Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 21626 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 21626 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De staatssecretaris voor Klimaat en Groene Groei (KGG) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)
gelet op artikel 5.44 van de Omgevingswet
overwegende,
dat het ten behoeve van het project Energieproject A6 zon Lelystad in de gemeente Lelystad noodzakelijk is een planologische regeling als bedoeld in de Omgevingswet (hierna: Ow) te treffen;
dat de planologische regeling wordt vormgegeven in de vorm van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 e.v. Ow;
dat het gezien de ambitie uit het Klimaatakkoord noodzakelijk is om in te zetten op de opwek van elektriciteit middels hernieuwbare bronnen;
dat omtrent het voornemen overleg als bedoeld in artikel 2.2 Ow is gepleegd met de uitvoeringsdiensten van het Rijk, provincie Flevoland, gemeente Lelystad en waterschap Zuiderzeeland;
dat omtrent het voornemen en het projectbesluit participatie is gevoerd als bedoeld in art. 5.47, lid 4 en 5.51 Ow, alsmede art. 5.3 Omgevingsbesluit (Ob);
dat er geen sprake is van een aangewezen bouwactiviteit als bedoeld in artikel 13.11 Ow en artikel 8.13 Ob;
dat het daarom niet nodig is om kostenverhaalsvoorschriften te verbinden aan het projectbesluit of kostenverhaalsregels toe te voegen aan het het omgevingsplan zoals dat is voorgeschreven in artikel 13.14 lid 3 b Ow;
dat het ontwerp van het onderhavige besluit met de bijbehorende regels en bijlagen
en daarop betrekking hebbende stukken, als vervat in [KENMERK], van [DATUM] tot en met [DATUM] voor een ieder ter inzage heeft gelegen;
dat gedurende deze termijn [XX] unieke zienswijzen zijn ingediend;
[dat een aantal van deze zienswijzen aanleiding heeft gegeven [ONDERDEEL VAN] het projectbesluit aan te passen, ten opzichte van het ontwerp daarvan, van welke
wijzigingen in de bijlage bij dit besluit een overzicht wordt gegeven;] OF [dat geen van deze zienswijzen aanleiding heeft gegeven om het projectbesluit aan te passen] EN/OF [dat de regels, de verbeelding en de toelichting bij het projectbesluit ambtshalve zijn aangepast, ten opzichte van het ontwerp daarvan, van welke aanpassingen in de bijlage bij dit besluit een overzicht wordt gegeven];
onder verwijzing naar het milieueffectrapport Energieproject A6 zon Lelystad, het toetsingsadvies over het milieueffectrapport van de Commissie voor de milieueffectrapportage d.d. [DATUM], de antwoordnota zienswijzen en de motivering bij het projectbesluit en de hieraan ten grondslag liggende onderzoeken;
Besluiten:
Het projectbesluit A6 zon Lelystad vast te stellen, zoals deze in Bijlage 1 bij dit besluit is opgenomen.
Ten behoeve van het project het omgevingsplan van de gemeente Lelystad te wijzigen, zoals in Bijlage 2 bij dit besluit is opgenomen.
Geen kostenverhaalregels of -voorschriften te stellen als bedoeld in art. 13.14 Ow, omdat er geen sprake is van een aangewezen bouwactiviteit als bedoeld inartikel 8.13 Ob.
Met dit projectbesluit wordt het project Energieproject A6 zon Lelystad mogelijk gemaakt. De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is bevoegd gezag voor het projectbesluit. Daar waar in dit projectbesluit de minister worden genoemd, wordt de Minister van EZK bedoeld. Rijkswaterstaat (als uitvoerende organisatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) neemt het (voorlopige) initiatief voor het inpassen van zonnepanelen langs de A6. Een impressie van de ligging van het project is opgenomen in figuur 1.1 (zie volgende pagina).
Met het project wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behalen van de klimaatdoelstelling dat in 2030 zeventig procent van onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet komen. Daarnaast is het van belang de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk te benutten door in te zetten op meervoudig ruimtegebruik. Op die manier wordt eenzelfde grond- of wateroppervlakte voor meer dan één doel gebruikt. Het project A6 zon Lelystad draagt bij aan deze doelstelling.
In paragraaf 1.2 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Paragraaf 1.3 omvat de projectbeschrijving. Vervolgens worden in paragrafen 1.4, 1.5 en 1.6 de permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de aanleg en instandhouding van het Energieproject A6 zon Lelystad beschreven, alsmede de maatregelen ten behoeve van het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van (het in werking hebben of instand houden van) het project voor de fysieke leefomgeving.

Figuur 1.1 Ligging projectgebied
In dit projectbesluit wordt verstaan onder:
1. Maatregelen
Bouwwerken, werken en voorzieningen van infrastructurele, waterhuishoudkundige, landschappelijke, landbouwkundige, ecologische of andere aard die worden gerealiseerd teneinde nadelige gevolgen van de realisatie en/of exploitatie van het Energieproject A6 zon Lelystad voor de omgeving te verminderen of te voorkomen.
2. Tijdelijke maatregelen
Maatregelen die alleen in de aanlegfase van het project nodig zijn, zoals benodigde bouwwerken, werken en voorzieningen waaronder bouwdokken, werk- en montageterreinen, opslagruimten, bouwketen, depots, bouwwegen, persleidingen en wegomleggingen. Tijdelijke maatregelen worden niet langer in stand gehouden dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van het Energieproject A6 zon Lelystad en uiterlijk tot één jaar na oplevering en start van ingebruiknemen van het project.
Dit projectbesluit heeft betrekking op de realisatie en exploitatie van het Energieproject A6 zon Lelystad en maakt langs de A6 binnen de aangegeven werkingsgebieden de volgende voorzieningen mogelijk:
PV-panelen met daarbij behorende stellages
Elektriciteitskabels, niet zijnde hoogspanningskabels, inclusief aansluiting(en) op het elektriciteitsnet
Omvormers en verdelers
Transformatoren / onderstation
Groenvoorzieningen
Watergangen en -partijen
Grondophogingen
Hekwerken en geleiderails
Onderhoudspaden
Grootschalige opslag in batterijen wordt niet rechtstreeks toegelaten op grond van dit besluit.
Watergangen met rietkragen die een fysieke barriere vormen voor een zonneveld dat onderdeel is van het project, dienen gedurende de gebruikstijd van de opstellocaties voor de zonnevelden in stand te worden gehouden.
Maatregelen voor de landschappelijke inpassing vanaf de rijksweg op basis van de ontwerpeisen dienen gedurende de gebruikstijd van de opstellocaties voor de zonnevelden in stand te worden gehouden. De ontwerpeisen zijn opgenomen als bijlage bij het tijdelijk regelingdeel.
Aan de ontwerpeisen moet worden voldaan. Er zijn ontwerpeisen aan het project voor de inpassing in de omgeving beschouwd van de rijksweg, hoofdzakelijk gericht op de beleving van de weg door de weggebruiker. Ook zijn er ontwerpeisen voor de inpassing van de opstellocaties beschouwd vanaf locaties in de omgeving: maatregelen en voorzieningen om de achterzijde van de zonnevelden in te passen moeten worden getroffen. Hierbij kunnen grondwallen, afscherming met wanden, groenstructuren of andere maatregelen en voorzieningen met een vergelijkbaar effect worden aangebracht en in stand worden gehouden gedurende de exploitatie.
De maatregel of voorziening wordt door de de initiatiefnemer uitgewerkt in het kader van de vergunningverlening en wordt beoordeeld in de vergunningprocedure door het bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunning.
Bij het realiseren van de opstellocaties mogen geen uitlogende materialen worden toegepast. Bij het realiseren van opstellocaties mag uitsluitend en voor zover noodzakelijk ten behoeve van het project grond van een overeenkomstige kwaliteit als de gebiedseigen kwaliteit (vergelijkbare classificatie) worden aangebracht.
In verband met de uitvoering van het projectbesluit kunnen tijdelijke maatregelen worden gerealiseerd of uitgevoerd. De tijdelijke maatregelen kunnen worden gerealiseerd en uitgevoerd binnen de grenzen van het gehele regelinggebied. Onder tijdelijke maatregelen worden onder andere begrepen:
de gronden waarop tijdelijke maatregelen worden getroffen, krijgen na uitvoering van de werkzaamheden hun oorspronkelijke functie conform het omgevingsplan terug, zoals deze gold voor de datum van inwerkingtreden van het projectbesluit, tenzij in de regels van dit projectbesluit die het omgevingsplan wijzigen anders is bepaald.
Ecologische maatregelen
Voor het project geldt dat er sprake is van ruimtebeslag op NNN-gebieden: dit ruimtebeslag wordt gecompenseerd door de ontwikkeling van gebieden met natuurwaarden op de locatie ‘gebiedsontwikkeling Zuiderhage’ . Deze natuurcompensatie mag op een alternatieve, gelijkwaardige locatie worden gerealiseerd.
Voor de aanleg van de zonnepanelen in het deelgebied ‘Oostvaardersplassen’ en het deelgebied ‘Boog om Lelystad’ worden bomen gekapt. Compensatie van deze bomen is voorzien in de aanplant van houtopstanden in ‘gebiedsontwikkeling Zuiderhage’. Deze bomencompensatie mag op een alternatieve, gelijkwaardige locatie worden gerealiseerd.
Met voorafgaande toestemming van provincie Flevoland mag een alternatieve locatie voor de compensatie van NNN-gebieden of alternatieve herplant van houtopstanden worden gerealiseerd. Het provinciale beleid voor compensatie van gebieden of houtopstanden dient hierbij in acht genomen te worden.
Maatregelen ten aanzien van beschermde soorten
Om te voldoen aan de zorgplicht dienen minimaal de volgende maatregelen in acht te worden genomen:
aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden;
werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten;
enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen;
in mogelijk leefgebied: jonge hazen/egels met rust laten en wachten tot deze zelfstandig het werkgebied hebben verlaten. Indien dit niet mogelijk is, mogen de dieren met handschoenen naar een beschutte locatie buiten het werkgebied verplaatst worden. Bij het aantreffen van dieren in winterslaap mogen deze niet verplaatst worden zonder ecologische begeleiding van een erkend ecoloog.
Om vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen in acht te worden genomen, vanaf het moment dat de initiatienemer vergunning voor de uitvoering heeft verkregen:
voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven; dit is geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad;
vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad en (bij aanwezigheid van steile kanten) een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen;
voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster). Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding door voetganger met hond e.d.).
Landschappelijke maatregelen
Na het vervallen van de vergunning voor het zonnepark wordt door Rijkswaterstaat als grondeigenaar, in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Minister van Klimaat en Groene Groei, een landschapsplan en uitwerkingsplan opgesteld en uitgevoerd. Dit plan borgt het herstel en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het snelweglandschap, met aandacht voor openheid en zichtlijnen naar de Oostvaardersplassen, de landschappelijke inpassing rond de Boog om Lelystad en het behoud van groene en natte structuren (o.a. rietkragen, watergangen). Het plan wordt opgesteld in afstemming met provincie Flevoland en gemeente Lelystad en vastgesteld binnen 12 maanden na beëindiging van de exploitatieperiode
Voor de opstellocaties van zonnepanelen die op basis van de ontwerpregels (bijlage ‘Principeontwerp A6 Zon’) worden voorzien van een rietkraag, geldt dat deze rietkraag door de exploitant aangelegd moet worden. Het beheer van rietkraag en watergang wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat. De exploitant dient Rijkswaterstaat te informeren over de aanplant van de rietkraag, minimaal 6 weken voorafgaand aan de aanplant. Beheer van een rietkraag houdt minimaal in dat er één keer per 5 jaar wordt gemaaid. Rijkswaterstaat stelt een beheerplan voor rietkragen op die deel uitmaakt van de uitgiftedocumenten.
Geleiderails / hekwerken langs de rijksweg
De richtlijn Ontwerp Autosnelwegen - Veilige Inrichting van Bermen moet in acht genomen worden.
Voor het deelgebied Boog van Lelystad geldt dat er mogelijk hekwerken worden geplaatst om een duurzame staat van instandhouding van de opstellocaties te waarborgen. Hierbij geldt de hiervoor genoemde richtlijn. Hekwerken hebben een maximale hoogte van 2,5 meter en worden uitgevoerd in de kleur RAL 6009 (dennengroen). Indien dit binnen de richtlijn en een duurzame staat van instandhouding van de opstellocatie mogelijk is, wordt een hekwerk door begroeiing aan het zicht onttrokken.
Voor de aanleg en instandhouding van het project is een projectbesluit noodzakelijk. Daarnaast zijn allerlei uitvoeringsbesluiten (zoals bijvoorbeeld vergunningen, ontheffingen, meldingen e.d.) vereist om tot daadwerkelijke realisatie en exploitatie van het project te komen.
Dit projectbesluit voorziet in het ruimtelijk mogelijk maken van het project en geldt niet als:
omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit, als bedoeld in artikel 5.52 lid 2 sub a Omgevingswet;
een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen besluit, als bedoeld in artikel 5.52 lid 2 sub b van de Omgevingswet.
In onderstaande tabel is indicatief overzicht opgenomen van de uitvoeringsbesluiten. Op basis van het verder uitgewerkte ontwerp van de opwekinstallatie dient voorafgaand aan de uitvoering een nadere specificatie van de vergunningplichten te worden gemaakt.
Naam vergunning / activiteit | bevoegd gezag | opmerking / extra informatie |
Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor uitvoeren van werkzaamheden (aanlegstelsel) | gemeente Lelystad | - |
Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken (ruimtelijk bouwen) en mogelijk omgevingsvergunning - technische bouwactiviteit | gemeente Lelystad | afhankelijk van de hoogte van transformatoren |
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit | provincie Flevoland | Afhankelijk van uitkomsten nadere onderzoeken |
Omgevingsvergunning - wateractiviteit | waterschap Zuiderzeeland | beperkingengebiedactiviteit waterschap |
Omgevingsvergunning - beperkingengebied | rijkswaterstaat | - |
Melding vellen houtopstanden | provincie Flevoland | - |
Omgevingsvergunning - omgevingsplanactiviteit vellen houtopstanden | gemeente Lelystad |
De bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen en het nemen van andere uitvoeringsbesluiten ligt bij gemeente Lelystad, provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland en Rijkswaterstaat. Deze organisaties zijn betrokken in de projectprocedure voor dit projectbesluit. De staatssecretaris van KGG blijft ook na vaststelling van het projectbesluit om binnen zijn verantwoordelijkheidsdomein om de realisatie van het project te bevorderen, bijvoorbeeld in geval van belemmeringen of onvoorziene omstandigheden bij uitvoeringsbesluiten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle partijen om het project succesvol te realiseren.
Op basis van artikel 4.19a van de Omgevingswet worden er in het omgevingsplan van de gemeente Lelystad danwel in de omgevingsverordening van de provincie Flevoland gedurende een termijn van 5 jaar na vaststelling van dit projectbesluit geen regels gesteld die het uitvoeren en de instandhouding van het Energieproject A6 zon Lelystad belemmeren. Een belemmering is in ieder geval niet aan de orde als bij het stellen van de regels wordt voorzien in de regels zoals aangegeven in bijlage 2 bij artikel 2 van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit.
Dit projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van de gemeente Lelystad, zoals aangegeven in bijlage 2 bij artikel 2 van het besluit tot vaststelling van het projectbesluit.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_A6zon_projectgebied/nld@2026‑06‑11
Zie voor het volledige milieueffectrapport de projectpagina op de website van de Rijksdienst van Ondernemend Nederland.
Voor zover de regels van het omgevingsplan afwijken van de regels waarmee het projectbesluit A6 zon Lelystad het omgevingsplan wijzigt hebben de regels die door het projectbesluit zijn toegevoegd voorrang.
In deze regels wordt verstaan
onder:
bestaand
1. bij bebouwing:
bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de
tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag
worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende
omgevingsvergunning;
2. bij gebruik: gebruik zoals
legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het
plan;
bevoegd gezag
bestuursorgaan
dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van
een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van
een al verleende
omgevingsvergunning.
bouwen
het
plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen
of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk.
bouwwerk
elke constructie
van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal,
die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
grond.
gebouw
elk bouwwerk, dat een
voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk
met wanden omsloten ruimte vormt.
kwetsbaar
gebouw
een gebouw als bedoeld in bijlage VI,
onder C van het Besluit kwaliteit
leefomgeving.
Onze minister
de
minister van Klimaat en Groene Groei;
peil -
wegdek
de hoogte van het aangrenzende of
dichtstbijzijnde wegdek ter plaatse van het
(bouw)werk;
indien de hoogte van het aangrenzende of
dichtstbijzijnde wegdek niet aan alle zijden van het
bouwwerk gelijk is, wordt het peil-wegdek gerekend voor de
as van het wegdek.
projectbesluit
het
projectbesluit A6 zon Lelystad met identificatienummer
[/join/id/regdata/mnre1045/2025/vb_A6zon_regelinggebied/nld@XXX]
van de minister van Klimaat en Groene
Groei.
zeer kwetsbaar gebouw
een
gebouw als bedoeld in bijlage VI, onder E van het Besluit
kwaliteit leefomgeving.
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil-wegdek
tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk,
geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte
bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard
daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de energieinfrastructuur;
het beschermen van de gezondheid in de nabijheid van de energieinfrastructuur;
het behoeden van de staat en werking van de energieinfrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren van de energieinfrastructuur;
het creëren en behouden van ruimte voor de ontwikkeling van de energieinfrastructuur.
Voor de energieinfrastructuur gelden de volgende doelen:
Deze afdeling gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving in verband met activiteiten ter plaatse van de energieinfrastructuur.
De regels van de afdeling 2.2 gaan voor op de regels van de afdeling 3.1.
Bij het verrichten van activiteiten binnen het beperkingengebied 'kabel' wordt voldaan aan de in deze afdeling gestelde regels.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied 'kabel' de volgende bouwactiviteiten te verrichten:
Dit verbod is niet van toepassing op:
bestaande bouwwerken;
het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering onder de voorwaarde dat deze activiteit op grond van de andere daar geldende regels in het omgevingsplan eveneens is toegestaan;
tijdelijke (bouw)activiteiten ten behoeve van het zonnepark.
Het is verboden de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied 'kabel' zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden:a. activiteiten die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de kabel.
Dit verbod is niet van toepassing op:a. de aanleg van de kabel en het zonnepark; b. werken en werkzaamheden ten behoeve van het normaal onderhoud en beheer en het verwijderen en vervangen van bestaande buisleidingen en leidingen alsmede de hierbij behorende voorzieningen;c. activiteiten die al in uitvoering waren voor inwerkingtreding van het projectbesluit;d. graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
geen kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten, en;
de bouwwerken de veiligheid van de kabel niet schaden. Het bevoegd gezag betrekt hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder, en;
het toe te laten bouwwerk, gelet op de doelen van artikel 1.3, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het elektriciteitsnet en het zonnepark.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied 'kabel' de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
Dit verbod is niet van toepassing op:
activiteiten die al in uitvoering waren voor inwerkingtreding van het plan;
activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van de kabel worden verricht in verband met de doelstellingen genoemd in artikel 1.3;
activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken;
activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwactiviteit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
de bouwwerken de veiligheid van de kabel niet schaden. Het bevoegd gezag betrekt hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder, en;
het toe te laten bouwwerk, gelet op de doelen van artikel 1.3, geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het elektriciteitsnet en het zonnepark.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied 'kabel' de volgende activiteiten te verrichten:
het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem (inclusief heiwerkzaamheden);
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen, zoals sloten, greppels of overige wateren;
het opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en/of materialen;
het oprichten van gebouwen of bouwwerken, tenzij deze een functionele binding hebben met de kabel.
de aanlegactiviteiten de veiligheid van de kabel niet schaden. Het bevoegd gezag betrekt hierbij het schriftelijk advies van de kabelbeheerder, en;
de toe te laten aanlegactiviteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de opwekinstallatie voor zonne-energie.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Deze afdeling gaat over activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, gebruiken en beheren van de energieinfrastructuur.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Er kunnen met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 3.2 maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen als benoemd in artikel 3.2, met het oog waarop de regels in de dit hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Het is toegestaan een ondergrondse kabel voor het transport van elektriciteit aan te leggen, in werking te hebben en te verwijderen.
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een ondergrondse kabel of een zonnepark met bijbehorende voorzieningen worden gebouwd met een maximale hoogte van 2,5 meter.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:
installaties voor opwekking, omzetting en/of transport van zonne-energie aan te leggen (waaronder in ieder geval begrepen zonnepanelen op stellages en/of aardwallen en transformatorgebouwtjes), in werking te hebben en te verwijderen.
Activiteiten te verrichten die (functioneel) ondersteunend zijn aan de activiteiten onder 1 van dit artikel (zoals wegen, paden, onder- en bovengrondse buisleidingen, verkeers- en parkeervoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, lichtvoorzieningen, erf- en terreinafscheidingen, water en waterlopen en groenvoorzieningen).
Tijdelijke activiteiten in het kader van de aanleg van installatie voor opwekking, omzetting en/of transport van zonne-energie (waaronder werkterreinen en –wegen) zijn toegestaan. Hierbij dient, voor zover van toepassing, een op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving vereiste omgevingsvergunning voor een flora- en faunactiviteit in acht te worden genomen.
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.7 aangewezen activiteiten worden gebouwd, als deze voldoen aan de eisen van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 (vanaf de rijksweg) en bijlage 3 (vanaf de omgeving van de rijksweg) bij deze regels.Voor het deelgebied 'Boog om Lelystad' gelden de algemene ontwerpeisen in combinatie met de specifieke ontwerpeisen voor deelgebied 'Boog om Lelystad' die in bijlage 2 zijn opgenomen;
Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan.
De bouwhoogte van de installaties voor opwekking van zonne-energie bedraagt maximaal 6 meter.
De bouwhoogte van een transformatorgebouw is maximaal overeenkomstig de nokhoogte van de dakopstelling en bedraagt maximaal 6 meter. De laagste bouwhoogte van deze twee mogelijkheden is bepalend.
De oppervlakte van een transformatorgebouw bedraagt maximaal 20 m2
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 meter.
De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,5 meter.
Lichtreflectie mag geen hinder veroorzaken voor weggebruikers of ter plaatse van verblijfslocaties zoals woningen en kantoren in de omgeving.
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.7 aangewezen activiteiten worden gebouwd, als deze voldoen aan de eisen van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 (vanaf de rijksweg) en bijlage 3 (vanaf de omgeving van de rijksweg) bij deze regels.Voor het deelgebied 'Oostvaardersplassen' gelden de algemene ontwerpeisen in combinatie met de specifieke ontwerpeisen voor deelgebied 'Oostvaardersplassen' die in bijlage 2 zijn opgenomen.
Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan.
De bouwhoogte van de installaties voor opwekking van zonne-energie bedraagt maximaal 6 meter.
De bouwhoogte van een transformatorgebouw is maximaal overeenkomstig de nokhoogte van de dakopstelling en bedraagt maximaal 6 meter. De laagste bouwhoogte van deze twee mogelijkheden is bepalend.
De oppervlakte van een transformatorgebouw bedraagt maximaal 20 m2
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 meter.
De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,5 meter.
Lichtreflectie mag geen hinder veroorzaken voor weggebruikers of ter plaatse van verblijfslocaties zoals woningen en kantoren in de omgeving.
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de in artikel 3.7 aangewezen activiteiten worden gebouwd, als deze voldoen aan de eisen van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 (vanaf de rijksweg) en bijlage 3 (vanaf de omgeving van de rijksweg) bij deze regels.Voor het deelgebied 'overige gebieden' die deel uitmaken van het besluitgebied van het projectbesluit 'Energieproject A6 Zon Lelystad' gelden de algemene ontwerpeisen die in bijlage 2 zijn opgenomen. Dit zijn alle gebieden die niet behoren tot de deelgebieden zoals aangewezen in artikel 3.8 en artikel 3.9.
Ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan.
De bouwhoogte van de installaties voor opwekking van zonne-energie bedraagt maximaal 6 meter.
De bouwhoogte van een transformatorgebouw is maximaal overeenkomstig de nokhoogte van de dakopstelling en bedraagt maximaal 6 meter. De laagste bouwhoogte van deze twee mogelijkheden is bepalend.
De oppervlakte van een transformatorgebouw bedraagt maximaal 20 m2.
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 meter.
De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter.
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,5 meter.
Lichtreflectie mag geen hinder veroorzaken voor weggebruikers of ter plaatse van verblijfslocaties zoals woningen en kantoren in de omgeving.
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;c. de bescherming van archeologische waarden zoals deze zijn opgenomen in het omgevingsplan;d. de doelen als opgenomen in artikel 1.3.
Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er zijn geen geschikte alternatieven; en,b. het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de doelen zoals benoemd in artikel 1.3.
Een bestaande activiteit die in strijd is met de regels waarmee het projectbesluit A6 zon Lelystad het omgevingsplan wijzigt, mag worden voortgezet.
Het is verboden een strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid te veranderen, tenzij: a. door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;b. de activiteit hiermee in overeenstemming met het omgevingsplan wordt gebracht.
Als de strijdige activiteit zoals bedoeld in het eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.
Het bepaalde in lid 1 t/m 3 is niet van toepassing op een strijdige activiteit die reeds in strijd was met de voorheen geldende regels van het omgevingsplan voordat het projectbesluit het omgevingsplan wijzigde, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_A6zon_projectgebied_Lelystad/nld@2026‑06‑11
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_A6zon_Oostvaarderplassen/nld@2026‑06‑11
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_A6zon_BoogOmLelystad/nld@2026‑06‑11
/join/id/regdata/mnre1045/2026/pb_A6zon_Overiggebied/nld@2026‑06‑11
/join/id/regdata/mnre1045/2026/Landschappelijke_inpassing_vanaf_de_rijksweg/nld@2026‑06‑09;1
Rijkswaterstaat heeft de afgelopen jaren de wegverbreding van de A6 tussen Almere-Oostvaarders en Lelystad voorbereid . In 2017 heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het initiatief genomen voor een verkenning omtrent deze wegverbreding. Navolgend op de verkenning is een planuitwerkingsfase opgestart voor het voorgenomen initiatief: de verbreding van de A6 van 2x2 naar 2x3 rijstroken. De wegverbreding van de A6 is momenteel vertraagd en is in afwachting van de oplossing rondom de stikstofproblematiek.
Parallel aan de voorbereiding van de wegverbreding van de A6 heeft de provincie Flevoland in 2017 aan de toenmalige Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken en Klimaat verzocht de mogelijkheden te verkennen om het opwekken van hernieuwbare energie in te passen in de geplande wegverbreding van de A6. De wegverbreding is nauw verweven met het initiatief om hernieuwbare energie op te wekken. Dit project is toen als ‘Energieproject A6 zon Lelystad Dronten’ opgenomen in het pilotprogramma ‘Hernieuwbare energie op Rijksgrond’ (HER). Het pilotprogramma HER eindigde eind 2023 en verkende en bereidde verschillende pilotprojecten voor, met als doel Rijksgrond beschikbaar te stellen voor de opwekking van hernieuwbare energie. Hiermee wordt door de Rijksoverheid invulling gegeven aan de gemaakte afspraken in het Klimaatakkoord (2019). In het Klimaatakkoord is namelijk afgesproken dat de Rijksoverheid, waar mogelijk, de gronden die in haar bezit zijn beschikbaar stelt voor de klimaatopgave.
Inmiddels is het pilotprogramma HER opgenomen in het (vervolg)programma van het voormalige ministerie van Economische Zaken en Klimaat: Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER). Doel van het programma OER is om de uitvoering van de Regionale Energiestrategieën (RES) te ondersteunen en meters te maken om de klimaatdoelen te halen. De RES is een van de concrete maatregelen die volgt uit het Klimaatakkoord. Het doel van de RES is om in 2030 minimaal 35 TWh duurzame elektriciteit op land te produceren. Het Energieproject A6 zon Lelystad (hierna: Energieproject A6 zon) is één van de energieprojecten die vanuit de HER is opgenomen in het programma OER.
Dit project is begonnen onder het regiem van de Elektriciteitswet (1998) waarin het Rijk als bevoegd gezag was aangemerkt voor de ruimtelijke inpassing van zonneparken vanaf 50MW. In deze juridische context hebben provincie Flevoland, gemeenten Lelystad en Dronten en het ministerie van EZK gesprekken gevoerd over de rolverdeling, waarbij decentrale overheden meermaals de wens hebben geuit voor de ruimtelijke inpassing van dit project door het Rijk. Naast de formele verantwoordelijkheid van de Minister voor Klimaat en Energie die van rechtswege voortvloeide uit de Elektriciteitswet door de opwekpotentie hoger dan 50 MW was de overweging van de bestuurlijke partners dat dit project een bovenregionaal karakter heeft door de koppeling met het wegverbredingsproject A6 Almere Oostvaarders – Lelystad en het 380kV-project Diemen Ens. In goed bestuurlijk overleg en op verzoek van de decentrale overheden heeft EZK ermee ingestemd om dit project van nationaal belang te verklaren en in de geest van de Omgevingswet voor te bereiden. Deze afspraken zijn vastgelegd in de bestuursovereenkomst van juni 2023. De Minister voor Klimaat en Energie heeft op 23 oktober 2023 ingestemd met het starten van de Rijkscoördinatieregeling waarmee de status van nationaal belang juridisch is bekrachtigd.
Door de aanleg van zonneparken op rijksgronden langs rijkswegen, zoals het Energieproject A6 Zon Lelystad mogelijk maakt, wordt bijgedragen aan de nationale doelstellingen ten aanzien van de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zoals vastgelegd in het Nationaal klimaatakkoord (28 juni 2019) en de Klimaatwet (1 september 2019). Het opwekken van hernieuwbare energie is een noodzakelijke klimaatmaatregel om aan de doelstellingen van het klimaatakkoord te kunnen voldoen. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de Rijksoverheid, waar mogelijk, de gronden die in haar bezit zijn beschikbaar stelt voor de klimaatopgave.
Op 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. In deze wet is de bevoegdheidsverdeling voor over zonneprojecten aangepast in die zin dat alleen de besluitvorming over projecten die een opwek vanaf 100MW mogelijk maken op Rijksniveau ligt. Naar aanleiding van deze wetswijziging is de bevoegdheid tot het vaststellen van het projectbesluit opnieuw besproken door de betrokken bestuurlijke partijen. De toenmalige Minister voor Klimaat en Energie en bestuurlijke partners hebben in goed overleg afgesproken om de overeengekomen bevoegdheidsverdeling, omwille van het eerder vastgestelde nationaal belang in combinatie met de vergevorderde status van het project, in stand te houden. Een doelmatige en doeltreffende uitoefening van taken en bevoegdheden, zoals benoemd in artikel 2.3 Omgevingswet, is gediend met het in stand houden van de eerder afgestemde bevoegdheidsverdeling. Het overdragen van de bevoegdheid aan de provincie wordt door alle betrokken bestuurlijke partners niet wenselijk geacht in het kader van continuïteit/doelmatigheid, efficiency en de reeds doorlopen participatieprocedure. Het project zou hierdoor vertraging oplopen, waarmee de bijdrage aan de klimaatdoelen verder uitgesteld wordt. De bestaande, goedwerkende projectorganisatie zou opgeheven moeten worden met kosten en tijdsverlies als gevolg. Tot slot zou het een onbetrouwbaar en diffuus beeld scheppen richting de omgeving die dankzij een zorgvuldig participatieproces doorlopend is betrokken in de procedure en rekent op een consistente manier van inspraak.
Deze motivering bevat de onderbouwing van het besluit van de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om de realisatie van zonneparken langs de A6 van aansluiting 8 Almere-Oostvaarders tot aan de IJsselmeerdijk mogelijk te maken. Dit wordt planologisch mogelijk gemaakt door middel van het borgen van het project in een projectbesluit, dat wordt vastgesteld door de minister van KGG in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). Met dit projectbesluit wordt tevens het omgevingsplan van de gemeente Lelystad gewijzigd.
Het Energieproject A6 zon Lelystad heeft als doel om het beschikbare areaal van RWS langs de A6 maximaal te benutten voor de opwek van zonne-energie, zonder negatieve effecten op de kerntaken van Rijkswaterstaat en met een belangrijke plek voor landschappelijke waarden in het ontwerp. De snelweg A6 is ruim opgezet met brede zij- en middenbermen en veel ruimte binnen de aansluitingen. Daarom is er rond de A6 veel ruimte die geschikt kan zijn voor het opwekken van zonne-energie. Het traject volgt de A6 van aansluiting 8 Almere-Oostvaarders tot aan de IJsselmeerdijk, zie figuur 1.1.

