Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 22 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/104748, houdende tijdelijke aanwijzing van het Team Bijzondere Bijstand van de FIOD als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 147, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Besluit:

Artikel 1

Het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst wordt aangewezen als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ten behoeve van de uitvoering van haar taken, genoemd in artikel 80, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 141, onder d, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 2, onder a, en artikel 3 van de Wet op de Bijzondere opsporingsdiensten.

Artikel 2

De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst stelt ten behoeve van het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst een richtlijn op als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 met inachtneming van artikel 3, derde en vierde lid, van die regeling. In aanvulling op het derde lid, onder e, dient er binnen de opleiding van de bestuurder specifieke aandacht te zijn voor het rijden met optische en geluidssignalen in een motorvoertuig dat niet herkenbaar is als een motorvoertuig in gebruik bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.

Artikel 3

  • 1. Het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst wijst personen of groepen aan die daartoe ingerichte motorvoertuigen met inwerking zijnde optische en geluidssignalen mogen besturen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde personen worden aangewezen nadat zij een speciale instructie hebben gekregen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Regeling optische en geluidssignalen 2009.

Artikel 4

  • 1. De motorvoertuigen van het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst zijn vrijgesteld van de artikelen 5.2.51a, eerste lid, en 5.3.51a, eerste lid, van de Regeling voertuigen op grond van artikel 147, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994.

  • 2. De optische en geluidssignalen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die de motorvoertuigen van het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst voeren, voldoen aan de eisen die worden gesteld in artikel 5, eerste en vijfde lid, van de Regeling optische geluidssignalen 2009, met uitzondering van het vereiste dat het motorvoertuig herkenbaar is als een motorvoertuig in gebruik bij het Team Bijzondere Bijstand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2026 of, indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2026, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van die Staatscourant en werkt terug tot en met 1 juli 2026 en vervalt met ingang van 1 juli 2028.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

TOELICHTING

ALGEMEEN

Inleiding

Door middel van dit besluit wordt het Team Bijzondere Bijstand (hierna: TBB) van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) tijdelijk aangewezen als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Daarnaast regelt dit besluit een tijdelijke vrijstelling voor het TBB FIOD van de artikelen 5.2.51a, eerste lid, en 5.3.51a, eerste lid, van de Regeling voertuigen en uitzondering van een onderdeel van artikel 5 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 (hierna: Regeling OGS 2009).

Op grond van artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 mogen bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie, brandweer en diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en van motorvoertuigen van andere door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn voeren als zij een dringende taak vervullen. Het vereiste van een dringende taak is nader uitgewerkt in artikel 2 van de Regeling OGS 2009.

Een motorvoertuig dat blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn voert is een voorrangsvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990.

Tijdelijke aanwijzing van het Team Bijzondere Bijstand van de FIOD

De taak van het Team Bijzondere Bijstand van de FIOD

De FIOD is de opsporingsdienst van het Ministerie van Financiën en onderdeel van de Belastingdienst. Op grond van artikel 80, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 141, onder d, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 2, onder a, en artikel 3 van de Wet op de Bijzondere opsporingsdiensten is de FIOD onder andere belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op het beleidsterrein van de Minister van Financiën. De taken worden uitgevoerd onder gezag van de officier van justitie als bedoeld in artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering. De FIOD spoort complexe vormen van nationale en internationale financiële en fiscale criminaliteit op. Het betreft onder meer witwassen, (ambtelijke) corruptie, fraude, schendingen van het sanctierecht en terrorismefinanciering. Dit met het doel om financiële criminaliteit te beëindigen en te voorkomen. Ook kan de FIOD beslag leggen op het vermogen dat via criminaliteit is verdiend. Het TBB FIOD verricht aanhoudingen met een verhoogd risico en/of een verhoogde complexiteit en levert professionele bijstand aan de primaire processen van de FIOD, de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) alsmede aan diverse samenwerkingsverbanden.

Voor de uitvoering van zijn taken maakt het TBB FIOD vanwege veiligheidsoverwegingen gebruik van speciale, onherkenbare voertuigen.

