Regeling van de Minister voor Asiel en Migratie van 4 juni 2026, nummer 7645707, houdende wijziging van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘Minister van Veiligheid en Justitie’ vervangen door ‘Minister van Asiel en Migratie’.

2. In onderdeel c wordt ‘de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd’ vervangen door ‘een verblijfsvergunning asiel’.

3. Onderdeel f komt te luiden:

  • f. gezinsleden: de volgende leden van het gezin van de asielzoeker die in verband met de asielaanvraag in Nederland aanwezig zijn, voor zover het gezin reeds bestond vóór de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaten aankwam:

    • 1°. echtgenoten of aan gehuwden gelijkgestelde partners;

    • 2°. hun minderjarige of meerderjarige kinderen, mits zij ongehuwd en van hen afhankelijk zijn;

    • 3°. de vader, moeder, of een andere volwassene, met inbegrip van een meerderjarige zus of broer, die volgens het recht of de praktijk in Nederland verantwoordelijk is voor de minderjarige en ongehuwde asielzoeker.

    Bij toepassing van 2° en 3° wordt een minderjarige op basis van een individuele beoordeling als ongehuwd beschouwd, indien er naar Nederlands recht geen sprake is een rechtsgeldig huwelijk, met name gelet op de wettelijke huwelijksleeftijd.

4. Onderdeel i vervalt, onder verlettering van de onderdelen j tot en met o tot i tot en met n.

5. In onderdeel i (nieuw) wordt ‘Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Pb EU 2013, L 180)’ vervangen door ‘Richtlijn 2024/1346/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming’.

6. In onderdeel k (nieuw) wordt ‘of daarbuiten’ vervangen door ‘, dan wel wanneer zij een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd hebben gekregen als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000, die strekt tot verblijf in het in de maatregel aangegeven gebied in en om de handhavings- en toezichtlocatie’.

7. Onderdeel m (nieuw) komt te luiden:

  • m. materiële opvangvoorzieningen: de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding;

8. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n (nieuw) door een puntkomma, worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • o. persoon met bijzondere opvangbehoeften: een asielzoeker die bijzondere omstandigheden of waarborgen behoeft om gebruik te kunnen maken van de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen die in de Opvangrichtlijn zijn vastgesteld;

  • p. Procedureverordening: Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU;

  • q. Asiel- en migratiebeheerverordening: Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt ‘vijftien dagen’ vervangen door ‘drie dagen’.

2. In het derde lid, onderdeel a, wordt ‘voordelen’ vervangen door ‘rechten’.

3. Aan het derde lid, onderdeel b, wordt toegevoegd ‘met inbegrip van informatie over organisaties of groepen van personen die dit kosteloos doen’.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het COA zorgt ervoor dat de in het derde lid bedoelde informatie schriftelijk wordt verstrekt in een beknopte, transparante, begrijpelijke en toegankelijke vorm en in een taal die de asielzoeker begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt. Indien nodig wordt de informatie ook mondeling of in visuele vorm verstrekt.

5. Na het vierde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In het geval van een alleenstaande minderjarige vreemdeling verstrekt het COA de in het derde lid bedoelde informatie op een leeftijdsgeschikte en passende wijze, zodanig dat de vreemdeling die informatie begrijpt, door in voorkomend geval gebruik te maken van speciaal op minderjarigen afgestemd informatiemateriaal. Die informatie wordt verstrekt in aanwezigheid van de vertegenwoordiger of van de persoon die voorlopig geschikt is om op te treden als de vertegenwoordiger.

  • 6. In uitzonderlijke gevallen kan het COA de in het derde lid bedoelde informatie aan de asielzoeker verstrekken door middel van een mondelinge vertaling of, in voorkomend geval, in een visuele vorm zoals video’s of pictogrammen, indien:

    • a) het COA niet in staat is om die informatie binnen de in het derde lid gestelde termijn schriftelijk te verstrekken, omdat de taal die een asielzoeker begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, een zeldzame taal is, en

    • b) die asielzoeker vervolgens bevestigt dat hij de verstrekte informatie begrijpt.

  • 7. In de gevallen, bedoeld in het zesde lid, verstrekt het COA zo snel mogelijk alsnog een schriftelijke vertaling van de in het derde lid bedoelde informatie aan de asielzoeker, tenzij duidelijk is dat een dergelijke verstrekking niet meer nodig is.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroeps- en hoger beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, is toegewezen;

2. Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen;

3. Het derde lid, onderdeel k, komt te luiden:

  • k. de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt verstrekt;

4. Het derde lid, onderdeel l, komt te luiden:

  • l. de uitgenodigde vluchteling, ook en indien reeds een verblijfsvergunning is verleend;

D

In artikel 5 wordt na ‘ingevolgde de Vreemdelingenwet 2000’ ingevoegd ‘,de Procedureverordening’.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

Aan dit artikel wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. indien het een alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht houdt op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die de alleenstaande minderjarige vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.

F

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel m door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • n. indien het een vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht heeft op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9a. Minderjarige vreemdelingen in gezinsverband behouden recht op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die een vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.

G

Artikel 9 komt te luiden:

  • 1. De opvang in een opvangvoorziening omvat in elk geval de volgende verstrekkingen:

    • a. onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden of in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van asielzoekers aangepaste ruimten;

    • b. een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven;

    • c. openbaar vervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure afgezien van de dagen die beschikbaar zijn voor het onderzoek naar de asielaanvraag gedurende de algemene asielprocedure;

    • d. recreatieve en educatieve activiteiten;

    • e. de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling;

    • f. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid;

    • g. betaling van buitengewone kosten.

  • 2. Zo spoedig mogelijk nadat een asielzoeker voor de eerste keer in een opvangvoorziening is opgevangen, vindt een eerste onderzoek naar zijn gezondheidstoestand plaats.

  • 3. Het COA zorgt ervoor dat tijdens het verblijf in de opvangvoorziening:

    • a. de asielzoeker bescherming van zijn gezinsleven geniet;

    • b. de asielzoeker de mogelijkheid heeft om te communiceren met familieleden, juridisch adviseurs of raadslieden en vertegenwoordigers van de Hoge Commissaris der Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) en andere relevante nationale, internationale en niet-gouvernementele organisaties en instanties;

    • c. familieleden, juridisch adviseurs of raadslieden, vertegenwoordigers van de UNHCR en relevante door de Minister erkende niet-gouvernementele organisaties toegang hebben tot de opvangvoorziening zodat zij de asielzoeker kunnen bijstaan;

    • d. de asielzoeker een programma voor educatie en ontwikkeling wordt geboden.

