Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 18770 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | Staatscourant 2026, 18770 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M, juncto artikel 17, eerste en vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;
BESLUIT:
In deze regeling wordt verstaan onder:
lijst van afspraken, gemaakt in een bestuurlijk overleg dat heeft plaatsgevonden in januari 2026 of daarna over het aantal te realiseren woningen en de financiering van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, welke lijst door de minister is aangeboden aan de Tweede Kamer;
Bestuurlijk Overleg MIRT of Bestuurlijk Overleg Leefomgeving;
Bestuurlijk Overleg MIRT Noord-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Oost-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Zuid-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Zuidwest-Nederland, Bestuurlijk Overleg MIRT Noordwest-Nederland of Bestuurlijk Overleg goederenvervoercorridors;
Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Noord-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Oost-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Zuid-Nederland, Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Zuidwest-Nederland of Bestuurlijk Overleg Leefomgeving Noordwest-Nederland;
voorziening voor infrastructuur als bedoeld in artikel 1 van de Wet Mobiliteitsfonds die nodig is voor de ontsluiting en bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en tegelijkertijd wordt gebruikt voor de ontsluiting en bereikbaarheid van bestaande wijken of locaties;
Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport;
infrastructurele voorziening die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende vervoersmodaliteiten en hun infrastructuur samenkomen;
gemeente of openbaar lichaam waaraan een specifieke uitkering als bedoeld in deze regeling is verleend;
openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
penvoerder als bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M;
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M;
elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk.
Deze regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen te ondersteunen ten behoeve van het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor de bereikbaarheid van de in de bestuurlijke overleggen afgesproken woningbouwlocaties.
1. De minister kan een specifieke uitkering verstrekken aan een gemeente of een openbaar lichaam voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen die niet in aanmerking komen voor een specifieke uitkering op grond van de Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten of op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027.
2. De bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit van een pakket aan dergelijke voorzieningen zoals voorgelegd aan het desbetreffende bestuurlijk overleg, zijn gekoppeld aan een specifieke woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties en betreffen uitsluitend de aanleg, de aanpassing of het gebruik van deze voorzieningen voor zover ze een lokaal of regionaal karakter hebben.
1. Het uitkeringsplafond voor specifieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3 in het kalenderjaar 2026 bedraagt € 1.460.844.370.
2. De minister kan op grond van deze regeling ook na het kalenderjaar 2026 een specifieke uitkering verlenen indien hij daarvoor een uitkeringsplafond heeft vastgesteld en de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b of onderdeel c, heeft opengesteld. De minister maakt het uitkeringsplafond en het openstellen van de aanvraagperiode bekend in de Staatscourant.
3. De verdeling van de beschikbare middelen in een begrotingsjaar vindt plaats overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg.
4. De minister kan, indien er middelen vrijvallen die zijn verleend voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling, die middelen verdelen overeenkomstig artikel 15.
5. De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn inclusief compensabele btw.
1. Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor ten hoogste het maximumbedrag, zoals opgenomen in de desbetreffende afsprakenlijst op basis van het in die lijst opgenomen prijspeil.
2. Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:
a. kosten waarvoor reeds een specifieke uitkering of andere middelen door het Rijk zijn verstrekt;
b. omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of verrekend kan worden;
c. de kosten, bedoeld in het eerste lid, die zijn gemaakt voorafgaand aan een bestuurlijk overleg;
d. kosten van beheer en onderhoud van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen;
e. andere kosten dan de kosten, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien een bovenplanse infrastructurele voorziening een mobiliteitshub behelst, worden de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten in mindering gebracht op de kosten van de mobiliteitshub die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen.
1. De hoogte van de specifieke uitkering voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in artikel 3, wordt vastgesteld overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg.
2. Een specifieke uitkering bedraagt niet meer dan het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag verminderd met de omzetbelasting over de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die in aanmerking komt voor verrekening of compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.
1. Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering kan worden ingediend door een gemeente of een openbaar lichaam, waarmee afspraken zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg over de financiering van bovenplanse infrastructurele voorzieningen als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Een openbaar lichaam verstrekt bij de aanvraag de desbetreffende actuele gemeenschappelijke regeling waaruit blijkt dat het openbaar lichaam bevoegd is en verantwoordelijk is voor de realisatie van de woningbouw, bedoeld in deze regeling en voor de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen, bedoeld in artikel 3.
3. Een aanvraag tot verlening van een specifieke uitkering wordt, met inachtneming van artikel 4, tweede lid, uiterlijk ingediend:
a. in de periode van 2 juli tot en met 27 augustus 2026 wanneer de aanvraag betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen die zijn opgenomen in de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT van januari 2026 die aan de Tweede Kamer is aangeboden;
b. voor 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT die betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de Tweede Kamer is aangeboden; of
c. voor 1 oktober van het kalenderjaar waarin de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg Leefomgeving die betrekking heeft op bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de Tweede Kamer is aangeboden.
4. Een aanvrager dient voor alle te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen één aanvraag in.
5. In de aanvraag wordt verwezen naar de voorstellen zoals voorgelegd aan het desbetreffende bestuurlijk overleg. De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een kaart met een geografische afbakening van de woningbouwlocatie of woningbouwlocaties;
b. een omschrijving van de te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarin indien het een mobiliteitshub betreft ook is aangegeven hoe wordt voldaan aan de door de minister gestelde voorwaarden aan mobiliteitshubs;
c. een gespecificeerde begroting die een overzicht omvat van:
1°. de kosten van de realisatie van iedere bovenplanse infrastructurele voorziening bij de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
2°. de ten behoeve van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen vanwege het Rijk verleende bijdragen;
3°. indien de voorziening een mobiliteitshub betreft:
i. inzicht in het exploitatieresultaat, de onderliggende voorziene kosten, opbrengsten, en financiële parameters, waarbij indien de hub een combinatie betreft van bovenplanse en binnenplanse infrastructurele voorzieningen, duidelijk blijkt hoe deze kosten- en opbrengstenverdeling is opgebouwd; en
ii. een beschrijving van de mobiliteitshub waaruit blijkt dat het gaat om een bovenplanse infrastructurele voorziening, dat de mobiliteitshub in eigendom is van en beheerd wordt door de gemeente of het openbaar lichaam;
4°. het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
5°. de eigen bijdrage van decentrale overheden en de bijdrage van private partijen in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
6°. de gevraagde specifieke uitkering per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
7°. het percentage van de gevraagde specifieke uitkering per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
d. het totaal aantal te realiseren woningen op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
e. een tijdplanning van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties en van de realisatie van de daarbij horende bovenplanse infrastructurele voorzieningen; en
f. het bankrekeningnummer waarop het bedrag kan worden overgemaakt, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.
6. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld digitaal formulier.
1. Een samenwerkingsverband bestaande uit minimaal twee en maximaal vier direct aan elkaar grenzende gemeenten kan een aanvraag voor een specifieke uitkering indienen. De penvoerder is een gemeente uit het samenwerkingsverband.
2. Indien de bovenplanse infrastructurele voorzieningen tevens provinciale bovenplanse infrastructurele voorzieningen bevatten, kan de desbetreffende provincie deelnemen in het samenwerkingsverband.
3. De aanvraag van een samenwerkingsverband betreft bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor woningbouwlocaties met in totaal meer dan 200 woningen waarbij ten minste een bovenplanse infrastructurele voorziening alle woningbouwlocaties betreft.
4. Iedere woningbouwlocatie in de aanvraag omvat ten minste 100 woningen waarbij maximaal de helft van het totaal aantal woningbouwlocaties meer dan 200 woningen omvat.
5. Elke deelnemende gemeente draagt bij aan de regionale cofinanciering door het samenwerkingsverband.
6. De aanvraag gaat tevens in ieder geval vergezeld van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, met dien verstande dat het bankrekeningnummer het nummer van de penvoerder is inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de penvoerder staat.
7. Artikel 7, zesde lid, van deze regeling en artikel 26, eerste lid, onderdelen a, c tot en met g en het tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing.
8. Onverminderd het zevende lid, bevat de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit subsidies I en M afspraken over het terugvorderen door de penvoerder van de verleende middelen indien de minister middelen terugvordert wegens het niet, niet tijdig of niet geheel voldoen aan de verplichtingen van deze regeling.
De minister kan afwijzend beslissen op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet of niet geheel voldoet aan de voorwaarden in deze regeling;
b. het totaal aantal op de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties te realiseren woningen lager is dan het bij die woningbouwlocatie in de afsprakenlijst van een bestuurlijk overleg genoemde aantal of het aantal, bedoeld in artikel 8, derde en vierde lid;
c. indien naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager de realisatie van de desbetreffende bovenplanse infrastructurele voorzieningen kan financieren; of
d. indien naar het oordeel van de minister op het moment van indienen van de aanvraag niet aannemelijk is dat zal worden voldaan aan een van de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid.
1. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst op een aanvraag.
2. Een besluit tot verlening van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval:
a. de bovenplanse infrastructurele voorzieningen bij de woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties waarvoor een specifieke uitkering wordt verleend;
b. het aantal te realiseren woningen;
c. het bedrag van de specifieke uitkering per bovenplanse infrastructurele voorziening en in totaal;
d. de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald;
e. het voorschot en de wijze van uitkering, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid;
f. het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele omzetbelasting en dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds;
g. het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties;
h. het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties; en
i. de data, bedoeld in artikel 13, eerste, derde, vierde en vijfde lid.
3. De minister kan in het besluit, bedoeld in het tweede lid, nadere voorwaarden aan de specifieke uitkering verbinden.
4. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, zijn de bedragen exclusief verrekenbare en compensabele btw en zijn op basis van het prijspeil op het moment dat het bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden waarin de afspraak in de afsprakenlijst is opgenomen.
5. Indien een beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd.
De bedragen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën aan de minister uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen, voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd.
1. De minister verleent bij het besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c.
2. Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt uitgekeerd overeenkomstig de in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering bepaalde termijnen.
3. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, en de termijnbedragen, bedoeld in het tweede lid, worden voor zover deze nog niet zijn uitgekeerd jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën aan de minister uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen.
4. De minister kan de uitkering van het voorschot geheel of gedeeltelijk opschorten indien niet of niet geheel wordt voldaan aan de in deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen.
1. De ontvanger realiseert de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is vermeld.
2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de bovenplanse infrastructurele voorzieningen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
3. De ontvanger start de realisatie van de woningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
4. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
5. De ontvanger start de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen uiterlijk op de datum die in het besluit tot verlening van een specifieke uitkering is aangegeven.
6. Indien de bovenplanse infrastructurele voorziening een mobiliteitshub betreft, draagt de ontvanger er zorg voor dat:
a. hij eigenaar wordt van de mobiliteitshub en die hub beheert;
b. de mobiliteitshub als bovenplanse voorziening openbaar toegankelijk is en het aanbod op de hub publiek is te gebruiken;
c. de mobiliteitshub is ontworpen conform de nationale hub-identiteit;
d. hij afspraken maakt met aanbieders van mobiliteitsdiensten op de hub waarin de data-uitwisseling is geregeld over de hub en de daarin aangeboden publieke en private mobiliteitsdiensten als bedoeld in gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten en in de nationale afspraken hierover in het digitaal stelsel mobiliteitsdata; en
e. hij deelneemt aan het landelijk programma mobiliteitshubs voor een gezamenlijke aanpak, waaronder monitoring en evaluatie, kennisuitwisseling en gezamenlijke afspraken.
7. De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:
a. de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond;
b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart;
c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen niet of niet geheel zal worden gerealiseerd;
d. niet aan andere in deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.
8. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zevende lid, jaarlijks aan de minister uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s, de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de infrastructurele bovenplanse voorzieningen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie of woningbouwlocaties. Indien de voorziening een mobiliteitshub betreft wordt tevens ingegaan op de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b.
9. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 19 die de minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat onderzoek.
1. De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:
a. een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, zevende lid; of
b. een wijziging van een bovenplanse infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.
3. In geval van een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, zevende lid, kan de minister, mits er naar het redelijk oordeel van de minister sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties of de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid.
4. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet.
5. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een bovenplanse infrastructurele voorziening, genoemd in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering, mits dezelfde woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties wordt ontsloten waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan worden ingediend tot uiterlijk de datum, bedoeld in artikel 13, eerste lid.
6. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifieke uitkering.
7. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.
8. Op aanvraag van de ontvanger kan naar het redelijk oordeel van de minister in afwijking van het zesde lid een hoger bedrag worden verleend mits daardoor het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 4, niet wordt overschreden. De minister kan daarbij afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h.
9. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste en achtste lid.
10. Indien een beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in het negende lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd.
1. De minister kan indien er vrijgevallen middelen beschikbaar zijn het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen indien de ontvanger aantoont dat er een financieel tekort is bij de realisatie van een bovenplanse infrastructurele voorziening, mits:
a. voldaan blijft worden aan de eisen van deze regeling en voldaan wordt aan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering met betrekking tot in ieder geval de te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen en woningen, met inachtneming van een gehonoreerde aanvraag als bedoeld in artikel 14;
b. de ontvanger aantoont dat er geen mogelijkheden tot versobering of het treffen van alternatieve bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn of dat deze niet haalbaar zijn;
c. de noodzaak van een aanvullende specifieke uitkering is getoetst door de minister; en
d. er afspraken zijn gemaakt over de verdeling in een bestuurlijk overleg MIRT.
2. De specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste het aangevraagde bedrag maal het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h.
3. De vrijgevallen middelen worden verdeeld overeenkomstig de afspraken die hierover zijn gemaakt in het desbetreffende bestuurlijk overleg MIRT.
4. De minister maakt het bedrag van de vrijgevallen middelen, bedoeld in artikel 4, vierde lid, en de openstelling van de aanvraagperiode bekend in de Staatscourant en vermeldt of het bedrag inclusief of exclusief compensabele btw is.
5. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend van 1 januari tot en met 31 maart van het desbetreffende kalenderjaar, mits de minister de aanvraagperiode heeft opengesteld.
1. De verantwoording over de besteding van een specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in:
a. de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet indien het een gemeente of een samenwerkingsverband betreft; of
b. artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen indien het een openbaar lichaam betreft.
2. Voor zover een gemeente een uitkering heeft door verstrekt aan één of meerdere gemeenten, legt die gemeente of die gemeenten verantwoording af over de besteding van de uitkering met toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.
1. De minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 16 heeft plaatsgevonden.
2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 16, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per bovenplanse infrastructurele voorziening.
3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:
a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering;
b. het uitgekeerde voorschot;
c. indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.
4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke bovenplanse infrastructurele voorziening de vaststelling ziet.
5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid of een in de beschikking opgenomen verplichting.
6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties lager is dan het voorziene resterende tekort, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel g, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h, van het resterende tekort.
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang, bedoeld in artikel 2, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht publiceert de minister uiterlijk 30 september 2034 en uiterlijk 30 september 2039 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Nederland heeft een tekort aan woningen. Daarom is het noodzakelijk dat er jaarlijks substantieel nieuwe woningen worden bijgebouwd. Om ervoor te zorgen dat deze woningen worden gerealiseerd in goed ontsloten en bereikbare wijken, zijn extra investeringen nodig in bovenplanse infrastructurele voorzieningen (zie paragraaf 3 voor wat daar onder wordt verstaan).
Deze ministeriële regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen via het toekennen van een specifieke uitkering in staat te stellen om in heel Nederland bovenplanse infrastructurele voorzieningen te realiseren waarmee kan worden gezorgd voor goed bereikbare woningen.1
Daartoe kunnen gemeenten en openbare lichamen een specifieke uitkering aanvragen. Voorwaarde daarvoor is dat daarover een bestuurlijke afspraak is gemaakt in een bestuurlijk overleg MIRT2 of een bestuurlijk overleg Leefomgeving en dat die afspraak is opgenomen in de afsprakenlijst van de bestuurlijke overleggen MIRT of de bestuurlijke overleggen Leefomgeving. De afsprakenlijst wordt als bijlage bij de brieven aan de Tweede Kamer3 over de uitkomsten van deze overleggen bijgevoegd.
De regeling is opgesteld om middelen te kunnen toekennen waarmee de uitvoering van samenhangende pakketten met maatregelen gericht op het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen in de grootschalige woningbouwlocaties4 en in gebieden daarbuiten wordt mogelijk gemaakt.
De bovenplanse infrastructurele voorzieningen die via deze regeling worden ondersteund, bestaan uit een samenhangend pakket van ingrepen, zoals de aanpassing van (regionale) wegen, de aanleg van mobiliteitshubs, voetpaden, fietspaden, rotondes, en het treffen van maatregelen op het gebied van verkeersveiligheid.
De kosten voor deze bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn aanzienlijk. Een Rijksbijdrage is nodig omdat deze voorzieningen meestal niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden gefinancierd vanuit de grondexploitatie of andere financieringsbronnen verbonden aan het kostenverhaal van een woningbouwlocatie of een cluster van locaties. Zonder Rijksbijdrage zouden er minder en minder snel goed bereikbare woningen gebouwd kunnen worden. Er worden afspraken gemaakt over een Rijksbijdrage in de bestuurlijke overleggen MIRT en de bestuurlijke overleggen Leefomgeving.
De bestuurlijke overleggen MIRT zijn jaarlijkse overleggen tussen het Rijk en regionale overheden over investeringen in mobiliteit, woningbouw, ruimtelijke ontwikkeling en vaarweg- en waterprojecten. Ze vinden plaats per MIRT-regio: Noord-Nederland, Oost-Nederland, Noordwest-Nederland, Zuidwest- Nederland en Zuid-Nederland. Tijdens deze overleggen worden gezamenlijk afspraken gemaakt over projecten, verkenningen en onderzoeken. Ook de afspraken onder het programma Woningbouw en Mobiliteit, waarin Rijk en regio samenwerken aan woningbouwlocaties en de bijbehorende bereikbaarheid, worden in het bestuurlijk overleg gemaakt.
De uitkomsten worden vastgelegd in een afsprakenlijst, waarin afspraken worden opgenomen over bijvoorbeeld financiering en risicobeheersing van projecten, strategische agenda’s en onderzoeken. Deze afsprakenlijst wordt, samen met de brief aan de Tweede Kamer over de uitkomsten van de bestuurlijke overleggen, elk jaar na de bestuurlijke overleggen MIRT (BO’s MIRT), aan de Tweede Kamer gestuurd. De Tweede Kamer wordt zo geïnformeerd over de voortgang van de projecten en over nieuwe afspraken binnen het MIRT.
Naast de BO’s MIRT vinden ook jaarlijks de bestuurlijke overleggen Leefomgeving plaats. Deze overleggen vinden plaats volgens dezelfde regio-indeling als de bestuurlijke overleggen MIRT en zijn gericht op een gezamenlijke aanpak van ruimtelijke opgaven. Hierin spreken het Rijk en de regio’s over ruimtelijke thema’s zoals woningbouw, water, natuur, energie en woningbouw. Net als bij het BO MIRT worden de afspraken vastgelegd in een afsprakenlijst, die als bijlage bij de jaarlijkse brief over de BO’s Leefomgeving aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.
Het kabinet-Rutte IV heeft in 2022 € 7,5 miljard beschikbaar gesteld voor woningbouw en mobiliteit. Voor deze middelen zijn reeds ministeriële regelingen vastgesteld voor het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, te weten de Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur en de Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw.
Het kabinet-Schoof heeft € 2,5 miljard uit het Mobiliteitsfonds beschikbaar gesteld voor een goede bereikbaarheid en ontsluiting van nieuwe woningen in de grootschalige woningbouwlocaties en daarbuiten. Van deze middelen wordt € 1,2 miljard ingezet voor investeringen in bovenplanse infrastructurele voorzieningen binnen de grootschalige woningbouwlocaties waarmee de bouw van bereikbare woningen mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast wordt € 1,3 miljard ingezet voor investeringen in bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor woningbouwlocaties buiten de grootschalige woningbouwlocaties. Hiermee wordt woningbouw op korte termijn (start bouw binnen vijf jaar na het maken van bestuurlijke afspraken in de bestuurlijke overleggen) mogelijk gemaakt.
De voor het kalenderjaar 2026 beschikbaar gestelde middelen voor woningbouw en mobiliteit hebben enkel betrekking op gemeenten en openbare lichamen waarmee in januari 2026 afspraken zijn gemaakt in de bestuurlijke overleggen MIRT. Naast afspraken over financiering, zijn in de bestuurlijke overleggen MIRT van januari 2026 ook afspraken gemaakt over risicoverdeling, risicobeheersing, programmasturing en monitoring. Deze afspraken zijn in ook opgenomen in het geactualiseerde Plan van Aanpak Beheersing Woningbouw en Mobiliteit.5
Het doel van de inzet van middelen die door het kabinet Schoof beschikbaar zijn gesteld, sluit aan bij het doel van deze regeling. De middelen zijn bedoeld voor het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen voor de bereikbaarheid van nieuwe woningen. Over de verdeling zijn in de BO’s MIRT van januari 2026 afspraken gemaakt met de regionale overheden over o.a. de hoogte van de Rijksbijdrage, het aantal te realiseren woningen, de regionale cofinanciering. Ook zijn algemene afspraken gemaakt over de beheersing van het programma Woningbouw en Mobiliteit.
Naast deze middelen heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder: VRO) € 5 miljard beschikbaar gesteld voor woningbouw, waaronder middelen voor Gebiedsbudget voor de grootschalige woningbouwlocaties met een uitkeringsplafond6 van € 1.017.500.000, inclusief verrekenbare omzetbelasting, voor Gebiedsbudget voor de grootschalige woningbouwlocaties.7 Het Gebiedsbudget wordt in samenhang met de investeringen in bereikbaarheid ingezet. Investeringen in bereikbaarheid zijn nodig maar op zichzelf niet genoeg om voldoende nieuwe woningen in prettige en leefbare wijken te realiseren. Daarvoor zijn ook investeringen nodig in herinrichting van de openbare ruimte (bijvoorbeeld parken en pleinen), duurzaamheidsmaatregelen en het verwerven of verplaatsen van hindervormende activiteiten. Deze zogenoemde gebiedsmaatregelen, niet zijnde bovenplanse infrastructurele voorzieningen, zijn aantoonbaar nodig voor de realisatie van woningen binnen de grootschalige woningbouwgebieden. Een deel van het uitkeringsplafond voor Gebiedsbudget is gereserveerd voor de vier nieuwe grootschalige woningbouwgebieden die in de ontwerpNota Ruimte zijn aangewezen.8
Gemeenten die in aanmerking komen voor een bijdrage voor inzet in bovenplanse infrastructurele voorzieningen buiten de grootschalige woningbouwlocaties kunnen daarnaast aanspraak maken op de Woningbouwimpuls van VRO voor binnenplanse maatregelen. Binnenplanse maatregelen zijn maatregelen die onderdeel zijn van een gebiedsplan van een woningbouwwijk, zoals de aanleg van trottoirs en infrastructuur, verwerving, bodemsanering en groenvoorzieningen.
Deze regeling ziet uitsluitend op de Rijksbijdrage aan bovenplanse infrastructurele voorzieningen die vanuit het Mobiliteitsfonds wordt verstrekt. De financiering van het gebiedsbudget is gebaseerd op de Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget.
Bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn nodig voor de bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en de omliggende gebieden (bijv. verbetering doorgaande wegen en ongelijkvloerse spoorkruisingen). Alle gemeenten in Nederland (inclusief de Caribische gemeenten9) hebben in 2025 de mogelijkheid gehad om een voorstel te doen. Het beoordelingsproces heeft in het najaar van 2025 plaatsgevonden. In de brief van 12 januari 2026 aan de Tweede Kamer10 is het besluit van het Rijk bekendgemaakt ten aanzien van de woningbouw en de inzet van de mobiliteitsmiddelen en de voorstellen die zijn gehonoreerd. Tijdens de BO’s MIRT van januari 2026 is deze verdeling bevestigd in de vorm van bestuurlijke afspraken tussen Rijk en regio. Gemeenten en openbare lichamen waarvan de voorstellen gehonoreerd zijn, kunnen op basis van deze regeling een aanvraag doen voor een specifieke uitkering gericht op het versnellen van lokale woningbouw via investeringen in bovenplanse infrastructurele voorzieningen.
