Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 21297 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 21297 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, de artikelen 2, tweede tot en met vierde en zesde lid, 6, tweede lid, 7, 8, eerste lid, 19, tweede lid, 20, eerste lid, 20a, 23, derde tot en met vijfde lid, 56, derde lid, 59, tweede en derde lid, 60, tweede en zevende lid, en 61, eerste lid van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, de artikelen 12a, vijfde lid, 14, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, 14a, tweede tot en met vierde lid, 15a, tweede lid, en 25e, tweede en derde lid, van de Wet windenergie op zee en Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
groep of groepsmaatschappij als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
bindende reservering van investeringskapitaal van een investeerder, gedaan aan een fonds waarvan de fondsbeheerder onder financieel toezicht is gesteld en vergunningplichtig is op grond van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174);
kavel Gamma-A in het windenergiegebied IJmuiden Ver als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee;
Minister van Klimaat en Groene Groei;
de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
de aanvrager die deelneemt aan het samenwerkingsverband en in de aanvraag is aangewezen om als penvoerder te handelen namens het samenwerkingsverband;
Richtlijn 2013/34/EU van het Europees parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad;
Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859;
een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap;
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 van de Commissie van 23 mei 2025 tot nadere specificering van de voorselectie- en gunningscriteria bij veilingen voor de uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen;
vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee;
Wet windenergie op zee.
1. Een aanvraag voor een vergunning voor de kavel en een aanvraag voor subsidie wordt ingediend in de periode van 26 november 2026 tot 10 december 2026 om 17:00 uur.
2. Een aanvrager dient ten hoogste één aanvraag in voor de vergunning, die betrekking kan hebben op de procedure van een veiling of de procedure met subsidie.
3. Indien de aanvrager een vergunning aanvraagt in de procedure met
subsidie, dient hij ten hoogste één aanvraag voor subsidie in.
4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid gelden rechtspersonen en vennootschappen in een groep of groepsmaatschappij als één aanvrager.
5. Indien aanvragers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag in.
1. Het ontwerp voor het windpark, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, van de wet, omvat ten minste:
a. een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeningen, met gebruikmaking van gerenommeerde rekenmodellen, omgevingsmodellen, windmodellen en windkaarten en die ten minste de locatiegegevens, het merk, het type, de technische specificaties, waaronder ashoogte, rotordiameter en vermogenscurve van de windturbines, de lokale windgegevens voor het windpark en een berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie van het windpark omvat;
b. de rekenmodellen, omgevingsmodellen en windmodellen die zijn gebruikt voor de windenergie-opbrengstberekening;
c. de bescheiden waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat aan het van toepassing zijnde kavelbesluit wordt voldaan; en
d. informatie die aannemelijk maakt dat tijdig de verklaring, bedoeld in artikel 7.34, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden overgelegd.
2. Bij de berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie zijn de beschikbaarheid, zogeffecten, elektriciteitsverliezen en terugregelverliezen opgenomen, waarbij voor het zogeffect uitsluitend rekening wordt gehouden met het windpark waarvoor de aanvraag wordt gedaan.
3. In het tijdschema voor de bouw en exploitatie van het windpark, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel b, van de wet worden de realisatiedata vermeld van de volgende activiteiten:
a. de instemming door de exploitant van het windpark met de voorwaarden van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee voor de aansluiting en het transport van elektriciteit overeenkomstig de Energiewet;
b. de verstrekking van opdrachten aan producenten, leveranciers en installateurs;
c. de plaatsing van de eerste fundering;
d. de plaatsing van de eerste windturbine;
e. de start van het intrekken van de 66 kV-kabels op het platform van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee;
f. de start van de levering van elektriciteit;
g. het gereed zijn voor leveren van vol vermogen ten behoeve van de testfase van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee; en
h. het buiten bedrijf stellen van het windpark.
4. De raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet, omvat in ieder geval een exploitatieberekening met:
a. een specificatie van de investeringskosten per component van de productie-installatie;
b. een overzicht van alle kosten en opbrengsten van de productie-installatie; en
c. een berekening van het projectrendement over de looptijd van het project.
5. Tot de bij de bouw en exploitatie van het windpark betrokken partijen, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel d, van de wet, worden gerekend:
a. de aanvrager en indien van toepassing, elke deelnemer aan het samenwerkingsverband;
b. de producenten van de funderingen;
c. de installateurs van de funderingen;
d. de producenten van de windturbines;
e. de installateurs van de windturbines;
f. de producenten van de parkbekabeling;
g. de installateurs van de parkbekabeling; en
h. de verantwoordelijke partijen voor het onderhoud en de bediening van het windpark.
6. De beschrijving van de kennis en ervaring van de betrokken partijen, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel e, van de wet, betreft de kennis en ervaring bij windparken op zee en omvat:
a. het geïnstalleerd vermogen van de windparken op zee of het aantal energieprojecten op zee waarvoor door de aanvrager tijdens de bouw het projectmanagement is gedaan;
b. het aantal door de producenten geproduceerde funderingen;
c. het aantal door de installateurs geïnstalleerde funderingen;
d. het aantal door de producenten geproduceerde windturbines;
e. het aantal door de installateurs geïnstalleerde windturbines;
f. het aantal elektriciteitsverbindingen op zee waarvoor door de producenten bekabeling is geproduceerd;
g. het aantal windturbines dat door de installateurs van de parkbekabeling is aangesloten;
h. het geïnstalleerd vermogen van de windparken dat de verantwoordelijke partijen voor het onderhoud en de bediening in onderhoud hebben en bedienen.
7. De artikelen 2a tot en met 2d van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie zijn niet van toepassing op de aanvraag.
1. In aanvulling op artikel 12a, vierde lid, van de wet bevat de aanvraag:
a. een samenvattende beschrijving van de realisatie en de bescheiden waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat aan de van toepassing zijnde opleveringsdatums uit het ontwikkelkader transmissiesysteem voor windenergie op zee, bedoeld in artikel 3.83 van de Energiewet, wordt voldaan;
b. een samenvattende beschrijving van de exploitatie en verwijdering van het windpark;
c. een financieringsplan, inclusief de beoogde financiers en het beoogde aandeel dat zij zouden dragen;
d. indien van toepassing, een door elke deelnemer aan een samenwerkingsverband ondertekende:
1°. verklaring van deelname aan het samenwerkingsverband;
2°. machtiging voor de penvoerder voor het indienen van de aanvraag;
e. de meest recent vastgestelde jaarrekening van de aanvrager, de moederonderneming ervan, en indien van toepassing, elk van de deelnemers aan het samenwerkingsverband of de moederondernemingen van de deelnemers van het samenwerkingsverband, waarbij de jaarrekening betrekking heeft op een jaar dat ten hoogste drie kalenderjaren voor het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
f. indien de aanvrager een kapitaaltoezegging in de aanvraag betrekt, een accountantsverklaring waarin de investeerder en het gereserveerde bedrag zijn opgenomen;
g. indien een aanvraag in de procedure van een veiling is gedaan, concepten van leveringsovereenkomsten met derden voor elektriciteit afkomstig van het windpark;
h. indien de aanvrager behoort tot een groep of groepsmaatschappij, een organigram van de groep of groepsmaatschappij en de nummers van inschrijving in het handelsregister van de rechtspersonen en vennootschappen in de groep of groepsmaatschappij;
i. indien de aanvrager een vergunning aanvraagt in de procedure met subsidieverlening, een tenderbedrag weergeven in euro per kWh met 6 decimalen;
j. indien de aanvrager een vergunning aanvraagt in de procedure van een veiling, het geboden bedrag, in hele euro’s, zonder decimalen.
2. In aanvulling op artikel 12a, vierde lid, van de wet en het eerste lid bevat de aanvraag:
a. de toezeggingen, genoemd in artikel 7;
b. indien de aanvrager onder de jurisdictie valt van een derde land dat voldoet aan ten minste één van de twee criteria in artikel 5, onderdeel b, van uitvoeringsverordening 2025/1176: een cyberbeveiligingsplan dat voldoet aan de eisen van dat onderdeel.
1. De verlening van een vergunning geschiedt met toepassing van de procedure van een veiling of de procedure met subsidie.
2. Aanvragen in de procedure van een veiling worden eerst behandeld.
3. Aanvragen in de procedure met subsidie worden behandeld indien de procedure van een veiling niet heeft geleid tot het verlenen van een vergunning.
1. De waarborgsom of bankgarantie, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet, bedraagt € 100.000.000.
2. De termijn waarbinnen de waarborgsom of bankgarantie moet zijn verstrekt, is vier weken na de datum waarop de minister de vergunning heeft verleend.
3. Indien niet tijdig aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, is voldaan wordt de vergunning voor de desbetreffende kavel verleend aan de eerstvolgende aanvrager in de rangschikking.
4. De periode waarvoor de waarborgsom of bankgarantie moet zijn verstrekt eindigt uiterlijk op het moment dat de minister in kennis is gesteld van het gereed zijn voor leveren van vol vermogen ten behoeve van de testfase van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee.
5. Een waarborgsom wordt afgesloten bij een verzekeraar die minimaal beschikt over een door een ratingbureau, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees parlement en Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus, afgegeven langetermijnrating A.
6. De bankgarantie wordt afgegeven door een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde bank.
7. De hoogte van de waarborgsom of bankgarantie die op grond van artikel 15a, vierde lid, van de wet wordt verbeurd bedraagt:
a. € 10.000.000 voor het tijdvak waarbinnen de houder van de vergunning de voor dat tijdvak in de vergunning aangegeven activiteiten niet heeft verricht;
b. € 10.000.000 voor elke maand volgend op het tijdvak waarbinnen de houder van de vergunning de voor dat tijdvak in de vergunning aangegeven activiteiten niet heeft verricht; en
c. € 100.000.000 indien de minister besluit de vergunning in te trekken op grond van artikel 17, eerste, tweede of vierde lid, van de wet.
