedurende alle fases van de gaswinning te betrekken.

De nieuwe of geactualiseerde onderdelen zullen op later moment in het Branchedocument respectievelijk de Gedragscode worden verwerkt. Bewoording kan in de nadere uitwerking iets afwijken om aan te sluiten bij de betreffende stukken.

Stroomschema (deel 1): voor en tijdens het vergunningsproces van het winningsplan

Hieronder een weergave van de voorgestelde aanvullingen op het Branchedocument

Stap 1. Verkenning van het initiatief (vooroverleg)

Aanvulling voor de procesbeschrijving: Circa 3 maanden voorafgaand aan de indiening van het winningsplan gaat de vergunninghouder in gesprek met de omgeving22 over voorgenomen plannen en wijze van betrekken van omgeving.

Stap 2. Indiening winningsplan

Aanvulling voor de procesbeschrijving: De vergunninghouder overlegt een document voor het betrekken van de omgeving (‘betrokkenheidsplan’) tegelijkertijd met de indiening van het winningsplan aan het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Stap 3. Inhoudelijke behandeling

Aanvulling voor de procesbeschrijving: Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei treedt in contact met betrokken decentrale overheden over het ‘betrokkenheidsplan’. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei bespreekt de uitkomsten, daar waar nodig, met de vergunninghouder.

Tijdens de inhoudelijk behandeling van de aanvraag worden decentrale overheden om advies gevraagd. Tijdens deze periode van advisering wordt er afhankelijk van de wens van betrokken decentrale overheden een informatiesessie georganiseerd om hen te informeren over de aanvraag en de ontvangen adviezen. De vergunninghouder neemt deel aan deze informatiesessie om zijn aanvraag toe te lichten. Deze informatiesessie is een bestaande processtap die bij de inhoudelijke behandeling doorlopen kan worden.

Paragraaf 5.3 beoordelingskader blijft ongewijzigd. Het ‘betrokkenheidsplan’ is geen onderdeel van de formele juridische beoordeling van het winningsplan en moet gezien worden als een aanvullend document.

Stap 4. Besluit

Aanvulling voor tijdens informatieavond voor omwonenden (bestaande activiteit in deze fase): Ministerie van Klimaat en Groene Groei zal tijdens de informatieavond over het ontwerpbesluit ook informatie geven over de nut en noodzaak van gaswinning op land tijdens de transitieperiode.

De nut en de noodzaak van gaswinning uit kleine velden betreft geen beoordelingsgrond. Alleen als winning veilig en verantwoord kan, stemt het Ministerie van Klimaat en Groene Groei in met het winningsplan.

Stap 5. Bekendmaking Besluit

Geen nieuwe acties.

Bijlage 1 (in te dienen informatie)

Tabel in bijlage 1 van het Branchedocument wordt niet uitgebreid met een ‘betrokkenheidsplan’ omdat dit aanvullend is op geldende regelgeving. In het kader van herziening Mijnbouwwet wordt momenteel bezien of indieningsvereisten kunnen worden opgenomen ten aanzien van het betrekken van de omgeving. Indien de wettelijke indieningsvereisten worden uitgebreid of gewijzigd, wordt het Branchedocument hierop aangepast.

Onder betrekken van omgeving wordt verstaan informeren, consulteren en of (waar mogelijk) adviseren (indien er meer opties mogelijk zijn). Mate van betrokkenheid per activiteit en fase is afhankelijk van de impact van het project en de specifieke kenmerken van de locatie. Onder omgeving wordt verstaan de personen die effecten van activiteiten kunnen ervaren en de belanghebbenden waaronder in ieder geval betrokkenen gemeente(n), waterschap(pen) en provincie(s).

Stroomschema (deel 2): operationele tot en met de nazorgfase

Hieronder een weergave van de voorgestelde aanvullingen op de Gedragscode

Omwonenden en belanghebbenden worden in alle fases van gaswinning betrokken. Uitgangspunt van de vergunninghouder(s) bij het betrekken van de omgeving is dat dit vooral in overleg is met de decentrale overheden. Daarnaast zal het gehele proces van communicatie en participatie op een zo vroeg mogelijk moment met de lokale bestuurders worden besproken en verder uitgewerkt. Het stroomschema kan hierbij houvast bieden maar er kan in overleg met de omgeving van af geweken worden. Dit is in lijn met de manier van werken die de industrie in de gedragsode ‘Gaswinning op land’ beschrijft. De Gedragscode wordt voor 1 juli 2026 door ElementNL en de vergunninghouders geactualiseerd.

Vergunninghouders stellen gezamenlijk een uniform betrokkenheidsplan op dat met het winningsplan wordt overlegd. Dit betrokkenheidsplan geeft inzicht hoe en wanneer omwonenden en belanghebbenden worden betrokken in de verschillende fasen van een gaswinningsproject. Dit betrokkenheidsplan is maatwerk en hangt af van de (technische) complexiteit van een project, de omvang en de impact op de omgeving.

BIJLAGE II ONSHORE GASWINNING

Analyse stand van zaken gaswinning op land

November 2025

Verbruik en aanbod van energie in Nederland

Bron: Infographic EBN 2025

  • De binnenlandse energie productie is lager dan het primaire energie verbruik → importkloof

  • Afremmen van de daling van de gasproductie draagt bij aan het verkleinen van de importafhankelijkheid

Mijnbouwactiviteiten

Vergunningen

  • Er zijn 3 soorten mijnbouwvergunningen:

    • Winning

    • Opsporing

    • Opslag

    Daarnaast is voor winning een goedgekeurd winningsplan noodzakelijk

  • Mijnbouwactiviteiten vinden alleen plaats binnen bestaand vergund gebied

    • Mogelijk aangevuld met gebieden waarvoor vergunningsaanvragen in procedure zijn

    • Er worden geen nieuwe vergunningen meer verleend op land in niet-vergund (‘wit’) gebied, die nog niet in procedure zijn

  • In vergund gebied kunnen nieuwe vergunningen en wijziging van winningsplannen worden aangevraagd

EBN Analyse

Uitgangspunten en werkwijze

  • Uitgangspunten

    • het huidige mijnbouwbeleid

      • geen nieuwe vergunningen in niet-vergund gebied (mogelijk aangevuld met vergunningen in procedure)

      • geen exploratieactiviteiten in het Waddengebied

      • geen productie uit het Groningenveld

    • alle onshore vergunningen exclusief eventuele productie van het kussengas uit de gasopslagen

