Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 19340 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 19340 | beleidsregel |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 15.7, derde lid en 15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 11.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 4.3 van de Wet NLQF en artikel 7, vierde lid, onderdeel e, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008;
Besluit:
Deze beleidsregel is van toepassing op bestuurlijk beboetbare feiten (overtredingen) op grond van artikel 15.7, derde lid en 15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 11.2, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 4.3 van de Wet NLQF.
1. Voor overtredingen als bedoeld in artikel 15.7, eerste en tweede lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 5.000,– per geconstateerde overtreding.
2. Voor overtredingen als bedoeld in artikelen 1.22, 1.23 en 7.15 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 25.000,– per geconstateerde overtreding.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt het normbedrag voor een overtreding van artikel 15.7, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die betrekking heeft op de graad master € 10.000,– per geconstateerde overtreding.
Voor overtredingen als bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 5.000,– per geconstateerde overtreding.
Voor overtredingen als bedoeld in artikelen 4.1 en 4.2 van de Wet NLQF bedraagt het normbedrag voor de bestuurlijke boete € 5.000,– per geconstateerde overtreding.
De hoogte van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld met inachtneming van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1. Het uitgangspunt is dat iedere geconstateerde overtreding afzonderlijk wordt beboet. Dit uitgangspunt is in de artikelen 2, 3 en 4 van deze beleidsregel bepaald.
2. Indien door één gedraging twee of meerdere voorschriften worden overtreden die naar hun strekking zodanig nauw samenhangen dat in wezen slechts één overtreding plaatsvindt, dan kan, in afwijking van het eerste lid, worden overwogen om één boete op te leggen ondanks dat er meerdere overtredingen zijn begaan.
Indien een overtreding die bestuurlijk beboetbaar is ook als strafbaar feit is aangemerkt, wordt op grond van artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht, de geconstateerde overtreding aan het openbaar ministerie voorgelegd.
Drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk geëvalueerd.
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
De Wet NLQF, de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) bevatten bepalingen ter bescherming van de maatschappij en (aspirant-)studenten in het bijzonder en ter voorkoming van de aantasting van de onderwijsstelsels in Nederland. Overtreding van deze bepalingen kan worden bestraft met het opleggen van een punitieve sanctie in de vorm van een bestuurlijke boete. De uitvoering van dit toezicht ligt bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie). Het opleggen van bestuurlijke boetes, indien overtredingen zijn vastgesteld en het vaststellen van de hoogte van deze bestuurlijke boetes, is op basis van artikel 7, vierde lid, onderdeel e, van het Organisatie- & Mandaatbesluit OCW 2008 juncto artikel 3, tweede lid, onderdelen e en f van de Wet op het onderwijstoezicht gemandateerd aan de inspectie. De inspectie voert bij vermoedens van een overtreding een onderzoek uit en stelt bij constatering van een overtreding een boeterapport op, waarin de overtreding en alle relevante feiten en omstandigheden zijn opgenomen.
De onderwijswetten regelen alleen de maximale hoogte van de bestuurlijke boete. Om die reden is deze beleidsregel opgesteld, zodat de inspectie handvatten heeft bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete. In beginsel wordt voor overtredingen van vergelijkbare aard van bepalingen die in verschillende sectorwetten geregeld zijn hetzelfde normbedrag genomen.
De normbedragen per overtreding van een wettelijke bepaling zijn in de artikelen 2, 3 en 4 genoemd. De hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete voor een of meerdere geconstateerde overtredingen wordt gebaseerd op dit normbedrag, de ernst van de overtredingen, de mate van verwijtbaarheid en alle overige relevante feiten en omstandigheden. Op deze manier wordt per geval gekomen tot een bestuurlijke boete die evenredig is aan de geconstateerde overtredingen. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete worden onder andere het wettelijk maximum, de toepasselijke bepalingen van (hoofdstuk 5) van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen.
De hoogte van de normbedragen is gebaseerd op preventieve werking en op de wens om overtredingen met een punitieve sanctie te bestraffen.