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag voor een vergunning indien de aanvrager niet toezegt:
a. te voldoen aan de eis dat de permanente magneten van de windturbines voor niet meer dan 85% afkomstig zijn uit één derde land;
b. te voldoen aan de eis dat van ten minste 75% van de windturbines in de aanvraag:
1°. de windturbines niet afkomstig zijn uit de Volksrepubliek China;
2°. niet meer dan vier van de volgende voornaamste specifieke componenten afkomstig zijn uit de Volksrepubliek China:
a. gondels (assemblage);
b. rotornaven;
c. hoofd-, gier- en stelhoeklagers;
d. aandrijfsystemen met directe aandrijving, inclusief generator, of aandrijfsystemen met tandwielkast, inclusief generator;
e. permanente magneten van windturbines;
f. tandwielkasten van windturbines;
g. rotorbladen;
h. masten;
i. funderingen; en
3°. de aandrijfsystemen met directe aandrijving of versnellingsbak, inclusief generator, niet afkomstig zijn uit de Volksrepubliek China;
c. maatregelen te nemen om in te gaan op de kernbestanddelen van passende zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, punten a tot en met g, van richtlijn 2024/1760 en hierover behoudt en hier gedurende de looptijd van de vergunning documentatie over te verstrekken, op een wijze die in de beschikking tot vergunningverlening wordt uitgewerkt, tenzij de aanvrager kwalificeert als een natuurlijke persoon, een onderneming die niet onder richtlijn 2013/34/EU valt in de zin van de artikelen 19 bis en 29 bis van die richtlijn of een hernieuwbare-energiegemeenschap;
d. de koolstofvoetafdruk van de componenten van het project te beoordelen op basis van een objectieve, transparante en niet-discriminerende methode voor de koolstofvoetafdrukbeoordeling;
e. de koolstofvoetafdruk van de componenten van het project te meten en mee te delen op basis van methoden voor beoordeling gedurende de levenscyclus die in de beschikking tot vergunningverlening worden uitgewerkt;
f. dat alle toegepaste rotorbladen voor ten minste 70% van het totale oorspronkelijke gewicht recyclebaar zijn, waarbij de berekening is omschreven met toepassing van NEN-EN 45555:2019 of een vergelijkbare norm, het recyclebaarheidspercentage en de beoogde recyclingstechniek is geverifieerd overeenkomstig ISO 14034 of een vergelijkbare norm en waarbij de recyclingtechniek zich bevindt op het niveau van Technology Readiness Level 6;
g. gedurende de looptijd van de vergunning informatie te verschaffen over het gemak van reparatie en onderhoud of gemak van verbeteren, hergebruik, herproductie en opknappen van producten, op een wijze die in de beschikking tot vergunningverlening wordt uitgewerkt;
h. dat een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde exploitant operationele zeggenschap over de installatie behoudt en hier gedurende de looptijd van de vergunning documentatie over te verstrekken;
i. indien de aanvrager een beroep doet op leveranciers voor de levering van ICT-producten die worden gebruikt in de windturbines of de verlening van ICT-diensten met betrekking tot de exploitatie ervan die onder de jurisdictie vallen van een derde land dat voldoet aan ten minste één van de twee criteria in artikel 5, onderdeel b, van uitvoeringsverordening 2025/1176: documentatie te zullen overhandigen waaruit blijkt dat die leveranciers ook de in dat onderdeel genoemde maatregelen nemen;
j. gedurende de looptijd van de vergunning te verstrekken: douanedocumentatie en andere relevante documenten als bedoeld in artikel 16, vijfde lid, van uitvoeringsverordening 2025/1176, inclusief digitale stuklijsten van alle digitale hardwarecomponenten en hardwaredeelcomponenten van de geleverde windturbines en alle daarin toegepaste software en firmware, op een wijze die in de beschikking tot vergunningverlening wordt uitgewerkt.
1. De perioden, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet, bedragen:
a. 39 maanden nadat de vergunning onherroepelijk is geworden voor het starten met de bouw van het windpark; en
b. 54 maanden nadat de vergunning onherroepelijk is geworden voor het starten met de exploitatie van het windpark.
2. Bij de beoordeling van de technische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de wet, wordt in ieder geval rekening gehouden met:
a. het door de aanvrager overgelegde ontwerp voor het windpark, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel a, van de wet; en
b. de door de aanvrager overgelegde gegevens met betrekking tot kennis en ervaring met windparken op zee, bedoeld in artikel 3, zesde lid.
3. Bij de beoordeling van de financiële haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de wet, wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet en de gegevens, bedoeld in artikel 4, onderdelen c, d, e en f. De gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de aanvrager, bedraagt ten minste 20% van de totale investeringskosten voor het windpark waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Op verzoek van de aanvrager wordt voor het bepalen van de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen, bedoeld in het derde lid, meegerekend:
a. indien van toepassing: het eigen vermogen van de deelnemers, dan wel kapitaaltoezeggingen gedaan aan de deelnemers aan het samenwerkingsverband; en
b. indien de aanvrager of een deelnemer aan een samenwerkingsverband een dochteronderneming is: het eigen vermogen van de moederonderneming, dan wel kapitaaltoezeggingen gedaan aan de moederonderneming.
5. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid dat de bouw en exploitatie van een windpark gestart kan worden binnen de perioden, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met:
a. het door de aanvrager verstrekte tijdschema, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel b, van de wet; en
b. of in het verstrekte tijdschema de periode tot instemming met de voorwaarden van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee voor de aansluiting en het transport van elektriciteit overeenkomstig de Energiewet maximaal twaalf maanden na verlening van de vergunning bedraagt.
6. Bij de beoordeling van de economische haalbaarheid van de bouw en exploitatie van een windpark, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de wet, wordt in ieder geval rekening gehouden met de door de aanvrager overgelegde raming van de kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 12a, vierde lid, onderdeel c, van de wet.
1. Een bod in de procedure van een veiling is geldig, indien is voldaan aan artikel 4, eerste lid, onderdeel j.
2. Een ingediend bod kan niet worden gewijzigd.
3. Indien verschillende geldige biedingen dezelfde hoogste waarde hebben, bepaalt de minister het ‘hoogste bod’ door middel van een loting tussen deze biedingen.
4. De vergunninghouder verricht de eenmalige betaling van het bod binnen vier weken na de verlening van de vergunning op de wijze vermeld in de beschikking waarmee de vergunning is verleend.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 25e, derde lid, van de wet is € 0,–.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie op zee die is gelegen op kavel Gamma-A in windenergiegebied IJmuiden Ver.
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien:
a. niet tijdig een aanvraag is ingediend voor een vergunning;
b. geen vergunning wordt verleend;
c. een vergunning wordt verleend in de procedure van een veiling.
1. Het subsidieplafond bedraagt € 4.758.000.000.
2. De criteria voor rangschikking, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit zijn niet van toepassing.
1. De subsidie wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar en zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
3. Productie-installaties als bedoeld in artikel 10 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 23, derde lid, van het besluit.
1. De basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het besluit bedraagt € 0,037694 per kWh voor productie-installaties als bedoeld in artikel 10.
2. Het maximumaantal vollasturen, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van het besluit voor productie-installaties als bedoeld in artikel 10 is gelijk aan de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie die is opgenomen in de aanvraag.
3. Het maximumaantal vollasturen bedraagt ten hoogste 4.000 uren als de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie, zoals opgenomen in de aanvraag voor de vergunning, hoger is dan 4.000 uren.
4. Het opbrengstgrensbedrag, bedoeld in artikel 20a van het besluit, bedraagt € 0,135 per kWh.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 juni 2026
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
In de Klimaatwet is het streefdoel vastgelegd van 55% emissiereductie van broeikasgassen in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. Dit is in lijn met de klimaatambities van de Europese Unie en de ambitie van de Europese Unie om de productie van energie uit hernieuwbare bronnen te versnellen en te vergroten. In de Europese Klimaatwet1 is voor 2030 een Europese doelstelling van 55% reductie opgenomen, waarbij verder wordt ingezet op windenergie op zee.
Windenergie op zee is essentieel voor het realiseren van groene groei en verduurzaming in Nederland en is van groot belang om het Nederlandse energiesysteem weerbaarder te maken. De businesscase van windparken op zee in Nederland staat op dit moment echter onder druk door sterk gestegen kosten voor onder andere financiering en materiaal. Daarnaast stijgt de elektriciteitsvraag langzamer dan eerder werd voorzien, onder andere door uitdagingen bij de verduurzaming van de energie-intensieve industrie. Hierdoor is het voor windparkontwikkelaars moeilijker geworden om voorafgaand aan de bouw van het windpark langjarige stroomafnamecontracten af te sluiten. Dit is een belangrijke oorzaak van de verslechterde businesscase. Dit heeft ertoe geleid dat de succesvolle subsidievrije vergunningverlening van de afgelopen jaren onzeker is geworden. Om te voorkomen dat de ontwikkeling van windenergie op zee stagneert, heeft de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: de minister) in het Actieplan windenergie op zee op Prinsjesdag 2025 aangekondigd windenergie op zee in 2026 te subsidiëren.2 Daarom regelt de onderhavige regeling de verlening van de vergunning van kavel Gamma-A in het windenergiegebied IJmuiden Ver met de procedure met subsidieverlening.
Kavels worden uitsluitend aangewezen in een windenergiegebied dat is aangewezen in het Programma Noordzee. Het Programma Noordzee is een beleidsplan dat op basis van de Omgevingswet is vastgesteld. In het Programma Noordzee 2022-2027 is onder meer het windenergiegebied IJmuiden Ver aangewezen. In het kavelbesluit wordt bepaald waar en onder welke voorwaarden een windpark gebouwd en geëxploiteerd mag worden. TenneT is aangewezen als systeembeheerder van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee en is daarmee verantwoordelijk voor de aansluiting van de windparken op het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee, de verbinding naar land en de inpassing in het elektriciteitssysteem op land. Het technisch concept van TenneT gaat – in lijn met het ontwikkelkader windenergie op zee (hierna: ontwikkelkader) – uit van platforms waarop ten hoogste 2 GW aan windvermogen kan worden ingevoed.
Alle aanwezige turbines worden geacht onderdeel uit te maken van het windpark, binnen de voorwaarden van het kavelbesluit. Eventuele andere opwekkingstechnieken, zoals zonne-energie op zee, en andere activiteiten, zoals opslag, vallen niet onder de Wet windenergie op zee (hierna ook: de wet) en zijn geen onderdeel van het kavelbesluit en van de vergunning die op grond van deze regeling kan worden aangevraagd. Voor deze activiteiten zijn andere vergunningen nodig, waaronder een omgevingsvergunning. Daarnaast zijn ook de overige geldende regelgeving, waaronder de Netcode Elektriciteit, en de modelovereenkomsten van TenneT (realisatieovereenkomst en een aansluit- en transportovereenkomst) van toepassing.
De Wet windenergie op zee is het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan de uitrol van windenergie op zee. De wet kent vier procedures om de vergunning voor de bouw en exploitatie van windparken op zee te verlenen, namelijk: de procedure met subsidieverlening, procedure van een vergelijkende toets, procedure van een vergelijkende toets met financieel bod en procedure van een veiling.
Op grond van artikel 14a, derde lid, van de wet zijn voorafgaand aan de keuze welke procedure wordt toegepast de marktcondities onderzocht en is hierover overleg gevoerd met de Minister van Financiën. Er is gekozen voor de parallelle toepassing van een procedure met subsidieverlening en de procedure van veiling. Deze zijn beide onderdeel van één ministeriële regeling.3 In de huidige marktomstandigheden wordt de kans op een subsidievrije aanvraag beperkt geacht. De procedure van een veiling is onderdeel van deze regeling om zo de maatschappelijke baten te maximaliseren in het geval dat de marktomstandigheden – tijdens de periode van het indienen van de aanvragen – subsidievrije aanvragen weer toelaten.
Indien de aanvraag volledig is en niet is afgewezen op grond van artikel 14 van de Wet windenergie op zee, in samenhang met de artikelen 7 en 8 van de onderhavige regeling, zal de aanvraag verder worden beoordeeld. Aanvragen in de procedure van een veiling hebben voorrang op aanvragen in de procedure met subsidieverlening. De aanvragen in de procedure van een veiling worden hoger gerangschikt bij een hoger bod. Als er geen aanvragen zijn in de procedure van een veiling, dan worden de aanvragen gerangschikt in de procedure met subsidieverlening. Hier geldt dat de aanvragen hoger worden gerangschikt bij een lager tenderbedrag. Een aanvrager dient bij zijn aanvraag aan te geven in welke procedure een aanvraag wordt ingediend.
Het tenderbedrag, ingeval van een aanvraag in de procedure van een subsidie, wordt ingediend met zes decimalen. Ingeval de aanvraag wordt ingediend in de procedure van een veiling, dan wordt het bod ingediend zonder decimalen. Zo wordt voorkomen dat er gelijke biedingen worden ingediend en er twee of meer partijen als hoogst worden gerangschikt. In het uitzonderlijke geval dat dit toch gebeurt, zal de uiteindelijke rangschikking worden bepaald door middel van loting. Dit is voor aanvragen in de procedure met subsidie vastgelegd in artikel 60, zevende lid, onderdeel b, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK). Ook in de procedure van een veiling vindt loting plaats in het uitzonderlijke geval dat er twee gelijke biedingen zijn.
Op grond van artikel 25f van de Wet windenergie op zee verleent de minister in de procedure van een veiling de vergunning aan de aanvrager met het hoogste bod.
