Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 19339 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | Staatscourant 2026, 19339 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Gelet op de artikelen 4, onderdeel a, 5, tweede lid, en 16 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LVN-subsidies;
Besluit:
De Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 4.2.66 wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. De aanvraag voor een subsidie bedraagt ten minste € 10.000.001 voor een DEI+-demonstratieproject en € 1.000.001 voor een DEI+-pilotproject dat past binnen subthema 2.5.3 Biobased Circular grote projecten, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B.
B
Bijlage 4.2.9, onderdeel B. DEI+-project, wordt als volgt gewijzigd:
1. Hoofdstuk 1. Doelstelling wordt als volgt gewijzigd:
a. In de tweede alinea wordt onder vervanging van de punt achter het derde opsommingsteken door een puntkomma een opsommingsteken toegevoegd, luidende:
• Het kosteneffectief reduceren van de mondiale CO2-emissies in delving en productie van grondstoffen, mineralen en producten binnen tien jaar na de start van een project dat in Nederland wordt uitgevoerd en past binnen subthema 2.5.1.
b. In de derde alinea wordt na ‘De CO2-emissiefactor voor elektriciteit die gehanteerd moet worden, is 0,14 kg CO2/kWh.’ een zin toegevoegd, luidende:
Voor projecten gericht op het reduceren van de CO2-emissies op mondiaal niveau, die passen binnen subthema 2.5.1, moet de reductie worden aangetoond aan de hand van een berekening van de mondiale voetafdruk van de grondstoffen, materialen en producten die geproduceerd worden binnen het project, afgezet tegen het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek.
c. In de vierde alinea wordt de verwijzing in de voetnoot na ‘missie Circulaire Economie’ vervangen door de verwijzing naar ‘kia-ce.nl/wp-content/uploads/2023/12/KIA-CE-2024-2027.pdf‘.
d. In de vijfde alinea wordt achter het tweede opsommingsteken na ‘met uitzondering van de productie van biogas’ ingevoegd ‘, projecten in de voedingsmiddelenindustrie en projecten gericht op veenvervanging binnen subthema 2.5.1 Circulaire economie algemeen’.
2. Hoofdstuk 2. Thema's, 2.5 Circulaire economie (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening), 2.5.1 Circulaire economie algemeen (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening), wordt als volgt gewijzigd:
a. Na de opsomming in de eerste alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende:
Naast projecten gericht op bovenstaande onderwerpen vallen onder dit subthema ook:
• DEI+-pilots op het gebied van biobased grondstoffen;
• DEI+-demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen, voor zover deze betrekking hebben op recycling en hergebruik van biomassa-afval of biomassarestromen en passen onder punt 2 of 3 in de opsomming hierboven.
b. In de vierde alinea vervalt ‘demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen die geen biomassa-afval of biomassareststromen gebruiken en dus geen recycling betreffen;’.
c. In de vierde alinea wordt na ‘subthema 2.5.2 Biobased Circular’ ingevoegd ‘en subthema 2.5.3 Biobased Circular grote projecten’.
3. Na Hoofdstuk 2. Thema's, 2.5 Circulaire economie (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening), 2.5.2 Biobased Circular (artikel 25 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening), wordt een subthema ingevoegd, luidende:
Dit subthema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular1. Het thema betreft grote DEI+-pilots (meer dan € 1.000.000 subsidie) en grote DEI+-demonstratieprojecten (meer dan € 10.000.000 subsidie) om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). Dit worden waardecirkels voor biopolyesters genoemd. De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bioPET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met afzetmarkten waar een productieomvang van kilotonnen per jaar nodig is en die zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.