Beoordelingscriteria
Deze regeling stelt gemeenten en openbare lichamen in staat om bovenplanse infrastructurele voorzieningen te realiseren voor twee type afspraken: bestuurlijke afspraken voor woningbouwlocaties binnen de grootschalige woningbouwlocaties en bestuurlijke afspraken voor Woningbouw op Korte Termijn voor woningbouwlocaties buiten de grootschalige woningbouwlocaties.
Hieronder wordt het indienings- en beoordelingsproces in 2025 van beide type afspraken beschreven. In de BO’s MIRT van januari 2026 zijn afspraken voor beide typen afspraken gemaakt.
Woningbouw op Korte Termijn
In 2025 hebben alle gemeenten in Nederland, inclusief de Caribische gemeenten11, de mogelijkheid gekregen om een voorstel te doen voor woningbouwplannen op woningbouwlocaties waar met de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen binnen vijf jaar gestart kan worden met het bouwen van woningen.
Om gemeenten en openbare lichamen te ondersteunen bij het opstellen van deze voorstellen zijn informatiesessies georganiseerd. Tijdens deze sessies is een nadere toelichting gegeven op het proces, de gehanteerde spelregels en de afweegcriteria.
Voorstellen van decentrale overheden zijn getoetst aan vooraf vastgestelde criteria. Dit beoordelingsproces bestaat uit een eerste toets op zogeheten knock-outcriteria die werken als filters. De knock-outcriteria voor de voorstellen gericht op woningbouw op korte termijn zijn de volgende.
• Filter 1: volledigheid aangeleverde informatie: het formulier met bijlagen moet volledig ingevuld worden aangeleverd om het voorstel te kunnen beoordelen.
• Filter 2: minimaal 200 woningen.
• Filter 3: start bouw woningen: de bouw van de woningen start uiterlijk binnen vijf jaar na het bestuurlijk overleg MIRT 2025.
• Filter 4: de Rijksbijdrage dekt maximaal 65% van het financieel tekort. De minimale cofinanciering waar gemeenten voor moeten zorgdragen, bedraagt daarmee 35%.
• Filter 5: minimaal rendement. Maximale Rijksbijdrage van € 20.000,– (inclusief btw) per te realiseren woning.
• Filter 7: toets realisme en maakbaarheid. Voorstellen met te veel of te grote belemmeringen met onvoldoende beschreven mitigerende maatregelen op onder andere het gebied van stikstof, netcongestie, water en bodem, economie en de regionale cofinanciering zijn afgevallen.
• Filter 8: uitvoerbaarheidstoets door ProRail en/of Rijkswaterstaat. Infrastructurele voorzieningen die raken aan het areaal van Rijkswaterstaat en ProRail zijn getoetst op de benodigde inzet van deze partijen.
De resultaten van de beoordeling zijn bestuurlijk gewogen, waarbij er is gekozen om extra in te zetten op woningbouw op korte termijn, via onder andere doorbraaklocaties. Dit zijn locaties waar door diverse partijen wordt samengewerkt en een financiële afspraak leidt tot snellere realisatie van woningen.
Er zijn in totaal 182 voorstellen ontvangen uit alle delen van het land. Daarmee zijn voor de Woningbouw op Korte Termijn (verder: WoKT) aanzienlijk meer voorstellen ontvangen dan aan financiële middelen beschikbaar is. De beoordeling van deze WoKT-voorstellen heeft plaatsgevonden aan de hand van de vastgestelde criteria, waarna is geprioriteerd op rendement en de effecten op hoofdwegennet en het hoofdspoornet. Dit is gedaan door inhoudelijke en onafhankelijke experts en beoordelaars. Op basis van de criteria en de beoordeling worden 106 voorstellen gehonoreerd verspreid over 88 gemeenten, waaronder de drie Caribische gemeenten Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Het besluit om de voorstellen van de Caribische gemeenten te honereren is in de Kamerbrief van 10 november 2025 bekendgemaakt12. Deze 106 voorstellen tellen op tot de realisatie van ongeveer 145.000 woningen waarvan de bouw op korte termijn (laatste woning voor 2034) zal starten.
Grootschalige woningbouwlocaties
De grootschalige woningbouwlocaties hebben betrekking op de volgende locaties: Zaanstad Haven Stad, MRA West, MRA Oost, Rotterdam Oostflank, Den Haag CID-Binckhorst, Oude Lijn Leiden-Dordrecht, Utrecht Groot Merwede & Rijnenburg, Eindhoven Internationale Knoop XL, de Brabantse stedenrij, Groningen Suikerzijde, Groningen Stadshavens, Regio Foodvalley, Arnhem Spoorzone Oost, Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone, Zwolle Spoorzone, Amersfoort Spoor- en A1-zone, Alkmaars Kanaal, Apeldoorn Binnenstad, Spoor- en Kanaalzone, Cortelande, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede.
De gemeenten waarin bovengenoemde locaties zijn aangewezen hebben de gelegenheid gehad om een voorstel in te dienen waarin woningbouwaantallen, de daarvoor noodzakelijke bovenplanse infrastructurele voorzieningen en gebiedsmaatregelen en de gevraagde rijksbijdrage en bijbehorende regionale cofinanciering zijn opgenomen.
De voorstellen zijn beoordeeld aan de hand van een integraal afwegingskader dat is ontwikkeld voor de verdeling van de rijksmiddelen voor de grootschalige woningbouwlocaties. Dit afwegingskader is opgebouwd uit vier beoordelingsaspecten die gezamenlijk hebben geleid tot een zorgvuldige beoordeling van de ingediende voorstellen.
• A. Woningbouwwaarde
Bij de woningbouwwaarde is gekeken naar het woningbouwrendement, oftewel het aantal nieuwe woningen dat mogelijk wordt gemaakt ten opzichte van de gevraagde Rijksbijdrage. Hoe meer woningen (per geïnvesteerde euro), hoe hoger de score. De bouw van de laatste woningen dient uiterlijk in 2034 te starten. Ook is gekeken naar het zogeheten 'meeprofiteren': het aantal woningen buiten de grenzen van de grootschalige woningbouwlocatie en het aantal woningen dat na 2034 door de voorgestelde bovenplanse infrastructurele voorzieningen wordt ontsloten.
• B. Bereikbaarheidswaarde
• De bereikbaarheidswaarde bestaat uit twee componenten.
○ Bereikbaarheid en nabijheid voor nieuwe en bestaande inwoners: hierbij is beoordeeld in hoeverre de voorgestelde bovenplanse infrastructurele voorzieningen bijdragen aan een betere bereikbaarheid en nabijheid van werk, voorzieningen en andere functies voor bewoners binnen en rondom de woningbouwlocatie.
○ Effect op regionale bereikbaarheid en hoofdnetten: hierbij is gekeken naar de bijdrage van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen aan de robuustheid van het mobiliteitssysteem, waaronder het verminderen van drukte op weg- en spoorverbindingen.
• C. Randvoorwaarden en uitvoerbaarheid
Bij randvoorwaarden en uitvoerbaarheid is nadrukkelijk gekeken naar de juridische en fysieke uitvoerbaarheid van de plannen. Concreet is beoordeeld in hoeverre het aannemelijk is dat op termijn voldaan kan worden aan wet- en regelgeving rond stikstof, geluid, netcongestie en externe veiligheid. Daarnaast is door Rijkspartijen zoals Rijkswaterstaat en ProRail getoetst of de voorgestelde bovenplanse infrastructurele voorzieningen uitvoerbaar en maakbaar zijn binnen de bestaande netwerken en organisatiecapaciteit. Ook is rekening gehouden met water- en bodemopgaven (mitigatie en adaptatie).
• D. Gebiedswaarde
De gebiedswaarde richt zich op de bredere kwaliteit van het gebied en de toekomstige leefbaarheid. Beoordeeld is in hoeverre er sprake is van een goede balans tussen wonen, werken en voorzieningen, de beschikbaarheid van ruimte voor bedrijvigheid, de kwaliteit van de openbare ruimte en het groen, en aspecten als leefomgeving, veiligheid, gezondheid en energievoorziening. Plannen die bijdragen aan een duurzame, toekomstbestendige wijkontwikkeling, scoren hoger.
De door gemeenten ingediende voorstellen zijn integraal beoordeeld op basis van deze vier aspecten uit het afweegkader dat in juni 2025 aan de Tweede Kamer gestuurd.13 Naast bereikbaarheid en woningbouw is een toets gedaan op randvoorwaarden en de integrale ruimtelijke afweging binnen de grootschalige woningbouwlocaties. Hierbij is onder meer getoetst op de uitvoerbaarheid en het realisme van de afspraken. Daarbij is rekening gehouden met de capaciteit van Rijkswaterstaat en ProRail en de hardheid van de ingediende plannen.
De afspraken over een Rijksbijdrage, de regionale cofinanciering, de aantallen woningen en de bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn per grootschalig woningbouwgebied opgenomen in de afsprakenlijst van de BO’s MIRT van januari 2026 die als bijlage bij de brief over de uitkomsten aan de Tweede Kamer is verstuurd.14
Artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds maakt verstrekking van middelen uit het Mobiliteitsfonds aan (onder meer) gemeenten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen mogelijk ten behoeve van aanleg, verbetering, beheer en onderhoud en bediening van infrastructuur die door hen wordt beheerd. Tot infrastructuur worden ook gerekend de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de verkeersveiligheid, verkeersmanagement en bescherming van het milieu. Op de verstrekking van deze specifieke uitkeringen zijn de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet van toepassing. De wettelijke grondslag voor deze regeling is de Kaderwet subsidies I en M. Gelet op artikel 2 van de Kaderwet subsidies I en M is op de verstrekking van specifieke uitkeringen ook titel 4.2 (bepalingen over subsidies) van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van toepassing.
Voor het indienen van een subsidieaanvraag wordt een digitaal aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (verder: het Ministerie van IenW) zal dit formulier, ter beperking van de administratieve lasten voor gemeenten en openbare lichamen, waar mogelijk, vooraf invullen op basis van reeds beschikbare informatie. Daarnaast biedt het ministerie ondersteuning aan aanvragers bij het verder invullen van de aanvraag.
Een gemeente of openbaar lichaam kan Rijksmiddelen aanvragen voor de infrastructurele voorzieningen die zijn opgenomen in de propositie die voorafgaand aan het bestuurlijk overleg is voorgelegd en met het Rijk is afgestemd. Financiering van gehonoreerde voorstellen vanuit de Caribische gemeenten loopt niet via deze regeling, maar via een aparte regeling bijzondere uitkering onder Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting. Bij het verlenen van de specifieke uitkering bepaalt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (verder: minister) welk detailniveau van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen in de beschikking wordt vastgelegd. Dit draagt bij aan een uniform detailniveau voor alle aanvragers. Er wordt een detailniveau beoogd waarmee het doel van een goede ontsluiting van de woningbouwlocaties wordt gewaarborgd en dat tegelijkertijd ruimte biedt voor beperkte wijzigingen ten opzichte van de in de proposities beschreven voorzieningen. Zo kan binnen de in de beschikking omschreven voorziening – bijvoorbeeld een fietsverbinding – worden gekozen voor een andere uitwerking, zoals het realiseren van een fietsbrug in plaats van een fietstunnel, zonder dat hiervoor een formeel wijzigingsverzoek nodig is.
