Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 20682 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 20682 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Regeling gevelisolatie Schiphol 2023 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanduidingen a tot en met k voor de begripsbepalingen vervallen.
b. In de begripsbepaling ‘geluidbelasting in dB’ vervalt ‘als bedoeld in artikel 8a.45, derde lid, van de Wet luchtvaart’.
c. In de alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:
Lden als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;.
2. In het tweede lid vervalt ‘Lden’.
B
Aan artikel 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Op ’s rijks kosten kunnen geluidwerende maatregelen worden aangebracht aan geluidgevoelige ruimten van een woning die buiten de geluidcontour dB voor Schiphol aanwezig is als geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om aan die woning geluidwerende maatregelen aan te brengen:
a. onder het project Geluidsisolatie Schiphol fase I op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen, of
b. onder de projecten Geluidsisolatie Schiphol fase II of fase III op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997.
C
In artikel 18 wordt ‘31 december 2028’ vervangen door ‘31 december 2029’.
D
Bijlage 1 wordt vervangen door bijlage I bij deze regeling.
E
Bijlage 2 wordt vervangen door bijlage II bij deze regeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

Bepalen van de geluidwering
Artikel 1 Bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
1. De bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in de artikelen 6, 10 en 12, vindt plaats door middel van berekeningen volgens artikel 3 dan wel door middel van metingen volgens artikel 2.
2. Bij de bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie door middel van berekeningen wordt uitgegaan van de situatie zoals die voor een bepaling door middel van metingen van toepassing zou zijn.
3. Voor de toepassing van artikel 10 wordt bij de in het eerste lid bedoelde berekeningen en metingen uitgegaan van herleidingswaarden Ki volgens het standaard referentiespectrum 2, opgenomen in NEN-EN-ISO 717-1:2020.
4. Indien naar het oordeel van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het spectrum van het luchtvaartgeluid buiten de woning sterk afwijkt van het in het derde lid bedoelde referentiespectrum, dan worden andere door nader onderzoek te onderbouwen herleidingswaarden Ki aangehouden.
Artikel 2 Meting van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
1. De A-gewogen geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie (GA) wordt bepaald volgens de A-gewogen gevelgeluidwering (GA), bedoeld in NEN 5077:2019.
2. Indien bij meerdere geluidbelaste onderdelen van de uitwendige scheidingsconstructie deze onderdelen niet gelijktijdig door een luchtvaartuig direct kunnen worden aangestraald, worden voor de correctiefactor CL de waarden voor luchtvaartgeluid gehanteerd, opgenomen in tabel 2 van NEN 5077:2019. De A-gewogen geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie (GA) is de laagste van de te berekenen geluidwering bij mogelijke combinaties van direct en niet direct aangestraalde onderdelen van de uitwendige scheidingsconstructie.
3. Bijlage B van NEN 5077:2019 mag niet worden toegepast.
Artikel 3 Berekening van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie
1. De A-gewogen geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie (GA) wordt berekend volgens NEN-EN-ISO 12354-3:2017.
2. Voor de berekeningen van de GA worden de NEN-EN-ISO 12354-3:2017, annexen B, C en D, als integraal onderdeel van de norm beschouwd. Indien afwijkende waarden als invoergegevens worden toegepast, worden die afwijkingen nader gemotiveerd.
3. Indien de situatie zich voordoet waarbij de flankerende geluidoverdracht van invloed is op de geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie, wordt deze overdracht in rekening gebracht op de wijze die in NEN-EN-ISO 12354-3:2017 is aangegeven.
Deze ministeriële regeling betreft een wijziging van de Regeling gevelisolatie Schiphol 2023 (RGS’23), die voorziet in een groter toepassingsgebied, een latere vervaldatum en enige andere wijzigingen. De voornaamste aanleiding voor deze wijziging is de inwerkingtreding van de wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) per 1 november 2025 in verband met de invoering van een maximumaantal vliegtuigbewegingen voor het etmaal en wijziging van het maximumaantal vliegtuigbewegingen voor de nacht.1 In dat LVB is een hoger maximumaantal vliegtuigbewegingen opgenomen dan het aantal waarop het toepassingsgebied voor de RGS’23 was bepaald.
Op 11 maart 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtsrechtspraak van de Raad van State deze wijziging van het LVB vernietigd. De capaciteitsdeclaratie van Schiphol voor het lopende gebruiksjaar 2026 is gebaseerd op het in deze wijziging toegestane maximumaantal van 478.000k vliegtuigbewegingen voor het etmaal. Ter uitvoering van de uitspraak is een wijziging van het LVB in voorbereiding. Het streven is om deze nieuwe wijziging met daarin (onder andere) het maximumaantal van met 478.000 vliegtuigbewegingen binnen afzienbare tijd vast te stellen.
