Regeling van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 9 juni 2026, kenmerk 4394050-1099499-WJZ, houdende aanpassing van de factoren, grondslagen en bedragen in de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen per 1 juli 2026 [KetenID WGK029154]

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

Gelet op de artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, 28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, 35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, 18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en 25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;

Besluit:

Artikel 1

De pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en in artikel 28b, eerste lid, onder a, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, zoals zij golden op 1 januari 2026, worden met ingang van 1 juli 2026 verhoogd met 1,86%.

Artikel 2

De factoren waarmee het peil der buitengewone pensioenen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers wordt aangepast, worden met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld als volgt:

A

 

B

pensioengrondslagen 1947 per jaar in euro

 

welvaartstoeslag vanaf 1 juli 2026

van

tot en met

     

1.225,21

1.356,79

 

38.615,52 minus pensioengrondslag

         

van

tot en met

 

pensioen-grondslag maal

plus extra bedrag in euro

1.356,80

1.404,44

 

27,2486

305,00

1.404,45

1.446,64

 

27,2904

305,00

1.446,65

2.021,13

 

27,3620

305,00

2.021,14

2.066,96

 

27,3894

305,00

2.066,97

2.113,24

 

27,3920

305,00

2.113,25

2.158,62

 

27,3940

305,00

2.158,63

2.204,45

 

27,3975

305,00

2.204,46

2.248,92

 

27,4002

305,00

2.248,93

2.294,76

 

27,4026

305,00

2.294,77

2.385,51

 

27,4056

305,00

2.385,52

2.485,34

 

27,4115

305,00

2.485,35

2.583,36

 

27,4164

305,00

2.583,37

2.678,65

 

27,4223

305,00

2.678,66

2.679,11

 

27,4729

305,00

2.679,12

2.726,30

 

27,4783

305,00

2.726,31

2.773,49

 

27,4814

305,00

2.773,50

2.820,23

 

27,4896

305,00

2.820,24

2.867,88

 

27,4918

305,00

2.867,89

2.914,62

 

27,5011

305,00

2.914,63

2.961,36

 

27,5041

305,00

2.961,37

2.961,81

 

27,5051

305,00

2.961,82

3.004,92

 

27,5105

306,00

3.004,93

3.048,94

 

27,5124

306,00

3.048,95

3.092,96

 

27,5189

306,00

3.092,97

3.136,07

 

27,5202

306,00

3.136,08

3.136,52

 

27,5261

306,00

3.136,53

3.180,08

 

27,5276

306,00

3.180,09

3.223,19

 

27,5289

306,00

3.223,20

3.223,64

 

27,5344

306,00

3.223,65

3.267,21

 

27,5358

306,00

3.267,22

3.310,32

 

27,5368

306,00

3.310,33

3.353,88

 

27,5455

306,00

3.353,89

3.397,44

 

27,5628

306,00

3.397,45

3.441,01

 

27,5670

306,00

3.441,02

3.484,57

 

27,5691

306,00

3.484,58

3.528,13

 

27,5765

306,00

3.528,14

3.571,69

 

27,5776

306,00

3.571,70

3.615,26

 

27,5860

306,00

3.615,27

3.658,82

 

27,5877

306,00

3.658,83

3.659,27

 

27,5894

306,00

3.659,28

3.713,73

 

27,5944

306,00

3.713,74

3.768,18

 

27,5961

306,00

3.768,19

3.822,63

 

27,6042

306,00

3.822,64

3.823,09

 

27,6275

306,00

3.823,10

3.877,54

 

27,6300

306,00

3.877,55

3.932,00

 

27,6353

306,00

3.932,01

3.986,45

 

27,6375

306,00

3.986,46

4.040,90

 

27,6452

306,00

4.040,91

4.084,02

 

27,6477

306,00

Artikel 3

De pensioengrondslagen, bedoeld in artikel 10, eerste, tweede en zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, zoals zij golden op 1 januari 2026, worden met ingang van 1 juli 2026 verhoogd met 1,86%.

Artikel 4

De bedragen, genoemd in artikel 10, achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, worden met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld als volgt:

  • a. het bedrag, genoemd onder a, op € 38.620,04

  • b. de bedragen, genoemd onder b, op achtereenvolgens:

    € 80.563,33;

    € 49.751,79;

    € 26.182,36;

    € 26.576,23;

    € 26.254,31;

    € 52.343,55.