Indien de voorziening een mobiliteitshub betreft, moet worden aangegeven hoe voldaan wordt aan de door de minister gestelde voorwaarden aan mobiliteitshubs. Die voorwaarden zijn door de minister verstrekt in het kader van de voorbereiding en de indiening van voorstellen voor een Rijksbijdrage voor het realiseren van een mobiliteitshub.15
Bij de aanvraag dient een begroting van de infrastructurele voorzieningen en planning op basis van mijlpalen van de infrastructurele voorzieningen en de woningen te worden gevoegd. Hierin worden onder meer de kosten gespecificeerd. Indien van toepassing bevat de aanvraag ook informatie over de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub (opbrengsten uit exploitatie minus exploitatiekosten). Deze verwachte opbrengsten worden eenmalig vastgesteld voorafgaand aan het afgeven van het besluit tot verlening van de specifieke uitkering. De specifieke uitkering kan alleen worden verleend voor de realisatiekosten van de mobiliteitshub. Eventuele negatieve exploitatiesaldi en kosten voor beheer en/of onderhoud kunnen hier niet uit worden bekostigd. Daarnaast dienen aanvragers bij de aanvraag te specificeren welke delen van de hub een binnen- en welke delen een bovenplanse functie hebben. Deze specificatie bevat ten minste een beschrijving van de binnen- en bovenplanse functies en bijbehorende begrotingsposten. Bijvoorbeeld: geef voor een hubvoorziening met zowel faciliteiten voor bewonersparkeren als een park & ride functie aan hoe de verdeling van parkeerplaatsen voorzien is.
Daarnaast kan een samenwerkingsverband, dat bestaat uit maximaal vier gemeenten, een aanvraag indienen. Dit biedt kleinere gemeenten die ieder kleinschalige woningbouwlocaties hebben de mogelijkheid een specifieke uitkering aan te vragen voor de realisatie van bovenplanse infrastructurele voorzieningen. Daar zijn voorwaarden aan verbonden. Een aanvraag van een samenwerkingsverband betreft meerdere woningbouwlocaties, gelegen in verschillende aan elkaar grenzende gemeenten, met een bijbehorend pakket met bovenplanse infrastructurele voorzieningen. Een gebundelde aanvraag moet voldoen aan de volgende voorwaarden.
• De woningbouwlocaties bevinden zich in gemeenten die direct aan elkaar grenzen.
• De aanvraag betreft maximaal vier gemeenten.
• Elke afzonderlijke woningbouwlocatie omvat ten minste 100 woningen.
• Daarbij mag maximaal de helft van de opgenomen woningbouwlocaties groter zijn dan 200 woningen.
• Minimaal één bovenplanse infrastructurele voorziening moet alle opgenomen woningbouwlocaties betreffen.
• Alle deelnemende gemeenten dragen financieel bij aan de regionale cofinanciering.
• Eén van de deelnemende gemeenten treedt op als contactpunt en indiener van de aanvraag en is penvoerder.
• De penvoerder ontvangt, in geval van toekenning, de specifieke uitkering.
• Het samenwerkingsverband dient bij de aanvraag van een specifieke uitkering een samenwerkingsovereenkomst over te leggen waarin behalve het aantal woningen en de verdeling daarvan over de gemeenten ook afspraken zijn vastgelegd over de verdeling van de middelen, het aanwijzen van de penvoerder en de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen.
• De penvoerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouw en de bovenplanse infrastructurele voorzieningen in alle deelnemende gemeenten. In geval van afwijkingen of terugvordering van middelen, is de penvoerder het aanspreekpunt voor het Rijk. In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken gemaakt over de situatie dat terugvordering door het Rijk aan de orde is.
• De provincie kan niet optreden als penvoerder omdat zij niet zelf woningen realiseert, maar kan wel betrokken zijn bij de aanvraag indien de bovenplanse infrastructurele voorzieningen mede provinciale infrastructuur betreffen.
De mogelijkheid tot het indienen van een gezamenlijke aanvraag biedt ruimte aan regionale samenwerking tussen gemeenten die afzonderlijk de ondergrens van 200 woningen niet halen, maar gezamenlijk wel aan de voorwaarden kunnen voldoen. Zij hebben vaak moeite om zelfstandig woningbouwlocaties van minimaal 200 woningen te realiseren. Door samenwerking met omliggende gemeenten kunnen zij gezamenlijk in aanmerking komen voor een specifieke uitkering.
Ook gemeenschappelijke regelingen (openbare lichamen) als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen een aanvraag indienen, mits zij voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 7 van de regeling. Zo moet de gemeenschappelijke regeling bevoegd zijn voor de woningbouw en de bovenplanse infrastructurele voorzieningen en daar aantoonbaar verantwoordelijk voor zijn. Zo wordt geborgd dat het openbaar lichaam bevoegd is om de aanvraag in te dienen en de specifieke uitkering te beheren.
De specifieke uitkeringen worden gefinancierd uit het Mobiliteitsfonds en dienen bij te dragen aan het realiseren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van woningbouwplannen. Ook kosten die direct verband houden met de voorbereiding en uitvoering van de infrastructurele voorzieningen komen in aanmerking voor financiering. Dit betreft zogenoemde VTU-kosten (Voorbereiding, Toezicht en Uitvoering), mits deze binnen de beschikbare middelen vallen. Alleen kosten die zijn gemaakt na het maken van de afspraak in een bestuurlijk overleg MIRT- of Leefomgeving komen in aanmerking voor een Rijksbijdrage. Gemeenten dragen er zorg voor dat bij de inzet van de rijksbijdrage geen sprake is van dubbelfinanciering en dat kosten die via andere instrumenten worden gedekt, niet ook ten laste van deze regeling worden gebracht en dat hierover duidelijkheid wordt verschaft aan andere betrokken partijen. Kosten die zijn gemaakt vanaf het moment waarop het bestuurlijk overleg waarin de afspraken zijn vastgelegd heeft plaatsgevonden, komen in aanmerking voor deze regeling.
Voor bepaalde bovenplanse infrastructurele voorzieningen is het noodzakelijk dat de uitvoering in opdracht van een gemeente of openbaar lichaam door ProRail gebeurt, bijvoorbeeld de aanleg van een fietstunnel onder een spoorlijn. In dergelijke gevallen wordt de ‘Procedure derdenwerk ProRail 2024’16 gevolgd. De financiële risico’s voor de uitvoering van de werkzaamheden die door ProRail worden uitgevoerd zijn voor rekening van de gemeente die of het openbaar lichaam dat de opdracht heeft verleend.
Bij de verdere uitwerking van bovenplanse infrastructurele voorzieningen in of rond het spoor en het stationsgebied moet rekening worden gehouden met relevante beleidskaders zoals het Spoorbeeld, de Stationsagenda, de Actieagenda OV-knooppunten en het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032.
Voor de ontwikkeling en exploitatie van mobiliteitshubs wordt aangesloten bij de voorwaarden, leidraden en handreikingen van het Ministerie van IenW en Kennisplatform CROW, in het bijzonder Praktijkgids Mobiliteitshubs, Leidraad parkeren bij knooppunten en mobiliteitshubs (CROW – K-D105), Handreiking – ‘Naar een samenhangend netwerk van mobiliteitshubs en knooppunten’ (CROW – K-D128) en Handreiking – ‘Energie en mobiliteitshubs Op weg naar integrale hubs’ (CROW – K-D129).
Bij de inzet van de onder deze regeling toegekende gelden door de gemeenten en openbare lichamen bij het uitvoeren van de projecten dienen gemeenten en openbare lichamen de van toepassing zijnde Europese staatssteunregels en aanbestedingsregels in acht te nemen. Gemeenten en openbare lichamen hebben een zelfstandige verantwoordelijkheid om te waarborgen dat geen verboden staatssteun wordt verstrekt.
Omdat de specifieke uitkering onder meer besteed kan worden aan door derden verleende diensten, is het van belang dat de gemeenten bij de besteding alert zijn op de – Europese – regels inzake staatssteun.
De middelen voor het pakket met bovenplanse infrastructurele voorzieningen worden via voorschotten verstrekt. Het aantal voorschottermijnen en de hoogte van de voorschotten worden mede gebaseerd op de liquiditeitsbehoefte van de aanvragers en vastgesteld in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering. Voorschotten worden tot aan het moment van uitkeren jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig het door de Minister van Financiën aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat uitgekeerde percentage Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI). De rijksbijdragen die zijn afgesproken in de bestuurlijke overleggen MIRT van januari 2026 zijn vastgesteld op prijspeil 2025. Dit vormt het uitgangspunt voor de bedragen zoals deze in de regeling en de daarop gebaseerde beschikkingen worden gehanteerd. Tot het moment van uitkeren worden met ingang van 2026 de toegekende bedragen jaarlijks geïndexeerd met het door het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van IenW toegekende IBOI-percentage.
Ontvangers van de specifieke uitkering leggen verantwoording af over de besteding ervan volgens de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet indien het gemeenten betreft. Indien het een openbaar lichaam betreft, wordt verantwoording afgelegd volgens artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De verantwoording geschiedt via de SiSa-systematiek (single information, single audit).
Voor zover een gemeente een uitkering heeft door verstrekt aan één of meerdere gemeenten, legt die gemeente of die gemeenten verantwoording af over de besteding van de uitkering met toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.
Daarnaast verstrekt de ontvanger jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risico’s en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen en gekoppelde woningbouw waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie(s). Indien de voorziening een mobiliteitshub betreft wordt hierin specifiek ingegaan op de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b. De minister stelt hiervoor een invulformulier beschikbaar.
Wanneer een ontvanger niet voldoet aan de voorwaarden van deze regeling, kan de minister besluiten om voorschotten in te houden. Ook stopzetten van het project behoort tot de mogelijkheden. Wanneer uiteindelijk niet aan de voorwaarden uit de regeling en beschikking wordt voldaan kan de specifieke uitkering lager worden vastgesteld dan het bedrag dat eerder is toegekend in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering.
Terugvordering of gedeeltelijke terugvordering is een uiterste stap. In het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit staat omschreven wanneer sprake kan zijn van (gedeeltelijke) terugvordering. Er wordt een zorgvuldig proces doorlopen waarin afwijkingen worden gesignaleerd en geanalyseerd. Waar mogelijk wordt binnen de gestelde kaders van deze regeling en het Plan van Aanpak beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit bijgestuurd. Uitgangspunten die bij de vaststelling van de hoogte van de eventuele terugvordering worden meegenomen zijn de mate van verwijtbaarheid en de mate van evenredigheid tussen achterblijvende prestaties en de hoogte van de terugvordering. Aan de hand van die beoordeling zal vastgesteld worden wat de passende maatregel is en of terugvordering aan de orde is.
Gedurende de uitvoering van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen vindt actieve monitoring plaats met de inzet van gebiedsteams en eventueel inzet van experts. Hierbij worden voortgang en knelpunten periodiek in beeld gebracht en besproken tijdens voortgangsgesprekken tussen Rijk en regio en zo nodig in het Directeurenoverleg Woningbouw en Mobiliteit.
Bij de beoordeling van wijzigingsverzoeken wordt onder meer gekeken naar de verwijtbaarheid van de afwijking, de impact op het resterende tekort en de regionale cofinanciering en de gevolgen voor het doelbereik van het project en het programma. Indien van toepassing wordt eerst aanvullende expertise ingezet of wordt bijgestuurd op basis van overleg met de betrokken partijen. Als nader overleg en daaruit voortvloeiende (versoberings)maatregelen niet voldoende soelaas bieden wordt (gedeeltelijke) terugvordering overwogen.
In veel gevallen kunnen wijzigingen in de planning, het budget of de aard van de maatregelen binnen de bestaande afspraken of via een formele wijziging van de beschikking worden vastgesteld. Bij een wijziging van een infrastructurele voorziening kan ook de modaliteit worden gewijzigd, bijvoorbeeld van fietsvoorziening naar OV-voorziening of andersom. Voorwaarde is dat de gewijzigde infrastructurele voorziening niet ten koste gaat van de ontsluiting van de woningbouwlocatie waarvoor de maatregel oorspronkelijk was bedoeld. Indien nodig kan een expert worden ingezet om te beoordelen of het gewijzigde pakket aan infrastructurele voorzieningen nog steeds in balans is en past binnen de doelstellingen van de regeling.