In het hoger onderwijs is de afgelopen jaren gewerkt met een boetebedrag van € 500,– per onterecht verleende graad of titel en € 1.000,– bij het onterecht gebruiken van de naam hogeschool of universiteit en bij het overtreden van artikel 7.15 van de WHW. Deze bedragen zijn in beperkte mate bestraffend c.q. leedtoevoegend geweest en er lijkt weinig of geen preventieve werking van uit te zijn gegaan. Terwijl het maatschappelijk vertrouwen in en het aanzien van het onderwijsstelsel serieuze bescherming vraagt. Daarom wordt met deze beleidsregel het boetebedrag fors verhoogd.
Het normbedrag voor onterecht in het vooruitzicht gestelde of verleende graden, of afgegeven diploma’s, certificaten of mbo-verklaringen, of voor niet-gerechtigde aanduidingen van NLQF- of EQF-niveau, is gesteld op een bedrag van € 5.000. Hetzelfde normbedrag geldt voor het niet-gerechtigd verzorgen of aanbieden van een beroepsopleiding in de zin van de WEB, het afnemen of aanbieden van een examen in de zin van de WEB of het anderszins de indruk wekken dat het onderwijs of examinering in de zin van de WEB betreft. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de schade die het onterecht in het vooruitzicht stellen of verlenen van graden, toebrengt aan individuele slachtoffers en het maatschappelijk vertrouwen in het (hoger) onderwijs. De ervaringen uit het toezicht wijzen uit dat er een groter risico is op het ongeoorloofd verlenen van mastergraden dan voor andere graden. Een hoger normbedrag heeft naar verwachting een grotere afschrikwekkende werking. Voor onterecht in het vooruitzicht gestelde of verleende mastergraden wordt daarom een hoger normbedrag gehanteerd van € 10.000,–.
Omwille van de eenvoud wordt voor het onterecht verlenen of in het vooruitzicht stellen van de titels genoemd in de artikelen 7.20, 7.22, tweede lid, en 7a.5 van de WHW hetzelfde normbedrag als voor het onterecht in het vooruitzicht stellen of verlenen van graden gehanteerd.
Voor het bepalen van de ernst van de overtreding bestaan geen vaste, vooraf te bepalen kaders. Hieronder wordt een aantal voorbeelden genoemd van factoren die betrokken worden bij het bepalen van de ernst van de overtreding. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan:
– De schaal waarop de overtreding heeft plaatsgevonden;
– De tijdsduur waarin de overtreding heeft voortgeduurd;
– De gevolgen van de overtreding voor deelnemers, de maatschappij en het aanzien van het betreffende stelsel; en
– Het aantal keren dat de overtreder dezelfde of een vergelijkbare overtreding is begaan.
Een aantal bepalingen heeft betrekking op het onterecht verlenen of afgeven van een diploma, certificaat, mbo-verklaring, graad of titel dat/die normaliter na het afronden van een opleiding verleend of afgegeven wordt. In dat geval is het mogelijk dat de inspectie vaststelt om welke hoeveelheid onterecht verleende of afgegeven diploma’s, certificaten, mbo-verklaringen, graden of titels het gaat, bijvoorbeeld op basis van informatie die de overtreder verstrekt en dit betrekt bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete.
Wanneer de overtreding betrekking heeft op het onterecht in het vooruitzicht stellen van een diploma, certificaat, mbo-verklaring of een graad of wanneer de indruk wordt gewekt dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van de WEB betreft, dan wel kan leiden tot een diploma, een certificaat of een mbo-verklaring in de zin van de WEB, kan er onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin er iemand nog niet is begonnen aan de opleiding en situaties waarin dat wel het geval is. In het eerste geval ligt het voor de hand om per opleiding te beboeten en in de tweede situatie kan de inspectie naar rato beboeten, waarbij het aantal gevolgde studiejaren, indien mogelijk, in ogenschouw wordt genomen zodat de boete evenredig is aan het aantal gevolgde studiejaren.
Deze beleidsregel heeft, zoals in artikel 1 is aangegeven, betrekking op overtredingen waarvoor op grond van de artikelen 15.7 en 15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), artikel 11.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) en artikel 4.3 van de Wet NLQF een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 15.7 heeft betrekking op onterechte graad- of titelverlening en het onterecht in het vooruitzicht stellen hiervan.
