Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 juni 2026, nr. PO/FenV/63772240, tot het verstrekken van aanvullende bekostiging naar aanleiding van de gedeeltelijke onverbindendverklaring van de Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023 (Regeling nabetaling bekostiging schooljaar 2022–2023)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 119, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 117, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvullende bekostiging:

aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 119, eerste lid, WPO en artikel 117, eerste lid, WEC;

bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 WPO en artikel 1 WEC;

instelling:

instelling als bedoeld in artikel 1 WEC;

Minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Regeling:

Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023;

school:

school als bedoeld in artikel 1 WPO en artikel 1 WEC;

WEC:

Wet op de expertisecentra;

WPO:

Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze regeling is van toepassing op het bevoegd gezag van een school of instelling die:

  • a. partij was bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1747, voor zover het die school of instelling betreft; en

  • b. geen partij was bij de onder a bedoelde uitspraak, voorafgaand aan die uitspraak bezwaar heeft gemaakt tegen een bekostigingsbeschikking op grond van de Regelingen waarbij nog niet op dat bezwaar is beslist.

Artikel 3. Doel aanvullende bekostiging

De Minister verstrekt aanvullende bekostiging met als doel de bevoegde gezagen van de scholen en instellingen, bedoeld in artikel 2, te voorzien van een nabetaling van de bekostiging over de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 december 2022.

Artikel 4. Hoogte aanvullende bekostiging

  • 1. Het bedrag van de aanvullende bekostiging is gelijk aan het verschil tussen:

    • a. het bedrag dat het bevoegd gezag zou hebben ontvangen indien bij de berekening van de bekostiging, bedoeld in artikel 2, zesde lid, artikel 3, tweede lid, artikel 4, tweede lid, artikel 6, tweede lid, artikel 8, vierde lid, artikel 10, zesde lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, derde lid, artikel 15, zesde lid, artikel 16, tweede lid, artikel 17, tweede lid, artikel 18, derde lid, artikel 25, tweede lid, en artikel 27, tweede lid, van de Regeling, zoals deze luidde op 31 december 2025, het percentage van 41,67 als factor zou zijn gehanteerd in plaats van het in die artikelen genoemde percentage van 34,55; en

    • b. het bedrag dat het bevoegd gezag heeft ontvangen op grond van de Regeling.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente overeenkomstig artikel 4:102 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nabetaling bekostiging schooljaar 2022–2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Judith Zs.C.M. Tielen

TOELICHTING

I. Algemeen

Op 25 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan in het hoger beroep over het bekostigingspercentage voor de overgangsperiode van de vereenvoudiging bekostiging po (ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1747). De Afdeling heeft geoordeeld dat de Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023 gedeeltelijk onverbindend is. De reden dat de Regeling gedeeltelijk onverbindend is verklaard hangt samen met het oordeel dat het in die regeling gehanteerde percentage van 34,55 over de overgangsperiode voor een deel van de bekostiging onvoldoende is. De Afdeling oordeelt, net als de rechtbank, dat dit percentage in genoemde regeling had moeten zijn vastgesteld op 41,67. Hierdoor is een tekort van 7,12% aan bekostiging ontstaan. Dit tekort vindt volgens de Afdeling zijn oorsprong in 2006, toen de bekostigingssystematiek is gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De uitspraak van de Afdeling heeft tot gevolg dat dit verschil aan bekostiging moet worden nabetaald aan de bevoegde gezagen die hebben deelgenomen aan de juridische procedure tegen de beslissing op bezwaar van 30 november 2022 die uiteindelijk heeft geleid tot deze uitspraak van de Afdeling1.

Uit de uitspraak volgt in de basis dat de Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023 moet worden gewijzigd, om daarna op grond van de gewijzigde regeling dit tekort uit te kunnen betalen. Evenwel doet zich daar een complicatie voor. De grondslag voor de overgangsbekostiging is gelegen in artikel XI van de Wet vereenvoudiging bekostiging po. Die grondslag is met ingang van 1 januari 2026 vervallen. De Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023 is eveneens met ingang van 1 januari 2026 vervallen. Die regeling kan vanwege het vervallen ervan en het ontbreken van een grondslag niet meer worden gewijzigd. Dat maakt dat de nabetaling van de 7,12% gebaseerd moet worden op een andere grondslag om recht te doen aan de uitspraak van de Afdeling.

Die grondslag is gevonden in de artikelen 119 WPO en 117 WEC.2 Die grondslagen zien op de aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen. Er doet zich voor de bevoegde gezagen die partij zijn bij de eerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling een bijzondere ontwikkeling voor, namelijk de gedeeltelijke onverbindendverklaring van de Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023 door de rechter en het daarmee verband houdende oordeel dat het genoemde percentage van 41,67 had moeten zijn gehanteerd, in combinatie met het juridische gegeven dat deze regeling vanwege het ontbreken van de grondslag niet meer kan worden gewijzigd. Door de nabetaling te baseren op deze aanvullende bekostigingsgrondslag, kan deze rechtmatig worden gedaan.

Dit heeft tot gevolg dat de bevoegde gezagen – overeenkomstig de rechterlijke uitspraak – een hoger bedrag voor de bekostiging 2022–2023 betaald zullen krijgen. Het feit dat dit niet meer kan op grond van de destijds geldende en inmiddels vervallen grondslag is een gegeven, maar door deze nabetaling te baseren op een andere grondslag wordt materieel eenzelfde resultaat bereikt.