Het toepassingsgebied voor de RGS’23 was ten tijde van de inwerkingtreding per 29 september 2023 bepaald op een verkeersscenario met 440.000 vliegtuigbewegingen. Dat was toen het laatste inzicht. Als gevolg van het vastleggen van het aantal van 478.000 bewegingen in de integrale herziening van het LVB (uitkomst van de balanced approach-procedure) en het streven om deze herziening binnen afzienbare tijd vast te stellen, is het toepassingsgebied van de RGS’23 in overeenstemming gebracht met dit maximumaantal vliegtuigbewegingen dat jaarlijks op Schiphol mag worden gevlogen. Dat leidt tot een groter toepassingsgebied waarbinnen woningen in beschouwing voor geluidwerende maatregelen worden genomen. Het toepassingsgebied is immers gebaseerd op een verkeersscenario met meer vliegtuigbewegingen. In verband hiermee is bijlage 1 bij de RGS’23 vervangen door een nieuwe bijlage 1.
Verder is aan artikel 2 een derde lid toegevoegd dat het mogelijk maakt om woningen in beschouwing te nemen die liggen in de 40 Ke-contour die gold voor het project Geluidsisolatie Schiphol fase I op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen, of de projecten Geluidsisolatie Schiphol fase II of fase III op grond van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 en waarvoor toen geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot het nemen van geluidwerende maatregelen (hoewel de woning daarvoor wel in aanmerking kwam). Hiervoor is gekozen omdat de RGS’23 min of meer een voortzetting is van de eerdere GIS-projecten. In dat opzicht zouden woningen die toen wel in aanmerking kwamen, maar waarvoor geen gebruik is gemaakt van die mogelijkheid, nu wederom in beschouwing moeten worden genomen. Omdat de 60 dB contour niet op alle plekken overeenkomt met de oude contour, is deze toevoeging nodig.
Door de uitbreiding van het toepassingsgebied is het nodig om een latere vervaldatum van de regeling op te nemen, zodat de uitvoerder (Rijkswaterstaat) voldoende tijd heeft om binnen de werkingstermijn van de RGS’23 de extra woningen in beschouwing te kunnen nemen. De vervaldatum van de regeling in artikel 18 is daarom gewijzigd van 31 december 2028 in 31 december 2029.
De wijziging van de RGS’23 bevat verduidelijkingen in de technische voorschriften in bijlage 2. Bijlage 2 schrijft voor hoe de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie moet worden bepaald. Duidelijker is in RGS’23 aangegeven
• hoe de bepaling van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie door metingen of door berekeningen zich tot elkaar verhoudt;
• hoe moet worden omgegaan met ventilatievoorzieningen;
• hoe berekeningen en metingen moeten worden uitgevoerd bij meerdere geluidbelaste onderdelen van de uitwendige scheidingsconstructie.
In de praktijk was reeds duidelijk hoe met deze onduidelijkheden moest worden omgegaan, zodat de wijzigingen niet zullen leiden tot andere geluidwerende maatregelen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze toelichting.
De contour op de nieuwe kaart in bijlage 1 is groter en enigszins anders dan die in de oorspronkelijke bijlage 1. Opgenomen is dat woningen die binnen het toepassingsgebied van de oorspronkelijke bijlage 1 vielen, maar niet binnen het toepassingsgebied van de nieuwe bijlage 1, onverminderd in aanmerking blijven komen voor geluidwerende maatregelen. Dit vloeit voort uit artikel II.
Net als voor de RGS’23 worden de kosten van deze wijziging gefinancierd door middel van een heffing opgelegd aan de burgerluchtvaart die gebruik maakt van de luchthaven Schiphol. Die heffing vindt haar grondslag in artikel 8a.38 van de Wet luchtvaart en vindt per landing plaats. In dat artikel is bepaald dat deze geluidsheffing wordt geheven naar de geluidsproductie van een vliegtuig tot het tijdstip waarop de kosten zijn voldaan. Er geldt wat dat betreft geen budgetplafond voor deze regeling. Bepalend voor de hoogte zijn de uiteindelijke kosten voor het aanbrengen van geluidwerende maatregelen.
De wijzigingen in deze regeling zijn in de periode voor de totstandkoming ervan met de Maatschappelijke Raad Schiphol (MRS) en vertegenwoordigers van luchtvaartmaatschappijen besproken. De MRS onderschrijft de wijziging om het toepassingsgebied te baseren op het aantal vliegtuigbewegingen dat in het LVB is vastgelegd.