Hoog risico situaties

Het TBB FIOD opereert in een werkveld met uitzonderlijke risico’s. De mate van risico wordt ingeschat naar ernst en waarschijnlijkheid naar analogie van de Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.1 Binnen zijn taak en rol stuit het TBB FIOD steeds vaker op hoog risico geclassificeerde situaties waarbij gewelddadige confrontaties met ondermijnende criminaliteit een reëel risico zijn. Bijvoorbeeld bij het onverwacht aantreffen en vervolgens transporteren van risicovolle goederen en middelen. Omdat de inzet van het TBB FIOD vaak niet te plannen is en de frequentie van de inzet hoog is, heeft de politie niet altijd voldoende capaciteit beschikbaar om adequaat bijstand te leveren aan het TBB FIOD, waar dat gelet op de veiligheid van de medewerkers wel gewenst zou zijn.

Aanwijzing als hulpverleningsdienst

In hoog risico situaties is het van belang dat het TBB FIOD zo spoedig mogelijk ter plaatse is. Daarom wordt het van belang geacht dat het TBB FIOD gebruik kan maken van optische en geluidssignalen in situaties waarbij dit door de operationeel verantwoordelijke van het TBB FIOD noodzakelijk wordt geacht en daarover advies wordt gevraagd aan de Landelijke Meldkamer Samenwerking. Om dit te bewerkstelligen dient het TBB FIOD aangewezen te worden als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990. Om optische en geluidssignalen te mogen voeren met onherkenbare voertuigen dient het TBB FIOD tevens te worden vrijgesteld van de artikelen 5.2.51a, eerste lid, en 5.3.51a, eerste lid, van de Regeling voertuigen. Dit laatste is mogelijk op basis van artikel 147, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Tijdelijke aanwijzing

Dit besluit heeft tot gevolg dat voertuigen van het TBB FIOD in voorkomend geval als voorrangsvoertuig kunnen opereren. Dit stelt het TBB FIOD naar verwachting in staat zijn taken veiliger en adequater uit te voeren. Na het eerste jaar zal het TBB FIOD een evaluatie opstellen. Middels deze evaluatie wordt onder andere onderzocht of het voeren van optische en geluidssignalen leidt tot een verkorting van de aanrijtijden. Ook zal worden bezien in hoeverre de betreffende ritten hoog risico situaties betroffen en of het gebruik van optische en geluidssignalen is verlopen conform de door de FIOD op te stellen richtlijn. Indien na twee jaar blijkt dat de aanwijzing als hulpverleningsdienst inderdaad bijdraagt aan een meer adequate en veiligere uitvoering van de dringende taak in hoog risico situaties, kan tot aanwijzing voor onbepaalde tijd worden overgegaan door toevoeging van het TBB FIOD aan artikel 1, tweede lid, van de Regeling OGS 2009.

Vrijstelling artikelen Regeling voertuigen

Dit besluit wijst het TBB FIOD aan als hulpverleningsdienst en verleent het TBB FIOD tevens een vrijstelling van de artikelen 5.2.51a, eerste lid, en 5.3.51a, eerste lid, van de Regeling voertuigen. Deze artikelen verplichten dat voertuigen in gebruik bij hulpverleningsdiensten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de voertuigen herkenbaar maken als voertuig in gebruik bij die diensten. Dit is noodzakelijk geacht, omdat anders voor voertuigen van het TBB FIOD de verplichting zou bestaan om herkenbaar te zijn op het moment dat de voertuigen van het TBB FIOD géén optische en geluidsignalen voeren.

Het TBB FIOD wordt gedurende twee jaar vrijgesteld van bovengenoemde bepalingen uit de Regeling voertuigen op grond van artikel 147 WVW 1994. Op grond van dit artikel kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vrijstelling verlenen van bepalingen die krachtens de WVW 1994 zijn gesteld voor het gebruik van de weg ten behoeve van openbare of door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat daarmee gelijk te stellen diensten.

Indien na twee jaar wordt besloten om het TBB FIOD voor onbepaalde tijd aan te wijzen als hulpverleningsdienst dient ook de Regeling voertuigen aangepast te worden zodat het TBB FIOD op structurele wijze in onherkenbare voertuigen mag rijden als zij géén optische en geluidsignalen voeren. Net zoals de Regeling voertuigen dit nu al mogelijk maakt voor voertuigen die gebruikt worden voor onopvallende politietaken.

Voorwaarden

Het gebruik van optische en geluidsignalen door politie, brandweer, diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en aangewezen hulpverleningsdiensten is slechts toegestaan in die gevallen dat sprake is van een zogenoemde dringende taak als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990, zoals nader uitgewerkt in artikel 2 van de Regeling OGS 2009.