Zodra deze regeling in werking treedt kan aan de betreffende bevoegde gezagen het recht op bekostiging in overeenstemming met de genoemde uitspraak worden vastgesteld. Vanaf dat moment kan ook de nieuwe beslissing op bezwaar worden genomen. In juni 2026 ontvangen de bevoegde gezagen die het betreft ter uitvoering van de nieuwe beslissing op bezwaar een gewijzigd Overzicht Financiële Beschikkingen (OFB) van DUO en wordt de bekostiging nabetaald. De wettelijke rente wordt in juli uitbetaald.

II. Artikelsgewijs

Artikel 2. Toepassingsbereik

Met deze bepaling wordt tot uitdrukking gebracht dat enkel en alleen de 222 bevoegde gezagen van de scholen of instellingen die partij waren bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanspraak kunnen maken op de nabetaling van de bekostiging over het jaar 2022–2023, voor zover het de scholen of instellingen betreft voor wie de procedure aanhangig is gemaakt. Naast de partijen die betrokken waren bij de uitspraak van de Afdeling is er één bevoegd gezag dat wel bezwaar heeft gemaakt tegen de verleningsbeschikking, maar waarop – in afwachting van de procedure – nog geen beslissing op bezwaar is genomen. Dat bevoegd gezag maakt ook aanspraak op de nabetaling. Dit is geregeld in onderdeel b. De bevoegde gezagen die geen beroep hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, vallen niet onder het toepassingsbereik van deze regeling.

Artikel 3. Doel aanvullende bekostiging

Met het vastleggen van het doel wordt beoogd helder te maken dat enkel voor de grondslag voor aanvullende bekostiging is gekozen, omdat wijziging van de oorspronkelijke bekostigingsregeling niet meer mogelijk was. De aanvullende bekostiging heeft dan ook enkel tot doel om deze nabetaling, die het gevolg is van de rechtelijke uitspraak, in juridische zin mogelijk te maken.

Artikel 4. Hoogte van de aanvullende bekostiging

De aanvullende bekostiging is gelijk aan 7,12% van de bekostiging schooljaar 2022–2023.3 Daarbij geldt als uitgangspunt dat waar de aanspraak in het verleden werd gebaseerd op 34,55% deze gebaseerd had moeten worden op 41,67%. Dat verschil wordt nu in de vorm van aanvullende bekostiging eenmalig uitgekeerd. Vanwege de latere uitkering is er wettelijke rente verschuldigd. In het tweede lid is, vanwege de nieuwe grondslag waarop de nabetaling wordt gebaseerd, bepaald dat bij de berekening van de hoogte van de aanvullende bekostiging ook rekening wordt gehouden met de wettelijke rente, die overeenkomstig artikel 4:102 Algemene wet bestuursrecht wordt vastgesteld. Daarmee is – volledigheidshalve – voor de volledige nabetaling voorzien in een grondslag. Geenszins ontstaat hiermee een dubbele aanspraak op de wettelijke rente. De totale omvang van de aanvullende bekostiging is daarmee niet anders dan het bedrag dat zou zijn nabetaald wanneer deze nabetaling zou zijn gebaseerd op een gewijzigde vorm van de Regeling bekostiging personeel PO 2022–2023 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2022–2023.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Judith Zs.C.M. Tielen


X Noot
1

Kamerbrief opvolging uitspraak Raad van State in rechtszaak bekostiging po van 18 juni 2026

X Noot
2

In verband met het vervallen van de originele grondslag voor de meermaals genoemde regeling zou een alternatieve oplossing alleen kunnen worden gevonden in het introduceren van een specifieke, grondslag voor deze nabetaling in de wet. Dit zou materieel hetzelfde gevolg hebben als hetgeen met onderhavige regeling wordt bereikt. Het introduceren van een specifieke wettelijke grondslag voor de nabetaling zou serieuze consequenties hebben gehad voor de doorlooptijd voor de afhandeling van de nabetaling. Door de grondslag voor aanvullende bekostiging te gebruiken wordt hetzelfde resultaat bereikt, maar sneller en daarmee doelmatiger.

X Noot
3

Voor de bekostigingsonderwerpen ‘Personele bekostiging regulier 2022’, ‘Basisbekostiging personeel 2022’, ‘Bekostiging zware ondersteuning personeel 2022’ en ‘Aanvullende bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2022’.


X Noot
1

Kamerbrief opvolging uitspraak Raad van State in rechtszaak bekostiging po van 18 juni 2026

X Noot
2

In verband met het vervallen van de originele grondslag voor de meermaals genoemde regeling zou een alternatieve oplossing alleen kunnen worden gevonden in het introduceren van een specifieke, grondslag voor deze nabetaling in de wet. Dit zou materieel hetzelfde gevolg hebben als hetgeen met onderhavige regeling wordt bereikt. Het introduceren van een specifieke wettelijke grondslag voor de nabetaling zou serieuze consequenties hebben gehad voor de doorlooptijd voor de afhandeling van de nabetaling. Door de grondslag voor aanvullende bekostiging te gebruiken wordt hetzelfde resultaat bereikt, maar sneller en daarmee doelmatiger.

X Noot
3

Voor de bekostigingsonderwerpen ‘Personele bekostiging regulier 2022’, ‘Basisbekostiging personeel 2022’, ‘Bekostiging zware ondersteuning personeel 2022’ en ‘Aanvullende bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2022’.

Naar boven