  • 4. De toegang, bedoeld in het derde lid, onder c, kan slechts worden beperkt om redenen die verband houden met de veiligheid van de opvangvoorziening en van de asielzoekers.

  • 5. Elke opvangvoorziening heeft een door het COA opgesteld huishoudelijk reglement waarin tenminste passende maatregelen zijn opgenomen om geweldpleging, met inbegrip van geweld met seksuele, gender-, racistische of religieuze motieven, te voorkomen.

  • 6. Onze Minister kan een uitzondering maken op het vijfde lid indien de materiële opvang wordt verstrekt in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van asielzoekers aangepaste ruimten.

  • 7. Het aanbieden van recreatieve en educatieve activiteiten en het in bruikleen geven van gebruiksvoorwerpen kan afhankelijk worden gesteld van de betaling van een waarborgsom door de asielzoeker.

  • 8. Het personeel dat in de opvangvoorziening werkt moet een passende opleiding hebben. Personen die met personen met bijzondere opvangbehoeften werken, moeten passend onderricht over hun behoeften gevolgd hebben en blijven volgen.

H

Na artikel 9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a

Een vreemdeling die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen heeft recht op de volgende verstrekkingen:

  • a. onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden;

  • b. voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne, middels een wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 14, dan wel in natura;

  • c. reiskosten voor noodzakelijk medisch vervoer en voor vervoer van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure;

  • d. dekking van de noodzakelijke medische zorgkosten.

I

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden:

  • 1. Het COA kan de verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 beperken, en de wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, beperken of intrekken, indien de asielzoeker:

2. In het eerste lid, onderdeel h, wordt ‘ernstig inbreuk’ vervangen door ‘ernstig of herhaaldelijk inbreuk.’

3. Het eerste lid, onderdeel i, komt te luiden:

  • i. zich in de opvangvoorziening op gewelddadige of dreigende wijze heeft gedragen.

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, kunnen ook andere materiële opvangvoorzieningen dan de wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, worden ingetrokken.

5. Onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot het vierde en vijfde lid komt het vierde lid te vervallen.

6. In het vierde en vijfde lid (nieuw) wordt ‘eerste en tweede lid’ vervangen door ‘eerste, tweede en derde lid’.

J

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en het vierde lid wordt na ‘kleding’ ingevoegd ‘,producten voor persoonlijke hygiëne’.

2. Het negende lid komt als volgt te luiden:

  • 9. In afwijking van het eerste lid wordt geen financiële toelage verstrekt ten behoeve van voedsel aan asielzoekers die hun maaltijden in natura ontvangen.

3. Het tiende lid vervalt.

K

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

Het zevende lid, onderdeel a, komt te luiden: een contra-expertise indien het een asielzoeker betreft wiens asielaanvraag is afgewezen.

L

De titel van Hoofdstuk IVa ‘Kwetsbare personen’ wordt vervangen door ‘Personen met bijzondere opvangbehoeften’.

M

Artikel 18a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘kwetsbare personen als bedoeld in artikel 21’ vervangen door ‘personen met bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 24, alsmede vreemdelingen die een die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 hebben ontvangen’.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Ter uitvoering van het eerste lid beoordeelt het COA zo spoedig mogelijk na indiening van de asielaanvraag of de asielzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft. De uitkomst wordt opgenomen in zijn dossier, met vermelding van een beschrijving van de zichtbare tekenen of de verklaringen of gedragingen die relevant zijn voor de beoordeling van de bijzondere opvangbehoeften, alsmede de maatregelen die zijn vastgesteld om in die behoeften te voorzien.

3. In het derde lid wordt na ‘eerste lid,’ ingevoegd ‘of artikel 9a’

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De in het tweede lid bedoelde beoordeling wordt afgerond binnen 30 dagen na indiening van de asielaanvraag.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien er aanwijzingen zijn dat de mentale of fysieke gezondheid van invloed kan zijn op de opvangbehoeften wordt de asielzoeker ter nadere beoordeling van zijn psychologische en fysieke toestand doorverwezen naar een geschikte arts of psycholoog. Indien nodig wordt een mondelinge vertaling verzorgd.

N

Artikel 18c wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen b en c tot c en d wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. minderjarigen zo nodig toegang hebben tot lesmateriaal;

2. Het eerste lid, onderdeel d (nieuw), komt te luiden:

  • c. personen die zijn blootgesteld aan mensenhandel, foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld, met inbegrip van geweld met een seksueel, gender-, racistisch of religieus motief, ontvangen voor hun daardoor veroorzaakte letsel de vereiste medische en psychologische behandeling, zo nodig met inbegrip van revalidatiediensten en begeleiding. Tot dergelijke behandeling en zorg wordt zo snel mogelijk na de vaststelling van de behoeften van die personen toegang gegeven.

O

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. zijn huidige adres, een telefoonnummer waarop hij kan worden bereikt en, indien beschikbaar, een e-mailadres door te geven. Bij eventuele wijzigingen in deze gegevens dient hij dit zo spoedig mogelijk door te geven.

2. Aan het tweede lid, onderdeel a, wordt toegevoegd ‘vanwege overlast in de reguliere opvangvoorziening’.

3 Het tweede lid, onderdeel b en d, vervallen onder verlettering van onderdeel c tot b.

4. Het tweede lid, onderdeel b (nieuw), komt te luiden:

  • b. een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, tenzij het een minderjarige vreemdeling betreft;

4. In het derde lid wordt ‘derde lid’ vervangen door ‘tweede lid’.

P

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na ‘daaronder begrepen’ ingevoegd ‘de tijdelijke onderdakvoorziening en’, en wordt na ‘gezinsleden’ ingevoegd ‘waaronder de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling’.

2. In het derde lid wordt na ‘een opvangvoorziening’ ingevoegd ‘, de tijdelijke onderdakvoorziening’ en na ‘gezinsleden’ ingevoegd ‘,waaronder de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling,’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Wanneer het COA een beoordeling verricht van de middelen waarover een asielzoeker of vergunninghouder beschikt, wanneer zij van een asielzoeker of vergunninghouder vereist dat hij de kosten van de materiële opvangvoorzieningen en van de verkregen gezondheidszorg dekt of daaraan een bijdrage levert, of wanneer zij een asielzoeker of vergunninghouder om terugbetaling vraagt overeenkomstig het derde lid van deze regeling, neemt het COA het evenredigheidsbeginsel in acht door rekening te houden met de individuele omstandigheden van de asielzoeker of vergunninghouder en vanwege de noodzaak om zijn waardigheid en persoonlijke integriteit te eerbiedigen, ook wat de bijzondere opvangbehoeften van de asielzoeker of vergunninghouder betreft.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 12 juni 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 4 juni 2026

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

TOELICHTING

ALGEMEEN

Deze wijzigingsregeling bevat de wijzigingen in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005) ter implementatie van de Richtlijn 2024/1346/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: de richtlijn). Het betreft een herschikking van de Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de richtlijn moet deze uiterlijk op 12 juni 2026 in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn omgezet.