Het Rijk is juridisch gezien de initiatiefnemer en heeft Rijkswaterstaat de opdracht gegeven om namens het Rijk invulling te geven aan het voortraject van het OER-project tot aan de tenderfase. De rol van Rijkswaterstaat is mede omwille van de zuiverheid en duidelijkheid over de rolverdeling op bestuurlijk niveau bekrachtigd.
Rolverdeling
Rijkswaterstaat geeft in opdracht van het ministerie van KGG invulling aan de rol van initiatiefnemer.
Rijkswaterstaat NOVA treedt op als opdrachtnemer binnen het programma OER en is verantwoordelijk voor de invulling van de rol van (voorlopige) initiatiefnemer voor het project. Op het moment dat er een daadwerkelijke initiatiefnemer bekend is (nadat de openbare inschrijving heeft plaatsgevonden), draagt rijkswaterstaat NOVA deze rol over.
De minister van KGG is, in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (in dit geval na delegatie: de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) bevoegd gezag voor het vaststellen van het projectbesluit.
Rijkswaterstaat PVP toetst in opdracht van het ministerie van VRO mee op producten zoals VenP, NRD, (ontwerp)PB en MER, dit wordt ook wel de voortoets genoemd. De voortoets van RWS in opdracht van VRO is een interne kwaliteitscheck vanuit het Rijk en dient uitgevoerd te worden voordat de stukken ter inzage worden gelegd. De taken van de jurist van RWS/VRO ziet op:
Algemene begeleiding van de totale projectprocedure
Toetsing van het voornemen en participatieplan, de NRD, het MER en het VKA
Informeren van de minister van VRO over het VKA
Toetsing van het projectbesluit
Voorbereiding van besluiten door de minister van VRO
Ondersteuning bij afhandelen zienswijzen (ruimtelijke aspecten)
Rijkswaterstaat heeft tot slot ook een rol als areaalbeheerder. Deze rol wordt vervuld door Rijkswaterstaat MN en omvat het toetsten van ontwerpvarianten aan de kaders van het areaalbeheer, het nemen van een vastgoedbesluit (als basis voor het beschikbaar stellen van de gronden) en voor zover dit noodzakelijk en van toepassing is als bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen.
Het gehele tracé van het Energieproject A6 zon Lelystad wordt gerealiseerd met toepassing van de projectprocedure. Hierin werkt de initiatiefnemer samen met het ministerie van KGG toe naar een onherroepelijk projectbesluit. Bij dit projectbesluit is door de initiatiefnemer samen met het ministerie van KGG, een vrijwillige milieueffectrapportage (MER) opgesteld.
Versterking IJsselmeerdijk
Naast de geplande wegverbreding van de A6 door Rijkswaterstaat is Waterschap Zuiderzeeland bezig met de versterking van de IJsselmeerdijk tussen Lelystad-Noord en de Ketelbrug, parallel aan de A6. Binnen de dijkversterking is de ambitie om een klimaatneutrale dijk te realiseren en om duurzame energie op te wekken. Het Waterschap heeft in een eerdere fase aangegeven kansen te zien voor het opwekken van duurzame energie op het betreffende deel van de IJsselmeerdijk parallel aan de A6. Daarom is dit tracé ook meegenomen in het MER voor het Energieproject A6 zon. Later is echter door het Waterschap besloten om de verduurzaming van de IJsselmeerdijk op dit moment niet verder door te zetten.
De grondslag van dit projectbesluit is artikel 5.44 en 5.44b van de Omgevingswet, in combinatie met artikel 9b lid 1 onder b van de Elektriciteitswet 1998. Dit projectbesluit bevat het ruimtelijk planologische besluit. De uitvoeringsbesluiten die nodig zijn voor het realiseren en instandhouden van het project maken geen onderdeel uit van het projectbesluit.
Het projectbesluit
Het projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk voor het mogelijk maken van vaak complexe projecten met een publiek belang. Een projectbesluit bestaat uit een regeling, een motivering en een vaststellingsbesluit. Daarnaast kan het projectbesluit regels van het gemeentelijke omgevingsplan wijzigen die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn onderdeel van het projectbesluit maar maken na vaststelling onderdeel uit van het gemeentelijke omgevingsplan.
Het project A6 zon valt onder de Elektriciteitswet 1998, welke per 1 januari 2026 vervangen wordt door de Energiewet. In de Elektriciteitswet 1998 wordt het Rijk als bevoegd gezag aangewezen voor projectbesluiten die de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit anders dan door windenergie, met een capaciteit van 50 MW of meer (art. 9b lid 1 onder b Elektriciteitswet 1998).
Voor project A6 zon, dat een productie-installatie betreft met een capaciteit van 50 MW of meer, is het Rijk op grond van artikel 9b, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998 bevoegd gezag voor het vaststellen van een projectbesluit. Daarmee valt dit project onder de reikwijdte van het projectbesluitinstrument, waarmee de benodigde planologische inpassing en uitvoeringsruimte kan worden gerealiseerd.
In de Energiewet zijn in artikel 6.1 werken met een nationaal belang aangewezen waarvoor door de Minister in ieder geval een projectbesluit vastgesteld wordt. In artikel 6.1 lid 1 onder b Energiewet worden productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van zonne-energie aangewezen met een minimale capaciteit van 100 MW. Zie ook hierna onder paragraaf 3.2.3 ‘Energiewet’.
Omgevingswet
De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden en vormt het juridische kader voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet is uitgewerkt in 4 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een ministeriële regeling (Omgevingsregeling), die ook op 1 januari 2024 in werking zijn getreden.
De 4 AMvB’s zijn:
Omgevingsbesluit (Ob)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Voor het onderhavige projectbesluit zijn met name het Bkl en het Ob van belang (zie navolgende kopjes).
Het projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk en is bedoeld om complexe projecten met een publiek belang mogelijk te maken. In het projectbesluit beschrijft het bevoegd gezag hoe het project eruit zal zien. Ook geeft het bevoegd gezag inzicht in de maatregelen en voorzieningen voor de fysieke leefomgeving die genomen worden om het project te realiseren. Dit kunnen permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen zijn.
Als het project mogelijk nadelige gevolgen voor de leefomgeving heeft, geeft het bevoegd gezag aan welke maatregelen er komen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken, te beperken of te compenseren. Dit zijn maatregelen tijdens de uitvoering van het project. Het kan ook gaan om maatregelen in de periode dat het project in gebruik is (art. 5.6 Ob).
In het projectbesluit geeft het bevoegd gezag aan wat de resultaten van de verkenning zijn. Ook staat erin hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken (art. 5.51 Ow). Het projectbesluit geeft dus aan hoe de participatie is uitgevoerd. Tot slot gaat het projectbesluit in op oplossingen die burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen hebben aangedragen. Daarnaast gaat het in op de adviezen van deskundigen hierover.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Bkl voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Er staat onder andere in wat er in omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen moet staan. Ook omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl. Verder geeft het Bkl regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. En regels over monitoring en gegevensverzameling. Op grond van artikel 5.1 Bkl geldt hoofdstuk 5 alleen voor het stellen van regels in het omgevingsplan en gedeeltelijk voor het projectbesluit (art. 9.1 Bkl). Daarom is in dit projectbesluit een toetsing aan het Bkl opgenomen (zie hoofdstukken 6 t/m 12).
Provinciale verordening
De provincie Flevoland heeft regels op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water vastgelegd in de Omgevingsverordening Flevoland. Deze verordening is een belangrijk instrument om de provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving te realiseren. De regels zijn opgesteld in het kader van de Omgevingswet en zijn gebundeld in één document dat geldt voor inwoners, bedrijven, initiatiefnemers én overheden zoals gemeenten en waterschappen.
De verordening vertaalt beleidsdoelen naar concrete regels en biedt ruimte aan maatschappelijke ontwikkelingen zoals de energietransitie, woningbouw en duurzame landbouw. Tegelijkertijd worden waardevolle gebieden zoals natuurgebieden, stiltegebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en cultuurlandschappen beschermd. In specifieke gebieden gelden regels voor onder andere het watersysteem, zwemwater, duurzame energie, geitenhouderijen en ontgrondingen.
De provincie Flevoland hecht waarde aan het behoud van cultuurhistorische elementen en karakteristieke landschapselementen. Zo zijn er instructieregels opgenomen voor het behoud van erfgoed en landschappelijke kwaliteit. Elementen zoals oude kavelstructuren, waterlopen en historische wegen dragen bij aan de identiteit van het Flevolandse landschap. Verharding of aantasting van deze elementen is in principe niet toegestaan, tenzij er sprake is van zwaarwegende belangen en er geen alternatieven beschikbaar zijn.
De provincie Flevoland heeft in haar omgevingsverordening een ontwikkelruimte vastgesteld van maximaal 1000 hectare voor zonneparken in het landelijk gebied, verdeeld over twee tranches van elk 500 hectare. De eerste tranche is inmiddels vrijwel volledig benut.
Omgevingsbesluit
In het Omgevingsbesluit (Ob) staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bijvoorbeeld: wie bevoegd gezag is voor een omgevingsvergunning, welke procedure van toepassing is en hoe de milieueffectrapportage plaatsvindt. Het Omgevingsbesluit geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.
In hoofdstuk 5 Ob zijn specifieke regels opgenomen voor de projectprocedure en het projectbesluit. Hierbij is onder andere de wijze van participatie voorgeschreven (art. 5.3 Ob) en de publicatie van het ontwerp projectbesluit (art. 5.5a Ob). Ook is beschreven wat het projectbesluit in ieder geval moet bevatten (art. 5.6 Ob):
Een beschrijving van het project
De voor de fysieke leefomgeving relevante permanente of tijdelijke maatregelen en voorzieningen om het project te realiseren; en
De maatregelen die zijn gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de nadelige gevolgen van het project of van het in werking hebben of in stand houden daarvan voor de fysieke leefomgeving.
Omgevingsplan
Op het moment van vaststellen van dit besluit beschikt de gemeente Lelystad nog niet over een volwaardig omgevingsplan in de zin van de Omgevingswet. Momenteel vigeert ter plaatse van het besluitgebied het omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat onder andere uit de regels van de vervallen bestemmingsplannen, samen met de rijksregels over activiteiten (bruidsschat). Het project A6 zon past niet binnen dit tijdelijke omgevingsplan. Daarom worden de regels van het omgevingsplan van de gemeente met dit projectbesluit gewijzigd. Dit wordt gedaan door een ‘tijdelijk regelingdeel’ toe te voegen aan het omgevingsplan. Met dit tijdelijk regelingdeel kunnen via het projectbesluit de wijzigingen van het omgevingsplan ingevoegd worden in een apart deel van het omgevingsplan. In dat tijdelijke regelingdeel is duidelijk aangegeven wat de verhouding is met de overige regels van het omgevingsplan. In de onderhavige motivering wordt onderbouwd dat bij de wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Meervoudig ruimtegebruik
In het Klimaatakkoord staat dat in 2030 zeventig procent van onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet komen. Om hieraan te voldoen wordt er in dertig regio’s gewerkt aan Regionale Energiestrategieën (RES). Hierin werken verschillende gemeenten, provincies, waterschappen en regionale netbeheerders samen met de omgeving om de opwek van duurzame energie in de regio een plek te geven. In een klein land als Nederland is het vinden van geschikte ruimte daarbij een uitdaging. Daarom is het van belang de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk te benutten door in te zetten op meervoudig ruimtegebruik. Op die manier wordt eenzelfde grond- of wateroppervlakte voor meer dan één doel gebruikt. Het project A6 zon Lelystad draagt bij aan deze doelstelling.
Netcongestie
Nederland staat voor de opgave om zijn klimaatdoelstellingen te realiseren, wat heeft geleid tot een versnelde energietransitie. Als gevolg hiervan kampt Flevoland, net als veel andere regio’s in Nederland, met netcongestie. Om netcongestie tegen te gaan investeren netbeheerders in netverzwaringen, terwijl andere manieren van aansluiten en opslag van energie mogelijk worden gemaakt. In Flevoland duurt de netcongestie zeker tot 2033. Naast investeringen in netverzwaring wordt ook gekeken naar slimme oplossingen om het elektriciteitsnet te ontlasten. Eén van die oplossingen is directe afname, waarbij vraag en aanbod van elektriciteit lokaal op elkaar worden afgestemd. Dit kan het net aanzienlijk ontzien. Andere alternatieven zijn opslag van energie binnen de geldende beleidskaders (onder andere Partiële herziening Omgevingsprogramma Flevoland tbv grootschalige batterijopslag) en/of cable pooling (een duurzame techniek waarbij de aansluitingen van meerdere duurzame installaties aan elkaar worden gekoppeld). Op deze manier kunnen 2 duurzame installaties die dicht bij elkaar staan, worden aangesloten op het elektriciteitsnet, zonder dat er een nieuwe aansluiting nodig is. Deze oplossingen sluiten goed aan bij het Energieproject A6 zon Lelystad, waar lokaal opgewekte zonne-energie efficiënt kan worden benut zonder extra belasting van het net.
Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 de uitgebreide projectbeschrijving, waarna in hoofstuk 3 de toetsing aan de verschillende beleidskaders en regelgeving plaatsvindt. In dit hoofdstuk wordt de algemene toets gedaan aan ruimtelijke ambities. De toets aan de verschillende specifieke omgevingsaspecten volgt in hoofdstukken 6 tot en met 10. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de verkenning en in hoofdstuk 5 wordt de participatie beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de verschillende aspecten die gericht zijn op de bescherming van gezondheid en milieu. In hoofdstukken 7 tot en met 10 worden respectievelijk de thema’s water, veiligheid en natuurbescherming onderbouwd. Het behoud van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen wordt in hoofdstuk 11 gemotiveerd en op de effecten van het project op het ruimtegebruik wordt in hoofdstuk 12 ingegaan. Ten slotte beschrijft hoofdstuk 13 de uitvoerbaarheid van het project en wordt in hoofdstuk 14 afgesloten met een beschrijving van de formele procedure.
Het plangebied van het Energieproject A6 zon Lelystad volgt de A6 van aansluiting 8 Almere-Oostvaarders tot aan de IJsselmeerdijk (zie figuur 2.1).