  • Werkwijze

    • alleen gasvolumes, niet aantal activiteiten

    • er is gerekend met ‘mid-case’ volume profielen; de bandbreedte is niet meegenomen

    • volume inschatting is gemaakt op basis van de totale potentie; volumes die niet ontwikkelbaar zijn en prospects waarvoor nog geen plannen zijn, zijn niet meegenomen

    • volumes zijn op basis van informatie operators onderverdeeld in:

      • productie uit de huidige velden

      • aangetoonde velden

      • prospects (mogelijk nieuwe velden/volumes)

Onshore portfolio

  • Ca 10% van het aanwezige volume komt uit de huidige producerende velden en wordt zeker geproduceerd

  • Ca 30% van het aanwezige volume is deels aangetoond en mogelijk ontwikkelbaar

  • Ca 60% van het aanwezige volume zal waarschijnlijk niet ontwikkeld worden

  • Kans op ontwikkeling is afhankelijk van diverse factoren:

    • gasprijs

    • volume per veld

    • beschikbaarheid infrastructuur

    • investeringsklimaat

    • uitvoeren van gerelateerde projecten

Verwachte gasproductie onshore

Gasproductie t.o.v. gasverbruik NL

Volume per regio

  • Ca de helft van de productie uit producerende velden (P) komt uit regio Noord-Oost 1, net als het grootste deel van de mogelijk te produceren volumes uit aangetoonde velden (D)

  • Regio Noord-Oost 3 kent het grootste prospectieve volume (E); dit volume bestaat uit meerdere kleine projecten

  • Niet alle projecten (D en E) zullen doorgang vinden en tot een vergunningsprocedure leiden

  • Het volume per regio is geen indicatie voor het aantal (toekomstige) projecten/vergunningsprocedures

  • De ontwikkelingen de komende jaren zijn bepalend voor het ontwikkelpotentieel in de verdere toekomst

Presentatie is gebaseerd op huidige inzichten; hier kunnen geen rechten aan worden ontleend.

Conclusies

Algemeen

  • De totale verwachte/mogelijke gasproductie voor Nederland (on- en offshore) blijft ruim onder het voorspelde gasverbruik en past daarmee binnen het Parijsakkoord

  • De komende 10 jr zou ca 1/3 van het gasverbruik kunnen worden ingevuld met eigen productie

  • De onshore volumes dragen voor ~1/3 bij aan de totale gasproductie en zijn daarmee essentieel voor de leveringszekerheid

  • ~3 BCM/ mld m3 is voldoende om circa 3 miljoen huishoudens van warmte te voorzien

  • De productie uit de huidige producerende velden neemt sterk af

  • Potentiële nieuwe projecten zullen niet allemaal doorgaan en tot een vergunningsprocedure leiden

  • Op basis van ervaringen uit het verleden zal de productie de komende jaren maximaal stabiliseren en dan afnemen; deze kent een duidelijk afbouwpad

Per regio

  • Mijnbouwactiviteiten vinden alleen nog plaats binnen vergund gebied, mogelijk aangevuld met gebieden van vergunningsaanvragen in procedure

  • In alle vergunde regio’s kan nog development en exploratie plaatsvinden

  • Ca de helft van de productie uit producerende velden (~50%) komt uit regio Noord-Oost 1, net als het grootste deel van de mogelijk te produceren volumes uit aangetoonde velden

  • Regio Noord-Oost 3 kent het grootste prospectieve volume (E); dit volume bestaat uit meerdere kleine projecten

  • Het volume per regio is geen indicatie voor het aantal (toekomstige) projecten/vergunningsprocedures

  • De ontwikkelingen de komende jaren zijn bepalend voor het ontwikkelpotentieel in de verdere toekomst

Presentatie is gebaseerd op huidige inzichten; hier kunnen geen rechten aan ontleend worden.

BIJLAGE III OVERWEGINGENDOCUMENT VERGUNNINGHOUDERS EN EBN

Inleiding

Vergunninghouders op land hebben te maken met een stringente wet- en regelgeving voor al haar activiteiten. In verschillende wetten (o.a. Mijnbouwwet, Omgevingswet en het Mijnbouwbesluit) is vastgelegd waar zij aan moet voldoen bij en tijdens haar activiteiten, in alle fasen: van opsporing tot en met het definitieve opruimen. Daar waar van toepassing gelden ook lokale regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld leidingen en locaties.

Vergunninghouders kennen een zeer strikte veiligheidscultuur ten aanzien van haar activiteiten, deze richt zich op personeel, materieel en locaties. Samen met de wet- en regelgeving en de voorwaarden uit de vergunningen borgt dit ook de veiligheid van de omgeving.

De ruimtelijke afbakening van waar vergunninghouders activiteiten actief zijn is (met coördinaten) vastgelegd in de opsporings- en winningsvergunningen. Alleen binnen die begrenzingen zijn activiteiten toegestaan. De vergunninghouders evalueren jaarlijks de vergunde opsporings- en winningsgebieden, dit resulteert in een verlenging, een verkleining of het inleveren van gebieden.

De toegestane bodemdaling en productievolumes van de gasvoorkomens zijn vastgelegd in de instemmingsbesluiten op winningsplannen, in die plannen hebben de vergunninghouders verwachtingen ten aanzien van productie en bodemdaling aangegeven. Staatstoezicht op de Mijnen ziet hierop toe.

De vergunninghouders nemen voor bestaande en nieuwe productie tal van factoren in overweging die aangeven of en hoe een productie uitgevoerd wordt. Dit gaat over zowel technische als niet technische overwegingen en risico’s. Over vele van deze overwegingen, en de activiteiten en projecten die daaruit voortkomen, is de vergunninghouder transparant naar de omgeving en geldt dat zij deze tijdig, juist en volledig informeert. Dit kan alleen als geologische, technische en economische factoren aangeven dat een activiteit of project uitvoerbaar is en het bedrijf daar een positieve beslissing op heeft genomen.

Energie Beheer Nederland (EBN) is, vanuit haar positie en deelnemer namens de Staat, betrokken bij de overwegingen en strategie van de voorkomens waarin zij deelneemt. Dit ziet toe op aspecten als financiële afspraken, de informatiepositie van EBN maar ook op maatschappelijke verantwoord ondernemen.