De richtlijn maakt deel uit van het uitgebreide Asiel- en Migratiepact dat in mei 2024 door de Raad van de Europese Unie officieel werd aangenomen en behelst een aantal inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de Opvangrichtlijn uit 2013 die in de nationale wet- en regelgeving worden geïmplementeerd.

Europese landen hanteren nu sterk verschillende opvangstandaarden. De richtlijn voorziet in verdergaande harmonisatie van de regels inzake opvang en garandeert een adequaat niveau van voorzieningen in de hele Europese Unie voor verzoekers die om internationale bescherming verzoeken of, in voor Nederland meer gebruikelijke terminologie, asielzoekers. De harmonisatie van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers moet ertoe bijdragen dat de secundaire stromen van asielzoekers, die worden veroorzaakt door het verschil in opvangvoorzieningen, worden beperkt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1, onderdelen a, c, f, i (oud), i (nieuw), k (nieuw), m (nieuw), o (nieuw), p (nieuw) en q (nieuw))

Middels deze wijziging worden de definitiebepalingen in artikel 1 van de Rva 2005 in overeenstemming gebracht met die van de richtlijn. Tevens wordt deze wijziging benut om de titel van de verantwoordelijke bewindspersoon te actualiseren.

Als gevolg van deze wijzigingen is de omschrijving van de term ‘asielaanvraag’ in onderdeel c in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 waarin ‘asielaanvraag’ op dezelfde wijze wordt omschreven. Dit onderdeel behelst slechts een technische wijziging, als gevolg van het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In onderdeel f is de definitie van het begrip ‘gezinsleden’ in overeenstemming gebracht met artikel 2, aanhef en onder 3, van de richtlijn, waaruit volgt dat het begrip ‘gezin’ ook gezinnen omvat die buiten het land van herkomst van de verzoekers, maar voor de aankomst op het grondgebied van de lidstaten, zijn gevormd.

In onderdeel f, onder 2° en 3°, is, ter implementatie van artikel 2, aanhef en onder 3, onderdelen b en c, van de richtlijn, tevens bepaald dat een minderjarige op basis van een individuele beoordeling als ongehuwd wordt beschouwd, indien er naar Nederlands recht geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, met name gelet op de wettelijke huwelijksleeftijd. Voor deze beoordeling wordt aansluiting gezocht bij artikel 1:31 van het Burgerlijk Wetboek waarin de leeftijdseis voor het aangaan van een huwelijk in Nederland is neergelegd. Daaruit volgt dat een man en een vrouw de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt om een huwelijk te mogen aangaan. De Nederlandse wet kent geen uitzondering op deze wettelijke minimumleeftijd van 18 jaar voor het sluiten van een huwelijk.

Onderdeel i (oud) komt te vervallen omdat de term ‘rust- en voorbereidingstermijn niet langer gehanteerd wordt.

Het onderdeel i (nieuw) betreft een technische wijziging waarmee ‘Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Pb EU 2013, L 180)’ wordt vervangen door ‘Richtlijn 2024/1346/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.

In onderdeel k (nieuw) wordt opgenomen dat vreemdelingen op een handhavings- en toezichtlocatie kunnen worden geplaatst door het COA vanwege overlast op de opvangvoorziening, maar ook na oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000, die strekt tot verblijf in het in de maatregel aangegeven gebied in en om de handhavings- en toezichtlocatie.

Middels het onderdeel m (nieuw) wordt de definitie van ‘materiële opvangvoorzieningen’ in overeenstemming gebracht met die van de richtlijn. Dit betekent dat asielzoekers tevens aanspraak maken op ‘producten voor persoonlijke hygiëne’ als onderdeel van de reeds bestaande materiële opvangvoorzieningen, te weten huisvesting, voedsel en kleding.

In onderdeel o (nieuw) is in overeenstemming met artikel 2, aanhef en onder 14, van de richtlijn de definitie van ‘persoon met bijzondere opvangbehoeften’ opgenomen. In Richtlijn 2013/33/EU wordt deze categorie omschreven als ‘kwetsbare personen’. Hoewel bij de implementatie van Richtlijn 2013/33/EU deze categorie niet is opgenomen in de definitiebepaling van de Rva 2005, wordt dat thans alsnog gedaan, zij het onder de nieuwe titel ‘persoon met bijzondere opvangbehoeften’.

In onderdeel p (nieuw) is de definitie van de Procedureverordening toegevoegd.

Tot slot is in onderdeel q (nieuw) de definitie van de Asiel- en migratiebeheerverordening toegevoegd.

Onderdeel B (artikel 2, derde lid, vierde lid en vijfde tot en met zevende lid (nieuw))

Artikel 2, derde tot en met het zevende lid, van de Rva 2005 betreft de door het COA aan de asielzoeker te verstrekken informatie. Het COA dient op grond van de richtlijn eerder en meer informatie te verstrekken aan bewoners over de in de richtlijn uiteengezette opvangvoorzieningen, waaronder specifieke informatie over opvangsystemen, zodat bewoners daadwerkelijk gebruik kunnen maken van de rechten en kunnen voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgesteld in de richtlijn.

Deze wijziging strekt ertoe de bestaande leden drie en vier van artikel 2 aan te passen aan de bewoordingen van artikel 5 van de richtlijn. Tevens zijn de leden vijf tot en met zeven toegevoegd.

In het derde lid is, in overeenstemming met artikel 5, eerste en tweede lid, van de richtlijn, bepaald dat de informatie moet worden verstrekt binnen een redelijke termijn van ten hoogste drie dagen na de indiening van de asielaanvraag. Verder is aan de tekst van artikel 2, derde lid, onder b, conform de richtlijn toegevoegd dat het COA de asielzoekers ook informeert over organisaties of groepen van personen die specifieke rechtsbijstand kosteloos verlenen.