In artikel 2 van de Regeling OGS 2009 is bepaald dat sprake is van een dringende taak in geval van:

  • a. een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van de betrokken hulpverleningsdiensten vergt;

  • b. het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat;

  • c. een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is.

De FIOD dient voor het TBB FIOD een richtlijn op te stellen met betrekking tot de werkzaamheden en de omstandigheden waarin van optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt. Deze richtlijn moet aan dezelfde eisen voldoen als de zogenoemde brancherichtlijnen van politie, brandweer en diensten voor spoedeisende medische hulpverlening. Het gaat in ieder geval om de eisen die zijn vastgelegd in artikel 3, derde en vierde lid, van de Regeling OGS 2009. Hierbij dient er in aanvulling op het derde lid, onder e, van die regeling binnen de opleiding van de bestuurder specifieke aandacht te zijn voor het rijden met optische en geluidssignalen in onherkenbare voertuigen.

De medewerkers van het TBB FIOD die daadwerkelijk voorrangsvoertuigen mogen besturen, dienen te worden aangewezen en dienen een speciale instructie te hebben gevolgd.

De door de voertuigen van het TBB FIOD te voeren optische en geluidssignalen moeten voldoen aan de in artikel 5, eerste en vijfde lid, van de Regeling OGS 2009 gestelde eisen. Een uitzondering hierop vormt de in artikel 5, eerste lid, genoemde eis dat de voertuigen die worden gebruikt voor het vervullen van een dringende taak aan weerszijden zijn voorzien van een embleem of naam van de dienst. Tevens is het TBB FIOD uitgezonderd van de eisen die ten aanzien van herkenbaarheid op grond van artikelen 5.2.51a, eerste lid, en 5.3.51a, eerste lid, van de Regeling voertuigen worden gesteld (zie onder Vrijstelling artikelen Regeling voertuigen).

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

Voor de toelichting bij artikel 1 wordt verwezen naar het algemeen deel van dit besluit.

Artikel 2

Artikel 2 regelt de vaststelling van een richtlijn door de FIOD, die ziet op de werkzaamheden en de omstandigheden waarin van de optische en geluidssignalen gebruik mag worden gemaakt. Deze bepaling is in lijn met artikel 3, tweede lid, van de Regeling OGS 2009.

Artikel 3

Artikel 3 stelt dat de FIOD personen of groepen moet aanwijzen, die voertuigen met in werking zijnde OGS-signalen mogen besturen. Dit artikel is in lijn met artikel 4 van de Regeling OGS 2009.

Artikel 4

Het eerste lid van artikel 4 regelt een vrijstelling voor motorrijtuigen van de FIOD van de artikelen 5.2.51a en 5.3.51a van de Regeling voertuigen. Deze artikelen behoren tot de zogenoemde permanente eisen en gaan over de bouw of inrichting van een voertuig.

De artikelen 5.2.51a (personenauto’s) en 5.3.51a (bedrijfsauto’s) vereisen dat voertuigen die in gebruik zijn bij diensten die OGS mogen voeren, door middel van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens herkenbaar zijn als voertuigen in gebruik bij deze diensten. Door het eerste lid, worden personenauto’s en bedrijfsauto’s, die in gebruik zijn bij de FIOD en die worden ingezet voor de taken van TBB FIOD, vrijgesteld van bovenstaande verplichting.

Het tweede lid stelt dat de voertuigen van de FIOD die optische- en geluidssignalen kunnen voeren voldoen aan artikel 5, eerste en vijfde lid, van de Regeling OGS 2009. Er is echter een vrijstelling opgenomen van de verplichting in het eerste lid dat een voertuig dat OGS voert aan weerszijden door middel van een embleem of naam van de dienst herkenbaar is voor de overige weggebruikers.

Artikel 5

Dit besluit wijkt af van de systematiek van de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn uit de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar). Er wordt gebruik gemaakt van de uitzondering uit Ar 4.17, vijfde lid, onder a. Aangezien het gewenst is dat de FIOD per 1 juli 2026 gebruik kan maken van optische en geluidssignalen, worden door afwijking van de vaste verandermomenten ongewenste publieke nadelen voorkomen. Voor het geval de inwerkingtredingdatum na 1 juli 2026 is, is bepaald dat de wijziging ingaat met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2026.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans


X Noot
1

Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2026.


X Noot
1

Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2026.

Naar boven