Projecten in dit subthema zijn zogenaamde grote demonstratie- en pilotprojecten die zijn gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:
1. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële productieprocessen voor biogebaseerde chemische bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters;
2. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële productieprocessen voor bioafbreekbare of recyclebare producten en halffabricaten waarin biogebaseerde polyesters zijn toegepast;
3. het testen, verbeteren of het opschalen van (delen van) nieuwe industriële verwerkingsroutes van koolhydraatrijke biogrondstoffen en industriële reststromen. Een verwerkingsroute omvat de productie van de grondstof en de verwerkingsstappen van de grondstof of reststroom tot een suiker, bouwsteen of biogebaseerde polyester. In het geval van suiker dient deze weer als grondstof voor de productie van een bouwsteen of polyester. Deze projecten kunnen gebruik maken van de volgende biogrondstoffen:
a. biogrondstoffen uit eerste generatie bestaande gewassen (ook wel primaire gewassen genoemd), zoals suikerbiet, mais, en granen, sorghum en hennep. Bij gebruik van eerste generatie zijn alleen pilotprojecten mogelijk;
b. tweede generatie biogrondstoffen uit:
1°. reststromen uit de landbouw, landschapsbeheer en bosbeheer;
2°. bijproducten uit de verwerking van landbouwproducten, of voedingsindustrie, diervoeder papier- en karton of andere industrie (agri-food processing); of
3°. heterogene reststromen in de vorm van organisch afval, zoals GFE/GFT, waterzuiveringsslib en mest;
4. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële recyclingprocessen voor producten en materialen gemaakt van biogebaseerde polyesters. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.
Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:
• demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen die geen biomassa-afval of biomassareststromen gebruiken en dus geen recycling betreffen.
De tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 wordt als volgt gewijzigd:
A
Onder de rij van Titel 4.2: Energie-innovatie, Artikel 4.2.65, Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+), 2.8 Overige CO2-reducerende maatregelen, wordt een rij ingevoegd, luidende:
|
2.5 Circulaire Economie, subthema’s 2.5.1 en 2.5.3 |
16-06-2026 t/m 17-12-2026 |
€ 60.000.000 |
B
In de rij van Titel 4.2: Energie-innovatie, 4.2.65, Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+), wordt in de vierde kolom ‘2.5a Biobased Circular’ vervangen door ‘2.5 Circulaire Economie, subthema 2.5.2’.
C
In de rij van Titel 4.2: Energie-innovatie, Artikel 4.2.44, Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI), 1. MOOI-Missie Elektriciteit: innovatiethema 5, wordt in de zesde kolom ‘€ 10.000.000’ vervangen door ‘€ 12.600.000’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 mei 2026
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Deze regeling strekt tot wijziging van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG- subsidies (hierna: RNES) en de Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026 (hierna: ROES 2026) in verband met de wijziging van de subsidiemodule Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) en de openstelling van innovatiethema's 2.5.1 Circulaire economie algemeen en 2.5.3 Biobased Circular grote projecten binnen de DEI+, en de ophoging van het innovatiethema kernenergie binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI).
De subsidiemodule DEI+, opgenomen in paragraaf 4.2.10 van de RNES, komt voort uit het Energieakkoord voor Duurzame Groei2 en is in 2019 in lijn met het Klimaatakkoord 3 verbreed met de ondersteuning van CO2-reducerende maatregelen. De DEI+ is een innovatiemodule gericht op het ondersteunen van pilot- en demonstratieprojecten die leiden tot CO2-reductie in Nederland. De DEI+ bevat tien verschillende subsidiabele innovatiethema’s. Zes thema’s worden jaarlijks in één keer opengesteld, waarvoor een gezamenlijk subsidieplafond geldt. Dit wordt het reguliere deel van de DEI+ genoemd. De vier andere thema’s worden apart opengesteld met een eigen subsidieplafond. Dit zijn de specifieke delen van de DEI+.