Als er sprake is van verwijtbare substantiële of structurele afwijkingen met negatieve gevolgen voor de beoogde resultaten die niet kunnen worden hersteld binnen de gestelde kaders en afspraken, zoals het niet realiseren van het afgesproken aantal woningen, het niet uitvoeren van bovenplanse infrastructurele voorzieningen, of een sterk afwijkende planning zonder onderbouwing of goedkeuring, kan de minister besluiten tot (gedeeltelijke) terugvordering.
Indien de minister overgaat tot terugvordering, geldt op grond van artikel 4:87 van de Awb dat het terug te betalen bedrag binnen zes weken na de bekendmaking van het terugvorderingsbesluit moet worden voldaan, tenzij in de beschikking een latere datum is opgenomen. Als de terugbetaling niet binnen deze termijn plaatsvindt, is de ontvanger op grond van artikel 4:98 van de Awb tevens wettelijke rente verschuldigd.
Indien zich tijdens de uitvoering van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen een financieel tekort voordoet, kan de minister in uitzonderlijke gevallen besluiten om de specifieke uitkering te verhogen zoals aangegeven in de artikelen 4 en 15. Dit is echter alleen mogelijk indien het begrotingsplafond dit toelaat, bijvoorbeeld wanneer eerder toegekende middelen zijn vrijgevallen. Voordat een verhoging van de Rijksbijdrage wordt overwogen, wordt het proces doorlopen zoals beschreven in het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit. Hierin zijn de volgende principes opgenomen bij het voordoen van tekorten en onvermijdbare kostenstijgingen.
1. Het optimaliseren binnen gewenste scope en budget.
2. Indien geen gewenst effect, het aanpassen van de scope (binnen budget).
3. Het faseren, uitstellen of stopzetten van het project.
4. Het programmatisch faseren van projectenportefeuille in de grootschalige woningbouwlocaties.
Bij de beoordeling of bovenstaande principes voldoende zijn verkend en toegepast, wordt een expert ingezet en wordt advies gevraagd aan het gebiedsteam. Uiteindelijk wordt op basis hiervan een advies opgesteld dat wordt voorgelegd aan de directeuren van het programma Woningbouw en Mobiliteit (van het Ministerie van IenW) in het Directeurenoverleg Woningbouw en Mobiliteit.
Wanneer een gemeente of een openbaar lichaam omzetbelasting betaalt die in aanmerking komt voor compensatie via het BTW-compensatiefonds, is het Rijk verplicht dit bedrag bij het verstrekken van de uitkering over te dragen aan het BTW-compensatiefonds. Deze overdracht gebeurt op basis van een onderbouwing van het compensabele bedrag, die door de gemeente bij de aanvraag wordt meegeleverd. Het bedrag aan compensabele omzetbelasting wordt meegeteld bij de beoordeling of het maximumbedrag, zoals vastgesteld in de afsprakenlijst van een bestuurlijk overleg, is bereikt.
Uitgangspunt van de regeling is een taakstellende toekenning van de specifieke uitkering. Eventuele kostenverhogingen als gevolg van aanpassingen in de projectomvang (scope) of andere risico’s komen in principe voor rekening van de ontvanger, eventueel in samenwerking met andere financieringspartners zoals provincies, vervoerregio’s en marktpartijen.
Om ervoor te zorgen dat de projectomvang en het taakstellend toegekende budget met elkaar in balans blijven, dienen gemeenten of openbare lichamen risico’s actief te beheersen en versoberingsopties in beeld te brengen. In het kader van de jaarlijkse uitvraag van beleidsinformatie wordt aan gemeenten gevraagd op welke manier zij invulling geven aan risicobeheersing.
Eventueel kan de inzet van een expert op het gebied van woningbouw en mobiliteit hierbij een helpende hand bieden. Het Rijk heeft hierover nadere afspraken vastgelegd in het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit. De programmabeheersing zoals beschreven in dat plan is van toepassing op alle afspraken over woningbouw en mobiliteit die zijn gemaakt tijdens de bestuurlijke overleggen Leefomgeving en de bestuurlijke overleggen MIRT en op eventuele toekomstige afspraken.
Wanneer een (nieuw) kabinet na het kalenderjaar 2026 middelen beschikbaar stelt voor nieuwe woningbouw en mobiliteitsafspraken waarvoor op grond van deze regeling een specifieke uitkering kan worden verleend, kan de minister het daarbij behorende uitkeringsplafond in de Staatscourant bekend maken. In die bekendmaking wordt tevens aangegeven dat de aanvraagperiode is opengesteld.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
In de periode van 10 februari 2026 tot en met 10 maart 2026 is voor deze regeling een internetconsultatie uitgevoerd. In totaal zijn 18 reacties ontvangen van onder meer gemeenten, provincies en andere betrokken partijen. De reacties hadden met name betrekking op de uitvoerbaarheid van de regeling, de financiële systematiek en de mate van flexibiliteit in de toepassing. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste thema’s.
Beleidsdoelen van de regeling
Enkele reacties hadden betrekking op het doel van de regeling en op de rol van brede welvaart, SDG-doelen en meervoudige waardecreatie. Ook is gesuggereerd om, naast nieuwbouw, sterker in te zetten op het verhogen van de bezettingsgraad van bestaande woningen, bijvoorbeeld via financiële prikkels voor huishoudens. Daarnaast is aandacht gevraagd voor het ontbreken van een expliciet criterium voor het aandeel betaalbare woningen in de regeling en de onzekerheid die kan ontstaan door toekomstige wetgeving, zoals de Wet versterking regie volkshuisvesting. Ook is gevraagd of kan worden uitgegaan van bruto toevoeging van woningen. Verder is gewezen op het belang van het expliciet opnemen van voetgangersinfrastructuur als onderdeel van de maatregelen die voor financiering in aanmerking komen.
De regeling richt zich primair op het realiseren van woningen en het verbeteren van bereikbaarheid. Daarom zijn geen bindende eisen opgenomen ten aanzien van SDG’s of brede welvaartsindicatoren. Ten aanzien van Brede Welvaart wordt verkend hoe eerdere investeringen in bereikbare woningen onder het programma Woningbouw en Mobiliteit doorwerken op Brede Welvaart zodat dergelijke aspecten in de toekomst in de afwegingen kunnen worden betrokken.
Dat het beter benutten van de bestaande woningvoorraad kan bijdragen aan het verlichten van de druk op de woningmarkt wordt erkend. Hier wordt door het Rijk reeds op ingezet, bijvoorbeeld door het creëren van extra woningen binnen bestaande gebouwen (zoals optoppen en transformatie) en door het bevorderen van woningdelen en het tegengaan van leegstand. Beter benutten door bijvoorbeeld het verhogen van de bezettingsgraad is echter geen expliciet doel van deze regeling. Deze regeling richt zich op het bouwen van nieuwe bereikbare woningen. Hierbij geldt dat wanneer deze nieuwe woningen als ook de bestaande woningen een hogere bezettingsgraad krijgendat dan wel bijdraagt aan het verminderen van het woningtekort.
De betaalbaarheid van woningen is geen criterium geweest bij de verdeling van de tot nu toe onder deze regeling vallende middelen. Het is mogelijk dat bij toekomstige middelen dit criterium wel wordt toegepast, waarbij de regeling zo nodig wordt aangepast. Bij de aanvraag wordt wel gevraagd naar het woningbouwprogramma. Indien blijkt dat gemeenten niet voldoen aan de geldende en toekomstige wet- en regelgeving, waaronder de Wet versterking regie volkshuisvesting, worden zij hierop gewezen.
In deze regeling wordt uitgegaan van netto toevoeging aan de woningvoorraad, dat wil zeggen het aantal gerealiseerde woningen minus eventuele sloop. Naar aanleiding van deze vraag is de toelichting op dit punt verduidelijkt.
Ten aanzien van voetgangersinfrastructuur wordt het belang van goede voorzieningen voor voetgangers onderschreven. De regeling biedt ruimte om middelen in te zetten voor maatregelen die bijdragen aan een goede en veilige ontsluiting voor voetgangers. In de praktijk zal vaak sprake zijn van integrale maatregelen, waarbij bijvoorbeeld fiets- en voetgangersinfrastructuur in samenhang worden gerealiseerd. Naar aanleiding van de consultatiereactie wordt in de toelichting expliciet een voorbeeld opgenomen waarin voetgangersinfrastructuur wordt genoemd als type maatregel dat voor financiering in aanmerking kan komen.
Subsidiabele kosten en startmoment
Meerdere reacties hadden betrekking op het moment vanaf wanneer kosten subsidiabel zijn. Daarbij werd gewezen op een mogelijke spanning tussen de datum van het bestuurlijk overleg en de datum van inwerkingtreding van de regeling. Ook is door enkele gemeenten aandacht gevraagd voor het startmoment van subsidiabele kosten voor inframaatregelen bij grootschalige woningbouwlocaties waarvoor nog geen bestuurlijke afspraken zijn gemaakt.
Naar aanleiding hiervan is in de toelichting van de regeling verduidelijkt dat het mogelijk is dat kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling voor vergoeding in aanmerking komen, mits deze passen binnen de gemaakte bestuurlijke afspraken en voldoen aan de voorwaarden van de regeling. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk binnen eerdere regelingen voor het programma Woningbouw en Mobiliteit, waarbij dergelijke kosten via de SiSa-verantwoording kunnen worden opgevoerd.
Het uitgangspunt van de regeling blijft dat kosten voor inframaatregelen pas subsidiabel zijn vanaf het moment dat hierover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Het maken van een uitzondering hierop wordt niet wenselijk geacht, mede vanuit het gelijkheidsbeginsel: een dergelijke aanpassing zou ook voor andere gemeenten en projecten moeten gelden. Daarnaast is de regeling bewust toekomstvast vormgegeven, zodat deze ook kan worden toegepast op toekomstige afspraken. Indien kosten die zijn gemaakt vóór bestuurlijke afspraken subsidiabel zouden worden, zou de koppeling tussen afspraken en financiering worden losgelaten. Dit brengt risico’s met zich mee voor de sturing en controle op gemaakte afspraken en voor de beoordeling van de doelmatigheid van kosten. Om deze redenen wordt het uitgangspunt gehandhaafd dat kosten voor inframaatregelen pas subsidiabel zijn vanaf het moment dat hierover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt.
Aanvraagtermijn
Verschillende partijen hebben aandacht gevraagd voor de aanvraagtermijn, mede in relatie tot bestuurlijke besluitvorming en recesperiodes.
De aanvraagtermijn is vastgesteld met het oog op uitvoerbaarheid binnen het ministerie, waaronder de wettelijke verplichting om binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag een beschikking te versturen. Daarbij is er nadrukkelijk naar gestreefd om de gemaakte bestuurlijke afspraken zo snel mogelijk en waar mogelijk nog in hetzelfde jaar in beschikkingen vast te leggen, zodat dit tijdig duidelijkheid en zekerheid biedt aan alle betrokken partijen. Om gemeenten te ondersteunen bij de voorbereiding, zal het aanvraagformulier ruim vóór de openstelling van de regeling beschikbaar worden gesteld.
Samenwerkingsovereenkomsten
In de consultatie zijn vragen gesteld over de toepassing van artikel 7 en 8 en de noodzaak van samenwerkingsovereenkomsten.
In de toelichting is verduidelijkt dat een enkele gemeente een aanvraag kan indienen, ook wanneer sprake is van regionale cofinanciering of maatregelen die (deels) buiten de eigen gemeentegrenzen plaatsvinden. Alleen wanneer sprake is van een gezamenlijk ingediende propositie door meerdere gemeenten, waarbij in alle gemeenten woningen worden gerealiseerd en gezamenlijk wordt bijgedragen aan de cofinanciering, is artikel 8 van toepassing en is een samenwerkingsovereenkomst vereist. In andere gevallen staat het partijen vrij om afspraken onderling vast te leggen, zonder dat dit een verplichting vanuit de regeling is.