Technische overwegingen en risico’s

Het is niet vanzelfsprekend dat elk potentieel gasvoorkomen ook daadwerkelijk winbaar is. Vele aspecten dienen vooraf beoordeeld te worden, waarbij met name de ondergrondse aspecten altijd een inschatting zijn die vervolgens in de praktijk kan afwijken (bijvoorbeeld een put waar na de boring geen gas in gevonden wordt, of juist meer produceerbare volumes dan verwacht).

Deze technische overwegingen bepalen in hoge mate of een project economisch uitvoerbaar kan zijn.

Vergunninghouders maken in het technische spectrum onder meer de volgende afwegingen:

  • De kans dat er daadwerkelijk gas gevonden gaat worden, en binnen welke bandbreedte de reservoirkwaliteit (bijvoorbeeld porositeit, doorlaatbaarheid) en de gaskwaliteit (bijvoorbeeld CO2- en H₂S-gehalte) nog produceerbaar en verkoopbaar is.

  • De mogelijkheid om het gas vanaf de productielocatie te evacueren naar het dichtstbijzijnde gaspijpleidingennetwerk, inclusief beoordeling van drukregime, volumes en technische integriteit van het aansluitend netwerk.

  • Het effect van hoge druk in productiesystemen op naburige velden (mogelijke verdringing), met economische implicaties en gevolgen voor onderhouds- en stilstandskosten.

  • De mogelijke impact van gaswinning op bodemdaling en seismiciteit.

  • De omgevingsimpact (geluid, licht, verkeer) bij locatiekeuze en eventuele alternatieven.

Daarnaast komen technische aandachtspunten uit de bredere bedrijfsvoering:

  • De installaties moeten het gas kunnen zuiveren, onzuiverheden scheiden en veilig afvoeren.

  • Het ontwerp en onderhoud van infrastructuur moeten voldoen aan strenge veiligheidsnormen en wetgeving. Er dient een robuust onderhoudssysteem aanwezig te zijn om de betrouwbaarheid van installaties en infrastructuur te garanderen.

  • De continuïteit van toegang tot en capaciteit van de (GTS) infrastructuur moet geborgd zijn, met redundantie en flexibiliteit in evacuatie- en transportmogelijkheden.

Niet-technische overwegingen en risico’s

Naast de technische aspecten spelen ook maatschappelijke, bedrijfsmatige, financiële en juridische factoren een doorslaggevende rol. Deze zijn vaak bepalend voor het verkrijgen van vergunningen en maatschappelijk draagvlak. Belangrijke afwegingen zijn:

  • Vergunningen en wetgeving: welke vergunningen zijn nodig of moeten aangepast worden? Hoe realistisch is de doorlooptijd en wat is de impact van specifieke regels, zoals de stikstofwetgeving en Natura 2000-beperkingen?

  • Maatschappelijk draagvlak: is het een geheel nieuwe activiteit in de omgeving of voortbouwend op bestaande gaswinning? Hoe staat de lokale gemeenschap tegenover het project? Helpt een alternatieve locatiekeuze om acceptatie te vergroten?

  • Omgevingsmanagement en communicatie: het borgen van een continue informatiestroom naar de betrokken overheden, instanties en politici. Het inventariseren en adresseren van zorgen van de omgeving en het opzetten van transparante communicatie- en participatieprocessen.

  • Omgevingsimpact: de overlast tijdens aanleg, productie en ontmanteling minimaliseren. Locatiekeuzes maken die zo min mogelijk hinder veroorzaken (weinig verkeer, lage footprint, weg van bebouwing en kwetsbare natuur). Locatie en ontwerp moeten de kans op calamiteiten minimaliseren, en eventuele effecten snel kunnen mitigeren.

  • Economische en sociale effecten: wat is de impact van het stopzetten van een ontwikkeling voor het bedrijf, werkgelegenheid in de regio en ketenbedrijven? Ook moet worden afgewogen hoe lokale lasten en lusten in balans gebracht kunnen worden, bijvoorbeeld door bijdragen aan de leefbaarheid.

  • Bedrijfsmatige continuïteit: het behouden van gekwalificeerd en betrokken personeel, samenwerken met leveranciers en kennisinstellingen om kosteneffectieve technologieën in te zetten.

  • Financiële zekerheid: een economische inschatting maken op basis van kans, reserves en investering. Het zekerstellen dat de aangeboorde velden lang genoeg winstgevend zijn om de investeringen terug te verdienen, en dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de verplichte ontmanteling. Risico’s in prijsontwikkeling van aardgas, goederen en diensten moeten daarin expliciet worden meegenomen.

  • Contractuele en commerciële aspecten: het waarborgen van contractuele afspraken voor gastransport en -levering (fysiek en financieel). Het hebben van flexibele verkoopcontracten per aansluitpunt verhoogt de wendbaarheid in wisselende marktomstandigheden.

Aanvullende overwegingen van EBN

Naast de afwegingen van een vergunninghouder op een project, voert ook EBN een eigen analyse uit op een project. De keuzeruimte wordt bepaald door de Mijnbouwwet, het mijnbouwbeleid en privaatrechtelijke afspraken met de vergunninghouders. De volgende overwegingen worden meegewogen:

  • Wettelijke taak: EBN heeft als beleidsdeelneming de wettelijke taak om een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet van olie en gas te borgen. De invulling van deze publieke taak is gericht op leveringszekerheid en betaalbaarheid.

  • Technische evaluatie: beoordeling van de analyse van een vergunninghouder. Hierbij ligt de nadruk op de evaluatie van de ondergrond en een veilige uitvoering van een project.

  • Economische analyse: toetsen of een project met EBN-parameters een positief resultaat kan opleveren, binnen kaders die voor EBN van toepassing zijn.

  • Maatschappelijk verantwoord ondernemen: bijdragen aan de borging van het publieke belang, met daarin aandacht voor veiligheid, omgevingsfactoren, hergebruik van materialen en infrastructuur, beperken van ruimtebeslag, natuurversterkend ontwerpen en opruimen.

BIJLAGE IV NARRATIEF GASWINNING KLEINE VELDEN OP LAND

Waarom we nog gas winnen in Nederland

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt aan een toekomstbestendige en schone economie met een betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam energiesysteem in uiterlijk 2050.

Nederland schakelt daarbij over van fossiele naar duurzame energie. Die overgang kost tijd en kan voorlopig niet zonder fossiele bronnen. Aardgas blijft daarom tot minstens 2045 een belangrijke rol spelen als transitiebrandstof. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei is verantwoordelijk voor de leveringszekerheid van aardgas in de energietransitie, hiervoor is de samenwerking met gaswinningsbedrijven essentieel.