Artikel 5

De grondslagen, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en zesde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, zoals zij golden op 1 januari 2026, worden met ingang van 1 juli 2026 verhoogd met 1,86%.

Artikel 6

De bedragen, genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a en b, en 10, eerste lid, onder e en f, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, worden met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld als volgt:

  • a. het bedrag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, op € 3.217,96;

  • b. het bedrag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder b, op € 6.680,49;

  • c. het bedrag, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder e, op € 4.365,42;

  • d. het bedrag, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder f, op € 4.061,99.

Artikel 7

De grondslagen, bedoeld in artikel 10, eerste, tweede, zesde, zevende en negende lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, zoals zij golden op 1 januari 2026, worden met ingang van 1 juli 2026 verhoogd met 1,86%.

Artikel 8

De bedragen, genoemd in artikel 10, achtste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, worden met ingang van 1 juli 2026 vastgesteld als volgt:

  • a. het bedrag, genoemd in artikel 10, achtste lid, onder a, op € 3.217,96;

  • b. het bedrag, genoemd in artikel 10, achtste lid, onder b, op € 6.680,49.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

TOELICHTING

In de artikelen 31a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp), 28a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbpzo), 35, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, 18, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en 25, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers is de indexering van de in de onderscheiden wetten gehanteerde factoren, grondslagen en bedragen geregeld. Deze artikelleden vormen de grondslagen van de voorliggende regeling.

Sinds 1 januari 2009 is de indexering van de factoren, grondslagen en bedragen gekoppeld aan de index die in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt gehanteerd van de indexering van het wettelijk minimumloon.

Met de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 2026, nr. 2026-0000107275, (Stcrt. 2026, 16505) wordt het wettelijk minimumloon met ingang van 1 juli 2026 aangepast. Het aanpassingspercentage is na afronding 1,86%. Conform de in de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen opgenomen indexeringsbepalingen voorziet deze regeling erin dat de factoren, grondslagen en bedragen dienovereenkomstig worden aangepast.

In de Wbp en de Wbpzo wordt bij de berekening van het buitengewoon pensioen teruggegaan naar de grondslag zoals die bij de inwerkingtreding van deze wetten (1947) zou zijn geweest, waarna deze grondslag, om tot de actuele grondslag te komen, met een jaarlijks te indexeren welvaartsfactor wordt vermenigvuldigd. In artikel 2 geeft kolom A de verdeling naar het niveau van de pensioengrondslagen aan. Kolom B geeft de met ingang van 1 juli 2026 vastgestelde factor aan, waarmee het peil van de buitengewone pensioenen wordt aangepast in relatie tot de pensioengrondslagen.

De gewijzigde factoren, grondslagen en bedragen zijn alleen van toepassing op degenen die voor het eerst een aanvraag ingevolge een van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen indienen en voor degenen waarvan het buitengewoon pensioen, de garantietoeslag, de (periodieke) uitkering of de garantie-uitkering opnieuw wordt vastgesteld. Het opnieuw vaststellen vindt alleen plaats in de enkele gevallen waarbij sprake is van een van de in de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen vastgestelde ijkmomenten. Voorbeelden daarvan, afhankelijk van de wet, echtscheiding, het overlijden van de partner of het verkrijgen of verliezen van een bron van inkomsten. Alleen dan worden de geactualiseerde factoren, grondslagen en bedragen in de berekening van het buitengewoon pensioen, de garantietoeslag, de (periodieke) uitkering of de garantie-uitkering meegenomen.

Het zeer beperkt aantal momenten waarbij de geactualiseerde factoren, grondslagen en bedragen worden gehanteerd heeft tot gevolg dat de verhoging geen significante financiële consequenties heeft.

Het in het kader van de systematiek van Vaste Verandermomenten (VVM) gehanteerde uitgangspunt dat een invoeringstermijn van twee maanden vereist is tussen de publicatie van een regeling en de feitelijke inwerkingtreding ervan is op de onderhavige regeling niet van toepassing. Gelet op de strekking van deze regeling, te weten de jaarlijkse indexering van de in de onderscheiden wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen gehanteerde factoren, grondslagen en bedragen, is de in het kader van VVM gehanteerde uitzonderingsgrond ‘Reparatiewetgeving’ van toepassing.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

Naar boven