De vertegenwoordigers van de luchtvaartmaatschappijen waarmee is gesproken, hebben begrip voor het in overeenstemming brengen van de contour met het aantal vliegtuigbewegingen dat op grond van het LVB maximaal mag worden gevlogen. Zij zijn echter kritisch op de hogere geluidsheffing. Zij vinden dat de overheid andere financieringsbronnen zou moeten aanspreken voor de geluidwerende maatregelen en niet de kosten bij de sector moet neerleggen.
In principe moeten volgens kabinetsbeleid alle wetsvoorstellen, concepten voor algemene maatregelen van bestuur en concept-ministeriële regelingen via openbare internetconsultatie worden geconsulteerd. Er kunnen redenen zijn om van deze hoofdregel af te wijken en van internetconsultatie af te zien.2 Dat kan zijn omdat een wijziging puur technisch en niet inhoudelijk van aard is. Of omdat een internetconsultatie niet in betekenende mate kan leiden tot aanpassing van het voorstel. In dit geval is sprake van een combinatie van beide redenen. De uitbreiding van het toepassingsgebied houdt direct verband met het maximumaantal vliegtuigbewegingen dat jaarlijks op Schiphol mag worden gevlogen. Vanwege die koppeling is er geen ruimte om het toepassingsgebied verder aan te passen. De wijzigingen in bijlage 2 bij de RGS’23 voorzien alleen in verduidelijkingen van technische voorschriften, zoals ze in de praktijk al werden geïnterpreteerd. Deze wijziging is dus puur technisch van aard.
Deze wijziging leidt niet tot extra regeldruk ten opzichte van de oorspronkelijke regeling. Wel is het zo dat dezelfde regeldruk ontstaat voor de eigenaren van de woningen die door deze wijziging in beschouwing worden genomen, als voor de eigenaren van de woningen die eerder in beschouwing zijn genomen.
Het verlenen van toestemming aan de minister (in dit geval aan Rijkswaterstaat) voor akoestisch en bouwkundig onderzoek, inclusief het lezen van de informatie, kost de eigenaar ongeveer 60 minuten. De eigenaren kunnen via de website van Rijkswaterstaat digitaal toestemming verlenen. Bij een standaardtarief voor bedrijven van € 47,– per uur en burgers van € 17,– per uur kost dit de aanvrager derhalve € 47,– respectievelijk € 17,–. Als uit het onderzoek blijkt dat er geluidwerende maatregelen moeten worden aangebracht, dan zal de minister andermaal toestemming verleend moeten worden. Hier geldt een hogere tijdbelasting dan bij de eerste toestemming, te weten 90 minuten. De administratieve last van deze regeling is per onderneming maximaal € 117,50 en per particuliere eigenaar € 42,50.
De ontwerpwijziging is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2029, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op de gevelisolatieprogramma’s die voor die datum zijn vastgesteld. Hiermee is afgeweken van het systeem van vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn, omdat de doelgroep is gebaat bij een spoedige inwerkingtreding (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vijfde lid, onder a).
In het eerste lid is in de begripsomschrijving ‘geluidbelasting in dB’ de verwijzing naar artikel 8a.45, derde lid, van de Wet luchtvaart geschrapt omdat dit artikel bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Omgevingswet is komen te vervallen. In plaats daarvan wordt nu verwezen naar Bijlage I, onderdeel A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het tweede lid is aangepast zodat in de gehele regeling consequent de term dB wordt gebruikt.
Deze bepalingen zijn reeds toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.
Deze kaart geeft de 60 dB Lden-contour weer, uitgaande van een verkeersscenario met 478.000 vliegtuigbewegingen per gebruiksjaar.
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt dat de geluidwering kan worden bepaald met metingen en met berekeningen. De bepalingsmethode door middel van metingen wordt beschreven in NEN 5077. De bepalingsmethode door middel van berekeningen wordt beschreven in NEN-EN-ISO 12354-3. De situatie met metingen betreft een oordeel van de werkelijke prestatie die de uitwendige scheidingsconstructie (gevel/dak) levert. De situatie met berekeningen geeft een prognose van deze prestatie en daarvoor wordt een (groot) aantal aannames gedaan. Berekeningen zijn nodig, omdat een toekomstige prestatie (na aanbrengen geluidwerende maatregelen) alleen met behulp van berekeningen kan worden voorspeld. Het kan niet worden gemeten. Het rekenmodel voor de toekomstige situaties kan echter ook worden ingezet om de huidige situatie in beeld te brengen. Vanwege de aannames kan er een verschil ontstaan tussen de geluidwering bepaald met metingen en met berekeningen.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt in geval van strijdigheden of onduidelijkheden tussen bepalingsmethoden (NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3), welke van de twee prevaleert. Bij het bepalen van de benodigde maatregelen met een rekenmodel moet al rekening worden gehouden met hoe de geluidwering door middel van metingen zal worden bepaald (zie ook toelichting hieronder over meerdere geluidbelaste onderdelen bij artikel 2, tweede lid). De kans op verschillende uitkomsten tussen de geluidwering bepaald met metingen of berekeningen wordt hierdoor geminimaliseerd.