Van onterechte graadverlening of titelverlening is sprake indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon een fysiek of digitaal document afgeeft waarmee de indruk wordt gewekt dat sprake is van een graad of titel in de zin van de WHW, tenzij aan artikel 15.7, eerste lid, van de WHW is voldaan.
Van het in het vooruitzicht stellen van graden is sprake indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon op enige wijze een uiting doet waarmee de indruk wordt gewekt dat er een graad of titel wordt verleend in de zin van de WHW, tenzij aan de eisen van artikel 15.7 van de WHW is voldaan.
De normbedragen voor zowel het onterecht in het vooruitzicht stellen als het onterecht verlenen van graden zijn:
1. Voor een graad Associate Degree: € 5.000,–
2. Voor een graad Bachelor: € 5.000,–
3. Voor een graad Master: € 10.000,–
4. Voor een graad Doctor: € 5.000,–
5. Voor een titel (zoals bedoeld in artikel 15.7, tweede lid, van de WHW): € 5.000,–.
De ervaringen uit het toezicht wijzen uit dat er een groter risico is op het ongeoorloofd verlenen van mastergraden dan voor andere graden. Daarom wordt voor onterecht in het vooruitzicht gestelde of verleende mastergraden wordt een hoger normbedrag gehanteerd.
Het tweede lid van artikel 2 van deze beleidsregel verwijst naar artikelen 1.22, 1.23, 1.24 en 7.15 van de WHW. Voor overtreding van deze artikelen kan op basis van artikel 15.8 van de WHW een bestuurlijke boete worden opgelegd.
|
• Artikel 1.22 en 1.24 |
Het onterecht voeren van de naam ‘universiteit’: € 25.000,– |
|
|
• Artikel 1.23 en 1.24 |
Het onterecht voeren van de naam ‘hogeschool’: € 25.000,–. |
|
|
• Artikel 7.15 |
Het niet voldoen aan de vereisten voor informatieverstrekking aan studenten en aspirant- studenten: € 25.000,–. |
Het is verboden ten onrechte de naam universiteit of hogeschool of de vertaling daarvan te gebruiken tenzij sprake is van een uitzondering zoals opgenomen in de artikelen 1.22, 1.23 en 1.24 van de WHW. Het gaat dan om natuurlijke personen of rechtspersonen die zich via uitingen in de publieke ruimte bedienen van een van de in de WHW opgenomen termen om zich te beschrijven.
De plicht aan studenten en aspirant-studenten informatie te verstrekken (artikel 7.15 van de WHW) rust op een instellingsbestuur zoals bedoeld in artikel 1.1, onder j, van de WHW. Op een instellingsbestuur rust de plicht de (aspirant-)student van informatie van voldoende kwaliteit te voorzien, zodat deze een weloverwogen studiekeuze kan maken.
Het gaat om informatie over:
a) De instelling;
b) Het te volgen onderwijs in algemene zin;
c) De differentiatie in het opleidingsaanbod;
d) De selectie van studenten;
e) De opleidingsnamen; en
f) De graden die aan de opleidingen zijn verbonden.
In artikel 11.2, eerste lid, van de WEB is een aantal gevallen opgenomen waarvoor op grond van artikel 11.2, tweede lid, van de WEB een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Zo is in artikel 11.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de WEB bepaald dat het verboden is om een beroepsopleiding in de zin van de WEB te verzorgen of aan te bieden of om een examen in de zin van de WEB af te nemen of aan te bieden, indien de instelling daartoe niet gerechtigd is. Overigens omvat “een examen in de zin van deze wet” niet alleen examens met betrekking tot de mbo-opleidingen niveaus 1 tot en met 4, maar ook op examens van opleidingen educatie. Ook voor examens van opleidingen educatie stelt de WEB namelijk regels en bepaalt de WEB wie ze mag afnemen en wie niet. Om die reden is artikel 11.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB eveneens van toepassing op opleidingen educatie.1
Daarnaast is ingevolge artikel 11.2, eerste lid, onderdeel c, van de WEB verboden om, zonder daartoe gerechtigd voor te zijn, een diploma, certificaat of een mbo-verklaring af te geven of in het vooruitzicht te stellen. En op grond van artikel 11.2, eerste lid, onderdeel d, van de WEB is het verboden om de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van de WEB betreft of dat een activiteit zal leiden tot een diploma, certificaat of een mbo-verklaring zoals bedoeld in de WEB. Ook hier geldt dat onder ‘‘examinering’’ examens van opleidingen educatie wordt verstaan.