Deelgebieden
In de verkenningsfase is het tracé van de snelweg A6 Almere-Oostvaarders-Ketelburg in 3 deelgebieden ingedeeld. Inmiddels is het deelgebied IJsselmeerdijk geen onderdeel meer van het project A6 zon. Het projectdeel IJsselmeerdijk is door het waterschap teruggetrokken uit de ontwikkeling, omdat er door het waterschap besloten is om de verduurzaming niet verder door te zetten. De volgende twee deelgebieden blijven over:
Oostvaardersplassengebied: het traject Oostvaardersplassengebied loopt van de aansluiting 8 Almere-Oostvaarders tot aan aansluiting 9 Anthony Fokkerweg. Het traject gaat enerzijds langs de Oostvaardersplassen en aan de andere zijde langs het agrarische polderlandschap. Het is een gevarieerde route die het Nationale Park Nieuw Land presenteert, met grote verschillen tussen openheid en beslotenheid. Ten noorden van de weg lopen de Lage Vaart en de hoogspanningskabels parallel aan dit traject.

De Boog om Lelystad: de groene boog rond Lelystad loopt van aansluiting 9 Anthony Fokkerweg tot aan aansluiting 11 Lelystad-Noord en maakt een ruime bocht rond Lelystad. Net als het traject Oostvaardersplassengebied is het een gevarieerde route met verschillen tussen openheid en beslotenheid. De weg is ingeplant met laanbeplanting.

In het project A6 zon worden op diverse locaties langs de A6 zonnevelden geplaatst over een lengte van circa 25 kilometer. Dit gebeurt op verschillende plekken in de 90 meter brede middenberm langs de A6, in de zij- en middenbermen en/of op- en afritten van de A6 tussen aansluiting 8 Almere-Oostvaarders tot aan de IJsselmeerdijk. Het park krijgt een opgesteld vermogen van 55 tot 75 megawatt. De opgewekte elektriciteit kan aangesloten worden op het bestaande stroomnet. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden voor directe afname. Het realiseren van deze twee opties wordt met dit projectbesluit mogelijk gemaakt. Het brede profiel van de bermen en de brede stroken maken deze locatie heel geschikt voor het inpassen van zonnepanelen. Daarnaast zijn er langs de snelweg meerdere potentiële afnemers van opgewekte stroom, zoals bedrijven, en laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer.
Een installatie om zonne-energie op te wekken wordt ook wel PV-systeem genoemd. Dit zijn de componenten die nodig zijn om de opgewekte energie van de zonnepanelen naar de netaansluiting te transporteren. Een PV-systeem bestaat uit verschillende componenten:
Onder de huidige marktomstandigheden voor energie is de verwachting dat zonneparken opslag nodig hebben om financieel rendabel te zijn. Dit projectbesluit voorziet niet in planregels waarmee energieopslagsystemen nadrukkelijk wél of niet mogelijk worden gemaakt. De inschatting van RWS is echter dat het niet haalbaar is om de benodigde capaciteit aan energieopslagsystemen binnen het projectgebied van het Energieproject A6 zon Lelystad te realiseren, mede vanwege de beperkt beschikbare ruimte in de bermen langs de A6 en borging van de primaire functie van het areaal. Een deel van de opslagbehoefte kan mogelijk wel worden vervuld binnen de ruimtelijke kaders en in het projectgebied. De overige benodigde opslag zal door de ontwikkelaar buiten het projectgebied moeten worden gerealiseerd. De ontwikkelaar zal t.z.t. zelf zorgdragen voor de juiste publieksrechtelijke borging, conform het provinciale beleid t.a.v. energieopslag.


Algemene inrichting
Binnen het project A6 zon worden verschillende zonnevelden aangelegd die onderling van elkaar verschillen in maat, schaal en positie, maar door samenhang in vormgeving sterk met elkaar verbonden zijn. Het resultaat is een ‘golvend’ lint van zon dat gemoedelijk meeloopt met de weg, maar op delen ook kan verdwijnen of juist nadrukkelijk aanwezig is. De zonnepanelen worden boven maaiveld geplaatst door middel van grondophogingen of stellages. In het ontwerp is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande beplanting en water.
Ter hoogte van de Reigersplas, voor en na de Knardijk en ter plaatse van de Boog om Lelystad wordt de middenberm met een ‘standaard’ dak-opstelling ingericht (zie ook figuur 2.2). Deze opstelling bestaat uit een symmetrisch dakje met aan weerszijde minimaal 3 panelen in ‘landscape’ opstelling (ofwel in liggende opstellingswijze). De maximale maat van een dakje wordt bepaald door de minimale beschikbare ruimte per eenheid (een aangesloten opstelling van tafels/stellage) en bestaat uit maximaal 10 panelen. Aan het begin en/of einde van iedere eenheid worden trafo’s geplaatst in een symmetrische opstelling. De trafo’s worden niet hoger dan de nok van de dak-opstelling van de zonnevelden.
De hoogte van de dak-opstelling blijft onder de ooghoogte van de weggebruiker. Hierdoor blijft de openheid van het gebied behouden. Op plekken waarbij de middenberm te hoog ligt, zoals aan de oostzijde van Lelystad, wordt de middenberm eerst uitgegraven. Bij de andere gebieden, ter hoogte van de Reigersplas en voor en na de Knardijk worden er aanpassingen gedaan aan de kwelsloten. Met deze benodigde graafwerkzaamheden wordt het waterrijke karakter van de omgeving benadrukt en ontstaat er meer ruimte voor een natuurlijke rietvegetatie.

Om de beschikbare ruimte te optimaliseren, worden er langs het golvende lint hoogteverschillen aangebracht in het terrein. Hierdoor komt er in deelgebied Oostvaardersplassen ruimte beschikbaar voor een extra rij tafels aan weerszijden van de golf en in deelgebied Bocht om Lelystad ruimte voor een extra rij aan de zijde van de snelweg. De vrijkomende grond wordt gebruikt om een glooiing van grond aan te brengen onder de panelen, waardoor minder ‘onderconstructie’ (stellages) nodig en zichtbaar is.
Het bestaande landschap is het uitgangspunt geweest voor het principe-ontwerp (zie ook paragraaf 4.2 Verkenning) . Op basis hiervan zijn twee deelgebieden onderscheiden met eigen, herkenbare karakters. Daarom is per deelgebied een eigen aanpak ontwikkeld.
Deelgebied Oostvaardersplassen
Het deelgebied Oostvaardersplassen bevindt zich in de brede middenberm tussen aansluiting 8 en de Praamweg. Er worden geen zonnepanelen in de buitenbermen geplaatst. In dit deelgebied staat de beleving van het Nationaal Park Nieuw Land centraal. Vanwege de etalagefunctie van het Nationaal Park Nieuw Land moet de openheid behouden blijven en de bestaande obstakelvrije zones naast de snelweg gehandhaafd worden. De panelen blijven onder ooghoogte van de weggebruiker zodat automobilisten er overheen kunnen kijken (onder 1,0 m hoogte ten opzichte van het laagstgelegen wegdeel).
In het deelgebied Oostvaardersplassen is het karakter van het golvend lint goed te herkennen. In zowel de breedte als in de hoogte ontstaat er een op- en afbouwende golf van zonnepanelen. Er wordt gewerkt met standaard tafels waarbij het lint door een verdraaiing in de hellingshoek (maximaal 2,5°) langzaam op- en afbouwt en varieert van een brede golf naar een ‘standaard’ dak-opstelling. Er wordt een smalle strook riet aan weerszijden van het lint aangebracht waarmee zicht op de stellages voorkomen wordt en het lint landschappelijk ingepast wordt.

De onderbrekingen tussen de eenheden zijn uitgelijnd met landschappelijke structuren uit de omgeving. De minimale maat van de onderbrekingen (30 m) is afgestemd op het zicht van de automobilist.
Ter plaatse van de verzorgingsplaatsen de Aalscholver en de Lepelaar wordt het golvend lint van zon voor een korte tijd onderbroken. De verzorgingsplaatsen maken geen deel uit van het te realiseren zonnepark A6: uit de voorfase is gebleken dat hierbij niet op een passende manier aan de complexe inrichtingseisen van een verzorgingsplaats voldaan kan worden. Met het vrijhouden van de middenberm ter hoogte van de verzorgingsplaatsen ontstaat er ruimte om extra groen toe te voegen langs de A6. Dit versterkt het besloten bosrijke karakter van dit deel van het traject en compenseert een deel van de beplanting die op andere delen van het plangebied moeten worden verwijderd.
Boog om Lelystad
Zuidelijke knoop bij aansluiting 9
Het deelgebied Boog om Lelystad start bij aansluiting 9, ten zuiden van Lelystad (afslag Lelystad Airport). Bij deze aansluiting zijn de zonnevelden gepland in de zuidelijke knoop. Deze knoop wordt begrensd door de bestaande sloot. Hierbinnen wordt het veld zo efficiënt mogelijk ingericht, met een opstelling van ‘standaard’ dakjes evenwijdig aan de snelweg (zie figuur 2.4). De trafo’s staan aan de rechterzijde (evenwijdig aan de Anthony Fokkerweg), ingepast tussen de stellages en worden niet hoger dan de dakjes-opstelling. Randen en restruimtes rondom het zonnepark worden voorzien van kruidenrijke grasvegetaties.

Traject van Larservaart tot Runderweg
Na het zonneveld in de zuidelijke knoop vervolgt het golvende lint zijn weg van de Larservaart tot aan de Runderweg. In dit deelgebied worden de zonnepanelen zowel in de middenberm als in de buitenberm gerealiseerd. Het zwaartepunt van het lint van zonnepanelen ligt hierbij in de berm in de binnenbocht.

In zowel de breedte als de lengterichting ontstaat er een op- en afbouwende golf van zonnepanelen, tot een maximale hoogte van circa 6 meter vanaf het maaiveld. Er wordt gewerkt met standaard tafels, die door een verdraaiing in de hellingshoek (maximaal 5°) langzaam op- en afbouwen. Achter de zonnepanelen blijft de bosrand continu zichtbaar zodat de groene uitstraling van het gebied behouden blijft.
Voor het golvende effect en om te voorkomen dat er veel onderconstructie zichtbaar is, begint en eindigt de golf laag ter plaatse van de Larservaart en Runderweg. Daartussen loopt de golf op. Waar de A6 omhooggaat, bij de oversteek met de Dronterweg en Lage Vaart, gaat de opstelling van panelen juist omlaag. Hierdoor ontstaan twee golfbewegingen in de lengtedoorsnede, waarbij de automobilist als het ware ‘onder water’ duikt, en er weer uit opkomt. Tussen weg en zonnepanelen vormt een sloot een fysieke barrière zodat geen geleiderails of hekwerken nodig zijn. De rietoever langs de sloot vormt tevens de landschappelijke inpassing en beperkt het zicht op constructies. Bij de Flevohout en ter hoogte van de hoogspanningskabels vormen gaten in het lint van zon zichtlijnen richting het omliggende landschap.
Mogelijk worden op enkele locaties grondheuvels aangebracht. Door deze heuvels consequent onder de panelen door te zetten zijn geen (metalen) stellages nodig. Ook heeft dit een meerwaarde als hogere parkachtige groenstrook voor de periode nadat de zonnepanelen eventueel verwijderd worden.
Oostelijke knoop bij aansluiting 11
Aansluiting 11 (afslag Lelystad-Noord, N307) heeft een groen en waterrijk karakter, dat behouden en waar mogelijk versterkt wordt met de toevoeging van een zonnepark aan de oostzijde van de snelweg. Bij de opstelling wordt uitgegaan van een dakjes-opstelling evenwijdig aan de snelweg, waarbij de trafo’s zijn opgesteld aan de rechter zuidzijde. De trafo’s worden niet hoger dan de zonnepanelen. Een deel van de opgewekte energie zou ingezet kunnen worden voor laadmogelijkheden op de nabijgelegen carpoolplek.

Aanleg
Middenberm
De kabels voor het energietransport worden in de middenberm aangelegd via open ontgraving. Vanuit de middenberm worden de kabels zo veel mogelijk bovengronds in het projectgebied aangelegd om aan te sluiten op de omvormers. Bij de omvormers worden de kabels gebundeld en vervolgens ondergronds verder gelegd door middel van open ontgraving. Daarnaast wordt er een gestuurde boring uitgevoerd onder de A6, met een diepte van ongeveer 6 tot 7 meter, bij het brede gedeelte van 15 hectare of door bestaande onderdoorgangen en kunstwerken te benutten. Nadat de kabels onder de weg door zijn gelegd naar het onderstation, wordt het bestaande tracé benut voor een traditionele aansluiting op het middenspanningsstation. De diepte van de sleuf voor de kabels bedraagt maximaal 1 meter, terwijl de gestuurde boring onder de A6 minstens 5 meter diep zal zijn. Er is ook een mogelijke grondwateronttrekking voorzien. In de kleinere middenbermen is een kleinere aansluiting mogelijk met een inpassingsring op de middenspanning. De zonnepanelen worden geplaatst op metalen stellages, waarvoor eerst geheid wordt, waarna de stellages vastgeschroefd en de panelen geplaatst worden. In natte gebieden worden de panelen op een diepte van 2 meter geslagen, terwijl in drassige gebieden een maximale diepte van 3 meter wordt aangehouden. Daarnaast zullen er bomen gekapt worden.
Aansluiting 9 en 11
Voor aansluiting 9 en 11 worden kabels en leidingen ontsloten door onder de provinciale weg door te gaan richting het transformatorhuisje. Hierbij worden grondboringen uitgevoerd met een diepte van ongeveer 6 tot 7 meter. Het water bij aansluiting 11 wordt gedempt.
Boog om Lelystad
De werkzaamheden aan het kabeltracé in de boog om Lelystad volgen de kortste route naar het bestaande net. In de middenberm wordt een gestuurde boring uitgevoerd onder de A6 door, met een diepte van ongeveer 6 tot 7 meter, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande onderdoorgangen. Daarnaast zullen houtopstanden in de Boog om Lelystad gekapt worden om de grond beschikbaar te maken en voor te bereiden. De stellages voor de zonnepanelen worden dieper dan 3 meter geheid vanwege de hogere stellages, waarna de panelen op de stellages geplaatst worden.
Het traject van de Rijksweg A6 tussen aansluitingen 8 (Almere-Oostvaarders) en 12 (Swifterbant) is in de jaren ’70 aangelegd en bestaat uit 2x2 rijstroken. De snelweg wordt gekenmerkt door een afwisseling van rechte uitgestrekte stukken en ruime bochten. De rijbanen zijn relatief ver uit elkaar gelegd en zijn wat verhoogd ten opzichte van het landschap.
Waar het plangebied begint, bij aansluiting 8 Almere-Oostvaarders, ligt aan de noordzijde van het plangebied het Natura 2000-gebied de Oostvaardersplassen. Daarnaast loopt langs een groot deel van het plangebied de watergang Lage Vaart. Aan de zuidzijde van het plangebied liggen akkerbouwgronden en staan windturbines. Vanaf aansluiting 9 maakt het een plangebied een boog om Lelystad. Hierin is naast een groene omgeving, ook een meer stedelijk karakter te herkennen, met onder andere zicht op bedrijventerreinen langs de A6.
Verkeersvoorzieningen
Op het traject bevinden zich 3 aansluitingen op het onderliggend wegennet:
aansluiting 9 Lelystad-Airport (halve aansluiting);
aansluiting 10 Lelystad;
aansluiting 11 Lelystad-Noord.
Langs het traject zijn viaducten, (fiets)bruggen, twee fietsonderdoorgangen, een duiker en een faunapassage gelegen, alsmede twee verzorgingsplaatsen en twee rustplaatsen (Rivierduin en Oeverwal), zie figuur 2.7. Beide verzorgingsplaatsen beschikken over een tankstation, een hotel, een restaurant en laadpunten voor elektrische voertuigen.