Bijvoorbeeld: uit NEN 5077 (metingen) volgt dat de ventilatieopening in een dusdanige stand (ventilatiecapaciteit) moet worden gezet dat wordt voldaan aan de minimaal voorgeschreven ventilatie-eisen. Dit betekent dat als de geluidwering voor bestaande bouw wordt bepaald volgens NEN-EN-ISO 12354-3 (berekeningen) eenzelfde ventilatiecapaciteit moet worden aangehouden als dat zou worden aangehouden bij NEN 5077. Alle ventilatie-eisen voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Bij het bepalen of de binnenwaarde van 33 dB uit artikel 10, eerste lid, wordt overschreden, wordt uitgegaan van de ventilatie-eisen voor bestaande bouw. Als blijkt dat de woning in aanmerking komt voor een aanbod van geluidwerende maatregelen (zie artikel 9), worden de maatregelen bepaald uitgaande van de ventilatie eisen voor nieuwbouw.
Het is niet mogelijk om de geluiddempende eigenschappen van een bestaande ventilatie-voorziening te achterhalen, tenzij merk en type bekend zijn inclusief meetresultaten onder laboratoriumomstandigheden. Als geluiddempende eigenschappen niet kunnen worden achterhaald, wordt gewerkt met een opening in de gevel die een grootte heeft gelijk aan de grootte benodigd om aan de minimale ventilatie-eis te voldoen. De opening heeft een geluidisolatie van 0 dB. De bestaande ventilatievoorziening wordt als gesloten beschouwd en niet meegenomen in de berekening.
Als de geluidwering na het treffen van maatregelen wordt berekend, moet worden uitgegaan van de ventilatie-eisen voor nieuwbouw. De geluiddempende eigenschappen die zijn bepaald op basis van metingen onder laboratoriumomstandigheden moet worden aangehouden en is inclusief correctietermen voor de werkelijk aan te brengen geluiddempende ventilatievoorziening.
Derde lid
Het derde lid bepaalt welk spectrum moet worden gebruikt in de berekeningen. De geluidbron kent een bepaalde verhouding tussen lage, midden en hoge tonen. Het spectrum bepaalt hoe deze verhouding over de geluidbelasting wordt verdeeld. Dit is van invloed op de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, omdat de geluidisolatie van bouwconstructies/-elementen afhankelijk is van deze verdeling. De meeste bouwelementen en -constructies houden lage tonen het minst en hoge tonen het meest tegen. Naarmate een geluidbron dan meer lage tonen bevat, daalt de geluidisolatie en daarmee de geluidwering.
Vierde lid
Het vierde lid bepaalt dat de minister kan bepalen dat een ander spectrum wordt toegepast. Bijvoorbeeld: het spectrum van het verkeer bestaande uit voornamelijk vliegtuigen met propellers zal anders zijn dan het spectrum van het verkeer bestaande uit voornamelijk vliegtuigen met straalmotoren. Daarnaast is de afstand tussen geluidbron en woning van invloed op het spectrum. Woningen dichtbij de luchthaven ontvangen van dezelfde geluidbron verhoudingsgewijs meer hoge tonen dan woningen die verder weg zijn gelegen.
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt welke norm moet worden gebruikt en welke grootheid volgens die norm moet worden bepaald. De regeling verwijst naar NEN 5077.