Het reguliere deel van de DEI+ en de innovatiethema’s 2.9 Waterstof en groene chemie, 2.10 Vergassing van reststromen en het subthema 2.5.2 Biobased circular binnen thema 2.5 Circulaire Economie zijn reeds opengesteld via de ROES 2026.4
Met deze wijzigingsregeling is de reikwijdte van de DEI+ op twee punten in de bijlage aangepast. Allereerst is de doelstelling uitgebreid voor projecten binnen het innovatiethema 2.5 Circulaire economie voor projecten die in Nederland worden uitgevoerd – dat een vereiste is onder de DEI+ – maar waarbij de vereiste CO2-reductie in het buitenland plaatsvindt. Dit doet zich met name voor bij projecten gericht op recycling van (schaarse) grondstoffen. Dit zijn innovatieve processen die ervoor zorgen dat minder virgin (schaarse) grondstoffen gedolven hoeven te worden. Doordat het delven van deze (schaarse) grondstoffen echter niet in Nederland plaatsvindt, vindt de bijbehorende vermeden CO2-uitstoot in het buitenland plaats. Deze uitbreiding van de doelstelling wordt als wenselijk beschouwd, omdat dergelijke projecten bijdragen aan de ontwikkeling van een circulaire economie in Nederland, verminderen ze de afhankelijkheid van grondstoffen en versterken ze het duurzame verdienvermogen van Nederland. Daarnaast leiden deze projecten op mondiaal niveau tot minder CO2-uitstoot. Daarmee passen zij binnen de beleidsdoelstelling van de DEI+. Deze verruiming geldt uitsluitend voor projecten binnen het innovatiethema 2.5 Circulaire economie, omdat de CO2-reductie bij projecten binnen dit thema afhankelijk kan zijn van complexe mondiale ketens. In de andere innovatiethema’s is het milieuvoordeel doorgaans direct te koppelen aan de uitvoerder van het project en daarmee de aanvrager van subsidie. Omdat bij andere thema's de realisatie van het project in Nederland plaatsvindt, betekent dat impliciet dat voor projecten in andere thema's het milieuvoordeel ook in Nederland ligt. Enkel bij het thema circulaire economie is dit soms niet het geval, omdat een activiteit zoals recyclen op zichzelf geen CO2 reduceert. De berekening van de reductie van CO2-emissies vindt voor deze projecten op dezelfde wijze plaats als voor de andere projecten met een directe bijdrage aan de CO2-emissie reductie, waarbij in dit geval uitstoot buiten Nederland ook mag worden meegenomen. Zo ontstaat er een berekening van de mondiale voetafdruk die wordt afgezet tegen de mondiale voetafdruk van het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek.
Ten tweede is de uitsluiting van projecten die leiden tot CO2-reductie in de landbouw- en landgebruikssector aangepast. Sinds de openstelling in 2025 was deze uitsluiting expliciet in de bijlage opgenomen om te verduidelijken dat de DEI+ in de basis niet bedoeld is voor projecten gericht op landbouw en landgebruik, omdat CO2-reductie in deze sectoren in overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord buiten de reikwijdte van dit instrument vallen. Tijdens die openstelling is echter gebleken dat deze reikwijdtebepaling strenger uitwerkt dan beoogd. Circulaire projecten op het grensvlak van industrie en landbouw – specifiek voedingsmiddelenindustrie en veenvervangers – vallen hierdoor buiten de reikwijdte van de DEI+, terwijl deze wel bijdragen aan de beleidsdoelstelling voor een klimaat neutrale en circulaire industrie in 2050. Daarom worden projecten in de voedingsmiddelenindustrie en projecten die betrekking hebben op veenvervanging als uitzondering opgenomen in de reikwijdtebepaling.
Verder is met deze wijzigingsregeling subthema 2.5.1 (Circulaire economie algemeen) en subthema 2.5.3 (biobased circular grote projecten) binnen het innovatiethema 2.5 Circulaire economie via één subsidieplafond opengesteld. Voor deze openstelling zijn tevens enkele wijzigingen aangebracht in de module en bijlagetekst.
Ten eerste is in de bijlage binnen subthema 2.5.1 (Circulaire economie algemeen) verduidelijkt dat pilotprojecten gericht op biobased grondstoffen binnen dit subthema passen, ook wanneer er geen sprake is van recycling van biomassa-afval of biomassareststromen. Door wijzigingen die doorgevoerd zijn via de vorige wijzigingsregeling (december 2025), pasten deze projecten niet meer. Dat was een onbedoeld effect en is gecorrigeerd. Daarnaast is in dezelfde opsomming toegevoegd dat demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen enkel passen, als er gebruik gemaakt wordt van biomassa-afval of biomassareststromen. Dit stond voorheen al genoemd in de uitsluitingen van de reikwijdte, maar is hier meegenomen ten behoeve van de overzichtelijkheid voor aanvragers. Aangezien dit subthema dit jaar nog niet open heeft gestaan voor aanvragers, hebben deze wijzigingen geen gevolgen voor aanvragen.