Compensabele btw
Een aantal reacties zag op de omgang met het compensabele btw-percentage. Daarbij is ook gewezen op een mogelijke onduidelijkheid tussen de artikelen 4, 5 en 6 van de regeling over de vraag of bedragen inclusief of exclusief compensabele btw moeten worden beschouwd.
Van aanvragers wordt verwacht dat zij bij de aanvraag een zo realistisch mogelijke inschatting maken van het compensabele btw-deel. Gemeenten die een bestuurlijke afspraak in het Bestuurlijk Overleg MIRT van januari 2026 hebben gemaakt hebben eerder in het propositieformulier de gevraagde rijksbijdrage inclusief compensabele btw moeten aangeven. Op deze gevraagde rijksbijdrage is het bedrag dat in het bestuurlijk overleg MIRT van januari 2026 gebaseerd. Het bedrag aan compensabele btw dat de gemeente bij de aanvraag van deze regeling opgeeft, wordt overgeheveld naar het btw-compensatiefonds, waarna gemeenten dit via het btw-compensatiefonds kunnen declareren.
Verantwoording en monitoring
Er zijn vragen gesteld over de verhouding tussen beleidsinformatie en de SiSa-verantwoording en welke minimale eisen gelden voor governance en projectcontrol.
De beleidsinformatie is een aanvullend instrument naast de SiSa-verantwoording en richt zich op kwalitatieve informatie over voortgang en risico’s. Hierop vindt geen afzonderlijke accountantscontrole plaats. Om administratieve lasten te beperken, kan waar mogelijk worden aangesloten bij bestaande voortgangsinformatie. Het format voor de beleidsinformatie zal tijdig beschikbaar worden gesteld en sluit aan bij eerder gebruikte formats binnen vergelijkbare regelingen onder het programma Woningbouw en Mobiliteit.
Het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit stelt geen vaste minimale eisen aan governance of projectcontrol binnen gemeenten. Wel wordt verwacht dat gemeenten projecten zelf beheersen met duidelijke rollen en verantwoordelijkheden, dat gemeenten periodiek de voortgang bijhouden zodat deze tijdig kan worden aangeleverd bij de voortgangsrapportages (beleidsinformatie) en dat de risico’s worden geïdentificeerd en beheerst. Ook zijn gemeenten verplicht om het te melden wanneer een project vertraagt of wanneer er iets wijzigt in het plan waarover afspraken zijn gemaakt in de beschikking.
Wijzigingsbeleid
Diverse reacties hadden betrekking op de mate van flexibiliteit binnen de regeling, waaronder de mogelijkheid tot wijziging van projecten en het omgaan met onvoorziene omstandigheden.
De regeling biedt ruimte voor maatwerk via wijzigingsverzoeken. Indien zich tijdens de uitvoering wijzigingen voordoen in planning, scope of kosten, kan een verzoek worden ingediend. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de mate van verwijtbaarheid (bijzondere omstandigheden), proportionaliteit en de mogelijkheid tot bijsturing. Per geval wordt bekeken of de vertraging verwijtbaar of niet-verwijtbaar (bijzondere omstandigheden) is. Bij verwijtbare omstandigheden gaat het om oorzaken die binnen de invloedsfeer van de gemeenten liggen. Bij niet-verwijtbare omstandigheden gaat het om externe omstandigheden die buiten hun invloedsfeer liggen.
Binnen een beschikking is het mogelijk om middelen te schuiven tussen maatregelen, mits dit past binnen de afgesproken doelen.
Het is toegestaan om gefaseerd te starten met de bouw van woningen. Dit betekent dat niet voor alle woningen geldt dat de bouw vóór de starttermijn hoeft te zijn gestart. De uiterste termijn voor de start van de bouw van de laatste woning wordt daarnaast ook vastgelegd in de beschikking.
Ten aanzien van de start- en einddata in de beschikking is begrip voor de zorgen over mogelijke vertragingen door externe factoren. Tegelijkertijd wordt in het licht van de nationale doelstelling om de woningbouwproductie te versnellen vastgehouden aan de termijnen zoals afgesproken in de bestuurlijke overleggen MIRT. Wel is voorzien in flexibiliteit: bij niet-verwijtbare vertragingen kunnen gemeenten een wijzigingsverzoek indienen om de planning aan te passen.
Inzet van vrijvallende middelen
In een aantal reacties is verduidelijking gevraagd op de inzet van vrijgevallen middelen. Ook is voorgesteld is om vrijvallende middelen opnieuw beschikbaar te stellen aan projecten die eerder niet zijn gehonoreerd.
In principe worden de rijksbijdragen taakstellend verleend. Vrijgevallen middelen worden niet automatisch opnieuw verdeeld. Als middelen vrijkomen, kan de minister besluiten deze opnieuw in te zetten.
Gemeenten dienen altijd in voortgangsgesprekken of voortgangsrapportages aan te geven wanneer er sprake is van een financieel tekort. Als er vrijgevallen middelen zijn en met de gemeente zijn alle mogelijkheden tot versobering en alternatieven verkend dan kan er een bestuurlijke afspraak worden gemaakt om dit tekort deels vanuit het Rijk te dekken. Na het maken van een bestuurlijke afspraak dient vervolgens de gemeente een aanvraag voor een aanvullende rijksbijdrage. De regeling noemt geen vast moment waarop vrijgevallen middelen opnieuw beschikbaar worden gesteld; dit gebeurt alleen wanneer middelen vrijkomen en de minister besluit ze opnieuw in te zetten.
Vrijgevallen middelen worden in beginsel ingezet voor het opvangen van tekorten binnen reeds beschikte projecten, om de uitvoering van bestaande afspraken te borgen. De mogelijkheid op aanvullende middelen (onder voorwaarde dat er vrijvallende middelen beschikbaar zijn en de minister besluit deze in te zetten) hangt af van het voorafgaande beoordelingsproces van het wijzigingsverzoek, waarin wordt vastgesteld of er geen andere opties zijn dan extra financiering.
Caribische gemeenten
In de consultatie is aandacht gevraagd voor de positie van de Caribische gemeenten Saba, Sint Eustatius en Bonaire.
Voor deze gemeenten geldt dat zij eveneens middelen toegekend hebben gekregen voor woningbouw en mobiliteit, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 10 november 202517. Voor de uitvoering hiervan wordt een afzonderlijke regeling opgesteld, met dezelfde voorwaarden als de onderhavige regeling, zodat de toegekende middelen daadwerkelijk aan deze gemeenten kunnen worden uitgekeerd.
Vanwege wetstechnische beperkingen kunnen vanuit het Mobiliteitsfonds geen middelen rechtstreeks aan de Caribische gemeenten worden verstrekt. Door middel van een aparte regeling, gebaseerd op een andere begrotingsgrondslag, kunnen de toegekende middelen echter alsnog naar deze gemeenten worden overgeheveld.
Verhouding specifieke uitkering, kostenverhaal en staatssteun
Ter voorkoming van dubbelfinanciering en voor evenwichtige toerekening van kosten en voordelen benadrukken Aedes en NEPROM het belang van duidelijkheid over de verhouding van de specifieke uitkering tot het kostenverhaal en anterieure overeenkomsten,. Ook wijzen zij op rechtszekerheid rond mogelijke staatssteunaspecten en op het belang van vroegtijdige betrokkenheid van opdrachtgevers, omdat mobiliteitsmaatregelen de fasering, programmering en financiële haalbaarheid van woningbouwprojecten beïnvloeden.
Het uitgangspunt van de regeling is dat gemeenten afspraken maken met ontwikkelaars over het kostenverhaal en de mobiliteitsmaatregelen, in lijn met bestaande praktijk. Gemeenten beoordelen daarbij ook of sprake kan zijn van staatssteun.
Afstemming met opdrachtgevers is essentieel om te waarborgen dat mobiliteitsmaatregelen goed aansluiten bij de woningbouwontwikkeling.
In de toelichting wordt een passage opgenomen over de verhouding met het bestaande instrumentarium, aandacht voor staatssteun en het belang van afstemming met opdrachtgevers. De regeling voorziet in een rijksbijdrage voor het deels dekken van het resterend tekort voor bovensplanse infrastructurele voorzieningen; gemeenten blijven verantwoordelijk voor de uitvoering en dat deze binnen de daarvoor geldende spelregels gebeurt.
Procesinnovatie en versnelling van woningbouw
Enkele respondenten hebben geadviseerd om bij de toekenning van de uitkering prioriteit te geven aan gemeenten die inzetten op procesinnovatie, zoals digitale vergunningverlening, parallelle uitvoering van infrastructuur en bouw, en verkorte bezwaarprocedures.
De minister onderschrijft het belang hiervan. Bovenplanse infrastructurele voorzieningen zijn cruciaal voor het ontsluiten van bouwlocaties en het versnellen van woningbouwprojecten. Gemeenten worden gestimuleerd hun uitvoering te versnellen en krijgen zonnodig ondersteuning van een expert uit het expertteam met bijvoorbeeld parallel plannen en eventuele knelpunten in de uitvoering.
Daarnaast is door het Ministerie van BZK een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw (TVW) ingesteld om regels te schrappen, versoepelen of versimpelen en de regeldruk te verminderen. Dit omvat onder meer bezwaarprocedures, huurmarktregels en bouwnormen, evenals evaluaties van de Wet betaalbare huur om het aanbod van huurwoningen te verbeteren.
Prijspeil en indexatie
Enkele reacties hadden betrekking op het gehanteerde prijspeil en de indexatie van de rijksbijdragen. Daarbij is gewezen op een mogelijke onduidelijkheid tussen de prijspeilen die zijn gebruikt bij de bestuurlijke afspraken en de formulering in de regeling.
De rijksbijdragen die zijn afgesproken in de bestuurlijke overleggen MIRT van januari 2026 zijn vastgesteld op prijspeil 2025. Dit vormt het uitgangspunt voor de bedragen zoals deze in de regeling en de daarop gebaseerde beschikkingen worden gehanteerd. Eventuele voorschotten die in het najaar van 2026 worden uitgekeerd, worden geïndexeerd met de IBOI van 2026. Met ingang van 2026 worden tot het moment van uitkeren de toegekende bedragen jaarlijks geïndexeerd worden met de door het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van IenW toegekende IBOI-percentage.
Mobiliteitshubs
In de consultatie zijn diverse aandachtspunten naar voren gebracht met betrekking tot mobiliteitshubs, waaronder de afbakening tussen bovenplanse en binnenplanse voorzieningen, de omgang met exploitatie en opbrengsten, eigendom en beheer, de toepassing van de nationale hub-identiteit en de bijbehorende dataverplichtingen.
Ten aanzien van de afbakening wordt erkend dat mobiliteitshubs in de praktijk een hybride karakter kunnen hebben. In die gevallen komt uitsluitend het bovenplanse deel voor subsidie in aanmerking.
Bij de aanvraag dienen gemeenten te onderbouwen welk deel van het geheel binnenplans en welk deel bovenplans is. Bij de beoordeling wordt definitie uit artikel 1 in de regeling gehanteerd (‘infrastructuur die nodig is voor de ontsluiting en bereikbaarheid van een woningbouwlocatie en tegelijkertijd wordt gebruikt voor de ontsluiting en bereikbaarheid van bestaande wijken of locaties”). Omdat dit voor mobiliteitshubs nog veel ruimte voor interpretatie laat zal het aanvraagformulier concrete vragen bevatten waarmee deze definitie meer ingekaderd wordt.
Mobiliteitshubs komen met onzekerheden over de exploitatieopbrengsten en in veel gevallen negatieve exploitaties in de eerste jaren. Gemeenten dragen die risico’s en kosten, en dienen hiermee rekening mee te houden. Het is van belang dat gemeenten een realistische inschatting van de kosten en opbrengsten maken, en daarbij inzicht geven in de aannames die zij doen. In het SPUK aanvraagformulier zal hier expliciet naar worden gevraagd en op worden beoordeeld. Om gemeenten ruimte te bieden voor maatwerk en hun eigen condities doen wij op voorhand geen inkadering van de aannames die daarbij zijn toegestaan. Mochten er in het plan wijzigingen optreden waardoor er noodzaak ontstaat voor de herziening van de mobiliteitshub geldt het reguliere proces voor wijzigingsverzoeken.