Tweede lid
Het tweede lid beschrijft de veel voorkomende situatie van een woning die alleen een voorgevel, achtergevel en dak heeft (zogenoemde rijtjeswoning in een woonblok). In deze woning grenst een geluidgevoelige ruimte op de begane grond (woonkamer) vaak aan de voor- en achtergevel. Een vliegtuig dat op enige afstand en parallel aan het woonblok vliegt, belast direct één gevel (CL,p = 0 dB), terwijl de gevel die geen direct ‘zicht’ heeft op de geluidbron een veel lagere geluidbelasting ondervindt (CL,p = 8 dB). Deze afschermende werking van de eigen woning wordt met een correctiefactor meegenomen bij de bepaling van de geluidwering. Ook de situatie dat dit vliegtuig dwars over deze woning heen vliegt zorgt voor afschermende werking. In eerste instantie is het vliegtuig ver weg en zal de ene gevel volledig zijn afgeschermd (CL,p = 8 dB). Naarmate het vliegtuig dichterbij komt, zal de afschermende werking afnemen. Pas als het vliegtuig direct boven de woning is, is de afscherming nagenoeg afwezig voor beide gevels (CL,p = 3 dB). Voor dit voorbeeld moet daarom het geluidniveauverschil over beide gevels afzonderlijk worden bepaald door middel van metingen. Voor de voorgevel is er een geluidniveauverschil, en voor de achtergevel is er een ander geluidniveauverschil. Hierna zijn er drie combinaties mogelijk om de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie te bepalen. Hierbij wordt telkens het geluidniveauverschil van de voorgevel en die van de achtergevel gecorrigeerd.
Combinatie A is de voorgevel met CL,p = 0 dB en achtergevel met CL,p = 8 dB.
Combinatie B is de voorgevel met CL,p = 3 dB en achtergevel met CL,p = 3 dB.
Combinatie C is de voorgevel met CL,p = 8 dB en achtergevel met CL,p = 0 dB.
De combinatie die de laagste A-gewogen geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie oplevert, wordt bedoeld met het tweede lid.
Derde lid
Het derde lid bepaalt dat de normatieve bijlage B van NEN 5077 niet mag worden toegepast. NEN 5077 verwijst naar NEN-EN-ISO 16283-3 in de normtekst en verwijst naar NEN-EN-ISO 10052 in bijlage B van de norm. NEN-EN-ISO 16283-3 is een uitgebreide bepalingsmethode en NEN-EN-ISO 10052 is een globale bepalingsmethode. In NEN 5077 wordt niet onderbouwd waarom het verschil maximaal ±1 dB zou kunnen bedragen tussen de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie bepaald volgens NEN-EN-ISO 16283-3 en bepaald volgens NEN-EN-ISO 10052. De regeling sluit aan bij NEN-EN-ISO 16283-3 en niet bij NEN-EN-ISO 10052. Indien deze laatste zou worden toegepast, zou de marge van 2 dB uit artikel 12, vierde lid een andere betekenis krijgen. Daarnaast eist bijlage B van NEN 5077 dat, als blijkt dat een meting niet voldoet volgens de globale methode, alsnog een meting wordt uitgevoerd volgens de uitgebreide methode. In de regeling is dit meteen vereist.
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt welke norm moet worden gebruikt en welke grootheid volgens die norm moet worden bepaald. De regeling verwijst naar NEN-EN-ISO 12354-3.
Berekeningen uitgevoerd volgens NPR 5272:2003 inclusief correctieblad C1:2005 en aanvullingsblad A1:2025 zouden dezelfde resultaten moeten opleveren als berekeningen uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 12354-3. Het is aannemelijk dat een berekening uitgevoerd volgens NPR 5272 eveneens voldoende is om de geluidwering (en benodigde geluidwerende maatregelen) te voorspellen.
Er wordt naar de norm NEN-EN-ISO 12354-3 verwezen omdat de NPR aanwijzingen bevat voor de toepassing van NEN-EN-ISO 12354-3. Dit betekent dat altijd van deze aanwijzingen mag worden afgeweken, maar nooit van NEN-EN-ISO 12354-3. Door rechtstreeks naar NEN-EN-ISO 12354-3 te verwijzen, is duidelijk dat een NPR deze vrijheid biedt en daardoor niet verplicht kan worden gesteld.
Tweede lid
De bijlagen van NEN-EN-ISO 12354-3 waren informatief en zijn met dit lid normatief geworden. Voor een norm geldt dat alles overeenkomstig de tekst de in artikelen van de norm moet worden uitgevoerd, tenzij uit de tekst bij het artikel blijkt dat hiervan kan worden afgeweken. Ditzelfde principe geldt voor iedere bijlage bij een norm. Van de tekst in een normatieve bijlage mag nooit worden afgeweken, en van de tekst in een informatieve bijlage mag worden afgeweken.
Derde lid
Het derde lid bepaalt dat flankerende geluidoverdracht alleen moet worden meegenomen als dit van wezenlijke invloed is op de prestatie van de uitwendige scheidingsconstructie. Er zal bij metingen altijd sprake zijn van flankerende geluidoverdracht via heel veel verschillende overdrachtswegen. Alle overdrachtswegen meenemen in een rekenmodel is ondoenlijk. In veel gevallen is de bijdrage echter verwaarloosbaar en maakt dit het rekenmodel niet beter in staat de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie voldoende nauwkeurig te prognosticeren.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20682.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.