Natuur
Het projectgebied ligt nabij enkele natuurgebieden die onderdeel zijn van het Natura 2000-netwerk (zie figuur 2.2). De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Ketelmeer & Vossemeer (circa 2 km), Markermeer & IJmeer (circa 5 km), IJsselmeer ( < 1 km) en Oostvaardersplassen ( < 1 km), zie ook afbeelding 3.2. Deze natuurgebieden zijn niet stikstofgevoelig, de meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn de Veluwe (circa 18 km), Rijntakken (circa 14 km) en Naardermeer (circa 19 km).
De Oostvaardersplassen vormen samen met de Lepelaarsplassen, het Markermeer en de Markerwadden het Nationaal Park Nieuw Land. Tussen de Knardijk en aansluiting 9 is een nieuw bos aangeplant.
Het plangebied wordt gekenmerkt door de brede zij- en middenbermen. Deze bestaan uit afwisselend ruig grasland, rietvegetatie, struweel en solitaire bomen en bossstroken.
De overgang van de huidige fossiele economie naar een duurzame economie neemt geruime tijd in beslag. Om de klimaatdoelstellingen te halen zijn daarom maatregelen nodig, die bijdragen aan de Europese doelstelling om uiterlijk in het jaar 2050 klimaatneutrailiteit te realiseren. Een aantal van deze maatregelen heeft betrekking op het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen. Het Europese stappenplan op weg naar klimaatneutraliteit is onderdeel van de Europese Green Deal.
Het Klimaatakkoord is opgesteld om de opwarming van de aarde onder 2° te houden. Het is op 12 december 2015 gepresenteerd op de klimaatconferentie van Parijs 2015. Nederland heeft dit verder uitgewerkt in het nationale Klimaatakkoord. Zie hiervoor verder in paragraaf 3.2.2.
De EU-doelstelling voor hernieuwbare energie voor 2030 is dat minimaal 42,5% van het energieverbruik in de EU uit hernieuwbare energiebronnen komt, met als streven 49%. Deze doelstelling is in de richtlijn hernieuwbare energie (bekrachtigd op 20 november 2023) uitgewerkt, onder andere door op te nemen dat lidstaten het toepassen van zonnepanelen op bepaalde daken moeten gaan verplichten, vergunningprocedures voor zonnepanelen verkort moeten worden en dat er ruimte moet worden geboden voor energie delen via energie-coöperaties (energiegemeenschappen). Momenteel wordt gewerkt aan een wetswijziging ter implementatie van deze richtlijn in nationale wet- en regelgeving. Deze is in de loop van 2025 voorzien.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de
toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september
2020 is de NOVI vastgesteld. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda en is een instrument van de Omgevingswet.
Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De nieuwe aanpak is integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving, welke terugkomt in de NOVI.
Centraal in de afwegingen tussen belangen die een rol spelen bij het ontwikkelen en beschermen van Nederland staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving van zowel de boven- als de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
Afwentelen wordt voorkomen.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor dit projectbesluit is vooral de eerste prioriteit van belang. In de NOVI is als nationaal belang (nr. 11) aangegeven: “Het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur”. De ontwikkeling van zonneparken op rijksgronden nabij rijksinfrastructuur past in dit nationale belang en draagt bij aan de regionale energietransitie door het beschikbaar stellen van gronden om de doelstellingen te behalen.
In de NOVI staat dat het plaatsen van zonnepanelen volgens de zonneladder moet. De zonneladder is de voorkeursvolgorde voor het plaatsen van zonnepanelen. Volgens de zonneladder moeten alle betrokken partijen eerst kijken of we zonnepanelen op gebouwen kunnen leggen. En daarna pas op terreinen in bebouwd gebied of locaties in het buitengebied. De voorkeur gaat daarbij uit naar het combineren van functies. Zo ontzien en sparen we zoveel mogelijk landbouw- en natuurgrond.
Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Daarin heeft het kabinet de ambitie geformuleerd om in 2050 klimaatneutraal te zijn in Europees verband, maar als tussenstap 49% CO2-reductie in 2030 te bereiken ten opzichte van 1990 met een doorkijk naar 55% reductie in 2030. In het Klimaatakkoord staan onder andere doelstellingen voor de productie van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit op land. Zonne-energie en windenergie op land moeten in 2030 minimaal 35 terawattuur (TWh) opleveren: dat is genoeg om 11,5 miljoen huishoudens van elektriciteit te voorzien.
In het Klimaatakkoord is de ‘zonneladder’ opgenomen. De zonneladder moet voorkomen dat zonnepanelen op landbouw- en natuurgrond komen als dat niet nodig is. Daarom staat in de voorkeursvolgorde dat zonnepanelen eerst op gebouwen gelegd moeten worden en daarna pas op terreinen in bebouwd gebied of locaties in het buitengebied. Buiten de bebouwde kom gaat de voorkeur uit naar het combineren van functies. Bijvoorbeeld zonnepanelen op vuilnisbelten en in bermen van spoor- en autowegen.
In het Klimaatakkoord is verder de ambitie beschreven dat lokale bedrijven en omwonenden voor 50% de eigendom van grootschalige duurzame energieprojecten kunnen verkrijgen. Het ministerie van KGG kijkt in samenspraak met de gemeente Lelystad naar de mogelijkheden om middels financiële participatie de voordelen van de energietransitie evenwichtig te verdelen en de lokale betrokkenheid te vergroten.
Het onderhavige project voldoet aan de doelstellingen en afspraken: het maakt het lokaal opwekken van energie uit zon mogelijk en door het beschikbaar stellen van de gronden langs rijkswegen voor deze functie draagt het rijk bij aan het haalbaar maken van de regionale energiestrategie. Bovendien wordt voldaan aan de zonneladder door de zonneparken te realiseren langs de A6. Hierbij worden de zonnepanelen op een locatie in het buitengebied gesitueerd.
De Klimaatwet (1 september 2019) is er om de uitstoot van broeistofgassen in Nederland (en Europa) definitief terug te dringen. De Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen:
49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990: Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten: 95% minder CO2-uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. Daarnaast moet de Nederlandse staat in 2030 ten minste 55% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990 en streven naar een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050.
Klimaatplan: De Klimaatwet stelt ook vast dat het kabinet een Klimaatplan moet maken. Dit plan bevat de hoofdlijnen van al het beleid waarmee het kabinet de doelstellingen uit de Klimaatwet wil halen en een aantal overwegingen, bijvoorbeeld over de laatste wetenschappelijke inzichten en over de economische gevolgen van het beleid. Het Klimaatplan wordt behandeld in de Eerste Kamer en in de Tweede Kamer. De Raad van State geeft onafhankelijk advies over het Klimaatplan. Het eerste Klimaatplan werd in 2019 gepubliceerd. Het plan bevat de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid voor de periode 2021-2030. Elke 5 jaar wordt het Klimaatplan op basis van actuele inzichten bijgesteld. Op 27 oktober 2023 zijn de contouren van het klimaatplan voor 2024 naar de Tweede kamer gestuurd. In dit tweede klimaatplan wordt onder andere aangestuurd op een batterijverplichting voor zonneparken.
De Energiewet is op 4 juni 2024 door de Tweede Kamer en op 10 december 2024 door de Eerste Kamer aangenomen en treedt per 1 januari 2026 in werking. In de Energiewet zijn regels opgenomen over gas en elektriciteit. Zonne-energie is in de wet benoemd als hernieuwbare bron. In artikel 6.1 aanhef en lid 1 onder b van de Energiewet is aangegeven dat de aanleg of uitbreiding van een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van zonne-energie, met een capaciteit van minimaal 100 MW aangemerkt wordt als een werk met een nationaal belang waarvoor de Minister in ieder geval een projectbesluit vaststelt. Het huidige projectbesluit voorziet in een installatie voor de opwekking van zonne-energie met een capaciteit van 50 – 75 MW.
Het project A6 zon Lelystad is opgestart onder vigeur van de Elektriciteitswet 1998, waarin de (toenmalige) minister van EZK aangewezen is als bevoegd gezag voor het vaststellen van een projectbesluit (destijds nog inpassingsplan) voor zonneparken van deze omvang. In de bestuursovereenkomst welke medio 2023 getekend is, is dit als uitgangspunt genomen. Het tussentijds overdragen van de bevoegdheid aan de provincie is niet wenselijk in het kader van continuïteit en efficiency.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) (zie voor verdere toelichting op het Bkl paragraaf 1.3 van deze motivering) zijn geen specifieke regels opgenomen voor installaties voor het opwekken van zonne-energie, behalve ten aanzien van de aanleg hiervan binnen een stroomvoerende deel van een rivierbed van de grote rivieren. Hiervan is in dit project geen sprake.
Voor de toetsing van diverse milieuaspecten aan het Bkl wordt verwezen naar hoofdstukken 6 t/m 10.
Met het OER-Programma (Opwek van Energie op Rijksvastgoed) stelt de rijksoverheid haar gronden ter beschikking voor het opwekken van hernieuwbare energie. In het Klimaatakkoord staat dat in 2030 zeventig procent van onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet komen. Om hieraan te voldoen wordt er in dertig regio’s gewerkt aan Regionale Energiestrategieën (RES). In de RES hebben verschillende gemeenten, provincies, waterschappen en regionale netbeheerders met de omgeving gezamenlijk in kaart gebracht waar duurzame energie een plek kan krijgen. Het vinden van ruimte is daarbij een uitdaging. We kunnen de klimaatdoelen alleen maar halen als we ruimte dubbel benutten.
Meerdere RES-regio's hebben zoekgebieden op Rijksgronden opgenomen in hun plannen. Het Rijk bezit meer dan 4.000 km² grond en 10.000 km² wateroppervlakte, die bedoeld zijn voor maatschappelijke doelen zoals bereikbaarheid en schoon water. Een deel van deze 'gronden' is ook geschikt voor energieprojecten.
Het programma OER is een samenwerking tussen Rijkswaterstaat, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het Rijksvastgoedbedrijf, in opdracht van het (voormalige) Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Sinds 2024 werken ook ProRail en het ministerie van Defensie eraan mee.
De gronden langs rijksweg A6 zijn rijksvastgoed. Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk.
De Omgevingsvisie FlevolandStraks is in november 2017 vastgesteld door de Provinciale Staten. De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities we hebben voor de toekomst. Het bijzondere verleden van de jongste provincie van Nederland vormt de basis van de visie.
In een paar decennia is 1.400 vierkante kilometer voormalige Zuiderzee drooggelegd en vervolgens ingericht voor gebruik. Een prestatie van formaat. Dit verleden van Flevoland vormt tegelijkertijd de basis voor haar toekomst. Daarbij gaat het zowel over de wijze waarop Flevoland is ingericht, als de wijze waarop de Flevolanders samenwonen, samen leven, samen werken en wordt bestuurd. Maar Flevoland verandert. We kijken anders tegen onze omgeving aan dan twintig jaar geleden. Ook veranderen de verhoudingen in de samenleving. Dit betekent dat we ook de kern moeten blijven aanpassen aan de maatstaven van de toekomst. Er zijn drie kernopgaven:
Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving);
Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving),
Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland.
Veranderingen gaan snel. De technologische mogelijkheden nemen in hoog tempo toe. Mensen en bedrijven trekken wereldwijd naar steden. Economische en kennisnetwerken strekken zich uit over nationale grenzen. Veranderende maatschappelijke opvattingen en technologische mogelijkheden bepalen in grote mate de manier waarop we in de toekomst gaan wonen, werken en leven in Flevoland. Deze veranderingen krijgen een grote impact. Niet van de ene op de andere dag, het gaat om veranderingen die zich over vele jaren uitstrekken. Wij gaan Flevoland hierop voorbereiden. Sterker nog, we willen dat inwoners en bedrijven optimaal profiteren van deze ontwikkelingen. In de strategische opgaven staan deze vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven:
Van de zeven opgaven uit de omgevingsvisie valt Energieproject A6 zon onder de opgave ‘duurzame energie’. Het project draagt bij aan de ambitie van de provincie Flevoland hoofdzakelijk te draaien op duurzame energie. Daarnaast worden rijksgronden gebruikt voor de realisatie van de zonnevelden. Hierdoor worden de bewoners van de provincie Flevoland zo min mogelijk belast.
Inmiddels werkt de provincie Flevoland aan een nieuwe omgevingsvisie, namelijk de Omgevingsvisie Blik op de Toekomst. De verwachting is dat deze in Q3 2026 wordt vastgesteld.
Het Omgevingsprogramma is een verdere uitwerking van wat de provincie belangrijk vindt en wil doen om te zorgen voor een goede leefomgeving. Hierin staat beschreven wat het te voeren beleid is en welke maatregelen of acties we nemen om onze doelstellingen te kunnen bereiken. Dit kan gaan over bijvoorbeeld de ontwikkeling, het gebruik en beheer van onder andere wegen, natuur en bodem: de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsprogramma is te zien op de digitale kaart.
Gedeputeerde Staten hebben op 28 november 2025 de Ontwerp Partiële herziening Omgevingsprogramma Flevoland t.b.v. grootschalige batterijopslag vastgesteld. Dit besluit is vervolgens op PM in werking getreden. Met de partiële herziening van het Omgevingsprogramma Flevoland ten behoeve van grootschalige batterijen geeft de provincie Flevoland ruimte aan decentrale oplossingen voor netcongestie. Dit beleid wordt toegevoegd aan het Omgevingsprogramma Flevoland als nieuwe paragraaf 6.3.
Met het beleid voor grootschalige batterijopslag wil de provincie een toekomstbestendig provinciaal energiesysteem ten behoeve van de doorontwikkeling van Flevoland bevorderen en daarbij de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van Flevoland bewaren. Het beleid is opgesteld in overleg met gemeenten, netbeheerders, veiligheidsregio, initiatiefnemers en deskundigen. De provincie kiest ervoor het beleid voor grootschalige batterijen vorm te geven vanuit een integrale benadering van de fysieke leefomgeving inclusief het energiebelang. Want wanneer batterijopslag puur vanuit omgevingskwaliteit wordt beoordeeld is het op veel locaties niet wenselijk. Het voegt geen werkgelegenheid toe, vraagt grond dat voor andere beleidsdoelen niet meer kan worden ingezet, draagt bij aan verharding en dreigt bij te dragen aan verrommeling van het landschap. De toegevoegde waarde van batterijen ligt vooral in het belang voor het energiesysteem. Met het beleid voor grootschalige batterijopslag wil de provincie een toekomstbestendig provinciaal energiesysteem ten behoeve van de doorontwikkeling van Flevoland bevorderen. Dit is van provinciaal belang. Batterijen kunnen bijdragen aan het flexibel en slim bij elkaar brengen van vraag en aanbod. Tegelijkertijd is met de wijziging van het beleid geborgd dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van Flevoland beschermd en versterkt wordt. De doorgevoerde beleidswijziging biedt hier inzicht in.
Bepalend voor het realiseren van batterijopslagen is het gemeentelijke omgevingsplan. Daarin is op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) vastgelegd welke functies op welke locaties mogelijk zijn. Indien een omgevingsplan niet in batterijopslag voorziet wordt de procedure van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gevolgd. Gemeenten zijn hiervoor in principe bevoegd gezag. Het provinciale beleid voor grootschalige batterijopslag geeft gemeenten handvatten om te sturen op de planologische inpassing van grootschalige batterijen. De provincie verstaat onder grootschalige batterijopslag installaties met een vermogen groter dan 1 MW. De provincie wil bij grootschalige energieopslag sturen op locatiekeuze, zodat deze installaties op een zorgvuldige manier terecht komen in de fysieke leefomgeving van Flevoland. Het energiebelang c.q. het belang van de energietransitie is een aspect dat in het kader van ETFAL aan de voorkant meegewogen dient te worden bij het beoordelen van initiatieven voor het realiseren van grootschalige batterijopslag. Hiervoor is een beoordeling vereist van alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten die betrekking hebben op de betreffende batterijopslag; zoals energie, ruimte, landschap, veiligheid, milieu, natuur en water.
In het Ontwerp Partiële herziening worden vier batterijentypes onderscheiden waarbij de volgende twee types relevant zijn voor het Energieproject A6 zon Lelystad:
Batterijen bij opweklocatie: deze batterijen worden ingezet om pieken van opwek op te vangen. In deze situatie kunnen de batterijen bijdragen aan het ontlasten van netcongestie voor invoeding. De provincie geeft ruimte aan deze co-locatie batterijen bij opweklocaties van zonnepanelen en windturbines. Energetisch geldt dat het vermogen van de batterij in verhouding moet staan met het vermogen van de opwekinstallatie en deze ook technisch aan elkaar gekoppeld zijn. Om deze reden geldt dat voor een batterij bij een opweklocatie de opslagcapaciteit in MWh van de batterij niet groter mag zijn dan 4 keer het piekvermogen van de opwekinstallatie.
Batterijen bij energiehubs en buurtbatterijen Batterijen bij energiehubs en buurtbatterijen worden opgericht met de bedoeling om gezamenlijk energie op te wekken, uit te wisselen en op te slaan. Voor energiehubs dient de locatie van een batterij op een bestemd bedrijventerrein te liggen en de batterijen ondersteunend te zijn aan de energiehub. Dit betekent dat de batterij technisch gekoppeld dient te zijn met de energiehub en vooral lokaal gebruikt wordt. In principe wordt de batterij geplaatst op het bedrijventerrein.
Tot slot worden in dit beleidskader algemene vereisten t.a.v. landschap, milieu/veiligheid, natuur en water benoemd.
Dit projectbesluit maakt grootschalige batterijopslag niet rechtstreeks mogelijk als onderdeel van het project. Indien bij de realisatie van de opwekinstallaties langs de A6 grootschalige batterijopslag gewenst wordt, zal hiervoor een separate planologische procedure voor worden doorlopen, waarbij het hier beschreven toetsingskader richting geeft aan de besluitvorming.
De Omgevingsverordening provincie Flevoland is op 1 november 2023 vastgesteld en op 1 januari 2024 in werking getreden. De omgevingsverordening omvat drie soorten regels. Ten eerste regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven, zoals algemene regels en vergunningstelsels. Ten tweede regels die zijn gericht tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. En ten derde omvat het instructieregels over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen.
In afdeling 14.2.3 en 7.3 staan instructieregels opgenomen die betrekking hebben op zonne-energie en deze zijn van overeenkomstige toepassing op het onderhavige projectbesluit. Er zijn regels opgenomen voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie binnen het landelijk gebied van Flevoland. Op basis van de geometrische begrenzing in bijlage II van de Omgevingsverordening.
Per 1 januari 2025 is een herziening van de Omgevingsverordening doorgevoerd. Hierin zijn de regels over zonne-energie niet gewijzigd. Wel is in een nieuw artikel 8.8 een instructieregel opgenomen over omgevingskwaliteit in het landelijk gebied die ook geldt voor projectbesluiten. In 2026 wordt een volgende herziening van de Omgevingsverordening verwacht.
De grens van het landelijk gebied is gelegen in het hart van de A6.
Deze instructieregels zijn in acht genomen.
De Provinciale Staten van Flevoland hebben op 18 juli 2018 de Structuurvisie Zon vastgesteld. De structuurvisie is inmiddels integraal opgenomen in het Omgevingsprogramma Flevoland (paragraaf 6.1.2.2).
De Structuurvisie Zon is een beleidskader ten behoeve van het opwekken van grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied. Met de Structuurvisie Zon biedt de provincie ruimte aan gemeenten om in het landelijke gebied van de provincie zonneparken te realiseren. Voor het vormgeven van het gemeentelijke beleid zijn zes bouwstenen benoemd. Deze hebben betrekking op het integraal benaderen van de opgave voor zonne-energie, zowel vanuit ruimtelijk, maatschappelijk als economisch perspectief. Maar ook op het inpassen van een zonnepark in de omgeving. Denk aan aansluiting op netwerken en infrastructuur, passendheid in het landschap en aan draagvlak en betrokkenheid. Om tijdig in te spelen op technologische ontwikkelingen is het gewenst dat bij zonneparken wordt gewerkt met tijdelijke vergunningen. De hoofdopzet van het beleid vindt zijn oorsprong in de Omgevingsvisie FlevolandStraks. Mede leidend in dit proces zijn de opgaven Ruimte voor initiatief en het Verhaal van Flevoland. De principes uit de Omgevingsvisie ‘verrijk met eigenheid’, ‘doe mee en draag bij’ en ‘mensen maken Flevoland’ vormen de accenten bij de afweging.
Voor de invulling van de opgave zijn verschillende onderdelen van belang, deze onderdelen vormen de bouwstenen van het beleid voor grondgebonden zonne-energie. Uitgangspunt bij het mogelijk maken van initiatieven zijn de volgende bouwstenen:
Bouwsteen I: Initiatief staat centraal
Bouwsteen II: Opgave voorop
Bouwsteen III: Bundel en combineer
Bouwsteen IV: Houd rekening met (landschappelijke) kwaliteiten
Bouwsteen V: Een zonnepark is tijdelijk
Bouwsteen VI: Betrokkenheid en Draagvlak
Het project A6 zon is grotendeels binnen landelijk gebied en daarmee binnen het werkingsgebied van het programma gelegen. Initiatiefnemers hebben een inspanningsverplichting om draagvlak te creëren. Zie hiervoor hoofdstuk 5.
In het programma ‘Landschap van de toekomst’ wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van het landschap. In dit programma zijn kernkwaliteiten benoemd voor verschillende typen landschapselementen. Deze kwaliteiten vormen het toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven en dragen bij aan het behoud van de identiteit van het landschap in Flevoland. De kernkwaliteiten kunnen worden onderverdeeld in zes hoofdcategorieën: waterbouwkundig werk, hoofdstructuur per polder, maaiveld, beplantingsstructuren, infrastructuur en oud land in nieuw land.
Archeologische beleidskaart
De provincie Flevoland heeft een archeologische beleidskaart waarin het archeologisch beleid visueel wordt weergegeven. Onderstaand is deze kaart opgenomen:

Op de locatie van het projectgebied is sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Uit het archeologisch onderzoek volgt dat op locaties waar bij de uitvoering van de werkzaamheden bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden, een aanvullend onderzoek nodig is. Op dit moment is nog niet in detail bekend op welke locaties dit aan de orde is. Om te borgen dat het archeologisch belang voldoend beschermd is, is een aanvullend archeologisch onderzoek en een beoordeling hiervan conform het vigerende archeologisch beleid als voorwaarde aan de vergunningverlening opgenomen.
Het onderhavige project past binnen de doelstellingen, het beleid en de regelgeving van de provincie Flevoland.
De samenwerkende gemeenten, waterschappen en provincie hebben in samenwerking met de netbeheerders, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en inwoners gewerkt aan de Regionale Energie Strategie (RES). De provincie Flevoland is één van de 30 regio’s van de RES.
In 2021 hebben Provinciale Staten, de gemeenteraden van de zes Flevolandse gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 vastgesteld. In de RES zijn afspraken gemaakt over de opwek van duurzame elektriciteit, over het verwarmen van woningen en kantoren zonder aardgas en over de randvoorwaarden die hierbij van belang zijn. De RES is een samenwerking tussen de overheden en een groot aantal maatschappelijke partners uit Flevoland. Deze zijn vanuit de Flevolandse Energie Agenda (FEA) opgenomen in de RES-samenwerking.
In de RES zijn zoekgebieden in kaart gebracht waar onderzocht wordt onder welke voorwaarden en in welk deel van het zoekgebied zonnepanelen of windmolens het beste geplaatst kunnen worden. De voorkeur gaat daarbij uit naar zoveel mogelijk zonnepanelen op grote daken en boven parkeerterreinen. Flevoland heeft de ambitie in 2030 5,81 TWh aan hernieuwbare energie te produceren.
Flevoland kent met de provinciale Structuurvisie Zon een regeling op hoofdlijnen die 1.000 hectare aan zonneparken in het landelijk gebied mogelijk maakt. De Flevolandse gemeenten werken deze beleidsruimte van de provincie tot aan 2030 verder uit in concrete beleidsvisies. Bij volle benutting van de 1.000 hectare uit de Structuurvisie Zon wordt naar schatting 1.000 MW gerealiseerd opgesteld vermogen in het landelijk gebied. Deze 1.000 MW levert nu naar schatting 0,95 TWh aan hernieuwbare elektriciteit.
De 1.000 hectare voor zonneparken is verdeeld in twee tranches van 500 hectare. Na evaluatie van de eerste 500 hectare besluiten Provinciale Staten over de condities waaronder de ontwikkelruimte voor de tweede 500 hectare kan worden opengesteld. De evaluatie richt zich vooral op de beschikbare netcapaciteit, het gebruik van landbouwgronden, op landschap en participatie voor de ruimtelijke inpassing.
Het onderhavige projectbesluit is in lijn met deze regionale aanpak.
De Omgevingsvisie Lelystad 2040 'Sterke stad in de regio, Hoofdstad van de nieuwe natuur' is vastgesteld door de raad van de gemeente Lelystad op 22 juni 2021. In de Omgevingsvisie Lelystad 2040 geeft het gemeentebestuur richting aan de toekomstige ontwikkeling van de stad. Het is een integrale visie over onderwerpen die iedereen in Lelystad raken. Een samenhangende visie op de fysieke, ruimtelijke, sociale en economische ontwikkelingen van de stad.
Een duurzame ontwikkeling van Lelystad is één van de ambities. Daarom zet Lelystad onder andere in op het opwekken van zonne-energie. In het buitengebied 2040 is plaats voor een energielandschap. Dat is een plek voor energie-opwekking, onder voorwaarde dat bij het plaatsen van zonneparken de prioriteit van het bouwen van huizen voor de plaatsing van zonnepanelen/zonneweides gaat. Hierbij rekening houdend met de (middel-) lange termijn ontwikkeling van de woningbouw(opgave) in de gemeente Lelystad. Het Energieproject A6 zon realiseert zonnepanelen langs de A6, waardoor woningbouwontwikkelingen niet belemmerd worden. Het project voldoet hiermee aan de doelstellingen en kaders van de Omgevingsvisie.
Momenteel wordt gewerkt aan de Omgevingsvisie 2050, waarbij de Omgevingsvisie 2040 als basis wordt gebruikt.
De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het projectgebied is het Waterschap Zuiderzeeland. De ‘Watervisie: Met water werken aan de leefomgeving’ van het Waterschap Zuiderzeeland dateert van juli 2021. De visie heeft een strategisch karakter en geeft richting aan de inhoud van de samenwerking met partners en ook aan de beleidskaders van het waterschap. Ook zijn de traditionele taken van het waterschap verbreed met klimaat-, energie- en duurzaamheidsopgaven. Klimaatverandering, duurzaamheid en energie zijn in de Watervisie als belangrijke trends en ontwikkelingen aangegeven. In het najaar van 2022 is met de Agenda Duurzaam besloten om naar een klimaatneutraal (2035) en volledig circulair (2050) werkend waterschap te streven. Uitwerking van de Watervisie vindt plaats in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Deze wordt iedere zes jaar herijkt.
Het project A6 zon past in de duurzaamheidsdoelstellingen van de Watervisie en leidt niet tot een aantasting van de belangen in de Watervisie.
Op 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening Zuiderzeeland in werking getreden. Deze verordening vervangt de Keur. Deze waterschapsverordening bevat de regels van Waterschap Zuiderzeeland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen en de zuiveringstechnische werken. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op het niveau van de centrale overheid waren geregeld.
Binnen het project worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die gevolgen hebben voor de watersystemen of zuiveringstechnische werken.
Waterschap Zuiderzeeland is onderdeel van de samenwerkende organisaties bij het opstellen van de regionale energiestrategie. De doelstellingen van de Regionale Energiestrategie worden onderschreven door het waterschap.
Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland.
De aanleg en het in gebruik hebben van het Energieproject A6 zon heeft een effect op de mens (leefomgeving, ruimtegebruik en gebruiksfuncties) en de omgeving (o.a. bodem, water, natuur en archeologie). Bij het bepalen van de haalbaarheid en wenselijkheid van de opweklocaties voor elektriciteit uit zon is het van belang om te onderzoeken welke effecten (kunnen) optreden. Om de effecten van het onderhavige project in beeld te brengen is een milieueffectrapport opgesteld.
Twee fasen
Het Energieproject A6 zon Lelystad kent twee fasen. De eerste fase is de fase onder het programma OER, waarin een verkenning en een planfase zijn doorlopen. In deze fase is onderzocht of het project haalbaar is. Het eindresultaat van deze fase was een principe-ontwerp. Op basis van dit principe-ontwerp is besloten om over te gaan naar fase 2; de projectprocedure.
De tweede fase omvat de projectprocedure. In deze fase is het principe-ontwerp als voorkeursalternatief gekozen en zijn de effecten van het voorkeursalternatief op de omgeving verder onderzocht in de project-MER en bijbehorende nadere onderzoeken. Het doel van het opstellen van een MER is om het milieubelang een volwaardige rol te geven in de besluitvorming ten aanzien van het project. Het project-MER is als bijlage bij het projectbesluit gevoegd (zie bijlage 1). Het eindresultaat van deze fase is het onderhavige projectbesluit.
Artikel 11.6 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit bepalen voor projecten een project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Het aanleggen van een zonnepark wordt hier niet aangemerkt als een project-mer-(beoordelings)plichtig project. Rijkswaterstaat en waterschap Zuiderzeeland hebben in samenspraak met het toenmalige ministerie van EZK (nu: KGG) en de overige projectpartijen besloten om op eigen initiatief een project-MER op te stellen. Hiervoor is gekozen om alle relevantie milieu-informatie bij de besluitvorming te kunnen betrekken en om draagvlak te creëren bij de omgeving. In het navolgende is beschreven hoe de mer-procedure is doorlopen.
Het is het beleid van KGG om voor alle projecten van nationaal belang een MER uit te voeren. Uit ambtelijk overleg met decentrale overheden is al in een vroeg stadium gebleken dat bestuurlijke partners waarde hechten aan weloverwogen besluitvorming, onder meer op basis van milieuonderzoeken en met aandacht voor landschappelijke kwaliteit. Daardoor is ervoor gekozen om zowel een project-MER uit te voeren, als een landschappelijke optimalisatie op een aantal deeltracés nader uit te werken.
In deze paragraaf wordt het doorlopen proces in het kader van de verkenning weergegeven. Hierbij zijn ook de participatiestappen weergegeven. Voor een inhoudelijke beschrijving van de participatie wordt verwezen naar hoofdstuk 5. De diverse documenten waarnaar verwezen wordt, zijn te raadplegen op de website van RVO.
Kennisgeving Voornemen en Voorstel voor participatie
Op basis van artikel 5.47 lid 1 Ow moet het bevoegd gezag kennis geven van het voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving en een projectbesluit vast te stellen. Deze kennisgeving wordt vaak gecombineerd met de kennisgeving voorstel voor participatie (art. 5.47, lid 4 Ow). In het voorstel voor participatie staat hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de verkenning worden betrokken.
Van 17 november tot en met 28 december 2023 lag het Voornemen en Voorstel voor participatie voor het Energieproject A6 zon Lelystad ter inzage . In die periode was het voor een ieder mogelijk om te reageren door een schriftelijke of mondelinge reactie te geven op het Voornemen en het Voorstel voor participatie. Op 30 november 2023 is een informatiebijeenkomst geweest in Lelystad over de procedure en participatie. Er zijn in totaal 19 reacties binnengekomen. De ingekomen reacties zijn gebundeld in een inspraakbundel en zijn betrokken bij het opstellen van de concept-NRD. De reacties op het voorstel voor participatie zijn gebruikt om het participatieproces verder uit te werken.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau
De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is een onderdeel van de mer-procedure. en gaat in op de scope van het project en de wijze waarop dit verkend zal worden. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau geeft de afbakening van het uit te voeren onderzoek naar de milieueffecten van het project (het onderzoeksplan). De publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is daarmee ook één van de eerste stappen in de mer-procedure.
De concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept-NRD) heeft samen met het concept-voorkeursalternatief (concept-VKA) van 7 juni tot en met 18 juli 2024 ter inzage gelegen. De concept-NRD is een eerste opzet voor een onderzoeksplan. Hierin staat welke milieueffecten het projectteam onderzoekt, hoe men dat wil doen en tot in welk detail. Zo krijgt het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming over energieprojecten. In het concept-VKA staat het principe-ontwerp voor het zonnelint. Ook staan hierin 3 varianten die er zijn op het concept Voorkeursalternatief.
Gedurende de periode van terinzagelegging was het voor een ieder mogelijk om een zienswijze in te dienen. Er zijn binnen de reactietermijn 26 zienswijzen ontvangen. De binnengekomen zienswijzen zijn gebundeld in de inspraakbundel. Op maandag 24 juni 2024 is een inloopbijeenkomst georganiseerd in Lelystad. Op deze avond was gelegenheid om vragen te stellen over het project en de procedure.
Op 16 september 2024 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) advies uitgebracht over de concept-NRD. De Commissie heeft geadviseerd om in het milieueffectrapport ontwerpen te onderzoeken die de natuurkwaliteit op peil houden. De zonnepanelen naast de Rijksweg A6 en de IJsselmeerdijk doorsnijden diverse natuurgebieden en ook belangrijke ecologische verbindingszones van en naar de Oostvaardersplassen en het IJsselmeer. Het zonnepark heeft hier invloed op en mogelijk verdwijnt natuur. De Commissie adviseert om verschillende ontwerpen van het zonnepark te onderzoeken die de natuurkwaliteit overeind houden of zelfs versterken, bijvoorbeeld door optimale groene inpassing en het juiste beheer.
De zienswijzen en het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn betrokken bij de besluitvorming over de definitieve NRD en het definitieve VKA. De minister van Klimaat en Groene Groei heeft op 12 december 2024 de NRD en het VKA vastgesteld. Hier is op vrijdag 20 december 2024 een kennisgeving over in de Staatscourant geplaatst. Deze vaststelling maakt duidelijk wat het principe-ontwerp en aanvullende varianten zijn, en hoe deze in het kader van het milieueffectrapport (MER) verder getoetst zullen worden.
MER
Het MER geeft inzicht in mogelijke milieueffecten van de aanlegfase, de gebruiksfase en de verwijderingsfase van het Energieproject A6 zon Lelystad. Het voorkeursalternatief en de aanvullende varianten zijn in het MER onderzocht op verschillende milieuaspecten. Dit MER is ter toetsing voorgelegd aan de Commissie mer. Op het proces van trechtering van alternatieven en varianten wordt in de volgende paragraaf dieper ingegaan. Zie voor de juridische grondslag van het MER paragraaf 4.2.1.
Het voorkeursalternatief is in het MER als basisvariant beschouwd. Verder zijn in het MER (inrichtings)varianten meegenomen als varianten op de basisvariant (VKA). Dit is gedaan naar aanleiding van bestuurlijk overleg waarin enerzijds aandachtspunten voor de ruimtelijke impact benoemd zijn en anderzijds het advies van de commissie MER.
In het MER is het deel van Waterschap Zuiderzeeland (het deel op de IJsselmeerdijk) nog wel meegenomen, omdat de beslissing om niet verder te gaan met dit deelgebied gedurende het opstellen van het MER genomen is. Na het MER is dit deel verder buiten beschouwing gelaten in dit project. Het deel van het waterschap was gelegen op grondgebied van gemeente Dronten. Met de beslissing van het Waterschap Zuiderzeeland om de ontwikkeling niet door te zetten, heeft de gemeente Dronten geen raakvlak meer met dit projectbesluit.
In de volgende fase is het synthesemodel verder uitgewerkt in twee aparte sporen. Rijkswaterstaat heeft de deelgebieden Oostvaardersplassen en Boog om Lelystad verder uitgewerkt in het principe-ontwerp (zie figuur 4.5. De uitgangspunten voor de wegverbreding van de A6 tussen aansluiting 8 Almere-Oostvaarders en aansluiting 10 Lelystad zijn meegenomen in het principe-ontwerp, zodat het zonnepark de eventuele wegverbreding niet onmogelijk maakt. Door Waterschap Zuiderzeeland is het deelgebied IJsselmeerdijk separaat uitgewerkt vanwege het directe raakvlak met de dijkversterking. Het principe-ontwerp is tezamen met de uitwerking van de IJsselmeerdijk als concept voorkeursalternatief ter inzage gelegd en later als voorkeursalternatief vastgesteld.
Inmiddels maakt het deelgebied IJsselmeerdijk geen onderdeel meer uit van de projectscope. Daarom zal dit verkenningsproces, alsmede het deel van de IJsselmeerdijk uit het VKA hier verder buiten beschouwing blijven. Daar waar in dit document gesproken wordt over het voorkeursalternatief (VKA), wordt daarom het principe-ontwerp van Rijkswaterstaat voor de deelgebieden Oostvaardersplassen en Boog om Lelystad bedoeld.

In het bestuurlijk overleg tussen de betrokken overheden is het principe-ontwerp vastgelegd als basis voor verdere uitwerking ten behoeve van de projectprocedure.
Het bestuurlijk overleg besloot naar aanleiding van een aantal aandachtspunten om een verdiepingsslag te maken in de landschappelijke impact van het principe-ontwerp door varianten op het principe-ontwerp op te stellen. Voor het deelgebied Oostvaardersplassen heeft deze variantenstudie geleid tot twee varianten. Voor de Boog om Lelystad betreft het één landschappelijk geoptimaliseerde variant. Daarnaast zijn twee andere varianten uitgewerkt voor het gehele projectgebied. Deze drie gebiedsgerichte varianten en twee varianten voor het gehele projectgebied zijn in het MER meegenomen als varianten op het voorkeursalternatief.
Dit principe-ontwerp met aanvullende varianten is op 12 december 2024 (samen met de NRD) vastgesteld door de minister van Klimaat en Groene Groei. Hier is op 20 december 2024 een kennisgeving van gedaan in de Staatscourant.
Onderzochte varianten
Na vaststelling van het VKA zijn het principe-ontwerp en de drie varianten verder onderzocht in het project-MER. Daarnaast zijn twee andere varianten uitgewerkt voor het gehele projectgebied; variant 4 “Hekwerken” en variant 5 “Ecologische optimalisatie”.
De variant Hekwerken is uitgewerkt, omdat verzekeraars fysieke beveiliging tegen diefstal en vandalisme eisen door bijvoorbeeld hekwerken, sloten of camera’s. Welke eisen worden gesteld voor een zonnepark in de berm van een snelweg is nog niet bekend. In alle varianten worden géén hekwerken geplaatst tussen het zonnepark en de snelweg. Daar waar sloten niet diep en breed genoeg zijn, worden ze in de variant Hekwerken wel geplaatst op de kopse kant en aan de achterzijde (vanaf de snelweg gezien) van het park.
Daarnaast is op advies van de Commissie mer een extra variant (variant 5, “Ecologische optimalisatie”) opgenomen in het MER, gericht op behoud en versterking van ecologische waarden. Dit is overigens geen compensatie- of mitigatiemaatregel. Deze variant blijft dicht bij het oorspronkelijke concept en contour van het principe-ontwerp. De aanpassingen zorgen ervoor dat het zonnepark beter geïntegreerd wordt met speciale aandacht voor ecologische verbindingen4, toevoegen van beplanting en rietoevers vergroten (zie figuur 4.5). Daarnaast kan ter hoogte van de Boog bij Lelystad de tussenafstand tussen de rijen zonnepanelen vergroot worden, zodat er meer licht op de bodem valt. Door voldoende afstand tussen de bodem en de zonnepanelen aan te houden wordt een ecologisch overgangsgebied gevormd.
De variant is ontwikkeld op basis van een natuurinventarisatie en een verkennende sessie met Flevolandschap, gemeente Lelystad, Landschapsbeheer Flevoland, Natuur en Milieufederatie Flevoland, provincie Flevoland, Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat. Door toepassing deze variant is ten opzichte van het principe-ontwerp 5 hectare minder beschikbaar voor het realiseren van de zonnepanelen.

Afweging varianten
In het bestuurlijk overleg van 10 juli 2025 is de voorkeursvariant gekozen op basis van de landschappelijke kwaliteit, milieueffectbeoordeling en financiële haalbaarheid. Tijdens diverse overleggen met de stuurgroep en het kernteam is de voorkeursvariant tot stand gekomen. Betrokkenen hierbij zijn het Ministerie van KGG, Rijkswaterstaat, Provincie Flevoland en Gemeente Lelystad. Waterschap Zuiderzeeland en Gemeente Dronten zijn ook betrokken geweest bij het project, maar hebben vanwege het beëindigen van het projectdeel van het waterschap geen deelgenomen in de besluitvorming voor de voorkeursvariant. In het bestuurlijk overleg van 7 mei 2025 is kennisgenomen van de conceptresultaten van het MER (effectenbeoordeling van de varianten). Ook zijn in dit overleg de meest recente bevindingen over de financiële haalbaarheid gedeeld. Aan bestuurders is gevraagd om op basis van deze beslisinformatie een richtinggevende uitspraak te geven over een voorkeursvariant. De discussie hierover is voortgezet in het bestuurlijk overleg van 10 juli 2025.


De voorkeursvariant is als volgt gekozen:
Deelgebied Oostvaardersplassen: de inrichting van de middenberm en aansluiting 9 en 11 is de basisvariant (VKA) als voorkeursvariant gekozen;
Deelgebied Boog om Lelystad: hier is gekozen voor variant 3 ‘meer golven en meer groen’. Deze variant biedt betere landschappelijke inpassing dan het principe-ontwerp. Deze variant voorkomt een ‘tribune-opstelling’ van zonnepanelen. Daarnaast heeft het dezelfde opwekpotentie als het principe-ontwerp en biedt meer mogelijkheden voor het versterken van de natuurwaarden;
Hekwerken: deze zijn noodzakelijk waar sloten onvoldoende bescherming bieden, dit is met name het geval in het gebied Boog om Lelystad.
Voor deelgebied Oostvaarderplassen is de basisvariant (VKA) gekozen. Ondanks de grote inspanning van alle projectpartijen om te zorgen voor verdere landschappelijke optimalisatie en verlaging van de maximale hoogte van het zonnepark in de middenberm ter hoogte van de Oostvaardersplassen, leiden varianten 1 en 2 tot aanzienlijke risico’s met betrekking tot financiële haalbaarheid. Er is namelijk meer grondverzet- en afvoer nodig. Dit leidt tot hoge investeringen, die ten koste gaan van overige investeringen die gedaan moeten worden. De investeringsruimte die overblijft bij varianten 1 en 2 is bij lange na niet toereikend om het project mogelijk te maken, o.a. door bomen- en natuurcompensatie, de wens voor optimale ecologische inpassing (ecologische variant 4), wensen rondom financiële omgevingsparticipatie en mogelijke extra kosten die gepaard gaan met decentrale netinpassing. Afgesproken is dat optimalisatie van de landschappelijke inpassing verder wordt nagestreefd in de tenderprocedure. Het toevoegen van een gunningscriterium op landschappelijke inpassing in de tender is namelijk een manier om een realistisch plan te krijgen wat zo goed als mogelijk voldoet aan de wens voor een zo laag mogelijk zonnepark. Verder wordt in de procedure rekening gehouden met het realiseren van een zo laag mogelijk gelegen zonnepark. In het kader van geluidverspreiding leidt het lagergelegen zonnepark tot een betere werking van het aanwezige geluidsscherm. Bij de beoordeling van het geluidseffect van het project wordt rekening gehouden met de hoogte van de zonnepanelen ten opzichte van de omgeving.
Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn bij de voorbereiding van dit projectbesluit betrokken. In dit hoofdstuk is omschreven hoe dat heeft plaats gevonden en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning. Daarbij wordt ingegaan op de voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.
Participatie met de omgeving in het project is belangrijk, omdat daarmee rekening kan worden gehouden met de belangen en wensen van de omgeving. Door belanghebbenden in een vroeg stadium bij het project te betrekken hopen de Minister van KGG en de initiatiefnemer op tijd alle belangen, vragen en meningen op tafel te krijgen. Dit leidt tot zorgvuldigere en meer gedragen besluiten in het project. De uiteindelijke keuze voor de ontwikkeling van het toekomstige zonnepark is afhankelijk van onder andere de ruimtelijke inpasbaarheid, technische haalbaarheid, de impact op de leefomgeving en de kosten van een ontwerp.
Voor dit project hanteren de Ministeren de initiatiefnemer enkele uitgangspunten die de wijze bepalen waarop de contacten met belanghebbenden worden aangegaan en onderhouden. De manier waarop participatie is ingezet, staat uitgebreid beschreven in de kennisgeving van participatie.
De uitgangspunten zijn:
Tijdig en op begrijpelijke wijze informeren over de ruimtelijke procedure.
Tijdig informeren over het principe-ontwerp als projectkader.
Vragen horen en deze zo goed mogelijk beantwoorden.
Zoveel mogelijk rekening houden met suggesties, kansen en zorgen.
Laten zien hoe met de verschillende belangen, aandachtspunten, kansen en zorgen is omgegaan, zodat de keuzes helder en inzichtelijk zijn.
Participatie kent vele vormen. Deze worden vaak weergegeven volgens de zogenaamde participatieladder, waar belanghebbenden op verschillende niveaus betrokken worden, van lage betrokkenheid (informatie ontvangen) tot intensieve betrokkenheid (meebeslissen).

De minister en de initiatiefnemer betrekken graag alle personen en partijen die op enige manier beïnvloed kunnen worden door het project. Hierbij maakt zij onderscheid in de volgende vijf doelgroepen:
Lokale burgers en bedrijven: Iedereen die dicht bij het deel van de A6 of de IJsselmeerdijk, waarlangs de zonnepanelen gepland zijn, woont, verblijft of werkt en zich daarom betrokken voelt of vragen heeft.
Lokale belangengroepen: Belangengroepen die zich sterk maken voor de leefbaarheid in het projectgebied. Dit kan o.a. gaan over de onderwerpen gezondheid, milieu en veiligheid.
Professionele en maatschappelijke organisaties: Dit zijn burgers en maatschappelijke organisaties die zich inhoudelijk betrokken voelen. Dit betreft bijvoorbeeld en o.a. vertegenwoordigers van organisaties die zich sterk maken voor natuur en milieu- en klimaat, energiecoöperaties etc..
Bestuurs- en overheidsorganen: Dit zijn overheden op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Denk daarbij aan provincies, gemeenten, hoogheemraadschappen, omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s en weg-, water-, net- en railbeheerders. De belangen en vragen van deze groepen verschillen van elkaar, maar ze zijn voor de initiatiefnemer allemaal belangrijk om het project goed te kunnen uitvoeren.
Overige belanghebbenden.
Participatie met omgevingspartijen begeeft zich bij het Energieproject A6 zon Lelystad op de eerste drie treden van de ladder: informeren, raadplegen en adviseren. Met betrokken medeoverheden zoals gemeenten, provincie, waterschap, Rijkswaterstaat en het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) organiseert KGG wanneer nodig een ambtelijk en/of een bestuurlijk overleg. Overheden die tevens bevoegd gezag zijn voor het afgeven van een vergunning staan op de hoogste trede van de participatieladder: zij nemen zelf een besluit over het afgeven van een vergunning binnen de kaders van de geldende wetgeving.
Rijkswaterstaat heeft als onderdeel van de verkenning een uitgebreid participatietraject uitgevoerd. Het resultaat van dit traject is een principe-ontwerp met een ruimtelijke visie op het zonnepark, met bijbehorende bouwstenen. Er zijn verschillende participatiemomenten geweest. Het participatietraject bestond onder andere uit 5 online bijeenkomsten (de bijeenkomsten waren online omdat deze tijdens de coronacrisis plaatsvonden) en een interactieve website waarop belangstellenden hun reactie konden achterlaten. Daarnaast werden belanghebbenden via de projectwebsite en nieuwsbrieven geïnformeerd over de voortgang van het project. Bewoners, energiecoöperaties, (lokale) ontwikkelaars en andere belanghebbenden hebben meegedaan aan dit participatietraject. Tevens zijn er een aantal expertsessies georganiseerd in het najaar van 2022 waarin deskundigen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, verkeersveiligheid, brandveiligheid, beheer, ecologie, netinfrastructuur en geluid hun mening konden inbrengen op het principe-ontwerp. De input uit deze participatiemomenten is meegenomen in het principe-ontwerp. Deze uitgebreide participatie heeft veel positieve reacties opgeleverd.
Ook zijn er enkele werksessies geweest met het ingenieursbureau dat het wegontwerp heeft opgesteld ten behoeve van de wegverbreding. Op deze manier zijn het principe-ontwerp voor zon en het plan voor de wegverbreding goed op elkaar afgestemd. Op het moment dat de wegverbreding uitgevoerd gaat worden zal dit niet conflicteren met de zonnepanelen.
Op verschillende momenten en op verschillende manieren kan meegedacht en bijgedragen worden. Er is hierin een onderscheid tussen de formele momenten tijdens de formele procedure (de projectprocedure) en de (informele) participatiemomenten die de initiatiefnemer kan organiseren. De formele participatiemomenten zijn weergegeven in figuur 5.2 en hieronder beschreven.
Tijdens de formele participatiemomenten, wanneer een zienswijze of reactie kan worden ingediend, worden in ieder geval de volgende communicatiemiddelen gebruikt:
Publicatie in de Staatscourant en huis-aan-huisbladen
Publicatie op RVO A6 Zon Lelystad
Nieuwsbericht op website: Energie op rijksgrond
Nieuwsbrief A6 zon Lelystad
Inloopavond met de mogelijkheid een mondelinge reactie of zienswijze in te dienen
Nieuwsbericht op de website van gemeente Lelystad en de provincie Flevoland (en in eerdere fase ook gemeente Dronten en Waterschap Zuiderzeeland).
Per processtap wordt bekeken of de bovenstaande communicatiemiddelen worden aangevuld met extra communicatie zoals lokale/regionale persberichten.