Op dit moment komt ongeveer een derde van het primaire energieverbruik van huishoudens en industrie in Nederland uit aardgas. Om te zorgen voor deze levering van aardgas is samenwerking met de vergunninghouders nodig. De gaswinning op land neemt sinds de eeuwwisseling af en wordt richting 2050 verantwoord afgebouwd. Soms is daarbij tijdelijk extra bestaande of nieuwe winning nodig om het systeem goed te laten werken.

Zolang aardgas nodig is, heeft binnenlandse gaswinning daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden de voorkeur boven import. Momenteel dekt de totale gasproductie uit de Nederlandse kleine velden op land en zee nog ongeveer 30% van de totale Nederlandse aardgasvraag (circa 30 Miljard m3 in totaal).

Gas uit eigen bodem is klimaatvriendelijker, omdat buitenlandse winning vaak vervuilender is en transport extra energie kost. Ook draagt winning in eigen land bij het beperken van de importafhankelijk en strategisch bijdragen aan leveringszekerheid en betaalbaarheid van aardgas. De oorlog in Oekraïne onderstreept dit belang. Verder is binnenlandse gaswinning gunstig voor de economie: zo’n 70% van de opbrengsten komt terecht bij de overheid en draagt bij aan publieke voorzieningen zoals onderwijs, zorg en infrastructuur. Daarnaast kan de bestaande infrastructuur in de toekomst mogelijk worden hergebruikt voor duurzame energie, zoals de opwek of opslag van waterstof.

Daarmee is de gaswinning uit de Nederlandse kleine velden van nationaal en Europees belang.

Oog voor risico’s en zorgen van de omgeving

Op plekken in Nederland waar activiteiten in de diepe ondergrond plaatsvinden, hebben mensen in de omgeving zorgen. De overheid wil recht doen aan de lokale zorgen en belangen door decentrale overheden en omwonenden zorgvuldig te betrekken bij plannen voor gaswinning op land. Voorafgaand aan goed veiligheidsonderzoek, moeten gaswinningsbedrijven allereerst de omgeving tijdig en zorgvuldig betrekken.

Ondanks dat is over de wijze waarop deze betrokkenheid kan worden ingericht soms onduidelijk binnen de kaders van de huidige regelgeving. Het kabinet werkt daarom aan een herziening van de Mijnbouwwet, onder meer met het doel lokale inspraak te verbeteren en de rollen en verantwoordelijkheden inzichtelijker te maken.

In de tussentijd vinden zowel de overheid als gaswinningsbedrijven het belangrijk om, binnen de bestaande wettelijke mogelijkheden, actief de dialoog te blijven voeren met de omgeving. Zij nemen signalen uit de omgeving serieus en werken eraan om zorgen daadwerkelijk aan te pakken. Gesprekken worden gevoerd met uiteenlopende belanghebbenden zoals omwonenden, medeoverheden (gemeenten, provincies en waterschappen) en maatschappelijke organisaties. Zo ontstaat een beter beeld van wat er speelt, de zorgen die er leven en de wensen die er zijn.

Veilig en verantwoorde gaswinning

Veilig en verantwoorde gaswinning staat voorop, nu en in de toekomst. Hoewel het gebruik van de diepe ondergrond voor gaswinning uit kleine velden op land niet zonder risico is, is de kans op schade over het algemeen klein. Dat heeft met name te maken met de omvang van de gasvelden die al gauw een factor 100–1.000 kleiner zijn dan het Groningenveld. Toch zijn er in gebieden waar gaswinning plaatsvindt zorgen bij omwonenden over veiligheid en schade. Hier wordt zorgvuldig op getoetst in de besluitvorming op het winningsplan.

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei beoordeelt het winningsplan aan de hand van de wettelijke beoordelingsgronden (artikel 36 van de Mijnbouwwet) en wint hierover ook advies in bij verschillende wettelijke adviseurs. De wettelijke beoordelingsgronden zien op: veiligheid voor omwonenden en het voorkomen van schade aan gebouwen en infrastructurele werken, nadelige gevolgen van bodembewegingen in de ondergrond voor het milieu en de natuur en de maatregelen om deze nadelige gevolgen voldoende te voorkomen.

Bij bodembeweging gaat het om bodemdaling en bodemtrillingen. De zorgen van omwonenden ten aanzien van veiligheid en schade hebben vooral betrekking op gebouwschade door bodemtrillingen (bevingen). Bodemdaling veroorzaakt geen gebouwschade, maar kan wel effect hebben op bijvoorbeeld de grondwaterstanden en peilbeheer.

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verleent de vergunning(en) dus alleen als de veiligheid van mens, natuur en milieu voldoende is gewaarborgd. Daarvoor vraagt het ministerie vooraf advies aan onder andere Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), TNO, de betrokken decentrale overheden en de Mijnraad. Ieder advies wordt ingegeven vanuit de eigen taak en deskundigheid van de adviseur.

TNO kijkt daarbij naar de hoeveelheid en de duur van de winning, de wijze van winning, naar bodembewegingen als gevolg van de winning en het planmatig gebruik en beheer van de ondergrond. SodM kijkt naar de wijze van winning, naar bodembewegingen door de winning en maatregelen ter voorkoming van schade, naar risico’s voor omwonenden en schade aan gebouwen, het planmatig gebruik en beheer van de ondergrond en nadelige gevolgen voor milieu en natuur. Decentrale overheden adviseren gebruikmakend van lokale kennis en met oog op lokale ruimtelijke ontwikkelingen over mogelijke gevolgen van de winning op natuur, milieu, veiligheid van omwonenden en schade aan gebouwen en infrastructurele werken in de betreffende omgeving. Alle adviezen komen bij de Mijnraad samen en die geeft een overkoepelend advies aan het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Het verlenen van een vergunning betekent niet dat er geen enkel risico meer is, maar wel dat mogelijke effecten – zoals bodembeweging – niet tot onveilige situaties mogen leiden en de gepaste maatregelen worden getroffen om schade aan bouwwerken en negatieve effecten op natuur en milieu te voorkomen.