Er zijn verschillende manieren waarop een veiling kan worden vormgegeven. De verschillende opties zijn bij de toevoeging van de procedure van veiling aan de Wet windenergie op zee beschreven in een rapport van adviesbureau NERA.4 Bij de vormgeving van een veiling is een belangrijke keuze of de veiling één of meerdere rondes beslaat. De vorm van een gesloten aanvraag in een enkele ronde is het meest eenvoudig te implementeren, maar biedt geen ruimte voor prijsontdekking (price discovery) waarmee een winner’s curse kan worden gemitigeerd. Voor price discovery is vereist dat er sprake is van verwachte concurrerende aanvragen in de procedure van veiling, wat niet het geval is in de huidige marktomstandigheden. De winner’s curse betekent het risico dat de winnaar van een veiling te veel betaalt doordat hij de waarde te hoog inschat. Windparkontwikkelaars hebben de laatste jaren nationaal en internationaal veel ervaring opgedaan in het bepalen van de waarde van een windpark op zee. In het geval dat er toch een aanvraag in de procedure van veiling wordt ontvangen, is het daarom waarschijnlijk dat een aanvraag voor de procedure van veiling een bod bevat dat een onderschatting is van de ingeschatte waarde (bid shading). Een veiling met meerdere ronden heeft daarom in de omstandigheden van lage tot geen concurrentie voor subsidievrije biedingen geen meerwaarde. De procedure van een veiling vindt daarom plaats met een gesloten bieding in een enkele ronde. Dit sluit bovendien aan bij de afgelopen vergunningverleningsprocedures waarin de aanvrager een eenmalig gesloten financieel bod kon doen.
Een aanvraag in de procedure van een veiling bevat een eenmalige betaling die binnen vier weken na vergunningverlening moet zijn voldaan op de wijze zoals in de beschikking bepaald. Het bedrag zal in de aanvraag in euro’s moeten worden ingediend zonder decimalen. Als het bedrag niet (tijdig) wordt betaald is sprake van het niet naleven van de vergunningsvoorwaarden en kan er worden gehandhaafd. Dit kan uiteindelijk leiden tot het intrekken van de verleende vergunning. Ook betekent dit dat de waarborgsom of bankgarantie, bedoeld in artikel 15a van de wet, verbeurt. De hoogte van het bedrag dat verbeurt is dan € 100.000.000,- (artikel 6, zevende lid, aanhef en onderdeel c). Nu met deze werkwijze de waarborgsom of bankgarantie ook zekerheid biedt voor het gestand doen van een bod dat in de veilingprocedure is gedaan, is hiermee voorzien in de verplichtingen van artikel 25e, tweede lid, aanhef en onderdeel e, en derde lid, van de wet, waarin is geregeld dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de zekerheidsstelling bij een bod.
De minister verleent op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet windenergie op zee de vergunning aan de aanvrager aan wie subsidie wordt verleend. De subsidie wordt toegekend aan de aanvrager met het laagste tenderbedrag. Het tenderbedrag wordt ingediend in euro per kWh, met zes decimalen. Een toegekende subsidie op grond van deze regeling kent ten behoeve van de vergunninghouder een looptijd van vijftien jaar.
De regels voor de procedure met subsidieverlening zijn opgenomen in het Besluit SDEK. De subsidiesystematiek van dit besluit wordt ook wel aangeduid met ‘SDE++’. Windenergie op zee is geen categorie waarvoor SDE++-subsidies kunnen worden verkregen. Het Besluit SDEK is aangepast, zodat het mogelijk is om met een vergelijkbare systematiek subsidie te verlenen voor windenergie op zee.
De SDE++ is een systematiek waarmee de minister bedrijven ondersteunt die duurzame energie opwekken of technieken toepassen die CO₂-uitstoot verminderen. De minister vergoedt daarbij het onrendabele deel van een project: het verschil tussen de kosten van de duurzame techniek en de opbrengsten. Als het jaargemiddelde van de marktprijs lager is dan het tenderbedrag van de aanvraag, ontstaat er een tekort en betaalt de minister subsidie. Naarmate het jaargemiddelde van de marktprijs hoger uitvalt of het tenderbedrag overstijgt, betaalt de minister minder tot niets. De uitbetaling gebeurt altijd achteraf, op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde productie. Hierdoor zorgt de SDE++ ervoor dat bedrijven ondersteuning ontvangen voor het financieel haalbaar maken van duurzame projecten, zonder dat er te veel publiek geld wordt ingezet.
Met de wijze van subsidiëring in de onderhavige regeling wordt vooruitgelopen op de invoering van de zogenoemde Contracts for Difference.5
Het maximale verplichtingenbudget is berekend op basis van de maximale subsidie die in theorie uitgekeerd zou kunnen worden voor een windpark van 1 GW. Het is berekend door het product van het vermogen van 1 GW, het maximumaantal vollasturen, het aantal jaren en het verschil tussen het maximale tenderbedrag en de basisenergieprijs. In het kavelbesluit is de mogelijkheid opgenomen om tot maximaal 1,15 GW aan vermogen op te stellen. Het is mogelijk om voor dit totale vermogen een aanvraag in te dienen zolang het maximale verplichtingenbudget niet wordt overschreden. Bijvoorbeeld door een aanvraag te doen voor een tenderbedrag dat aanzienlijk onder het maximum tenderbedrag ligt. Hierbij dient de aanvrager er rekening mee te houden dat een aanvraag die het subsidieplafond overschrijdt zal worden afgewezen.
De verwachte kasuitgaven liggen naar verwachting aanzienlijk lager omdat de energieprijzen waarschijnlijk hoger liggen dan de basisenergieprijs, het project mogelijk minder dan het maximumvermogen installeert en in de praktijk minder kan produceren dan het maximumaantal subsidiabele aantal vollasturen.
Het maximale tenderbedrag is vastgesteld op basis van een onafhankelijke berekening door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) die met de markt geconsulteerd is.
In de procedure met subsidieverlening zal een aanvrager een bod moeten doen. Dit bod bestaat uit een tenderbedrag voor de onderhavige kavel dat het maximale tenderbedrag niet overschrijdt.
De basiselektriciteitsprijs geldt als een ondergrens van het correctiebedrag. Het correctiebedrag is een jaarlijks variabel bedrag dat, afgetrokken van het basisbedrag (ook wel tenderbedrag genoemd), bepaalt hoeveel subsidie de vergunninghouder ontvangt. Het is gebaseerd op de verwachte marktwaarde van de hernieuwbare energie. Stijgen de marktprijzen, dan stijgt ook het correctiebedrag, wat leidt tot een lagere uitbetaling van de subsidie.
De basiselektriciteitsprijs bedraagt tweederde van de langetermijnelektriciteitsprijs. Mocht de marktvergoeding (en dus het correctiebedrag) lager zijn dan de basiselektriciteitsprijs, dan wordt hierover geen subsidie uitgekeerd, omdat de aanvrager dat verschil zelf moet kunnen dragen om rendabel te zijn. Dit voorkomt dat subsidie wordt verstrekt voor een deel van de kosten dat volgens de regeling niet als “onrendabel” wordt gezien, en zo wordt onnodige inzet van publieke middelen voorkomen.
Het is niet waarschijnlijk dat een project in de praktijk gemiddeld meer dan 4000 vollasturen per jaar zal produceren. Om te voorkomen dat de benodigde budgetreserveringen voor de overheid te groot worden opgenomen is in onderhavige regeling opgenomen dat het maximumaantal vollasturen ten hoogste 4000 bedraagt.
Het opbrengstgrensbedrag is een overwinstverrekening tot maximaal het bedrag uitgekeerd aan subsidie. Dit betekent dat de vergunninghouder ontvangen subsidie moet terugbetalen in het geval de jaargemiddelde elektriciteitsprijs boven het opbrengstgrensbedrag ligt.
Het opbrengstgrensbedrag is analoog met de SDE++ vastgesteld op € 0,018/kWh boven het maximum tenderbedrag. Hierdoor worden overwinsten door de vergunninghouder tijdens uitzonderlijke situaties met zeer hoge energieprijzen voorkomen, zonder dat de financierbaarheid van projecten aanzienlijk wordt verminderd.
Op grond van artikel 6 van het Besluit SDEK kan de subsidie-ontvanger zelf de datum van aanvang van de subsidieperiode opgeven. Dit mag niet later aanvangen dan 5,5 jaar na de datum van de subsidiebeschikking. Ook kan het tijdstip met terugwerkende kracht worden bepaald. De aanvang van de periode waarover subsidie wordt verstrekt kan voor maximaal vijf gedeelten van de beschikking tot subsidieverlening verschillen. Tussen de verschillende startdata zit een periode van minimaal 2 maanden.
Doordat de subsidieperiode van 15 jaar uiterlijk start 5,5 jaar na subsidieverlening zal naar verwachting de subsidieperiode uiterlijk halverwege 2032 starten als in het eerste kwartaal van 2027 de vergunningverlening is voorzien. Vanaf april 2031 kan er elektriciteit worden getransporteerd, maar is er mogelijk nog geen garantie van de volledige transportcapaciteit gegeven door TenneT. Dit staat het starten van de subsidieperiode in principe niet in de weg. Mocht er tijdens de subsidieperiode toch sprake zijn van onderbenutte subsidiabele jaarproductie, dan heeft de windparkontwikkelaar aan het einde van de subsidieperiode de mogelijkheid van banking in het 16e jaar; de zogenaamde forward banking. Backward banking is sinds de introductie van het opbrengstgrensbedrag niet meer mogelijk.
In artikel 2, eerste lid, van de onderhavige regeling is de periode vastgesteld waarbinnen de aanvragen voor de vergunning voor de kavel Gamma-A in windenergiegebied IJmuiden Ver kunnen worden ingediend. In artikel 2, tweede lid, van de onderhavige regeling is het aantal aanvragen dat per aanvrager kan worden ingediend vastgesteld op ten hoogste één. De aanvrager doet dus óf een aanvraag in de procedure met subsidie, óf een aanvraag in de procedure van veiling. Meerdere aanvragen door een aanvrager in dezelfde of een andere procedure is niet mogelijk.
In artikel 2, derde lid, van de onderhavige regeling is geregeld dat rechtspersonen en vennootschappen in een groep of groepsmaatschappij als één aanvrager gelden. Voor de begripsbepaling van ‘groep of groepsmaatschappij’ is aangesloten bij artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een groep is (i) een economische eenheid, (ii) waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden en (iii) met een centrale of gemeenschappelijke leiding. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar zijn verbonden.
Er is gekozen om de mogelijkheid tot aanvragen op deze manier te beperken, zodat kan worden voorkomen dat partijen strategische aanvragen indienen om de kans op een vergunning te vergroten. Het aansluiten bij de bestaande begripsbepalingen en dus ook het bestaande leerstuk van ‘groep’ en ‘groepsmaatschappij’ bevordert de begrijpelijkheid van de bepaling.
Als een aanvrager onderdeel is van een groep of groepsmaatschappij, dient bij de aanvraag een organigram van de groep of groepsmaatschappij te worden bijgevoegd, met vermelding van de nummers van inschrijving in het handelsregister.
Een samenwerkingsverband is een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, dient de penvoerder van het samenwerkingsverband de vergunningsaanvraag in namens de deelnemers (artikel 2, vierde lid). Indien verscheidene partijen samen een vennootschap oprichten die de aanvraag indient, is sprake van een aanvraag van deze vennootschap en niet van een aanvraag namens de deelnemers van een samenwerkingsverband. De begripsbepalingen van samenwerkingsverband en penvoerder zijn gebaseerd op de formuleringen in artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.
Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt een middel beschikbaar gesteld voor de aanvraag. Welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag dienen te worden overlegd, is geregeld in de artikelen 3 en 4 van de onderhavige regeling.
Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning worden geen kosten in rekening gebracht.
Ook worden er ter bevordering van een heldere procedure geen kosten à € 15 tot € 20 miljoen euro bij de vergunninghouder in rekening gebracht die gemaakt zijn voor de locatieonderzoeken ter voorbereiding van het kavelbesluit, noch in de procedure met subsidie als in de procedure van een veiling. Als hier onderscheid in wordt gemaakt, kan dit leiden tot gaming: een aanvraag met een laag tenderbedrag om de kosten voor de locatieonderzoeken in de procedure van veiling te voorkomen.
De regels over de bankgarantie of waarborgsom als opschortende voorwaarde, bedoeld in artikel 15a van de wet, zijn vastgesteld in artikel 6 van onderhavige regeling. Op basis van de onderhavige regeling is het ook mogelijk dat een verzekeraar een waarborgsom afgeeft mits die verzekeraar minimaal een langetermijnrating A heeft, verkregen van een ratingbureau. Dit zorgt voor een gelijk speelveld tussen banken en verzekeraars en biedt daarnaast de vergunninghouder meer mogelijkheden om te voldoen aan deze opschortende voorwaarde. De bankgarantie dient te worden afgegeven door een bank die is gevestigd binnen de Europese Economische Ruimte.
Daarnaast is opgenomen dat de totale bankgarantie of waarborgsom zal worden verbeurd als de minister besluit de vergunning in te trekken of als de vergunninghouder een verzoek tot intrekking van de vergunning doet en de minister voornemens is dit verzoek te honoreren. Op deze manier wordt voor de aanvraagperiode duidelijk gemaakt wat er in dit soort gevallen met de bankgarantie of waarborgsom zal gebeuren.
Ten opzichte van de openbare internetconsultatie van de ontwerptenderregelingen en de definitieve tenderregelingen is het maximale tenderbedrag verhoogd om voldoende budgettaire ruimte te blijven bieden voor twee competitieve tenders, ondanks het risico en de onzekerheden door het invoedingstarief. Door de geboden budgettaire ruimte wordt van de markt verwacht dat het risico van de voorzienbare ontwikkeling van het invoedingstarief is meegenomen in de aanvraag op basis van de best beschikbare informatie vóór het sluiten van de tender. Er is na vergunningverlening geen ruimte voor de vergunnighouder om met de overheid in gesprek te gaan over aanvullende compensatie wanneer er meer bekend wordt over de vormgeving en hoogte van het invoedingstarief.
De vergunning wordt slechts verleend als voldoende aannemelijk is dat de bouw en exploitatie van het windpark uitvoerbaar, technisch, financieel en economisch haalbaar is, gestart kan worden binnen de periodes genoemd in artikel 8, eerste lid, van de regeling, voldoet aan het kavelbesluit en aan de criteria die voortvloeien uit de Europese verordening nettonultechnologie (Net Zero Industry Act, hierna: NZIA).6 Deze eisen gelden als voorselectiecriteria waar elke aanvraag aan zal moeten voldoen, alvorens de aanvraag met subsidie of de aanvraag in de procedure van een veiling zal worden gerangschikt.
Op grond van artikel 14, derde lid, van de wet toetst het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) de toelaatbaarheid van de vergunningverlening aan een aanvrager door onderzoek te doen naar mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid. Bij deze toets zal bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan de financiële betrouwbaarheid van de betrokken onderneming, de wijze waarop de onderneming bestuurd en aangestuurd wordt en de mate van transparant handelen. Daarnaast zal gekeken worden naar de staat van dienst van betrokken partij(en) ten aanzien van de waarborging van de veiligheid en hun technische expertise voor het betrouwbaar bedrijven van betreffende activiteiten.
Als er aanmerkelijke risico’s zijn voor de openbare veiligheid, de leveringszekerheid of de voorzieningszekerheid kan de vergunningverlening aan een aanvrager worden geweigerd.
De elektriciteit van kavel IJmuiden Ver Gamma-A landt aan op de Maasvlakte. Kavel IJmuiden Ver Gamma-A wordt door TenneT aangesloten op hetzelfde 2 GW gelijkstroomplatform als kavel IJmuiden Ver Gamma-B. In het ontwikkelkader zijn bepalingen opgenomen over de geplande opleveringsprocedure voor gelijkstroomverbindingen. In tegenstelling tot wisselstroomverbindingen moet een gelijkstroomverbinding getest worden. Hiervoor moet het volledige windpark aangesloten en gereed zijn voor het leveren van het volledige vermogen. Dit vergt vanaf het moment van vergunningverlening een nauwe samenwerking tussen de windparkontwikkelaar en TenneT. Daarom is het van belang dat de windparkontwikkelaar in het tijdschema aangeeft of er binnen twaalf maanden na het verkrijgen van de vergunning kan worden ingestemd met de voorwaarden van de transmissiesysteembeheerder van het transmissiesysteem op zee voor de aansluiting en het transport van elektriciteit. Vanwege de in het ontwikkelkader uiteengezette wederzijdse afhankelijkheden en verplichtingen tussen TenneT en de vergunninghouder om deze opleveringsprocedure te volgen en volgens de opleveringsdata te realiseren, wordt de aanvrager in artikel 3, derde lid, van onderhavige regeling verzocht om in het op te leveren tijdschema voor de bouw en exploitatie van het windpark de realisatiedata te vermelden van de start van het intrekken van de 66 kV-kabels op het platform van het transmissiesysteem op zee en het gereed zijn voor het leveren van vol vermogen ten behoeve van de gezamenlijke testfase. De definitieve opleverdata voor het transmissiesysteem op zee opgenomen in het ontwikkelkader.
Gelet op de opleveringsdata van het transmissiesysteem op zee, zijn de periodes genoemd in artikel 8, eerste lid, van onderhavige regeling vastgesteld op 39 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning voor het starten met de bouw van het windpark en 54 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning voor het starten met de exploitatie van het windpark. Hierbij is ervan uitgegaan dat de vergunning op 1 april 2027 onherroepelijk zal worden. De vergunning kan slechts worden verleend, indien het op grond van de aanvraag voldoende aannemelijk is dat de bouw en exploitatie van het windpark kan worden gestart binnen deze perioden. Deze perioden hebben daarmee alleen betrekking op de beoordeling van de aanvraag en niet op de tijdvakken die in de voorschriften van vergunning zullen worden opgenomen. De tijdvakken genoemd in de voorschriften van de vergunning zullen worden gekoppeld aan de mijlpalen voor de oplevering van het transmissiesysteem op zee, die onderdeel zullen zijn van het ontwikkelkader dat gepubliceerd wordt voorafgaand aan of gelijktijdig met het vaststellen van de definitieve regeling. Een streven bij het wijzigen van de mijlpalen in het ontwikkelkader is dat er minimaal vijf jaar zit tussen het verwachte moment van onherroepelijk worden van de vergunning en het moment dat het windpark gereed is voor leveren van vol vermogen.
De vergunninghouder kan uitgaan van, en zal in de vergunning worden gehouden aan, de mijlpalen van het ontwikkelkader, namelijk: het platform is gereed voor het intrekken van de 66 kV-kabels op het platform van het transmissiesysteem op zee (cable pull-in), het windpark is gereed voor leveren vol vermogen en de oplevering van de gelijkstroomverbinding. De mogelijkheid bestaat dat de vergunning aanzienlijk later onherroepelijk wordt dan voorzienvanwege een bezwaar- en beroepsprocedure die door een andere partij aanhangig is gemaakt. Indien de termijn tussen het onherroepelijk worden van de vergunning en platform gereed voor cable pull-in vanwege een bezwaar- en beroepsprocedure minder dan 48 maanden bedraagt, zal de minister in overleg treden met TenneT en de vergunninghouder en een nieuwe planning voor de mijlpalen voor de oplevering van het transmissiesysteem en windpark bepalen. In dat geval zal de minister op grond van artikel 15, vierde lid, van de wet in beginsel gebruik maken van de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de verplichtingen om bepaalde activiteiten binnen bepaalde tijdvakken te verrichten zoals genoemd in de vergunning. De minister zal in beginsel ook van de mogelijkheid gebruik maken om ontheffing te verlenen van de verplichtingen om bepaalde activiteiten binnen bepaalde tijdvakken te verrichten, indien het platform van het transmissiesysteem op zee niet uiterlijk op de opleverdatum, zoals genoemd in het ontwikkelkader, gereed is voor het intrekken van de 66 kV-kabels op het platform van het transmissiesysteem op zee. Het verlenen van ontheffing voorkomt dat de bankgarantie of waarborgsom wordt verbeurd.
Bij de beoordeling van de technische haalbaarheid voor de bouw en exploitatie van een windpark wordt onder meer gekeken naar de overlegde gegevens met betrekking tot kennis en ervaring met windparken op zee. Hiervoor mag aanvrager ook ervaring hebben met de realisatie van andersoortige energieprojecten op zee, zoals de realisatie van mijnbouwplatforms. Op deze manier hoeven partijen die reeds ervaring hebben met het uitvoeren van complexe projecten op zee, niet een andere partij in te huren voor het projectmanagement.
De informatie omtrent de kennis en ervaring van betrokken partijen wordt nu enkel meegenomen in de beoordeling of de bouw en exploitatie van het windpark technisch haalbaar is. Dit is anders dan bij bijvoorbeeld de vergunningprocedures voor Nederwiek kavel I-A en IJmuiden Ver Alpha en Beta, waarin de kennis en ervaring van de betrokken partijen ook onderdeel uitmaakte van de vergelijkende toets. In het kader van onderhavige regeling wordt met de informatie omtrent kennis en ervaring van de betrokken partijen enkel beoordeeld of het aannemelijk is dat de betrokken partijen technisch in staat zijn een windpark te bouwen en exploiteren. Hierbij is geen minimum aan eisen vastgesteld.
Bij de beoordeling van de financiële haalbaarheid wordt onder meer gekeken naar de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen. Kapitaaltoezeggingen worden alleen meegewogen indien wordt voldaan aan de definitie zoals opgenomen in artikel 1 van onderhavige regeling. De bouw en de exploitatie van een windpark worden slechts financierbaar geacht, indien uit de aanvraag blijkt dat de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de aanvrager ten minste 20% van de totale investeringskosten voor het windpark omvat. Voor het bepalen van de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen wordt, indien sprake is van een samenwerkingsverband, op zijn verzoek het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband en hun moederonderneming(en) meegerekend. Als de aanvrager deel uitmaakt van een groep, wordt op verzoek van de aanvrager, het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de moederonderneming meegerekend.
De vermogenseis in artikel 8, derde lid, van onderhavige regeling dient te voorkomen dat de vergunning wordt verleend aan een partij die financieel onvoldoende solide is. Een aanvrager kan ook financieel voldoende solide zijn op basis van het vermogen van anderen die participeren in de aanvraag. Dit komt tot uitdrukking in artikel 8, vierde lid, van onderhavige regeling. Het vermogen van andere entiteiten wordt slechts meegerekend op verzoek van de aanvrager.
Er wordt niet beoogd dat een ander moet instaan voor verplichtingen van de aanvrager. Daarom moeten de begrippen moeder- en dochteronderneming in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van deze regeling ruim worden uitgelegd. Zo kan, indien de aanvrager een joint venture is, de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van alle joint-venturepartners en hun moederondernemingen worden meegerekend. In geval van een besloten vennootschap in oprichting kan zowel het vermogen van de moederonderneming(en) als van de oprichtende partij worden meegerekend. Bij een aanvraag door een commanditaire vennootschap (hierna: CV) kan naast het afgescheiden vermogen van de CV ook de gecombineerde omvang van het eigen vermogen en kapitaaltoezeggingen van de beherend vennoot en diens moederonderneming(en) worden meegerekend.