De voorwaarde dat de mobiliteitshub in beheer en eigendom van de gemeente is, is een afgeleide van de wet mobiliteitsfonds (artikel 2, tweede lid, onder a). Daarin staat dat alleen uitgaven voor voorzieningen die in beheer zijn van een gemeente of provincie voor financiering uit het Mobiliteitsfonds in aanmerking komen voor een subsidie. In situaties waarbij hubs onderdeel vormen van een publiek-private samenwerking zal per geval moeten worden bezien of en hoe dit past binnen het wettelijke kader.
De dataverplichtingen gelden vanuit de Europese verordening, en zijn ook zonder deze regeling voor iedere gemeente en betrokken private dienstverleners van kracht. Met deze voorwaarde worden gemeenten geattendeerd op deze verplichting, zodat zij tijdig goede afspraken hierover kunnen maken met mobiliteitsaanbieders waarmee ze samenwerken. De zorg dat kleinere gemeenten niet over de kennis beschikken wordt gedeeld. Waar mogelijk wordt ondersteuning geboden, onder meer via het programma Mobiliteitshubs en de samenwerkingsverbanden van Nederlandse overheden voor de digitaliseringsopgaven. Bijvoorbeeld door modelteksten op te stellen die gemeenten kunnen gebruiken in hun afspraken met aanbieders. De suggestie van een minimale dataset wordt in overweging genomen. Daarbij wordt rekening gehouden met geldende wet- en regelgeving, waaronder de AVG.
Voorhang
Een concept van deze regeling is op 24 april 2026 overeenkomstig artikel 7, vierde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds voorgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op 20 mei 2026 heeft de Vaste Commissie voor Infrastructuur en Waterstaat besloten de regeling voor kennisgeving aan te nemen. De voorhang heeft daarmee niet tot wijzigingen in de regeling geleid.
Deze regeling wordt zowel tussentijds in 2034 als na afloop in 2039 geëvalueerd. Beide evaluatiemomenten richten zich op het beoordelen van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de regeling. Met de evaluaties wordt nagegaan of de financiële bijdrage van het Rijk gemeenten en openbare lichamen daadwerkelijk in staat heeft gesteld om de benodigde bovenplanse infrastructurele voorzieningen uit te voeren bij woningbouwlocaties en of daarbij het afgesproken aantal woningen is gerealiseerd. Bij de beoordeling van de doelmatigheid wordt gekeken naar de verhouding tussen de ingezette middelen en de behaalde resultaten of effecten.
De regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2026, een van de vaste verandermomenten voor ministeriële regelingen. De regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2039. Zij blijft echter van toepassing op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.
Dit artikel bevat de begripsbepalingen.
Infrastructurele voorzieningen zijn voorzieningen die vallen onder het begrip infrastructuur zoals omschreven in de Wet Mobiliteitsfonds: onroerende zaken ten behoeve van verkeer of vervoer van personen of goederen met daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van verkeersveiligheid, verkeersmanagement en bescherming van het milieu.
Ingevolge de definitie wordt met een openbaar lichaam bedoeld een openbaar lichaam dat alleen bestaat uit gemeenten (artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dat staat in hoofdstuk I ‘Regelingen tussen gemeenten’). Een openbaar lichaam, bestaande uit bijv. gemeenten en provincies of alleen provincies komt niet in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling.
Tijdelijke woningen vallen niet onder de reikwijdte van deze regeling. Dat vloeit voort uit de definitie van woning. Deze definitie is identiek aan die van woning in de Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget. Vanuit duurzaamheidsperspectief is het niet wenselijk dat infrastructurele voorzieningen, zoals wegen, fietstunnels, busbanen, die als permanente voorzieningen zijn bedoeld, een aantal jaren na de aanleg daarvan niet functioneel meer zijn omdat er geen woningen meer staan.
Het doel van de regeling is toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 3 is geregeld dat een specifieke uitkering kan worden verleend voor de realisatie van lokale of regionale bovenplanse infrastructurele voorzieningen. Die voorzieningen maken deel uit van een pakket aan bovenplanse infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor de bereikbaarheid van een nieuwe woningbouwlocatie of van een groep van woningbouwlocaties, zoals aanpassingen van wegen, (fiets)tunnels, mobiliteitshubs, aanpassingen rond (bus)stations en aanleg van fietsroutes. Gemeenten en openbare lichamen mogen niet in aanmerking komen voor een specifieke uitkering op grond van de Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten of de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023–2027. In de bestuurlijke overleggen MIRT en de bestuurlijke overleggen Leefomgeving worden afspraken gemaakt over de aard van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen, de planning en realisatie daarvan, het aantal te bouwen woningen en de financiering van de afspraken. Voor de wijze waarop die afspraken tot stand komen, wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 4, tweede lid, van de Kaderwet subsidies I en M schrijft voor dat in een op die wet gebaseerde regeling moet worden voorzien in de vaststelling van een uitkeringsplafond en een wijze van verdeling hiervan. Artikel 4, eerste lid, van deze regeling bevat het uitkeringsplafond voor 2026. In dat jaar is € 1.460.844.370 beschikbaar. Indien en voor zover er na 2026 middelen beschikbaar zijn voor woningbouw en mobiliteit, kan de minister een uitkeringsplafond voor het desbetreffende jaar vaststellen: dan kan er een aanvraag voor een specifieke uitkering worden aangevraagd. Dit is geregeld in artikel 4, tweede lid, van de regeling.
Zoals in paragraaf 12 van het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, kan het zijn dat middelen uit een op grond van deze regeling verleende specifieke uitkering vrijvallen. De minister kan op grond van artikel 4, vierde lid, van de regeling deze vrijgevallen middelen verdelen. De voorwaarden daarvoor zijn opgenomen in artikel 15.
Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van infrastructurele bovenplanse voorzieningen die zijn opgenomen in een afsprakenlijst van een bestuurlijk overleg MIRT of een bestuurlijk overleg Leefomgeving. Het gaat hier om de nettokosten. Bij mobiliteitshubs is rekening gehouden met het bij oplevering van de mobiliteitshubs en/of parkeergarages geschatte nettobedrag, op basis van een business case, zijnde de investerings- en beheers- en exploitatiekosten minus de te verwachten exploitatieopbrengsten. De bedragen zijn inclusief omzetbelasting (btw) voor zover die in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds en op basis van het prijspeil van het jaar waarin de afsprakenlijst aan de Tweede Kamer is gestuurd.
Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan een bestuurlijk overleg dat heeft geleid tot het opnemen van de desbetreffende bovenplanse infrastructurele voorzieningen in de afsprakenlijst, komen niet voor een specifieke uitkering in aanmerking. Verder komen kosten waarvoor op grond van een andere regeling een specifieke uitkering is verleend, niet in aanmerking voor een specifieke uitkering op grond van deze regeling.
De hoogte van de specifieke uitkering wordt bepaald door de afspraken die daarover zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg MIRT of een bestuurlijk overleg Leefomgeving. De btw over de kosten die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen worden van het te verlenen bedrag afgetrokken voor zover die btw compensabele btw betreft. Dat geheel is het bedrag dat ten hoogste kan worden verstrekt.
Een aanvraag kan door een gemeente, een openbaar lichaam of een samenwerkingsverband van gemeenten (zie daarvoor de toelichting op artikel 8) met een digitaal aanvraagformulier worden gedaan. Dit vergemakkelijkt het indienen van een aanvraag en zorgt er tevens voor dat de informatieprofielen gelijk zijn. De aanvraag bevat de bovenplanse infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor de realisatie van de woningbouwaantallen op de desbetreffende woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties. Daarover moeten afspraken zijn gemaakt in een bestuurlijk overleg MIRT of een bestuurlijk overleg Leefomgeving.
De aanvraag van een bijdrage uit de voor 2026 beschikbare 2,5 miljard euro aan woningbouw en mobiliteitsmiddelen heeft betrekking op de gehonoreerde proposities die gemeenten, openbare lichamen en samenwerkingsverbanden hebben ingediend in 2025 of de ingediende proposities die in overeenstemming tussen Rijk en regio zijn aangepast en waarover in de bestuurlijke overleggen MIRT van januari 2026 afspraken zijn gemaakt. Het pakket aan infrastructurele voorzieningen dat bij de aanvraag wordt ingediend, heeft betrekking op de omschrijving van de infrastructurele voorzieningen zoals opgenomen in de propositie.
Er wordt per aanvrager één aanvraag ingediend voor alle te realiseren bovenplanse voorzieningen. Bij de aanvraag moet een kaart worden overgelegd met de geografische afbakening van de woningbouwlocatie(s) en een gespecificeerde begroting. Daarin moet onder meer een overzicht van de kosten zijn opgenomen en inzicht worden gegeven, indien van toepassing, in de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub (de opbrengsten uit de exploitatie minus de exploitatiekosten). Deze verwachte netto-opbrengsten zullen eenmalig voorafgaand aan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering worden vastgesteld. Indien de aanvraag – mede – een mobiliteitshub betreft, moeten tevens de financiële gegevens, genoemd in artikel 7, vijfde lid, onderdeel c, subonderdeel 3, worden overgelegd.
Een openbaar lichaam toont bij de aanvraag aan dat het bevoegd is de aanvraag te doen. Dat kan door het overleggen van zijn meest recente gemeenschappelijke regeling. Daaruit moet blijken dat het verantwoordelijk is voor de realisatie van de woningbouw die in de desbetreffende afsprakenlijst is opgenomen en voor de realisatie van de voorgenomen bovenplanse infrastructurele voorzieningen. Het openbaar lichaam moet de verleende specifieke uitkering namens die gemeenten kunnen beheren. Het openbaar lichaam is verantwoordelijk voor de (eind)verantwoording.
In 2026 kan een aanvraag worden ingediend van 2 juli tot en met 27 augustus. Voor 2027 en de daarop volgende jaren, moet een aanvraag uiterlijk op 31 maart zijn ingediend indien de afspraken in een bestuurlijk overleg MIRT zijn gemaakt en uiterlijk op 30 september indien de afspraken in een bestuurlijk overleg Leefomgeving zijn gemaakt. De aanvraagperiode houdt verband met het moment waarop de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT c.q. van het bestuurlijk overleg Leefomgeving aan de Tweede Kamer wordt gestuurd. De minister moet de aanvraagperiode voor enig jaar na 2026 wel hebben opengesteld.
Zoals hiervoor is aangegeven, kan ook een samenwerkingsverband een aanvraag op grond van deze regeling indienen. Dat samenwerkingsverband moet bestaan uit minimaal twee en maximaal vier gemeenten die direct aan elkaar grenzen. Voor de voorwaarden en eisen aan een aanvraag door een samenwerkingsverband, wordt verwezen naar paragraaf 6 van het algemeen deel van deze toelichting.
De over te leggen gegevens zijn grotendeels dezelfde gegevens die een gemeente of een openbaar lichaam moet overleggen. Daarnaast moet een samenwerkingsovereenkomst worden overgelegd waarin de penvoerder wordt aangewezen en waarin afspraken zijn opgenomen over het terugvorderen door de penvoerder van een verleende specifieke uitkering indien de minister middelen van het samenwerkingsverband terugvordert. Zo is geborgd dat de penvoerder de middelen kan terughalen bij de leden van het samenwerkingsverband en dat die middelen ook aan de minister worden terugbetaald. De penvoerder is een van de gemeenten uit het samenwerkingsverband. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid. In het zevende lid is artikel 26, eerste lid, aanhef en onderdelen a, c tot en met g en het tweede lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat houdt in dat het besluit tot verlening van de specifieke uitkering aan de penvoerder wordt gestuurd. Verder worden betalingen op grond van deze regeling via de penvoerder aan de aanvragers in het samenwerkingsverband gedaan. Het gaat dan om de voorschotten en het uitkeringsbedrag. Die betaling geldt als betaling aan die gemeenten in het samenwerkingsverband. De penvoerder verstrekt de beleidsinformatie, bedoeld in artikel 13, achtste lid, aan de minister. De gemeenten uit het samenwerkingsverband verstrekken die beleidsinformatie aan de penvoerder. De penvoerder dient de aanvraag tot vaststelling van de specifieke uitkering in en doet de verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering. De penvoerder ontvangt van de gemeenten uit het samenwerkingsverband, via SiSa, de gegevens.