Risicoperceptie verschilt van risicobeoordeling. Hoe iemand een risico ervaart, hangt af van diverse factoren, zoals vrijwilligheid, nabijheid, kennis en controle, nieuwheid en de mogelijke gevolgen. Ook vertrouwen, emoties, waarden en cultuur spelen mee. Risicoperceptie is dus persoonlijk en kan in de loop van de tijd veranderen. Anders gezegd, de beleving van het risico is niet gelijk aan wat het risico daadwerkelijk is. In het omgaan met risico’s is het belangrijk om een duidelijk onderscheid te markeren tussen de beoordeling van het risico, op basis van kennis en feiten, om te besluiten over de aanvaardbaarheid, en de manier waarop mensen risico’s beleven.

Ook na het beëindigen van gaswinning blijft de vergunninghouderverantwoordelijk voor het veilig afsluiten van de installatie en het afdichten van de putten. De vergunninghouder blijft verantwoordelijk voor de gevolgen van gaswinning tot in de nazorgfase en zolang risico’s of schade kunnen worden toegeschreven aan zijn activiteiten. Indien de vergunninghouder niet meer bestaat of niet kan instaan voor schade, kan het Waarborgfonds Mijnbouwschade worden aangesproken.

Lessen uit Groningen

De overheid neemt de zorgen die leven serieus en heeft lering getrokken uit eerdere ervaringen zoals in Groningen. De gaswinning uit het Groningenveld leidde tot aardbevingen met schade aan huizen en veiligheidsrisico’s voor mensen als gevolg. Daarom is de gaswinning uit het Groningenveld gestopt.

De ervaringen met het Groningenveld hebben tot belangrijke verbeteringen geleid voor het gebruik van de diepe ondergrond. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via Commissie Mijnbouwschade (CM).

Verder worden er aanvullende verbeteringen doorgevoerd naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Aardgaswinning Groningen (PEGA), in lijn met de maatregelen uit ‘Nij Begun’. Zo wordt er gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt, wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid en is de capaciteit van ambtenaren uitgebreid.

Om het toekomstig gebruik van de diepe ondergrond zorgvuldig te regisseren en het vertrouwen te versterken, werkt het Ministerie van Klimaat en Groenen Groei aan veilig en verantwoord gebruik middels twee sporen: de herziening van de Mijnbouwwet (Mbw) en het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond (DGDO)23. De herziening van de wet zorgt onder meer voor meer regie vanuit de overheid op het veilig en verantwoord gebruik van de diepe ondergrond met meer aandacht voor maatschappelijke, ruimtelijke en financiële belangen, ook na afloop van activiteiten.

Schadeafhandeling

De vergunninghouders en overheid spannen zich in om schade te voorkomen. Tegelijkertijd kan er helaas altijd iets gebeuren. Net als bij woning- of wegenbouw moet duidelijk zijn waar mensen zich kunnen melden in geval van schade. Dit vangnet is ook geregeld voor het gebruik van de diepe ondergrond.

De Commissie Mijnbouwschade (CM)24 is het landelijke loket waar bewoners en betrokkenen onafhankelijk advies krijgen. Dat loket helpt mensen om schade aan hun huis te onderzoeken. Mensen krijgen er hulp bij het aanvragen van een schadevergoeding. Met uitzondering van schade in het effectgebied van het Groningenveld, deze wordt door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) behandeld

Om het makkelijker te maken voor de schademelder, neemt de CM in de praktijk de bewijslast van de melder over. Op deze manier wordt de overlast voor de bewoners bij eventuele schade beperkt. Daarbij ontzorgt het landelijke loket de schademelders en geeft advies over de eventuele vergoeding. Vergunninghouders zijn aan dit advies gebonden.

BIJLAGE V AFSPRAKEN BATENDELING GASWINNING OP LAND

  • 1. Partijen komen overeen dat de regio waar gaswinning plaatsvindt mee mag delen in de baten (na aftrek van kosten), die ontstaan als gevolg van (voorgenomen) nieuwe gaswinningsprojecten op Land (batendeling).

  • 2. Het gaat daarbij om projecten waar nog geen maatwerkafspraken over batendeling zijn gemaakt, deze bestaande maatwerkafspraken blijven in stand.

  • 3. Batendeling geldt alleen voor projecten waar sprake is van nieuwe of additionele winning. In de volgende situaties is er sprake van nieuwe of additionele winning:

    • a. Aanleg nieuwe locatie(s) met nieuwe putten waarvoor een winningsplan nodig is.

    • b. Aanleg nieuwe putten op bestaande locaties, inclusief side-tracks die leiden tot een verhoogde productie en waarvoor een aangepast winningsplan nodig is.

    • c. Ontwikkeling nieuwe velden vanaf een bestaande locatie, waarvoor een winningsplan nodig is.

    • d. Door uitbreiding van bestaande winning indien dit een substantieel winningsvolume toevoegt door completeren van putten om andere formaties te ontsluiten, waarvoor een wijziging winningsplan nodig is.

    • e. Bij een wijziging van een winningsplan waarbij (tevens) het productievolume in het high-case scenario naar boven wordt bijgesteld, wordt batendeling toegepast vanaf het moment dat het oorspronkelijk te winnen volume in het hoge scenario is bereikt, over het meerdere te winnen gas.

  • 4. Een wijziging van een winningsplan waarbij niet (tevens) het productievolume in het hoge scenario omhoog wordt bijgesteld (anders dan onder 3 b, c en d) wordt niet gezien als nieuwe of additionele winning en valt buiten de scope van batendeling.

  • 5. In aanvulling op de onder 3 bedoelde projecten kan een Vergunninghouder projecten aanwijzen voor batendeling waar zij door investeringen de winning van gas in volume kan ophogen of in tijdsduur kan verlengen, ook wanneer dat binnen het bestaande winningsplan past.

  • 6. Winningen op basis van een op het moment van het sluiten van de aanvullende afspraken voor gaswinning op land geldend winningsplan vallen buiten de scope van batendeling (geen terugwerkende kracht).

  • 7. De onder 3 bedoelde projecten die op basis van het winningsplan (high-case scenario) een volume hoger dan 2 miljard Nm3 kennen vallen buiten de scope van deze afspraken batendeling. Voor deze winningen maakt de vergunninghouder maatwerkafspraken met de betrokken decentrale overheden.

  • 8. De batendeling vindt plaats langs de volgende formule:

    • Basisformule batendeling:

      Batendeling per jaar (€) = ((winningsvolume × gasprijs) – (kosten van productie)) × 0,05 (5%)

      • a. Winningsvolume: de op basis van een winningsplan feitelijk gewonnen hoeveelheid gas in genormaliseerde kubieke meters (de hoeveelheid aardgas, gemeten bij een temperatuur van 0 graden Celsius en een absolute druk van 1,01325 bar) in het voorafgaande kalenderjaar.