Het vierde lid betreffende de taal waarin de informatie moet worden verstrekt, is aangepast aan de gewijzigde formulering in artikel 5, tweede lid, van de richtlijn. De richtlijn stelt aanvullende eisen, betrekking hebbend op de duidelijkheid en begrijpelijkheid waarmee de informatie aan de asielzoeker moet worden verstrekt. Het COA dient ervoor te zorgen dat informatie schriftelijk in een beknopte, transparante, begrijpelijke en toegankelijke vorm in duidelijke en eenvoudige bewoordingen, wordt verstrekt. Het vierde lid is verder aangevuld met de bepaling in artikel 5, tweede lid, van de richtlijn dat de informatie in voorkomend geval tevens visueel wordt verstrekt.

Het nieuwe vijfde lid heeft betrekking op de extra waarborgen die het COA ten aanzien van alleenstaande minderjarige asielzoekers in acht dient te nemen, zoals het recht op afzonderlijk en op de leeftijd afgestemd informatiemateriaal. Dit moet worden verstrekt in aanwezigheid van de vertegenwoordiger of van de persoon die voorlopig geschikt is om op te treden als de vertegenwoordiger. De informatie dient in beginsel schriftelijk, en in uitzonderlijke gevallen, mondeling of visueel te worden verstrekt, zoals neergelegd in artikel 2, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn.

In het nieuwe zesde lid is, ter implementatie van artikel 5, tweede lid, derde alinea e.v., van de richtlijn, een uitzonderlijk geval geformuleerd op grond waarvan het COA de informatie mag verstrekken door middel van een mondelinge vertaling of in een visuele vorm zoals video’s of pictogrammen. Het zesde lid verbindt hieraan twee cumulatieve voorwaarden. In de eerste plaats is het COA niet in staat om binnen de redelijke termijn van drie dagen de informatie schriftelijk te verstrekken omdat de taal die een asielzoeker begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, een zeldzame taal is. Ten tweede dient de asielzoeker vervolgens te bevestigen dat hij de verstrekte informatie begrijpt.

Tot slot creëert het nieuwe zevende lid de verplichting voor het COA om, indien nodig, zo spoedig mogelijk alsnog een schriftelijke vertaling van de informatie in het derde lid aan de asielzoeker te verstrekken. Deze verplichting geldt slechts in de gevallen die cumulatief zijn opgesomd in het zesde lid. Hiermee is de laatste alinea van artikel 5, tweede lid, van de richtlijn geïmplementeerd.

Onderdeel C (artikel 3, derde lid, onderdelen a, b, k en l)

In onderdeel a is opgenomen dat de vreemdeling wiens eerste asielverzoek is afgewezen, en voor wie derhalve geen aanspraak op opvangvoorzieningen meer ontstaat, toch tot de opvang van het COA kan worden toegelaten indien hij tegen het besluit beroep instelt en tevens verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de uitspraak in beroep in Nederland mag afwachten, nadat de voorlopige voorziening is toegewezen. Indien de voorzieningenrechter het verzoek toewijst en de vreemdeling de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten, ontstaat, voor de duur van het beroep, een recht op opvang. Het recht op opvang ontstaat echter eerst nadat de voorzieningenrechter het verzoek heeft toegewezen. Het enkele verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening doet derhalve nog geen recht op opvang ontstaan. Immers, de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking blijven van kracht en op de vreemdeling blijft de rechtsplicht rusten Nederland te verlaten. Slechts de uitzetting van de betreffende vreemdeling wordt tijdelijk, dat wil zeggen voor de duur van de behandeling van het verzoekschrift, opgeschort. Eerst na de toegewezen voorlopige voorziening ontstaat, ingevolge artikel 8, onder h van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf in Nederland. In deze situatie kan de vreemdeling, voor de duur van de behandeling van het beroep, aanspraak maken op opvangvoorzieningen.

In onderdeel b is geborgd dat ook de alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de procedure wordt afgewezen aanspraak kan maken op opvangvoorzieningen van het COA.

In onderdeel k is bepaald dat ook aanspraak op opvangvoorzieningen ontstaat indien in de procedure een verblijfsvergunning wordt verleend. Het is namelijk niet wenselijk en praktisch dat een vreemdeling wel in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning, maar geen aanspraak op opvangvoorzieningen kan maken.

In onderdeel l is bepaald dat de uitgenodigde vluchteling aanspraak kan maken op opvangvoorzieningen, ook indien hem binnen de procedure een verblijfsvergunning wordt verleend.

Onderdeel D (artikel 5)

Aan de tekst van artikel 5 is de Procedureverordening toegevoegd. Deze verordening werkt rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde en heeft kracht van wet. Daaruit vloeien ook rechtstreeks een aantal situaties voort die leiden tot een recht om te blijven of het achterwege blijven van de uitzetting, wat reden is deze nevenschikkend te voegen naast de Vreemdelingenwet.

Van belang is dat naast gevallen waarin gedurende de beroepsfase een recht om te blijven bestaat, in de gevallen opgesomd in artikel 68, vijfde lid, van de Procedureverordening1, gedurende de beroepsfase niet langer een recht om te blijven bestaat, maar louter een recht niet te worden uitgezet in afwachting van een beslissing van de voorzieningenrechter. Gezien de formulering van artikel 5 van Rva 2005 blijft het recht op opvang bestaan. In die gevallen vallen de vreemdelingen echter wel, nadat zij een afwijzing op hun asielaanvraag hebben ontvangen, direct onder de werking van de Terugkeerrichtlijn. Daarmee zal een eventueel gegunde vertrektermijn ook meteen na uitvaardigen van de afwijzende beslissing aanvangen. Indien de vertrektermijn is verstreken voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, is er, indien het oordeel van de voorzieningenrechter luidt dat de verdere procedure niet in Nederland mag worden afgewacht, nadien geen recht op opvang meer op basis van de Rva 2005.

Onderdeel E (artikel 6, onderdeel d (nieuw))

Op grond van het huidige artikel 8, onderdeel m, van de Vreemdelingenwet, mogen vreemdelingen rechtmatig verblijven in Nederland in de periode tussen het ontvangen van het overdrachtsbesluit en het moment van de feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat. Hiermee wordt deze categorie vreemdelingen feitelijk gelijkgesteld aan asielzoekers op grond van het huidige artikel 3, derde lid, onderdeel q, van de Rva 2005.