Ten tweede is er een nieuw subthema binnen thema 2.5 Circulaire economie toegevoegd: 2.5.3 Biobased Circular grote projecten. Deze is inhoudelijk identiek aan subthema 2.5.2, maar biedt de mogelijkheid voor grotere pilot- en demonstratieprojecten om subsidie aan te vragen onder het subsidieplafond dat via deze regeling opengesteld wordt. Subthema 2.5.2 (biobased circular) is reeds opengesteld van 27 januari 2026 tot en met 30 juli 2026 voor projecten in het kader van het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular. Voor dit subthema is een apart subsidieplafond ingericht van € 22.000.000. Omdat dit budget beperkt is, is bij de openstelling hiervan gekozen om meerdere kleinere projecten te ondersteunen door een het maximale subsidiebedrag te begrenzing tot € 1.000.000 per pilotproject en € 10.000.000 per demonstratieproject. Toch is het in het brede beleidsmatige belang om ook grote pilot- en demonstratieprojecten te ondersteunen die gericht zijn op de opschaling naar de eerste commerciële fabrieken op het gebied van Biobased Circular. Grote pilot- en demonstratieprojecten behoeven namelijk complexe investeringen met meerdere betrokken financiers, kunnen technologisch zeer uitdagend zijn en hebben een uitgebreide planning met toeleveranciers. De subsidie is een belangrijke voorwaarde voor de start van deze projecten. Met deze wijzigingsregeling is daarom het subsidiëren van grote projecten mogelijk gemaakt door middel van een nieuw derde subthema. Pilotprojecten kunnen binnen dit subthema in aanmerking komen voor subsidiebedragen groter dan € 1.000.001 en demonstratieprojecten groter dan € 10.000.001. Hierbij is het algemene maximum wel van toepassing, zoals vastgelegd in artikel 4.2.66, achtste lid. De inhoudelijke voorwaarden binnen dit nieuwe subthema zijn gelijk aan die van subthema 2.5.2. De reden voor deze opsplitsing ligt in de wijze van financiering. De middelen voor subthema 2.5.2 zijn afkomstig uit het Nationaal Groeifonds, terwijl de middelen voor subthema 2.5.3 uit het Klimaat- en Energiefonds komen. Omdat het niet is toegestaan om deze middelen binnen één subsidieplafond te combineren, moeten zij met het oog op de navolgbaarheid en transparantie gescheiden worden gehouden. Pilot- en demonstratieprojecten die onder de reikwijdte van subthema 2.5.3 vallen, zijn dientengevolge uitgesloten in de andere subthema's.
Subthema 2.5.1 en 2.5.3 worden gezamenlijk opengesteld gedurende dezelfde periode en met hetzelfde subsidieplafond en is vastgelegd in de ROES 2026. Subsidieaanvragen kunnen in de periode van 16 juni 2026 tot en met 17 december 2026 ingediend worden. Het subsidieplafond is vastgesteld op € 60.000.000. Net zoals andere onderdelen in de DEI+, worden aanvragers beoordeeld op volgorde van indiening, ongeacht of de aanvraag binnen subthema 2.5.1 of 2.5.3 valt.