      • b. Gasprijs: de kale gasprijs op de groothandelsmarkt op basis van de Dutch TTF Gas Futures (ICE Index) ten tijde van de winning.

      • c. Kosten van productie: de (voorgeschreven) jaarlijkse afschrijving op de investeringskosten (Capex) + de operationele kosten (Opex) per jaar + de jaarlijkse reservering voor ontmanteling van het betreffende project, plus een redelijke percentuele afschrijving op niet-succesvolle boringen (zoals een droge put) van andere projecten van de vergunninghouder. De vergunninghouder stelt de geprognosticeerde ‘kosten van productie’ per winningsplan in het eerste jaar van de winning op een transparante wijze vast en legt hier in vertrouwelijkheid verantwoording over af aan betrokken decentrale overheden en/ of de onder 10 bedoelde entiteit.

      • d. De Vergunninghouder geeft de bandbreedte waarbinnen de batendeling op basis van deze formule naar verwachting zal kunnen plaatsvinden in de daaropvolgende jaren af aan de hand van het low-case en het high-case scenario.

      • e. Daadwerkelijke batendeling wordt jaarlijks door de Vergunninghouder berekend aan de hand van de daadwerkelijke winning in enig jaar (‘actuals’), met inachtneming van de navolgende randvoorwaarden.

    • Randvoorwaarden:

      • f. Berekening van batendeling start op het moment van onherroepelijk worden van de instemming op het winningsplan en andere op het betreffende project van toepassing zijnde vergunningen (derhalve worden winningen ‘hangende’ beroepsprocedures niet meegenomen (ook niet terugwerkend na afronding van die procedures) in de batendeling).

      • g. Een batendeling is alleen mogelijk indien er een positieve economische exploitatie voor het project bestaat, waarbij de exploitatie na aftrek van de batendeling in het betreffende jaar ook positief dient te blijven. De facto dient de formule een positieve uitkomst te hebben. Als de uitkomst een negatief getal oplevert vindt geen batendeling plaats (bijvoorbeeld de ‘tail end’ van de productie om te voorkomen dat velden anders vroegtijdig ingesloten moeten worden).

      • h. Als een project (boring) niet succesvol is (winningsvolume = 0) volgt geen batendeling op grond van het volume. Als in enig jaar geen (feitelijke) winning heeft plaatsgevonden, vindt evenmin batendeling plaats op grond van het volume.

      • i. De totale omvang van de door een Vergunninghouder uit te keren batendeling dient hoger dan of ten minste gelijk te zijn aan de door een Vergunninghouder verkregen totale investeringsaftrek voor het betreffende project, ook in het geval van een niet succesvolle boring als bedoeld onder h.

      • j. De financiële afdracht voor batendeling wordt door de vergunninghouders als kosten (‘cost of operation’) opgevoerd (in daarvoor in aanmerking komende belastingen en (andere) afdrachten van de baten aan het Rijk – het Rijk neemt langs die weg deel in de batendeling).

      • k. De batendeling kan worden gemaximeerd indien anders een onevenredige bijdrage richting de regio zou kunnen gaan, die niet langer in verhouding staat tot de van de winningsactiviteit ondervonden lasten. Voor nieuwe winningen die een volume van 2 miljard Nm3 overschrijden wordt om die reden altijd maatwerk afgesproken met de regio.

  • 9. De batendeling wordt jaarlijks uiterlijk op 31 maart over de werkelijk gewonnen hoeveelheid gas in het daaraan voorafgaande kalenderjaar berekend en ter beschikking gesteld, waarbij op zijn laatst aan het einde van de winningsperiode de verkregen totale investeringsaftrek voor het betreffende project als batendeling is afgedragen.

  • 10. De batendeling wordt ter beschikking gesteld aan de regio25 waar aardgaswinning plaatsvindt via een door de desbetreffende decentrale overheden aan te wijzen entiteit die een batendelingsfonds beheert; bij voorkeur een op te richten stichting.

  • 11. Bijdragen moeten ten goede komen aan de lokale gemeenschap en bij voorkeur worden bestemd aan projecten gericht op energiebesparing en/of verduurzaming (zoals bijdragen aan warmtepompen, faciliteren van lokale energiecoöperaties).

  • 12. Het bestedingsgebied zal met de lokale overheden overeengekomen worden, waarbij de contour(en) van het gasveld en de in het winningsplan aangeduide bodemdalingskom medebepalend zijn.

  • 13. De betrokken decentrale overheden en de onder 9 bedoelde entiteit dragen zorg voor adequate betrokkenheid van de omgeving bij de inrichting en vormgeving van het batendelingsfonds en de (wijze van) bestedingen daaruit.

  • 14. De onder 10 bedoeld entiteit is gebonden aan transparantie en verantwoording over de besteding van de via de batendeling verkregen middelen. Dit in het kader van audits, accountancy en governance.

  • 15. Over de besteding van de ter beschikking gestelde middelen wordt jaarlijks verantwoording afgelegd aan alle betrokkenen.

  • 16. De betrokkenheid van de Vergunninghouders beperkt zich (waar gewenst) tot de oprichting en statuten van het batendelingsfonds.

BIJLAGE VI PROCESAFSPRAKEN VOOR EFFICIËNTE VERGUNNINGVERLENING

Partijen erkennen het belang van een voorspelbaar vergunningsproces voor alle betrokkenen. Partijen erkennen ook dat verbeteringen kunnen bijdragen aan het halen van de wettelijke vereisten en redelijke termijnen. Dat doet iedereen vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid.

In deze bijlage zijn, in aanvulling op artikel 4 uit het Sectorakkoord, procesafspraken voor efficiënte vergunningverlening opgenomen. De afspraken richten zich op verschillende fasen in het vergunningverleningsproces voor gaswinning uit kleine velden op land.

Uitgangspunten

  • Partijen kiezen voor procesafspraken voor efficiëntere vergunningverlening met weinig uitzonderingen (i.p.v. strakke (norm)tijden voor vergunningverlening met veel uitzonderingen).