De kavel waarvoor op grond van onderhavige regeling een vergunning wordt verleend is niet gelegen in een territoriale zee. Derhalve wordt voor de bouw van installaties op de bodem van deze kavels geen opstalrecht gevestigd dat door de verkrijger van de vergunning zal moeten worden bekostigd.
De NZIA verplicht lidstaten ertoe om bij veilingen en aanbestedingen van ‘nettonultechnologieën’ (zoals hernieuwbare energie) kwalitatieve eisen te stellen. Het gaat hierbij om voorselectie of gunningscriteria op het gebied van onder andere beveiliging, veerkracht, volledige en tijdige uitvoering van het project, maatschappelijk verantwoord ondernemen, CO2-voetafdruk en circulariteit.
Vanaf 30 december 2025 moeten lidstaten de eisen in de verordening toepassen op minimaal 30% van het geveild volume (of minimaal 6 GW) voor hernieuwbare energie per kalenderjaar. Deze eisen worden als voorselectiecriteria verbonden aan de vergunningverleningsprocedures voor windenergie op zee, omdat bij windenergie op zee in de afgelopen jaren met vergelijkende toets (met financieel bod) al veel ervaring is opgedaan over de diverse onderwerpen. Daarmee kan Nederland bij een enkele succesvolle vergunningverleningsprocedure aan de eis van 30% geveild volume per jaar voldoen. De criteria worden zo vormgegeven dat de criteria zo min mogelijk leiden tot een kostenverhoging.
De wijze waarop lidstaten de NZIA-criteria moeten toepassen, is uitgewerkt in uitvoeringsverordening (EU) 2025/11767. Deze uitvoeringsverordening heeft de NZIA als grondslag.
Artikel 6 van uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 bevat een voorselectiecriterium met betrekking tot het vermogen om het project volledig en tijdig uit te voeren. Op grond van dit artikel 6, eerste lid, is het verplicht ten minste twee van de daar genoemde documenten te vereisen. In de onderhavige regeling is het verstrekken van alle genoemde documenten als eis opgenomen (artikel 4). De reden voor het vereisen van alle documenten van artikel 6, eerste lid, is dat het bouwen en exploiteren van een windpark op zee een relatief omvangrijk project is in vergelijking met andere projecten waar de verordening nettonultechnologie op van toepassing is. Met de documentatievereisten wordt aangesloten bij artikel 6, tweede lid, van uitvoeringsverordening 2025/1176, dat vereist dat de documentatievereisten worden aangepast aan onder andere de projectkosten en de risico’s van het project.
Voortbouwend op internationale standaarden8 en reeds bestaande wetgeving rondom passende zorgvuldigheid, dient de aanvrager inzicht te verschaffen in welke maatregelen hij neemt ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit moet betrekking hebben op de algemene bedrijfsactiviteiten van de aanvrager die verband houden met de vergunningverlening.
Artikel 2, tweede lid, van uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 definieert passende zorgvuldigheid als het proces waarbij ondernemingen de negatieve milieu en sociale effecten van hun bedrijfsactiviteiten in verband met in dit geval de bouw en realisatie van het windpark op zee in kaart brengen, voorkomen en beperken, en zich verantwoorden voor de wijze waarop zij daarmee omgaan; deze omvatten negatieve effecten die verband houden met de eigen activiteiten en de upstream- en downstreamwaardeketen van de onderneming, onder meer via haar producten of diensten, alsmede via haar zakelijke relaties.
De aanvrager moet hiervoor ingaan op de kernbestanddelen van passende zorgvuldigheid uit artikel 5, eerste lid, punten a tot g, van de richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (hierna: CSDDD), die op 25 juli 2024 in werking is getreden. De CSDDD dient uiterlijk op 26 juli 2028 te zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.
De kernbestanddelen volgen uit artikel 5, eerste lid, punten a tot en met g, van de CSDDD:
a) het integreren van passende zorgvuldigheid in hun beleid en in hun risicobeheersystemen overeenkomstig artikel 7;
b) het identificeren en beoordelen van feitelijke of potentiële negatieve effecten overeenkomstig artikel 8 en, waar nodig, het prioriteren van feitelijke en potentiële negatieve effecten overeenkomstig artikel 9;
c) het voorkomen en reduceren van potentiële negatieve effecten, en het beëindigen en zo veel mogelijk beperken van feitelijke negatieve effecten overeenkomstig de artikelen 10 en 11;
d) het bieden van herstel van feitelijke negatieve effecten overeenkomstig artikel 12;
e) zinvolle samenwerking met belanghebbenden overeenkomstig artikel 13;
f) het instellen en handhaven van een kennisgevingsmechanisme en een klachtenprocedure overeenkomstig artikel 14;
g) het toezicht op de doeltreffendheid van hun beleid en maatregelen inzake passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 15.
De aanvrager moet in de aanvraag toezeggen te voldoen aan de in artikel 7, onderdeel c, subonderdeel 1°, genoemde eis inzake het nemen van maatregelen voor passende zorgvuldigheid. De aanvrager dient het gevoerde beleid inzichtelijk te maken aan de hand van betrouwbaarheidsverklaringen van derden inzake passende zorgvuldigheid en dient dit aan te leveren voor de start van de bouw van het windpark. Deze verplichting wordt in de beschikking tot vergunningverlening uitgewerkt. Partijen kunnen voor de aanlevering hiervan denken aan de jaarlijkse onafhankelijke monitoringsresultaten die onderdeel zijn van deelname aan het IMVO-convenant hernieuwbare energie onder leiding van de Sociaal Economische Raad.
Toenemende geopolitieke onzekerheid en de noodzaak om economische en duurzaamheidsdoelen te realiseren richting 2030 en 2050 vragen om een versnelling van de transitie naar een circulaire, klimaatneutrale en autonome Europese economie. Ook Nederland benadrukt dat circulaire maatregelen bijdragen aan de klimaat- en energiedoelstellingen. De beschikbaarheid van materialen is cruciaal voor de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de energietransitie. De regering wil toewerken naar een volledig circulaire economie in 2050. Via het Nationaal Programma Circulaire Economie9 (NPCE) zet de regering in op de brede grondstoffentransitie. In het NPCE zijn voor de maakindustrie maatregelen opgenomen om de leveringszekerheid te vergroten en gelijktijdig de milieu en maatschappelijke impact van grondstoffen te verlagen. Ook wordt hiermee innovatie en marktontwikkeling gestimuleerd. Naast het NPCE versterkt de regering de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen via de Nationale Grondstoffenstrategie* (NGS). Ook door de Europese Commissie zijn in de Europese verordening inzake kritieke grondstoffen meerdere strategische doelen gesteld om een lange termijn bestendige economie te bereiken. De doelen zijn gericht op het versterken van de waardeketen door te streven naar een substantiële mate van zelfvoorzienendheid ten aanzien van strategische en kritieke grondstoffen voor de Europese consumptie. De regering onderzoekt op het moment hoe dit kan leiden tot uitvoeringswetgeving van de CSDDD.
Voor een kosteneffectieve uitbouw van windenergie op zee is het van essentieel belang dat er een overgang plaatsvindt van een lineaire toeleveringsketen naar een circulaire toeleveringsketen, waarmee er binnen toekomstige windkavels effectiever en efficiënter wordt omgegaan met schaarse materialen en producten. Het is wenselijk dat op den duur voorschriften worden opgesteld voor het gebruik van materialen voor de onderdelen in het windpark ter bescherming van het milieu. Op dit moment kunnen voorschriften om de publieke waarde van milieubescherming voldoende te waarborgen onvoldoende scherp worden gesteld, mede vanwege de informatie-asymmetrie tussen marktpartijen en de overheid. Daarnaast bevindt de windenergiesector zich nog in de beginfase van de transitie naar circulair ontwerpen.
Met artikel 7, onderdeel c, van deze regeling wordt beoogd de transparantie van de bedrijfsvoering te vergroten. Het bevorderen van transparantie is een eerste stap en geeft de windenergiesector, maar ook de rijksoverheid, meer inzicht in het grondstoffenverbruik, de milieu-impact en het waardebehoud van de onderdelen van een windpark op zee. Bovendien kan met rapportages worden gewaarborgd dat de vergunninghouder vroeg in het proces en blijvend gedurende alle fasen van het project, voldoende inzicht heeft in het grondstoffenverbruik, de milieu-impact en het waardebehoud over de gehele keten van windparken. Ten slotte vormen de voorgeschreven eisen voor de gehele keten aangaande de beoogde of toegepaste materialen en producten een noodzakelijke eerste stap richting industriestandaarden voor de producten, materialen en diensten binnen toekomstige windparken. Als laatste zijn er ook procesmatige verbetermogelijkheden te behalen binnen de windenergiesector, zoals het omarmen van een sectorspecifieke methodiek voor levenscyclusanalyse (LCA). Met het stimuleren van dit soort rapportages wordt de transparantie over de tussen bedrijven onderling verhandelde producten en diensten vergroot. De eisen worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.
Artikel 7, onderdelen d, e en f, regelt dat een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager de daar genoemde toezeggingen niet doet. Het gaat om toezeggingen die betrekking hebben op de koolstofvoetafdruk en circulariteit van het project.
Deze eisen zijn gebaseerd op de artikelen 8 en 9 van uitvoeringsverordening 2015/1176. De toezeggingen worden na verlening van de vergunning als voorschrift of voorwaarde bij de vergunning opgenomen.
Artikel 7, onderdeel d, regelt een verplichte toezegging over het beoordelen van de koolstofvoetafdruk van de componenten van het project via een methode voor koolstofvoetafdrukbeoordeling. Het moet gaan om een objectieve, transparante en niet-discriminerende methode.
Artikel 7, onderdeel e, regelt een verplichte toezegging over het meten en meedelen van de koolstofvoetafdruk van componenten van het project op basis van een levenscyclusanalyse (LCA). In de beschikking tot vergunningverlening wordt nader uitgewerkt hoe de LCA dient te worden uitgevoerd.
Artikel 7, onderdeel f, regelt een verplichte toezegging om alle toegepaste rotorbladen zo te ontwerpen dat een minimaal recyclingpotentieel wordt gerealiseerd. Dit is uitgedrukt in een minimum percentage van het oorspronkelijke, totale gewicht van de toegepaste rotorbladen dat recyclebaar is en daarmee kan worden gescheiden naar vezels en andere oorspronkelijke materiaaltypes. Dit gaat om, maar niet uitsluitend, vezels, harsen, hout en metaal. Als de materialen zoals harsolie die ontstaan bij de beoogde recyclingstechniek kunnen worden gebruikt in de productie van nieuwe producten, mogen deze materialen worden meegenomen als recyclebare materialen in de berekening voor het recyclebaarheidspercentage. Het laagwaardig verwerken door opvulling (backfilling), co-processing of een pure energieterugwinningstechnologie (verbranding) kwalificeert niet als een geldige recyclingstechniek voor dit voorschrift.
De kans dat recyclingtechnieken en -methodes voor rotorbladen zich snel ontwikkelen en het risico dat een ingediende recyclingtechniek of -methode bij de eindelevensduur van de rotorbladen alweer achterhaald is, zijn aanwezig. Om deze reden wordt alleen verplicht te rapporteren over het recyclingpotentieel. De vergunninghouder is niet verplicht om de toegepaste turbinebladen volgens de ingediende recyclingtechniek, -methode of mate van recyclebaarheid bij eindeleven van de rotorbladen te recyclen. Wel is er een voorwaarde voor beoordeling gesteld met betrekking tot het technologiegereedheidsniveau. De aangedragen technologie moet namelijk wel voldoende doorontwikkeld zijn dat technologie op het prototype niveau is bewezen. De voorgestelde recyclingtechnologie dient minimaal een technologiegereedheidsniveau (Technology Readiness Level, TRL) 6 te hebben bij de start van de bouw van het windpark.