De subsidiemodule MOOI, opgenomen in paragraaf 4.2.7 van de RNES, draagt bij aan de innovatieopgave uit het Klimaatakkoord. De MOOI ondersteunt brede, multidisciplinaire samenwerkingsverbanden rondom onderzoek en ontwikkeling van integrale oplossingen voor innovatie-uitdagingen. Door alle facetten van de oplossing mee te nemen, wordt de slaagkans van de innovatie in de markt vergroot en wordt gezamenlijke kennisontwikkeling en -deling gestimuleerd. De integrale oplossingen die onderzocht en ontwikkeld worden dienen, afhankelijk van de MOOI-missie binnen tien jaar of vijf jaar na de start van het project tot een eerste toepassing te leiden en dienen bij te dragen aan de verduurzamingsopgave van minstens één van de missies van de MOOI. De innovatiethema’s binnen de missies waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, komen voort uit inhoudelijke innovatiesporen – zogenoemde Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma's- die vastgelegd zijn in de Integrale Kennis en Innovatie Agenda.5
De MOOI is reeds opengesteld voor de MOOI-missies Elektriciteit (innovatiethema 1 t/m 4), Gebouwde omgeving, Industrie (innovatiethema 1 en 2) en Koolstofverwijdering via de ROES 2026.6 Deze thema’s staan open van 2 juni 2026 tot en met 3 september 2026 met aparte subsidieplafonds per thema. Daarnaast is de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5 (hierna: MOOI Kernenergie) dit jaar al opengesteld. Deze subsidiemodule is overtekend en het eerder vastgestelde subsidieplafond is onvoldoende om alle kwalitatief goede voorstellen te ondersteunen. Er is extra budget beschikbaar gesteld, zodat alle kwalitatief goede projecten ondersteund kunnen worden. Het subsidieplafond van de MOOI Kernenergie was vastgesteld op € 10.000.000.7 Het subsidieplafond is door middel van deze wijzigingsregeling opgehoogd met € 2.600.000 tot een totaal plafond van € 12.600.000. Hiermee kan het huidige grensproject volledig beschikt worden en kan nog een extra project beschikt worden.
Subsidie die wordt verleend op grond van de subsidiemodule DEI+, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25, 26bis, (test- en experimenteerinfrastructuur), 36 (milieubescherming), 38bis (energie-efficiëntie in gebouwen), 41 (hernieuwbare energie), 46 (energie-efficiënte stadsverwarming en/of -koeling), 47 (circulaire economie) en 56 (lokale infrastructuurvoorzieningen) van de algemene groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV) en door de algemene de-minimisverordening.
Subsidie die verleend wordt op grond van de subsidiemodule MOOI, bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de AGVV (industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling).
De voorgenoemde subsidiemodule en de wijziging en nieuwe openstelling hiervan zijn verenigbaar met de maximale steunpercentages en voorwaarden in de voormelde artikelen uit de AGVV en de algemene de-minimisverordening.
Voor de subsidiemodule MOOI geldt dat naast economische activiteiten waarvan de steun gerechtvaardigd wordt door de AGVV ook niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties worden gesubsidieerd, indien deze activiteiten daadwerkelijk als onafhankelijk onderzoek worden gekwalificeerd. Dit onafhankelijk onderzoek valt conform paragraaf 2.1.1 van het O&O&I-steunkader niet onder de kwalificatie staatssteun.8
De openstelling van de subthema's 2.5.1 en 2.5.3 binnen de DEI+ en de ophoging van de MOOI Kernenergie zal ter kennisneming aan de Europese Commissie worden gemeld, conform artikel 11, onderdeel a, van de AGVV. Als een subsidie, die op grond van deze subsidiemodules wordt verleend, staatssteun bevat die door de AGVV wordt gerechtvaardigd, maakt de Minister op grond van artikel 1.8 van de RNES binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:
• de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de AGVV, en
• de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de AGVV, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000.
De inhoudelijke aanpassing, openstelling van de subsidiemodule DEI+ en ophoging van de subsidiemodule MOOI heeft effect op de regeldruk. Alle subsidieaanvragers moeten een aanvraagformulier, inclusief projectplan en projectbegroting, indienen. Alle subsidieontvangers zijn daarna met de gebruikelijke taken belast, die onder meer terug te vinden zijn in de RNES en het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: Kaderbesluit). Er wordt niet afgeweken van de standaardbepalingen en standaardformulieren die zijn ingericht op minimale administratieve lasten. Zo hoeven er geen voorschotaanvragen te worden ingediend, omdat voorschotten automatisch worden uitgekeerd. Voor tussentijdse rapportages geldt een maximum van één rapportage per jaar conform het Kaderbesluit. Ten aanzien van projecten met een looptijd van een jaar of minder hoeft alleen een eindverslag te worden aangeleverd. Voor de controleverklaring zijn uniforme formulieren opgesteld.