  • Bij de herziening van de Mijnbouwwet zal gekeken worden naar de wettelijke termijnen waarbinnen besluitvorming op vergunningaanvragen worden behandeld. Hieronder vallen de termijnen voor de advisering door de bij de vergunningverlening betrokken wettelijke adviseurs en deze waar nodig worden aangescherpt of geëxpliciteerd, met als doel een efficiënte en verantwoorde vergunningverlening beter kan worden geborgd.

  • Het ‘Branchedocument Instemming winningsplan Koolwaterstoffen Land’ (hierna: Branchedocument) wordt door de daarbij betrokken Partijen gezamenlijk geactualiseerd en waar nodig uitgebreid. Voor 1 maart 2026 wordt een planning hiervoor afgesproken.

  • In afwachting van de herziening van de Mijnbouwwet spannen Partijen zich in om de besluitvorming te laten plaatsvinden binnen de indicatieve doorlooptijden zoals vermeld in het Branchedocument.

  • Het beperken van de doorlooptijd van besluitvorming is belangrijk, maar als (poging om te komen tot) gedragen besluitvorming meer tijd vraag, heeft dat de voorkeur en wordt indien nodig in overleg afgeweken van de indicatieve doorlooptijden.

  • De afspraken in dit document worden meegenomen in de te maken afwegingen bij de herziening van de Mijnbouwwet en opgenomen in het Branchedocument en de Gedragscode van sector. De indicatieve doorlooptijden zijn exclusief bezwaar- en beroepstermijnen en zijn ook niet van toepassing op Rijksprojectprocedures die vanwege de complexiteit en belangen per definitie langer duren.

Stap 0: Jaarplanning en omgevingsbetrokkenheid

  • Elk half jaar vindt een gesprek plaats tussen de Vergunninghouders en het KGG over de plannen voor het komende half jaar (met een doorkijk naar 1,5 jaar vooruit).

  • KGG kan, naar aanleiding van het gesprek met Vergunninghouders, indien nodig inzetten op bestuurlijk overleg in en met de regio waarbij voorwerk gedaan kan worden. Over specifieke onderwerpen (zoals veenweide, afsluiten van putten) kan KGG vooruit gaan werken (en waar nodig onderzoek doen en gesprekken voeren).

  • KGG kan aan de Vergunninghouders dan aangeven waar kansen en/of zorgen zijn en hen erop attenderen dat ze de omgeving vroeg moeten betrekken (voordat ze een aanvraag indienen bij het KGG).

  • Dit helpt ook in de prioritering en capaciteitsplanning bij KGG.

  • In dit kader informeert de Vergunninghouder de omgeving (in ieder geval betrokken provincie, gemeente en waterschap) circa drie maanden voorafgaand aan de indiening van het winningsplan over de voorgenomen plannen op hoofdlijnen en wijze van betrekken van omgeving. Dit biedt decentrale overheden kans om inbreng te leveren en zich voor te bereiden op de advisering en KGG ruimte in het proces strakker te sturen op de advisering.

  • Tevens kan dan worden bekeken of een gebiedsproces wenselijk en/of nodig is.

  • De Vergunninghouder overlegt voor betrekken van de omgeving een document (‘betrokkenheidsplan’) tegelijk bij indiening winningsplan. Het ‘betrokkenheidsplan’ is geen onderdeel van de formele juridische beoordeling van het winningsplan en moet gezien worden als een aanvullend document op het winningsplan.

Stap 1: Intake nieuw winningsplan

  • Voorafgaand een indiening winningsplan vindt er een gesprek plaats tussen de Vergunninghouder en KGG over:

    • Is het winningsplan voldoende gereed om in te dienen (compleet etc.)?

    • Gaat het alleen om een winningsplan of ook om een omgevingsvergunning voor nieuwe putten?

    • Is de regio voldoende betrokken? Zo ja, wat kwam daaruit en hoe wordt dat meegenomen in het plan voor het betrekken van de omgeving (‘betrokkenheidsplan’).

    • Bespreken wat er eventueel extra nodig is.

  • Het doel van dit gesprek is om in onderling overleg:

    • Transparantie te bieden over de afspraken en beoogde planning. Waarbij wordt gekeken naar manieren om de doorlooptijd zo kort mogelijk te houden bijvoorbeeld door te kijken naar de mogelijk van het parallel opvragen van advies.

    • Te zoeken naar maatwerk ‘wat is in deze situatie nodig?’. Dit wordt met name ingegeven door omgevingsfactoren en de mate waarin de Vergunninghouder voorwerk in/met de regio heeft gedaan.

  • Op basis van bovenstaande geeft KGG per winningsplan een indicatieve planning af. Hierbij wordt rekening gehouden met de complexiteit en voortraject.

  • Bijkomend voordeel van deze aanpak is dat tijdig kan worden nagegaan of decentrale overheden en adviseurs voldoende geïnformeerd zijn over het voorgenomen winningsplan.

  • Er wordt een accounthouder aangewezen bij KGG.

Stap 2: Werkafspraken gedurende procedure en wat te doen bij onverwachte zaken

  • KGG stuurt op de ontvankelijkheidstoets (binnen 2 weken)26.

  • KGG stuurt actief op de voortgang van de advisering richting de adviseurs (zie stap 0).

  • Elke 4 á 6 weken regulier overleg tussen KGG en Vergunninghouder over de stand van zaken van de lopende procedures. Het doel is om in contact te blijven.

  • Vergunninghouders en KGG treden in contact bij onverwachte wijzigingen of complicaties en bespreken in dat kader gezamenlijk de consequenties voor de indicatieve planning.

  • Gedurende de vergunningverlening zal KGG waar mogelijk ook het belang van gaswinning benadrukken.

  • Bij onverwachte zaken wordt in onderling overleg gezocht naar oplossingen zodat, binnen de wettelijke kaders, gedragen oplossingen geprioriteerd worden boven tempo.


X Noot
1

Indien een bedrijf in Nederland actief wordt of wil worden als Vergunninghouder of Beheerder en nog geen lid is van Element NL, dan zal Element NL dit bedrijf informeren over en betrekken bij de uitwerking van de afspraken in dit Sectorakkoord. Daarnaast zal Element NL de (nieuwe) Vergunninghouder of Beheerder uitnodigen om lid te worden van Element NL.

X Noot
2

KGG (2024). Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag 2023.

X Noot
3

Betreft alle Nederlandse gasvelden m.u.v. het Groningenveld. Uit het Groningenveld wordt geen aardgas meer gewonnen.

X Noot
5

Regeerprogramma kabinet Schoof-I: Regeerprogramma; uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, 13 september 2024.