Uit artikel 18, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/13512 en artikel 21 van de richtlijn volgt dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen die een overdrachtsbesluit hebben ontvangen vanaf dat moment geen recht meer hebben op materiële opvangvoorzieningen die genoemd worden in de artikelen 17 tot en met 20 van de richtlijn. Dit is geïmplementeerd in artikel 44a van de Vreemdelingenwet. Uit voornoemde bepalingen volgt dat aan alleenstaande minderjarige vreemdelingen die een overdrachtsbesluit hebben ontvangen te allen tijde een levensstandaard gewaarborgd dient te worden overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen. Met de toevoeging van onderdeel d aan artikel 6, Rva 2005 wordt deze bepaling geïmplementeerd. Hiermee wordt het recht op opvang beëindigd wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, echter behoudt hij tot het moment van feitelijke overdracht de verstrekkingen van de Rva in een opvangvoorziening die geëxploiteerd wordt door of onder verantwoordelijkheid van het COA. De IND zal dit beoordelen en opnemen bij het overdrachtsbesluit. Gedurende deze periode lopen ook de verplichtingen door die een vreemdeling heeft op grond van Hoofdstuk V van de Rva 2005.

In de volgende situaties vervalt het recht op opvang niet na het ontvangen van het overdrachtsbesluit:

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is niet geïnformeerd over de verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen daarvan. De lidstaat moet bij het beantwoorden van de kennisgeving of het overnameverzoek aangeven of de alleenstaande minderjarige vreemdeling is geïnformeerd.

  • Er bestaan redelijke gronden om aan te nemen dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling het slachtoffer zou kunnen zijn geweest van strafbare feiten op het gebied van mensenhandel. Het gebruik maken van de bedenktijd of het doen van een aangifte is niet voldoende om aan te nemen dat deze redelijke gronden bestaan.

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft het eerste verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland en waarbij:

    • Nederland de lidstaat van eerste binnenkomst is; of

    • De alleenstaande minderjarige vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfstitel of geldig visum dat door Nederland is afgegeven; of

    • De alleenstaande minderjarige vreemdeling zich in Nederland bevond op het moment dat een geldige verblijfstitel of een geldig visum nietig werd verklaard, werd ingetrokken of werd herroepen.

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is in het kader van solidariteit naar Nederland herplaatst en er is alsnog vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is.

Onderdeel F (artikel 7, eerste lid, onderdeel n (nieuw))

Op grond van het huidige artikel 8, onderdeel m, van de Vreemdelingenwet, mogen vreemdelingen rechtmatig verblijven in Nederland in de periode tussen het ontvangen van het overdrachtsbesluit en het moment van de feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat. Hiermee wordt deze categorie vreemdelingen feitelijk gelijkgesteld aan asielzoekers op grond van het huidige artikel 3, derde lid, onderdeel q, van de Rva 2005.

Uit artikel 18, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/13513 en artikel 21 van de richtlijn volgt dat vreemdelingen die een overdrachtsbesluit hebben ontvangen vanaf dat moment geen recht meer hebben op materiële opvangvoorzieningen die genoemd worden in de artikelen 17 tot en met 20 van de richtlijn. Dit is geïmplementeerd in artikel 44a van de Vreemdelingenwet. Uit voornoemde bepalingen volgt dat aan vreemdelingen die een overdrachtsbesluit hebben ontvangen te allen tijde een levensstandaard gewaarborgd dient te worden overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen. Met de toevoeging van onderdeel n aan artikel 7, eerste lid, Rva 2005 wordt deze bepaling geïmplementeerd. Hiermee wordt het recht op opvang beëindigd wanneer een vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, echter behoudt hij tot het moment van feitelijke overdracht de verstrekkingen in een opvangvoorziening die geëxploiteerd wordt door of onder verantwoordelijkheid van het COA. De verstrekkingen waar vreemdelingen met overdrachtsbesluit recht op houden worden nader uitgewerkt in het nieuwe artikel 9a dat toegevoegd wordt aan deze regeling. Middels deze toevoeging wordt de Rva 2005 in overeenstemming gebracht met artikel 21 van de richtlijn. Minderjarige vreemdelingen met overdrachtsbesluit behouden hun recht op de verstrekkingen die volgen uit artikel 9. De IND zal dit beoordelen en opnemen bij het overdrachtsbesluit. Gedurende deze periode lopen ook de verplichtingen door die een vreemdeling heeft op grond van Hoofdstuk V van de Rva 2005.

In de volgende situaties vervalt het recht op opvang niet na het ontvangen van het overdrachtsbesluit:

  • De vreemdeling is niet geïnformeerd over de verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen daarvan. De lidstaat moet bij het beantwoorden van de kennisgeving of het overnameverzoek aangeven of de vreemdeling is geïnformeerd.

  • Er bestaan redelijke gronden om aan te nemen dat de vreemdeling het slachtoffer zou kunnen zijn geweest van strafbare feiten op het gebied van mensenhandel. Het gebruik maken van de bedenktijd of het doen van een aangifte is niet voldoende om aan te nemen dat deze redelijke gronden bestaan.

  • De vreemdeling heeft het eerste verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland en waarbij:

    • Nederland de lidstaat van eerste binnenkomst is; of

    • De vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfstitel of geldig visum dat door Nederland is afgegeven; of

    • De vreemdeling zich in Nederland bevond op het moment dat een geldige verblijfstitel of een geldig visum nietig werd verklaard, werd ingetrokken of werd herroepen.

  • De vreemdeling is in het kader van solidariteit naar Nederland herplaatst en er is alsnog vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is.

Onderdeel G (artikel 9)

Artikel 9 wordt opnieuw vastgesteld. Dit artikel wordt aanzienlijk gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de richtlijn. De wijzigingen zien op de volgende onderwerpen:

In het eerste lid van artikel 9 wordt de aanhef gewijzigd. Artikel 9 bevat niet langer uitzonderingen op de verstrekkingen die geboden worden in een opvangvoorziening.

In het eerste lid, onderdeel b, worden producten voor persoonlijke hygiëne expliciet opgenomen als component van de financiële toelage, om dit artikel in lijn te brengen met de definitie van materiele opvangvoorzieningen zoals deze volgt uit de Richtlijn.

De uitzondering in het vijfde lid (oud), en de uitzondering daarop in het zesde lid (oud), vervallen omdat het ‘Aanmeldcentrum’ en de rust- en voorbereidingstermijn komen te vervallen. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling altijd recht heeft op een financiële toelage ten behoeve van kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven, tenzij er van een grondslag gebruik gemaakt wordt om deze toelage te beperken of in te trekken. Het is daarmee niet mogelijk opvangvoorzieningen te beperken of in te trekken, zonder dat een beslissing in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Rva 2005 is genomen.

Het zevende lid (oud) vervalt omdat elke asielzoeker in beginsel recht heeft op een dagvergoeding die een financiële toelage omvat. De financiële toelage kan daarom niet langer in haar geheel buiten toepassing worden verklaard.