Technologiegereedheidniveau 6 is het prototypesysteemniveau. Dit betekent dat: (i) de componenten en het proces zijn opgeschaald om de industriële potentie en de integratie ervan binnen het volledige systeem te bewijzen; (ii) de meeste problemen die zijn geïdentificeerd eerder zijn opgelost; (iii) het systeem op volledige commerciële schaal is geïdentificeerd en gemodelleerd; (iv) de LCA en economische beoordelingen zijn doorontwikkeld; (v) de resultaten van laboratoriumtests van het prototypesysteem zich bevinden in de buurt van de gewenste configuratie qua prestaties, gewicht en volume; (vi) er al bekend is hoe de testomgeving eventueel verschilde van de operationele omgeving en of dit in de lijn der verwachtingen lag; en (vii) er bekend is of en hoe de mogelijk gesignaleerde problemen worden opgelost in volgende versies.
De vergunninghouder onderbouwt hierbij dat het ingediende recyclebaarheidspercentage aannemelijk is. De onderbouwing van het recyclebaarheidspercentage wordt in overeenstemming met de NEN-EN 45555:2019 of een soortgelijke standaard aangeleverd. Tevens zal de vergunninhouder het ingediende recyclebaarheidspercentage en de recyclingtechniek en diens vereiste TRL verifiëren door een milieutechnologieverificatie in overstemming met de ISO 14034:2016 of een soortgelijke standaard in te dienen.
De milieutechnologieverificatie (Environmental technology verification, ETV ETV) volgens de ISO 14034:2016 dient ervoor te zorgen dat het beoogde rotorbladontwerp en/of de beoogde technologie bij eindelevensduur een zo hoog mogelijke kans heeft om hoogwaardig te worden verwerkt in bruikbare secundaire grondstoffen zoals harsen, vezels, lijmen, coatings, etc.
In de beschikking tot vergunningverlening zal worden gespecificeerd dat alle gegevens met betrekking tot de circulaire economie en de koolstofvoetafdruk genoemd in de beschikking tot vergunningverlening dienen te worden aangeleverd op basis van een productdecompositielijst.
De productdecompositielijst is een lijst van de te gebruiken producten minimaal op het niveau van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (Classification of Products by Activity, CPA) met de code tot zes decimalen en heeft in ieder geval betrekking op de volgende onderdelen van het windpark:
a. de windturbine, bestaande uit een mast, een gondel, rotorbladen en eventuele meetapparatuur van de windturbines;
b. de fundering; en
c. erosiebescherming en het eventuele transitiestuk; en
d. de bekabeling die de individuele windturbines verbindt en aansluit op een aansluitpunt (inter-arraykabels).
Meer informatie over de CPA is te vinden in paragraaf 5.10.3.
In de beschikking tot vergunningverlening zal een specifieke reikwijdte van de grondstoffen- en broeikasgassenanalyse worden gespecificeerd en daarmee de reikwijdte die de vergunninghouder dient te hanteren bij het aanleveren van de informatie. De windenergiesector beschikt nog niet over sectorbrede geaccepteerde rapportage- en/of rekenmethodieken welke inzicht verschaffen in het grondstoffenverbruik, milieu-impact en het waardebehoud van producten en materialen in de gehele waardeketen van alle onderdelen van het windpark. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een gestandaardiseerde LCA of een digitaal productpaspoort. Met een dergelijke standaard wordt transparantie in de sector bevorderd en kunnen gegevens en aannames makkelijker worden vergeleken, beoordeeld of gedeeld. Hiermee kan iedereen in de sector van elkaar leren en kan de sector als geheel sneller de grondstoffen-, milieu en klimaattransitie doormaken.
Waar mogelijk zijn in de beschikking tot vergunningverlening internationaal gebruikelijke methodieken en normeringen opgenomen. Hierbij is aangesloten bij de, met de windenergiesector opgestelde, productregels voor LCA (Product Category Rules (PCR)) voor de productie en levering van elektriciteit en bij de standaard voor LCA van bouwproducten die gebruikelijk is binnen aanbestedingen voor de infrastructuur van windparken. De aanvrager maakt te allen tijde gebruik van de internationale gebruikelijke methodieken en normeringen die gelden tijdens het maken van de grondstoffen-, milieu, klimaat en productanalyse.
De vergunninghouder zal verplicht worden te rapporteren op basis van de modules van de EN 15804_2012+A2 uitgesplitst naar de productiefase (A1-A3), bouwfase (A4, A5), gebruiksfase (B1 tot en met B5), eindelevensfase (C1 tot en met C4) of de indeling van de PCR 2007:08 Electricity, steam and hot/cold water generation and distribution (5.0.0) uitgesplitst naar ketenprocessen (upstream & downstream) en kernprocessen.
In de beschikking tot vergunningverlening zal meer informatie worden gegeven over de Classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (Classification of Products by Activity (CPA)) die de vergunninghouder dient te hanteren bij het aanleveren van de informatie. De CPA verschaft het gemeenschappelijke Europese kader voor de vergelijking van statistische gegevens over goederen en diensten. De CPA vormt onder meer de grondslag voor de indeling van goederen en diensten in de aanbod- en gebruikstabellen van de Nationale Rekeningen. Verder gebruikt het Centraal Bureau voor de Statistiek dit voor de specificatie van industriële inkopen bij een deel van de Productiestatistieken. Het Europese uitgangspunt is dat de structuur van de CPA de economische herkomst van producten moet weerspiegelen. De CPA kan gezien worden als de Europese versie van de door de Verenigde Naties aanbevolen Centrale Productenclassificatie (CPC).
In de beschikking tot vergunningverlening zal worden gespecificeerd dat de vergunninghouder inzage geeft over kritieke, strategische en biotische grondstoffen en zeer zorgwekkende stoffen. Kritieke grondstoffen zijn grondstoffen die economisch gezien het belangrijkst zijn en waarvoor het risico het grootst is dat de aanvoer ervan stokt. Strategische grondstoffen zijn grondstoffen waarvan verwacht wordt dat de vraag ernaar exponentieel zal toenemen, met een complex productieproces en een groter risico op leveringsproblemen. Biotische grondstoffen zijn gewonnen uit levende bronnen, van plantaardige of dierlijke origine (inclusief algen en bacteriën). Zeer zorgwekkende stoffen zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu, omdat ze bijvoorbeeld de voortplanting belemmeren, kankerverwekkend zijn of zich in de voedselketen ophopen.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om een rapportage met de MKI in te dienen. MKI is een gewogen milieukostenindicator die binnen de grond, weg- en waterbouw (GWW) gemeengoed is om de milieu-impact over de hele levenscyclus uit te drukken in een éénpuntsscore. De gekarakteriseerde milieueffecten worden vermenigvuldigd met een vastgestelde schaduwprijs. De weegfactoren worden verstrekt door RVO. Binnen lopende aanbestedingen voor de netten op zee wordt deze MKI reeds uitgevraagd door TenneT. Het gebruik van MKI binnen de GWW is beleidsmatig verankerd in het circulair klimaatbeleid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als bestaand beleid dat verder opgeschaald wordt. De onderliggende LCA-methode voor de MKI of een specifieke milieu-impact zoals CO2-equivalent is identiek. Er is daarom geen sprake van een lastenverzwaring met het uitvragen van beide onderdelen.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om gegevens te valideren door middel van een milieuverklaring11. De externe toetsing, zoals is voorgeschreven in de MKI-methodiek op basis van het toetsingsprotocol van de Stichting Nationale Milieudatabase, voldoet aan de eisen van een type 3-milieuverklaring. Type 3 (ISO 14025) of Environmental Product Declarations (EDP) worden geverifieerd door een onafhankelijke derde partij. Met een ‘product’ wordt het niveau van de CPA in 6 decimalen bedoeld.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om inzage te geven in de productondersteuning. Een onderdeel hiervan is (preventief) onderhoud dat kan bijdragen aan waardebehoud van producten binnen hun waardeketen. Hiermee wordt bedoeld dat het onderhoud ook bijdraagt aan het waardebehoud na de operationele periode van het windpark.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om nader in te gaan op de restwaarde van de componenten in het windpark. Door aandacht te hebben voor waardebehoud, blijft de restwaarde van het windpark hoger. Het kunnen scheiden in elementen, bouwdelen, materialen of grondstoffen vergroot het waardebehoud van individuele producten (of onderdelen van deze producten) en daarmee de restwaarde van deze individuele producten. Het ecologisch waardebehoud neemt toe naarmate een herinzet van materialen, componenten en producten zo hoog mogelijk op de R-Ladder plaatsvindt. De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan met op de bovenste trede ‘afwijzen’ en ‘heroverwegen’ tot aan de onderste trede ‘terugwinnen’.
In de basis stelt het NPCE vier knoppen waaraan gedraaid kan worden om een ontwerp of product meer circulair te maken. Deze knoppen komen voort uit een advies van het Planbureau voor de Leefomgeving.12 Deze knoppen stellen een vereenvoudigde weergave van de R-ladder voor.* De vier circulaire strategieën zijn: (1) vermindering van het gebruik van grondstoffen, (2) de substitutie van grondstoffen en componenten, (3) de hoogwaardige verwerking van grondstoffen en (4) het verlengen van de levensduur van de onderdelen van het windpark.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om aan te geven hoe er bij het ontwerp van het windpark is omgegaan met elk van de vier bovengenoemde circulaire strategieën. Daarbij moet steeds antwoord worden gegeven op de volgende vragen: (1) Waarom zijn de door de vergunninghouder genoemde ontwerpkeuzes opportuun voor de betreffende circulaire strategie?; (2) Wat zijn de totale, aanvullende kosten, afgerond op vijftigduizenden euro’s, ten opzichte van een conventioneel ontwerp?; (3) In welke ontwikkelingsfase zitten de, indien toegepaste, circulaire innovaties en wat is de verwachte ontwikkeling de komende tien jaar op jaarniveau? De aanvrager kan hier bijvoorbeeld verwijzen naar het technologiegereedheidsniveau (TRL) of naar de productiecapaciteit. Deze informatie kan in de toekomst gebruikt worden om de doeltreffendheid, de proportionaliteit en de haalbaarheid van de ingebrachte circulaire ontwerpen te evalueren.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht om de documentatie met betrekking tot de circulariteit en koolstofvoetafdruk van het windpark, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke informatie, openbaar te maken. Daarbij wordt verplicht om de volledige informatie wel te delen met de vergunningverlener. Deze data is essentieel om uiteindelijk een transitie naar circulaire windparken op zee te maken. Bovenal is deze informatie nodig om uiteindelijk toe te werken naar industriestandaarden. De transitie richting de circulaire economie komt steeds meer op gang en het is essentieel dat partijen van elkaar leren.
De rapportages die worden verplicht in de beschikking tot vergunningverlening met betrekking tot de circulaire economie en koolstofvoetafdruk mogen ook in één rapportage worden gebundeld.
In de beschikking tot vergunningverlening zal de vergunninghouder worden verplicht dat wanneer deze een wijzigingsverzoek indient, bijvoorbeeld door het wijzigen van de turbine, in de periode na 18 maanden en tot en met 40 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning voor de bouw en exploitatie van het windpark, de vergunninghouder vervolgens de gegevens over de koolstofvoetafdruk en circulaire economie actualiseert en deze uiterlijk 48 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning voor de bouw en exploitatie van het windpark opnieuw deelt met de vergunningverlener.