X Noot
6

TNO. Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag 2023.

X Noot
7

Oxford Energy, beschikbaar via www.oxfordenergy.org/publications/dutch-gas-production-from-the-small-fields-why-extending-their-life-contributes-to-the-energy-transition/Dutch-Gas-Production-From-the-Small-Fields.pdf (oxfordenergy.org)

X Noot
10

In het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling wordt ook de term werkplan gebruikt, het gebruik van de definitie Werkplan in dit Sectorakkoord wijkt hiervan af en heeft in dit Sectorakkoord een beperktere reikwijdte dan in de Mijnbouwregelgeving.

X Noot
11

Het proces van adviesaanvragen bij gaswinning op land wordt apart geadresseerd in het onshore gedeelte van dit akkoord dat voor het parlementaire zomerreces 2025 wordt vastgesteld, aangezien hier de adviezen van TNO en SodM worden meegestuurd in de adviesvraag naar de andere Adviseurs.

X Noot
12

KRM: Kader Richtlijn Mariene Strategie.

X Noot
13

Hieronder valt ook de eventuele toekomstige winning van kussengas uit gasopslagen. Enige uitzondering hierop betreft de regeling ten aanzien van batendeling (in artikel 5) voor de eventuele toekomstige winning van kussengas uit de gasopslagen in Bergermeer (GSB) en/of Alkmaar (PGI).

X Noot
14

Zoals aangegeven in de Kamerbrief ‘Definitief besluit op het winningsplan gaswinning Warffum’ van 26 maart 2025.

X Noot
15

Zie figuur 7 op pagina 18 document Seismisch risico voor ‘kleine velden’. Het gaat hierbij dus om winning uit en opslag in kleine velden waar geen risicobeheersplannen voor zijn opgesteld. Bestaande risicobeheersplannen blijven leidend.

X Noot
16

Artikel 3, lid 2 van de Overeenkomst Landelijke Behandeling Mijnbouwschade Kleine Velden.

X Noot
17

Dit Addendum laat reeds bestaande regelingen over schadeafhandeling die mijnbouwondernemingen met lokale en regionale overheden zijn overeengekomen onverlet.

X Noot
19

Er worden drie fasen onderscheiden rond ontmanteling: (1) buiten gebruik stellen, (2) putten dichten en faciliteiten verwijderen (3) terugbrengen in gewenste staat.

X Noot
22

De vergunninghouder betrekt hier in ieder geval de betrokken regionale overheden bij zodat de lokale kennis daar goed wordt meegenomen.

X Noot
25

Het gebied recht boven het gasveld en het effectgebied.

X Noot
26

Dit laat onverlet de mogelijkheid van wettelijk adviseurs om binnen de wettelijke randvoorwaarden daar waar nodig om aanvullende informatie te verzoeken die voor de advisering noodzakelijk worden geacht.


X Noot
1

Indien een bedrijf in Nederland actief wordt of wil worden als Vergunninghouder of Beheerder en nog geen lid is van Element NL, dan zal Element NL dit bedrijf informeren over en betrekken bij de uitwerking van de afspraken in dit Sectorakkoord. Daarnaast zal Element NL de (nieuwe) Vergunninghouder of Beheerder uitnodigen om lid te worden van Element NL.

X Noot
2

KGG (2024). Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag 2023.

X Noot
3

Betreft alle Nederlandse gasvelden m.u.v. het Groningenveld. Uit het Groningenveld wordt geen aardgas meer gewonnen.

X Noot
5

Regeerprogramma kabinet Schoof-I: Regeerprogramma; uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, 13 september 2024.

X Noot
6

TNO. Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag 2023.

X Noot
7

Oxford Energy, beschikbaar via www.oxfordenergy.org/publications/dutch-gas-production-from-the-small-fields-why-extending-their-life-contributes-to-the-energy-transition/Dutch-Gas-Production-From-the-Small-Fields.pdf (oxfordenergy.org)

X Noot
10

In het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling wordt ook de term werkplan gebruikt, het gebruik van de definitie Werkplan in dit Sectorakkoord wijkt hiervan af en heeft in dit Sectorakkoord een beperktere reikwijdte dan in de Mijnbouwregelgeving.

X Noot
11

Het proces van adviesaanvragen bij gaswinning op land wordt apart geadresseerd in het onshore gedeelte van dit akkoord dat voor het parlementaire zomerreces 2025 wordt vastgesteld, aangezien hier de adviezen van TNO en SodM worden meegestuurd in de adviesvraag naar de andere Adviseurs.

X Noot
12

KRM: Kader Richtlijn Mariene Strategie.

X Noot
13

Hieronder valt ook de eventuele toekomstige winning van kussengas uit gasopslagen. Enige uitzondering hierop betreft de regeling ten aanzien van batendeling (in artikel 5) voor de eventuele toekomstige winning van kussengas uit de gasopslagen in Bergermeer (GSB) en/of Alkmaar (PGI).

X Noot
14

Zoals aangegeven in de Kamerbrief ‘Definitief besluit op het winningsplan gaswinning Warffum’ van 26 maart 2025.

X Noot
15

Zie figuur 7 op pagina 18 document Seismisch risico voor ‘kleine velden’. Het gaat hierbij dus om winning uit en opslag in kleine velden waar geen risicobeheersplannen voor zijn opgesteld. Bestaande risicobeheersplannen blijven leidend.

X Noot
16

Artikel 3, lid 2 van de Overeenkomst Landelijke Behandeling Mijnbouwschade Kleine Velden.

X Noot
17

Dit Addendum laat reeds bestaande regelingen over schadeafhandeling die mijnbouwondernemingen met lokale en regionale overheden zijn overeengekomen onverlet.

X Noot
19

Er worden drie fasen onderscheiden rond ontmanteling: (1) buiten gebruik stellen, (2) putten dichten en faciliteiten verwijderen (3) terugbrengen in gewenste staat.

X Noot
22

De vergunninghouder betrekt hier in ieder geval de betrokken regionale overheden bij zodat de lokale kennis daar goed wordt meegenomen.

X Noot
25

Het gebied recht boven het gasveld en het effectgebied.

X Noot
26

Dit laat onverlet de mogelijkheid van wettelijk adviseurs om binnen de wettelijke randvoorwaarden daar waar nodig om aanvullende informatie te verzoeken die voor de advisering noodzakelijk worden geacht.

Naar boven