Voornemen en Voorstel voor Participatie
Het ministerie van KGG en de initiatiefnemer hebben de brede omgeving (overheden, bevoegde gezagen, inwoners, bedrijven en professionele stakeholders) geïnformeerd over het projectvoornemen en hoe men voornemens is om te gaan met participatie. Iedereen kon formele reacties geven met betrekking tot:
Het aandragen van andere oplossingen voor de geschetste opgave (bijvoorbeeld andere alternatieven en varianten);
Het doen van andere voorstellen ten aanzien van wijze waarop derden worden betrokken.
Tijdens de ter inzage periode van het Voornemen en Voorstel voor Participatie is op 30 november 2023 is een informatiebijeenkomst geweest in Lelystad over de procedure en participatie. De ingekomen reacties zijn gebundeld in een inspraakbundel en beantwoord in een reactienota.
De volgende oplossingen voor de geschetste opgave zijn voorgesteld (de verkorte reactie is cursief weergegeven) :
Plaats de zonnepanelen op daken. Zonnepanelen op daken en gevels hebben prioriteit. Om de doelstelling in de RES te halen is ook zon-op-land nodig. Hierbij wordt het principe van meervoudig ruimtegebruik gehanteerd.
Wachten met de eventuele aanleg van het zonnepark tot de aansluitproblemen opgelost zijn. De energietransitie kan niet vertraagd worden omdat de klimaatdoelstellingen gehaald moeten worden. Vertraging is ook niet nodig, omdat netbeheerders enorm investeren in netverzwaringen, terwijl alternatieve aansluit- en opslagmethoden mogelijk worden gemaakt. A6 zon verkent de mogelijkheden voor lokaal gebruik: het bij elkaar brengen van vraag en aanbod zodat waar mogelijk het net wordt ontzien.
Dit project met voorrang aansluiten op het elektriciteitsnet, o.a. om bij te dragen aan een betere balans op het netwerk. De regels van de Netcode Elektriciteit (opgesteld door de Autoriteit Consument en Markt) staan niet toe dat A6 zon voorrang krijgt ten aanzien van andere aanvragen voor netcapaciteit. Wel is er nauwe afstemming met netbeheerder Liander, die onderdeel is van de werkgroep, en TenneT over netinpassing.
Spreek met bedrijven die een aansluiting hebben op het elektriciteitsnet, maar deze niet actief gebruiken. De exploitant regelt zelf de netaansluiting. Het projectteam kan wel een faciliterende rol spelen. In die context is het advies meegenomen.
Plaats panelen tegen de onderkant of bovenkant van de IJsselmeerdijk, maar let op de veiligheid van de dijk. Veilige dijken staat in dit project voorop. Zorgen voor waterveiligheid is één van de belangrijkste taken voor het waterschap. In onderzoeken naar de locatie van zonnepanelen op dijken zijn alle risico's voor de stevigheid van de dijk meegenomen. Daarbij is ook aandacht geweest voor uittredend grondwater aan de onderzijde van de dijk. Door de aanwezigheid van drainage helemaal onderaan de dijk, wordt de waterstand in de dijk voldoende laag gehouden. Hierdoor is er van doorsijpelend water door de dijk nauwelijks sprake en is het geen risico voor de waterveiligheid. Panelen plaatsen op het boventalud (de bovenzijde van de dijk) is ook onderzocht. Hier is niet voor gekozen, vanwege de wens tot behoud van de groene uitstraling van de kruin van de dijk. Daarnaast is ook het boventalud kleiner dan het benedentalud waardoor er minder panelen op passen.
Suggestie voor locatie aan de Knardijk, omdat deze dijk geen waterkerende functie heeft. Deze locatie is onderzocht door het Waterschap, maar is onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en vormt hiermee een belangrijk onderdeel van de verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe. Onder meer vanwege de strenge regels voor bouwen in het NNN en het grote verlies van biodiversiteit op de Knardijk is besloten om in te zetten op de IJsselmeerdijk [inmiddels is besloten om de procedure voor wat betreft de zonnepanelen op de IJsselmeerdijk niet door te zetten, red.].
Situering boven de snelweg. Uit veiligheidsoverwegingen is het niet mogelijk om zonnepanelen boven de weg te plaatsen.
Zonnepanelen als een flat bouwen. Zonnepanelen op daken en gevels hebben prioriteit. Om de doelstelling in de RES te halen is ook zon-op-land nodig. Daarnaast is een goede landschappelijke beleving een van de pijlers van het project. Het bouwen van zonnepanelen als een flat impliceert een hoge constructie. Dit past niet in de visie op de beleving van de omgeving, met de nadruk op het weidse en groene landschap.
Hoger plaatsen van de grond zodat dieren eronder kunnen schuilen. De panelen komen in de bermen van snelwegen. Deze bermen zijn geen veilig heenkomen voor groot wild en grazers. Daarom is hoger plaatsen van zonnepanelen niet logisch.
De volgende voorstellen ten aanzien van participatie zijn gedaan (de verkorte reactie is cursief weergegeven):
Blijf de inloopbijeenkomsten organiseren, deze zijn van toegevoegde waarde. Bij elke volgende fase waarin inspraak mogelijk is, wordt voor alle belangstellenden een inloopbijeenkomst georganiseerd. Dit wordt bekend gemaakt via lokale dagbladen en sociale media.
Graag TenneT zo vroeg mogelijk betrekken. Er is inmiddels afstemming geweest.
Deel de meningen die gegeven worden door inwoners. Alle reacties zijn gebundeld, beantwoord en gedeeld op de website van RVO.
Er moeten vervolgbijeenkomsten komen om de ingezonden berichten zoals deze te delen en bespreken. Alle reacties zijn gebundeld, beantwoord en gedeeld op de website van RVO. Er worden geen vervolgbijeenkomsten georganiseerd om de binnengekomen reacties plenair te bespreken. Bij elke volgende fase waarin inspraak mogelijk is, wordt wel weer een bijeenkomst georganiseerd.
Is burgerparticipatie in de zonnepanelen mogelijk? We vatten deze vraag op als: is er financiële participatie mogelijk in dit project? Beleid voor financiële participatie wordt binnenkort vastgesteld door de gemeenteraad van Lelystad. We vragen de ontwikkelaar om een participatieplan voor financiële participatie dat in lijn is met het beleid. De uiteindelijke financiële participatie is een uitkomst van participatie met de omgeving en afspraken tussen de omgeving, het lokaal bevoegd gezag en de ontwikkelaar. De gemeente Lelystad zal hierop toezien.
Graag persoonlijke en tijdige informatie. Al in de verkenningsfase is veel aandacht besteed aan het onder de aandacht brengen van het project en de participatiemomenten: plaatselijke kranten, flyers verzorgingsplaatsen, poster bij o.a. energiewinkel, sociale media. Tijdens de terinzagelegging van het Voornemen & Voorstel voor Participatie en in de aanloop naar de inloopavond is dit bekend gemaakt via onder andere de plaatselijke kranten en social media. Er wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kosten en baten om te informeren over de inloopavond en de terinzagelegging. In deze fase van het project is daarom niet gekozen voor een persoonlijke benadering van iedere bewoner van de gemeentes Lelystad en Dronten.
Referendum. Er zijn geen juridische mogelijkheden op nationaal of gemeentelijk niveau om hier een referendum op te houden.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau en VKA
Op maandag 24 juni 2024 werd een inloopbijeenkomst georganiseerd, waarbij vragen gesteld konden worden en informatie verkregen kon worden over het project en de procedure. Medewerkers van het (toenmalige) ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Rijkswaterstaat en het Waterschap Zuiderzeeland waren aanwezig om de vragen te beantwoorden. De bijeenkomst vond plaats in Congrescentrum De Pijler, Ketelmeerstraat 90 in Lelystad. De ingekomen reacties zijn gebundeld in een inspraakbundel en beantwoord in een reactienota.
Verder heeft de Commissie mer een advies uitgebracht over de concept NRD, waarbij ook het concept VKA betrokken is. De Commissie adviseerde om verschillende ontwerpen van het zonnepark te onderzoeken die de natuurkwaliteit overeind houden of zelfs versterken, bijvoorbeeld door optimale groene inpassing en het juiste beheer. Daarnaast gaf de Commissie met betrekking tot het concept VKA aan dat niet duidelijk was wat de gemaakte afwegingen waren. De Commissie adviseerde daarom bij de start van het MER de gemaakte afwegingen bij dit VKA alsnog helder en compleet te beschrijven. Zie voor de overwegingen paragraaf 4.2.4 van dit projectbesluit.