Het vijfde lid (nieuw) van artikel 9 is in overeenstemming gebracht met artikel 20, vierde lid, van de richtlijn door de toevoeging van racistische en religieuze motieven. Concreet brengt dit mee dat het huishoudelijk reglement van een opvangvoorziening ook maatregelen dient te bevatten ter voorkoming van geweld met racistische en religieuze motieven. Geweld met een religieus motief omvat ook geweld tegen mensen die geen religieuze overtuiging hebben of die afstand hebben gedaan van hun religie.

In het achtste lid (nieuw) van artikel 9 is ‘niet begeleide minderjarigen’ vervangen door ‘bijzondere opvangbehoeften’. Hiermee is artikel 28, tweede lid, van de richtlijn geïmplementeerd. Deze bepaling heeft specifiek betrekking op slachtoffers van foltering en geweld, die eveneens vallen onder de reikwijdte van personen met bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 24 van de richtlijn. Gelet daarop, en op het feit dat in het kader van de implementatie van Richtlijn 2013/33/EU thans geldende praktijk is dat medewerkers van het COA continu worden opgeleid om voortdurend alert te zijn op signalen van kwetsbaarheid en bijzondere opvang- en zorgbehoeften ten aanzien van personen met bijzondere opvangbehoeften, is ervoor gekozen om personen met bijzondere opvangbehoeften op te nemen in artikel 9, achtste lid (nieuw).

Voor vreemdelingen die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet hebben ontvangen hoeft slechts een minimale levensstandaard geboden te worden die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen. Hun recht op opvang vervalt op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel n (nieuw). De verstrekkingen van artikel 9, eerste lid, zijn daarom niet van toepassing op deze doelgroep, tenzij het een minderjarige vreemdeling betreft. De verstrekkingen die van toepassing zijn op vreemdelingen met een overdrachtsbesluit worden opgenomen in artikel 9a (nieuw).

Onderdeel H (artikel 9a (nieuw))

De verstrekkingen die van toepassing zijn op vreemdelingen met een overdrachtsbesluit, niet zijnde minderjarige vreemdelingen, zijn neergelegd in artikel 9a (nieuw). Op basis van dit artikel wordt een minimale levensstandaard geboden die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen. Middels dit artikel wordt invulling gegeven aan de waarborging van de minimale levensstandaard, die bestaat uit een minimale vorm van onderdak, voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne en dekking van noodzakelijke kosten. Voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne worden in natura verstrekt dan wel middels een financiële toelage. Daarnaast worden voor deze vreemdelingen met overdrachtsbesluit de reiskosten voor noodzakelijk medisch vervoer en voor vervoer van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure vergoed en de noodzakelijke medische zorgkosten gedekt.

Onderdeel I (artikel 10, eerste lid, onderdelen h, i, tweede tot en met zesde lid)

Artikel 10, eerste lid, aanhef, is in overeenstemming gebracht met artikel 23, eerste en tweede lid, van de richtlijn. Volgens dit artikel mag de dagvergoeding beperkt of ingetrokken worden, maar kunnen andere verstrekkingen alleen beperkt worden.

Artikel 10, eerste lid, onderdeel h, is in overeenstemming gebracht met artikel 23, tweede lid, onder e, van de richtlijn door de toevoeging dat ook een herhaaldelijke inbreuk op de verplichtingen in artikel 19, eerste lid, een grondslag vormt voor het geheel of gedeeltelijk onthouden van verstrekkingen. Concreet brengt deze wijziging mee dat de mogelijkheden om toepassing te geven aan de h-grond zijn verruimd.

Artikel 10, eerste lid, onderdeel i, van de Rva 2005 ziet op geweldpleging in de opvangvoorziening. De formulering van deze grond is middels een inhoudelijke wijziging in lijn gebracht met artikel 23, tweede lid, onder e, van de richtlijn. Deze wijziging brengt met zich dat niet enkel geweldpleging, maar ook een dreigende gedraging van een asielzoeker in de opvangvoorziening, ongeacht tot wie deze gedraging is gericht, reeds voldoende is om de e-grond tegen te werpen.

Het uitgangspunt is dat de vreemdeling altijd recht heeft op een financiële toelage ten behoeve van kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven, tenzij er van een grondslag gebruik gemaakt wordt om deze toelage te beperken of in te trekken. Daarom komt het tweede lid (oud) te vervallen. Dit lid wordt opnieuw vastgesteld om artikel 23, eerste lid, onder b, van de richtlijn te implementeren. Hiermee wordt een expliciete grondslag gecreëerd voor het intrekken van andere materiële opvangvoorzieningen dan de wekelijkse financiële toelage, indien sprake is van de in artikel 10, eerste lid, onder h en onder i, genoemde gronden. De wekelijkse financiële toelage is thans neergelegd in artikel 9, eerste lid, onder b, Rva 2005.

Het beperken of intrekken van verstrekkingen kan naar zowel duur als zwaarte beperkt zijn. Of, en zo ja, in welke mate de verstrekkingen worden onthouden hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij behoort het evenredigheidsbeginsel in acht te worden genomen. Alvorens een besluit tot beperking of intrekking van voorzieningen te nemen, dient het COA op basis van de specifieke situatie van de asielzoeker te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen beperking of intrekking in verhouding staat tot de aard en ernst van het gedrag of het nalaten van de asielzoeker, zodat de beperking of intrekking gerechtvaardigd is. Daarbij moet betrokken worden of een andere, minder zware maatregel dan de voorgenomen beperking of intrekking mogelijk en gepaster is. Deze wijze van inhoudelijk beoordelen is reeds geldende praktijk van het COA. Het is dan ook niet te verwachten dat de implementatie van onderdeel I tot een verandering van de huidige praktijk leidt. Het COA moet in geval van het beperken of intrekken van opvangvoorzieningen te allen tijde een levensstandaard voor alle asielzoekers waarborgen overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en internationale verplichtingen, rekening houdend met bijzondere opvangbehoeften en het belang van het kind. Dit betekent dat het COA te allen tijde een minimale vorm van onderdak, voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne zal moeten bieden. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling altijd recht heeft op een financiële toelage ten behoeve van kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven, tenzij van een grondslag gebruik gemaakt wordt om deze toelage te beperken of in te trekken.

Het vierde lid (oud) komt te vervallen omdat het Aanmeldcentrum en de rust- en voorbereidingstermijn komen te vervallen.

Tot slot is een wijziging in het vijfde en zesde lid (oud) doorgevoerd omdat de beslissing in het eerste tot en met derde lid gemotiveerd moet worden en wordt genomen op grond van de specifieke situatie van de asielzoeker.