Artikel 4, tweede lid, van de onderhavige regeling geeft uitvoering aan artikel 5 van uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176. De eisen lijken deels op de nationale eisen die voortvloeien uit het meest recent gepubliceerde kavelbesluit Gamma (voorschrift 7). De eisen gesteld in deze regeling worden beoordeeld in het kader van de vergunningverlening, en de vereisten in het kavelbesluit zijn van toepassing op de aanvrager die uiteindelijk een vergunning heeft verkregen.
Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, vereist de toezeggingen, genoemd in artikel 7. Vanwege redenen van nationale veiligheid is de toezegging vereist dat de exploitant documentatie kan overleggen waaruit op te maken is dat een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde entiteit operationele zeggenschap behoudt over de installatie tijdens de exploitatie van het windpark op zee. De uitvoeringsverordening vereist echter aanvullend dat deze toezegging reeds bij de aanvraag wordt gedaan. Ook is de toezegging vereist dat, indien de aanvrager leunt op leveranciers voor de levering van ICT-producten of -diensten, de aanvrager documentatie zal overhandigen waaruit zal blijken dat ook die leveranciers voldoen aan de Europese regelgeving rondom cyberveiligheid, en wanneer deze leveranciers uit risicovolle derde landen komen, dat de aanvrager een cyberbeveiligingsplan aanlevert waarin hij uiteenzet hoe hij de beveiliging van de installatie zal garanderen. Meer specifiek moet de aanvrager toezeggen aan te tonen dat hij de nodige maatregelen zal treffen om te waarborgen dat de gegevens die worden gegenereerd tijdens de bedrijfsactiviteit in verband met het windpark worden opgeslagen binnen en niet worden overgedragen buiten de Europese Economische Ruimte. Voor de inschatting of een derde land als risicovol gezien moet worden, kan gebruik gemaakt worden van openbaar beschikbare informatie van de AIVD, MIVD en NCTV. Voorbeelden daarvan zijn het ‘Dreigingsbeeld Statelijke Actoren’, het ‘Cybersecuritybeeld Nederland’, het jaarverslag van de AIVD en het jaarverslag van de MIVD.
Het tweede lid, onderdeel b, betreft uitvoering van artikel 5, onderdeel b, van de uitvoeringsverordening. Een aanvrager die onder de jurisdictie valt van een derde land als bedoeld in dat onderdeel dient een cyberbeveiligingsplan te overleggen bij de aanvraag. Om te beoordelen welke derde landen onder de reikwijdte van de bepaling vallen, kan de aanvrager kijken naar verschillende publicaties, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren, het Cybersecuritybeeld Nederland en andere publicaties van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. In dergelijke publicaties wordt specifiek verwezen naar landen met offensieve cyberprogramma’s. Ook kan het gaan om publicaties op het niveau van de Europese Unie. Deze publicaties zijn onderhevig aan verandering, gelet op wijzigingen van de cyberrisico's.
Met deze systematiek wordt bewerkstelligd dat risico’s vroegtijdig en volwaardig in beeld komen, dat beveiliging vanaf het ontwerp aantoonbaar is georganiseerd en dat de operationele zeggenschap binnen Europese rechtsmacht blijft. Dit vergroot de betrouwbaarheid van de toekomstige energievoorziening, en draagt bij aan de nationale veiligheid.
Artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 is gericht op het verminderen van strategische afhankelijkheden van derde landen in de waardeketen van onder andere windenergie. Deze uitvoeringsverordening is een uitwerking van artikel 26 van de NZIA, dat vereist dat lidstaten rekening houden met de bijdrage van een tender aan de veerkracht. In artikel 7 van de uitvoeringsverordening is nader uitgewerkt hoe lidstaten het veerkrachtvereiste dienen toe te passen.
Artikel 7, onderdelen a en b, van de onderhavige regeling bevatten de veerkracht-gerelateerde eisen. Artikel 7, onderdeel a, vereist dat van de permanente magneten van de windturbines niet meer dan 85% afkomstig mag zijn uit één derde land.
Artikel 7, onderdeel b, regelt dat voor 75% van de windturbines in het project het eindproduct niet afkomstig mag zijn uit de Volksrepubliek China. Het eindproduct is het verhandelbare product dat een strategische nettonultechnologie vertegenwoordigt, zoals gedefinieerd in de EU-lijst van strategische technologieën. Voor windenergie op zee is het eindproduct de windturbine, bestaande uit rotorbladen, nacelle, toren en aandrijfsysteem inclusief generator, exclusief funderingen en infield-kabels. Met afkomstig uit wordt bedoeld dat een eindproduct of component hoofdzakelijk is geproduceerd of vervaardigd in een land, en dat de waardecreatie van het product of de component daar plaatsvindt. Indien onderdelen uit meerdere landen komen, wordt het land van oorsprong bepaald op basis van de locatie waar de voornaamste bewerking of waardecreatie heeft plaatsgevonden.
Naast de eis dat 75% van de eindproducten niet afkomstig mogen zijn uit China, geldt dat bij 75% van deze producten niet meer dan vier componenten zoals beschreven in artikel 7 uit China mogen komen, waarbij in ieder geval de aandrijfsystemen met directe aandrijving of de versnellingsbak, inclusief generator, niet afkomstig mogen zijn uit China. Aanvullend geldt dat maximaal 85% van de permanente magneten in de windturbines afkomstig uit China mogen zijn. Hier moet dus nadrukkelijk rekening mee worden gehouden bij de keuze van de componenten.
Wat betreft artikel 7, onderdeel b, subonderdeel 2°, geldt voor de componenten in subonderdeel c (hoofd-, gier- en stelhoeklagers) dat geen van deze drie componenten afkomstig mogen zijn uit China.
Windturbineproducenten zijn geconsulteerd over de eisen in artikel 7. Naar verwachting is er voldoende productiecapaciteit beschikbaar. In uitzonderlijke gevallen van overmacht kan flexibiliteit worden verleend, bijvoorbeeld wanneer externe omstandigheden tijdige levering onmogelijk maken of tot aanzienlijke kostenstijgingen leiden. Gewone marktontwikkelingen, zoals prijsstijgingen of beperkte beschikbaarheid van componenten, vallen hier niet onder. Het aantonen van overmacht kan het beste gebeuren door aan te tonen dat externe omstandigheden hebben geleid tot uitzonderlijke gevolgen, zoals dat diverse leveranciers >20% duurder zijn geworden dan op het moment van indiening van de aanvraag, of dat tijdige levering onmogelijk is geworden.
Artikel 7, onderdeel j, van deze regeling regelt dat een aanvrager moet toezeggen om douanedocumentatie en andere relevante documenten te verstrekken inclusief stuklijsten van digitale hardware(deel)componenten, software en firmware van de geleverde windturbines. Dit is bedoeld om naleving te kunnen beoordelen van artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176. Artikel 16, vijfde lid, van deze uitvoeringsverordening regelt dat de lidstaat dient te bepalen dat douanedocumentatie en andere relevante documenten moeten worden verstrekt om de naleving van artikel 7 van de uitvoeringsverordening te beoordelen. Met de eis dat stuklijsten dienen te worden verstrekt, is ‘andere relevante documenten’ geconcretiseerd.
Het verstrekken van informatie over digitale hardware(deel)componenten, software en firmware van de geleverde windturbines kan desgewenst via de turbineleverancier plaatsvinden, zodat naleving van de regeling kan worden gecontroleerd zonder dat bedrijfsgevoelige informatie aan de aanbieder openbaar wordt gemaakt. De aanbieder dient in dat geval hier afdwingbare afspraken met de turbineleverancier over te maken.
De vergunninghouder is verplicht om de stuklijsten op verzoek aan te leveren in een machine-leesbaar formaat dat voldoet aan een actuele en gangbare erkende technische standaard.
De stuklijsten voor hardware met digitale (deel)componenten omvatten alle (deel)componenten die door de turbineproducent zelf zijn ontwikkeld of rechtstreeks bij derden zijn ingekocht, inclusief informatie over producent en land van herkomst van de betreffende componenten.
De stuklijsten voor software en firmware omvatten een volledige decompositie van alle softwarecomponenten die de producent van de windturbine (a) zelf heeft ontwikkeld, (b) commercieel heeft ingekocht, of (c) uit open-source heeft verkregen. Deze software-stuklijsten voldoen ten minste aan de eisen zoals gesteld in de door CISA geproduceerde 2025 Minimum Elements for a Software Bill of Materials (SBOM), of, zodra beschikbaar, aan het in de Verordening cyberweerbaarheid voorgeschreven machine-leesbare SBOM-formaat (Verordening (EU) 2024/2847 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende horizontale cyberbeveiligingsvereisten voor producten met digitale elementen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 168/2013 en (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2020/1828).
Indien een wijziging plaatsvindt van de in de windturbines gebruikte digitale hardware (deel)componenten, software of firmware dienen nieuwe stuklijsten te worden geproduceerd. Historische stuklijsten zullen voor minstens een periode van vijf jaar worden bewaard.
De gestelde eisen in artikel 7 van de uitvoeringsverordening van de NZIA gelden cumulatief: een aanvrager moet dus aan alle voorwaarden voldoen. De regels zijn gebaseerd op de door de Europese Commissie vastgestelde hoogrisico-afhankelijkheid van de EU van Chinese productie van magneten, aandrijfsystemen en diverse andere windcomponenten.
De vergunninghouder is, na het onherroepelijk worden van de vergunning, verplicht alle activiteiten die samenhangen met de vergunning uit te voeren conform de wet, deze regeling, het kavelbesluit, de vergunning en conform de gegevens die hij heeft overgelegd bij de aanvraag en op basis waarvan de aanvraag in de procedure met subsidie of die van een veiling is beoordeeld. Bij overtreding van deze verplichting bestaat de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen (artikel 27 van de wet), dan wel om de vergunning in te trekken (artikel 17, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet). Een aanvrager doet in zijn aanvraag geen voorbehouden ten aanzien van de uitvoering van de activiteit.
In de vergunningsvoorschriften zal worden opgenomen dat de vergunninghouder, na het onherroepelijk worden van de vergunning, jaarlijks aan de vergunningverlener zal rapporteren over: (1) de voortgang van de realisatie van de productie-installatie tot het moment van ingebruikname van de productie-installatie en (2) de jaarlijkse elektriciteitsproductie uit wind per kavel en per windturbine vanaf het moment van ingebruikname van de productie-installatie.
Om de winkans te vergroten is het mogelijk een aanvraag in te dienen voor een vergunning voor kavel Gamma-A en voor Gamma-B. Mocht een aanvrager de vergunning voor beide kavels winnen en slechts één kavel willen ontwikkelen, dan bestaat de mogelijkheid voor de aanvrager om de vereiste bankgarantie niet te verstrekken binnen de periode van 4 weken na vergunningverlening. In dat geval wordt de vergunning verleend aan de eerstvolgende aanvrager in de rangschikking.
Op grond van de onderhavige regeling wordt een vergunning voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee verleend. Het betreft een schaarse vergunning en derhalve worden potentiële gegadigden op een competitieve en non-discriminatoire wijze in de gelegenheid gesteld om mee te dingen naar de vergunning.
De ontwerptenderregeling is openbaar geconsulteerd geweest De reacties van de consultatie zijn verwerkt en al dan niet onderdeel van de definitieve regeling.
Belangrijkste reacties waren op de budgettaire ruimte die werd geboden. Vrijwel alle windparkontwikkelaars gaven aan dat dit te krap is, met name vanwege het risico van het invoedingstarief en de gevolgen van een Iran-oorlog waarvoor meer budgettaire ruimte nodig is voor een positieve businesscase. Het maximale tenderbedrag is hierom verhoogd. Op het consultatieportaal is het consultatieverslag gepubliceerd.