Degene die in strijd handelt met de bovengenoemde WEB-bepalingen kan een bestuurlijke boete krijgen.2 Op grond van deze beleidsregel is het normbedrag voor een dergelijke situatie € 5.000,– per geconstateerde overtreding.
Zoals hierboven is aangegeven, is het uitgangspunt dat per geconstateerde overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van € 5.000,–. Dit houdt dus in dat bij de constatering van bijvoorbeeld een overtreding van artikel 11.2, eerste lid, onderdeel a, WEB én artikel 11.2, eerste lid, onderdeel b, WEB het totale boetebedrag € 10.000,– (€ 5.000,– x 2 overtredingen) is. Dat is het uitgangspunt, maar op grond van artikel 5 van deze beleidsregel is bepaald dat bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete rekening moet worden gehouden met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Dit artikellid stipuleert dat de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hierbij wordt zo nodig rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Dit impliceert dat het evenredigheidsbeginsel, zoals ook is gecodificeerd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, bij de vaststelling van de boete in acht wordt genomen.
De Wet NLQF kent twee overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete op grond van artikel 4.3 Wet NLQF kan worden opgelegd, namelijk overtredingen zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet NLQF en overtredingen zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Wet NLQF.
Artikel 4.1 Wet NLQF bepaalt dat het verboden is om op een waardedocument of op een ander document met gegevens over een opleiding een NLQF-niveau te vermelden of een waardedocument of ander document met NLQF-niveau in het vooruitzicht te stellen, tenzij het NLQF-niveau voor de betreffende opleiding is vastgesteld op grond van de voorschriften bij of krachtens de Wet NLQF.
Daarnaast is op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Wet NLQF verboden om een EQF-niveau te vermelden op een waardedocument of op een ander document met gegevens over een opleiding of een waardedocument of ander document met EQF-niveau in het vooruitzicht te stellen, tenzij het EQF-niveau correspondeert met een NLQF-niveau dat voor de betreffende opleiding is vastgesteld op grond van de voorschriften bij of krachtens de Wet NLQF of het EQF-niveau behoort bij een opleiding waar bij of krachtens de wet van een ander land, dat participeert in het EQF, een EQF-niveau aan verbonden is.
In het geval een opleiding niet is ingeschaald in het NLQF, maar de opleider in de communicatie daarover of op waardedocumenten een EQF- of NLQF-niveau vermeldt of, indien het onderwijs wel is ingeschaald maar de opleider een onjuist EQF- of NLQF-niveau vermeldt, dan is de opleider daarop aanspreekbaar.
Het normbedrag voor een overtreding is € 5.000,–, vergelijkbaar met de normbedragen voor overtredingen van de WHW en de WEB, met als doel dat er een afschrikwekkende werking vanuit gaat. De normbedragen voor het onjuist gebruik van het NLQF en EQF zijn gelijk. Als door een opleider voor een opleiding zowel een NLQF- als een EQF-aanduiding wordt gebruikt zijn dit in beginsel losstaande overtredingen waarvoor apart een boete opgelegd kan worden.
Op grond van artikel 5 van de beleidsregel is bepaald dat bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete rekening moet worden gehouden met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Dit artikellid stipuleert dat de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Hierbij wordt zo nodig rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Dit impliceert dat het evenredigheidsbeginsel, zoals ook is gecodificeerd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, bij de vaststelling van de boete in acht wordt genomen.