Onderdeel J (artikel 14, eerste, vierde, negende en tiende lid)

In het eerste en vierde lid worden producten voor persoonlijke hygiëne expliciet opgenomen als component van de financiële toelage, om dit artikel in lijn te brengen met de definitie van materiële opvangvoorzieningen zoals deze volgt uit de richtlijn.

Artikel 14, negende en tiende lid, vervallen omdat elke asielzoeker in beginsel recht heeft op een dagvergoeding die een financiële toelage omvat. De financiële toelage kan daarom niet langer in haar geheel buiten toepassing worden verklaard. Het negende lid wordt opnieuw vastgesteld om het mogelijk te maken de financiële toelage ten behoeve van voedsel buiten toepassing te verklaren indien een vreemdeling voedsel in natura ontvangt. Dit is meestal het geval wanneer zich geen kookfaciliteiten bevinden op de voorziening. Ook kan het zo zijn dat een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd aan de asielzoeker, waardoor hij niet in staat is om zelf boodschappen te doen en te koken. In dat geval zal hij zijn voedsel in natura ontvangen om de minimale levensstandaard te waarborgen, waaronder het recht op voedsel. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling altijd recht heeft op een financiële toelage ten behoeve van kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven, tenzij er van een grondslag gebruik gemaakt wordt om deze toelage te beperken of in te trekken.

Onderdeel K (artikel 17)

De wijziging van het zevende lid, onderdeel a, betreft een wijziging wegens de afschaffing van het Aanmeldcentrum en de rust- en voorbereidingstermijn.

Onderdeel L

De titel van Hoofdstuk IVa is in overeenstemming met de definitiebepaling in de richtlijn gewijzigd van ‘kwetsbare personen’ naar ‘personen met bijzondere opvangbehoeften’. Dit onderdeel betreft slechts een technische wijziging en brengt geen inhoudelijke wijziging met zich mee.

Onderdeel M (artikel 18a, eerste, tweede, derde (nieuw), vierde en vijfde lid (nieuw))

Hoofdstuk IVa van de Rva 2005 betreffende kwetsbare personen is voorzien van een aantal technische en inhoudelijke wijzigingen.

In het eerste lid van artikel 18a wordt ‘kwetsbare personen als bedoeld in artikel 21 van de Opvangrichtlijn’ vervangen door ‘personen met bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 24 van de Opvangrichtlijn’. Hiermee is slechts de tekst van artikel 18a in technische zin in overeenstemming gebracht met artikel 24 van de richtlijn. Artikel 24 van de richtlijn bevat, evenals artikel 21 van Richtlijn 2013/33/EU, een niet-uitputtende opsomming van categorieën verzoekers met bijzondere opvangbehoeften. Omdat niet is uitgesloten dat ook andere personen op grond van hun specifieke situatie bijzondere opvangbehoeften hebben, zijn in artikel 18a, eerste lid, deze categorieën niet opgenomen, maar wordt onder verwijzing naar artikel 24 van de richtlijn de aanduiding ‘personen met bijzondere opvangbehoeften’ gehanteerd.

Aan het tweede lid van artikel 18a is toegevoegd dat zo spoedig mogelijk na indiening van de asielaanvraag moet worden beoordeeld of de asielzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft. Aan deze verplichting wordt nu al zoveel mogelijk voldaan. Overigens laat de toevoeging van ‘zo spoedig mogelijk’ aan het tweede lid van artikel 18a onverlet dat indien de bijzondere opvangbehoeften in een latere fase van de asielprocedure aan het licht komen, hierin eveneens wordt voorzien. Thans zorgt het COA er al voor dat de steun die aan personen met bijzondere opvangbehoeften wordt verstrekt gedurende de asielprocedure is afgestemd op hun bijzondere opvangbehoeften, en dat hun situatie op gepaste wijze wordt gevolgd.

Aan artikel 18a, tweede lid is tevens toegevoegd dat de uitkomst van de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften wordt opgenomen in het dossier van de asielzoeker waarin een beschrijving staat van de zichtbare tekenen of de verklaringen of gedragingen die relevant zijn voor de beoordeling van de bijzondere opvangbehoeften. Het dossier vermeldt ook de maatregelen die zijn vastgesteld om in de desbetreffende behoeften te voorzien.

In artikel 18a is een lid ingevoegd; het derde lid. Deze toevoeging betreft de implementatie van artikel 25, eerste lid, vierde alinea en artikel 25, tweede lid, onder c, van de richtlijn.

In het nieuw vastgestelde vierde lid is artikel 25, eerste lid, vierde alinea, van de richtlijn geïmplementeerd. Daarin is opgenomen dat de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften wordt afgerond binnen 30 dagen na indiening van de asielaanvraag.

In het vijfde lid (nieuw) is artikel 25, tweede lid, onder c, van de richtlijn, geïmplementeerd. Dit lid bepaalt in de eerste plaats dat in geval van aanwijzingen dat de mentale of fysieke gezondheid van invloed kan zijn op de opvangbehoeften de asielzoeker wordt doorverwezen naar de geschikte arts of psycholoog ter nadere beoordeling van zijn psychologische en fysieke toestand. In de Nederlandse inrichting van de gezondheidszorg voor asielzoekers vindt een medische doorverwijzing plaats door Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Deze verwijzing betreft de voorafgaande toestemming bedoeld in de eerste zin van het hier geïmplementeerde artikelonderdeel van de richtlijn.

Daarnaast is in het vijfde lid opgenomen dat er zo nodig een mondelinge vertaling wordt verzorgd als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder c, van de richtlijn. Deze vertaling dient door daartoe opgeleide medische professionals te worden verzorgd, zodat de asielzoeker in staat wordt gesteld om met hen te communiceren. Voor zover de medische behandeling door een gebrek aan dergelijke professionals dreigt te worden uitgesteld, kan een mondelinge vertaling door andere volwassenen worden verstrekt, mits de asielzoeker daarmee instemt.

Onderdeel N (artikel 18c, eerste lid, onderdelen b (nieuw) en d (nieuw))

Aan artikel 18c, eerste lid, is een nieuw onderdeel b toegevoegd waarin is opgenomen dat het COA tijdens het verblijf in de opvangvoorziening ervoor zorgt dat minderjarigen indien nodig ook toegang hebben tot lesmateriaal. Hiermee is artikel 26, derde lid, van de richtlijn geïmplementeerd. Onder de Richtlijn 2013/33/EU heeft de Uniewetgever reeds bepaald dat het belang van het kind een primaire overweging dient te zijn. Op grond daarvan zijn de opvangvoorzieningen voor minderjarigen in de praktijk aangepast aan hun specifieke situatie en hun bijzondere opvangbehoeften. Thans hebben minderjarigen ook al toegang tot lesmateriaal. Het is dan ook niet te verwachten dat de implementatie hiervan tot een verandering van de huidige praktijk leidt.