Voor de openstelling van het thema 2.5 Circulaire economie, subthema 2.5.1 en 2.5.3, van de DEI+-module, worden in totaal ongeveer 50 aanvragen verwacht, waarvan naar verwachting voor ongeveer 25 aanvragen subsidie zal worden verleend. De administratieve lasten worden geschat op € 507.620. Dat is 0.85% van het totaal beschikbare subsidieplafond van € 60.000.000.
Door de ophoging van de subsidieplafonds voor de MOOI Kernenergie kan naar verwachting één extra aanvraag van de reeds ingediende aanvragen worden toegewezen. De totale administratieve lasten van subsidieontvangers en niet-subsidieontvangers samen zullen licht toenemen van € 261.824 naar € 308.960. Echter, omdat er geen nieuwe subsidieaanvragen kunnen worden ingediend, zal relatief gezien een groter deel van de ingediende aanvragen leiden tot een beschikking. Daardoor zullen de relatieve administratieve lasten licht dalen van 2,62% naar 2,45%.
Deze wijzigingsregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het adviescollege heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat deze geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze wijzigingsregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en minimaal twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd om onderstaande redenen.
In het algemeen wordt opgemerkt dat regels voor subsidiemodules feitelijk pas effect hebben als de subsidiemodule is of wordt opengesteld, omdat vanaf dan aanvragen kunnen worden ingediend en behandeld. Enkel de inwerkingtreding van een regeling heeft dus nog geen effect, als de module nog niet is opengesteld. Daarom is vooral de tijd tussen publicatie en openstelling relevant, omdat potentiële aanvragers in die tijd kennis kunnen nemen van de regeling en hun aanvraag kunnen voorbereiden, en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) de openstelling en behandeling van aanvragen kan voorbereiden. Het moment van openstelling ten opzichte van het moment van publicatie wordt daarom hieronder beschouwd voor de rechtvaardiging van de afwijking van de vaste verandermomenten.
Er wordt een korte periode gehanteerd tussen publicatie en openstelling van de DEI+ CE, omdat gesignaleerd is dat marktpartijen wachten op de mogelijkheid om opnieuw een aanvraag in te dienen. De openstelling in 2025 was sterk overtekend, waardoor projecten zijn afgewezen door ontoereikend budget. Een deel van deze projecten wacht op een nieuwe indieningsmogelijkheid. Er is geen aanleiding om deze projecten langer te laten wachten dan noodzakelijk. Daarnaast wordt de regeling slechts op enkele onderdelen aangepast. Voor aanvrager en het aanvraagproces leidt dit niet tot significante wijzigingen waardoor meer voorbereidingstijd nodig is om een aanvraag in te dienen.
Voor de wijziging in artikel II, onderdeel C, kan de afwijking van de vaste verandermomenten worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep van de subsidiemodule gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. De ophoging van het subsidieplafond moet namelijk gelden voor de openstelling in 2026. Als de wijziging niet tijdig wordt doorgevoerd, zouden aanvragen moeten worden afgewezen wegens uitputting van het oorspronkelijk vastgestelde subsidieplafond. Deze wijziging heeft daarnaast terugwerkende kracht tot het moment dat de openstelling aanving (5 januari 2026), zodat het verhoogde subsidieplafond geldt voor de gehele openstellingstermijn. Hierdoor wordt het verhoogde subsidieplafond geacht vanaf het begin van toepassing te zijn en geldt dit ook voor alle eerder ingediende aanvragen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] (Stcrt. 2025, 42972).
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] (Stcrt. 2025, 42972).
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026), Stcrt. 2025, 42972.
Kaderregeling betreffende Staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2014/C 198/01 (PbEU 2014, C 198).
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] (Stcrt. 2025, 42972).
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026) [KetenID WGK 28368] (Stcrt. 2025, 42972).
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en de Minister van Klimaat en Groene Groei, van 13 december 2025, nr. WJZ/102735469, tot vaststelling van de subsidieplafonds en termijnen van openstelling van EZ-subsidie-instrumenten, LVVN-subsidie-instrumenten en KGG-subsidie-instrumenten (Regeling openstelling EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2026), Stcrt. 2025, 42972.
Kaderregeling betreffende Staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2014/C 198/01 (PbEU 2014, C 198).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-19339.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.