Zoals hierboven is aangegeven, is het uitgangspunt dat per geconstateerde overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van € 5.000,–. Dit houdt dus in dat bij de constatering van bijvoorbeeld een overtreding van artikel 11.2, eerste lid, onderdeel a, WEB én artikel 11.2, eerste lid, onderdeel b, WEB het boetebedrag € 10.000,– (€ 5.000,– x 2 overtredingen) is.
In het algemene deel van de toelichting is aangegeven dat het mogelijk is dat één gedraging kan leiden tot het begaan van meerdere beboetbate overtredingen. In dat geval is er sprake van samenloop. Samenloop komt in verschillende vormen voor, namelijk in een meerdaadse samenloop of een eendaadse samenloop.
Van een meerdaadse samenloop is sprake indien een gedraging meerdere overtredingen oplevert, die ook afzonderlijk hadden kunnen worden gepleegd. De meerdaadse samenloop is in artikel 5:6 van de Awb gecodificeerd. Ingevolge voornoemd wetsartikel is het uitgangspunt dat iedere gedraging in principe afzonderlijk wordt beboet. Cumulatie van sancties is daarom toegestaan. Dit uitgangspunt, waarbij per gedraging wordt beboet, is ook tot uitdrukking gekomen in de artikelen 2 3 en 4 van deze beleidsregel.
Er kan ook sprake zijn van een eendaadse samenloop. Hiervan is sprake als door één gedraging twee of meerdere voorschriften worden overtreden, die naar hun strekking zodanig nauw samenhangen dat in wezen slechts één overtreding plaatsvindt. In dat geval is cumulatie van sancties niet wenselijk vanuit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel.3 Zo kan een instelling bijvoorbeeld ongerechtigd een examen afnemen (artikel 11.2, eerste lid, onderdeel b, WEB) én hiermee de indruk wekken dat het een examinering is in de zin van de WEB (artikel 11.2, eerste lid, onderdeel d, WEB). Ook kan door een opleider voor een opleiding zowel een NLQF- als een EQF-aanduiding wordt gebruikt. Er is in dat geval geen sprake van samenloop, omdat de voorschriften die worden overtreden nauw met elkaar samenhangen dat in wezen slechts één overtreding plaatsvindt.
De nauwe samenhang kan eveneens worden afgeleid uit het Besluit NLQF, waarin de NLQF-niveaus en hun relatie met de EQF-niveaus zijn vastgesteld.4 Tevens schrijft de Regeling NLQF voor dat de opleider het niveau als volgt noteert NLQF(niveau)/EQF(niveau). Dit impliceert dat zowel het NLQF-niveau en het daarmee corresponderende EQF-niveau vermeld worden. In deze gevallen is het denkbaar dat één gedraging leidt tot overtreding van twee voorschriften, die naar hun strekking nauw samenhangen met elkaar waardoor er één bestuurlijke boete wordt opgelegd aan de betreffende overtreder.
Vanuit het principe van het ne bis in idem-beginsel is met dit artikel beoogd dat het herhaald opleggen van bestuurlijke boetes voor dezelfde overtreding wordt voorkomen.
Na drie jaar wordt deze beleidsregel geëvalueerd en bijgesteld waar nodig, gebaseerd op de opgedane ervaring.
Overtredingen die zijn begaan en beëindigd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel, worden beboet volgens de toen geldende interne beleidslijn van de Minister van OCW. Voor overtredingen van bepalingen uit de WHW die begaan en beëindigd zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel, gelden de volgende bedragen:
Overtreding van artikel 15.7, eerste en tweede lid, van de WHW: € 500,–.
Overtreding van artikel 15.8 van de WHW: € 1.000,–.
Voor overtredingen van de bepalingen uit de WEB en de Wet NLQF ontbreekt een interne beleidslijn. Om die reden is er geen overgangsrecht voor overtredingen op grond van de WEB en de Wet NLQF.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
Het opschrift van artikel 11.2 WEB wordt aangepast, zodat duidelijk wordt gemaakt dat ‘opleidingen educatie’ hieronder vallen.
Het opschrift van artikel 11.2 WEB wordt aangepast, zodat duidelijk wordt gemaakt dat ‘opleidingen educatie’ hieronder vallen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-19340.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.