Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 20333 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatscourant 2026, 20333 | ander besluit van algemene strekking |
Gerechtsdeurwaarder de heer C.A. van Houwelingen, werkzaam bij het kantoor Van Houwelingen & Partners B.V., gevestigd te Vlaardingen aan de Schiedamsedijk 126, heeft mij per e-mailbericht van 24 april 2026 in kennis gesteld executoriaal beslag te hebben gelegd ten laste van de staat naar vreemd recht het Koninkrijk Spanje, op de onroerende zaak, staande en gelegen te 3512 JC UTRECHT aan het Domplein 3.
Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken, in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat.
De beslagen zijn gelegd uit krachte van de beschikking van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 19 maart 2026, waarbij verlof is verleend om tot tenuitvoerlegging over te gaan van het arbitrale tussenvonnis van 17 maart 2021, het arbitrale eindvonnis van 14 november 2022, het rectificatievonnis van 15 mei 2023 en het vernietigingsvonnis van 31 juli 2025 (ICSID Case No. ARB/16/4).
De beslaglegger heeft zijn standpunt toegelicht bij brieven van 24 april 2026 en 26 mei 2026. Het Koninkrijk Spanje heeft zijn standpunt op eigen initiatief uiteengezet bij brief van 8 mei 2026.
In het geval van (voorgenomen) maatregelen ten aanzien van vermogensbestanddelen van een vreemde staat geldt een presumptie van immuniteit. Dit brengt mee dat executiemaatregelen tegen vermogensbestanddelen van vreemde staten zijn uitgesloten, tenzij en voor zover de staat uitdrukkelijk heeft ingestemd met het nemen van zodanige maatregelen, de staat vermogensbestanddelen heeft aangewezen of gereserveerd ter voldoening van de desbetreffende vordering(en), of vastgesteld is dat de vermogensbestanddelen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden.
In dit kader zijn de artikelen 18 tot en met 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (VN-verdrag staatsimmuniteit; Trb. 2010, 272) relevant. Het VN-verdrag staatsimmuniteit kan op dit punt worden aangemerkt als internationaal gewoonterecht. Ik verwijs daartoe onder meer naar bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45; HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103).
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat (zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236; HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103; en Gerechtshof Amsterdam 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2629, door de Hoge Raad in stand gelaten: Hoge Raad 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1023).
Naar mijn oordeel wordt het pand – anders dan de beslaglegger stelt – (hoofdzakelijk) gebruikt voor publieke doeleinden; althans de beslaglegger heeft mij onvoldoende informatie verstrekt om vast te stellen dat één van drie eerdergenoemde uitzonderingen op de immuniteit van executie van toepassing is.
Het pand is in eigendom van de Spaanse staat en wordt gebruikt door Instituto Cervantes (Cervantes), een publiekrechtelijke instelling zonder winstoogmerk. Cervantes is verbonden aan het Spaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en heeft als doel het onderwijs, de studie en het gebruik van de Spaanse taal te bevorderen en bij te dragen aan de verspreiding van de Spaanse cultuur. De daaraan gekoppelde activiteiten – waaronder het organiseren van taalcursussen, het afnemen van toetsen voor officiële taalcertificering, het uitvoeren van culturele activiteiten en het bevorderen van onderzoek en onderwijs in de Spaanse taal – zijn wettelijk gedefinieerd als instrumenten van het externe optreden van de Spaanse staat en betreffen uitoefening van Spaanse overheidsfuncties (Ley 7/1991; Real Decreto 1526/1999). Het pand wordt daarmee (hoofdzakelijk) gebruikt voor publieke doeleinden. Dat het pand daarnaast voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals commerciële verhuur, doet daaraan niet af; de opbrengsten daarvan komen toe aan Cervantes en zijn bestemd voor de financiering van de voormelde wettelijke activiteiten.
Daarnaast heeft de Europese Commissie in Besluit C(2017) 7384 van 10 november 2017 vastgesteld dat elke in arbitrage toegekende schadevergoeding op grond van de wijziging van het régimen económico primado – zoals de onderhavige arbitrale uitspraken – staatssteun vormt. Dit brengt mee dat iedere betaling van een dergelijke vergoeding onderworpen is aan voorafgaande goedkeuring door de Commissie en, in afwachting daarvan, valt onder de standstill-verplichting van artikel 108 lid 3 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Spanje heeft de Commissie overeenkomstig artikel 108 lid 3 VWEU in kennis gesteld van de onderhavige arbitrale uitspraken.
Op grond van het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de Nederlandse Staat gehouden alle nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat de arbitrale uitspraken worden geëxecuteerd. Uitvoering daarvan zou immers kunnen neerkomen op het verlenen van onrechtmatige staatssteun door Spanje en in strijd zijn met voornoemde standstill-verplichting. Tenuitvoerlegging van deze arbitrale vonnissen in Nederland zou daarmee onverenigbaar zijn met de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen van de Nederlandse Staat en daarmee heeft de Staat de plicht in deze situatie om deze aanzegging te doen.
Hoewel ik bekend ben met een (mogelijk) kort geding tussen het Koninkrijk Spanje en de beslaglegger aangaande onderhavig beslag, wijs ik erop dat artikel 3a Gdw mij verplicht tot aanzegging indien sprake is van strijd met volkenrechtelijke verplichtingen (ECLI:NL:GHAMS:2015:1337).
Op basis van de mij thans beschikbare, door de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever, en het Koninkrijk Spanje aangeleverde informatie kom ik dan ook tot de volgende conclusie. Op grond van artikel 3a, tweede en zesde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet zeg ik voornoemde gerechtsdeurwaarder aan dat het in dezen gelegde executoriale beslag strijdig is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat en aanstonds opgeheven dient te worden.
Deze aanzegging is met onmiddellijke ingang van kracht en zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20333.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.