Binnen het project wordt gestreefd naar financiele particpatie: de te ontwikkelen grootschalige opwek van duurzame energie uit zon kan op deze manier ten goede komen aan lokale bedrijven en omwonenden. Op dit moment is er door gemeente Lelystad nog geen beleid vastgesteld om dit mogelijk te maken. Dit beleid wordt parallel aan het opstellen van dit projectbesluit en het doorlopen van de projectprocedure voorbereid.
Het beleid over de financiële participatie wordt vervolgens de leidraad voor de ontwikkelaar van de zonne-panelen: de ontwikkelaar zal een participatieplan voor deelname van omgevingspartijen in het project opstellen. De uiteindelijke financiële participatie is een uitkomst van participatie met de omgeving en afspraken tussen de omgeving, gemeente Lelystad en de ontwikkelaar.
Over de mogelijkheden voor financiële deelname aan het project wordt separaat informatie gepubliceerd.
Om ervoor te zorgen dat bij de besluitvorming op de juiste wijze rekening wordt gehouden met gezondheid en milieu, zijn voor dit project conditionerende onderzoeken uitgevoerd en is een MER-beoordeling opgesteld. Hierbij is rekening gehouden met eventuele cumulatie van effecten van het project met andere ontwikkelingen in de omgeving.
In hoofdstukken 6 t/m 10 is een beschrijving gegeven van de milieueffecten van het project. Deze effecten worden getoetst aan wet- en regelgeving en de lokale toetsingskaders. Per milieuaspect is een beschrijving opgenomen van het toetsingskader, de effecten van het project op basis van de resultaten van de diverse onderzoeken, eventuele mitigerende maatregelen en de conclusie. Per aspect is beschreven of en op welke wijze een vertaling naar de regels die het omgevingsplan wijzigen, heeft plaatsgevonden. Voor een gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar de rapportages van deelonderzoeken, die als bijlage zijn opgenomen bij deze motivering. Bij de betreffende paragraaf wordt verwezen naar de specifieke bijlage die voor een milieueffect is opgesteld.
Het toetsingskader voor geluid door activiteiten is gebaseerd op paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en paragraaf 4.3.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze paragraaf zijn de instructieregels opgenomen waar bij het stellen van regels voor geluid in omgevingsplannen c.q. projectbesluiten gevolg aan moet worden gegeven. Het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit moet aanvaardbaar zijn op geluidsgevoelige gebouwen.
Geluidsbelasting is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid, zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.65 Bkl. Indien deze standaardwaarden overschreden worden, dient een afweging te worden gemaakt over het stellen van hogere waarden tot aan maximaal de grenswaarde, opgenomen in artikel 5.66 Bkl.
Het geluid van wegen wordt bepaald met het wettelijk voorgeschreven rekenprotocol uit bijlage IVe (Meet- en rekenmethode geluid wegen) van de Omgevingsregeling. De wijze waarop het effect van zonnepanelen de overdracht van geluid beïnvloedt is hier (nog) niet in voorzien. Het RIVM werkt momenteel aan een modelleervoorschrift om hier rekening mee te houden, maar deze is op het moment van schrijven nog niet vastgesteld. Het effect is daardoor moeilijk exact kwantificeerbaar vast te stellen. Op basis van expert judgement wordt verwacht dat de effecten één tot enkele tienden van een dB verhoging kan optreden.
Om de effecten van de aanleg van zonnepanelen langs de A6 op het thema geluid te beoordelen, is een geluidsonderzoek uitgevoerd (zie Deelrapport Woon- en leefmilieu van het MER, onder 4.3). Aan de hand van een beoordelingskader zijn twee criteria beoordeeld, namelijk 1) Geluidoverdracht/-verspreiding; en 2) geluidemissie.
Geluidoverdracht/-verspreiding
De zonnepanelen in de middenberm, bij aansluiting 9 en 11, en venster Oostvaardersplassen komen niet hoger te liggen dan circa 1 meter boven de weg. Daarom resulteren deze niet in significante effecten in het kader van geluid. Ter hoogte van verzorgingsplaatsen komt de maximale hoogte enkele meters boven het maaiveld te liggen. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen, zijn de effecten op geluidoverdracht verwaarloosbaar.
Bij de Boog om Lelystad varieert de hoogte van de zonnepanelen boven het maaiveld: van minimaal 0,75 meter tot maximaal 6 meter. De berekening toont aan dat bij het zuidelijke deel het geluideffect afneemt door het plaatsen van de zonnepanelen. Dit komt doordat de zonnepanelen daar de maximale hoogte bereiken en het geluid van de weg afschermen. In het noordelijke deel is juist een lichte toename berekend. Hier is geen sprake van extra afschermende werking door de panelen door het reeds aanwezige geluidsscherm. Bovendien neemt het verhard oppervlak toe door het plaatsen van de zonnepanelen wat zorgt voor meer reflectie van het geluid.
Op het effect bij de Boog om Lelystad wordt inzicht gegeven door een kwantitatieve berekening. Op verschillende punten in de binnenbocht van dit deelgebied zijn rekenpunten genomen. Gemiddeld over de berekende punten over het traject neemt het geluid van de weg met 0,72 dB af ten opzichte van de referentiesituatie.
Geluidemissie
Naast de mogelijke beïnvloeding van de geluidoverdracht als gevolg van de zonnevelden produceren enkele onderdelen van het zonneveld zelf ook geluid (zoals omvormers of transformatoren). Uit een analyse volgt dat de kortste afstand van de geluidgevoelige gebouwen (de wijk Buitenhof in het deelgebied Boog om Lelystad) tot de zonnevelden circa 17 meter bedraagt. In totaal liggen hier 49 geluidsgevoelige gebouwen binnen de 50 dB(A) contour. Een geluidsscherm is hier aanwezig om het geluid van de weg af te schermen, waardoor ook het geluid van de zonnepanelen afgeschermd wordt. Doordat het geluidscherm het geluid van de zonnepanelen sterk reduceert, zijn ter hoogte van het scherm 20 woningen binnen de 50 dB(A) contour gelegen. Door de korte afstand van de geluidgevoelige gebouwen tot de zonnevelden bij de wijk Buitenhof, leidt de aanleg van de zonnepanelen tot een negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Door aandacht te besteden aan de locatie van de transformatoren, evenals het toepassen van stille transformatoren en omvormers, is het mogelijk om op alle locaties aan de standaardwaarde te voldoen. Negatieve geluideffecten zijn daarmee mitigeerbaar/te voorkomen.
Tonaal geluid
In bijlage IVh van de Omgevingsregeling is aangegeven, dat bij het beoordelen van geluid van activiteiten rekening moet worden gehouden met bijzondere geluiden, die vanwege hun karakter als extra hinderlijk worden beschouwd, zoals tonaal geluid. Als criterium geldt dat het bijzondere karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. In dat geval moet een zogeheten tonaliteitstoeslag worden toegepast op het langtijdgemiddeld deelgeluidniveau. Van transformatoren is bekend dat deze tonaal geluid (kunnen) produceren. Gezien de ligging van de zonnevelden (vlakbij de rijksweg), is het onwaarschijnlijk dat er tonaal geluid hoorbaar is bij woningen, vanwege de maskerende werking van het geluid van de weg. Desondanks is de situatie worst-case beschouwd, dus inclusief tonaliteitstoeslag.
Er zijn geen negatieve effecten in het kader van geluidoverdracht. Wat betreft geluidemissie dienen er mitigerende maatregelen getroffen te worden om aan de standaardwaarde te voldoen. Er zijn geen negatieve effecten als gevolg van tonaal geluid.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
evenwichtig toedelen van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Nieuwe verontreinigingen moeten worden voorkomen, bij nieuwe ontwikkelingen en activiteiten moeten beschermende maatregelen worden genomen. Indien de bodem of het grondwater niet volledig schoon is, moet hier rekening mee worden gehouden; past de aanwezige bodemkwaliteit bij de beoogde nieuwe situatie?
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Binnen het plangebied is in het verleden bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbinnen zijn, voor zover thans bekend, geen verdachte en/of verontreinigde locaties bekend.
Alle gemeenten in Flevoland hebben een gezamenlijke Nota bodembeheer met bijbehorende bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart geeft aan dat de diffusie bodemkwaliteit in Flevoland overwegend valt in de klasse ‘Landbouw/natuur’ en daarmee als ‘schoon’ kan worden beschouwd. Bermen langs (auto)(snel)wegen zijn daarentegen diffuus belast als gevolg van ‘run off’ (afstromen van hemelwater over verhard oppervlak) en atmosferische depositie. De bodemkwaliteit van bermen van auto(snel)wegen betreft overwegend klasse ‘Industrie’.
Tijdens de aanlegfase worden graafwerkzaamheden verricht die de bodem verstoren. Als gevolg van afstromen van hemelwater over zonnepanelen zou uitloging kunnen optreden en de bodem verontreinigd raken (bijvoorbeeld door beryllium). Aandacht voor deze bron van verontreiniging is er nog nauwelijks, maar moet vanuit het zorgplichtbeginsel niet worden veronachtzaamd. Als preventieve maatregel wordt in het projectbesluit de voorwaarde gesteld dat geen uitlogende materialen mogen worden toegepast.
Het aanbrengen van de fundering van de paneelframes leidt tot een verslechtering van de waterinfiltratie door verdichting van de bodem. Het effect van de verdichting van de bodem kan worden verminderd door het aantal te plaatsen palen in de grond te minimaliseren. Door de bodemwerkzaamheden (vergravingen) tijdens de bouwfase, kan uitstoot van koolstof plaatsvinden door de blootlegging en oxidatie van organisch materiaal. Ook kan uitstoot plaatsvinden door verschraling van de vegetatie door verminderde lichtinstraling. Door het minimaliseren van vergravingen kunnen de effecten op de bodemkoolstofvoorraad en het ecologisch kapitaal worden gemitigeerd. En door het gebruik van transparante panelen wordt voor een betere lichtinstraling gezorgd, wat helpt het ecologisch kapitaal te behouden, als ook de robuustheid en herstelvermogen van de bodem, en het vasthouden van koolstof.
Om te borgen dat grond die eventueel moet worden aangebracht van een overeenkomstige kwaliteit is als de gebiedseigen bodemkwaliteit (vergelijkbare classificatie), is dit als maatregel opgenomen in het projectbesluit. Op deze wijze is geborgd dat er geen verslechtering van de lokale bodemkwaliteit optreedt.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In algemene zin kan worden gesteld dat deze regels bestaan uit in Europees verband vastgestelde normen voor de maximumconcentratie van luchtverontreinigende stoffen op leefniveau. Als aan de grenswaarden wordt voldaan, dan staat het Bal de activiteit sowieso niet in de weg. Ook als niet aan de grenswaarden wordt voldaan, kan onder bepaalde voorwaarden de activiteit plaatsvinden. De toetsing van de resultaten aan de normen kan op verschillende manieren plaatsvinden. Deze toetsing is uitgewerkt in paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
2. het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
3. het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats, aangezien in grote delen van Nederland de concentraties van luchtverontreinigende stoffen onder de Bkl-normen liggen. Daarnaast is voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging (voorwaarde 3), überhaupt geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
De beoordeling van luchtkwaliteit vindt wel plaats als het gaat om een activiteit in (of nabij) aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. In artikel 2.38 van de Omgevingsregeling staan meer specifiek de gemeenten die vallen onder de agglomeraties.
De activiteiten zoals genoemd in artikel 5.51 Bkl worden met dit projectbesluit niet mogelijk gemaakt. Artikel 5.50 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is daarom niet van toepassing. Daarbij heeft de gebruiksfase een verwaarloosbaar klein effect op de leefomgeving, waardoor het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Aan de instructieregels omtrent luchtkwaliteit hoeft derhalve geen uitvoering te worden gegeven.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
De activiteiten die met dit projectbesluit mogelijk worden gemaakt veroorzaken geen geurhinder. De activiteiten zijn daarom niet aan te merken als een relevante geurbron. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de aanleg en exploitatie van de zonne-velden ten aanzien van het aspect geur geen relevant effect kan hebben.
De instructieregels voor het milieuaspect geur zien op het toelaten in een omgevingsplan (en daarmee in een projectbesluit) van een geurgevoelig gebouw of het toelaten van een in de instructieregels aangewezen geurveroorzakende activiteit op een locatie (artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Zulke toelatingen vinden met dit projectbesluit niet plaats.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de aanleg en exploitatie van de zonne-velden ten aanzien van het aspect geur geen relevant effect kan hebben.
Er vinden geen geurveroorzakende activiteiten plaats en er wordt ook geen geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de richtlijn van Stichting Bouwresearch (SBR-richtlijn) 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' worden gebruikt. Deze richtlijn bestaat uit drie delen:
Deel A, Schade aan gebouwen
Deel B, Hinder voor personen in gebouwen
Deel C, Storing aan apparatuur
Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij de internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2). Er wordt in deze richtlijn veel aandacht besteed aan het meten en berekenen van trillingen. De meet- en rekenregels voor trillingen staan in de Omgevingsregeling. In paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van trillingen. De streefwaarden uit SBR-richtlijn deel B zijn als standaardwaarden opgenomen in art. 587 Bkl.
De instructieregels voor het milieuaspect trillingen zien op het toelaten in een omgevingsplan (en daarmee in een projectbesluit) van een trillinggevoelig gebouw of het toelaten van een activiteit die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw (artikel 5.79h van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Zulke toelatingen vinden met dit projectbesluit niet plaats.
Gezien de afstand van de projectlocaties tot trillinggevoelige gebouwen en het feit dat het plaatsen van zonnepanelen geen trillingen veroorzaakt, is de kans op trillinghinder nihil.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Lichthinder heeft geen wettelijk toetsingskader. Voor het plaatsen van zonnepanelen nabij wegen is het voorkomen van lichthinder vanuit verkeersveiligheid een aandachtspunt. Primair is de verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving. Dit betreft de Europese Directive 2008/96/EG (voor rijks- en hoofdwegen), Wegenverkeerswet en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet.
Voor de beoordeling van de hinder door zonreflecties van zonnepanelen op bestuurders op snelwegen is gebruik gemaakt van het TNO-rapport ‘Hinder door zonreflecties - Vuistregels voor plaatsing van zonnevelden langs snelwegen’ (TNO, 2021). In het rapport zijn vuistregels opgesteld waarmee een eerste kwalitatieve analyse gemaakt kan worden van de mate van hinder die bestuurders ondervinden ten gevolge van de zonreflecties van zonnepanelen.
Ook vliegverkeer kan hinder ondervinden vanwege de lichtreflectie op zonnepanelen. Ter hoogte van aansluiting 10 is de afstand van de opstellocatie tot de luchthaven Lelystad het kleinste. De afstand bedraagt hier hemelsbreed circa 2,5 kilometer.
Op de locaties van de algemene inrichting van de middenberm bevinden zich geen omwonenden die lichthinder van zonnepanelen kunnen ondervinden. Deze locaties worden voornamelijk afgeschermd door bomen. Ook bevinden de dichtstbijzijnde huizen of boerderijen zich op meer dan 500 meter afstand. Bij de Oostvaardersplassen bevinden zich enkele boerderijen gelegen aan de Ibisweg ten zuiden van de zonnepanelen. Aangezien de zon nooit in het noorden staat en deze boerderijen zich op minstens 400 meter van de zonnepanelen bevinden is hier geen lichthinder mogelijk.
Voorafgaand aan het plaatsen van de opweklocaties dient in het kader van de vergunningverlening te worden aangetoond dat er geen hinderlijke lichtreflectie zal optreden voor weggebruikers, vliegverkeer of omwonenden. Voor de locaties waar dit niet relevant is (de middenbermen) kan dit met een verwijzing naar de TNO vuistregels worden onderbouwd. Voor de locaties waar dit wel relevant kan zijn, dient een onderbouwing aan de vergunningaanvraag te worden toegevoegd, waaruit blijkt dat door de oriëentatie van de panelen of door het aanbrengen van een maatregel, zoals bijvoorbeeld een folie of coating, hinderlijke lichtreflectie wordt voorkomen.
Er is geen lichthinder te verwachten in of langs het projectgebied. Toetsing van dit aspect vindt plaats in de procedure voor de vergunning die op grond van dit projectbesluit wordt aangevraagd bij de gemeente Lelystad. Aan deze vergunning kunnen voorschriften worden verboden die lichthinder voorkomen. Vanuit het aspect licht is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het thema gezondheid omvat de aspecten, die de fysieke gezondheid van mensen in het gebied en de
omgeving bepaalt en/of bevordert. Het gaat daarbij om gezondheidsbescherming (concentraties luchtverontreinigende stoffen, elektromagnetische straling van hoogspanningsmasten en de hoogte van geluid door wegverkeer en industrie), maar ook over de mogelijkheden en maatregelen die bevorderen dat gebruikers van een gebied meer gaan bewegen.
Zorg voor de publieke gezondheid is vastgelegd in de Wet Publieke Gezondheid (WPG). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Publieke gezondheidszorg heeft als doel de gezondheid van burgers te bevorderen en te beschermen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de vorige paragrafen gemotiveerd.
Voor het thema gezondheid zijn de thema’s luchtkwaliteit, geluid en omgevingsveiligheidsrisico’s relevant voor de beoordeling of externe effecten kunnen optreden die de volksgezondheid nadelig beïnvloeden.
Gezondheidseffecten ten gevolge van luchtkwaliteit, geluid en risico’s treden over het algemeen op bij langdurige blootstelling. Specifieke effecten vanwege de aanlegactiviteiten zijn daarom buiten beschouwing gelaten. De effecten zijn beschouwd ten opzichte van de al heersende achtergrondniveau’s in de omgeving.
Luchtkwaliteit
Er is geen relevant effect op de luchtkwaliteit, zie ook paragraaf 6.4.
Geluid
Er is uitsluitend een tijdelijk, beperkt effect op de geluidsemissie tijdens de aanlegfase. In de exploitatiefase is er een beperkte verandering in de geluidsbelasting mogelijk door veranderingen in de reflectie van geluid, dit heeft geen relevant effect op de geluidsbelasting van geluidgevoelige objecten.
Omgevingsveiligheid
Veiligheid voor de omgeving is relevant vanuit de brandveiligheid van de installaties en vanuit de verkeersveiligheid. Voor de brandveiligheid gelden de technische eisen die aan de opwekinstallaties in het algemeen gesteld worden. Hiermee wordt een voldoende niveau van veiligheid gehaald. De verkeersveiligheid is van belang voor de ontwerpeisen: ofwel is er sprake van een zodanige afstand dat de obstakelvrije zone langs de weg wordt aangehouden, ofwel wordt er ter bevordering van de veiligheid een geleiderails geplaatst. Ook voorzien de ontwerpeisen in voldoende zicht bij het plaatsen van hekwerken.
Om de installatie zelf te beschermen, wordt per locatie voorzien in een afscherming. Door bestaande watergangen (sloten) wordt de installatie afgeschermd voor vandalisme. Indien er geen sloten bij een locatie aanwezig zijn, zal aan de zijkant of achterkant (dus niet aan de zijde van de rijksweg) een hekwerk worden aangebracht om in de afscherming te voorzien.
Er wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen die van invloed zijn op de omgevingsveiligheid.
Effecten vanwege luchtkwaliteit, geluid en omgevingsveiligheid in de aanlegfase zijn uitgesloten, omdat er geen sprake is van langdurige blootstelling.
In de gebruiksfase zijn in het kader van beheer en onderhoud maatregelen nodig voor de verkeersveiligheid. Om in afscherming van de locaties te voorzien, is het toegestaan om, met inachtneming van de richtlijn ontwerpeisen autosnelwegen hekwerken om een installatie te plaatsen. De locaties zijn voor het onderhoud op een voldoende veilige manier bereikbaar.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er is geen wet- en regelgeving dat kader- of normstellend is voor de doelmatigheid van de opwek van zonne-energie. Wel is er beleid dat onderstreept dat het opwekken van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (zoals uit zonlicht) een kosteneffectieve methode is om de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer terug te brengen. Voor het thema Duurzaamheid is een beschouwing uitgevoerd op de volgende onderdelen (zie MER, deelrapporten ‘Vermeden emissies’ en ‘Duurzaamheid’:
Het project A6 zon is een belangrijke stap in de transitie naar een duurzamere energietoekomst voor Nederland. Door de installatie van zonnepanelen en het opwekken van hernieuwbare energie zal dit project een aanzienlijke bijdrage leveren aan de vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en de reductie van broeikasgasemissies in de Nederlandse elektriciteitsmix.
Naar verwachting zal het project A6 zon Lelystad tussen de 50.000 en 68.000 ton CO2-equivalenten besparen over een periode van 20 jaar.1 Deze besparing is aanzienlijk en draagt bij aan de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, zoals vastgelegd in het Klimaatakkoord van Parijs en de Nederlandse Klimaatwet.
Daarnaast draagt het zonnepark bij aan de onafhankelijke, onuitputbare energieproductie, wat bijdraagt aan een stabielere en minder afhankelijke energiesector in Nederland.
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van het project A6 zon Lelystad op de waterbelangen beschouwd.
Op grond van artikel 9.1 in samenhang met paragraaf 5.1.3 Bkl moeten waterbelangen verplicht meegewogen worden bij het vaststellen van een projectbesluit. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Bij de weging van de waterbelangen moet het beleid van het betreffende waterschap betrokken worden.
In deze motivering zijn de wateraspecten beschreven en is aangegeven of, en zo ja welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden.
Relevant oppervlaktewater langs de A6 is met name de Lage Vaart. De Lage Vaart gaat van Almere richting Lelystad en vervolgens onder de snelweg A6 door richting Dronten. De Lage Vaart is onderdeel van de ontsluitingswaterstructuur van Flevoland. De Lage Vaart heeft een aantal zijvaarten, namelijk de Lage Dwarsvaart en de Larservaart. Ter hoogte van het deelgebied de Oostvaardersplassen zijn de Reigerplas en Ooievaarsplas gelegen. De sloten Noordertocht en Oostervaart kruisen de snelweg A6 ter hoogte van aansluiting 11. De Oostervaart sluit vervolgens aan op de Lage Vaart. De Lepelaarstocht ter hoogte van de Oostvaardersplassen doorkruist de snelweg A6. Langs de snelweg A6 zijn bermsloten aanwezig in de buitenberm. Ter hoogte van de verzorgingsplaatsen en aansluitingen zijn bermsloten en waterpartijen aanwezig. In de middenberm zijn bermsloten aanwezig ter hoogte van deelgebied Oostvaardersplassen.
In en nabij het plangebied bevinden zich geen KRW-wateren.
Er worden uitsluitend niet uitlogende materialen toegestaan, waardoor er geen invloed is op de waterkwaliteit. Tijdens de gebruiksfase worden geen veranderingen voor het grondwater of het watersysteem verwacht. De neerslag stroomt af van het oppervlak van de zonnepanelen en infiltreert op en nabij de locaties in de ondergrond. Er is geen beperking van infiltratiewater. Effecten op het grondwater zijn niet te verwachten.
Voor het realiseren van de installaties is naar verwachting geen bemaling nodig. Hemelwater dat afstroomt van de installaties kan in de ondergrond inzeigen. De oppervlakte van de gebouwen (transformatorhuisjes) is beperkt: er is geen watercompensatie nodig.
Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de veiligheidseffecten van het project beschouwd. Het gaat hierbij om respectievelijk omgevingsveiligheid, waterveiligheid, ontplofbare oorlogsresten en verkeersveiligheid.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in de instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten2:
• Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
• Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
• Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
• Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in paragraaf 5.1.2.2 (betreffende ‘veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines’) wettelijke grens- en standaardwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico in relatie tot omliggende gebouwen en locaties, en is de begrenzing van de aandachtsgebieden gedefinieerd. Deze grens- en standaardwaarden en begrenzing moeten worden toegepast bij besluitvorming in het kader van het projectbesluit.
Zonnepanelen zijn geen risicobron, er wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Ook worden er geen kwetsbare gebouwen toegevoegd.
Er worden met dit projectbesluit geen risicobronnen of kwetsbare gebouwen toegevoegd.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Omgevingsregeling (Or) bevat bepalingen ten aanzien van de organisatie van het beheer van waterkeringen en toont een overzicht van de primaire dijktrajecten. Ook omvat de Omgevingswet de beschermingszones en regels omtrent bouwen in of nabij het waterstaatswerk. De veiligheidsnormen voor de primaire waterkeringen zijn vastgelegd als omgevingswaarde in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Er zijn geen waterkeringen of bijbehorende beschermingszones gelegen binnen het projectgebied. Het project heeft geen effect op waterkeringen
Vanuit het aspect waterveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Naar aanleiding van de verschillende oorlogshandelingen in het verleden kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn achtergebleven in het plangebied. Bij de werkzaamheden in het kader van dit project bestaat mogelijk het risico dat explosieven worden aangetroffen die gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (hierna: WSCS-OCE) dient ter beoordeling of er indicaties zijn dat binnen het plangebied conventionele explosieven aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. Hier is geen specifieke wet- en regelgeving over, wel kunnen gemeenten hier regels over stellen in hun omgevingsplannen.
Het projectgebied is voorafgaand aan de planvorming voor de verbreding van de rijksweg A6 onderzocht, onder meer op de kans op het aantreffen van (archeologische) waarden in de ondergrond. Hierbij is vastgesteld dat de kans dat er waarden of vondsten in de ondergrond aanwezig zijn, nagenoeg niet aanwezig is. Reden hiervoor is dat de ondergrond ter plaatse van het projectgebied bij de aanlegwerkzaamheden van de bestaande snelweg al diepgaand geroerd is, waarbij er geen vondsten zijn aangetroffen. Ook voor ontplofbare oorlogsresten geldt dat de verwachting dat deze in het gebied aanwezig zijn niet als risico wordt ingeschat. Ook van ontplofbare oorlogsresten is bij de aanleg van de snelweg en de daarbij uitgevoerde grondroeringen in het onderhavige projectgebied niets aangetroffen. De werkzaamheden die nodig zijn op de opweklocaties voor zonne-energie te realiseren, zullen de grond niet dieper roeren als nodig was bij de aanleg van de bestaande snelweg.
Er is altijd een restrisico dat bij de uitvoering van grondroerende werkzaamheden een ontplofbare oorlogsrest wordt aangetroffen. Indien grondverzet bij de uitvoering van de werkzaamheden nodig is, worden hierbij de reguliere voorzorgsmaatregelen bij in acht genomen. Bij het onverwacht aantreffen van een vondst, wordt hier melding van gemaakt en worden passende maatregelen getroffen om de veiligheid te borgen.
Er is geen risico op ontplofbare oorlogsresten. Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Verkeersveiligheidsrisico’s die in een vroegtijdig stadium van een project te identificeren zijn, dienen te worden beheerst volgens de VOA-risicomethodiek, welke staat omschreven in het Kader Verkeersveiligheid. Het Kader wegontwerpproces de wijze waarop een beoordeling volgens de VOA-risicomethodiek per projectfase uitgevoerd dient te worden. ondanks dat de plaatsing van zonnepanelen langs de A6 geen wegenproject betreft, wordt deze risicomethodiek gevolgd in dit project.
Aanlegfase
Voor de veilige uitvoering van de werkzaamheden voor de realisatie van de zonneparken conform CROW 96a moet rekening worden gehouden met maatregelen die de veiligheid voor medewerkers in de realisatie borgen en waarmee de veiligheid van derden (waaronder weggebruikers) wordt gerealiseerd. Daarom dient de linkerrijstrook op meerdere plekken tijdelijk te worden afgekruist zodat deze als werkruimte kan dienen. Het dwarsprofiel dient hierop tijdelijk te worden aangepast, waarbij het verkeer in de aanlegfase op meerdere plekken van het traject deels gebruik maakt van de vluchtstrook. Om de verkeersveiligheid te waarborgen is daarvoor een snelheidsbeperking tot 90 km/u benodigd, wat tot een tijdelijk verminderde doorstroom van verkeer zal leiden.
Gebruiksfase
Vanuit verkeersveiligheid geldt dat de plaatsing van zonnepanelen langs de A6 voor een toename van obstakels in de midden- en buitenbermen van deze autosnelweg zorgt. Daarmee wijzigt in ieder geval het dwarsprofiel en het wegbeeld, wat mogelijk van invloed is op de verkeer en verkeersveiligheid. Dit is in een verkeer en verkeersveiligheidonderzoek (MER deelrapport Verkeer en verkeersveiligheid, opgenomen als bijlage bij deze motivering) beoordeeld aan de hand van de volgende vier criteria:
verkeersveiligheid;
zonlichtreflectie op weggebruikers;
bereikbaarheid voor onderhoud;
doorstroming.
Uit deze beoordeling blijkt dat door de verkeersveiligheid ten opzichte van de bestaande situatie door het project negatief beïnvloed wordt. Deze negatieve effecten, dus de verkeersveiligheid van de rijksweg A6 na realisatie van het project A6 Zon, zijn getoetst aan de kaders en ontwerprichtlijnen van Rijkswaterstaat bij het ontwerp van rijkswegen. Uit deze toetsing (zie bijlage ‘Onderbouwing effecten verkeersveiligheid A6 Zon’) blijkt dat met de opstellingen voor het opwekken van zonneenergie langs de weg voldaan kan worden aan de ontwerpeisen. Om te borgen dat de opstellingen ook op deze wijze worden uitgevoerd, wordt de uitgifte van de gronden (in de grondovereenkomst) opgenomen dat de richtlijnen voor het ontwerp van autosnelwegen van toepassing zijn. Vervolgens wordt het uiteindelijke ontwerp van de opstellingen in een vergunningprocedure getoetst. Op deze wijze is de verkeersveilige inrichting geborgd, voor de criteria verkeersveiligheid, zonlichtreflectie op weggebruikers, bereikbaarheid voor onderhoud en de doorstroming.
Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat ook zonlichtreflectie voor vliegverkeer en voor gebruikers van de omgeving in deze vergunningprocedure wordt meegenomen, om hinder te voorkomen.
Vanuit het aspect verkeersveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van het project A6 zon Lelystad beschouwd op het cultureel erfgoed, de landschappelijke waarden en de ruimtelijke kwaliteit en welstand.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze hebben betrekking op:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
verplaatsing van beschermde monumenten;
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Verder moeten eventuele archeologische toevalsvondsten (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) van bijvoorbeeld scheepswrakken of –resten worden gemeld conform art. 5.10 van de Erfgoedwet.
Het cultuurhistorisch landschap is een belangrijk onderdeel van het erfgoed van Flevoland. Op de cultuurhistorische kaart is openheid aangewezen als één van de (historische) landschappelijke kwaliteiten van Flevoland. Deelgebied Oostvaardersplassen is gelegen in een open gebied.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft een verwachtingskaart Archeologische waarden opgesteld, een uitsnede hiervan is weergegeven op afbeelding 8.6. De verwachting van de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied varieert van lage naar een hoge trefkans op archeologische vondsten.