Aan artikel 18c, eerste lid, onder d (nieuw), zijn, in overeenstemming met artikel 28, eerste lid, van de richtlijn, nieuwe categorieën toegevoegd, te weten personen die zijn blootgesteld aan mensenhandel, of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld. Tevens is toegevoegd dat revalidatiediensten en begeleiding zo nodig behoort tot de toegang tot passende medische en psychische behandeling en verzorging. Dit betreft geen wijziging ten opzichte van de huidige praktijk. Ook nu draagt het COA hier al zorg voor.

Onderdeel O (artikel 19, eerste lid, onderdeel h (nieuw), tweede en derde lid)

Met artikel 19, eerste lid, onder h, is artikel 7, zesde lid, van de richtlijn geïmplementeerd. Het betreft een bijkomende verplichting die de asielzoeker moet nakomen in verband met het recht op opvangvoorzieningen. Op grond van artikel 7 van de richtlijn moeten lidstaten in het kader van de organisatie van het asiel- en opvangsysteem mechanismen kunnen invoeren om de behoeften van hun opvangsystemen te beoordelen en vervolgens daarop kunnen inspelen. Hieronder vallen mechanismen om te controleren of asielzoekers daadwerkelijk in de opvangvoorziening aanwezig zijn. Gelet daarop is in artikel 7, zesde lid, van de richtlijn bepaald dat lidstaten van verzoekers verlangen dat zij hun huidige adres, een telefoonnummer waarop zij kunnen worden bereikt en, indien beschikbaar, een e-mailadres meedelen aan de bevoegde autoriteiten. De lidstaten verlangen ook van verzoekers dat zij dergelijke bevoegde autoriteiten zo snel mogelijk in kennis stellen van eventuele wijzigingen van hun adres, telefoonnummer of e-mailadres. Met de implementatie van deze bepaling dient de asielzoeker zich ook aan deze verplichting te houden bovenop de reeds geldende verplichtingen in artikel 19, eerste lid, van de Rva 2005. Overigens bepaalt het zevende lid van artikel 7 van de richtlijn dat lidstaten niet verplicht zijn administratieve beslissingen te nemen voor de toepassing van dit artikel. Deze nieuwe verplichting in artikel 19, eerste lid, onder h, kan dus worden opgenomen in bestaande procedures.

De wijziging van het tweede lid, onderdeel a, nuanceert dat slechts asielzoekers die vanwege overlast in de reguliere opvangvoorziening naar de handhavings- en toezichtlocatie zijn overgeplaatst dagelijks dienen te voldoen aan de COA inhuisregistratie.

De wijziging van het tweede lid, onderdeel b, volgt uit het vervallen van het sporenbeleid van de IND.

De wijziging van het tweede lid, onderdeel b (nieuw), behelst slechts een technische wijziging. Vreemdelingen met overdrachtsbesluit dienen zich dagelijks te melden bij het COA om te voldoen aan hun plicht tot inhuisregistratie, tenzij het een minderjarige vreemdeling betreft.

De wijziging van het derde lid betreft het herstel van een omissie. Vanwege een eerdere vernummering in dit artikel wordt onjuist gerefereerd naar het derde lid. Dit moet het tweede lid zijn. Met deze wijziging wordt dat aangepast.

Onderdeel P (artikel 20, tweede, derde en vierde lid)

In artikel 20, tweede en derde lid, is verduidelijkt dat ook een eigen bijdrage kan worden geïnd wanneer een statushouder met inkomen uit arbeid of vermogen in een tijdelijke onderdakvoorziening verblijft, zoals bijvoorbeeld een locatie in het kader van de hotel- en accommodatieregeling.

Tevens is aan artikel 20, tweede en derde lid ‘waaronder de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling’ toegevoegd. Hiermee wordt de in artikel 19, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn gegeven mogelijkheid verduidelijkt om bij beschikbaarheid van voldoende middelen de asielzoeker te vragen om zorgkosten geheel of gedeeltelijk zelf te bekostigen. Dit geldt ook voor een vreemdeling die reeds een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, maar nog in een opvangvoorziening van het COA verblijft. De Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: Reba 2008) geeft nadere invulling aan de eigen bijdrage die asielzoekers betalen bij voldoende inkomen of vermogen. De Reba 2008 is per 1 november 2025 reeds gewijzigd om de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daarvoor getroffen ziektekostenregeling toe te voegen aan deze eigen bijdrage (Stcrt. 2025, 37159).

In het vierde lid wordt opgenomen dat het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen door het COA bij de uitvoering van artikel 20 van de Rva 2005. Het evenredigheidsbeginsel is reeds opgenomen in de Awb, en is een onderdeel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nadere specificatie is daarmee eigenlijk niet nodig. Omdat het evenredigheidsbeginsel expliciet opgenomen is in artikel 19, zesde lid, van de richtlijn, is het echter passend dat dit beginsel ook opgenomen wordt in de Rva 2005.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink


X Noot
1

Dit is het geval bij:

  • beslissingen die zijn genomen in de versnelde procedure;

  • beslissingen die zijn genomen in de grensprocedure;

  • beslissingen waarmee de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard;

  • beslissingen tot buitenbehandelingstelling (impliciete intrekking);

  • beslissingen op opvolgende asielaanvragen strekkend tot (kennelijk) ongegrond.

Ook bij beslissingen tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel op grond van de openbare orde en beslissingen die zijn genomen in de grensprocedure geldt geen schorsende werking van beroep, maar in deze gevallen wordt geen of een beperkte consequentie voor de opvangsituatie voorzien.

X Noot
2

Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.

X Noot
3

Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.


X Noot
1

Dit is het geval bij:

  • beslissingen die zijn genomen in de versnelde procedure;

  • beslissingen die zijn genomen in de grensprocedure;

  • beslissingen waarmee de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard;

  • beslissingen tot buitenbehandelingstelling (impliciete intrekking);

  • beslissingen op opvolgende asielaanvragen strekkend tot (kennelijk) ongegrond.

Ook bij beslissingen tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel op grond van de openbare orde en beslissingen die zijn genomen in de grensprocedure geldt geen schorsende werking van beroep, maar in deze gevallen wordt geen of een beperkte consequentie voor de opvangsituatie voorzien.

X Noot
2

Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.

X Noot
3

Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.

Naar boven