Aangezien de procedure voor de verlening van de vergunning wordt doorlopen met subsidie, is er sprake van staatssteun waarvoor goedkeuring is aangevraagd bij de Europese Commissie. De formele kennisgeving zal plaatsvinden nadat de definitieve tenderregelingen zijn gepubliceerd. De goedkeuring wordt binnen enkele maanden verwacht. Artikel 16 regelt dat subsidie pas wordt verleend nadat de goedkeuring is gegeven.
In de onderhavige regeling moet de aanvrager informatie verstrekken ten behoeve van de verschillende voorselectiecriteria uit de regeling. Deze informatie is grotendeels al beschikbaar bij aanvragers, omdat deze informatie relevant is voor de interne besluitvorming over de aanvraag. Het is mogelijk dat op grond van onderhavige regeling aanvragen worden ingediend die uiteenlopend kunnen zijn qua inzet, voorbereidingstijd, complexiteit en omvang. Echter, door het zoveel mogelijk objectief vormgeven van de voorselectiecriteria is het mogelijk dat deze verschillen tussen aanvragers beperkt zullen zijn.
Het bepalen van de administratieve lasten voor de onderhavige regeling is vooral een benadering gebaseerd op een aantal algemene uitgangspunten (zie onderstaande toelichting).
Op basis van onderhavige regeling is in totaal één vergunning beschikbaar voor de kavel. Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, dient een aanvrager ten hoogste één aanvraag in. Daarnaast is het niet noodzakelijk dat aanvragers een bewijs van financiële garanties van de moederorganisatie(s) overleggen.
De aanvrager moet voor een aanvraag gegevens overleggen op basis waarvan de technische en financiële haalbaarheid wordt beoordeeld. Ook de productieramingen maken hier onderdeel van uit. In de artikelen 3 en 4 van onderhavige regeling wordt deze informatieverplichting verder uitgewerkt, ook ten behoeve van de toetsing aan de voorselectiecriteria van artikel 7.
Bij het berekenen van de administratieve lasten is uitgegaan van een inzet van circa 12 voltijdsbanen gedurende een tijdsduur van 6 maanden en een vast uurtarief van € 60. Dit resulteert in ca. € 748.800 administratieve lasten voor het indienen van een aanvraag. Gelet op de huidige marktomstandigheden is het moeilijk in te schatten hoeveel aanvragen zullen worden ingediend. Voor een enigszins competitieve vergunningaanvraag zijn minimaal drie aanvragen wenselijk. De totale kosten voor deze fase worden dan geraamd op € 2.246.400. Deze kosten zullen hoger liggen als er meer dan de veronderstelde drie aanvragen zijn te verwachten.
Gedurende de bouw van de productie-installatie dient jaarlijks gerapporteerd te worden over de voortgang van de realisatie van de productie-installatie tot het moment van ingebruikname van de productie-installatie. Het gaat om een korte beschrijving van de voortgang van het project in relatie tot een aantal ijkmomenten. Op deze wijze kan worden beoordeeld wanneer de productie-installatie in gebruik kan worden genomen en of dit binnen de gestelde termijn gebeurt. Voor de jaarlijkse verplichtingen wordt uitgegaan van vier uur per jaar. Dit resulteert in circa € 240 per toegekende vergunning. Er wordt één vergunning verleend. Hiermee komen de jaarlijkse kosten uit op ongeveer € 240. Voor een periode van vijf jaar komen de kosten derhalve uit op € 1.200.
Daarnaast gelden er voor de vergunninghouder een aantal rapportageverplichtingen op basis van de voorselectiecriteria. De vergunninghouder dient (eenmalig) te rapporteren over de elektriciteitsproductie, maatschappelijk verantwoord ondernemen, koolstofvoetafdruk, circulaire economie, cyber- en gegevensbeveiliging en veerkracht.
Voor de rapportageverplichting over de elektriciteitsproductie wordt uitgegaan van 2 uur per maand. Dit komt neer op jaarlijkse kosten van circa € 1.440. Gedurende de totale operationele levensduur van het windpark (circa 35 jaar) bedragen deze kosten circa € 50.400.
Voor maatschappelijk verantwoord ondernemen moet er tijdens de aanbouw van het windpark op zee gerapporteerd te worden. Voor deze rapportageverplichting wordt uitgegaan van 1 fte per jaar. Dit resulteert jaarlijks in circa € 124.800 aan kosten. De vergunninghouder zal jaarlijks rapporteren tot aan het gereed zijn van het windpark op zee voor het leveren van vol vermogen ten behoeve van de testfase, zoals genoemd in de tijdvakken in de vergunning. Dit is maximaal vijf jaar. Voor deze periode komen deze kosten uit op circa € 624.000.
Voor de rapportageverplichting over koolstofvoetafdruk en circulaire economie wordt uitgegaan van halve voltijdsbaan voor een jaar. De vergunninghouder zal eenmalig, binnen de termijn van 18 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning rapporteren. Het plan eindelevensfase zal de vergunninghouder uiterlijk 12 maanden voor de vervaldatum van de vergunning inleveren. Dit resulteert in circa € 62.400 aan kosten.
Voor de rapportageverplichting over cyber- en gegevensbeveiliging is bij de aanvraag een veiligheidsstrategie overlegd die zes maanden voor de bouw van het windpark op zee moet zijn uitgebreid. Voor de uitgebreidere veiligheidsstrategie is uitgegaan van 80 uur en € 4.800.
Voor de rapportageverplichting over veerkracht dient aangetoond te worden dat is voldaan aan de gestelde eisen betreft toegepaste componenten en hun oorsprong. Hiervan is verwacht dat veel informatie beschikbaar gemaakt wordt via de leverancier. Voor het verkrijgen en bundelen van de informatie is uitgegaan van eenmalig 200 uur. De kosten hiervoor komen uit op circa € 12.000.
De totale kosten voor de monitorings- en verantwoordingsfase komen dan naar verwachting uit op € 754.800.
Bij het aanvragen van een bankgarantie of waarborgsom zal de regeldruk voor partijen toenemen. Dit ligt in het feit dat deze aangevraagd dient te worden en dat gedurende de looptijd van de bankgarantie of waarborgsom een maandelijks bedrag zal moeten worden voldaan. Daarbij wordt uitgegaan van een periode van maximaal vijf jaar tussen de aanvraag en de aanwending van de bankgarantie of waarborgsom voor (gedeeltelijke) betaling van het verschuldigde bedrag. In vergelijking met de andere optie die de wet biedt, een waarborgsom, is de regeldruk bij een bankgarantie relatief groter, vanwege de aanvullende kosten gedurende de looptijd van de bankgarantie. De aanvrager kan zelf kiezen tussen een bankgarantie of een waarborgsom.
Uitgaande van een gemiddelde zekerheidsstelling van € 100.000.000 en de kosten van 1% per jaar komen de kosten van een bankgarantie gemiddeld uit op ongeveer € 1.000.000 per jaar. Dit komt uit op circa € 5.000.000 in totaal.
Iedere aanvrager heeft de mogelijkheid om bezwaar en vervolgens beroep aan te tekenen tegen de vergunning- en subsidieverlening en respectievelijk de beslissing op bezwaar. Voor het bepalen van de administratieve lasten wordt uitgegaan van in totaal drie bezwaar- en beroepsprocedures. De lasten van bezwaar dienen tot het begrip regeldrukkosten te worden gerekend. De lasten die voortvloeien uit eventuele beroepsprocedures worden niet als regeldruk aangemerkt, omdat deze samenhangen met de waarborgfunctie van een eerlijke en efficiënte rechtspleging. De administratieve lasten voor bezwaarprocedures bedragen circa € 10.000 per procedure. De totale eenmalige kosten voor bezwaarprocedures komen daarmee naar verwachting uit op circa € 30.000.
De regeling levert in totaal potentieel de volgende regeldruk op:
|
Fase |
Eenmalige regeldruk voor alle indieners tezamen |
Cumulatieve jaarlijkse regeldruk voor de verkrijger van de vergunning |
|---|---|---|
|
Aanvraag |
€ 2.246.400 |
– |
|
Monitoring en verantwoording |
– |
€ 754.800 |
|
Bankgarantie en waarborgsom |
– |
€ 5.000.000 |
|
Bezwaarprocedures |
€ 30.000 |
– |
|
Totaal |
€ 2.276.400 |
€ 5.754.800 |
De totale eenmalige kosten van deze regeling komen dus uit op circa € 2.276.400 en de totale cumulatieve jaarlijkse kosten op maximaal € 5.754.800.
Ter vergelijking – in hoeverre het mogelijk is om binnen de onzekerheidsmarges een indicatie te geven – bij een geschatte gemiddelde elektriciteitsprijs van € 75 per megawattuur zal een windpark van 1 GW, uitgaande van maximaal 4000 vollasturen gedurende 35 productiejaren, een omzet draaien van circa € 10,5 miljard. In deze vergelijking bedragen de eenmalige regeldrukkosten 0,022% van de hypothetische omzet en de cumulatieve jaarlijkse kosten percentueel 0,055% van de hypothetische omzet.
Het percentage van de eenmalige regeldrukkosten zal hoger liggen als er meer dan de nu veronderstelde drie aanvragen zijn te verwachten.
Tot slot, deze regeling heeft geen regeldrukgevolgen voor burgers en midden- en kleinbedrijven (mkb), omdat zij naar verwachting geen aanvragen zullen indienen. Er is daarom geen mkb-toets uitgevoerd.
De ontwerptenderregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR). Het ATR heeft op 23 februari 2026 een advies zonder opmerkingen uitgebracht dat instemt met vaststelling van de ministeriële regeling.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999.
Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 van de Commissie van 23 mei 2025 tot nadere specificering van de voorselectie- en gunningscriteria bij veilingen voor de uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen.
Dit omvat (niet uitsluitend) de Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations “Protect, Respect and Remedy” Framework van de Verenigde Naties, de OESO- richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO en relevante Uniewetgeving inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, met name Richtlijn (EU) 2024/1760 (CSDDD), Richtlijn (EU) 2022/2464 (CSRD), en Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772.
Een milieuverklaring is een communicatie- en transparantie-instrument dat het mogelijk maakt om de milieueffecten van een product voor de hele levenscyclus voor te stellen.
De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Als vuistregel kan worden aangehouden dat hoe hoger een strategie (zoals refuse en rethink) op de R-ladder staat, hoe meer grondstoffengebruik hiermee voorkomen kan worden. Dit moet echter per productgroep worden bekeken. Om bijvoorbeeld de levensduur van een lift te verlengen, kan het nodig zijn om initieel meer grondstoffen te gebruiken waardoor de lift langer meegaat. Het totale grondstoffengebruik en de daarmee gepaard gaande milieudruk wordt daardoor lager.
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999.
Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724.
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1176 van de Commissie van 23 mei 2025 tot nadere specificering van de voorselectie- en gunningscriteria bij veilingen voor de uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen.
Dit omvat (niet uitsluitend) de Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations “Protect, Respect and Remedy” Framework van de Verenigde Naties, de OESO- richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO en relevante Uniewetgeving inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, met name Richtlijn (EU) 2024/1760 (CSDDD), Richtlijn (EU) 2022/2464 (CSRD), en Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772.
Een milieuverklaring is een communicatie- en transparantie-instrument dat het mogelijk maakt om de milieueffecten van een product voor de hele levenscyclus voor te stellen.
De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Als vuistregel kan worden aangehouden dat hoe hoger een strategie (zoals refuse en rethink) op de R-ladder staat, hoe meer grondstoffengebruik hiermee voorkomen kan worden. Dit moet echter per productgroep worden bekeken. Om bijvoorbeeld de levensduur van een lift te verlengen, kan het nodig zijn om initieel meer grondstoffen te gebruiken waardoor de lift langer meegaat. Het totale grondstoffengebruik en de daarmee gepaard gaande milieudruk wordt daardoor lager.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-21297.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.