Tot de Boog om Lelystad worden de zonnepanelen enkel in de middenberm geplaatst en blijf de landbouwverkaveling onaangetast. Voorzienbare effecten op de historische percelering en daarmee de historische geografische elementen worden niet verwacht. Omdat er ook ter plaatse van de Lage Vaart enkel ingrepen plaatsvinden in de middenberm, blijft deze historisch geografische structuur onaangeraakt. Er wordt om die redenen geen effect van A6 zon op het historisch geografisch waardevolle element de Lage Vaart verwacht. De beplantingsstroken die de ondergrondse cultuurhistorie uit de tijd van het Mesolithicum en de Swifterbantcultuur markeren ondervinden geen invloed van A6 zon, omdat de panelen ter plaatse niet aan de zuidkant van de A6 worden gepositioneerd.
Bij het project vinden diverse bodemingrepen plaats, zoals het plaatsen van hekwerken en transformatorhuisjes, graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van kabels, gestuurde boringen, grondophoging en mogelijk zettingsmaatregelen. De exacte aard, locatie en diepte van deze ingrepen zijn nog niet bekend en worden pas in de exploitatiefase uitgewerkt. Op basis van het bureauonderzoek is de kans op het aantreffen van archeologische resten deels hoog, deels laag, afhankelijk van bodemopbouw, diepte en oppervlakte van de bodemingrepen en erosie. Daarom kan nu niet worden geconcludeerd dat uitvoering zonder verstoring van archeologische waarden mogelijk is. Het uiteindelijke ontwerp dient voorafgaand aan de uitvoering te worden getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Lelystad. Indien sprake is van mogelijke aantasting, is aanvullend archeologisch onderzoek vereist. In de regeling ‘wijziging omgevingsplan’ bij dit projectbesluit is een archeologisch onderzoek als indieningsvereiste opgenomen, en zal dit worden getoetst aan het vigerende archeologische beleid.
Het project tast de historische percelering en geografische structuur niet aan.
Aantasting van archeologische waarden kan op basis van de huidige informatie niet worden uitgesloten. Indien uit een toetsing van het uitvoeringsontwerp blijkt dat sprake kan zijn van effecten op archeologische waarden, dan geldt hiervoor de bescherming en procedures uit het gemeentelijke omgevingsplan.
Vanuit het aspect cultureel erfgoed is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt.
In het programma landschap van de toekomst wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van het landschap. In dit programma zijn kernkwaliteiten benoemd voor verschillende typen landschapselementen. Deze kwaliteiten vormen het toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven en dragen bij aan het behoud van de indentiteit van het lanschap in Flevoland. De kernkwaliteiten kunnen worden onderverdeeld in zes hoofdcategorieën: waterbouwkundig werk, hoofdstructuur per podler, maaiveld, beplantingsstructuren, infrastructuur en oud land in nieuw land.
Artikel 8.8 van de Omgevingsverordening Flevoland bevat een instructieregel die gemeenten verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied het provinciale landschapsbeleid te betrekken en de omgevingskwaliteit te motiveren. Deze motivering moet inzicht geven in het gebied waarop de ontwikkeling betrekking heeft, de bijdrage aan de bestaande omgevingskwaliteit en de aansluiting op de ruimtelijke en landschappelijke structuur.
De mate van landschappelijke inpassing wordt beoordeeld aan de hand van het eindbeeld. In de aanlegfase is landschappelijke inpassing niet relevant. De aanlegfase wordt in deze paragraaf dus niet beoordeeld.
De zonnepanelen die in een middenberm komen te staan veranderen de referentiesituatie die nu een open en groen, dan wel besloten karakter heeft. Met de profilering wordt gezorgd dat de panelen minimaal boven de hoogte van het wegdek uitsteken. Hiermee wordt de visuele continuïteit van het omliggende open landschap naar de bermen doorbroken en verandert de ruimtebeleving van de ruim opgezette weg en de ervaring waarbij ‘het landschap onder de weg door loopt’.
Bij het ontwerp is gekozen voor meegolvende panelen (die het hoogteverloop van de A6 volgen) de weg extra aangezet, waardoor deze niet meer ondergeschikt is aan het landschap. In het algemeen zal de beleving open-dicht-open, voor zover hiervan in de huidige situatie sprake is, worden gewijzigd. Een aantal bermen die nu door middel van beplanting besloten zijn ingericht, worden (meer) open, en waar open (polder)beleving centraal staat zal deze, door de aanleg van zonnepanelen in de bermen, worden verstoord.
Door lagere golven en onderbrekingen die het zicht op achterliggend groen open houden heeft de voorkeursvariant ter hoogte van de Boog om Lelystad een discreter karakter dat beter aan zou sluiten bij de hoogteligging van de weg en landschappelijke karakteristieken. Een sloot met rietoever dient als fysieke barrière, waardoor hekwerken overbodig zijn. Het achterliggend groen wordt door onderbrekingen zichtbaarder gehouden, en het golvende karakter van het zonneveld versterkt.
Er is sprake van een korte langsrijtijd en de zonnepanelen volgen zowel de hoogteligging van de weg als landschappelijke kenmerken, wat resulteert in meerdere golven en een lager profiel over een grotere lengte. Dit zorgt voor een zeer lichte verzachting van de effecten op de enscenering, omdat de huidige situatie herkenbaarder blijft.
Het realiseren van de zonnepanelen naast de rijksweg heeft daarmee een negatief effect op het landschap. Door met het ontwerp aan te sluiten op de rijksweg en het ontwerp van de weg als het ware te onderstrepen met de opstellingen, wordt een landschappelijk ingepast geheel nagestreefd. De opstellocaties zullen altijd zichtbaar zijn voor de weggebruiker en vanuit de omgeving. Door het stellen van ontwerpeisen en voorwaarden aan de inpassing van de opstellocaties, wordt deze impact op een aanvaardbaar niveau gehouden en wordt de landschappelijke inpassing geoptimaliseerd.
In overleg met provincie en gemeente zijn voorwaarden aan het ontwerp afgestemd om tot een beperking van de landschappelijke en ruimtelijke impact te komen. Met deze ontwerpvoorwaarden wordt de landschappelijke inpassing zorgvuldig vormgegeven, zowel voor het zicht vanaf de rijksweg als vanuit het omliggende gebied. Daarmee wordt, ondanks dat de installaties door de zichtbaarheid in het landschap een negatief effect hebben, de landschappelijke kwaliteit na de realisatie van de opwekinstallaties van voldoende kwaliteit geacht.
Het project is passend in de omgeving. Vanuit het aspect landschappelijke waarden is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overheden moeten stedenbouwkundige kwaliteit meenemen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan (artikelen 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Ruimtelijke kwaliteit is de kwaliteit van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte en heeft onder andere invloed op de herkenbaarheid en het gebruik van een gebied. De ruimte die het project inneemt kan effect hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Voor ruimtelijke kwaliteit is geen formeel beleidskader.
Op grond van artikel 22.29 Invoeringsbesluit Omgevingswet (bruidsschat) mag het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit geldt zowel voor het bouwwerk zelf, als voor het bouwwerk in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling van de omgeving. Dit wordt beoordeeld op basis van de welstandseisen uit het omgevingsplan3.
Ruimte waar nu nog plek is voor ontwikkeling wordt met de realisatie van het zonneproject bezet met zonnepanelen. Deze worden gepositioneerd in het bestaande landschap; er zullen echter door de profilering ook wijzingen plaatsvinden aan het landschap zelf, met taluds en wal-achtige structuren, ten dienste van het energieproject. De zonnepanelen zelf zijn als losse elementen te verwijderen wanneer deze hun levensduur hebben bereikt of er andere opgaven spelen die de ruimte vereisen. Ook de aardewerken zijn niet onomkeerbaar, maar toekomstige aanpassing of amovering daarvan is een bewerkelijker proces. Dit heeft effect op de aanpasbaarheid en duurzaamheid van de ruimte rondom de A6. Als gekeken wordt naar de RWS-pijler ‘de inpassing en vormgeving van Rijkswegen dragen bij aan een duurzame en circulaire leefomgeving’ wordt er wel bijgedragen aan duurzaamheid. De tussen- en nevenruimte van de weg wordt namelijk gebruikt voor de opwekking van hernieuwbare energie. Er is in het ontwerp rekening gehouden met een wegverbreding van de huidige 2x2 naar een 2x3 snelweg. Mocht deze ontwikkeling in de toekomst worden gerealiseerd is hier na de aanleg van A6 zon nog steeds ruimte voor.
Om de negatieve impact te minimaliseren worden de ontwerpkeuzes voor het zoveel als mogelijk buiten het zicht houden van de opstellocaties vastgelegd als toetsingskader bij vergunningverlening. Ook met het toepassen van deze maatregelen is sprake van een negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit, afgewogen tegen de doelstellingen van het project wordt deze impact beschouwd als beperkt en de toekomstige ruimtelijke kwaliteit van voldoende niveau om te kunnen spreken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het project is passend in de omgeving. Door inpassing onderdeel te maken van het toetsingskader voor vergunningverlening wordt bereikt dat de opstellingen op een wijze in de omgeving worden ingepast die voldoende rekening houdt met de ruimtelijk kwaliteit.
Vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit en welstand is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van Energieproject A6 Zon op de natuur beschreven. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden drie vormen van bescherming onderscheiden:
Daarnaast is een analyse opgenomen van effecten op NNN-gebieden (Natuur Netwerk Nederland) uit de provinciale Omgevingsverordening.
Extra maatregelen die genomen moeten worden, worden in de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, de omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit en/of een besluit tot compensatie en herbegrenzing van NNN geborgd.
In overeenstemming met de Omgevingswet moet bij een project onderzocht worden of de kwaliteit van natuurlijke habitats verslechtert of leefgebieden van soorten significant verstoord worden (art 16.53c Omgevingswet). In dat geval zal voor het project een vergunning nodig zijn. Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), behorende bij de Omgevingswet, regelt met name de bescherming van gebieden die in het kader van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn beschermd moeten worden. Deze vallen samen onder Natura 2000 en zijn Europees beschermd.
Voor het beoordelen van effecten op Natura 2000-gebieden is een analyse gemaakt van mogelijke significant negatieve gevolgen van stikstofdepositie. Hieruit volgt dat deze kunnen worden uitgesloten.
Er is geen ruimtebeslag ter plaatse van Natura 2000-habitattypen. Ook voor de effecten op habitatrichtlijnsoorten door geluid en beweging zijn er bij de voorkeursvariant geen negatieve gevolgen. Voor de Oostvaardersplassen geldt dat geluidseffecten wel invloed kunnen hebben op Natura 2000-vogels van de Vogelrichtlijn. Door de bestaande aanwezigheid van de A6, de spoorlijn en het fietspad zijn de werkzaamheden echter nauwelijks merkbaar en is deze strook al verstoord voor eventuele (broed)vogels. Vanwege het project treden er geen negatieve effecten op.
Vanuit het aspect gebiedsbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In art. 5.1. lid 2 van de Omgevingswet juncto afdeling 11.2 van het Bal is de bescherming van soorten en de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen geregeld. De wet kent 4 beschermingsregimes voor soorten en elk regime kent zijn eigen verbodsbepalingen en vergunningvereisten. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel wordt bepaald of er beschermde dier- en plantensoorten kunnen voorkomen in het plangebied en of deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van de functionaliteit van het leefgebied als gevolg van de ingreep, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.
In beginsel moet, al dan niet met voorzorgsmaatregelen, worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en verbodsbepalingen niet worden overtreden. Lukt dat niet, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en zal een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit moeten worden aangevraagd. Ongeacht vrijstelling of vergunning geldt voor alle soorten de zorgplicht zoals beschreven in paragraaf 11.27 van het Bal. Deze zorgplicht is van toepassing bij alle dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient iedereen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is schade aan deze soorten te voorkomen.
Binnen het plangebied zijn foerageergebied, voortplantingshabitat en leefgebied van vleermuizen, bever, wezel, waterspitsmuis, ringslang en rugstreeppad aangetroffen.
Door het treffen van voorzorgsmaatregelen kunnen schadelijke handelingen voorkomen worden. Niet alle schadelijke handelingen kunnen voorkomen worden: binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zullen voor de bovengenoemde functies en soortgroepen effecten optreden. Bij activiteiten in het kader van dit projectbesluit dienen de voorzorgsmaatregelen in acht genomen te worden. Voor de werkzaamheden en activiteiten die effecten kunnen hebben, mogen niet zonder een omgevingsvergunning voor een flora- en faunactiviteit uitgevoerd worden. De verwachting is, op basis van het uitgevoerde veldonderzoek en een inventarisatie van de benodigde vervolgstappen per aangetroffen soort in het projectgebied, dat deze vergunning verleend kan worden.
In de wijziging omgevingsplan wordt verwezen naar deze vergunningplicht, om toekomstige exploitanten te attenderen op deze vergunningplicht.
Binnen het projectgebied kunnen verschillende beschermde soorten voorkomen. Voor de meeste van deze soorten geldt dat een overtreding van het Besluit activiteiten leefomgeving voorkomen kan worden door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Voorafgaand aan de uitvoering van activiteiten en werkzaamheden ten behoeve van dit project is het nodig om een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit aan te vragen en te verkrijgen voor het vernielen en/of verstoren van dieren en/of vaste voortplantings- en rustplaatsen.
Vanuit het aspect soortenbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten) buiten de bebouwde kom. Het begrip 'houtopstand' is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: “zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend”. Individuele bomen vallen dus niet onder het begrip 'houtopstand', en worden dus niet door de regels van het Bal beschermd.
Bij de Oostvaardersplassen en de Boog om Lelystad moeten bomen worden gekapt voor de aanleg van het project. In de omgeving van het project zijn herplantlocaties aangewezen, waar de compensatie van de te verwijderen bomen kan worden gerealiseerd. Binnen deze aangewezen gebieden is voldoende ruimte beschikbaar en toebedeeld aan compensatie voor het energieproject A6 Zon. In bijlage 5 (natuur) is een onderbouwing van de haalbaarheid van de compensatie van de houtopstanden opgenomen.
Door de natuurontwikkeling, waarbij houtopstanden worden aangeplant, wordt voorzien in de compensatie van de benodigde verwijdering van houtopstanden.
Om het project A6 Zon Lelystad mogelijk te maken, worden houtopstanden verwijderd. Compensatie van deze houtopstanden vindt plaats in het kader van de natuurontwikkeling die rijkswaterstaat in samenspraak met provincie Flevoland en gemeente Lelystad aan het voorbereiden is. Hiertoe is een compensatiegebied aangewezen en zijn bestuurlijke afspraken gemaakt.
Vanuit het aspect bescherming houtopstanden is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Natuurnetwerk Nederland heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Hierdoor kunnen planten en dieren zich gemakkelijker verspreiden en zijn gebieden beter bestand tegen klimatologische veranderingen en negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden is bovendien een grotere soortendiversiteit te verwachten.
Op grond van artikel 7.6 e.v. van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden in de provinciale omgevingsverordening Natuurnetwerk Nederland-gebieden aangewezen en regels hieromtrent gesteld. De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan, de samenhang tussen de gebieden van het NNN en tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft voor het gebied. In de Omgevingsverordening provincie Flevoland zijn de regels over NNN opgenomen in hoofdstuk 15. Op basis hiervan kan Gedeputeerde Staten conform de Beleidsregel 'Herbegrenzing Natuurnetwerk Nederland provincie Flevoland' de NNN herbegrenzen ten behoeve van de realisatie van initiatieven voor zonne-energie.
Ten aanzien van de Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebieden is in de aanlegfase tijdelijk sprake van indirecte effecten, zoals geluids- en optische verstoring. In de gebruiksfase treden deze effecten niet meer op.
Voor de Boog om Lelystad is sprake van ruimtebeslag op NNN, doordat er natuurtype ‘bos’ wordt aangetast en het plaatsen van hekwerken noodzakelijk is. Als gevolg van de realisatie van project A6 zon zal 12,9 ha aan NNN verloren gaan. Conform het bepaalde in de ‘Omgevingsverordening provincie Flevoland’ en het in acht nemen van de compensatietoeslag als genoemd in de ‘Beleidsregel herbegrenzing Natuurnetwerk Nederland provincie Flevoland’ zal 20,7 ha NNN elders in Flevoland moeten worden gecompenseerd. Conform de beleidsregel dient deze compensatie bij voorkeur plaats te vinden aansluitend of nabij het gebied waar de ingreep plaatsvindt, onder de voorwaarde dat een duurzame situatie ontstaat. Compensatie kan plaatsvinden door gebruik te maken van het instrument ‘herbegrenzing’ waarvoor de provincie het bevoegde gezag is.
Deze aantasting van NNN kan worden gecompenseerd. Rijkswaterstaat heeft hiervoor compensatiegebied aangewezen in samenhang met de ontwikkeling van een woninggebied in de gemeente Lelystad. Als onderdeel van deze gebiedsontwikkeling wordt ook een natuurontwikkeling voorbereid. De natuurcompensatie kan in dit gebied gerealiseerd worden. In bijlage 5 (natuur, onderdeel onderbouwing haalbaarheid natuurcompensatie) is een uitwerking van de afspraken over de natuurcompensatie beschreven. Alvorens met de werkzaamheden kan worden gestart, dient een verzoek tot herbegrenzing te worden ingediend bij Gedeputeerde Staten van Flevoland waarna zij een besluit zullen nemen ten aanzien van de exacte locatie waarop de benodigde compensatie zal worden gerealiseerd. De omvang van het natuurcompensatiegebied is ruimschoots voldoende om aan de compensatieverplichting te kunnen voldoen. Na compensatie blijven er geen negatieve effecten over. Provincie, gemeente en Rijkswaterstaat zijn in goed overleg tot afspraken over de natuurontwikkeling gekomen, waarmee de compensatie voldoende verzekerd is in samenhang met dit projectbesluit.
Opgemerkt wordt dat een alternatieve locatie voor de natuurcompensatie kan worden voorgelegd aan de provincie Flevoland om de natuurcompensatie te realiseren, waarbij de natuurcompensatie is omvang en kwaliteit dient de voldoen aan de vigerende (beleids-)regels voor compensatie.
Vanuit het aspect Natuurnetwerk Nederland is, na herbegrenzing, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk zijn de effecten van het project beschouwd op de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen.
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren, zoals (spoor)wegen, luchthavens, waterstaatswerken en mijnbouwinstallaties op zee. Ter bescherming van het werk of object gelden beperkingen voor activiteiten binnen het beperkingengebied. Deze beperkingen kunnen zowel in de vorm van voorwaarden aan de activiteit voorkomen, als in de vorm van een vergunningplicht.
De hoofdstukken 6 tot met 10 van het Besluit activiteit leefomgeving (Bal) bevatten voorschriften voor speciale (beperkingen)gebieden in beheer bij het Rijk. In hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de beoordelingsregels voor vergunningen. De algemene regels en vergunningplichten voor verschillende activiteiten in de Noordzee staan in hoofdstuk 7 van het Bal. Bij elk van deze activiteiten staan de algemene regels en er staat wanneer een vergunningplicht geldt. De beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit in of bij de Noordzee staan in artikel 8.84 en 8.90 van het Bkl.
Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen ook rekening houden met de stroomgebiedbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationaal waterprogramma. Dit staat in artikel 8.84 van het Bkl. Het bevoegd gezag mag alleen een vergunning verlenen als een beperkingengebiedactiviteit niet in strijd is met de doelen van de wet (het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving).
Alle locaties zijn gelegen in de directe nabijheid van rijkswegen. Bij het bepalen van de locaties, de vormgeving en de haalbaarheid, is het belang van de staat en werking van de infrastructuur als basisvoorwaarde betrokken. De wegbeheerder is tevens initiatiefnemer.
De aanleg en de exploitatie is zorgvuldig bepaald, er is op voorhand geen sprake van een impact op de staat en werking van de infrastructuur. Om dit ook bij de uitvoering te borgen, zal een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden voor het uitvoeren van een beperkingengebiedactiviteit. Binnen deze vergunningverlening zullen de voorwaarden om de staat en werking van de infrastructuur te borgen worden getoetst en zonodig in voorschriften worden opgenomen.
De vergunningverlening is haalbaar. Vanuit het aspect beperkingengebieden is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Binnen het projectgebied zijn geen kabels en leidingen met een planologische beschermingszone aanwezig. Om de opgewekte zonnestroom op het elektriciteitsnetwerk te brengen, zullen kabels en leidingen aangelegd moeten worden. Dit is mogelijk. Daar waar dit plaats vindt binnen het beperkingengebied van de weg, zal een toetsing aan paragraaf 8.2.2 van het Bal gedaan moeten worden: voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding gedaan te worden (artikel 8.20 Bal).
Vanuit het aspect kabels en leidingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De kosten van de aanleg en instandhouding van de voorgenomen ontwikkeling en het risico, komen volledig voor rekening van de nog te selecteren toekomstige exploitant. De economische uitvoerbaarheid is hiermee verzekerd.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet dient het bevoegd gezag gemaakte kosten te verhalen. Het voorliggende projectbesluit voorziet niet in een aangewezen activiteit zoals bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Daarom is het gelet op het bepaalde in artikel 13.14 e.v. Ow niet verplicht kostenverhaalvoorschriften te verbinden aan het projectbesluit of kostenverhaalsregels toe te voegen aan het omgevingsplan.
Het Energieproject A6 zon Lelystad wordt gerealiseerd op gronden in beheer van Rijkswaterstaat. Na de vaststelling en publicatie van het projectbesluit worden de gronden van Rijkswaterstaat via een openbare tenderprocedure beschikbaar gesteld en start de inschrijving voor de realisatiefase. De gekozen ontwikkelaar(s) legt/leggen vervolgens het zonnepark aan, waarna de exploitatiefase van start gaat.
De beschikbaarheid van de gronden is hiermee verzekerd.
Voor het vaststellen van een projectbesluit geldt de projectprocedure
van afdeling 5.2 Omgevingswet. De projectprocedure bestaat (in dit geval) uit de volgende stappen:
Kennisgeving Voornemen en Voorstel voor participatie (stap 1 van onderstaand schema)
Verkenning (waaronder stap 2, 3, 4 en 6 van het onderstaande schema)
Projectbesluit (stap 7 en 8 van onderstaand schema)

Ter afsluiting van de verkenning is in dit geval een voorkeursalternatief gekozen (zie paragraaf 4.2.2).
In de verkenning onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. De verkenning moet voldoende informatie bieden om een projectbesluit te kunnen opstellen. Het milieueffectrapport is onderdeel van de verkenning. In artikel 5.48 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de verkenning de nodige kennis en inzichten vergaart over:
a. de aard van de opgave,
b. de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen; en,
c. de mogelijke oplossingen voor die opgave.
Zie voor een uitgebreide toelichting op de verkenningsfase paragraaf 4.2.
De minister van Klimaat en Groene Groei heeft op 12 december 2024 de NRD en het VKA vastgesteld. Hier is op vrijdag 20 december 2024 een kennisgeving over in de Staatscourant geplaatst. Vervolgens is dit VKA in afstemming met de betrokken bestuursorganen opgenomen in een concept projectbesluit, gebaseerd op het MER.
Tijdens de gehele voorbereiding (waaronder de verkenning) is participatie gevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
Het projectbesluit wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). Het ontwerp van het projectbesluit is met bijbehorende stukken ter inzage gelegd, zowel elektronisch (in het Omgevingsloket) als op locatie. De kennisgeving met de volledige inhoud van het ontwerp-projectbesluit heeft plaatsgevonden via de Staatscourant. Een ieder kan zienswijzen naar voren brengen naar aanleiding van het ontwerp-projectbesluit.
De ingekomen zienswijzen worden in een Nota van Antwoord Zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien. Eventueel leidt de zienswijze tot een aanpassing van het projectbesluit. Dan wordt dat aangegeven. Bij het opstellen van het definitieve projectbesluit worden de zienswijzen en adviezen betrokken.
Het definitieve projectbesluit wordt door de minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) in overeenstemming met de minister van VRO vastgesteld en bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. Vervolgens worden de stukken voor 6 weken ter inzage gelegd, zowel digitaal als op locatie. Aan degenen die een zienswijze ingediend hebben op het ontwerp-projectbesluit wordt een exemplaar van het projectbesluit toegezonden.
Ecologische verbindingen (in dit geval dwarsverbindingen) zijn belangrijk om versnippering (isolatie van leefgebieden van dieren en planten) te verhelpen. Via ecologische verbindingen kunnen dieren zich verplaatsen tussen de midden- en buitenberm en het achterliggende landschap van de A6, wat essentieel is voor voedselvoorziening, voortplanting en overleving en daarmee voor de biodiversiteit. Ecologische verbindingen over de A6 zijn met name bedoeld voor vogels en vleermuizen, om verkeersslachtoffers onder bijvoorbeeld grondgebonden zoogdieren en amfibieën te voorkomen. Terug naar link van noot.
De emissies die bespaard worden door hernieuwbare stroom op te wekken ten opzichte van fossiele elektriciteit worden vermeden emissies genoemd. Dit wordt uitgedrukt in de term ‘CO2-equivalenten’ (hierna: CO2e) en verwijst naar de gestandaardiseerde maat die wordt gebruikt om de impact van verschillende broeikasgassen op de opwarming van de aarde te vergelijken. CO2e drukken de relatieve bijdrage van een broeikasgas uit in termen van de hoeveelheid CO2 die hetzelfde opwarmingsimpact zou hebben. Terug naar link van noot.
'Risicobronnen genoemd in bijlage VII van het Bkl’, aandeslagmetdeomgevingswet.nl. Terug naar link van noot.
Gedurende de transitieperiode vindt de toets plaats volgens de criteria van de welstandsnota, zoals deze gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet (art. 22.29 Invoeringsbesluit Omgevingswet). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-21626.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.