Dit artikel bevat de gronden waarop de minister een aanvraag kan afwijzen. De minister wijst de aanvraag bijvoorbeeld af indien naar zijn oordeel het onvoldoende zeker is dat de financiering van de realisatie van de bovenplanse infrastructurele voorzieningenplaats kan vinden. Een andere weigeringsgrond betreft het voldoen aan de verplichtingen van artikel 13, derde, vierde of vijfde lid. Indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat niet aan een of meer van die verplichtingen zal worden voldaan, kan hij de aanvraag afwijzen. Het betreft de verplichting om te borgen dat er tijdig gestart wordt met de bouw van de woningen en met de start van de realisatie van de laatst te realiseren woning en de bovenplanse infrastructurele voorzieningen.
De minister beslist binnen dertien weken op een ontvangen aanvraag. Opgemerkt zij dat de aanvraag compleet moet zijn. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht wordt indien een aanvraag incompleet is de aanvrager in principe eerst in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen. De beslistermijn kan op grond van het vijfde lid eenmaal met dertien weken worden verlengd. Aangezien deze regeling een meerjarige regeling is, is ervoor gekozen de data waarop aan de verplichtingen voldaan moet zijn, op te nemen in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering. Op die manier kan ook voor toekomstige bovenplanse infrastructurele voorzieningen die nodig zijn voor de realisatie van woningbouw, indien het kabinet daarvoor middelen beschikbaar stelt, een aanvraag worden ingediend.
In het tweede lid van artikel 10 is vastgelegd wat in ieder geval in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering moet worden vermeld. Het betreft onder meer de te realiseren bovenplanse infrastructurele voorzieningen, het aantal te realiseren woningen en de data waarop gestart moet worden met de activiteiten en de data waarop de woningbouw en de bovenplanse infrastructurele voorzieningen gerealiseerd moeten zijn.
Op grond van het derde lid kan de minister in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering nadere voorwaarden aan die uitkering verbinden.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat subsidies die worden verleend ten laste van een begroting van het fonds die nog niet is vastgesteld, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (begrotingsvoorbehoud). Dit is geregeld in artikel 7, derde lid, van de Wet Mobiliteitsfonds.
De bestuurlijke afspraken hebben betrekking op de hoogte van de Rijksbijdrage, op basis van het prijspeil van het jaar waarin de afspraken in het kader van een BO MIRT of een BO Leefomgeving zijn gemaakt. De Rijksbijdragen worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën aan de minister uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI), voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd. De eerste indexatie van de bedragen, bedoeld in artikel 10, onderdeel c, die in 2026 worden verleend, vindt plaats op 1 oktober 2026. De eerste termijn wordt naar verwachting in het vierde kwartaal van 2026 uitgekeerd. Het eerste voorschot wordt dus uitgekeerd naar prijspeil 1 oktober 2026. In de termijnen die in de jaren daarna worden uitgekeerd, wordt de indexering die op 1 oktober van die jaren plaatsvindt verdisconteerd.
De indexering na 2026 geschiedt op 1 oktober van het desbetreffende jaar.
Het voorschot is gelijk aan de volledige specifieke uitkering. In het besluit tot verlening van de specifieke uitkering wordt bepaald in welke termijnen het voorschot wordt uitbetaald. De uitkering van het voorschot geschiedt exclusief (compensabele) btw-component. De compensabele btw wordt immers aan het BTW-compensatiefonds afgedragen.
De verplichtingen van de ontvanger van een specifieke uitkering zijn in dit artikel vastgelegd.
De start van de realisatie van de woningen, bedoeld in artikel 13, derde en het vierde lid, is het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het desbetreffende bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering. Als start van bouwactiviteiten geldt:
• het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk;
• de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond; of
• het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie.
Als start van bouwactiviteiten geldt niet:
• het plaatsen van een of meer bouwketen;
• het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;
• het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein;
• het slaan van de ‘officiële’ eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;
• het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;
• het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;
• het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding;
• het bouwrijp maken van het terrein.
De start van de realisatie van de infrastructurele voorzieningen is het moment waarop werkzaamheden aan een van de infrastructurele voorzieningen bij een woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties van start gaan. De data hiervoor worden opgenomen in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering. De beleidsinhoudelijke informatie, bedoeld in het zevende lid, wordt jaarlijks bij de betrokken gemeenten uitgevraagd.
Het zesde lid bevat specifieke eisen ten aanzien van mobiliteitshubs.
In onderdeel c van dat lid is bepaald dat de mobiliteitshub is ontworpen conform de nationale hub-identiteit. Deze is vastgelegd in het Handboek identiteit deelvervoerhubs. Hierin staan o.a. instructies voor te gebruiken bebording en iconen. Deze uniforme stijl is bedoeld om mobiliteitshubs in Nederland herkenbaar en snel begrijpelijk te maken voor reizigers.
In onderdeel d is bepaald dat de ontvanger van de specifieke uitkering afspraken maakt met aanbieders van mobiliteitsdiensten op die mobiliteitshub zodat is geborgd dat data over de hub en de daarin aangeboden publieke en private mobiliteitsdiensten worden uitgewisseld als bedoeld in gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 inzake EU-brede multimodale reisinformatiediensten (MMTIS)18, inclusief wijzigingen daarvan van gedelegeerde verordening (EU) 2024/49019 en toekomstige wijzigingen, en de Nederlandse afspraken hierover binnen het digitaal stelsel mobiliteitsdata. Dergelijke afspraken kunnen onderdeel zijn van bijvoorbeeld vergunningen, aanbestedingen, ontheffingen of interne afspraken met parkeer- en vastgoedbeheer. Met deze voorwaarde wordt beoogd dat alle hubs en de daarin aangeboden mobiliteitsdiensten (zowel de publieke als private) goed en uniform digitaal ontsloten worden ten behoeve van digitale mobiliteitsdiensten (waaronder navigatie en reisplanners) en landelijke monitoring en evaluatie.
MMTIS staat voor Multimodal Travel Information Services, in het Nederlands aangeduid als multimodale reisinformatiediensten. De MMTIS-verordening heeft als doel om een EU-breed multimodaal en accuraat reisinformatiesysteem mogelijk en beschikbaar maken in alle lidstaten voor eindgebruikers (reizigers). De verordening regelt de toegankelijkheid van gegevens zoals dienstregelingen, routes en andere relevante informatie met betrekking tot verschillende vervoersmiddelen, waaronder trein, bus en deelauto. Dit maakt reisinformatie beter vindbaar en maakt multimodaal reizen gemakkelijker. De data dienen beschikbaar te worden gesteld via het nationale toegangspunt (NAP). In Nederland is daartoe het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata (NTM) ingericht, dat is ondergebracht bij Rijkswaterstaat. De verordening verplicht onder andere datahouders (te weten: vervoersautoriteiten, vervoersexploitanten, infrastructuurbeheerders of aanbieders van vraagafhankelijk vervoer) om bepaalde data (waaronder OV-data, data over vraagafhankelijk vervoer, data over deelmobiliteit, data over knooppunten, en parkeerdata) accuraat en actueel beschikbaar te stellen aan het NTM en daarbij vastgestelde standaarden te hanteren.
Op aanvraag van een gemeente of een openbaar lichaam kan een besluit tot verlening van een specifieke uitkering worden gewijzigd. Een dergelijke aanvraag kan betrekking hebben op het feit dat de gemeente of het openbaar lichaam niet (langer), niet tijdig of niet volledig aan de verplichtingen kan voldoen of op het feit dat de gemeente of het openbaar lichaam bij de woningbouwlocatie of groep van woningbouwlocaties een andere infrastructurele voorziening wil realiseren dan eerder beoogd. Een wijzigingsaanvraag leidt er in principe niet toe dat het bedrag van de specifieke uitkering per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties hoger wordt dan eerder vastgesteld. Er kunnen echter omstandigheden zijn waarin afwijking daarvan wenselijk is. De minister kan naar zijn redelijk oordeel een aanvraag om afwijking honoreren. Het – voor het desbetreffende jaar – beschikbare uitkeringsplafond mag niet worden overschreden.
Artikel 15 biedt een andere mogelijkheid dan die genoemd in artikel 14 om een wijzigingsaanvraag in te dienen. Het valt niet uit te sluiten dat de ontvanger van een specifieke uitkering een financieel tekort heeft bij het realiseren van de bovenplanse infrastructurele voorzieningen. Indien er middelen op grond van deze regeling zijn verleend die niet worden ingezet en dus vrijvallen, kan de minister besluiten om die middelen voor die tekorten in te zetten. Alleen in dat geval kan een aanvraag worden gedaan. Er moet tevens aan de andere voorwaarden, genoemd in artikel 15, worden voldaan. Voorafgaand aan de aanvraag moet door de ontvanger zijn nagegaan of versobering of het treffen van alternatieve bovenplanse infrastructurele voorzieningen mogelijk is. Bij de aanvraag moet zijn aangetoond dat die mogelijkheden er niet zijn. Vervolgens beoordeeld de minister de noodzaak van een aanvullende specifieke uitkering en of de principes zoals omschreven in het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit bij het voordoen van kostenoverschrijvingen voldoende zijn toegepast. Voor de principes wordt verwezen naar paragraaf 11 van het algemeen deel van deze toelichting.
Net als bij een aanvraag voor een specifieke uitkering overeenkomstig artikel 7, worden in een bestuurlijk overleg afspraken gemaakt over de verdeling.
De hoogte van de aanvullende specifieke uitkering wordt (mede) bepaald door het percentage van cofinanciering door de ontvanger van de oorspronkelijke uitkering. Opgemerkt zij dat ook bij toepassing van artikel 15 binnen het uitkeringsplafond wordt gebleven.
De verantwoording van de specifieke uitkering geschiedt op basis van de SiSa-systematiek (single information, single audit). De gemeenten en samenwerkingsverbanden doen de verantwoording op de wijze, bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiele-verhoudingswet. De openbare lichamen doen dat op de wijze, bepaald in artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Voor zover een gemeente een uitkering heeft door verstrekt aan één of meerdere gemeenten, legt die gemeente of die gemeenten verantwoording af over de besteding van de uitkering met toepassing van artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.
De vaststelling geschiedt op basis van de informatie die op basis van de SISA-systematiek wordt verstrekt. Overeenkomstig het vijfde lid kan de specifieke uitkering lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld indien de ontvanger niet of niet geheel heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen. In het Plan van Aanpak Beheersing programma Woningbouw en Mobiliteit is beschreven hoe in dat geval zal worden gehandeld. Het Rijk en de medeoverheden dragen ieder een bepaald deel van het (resterende) tekort op de bovenplanse infrastructuur per woningbouwlocatie. Als de totale investering lager uitvalt en dus ook het resterende tekort lager is dan voorzien, zal ook de bijdrage vanuit het Rijk evenredig naar beneden worden bijgesteld.
Als het toepassen van een of meerdere bepalingen uit deze regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister besluiten daarvan af te wijken en alsnog een hogere specifieke uitkering toekennen. Een onbillijkheid van overwegende aard kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer er sprake is van een feitelijke onjuistheid. Toepassing van deze hardheidsclausule zal enkel plaatsvinden in zeer bijzondere omstandigheden gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen. Benadrukt wordt dat eventuele toepassing van de hardheidsclausule geen nadelige effecten zal hebben voor derden. Indien een uitkering wordt verstrekt aan een ontvanger met toepassing van de hardheidsclausule, betekent dit namelijk niet dat de uitkering aan een andere ontvanger lager wordt. Daarnaast mag toepassing van de hardheidsclausule niet leiden tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
Deze regeling wordt tweemaal geëvalueerd. Omdat evaluatie binnen vijf jaar na inwerkingtreding met het oog op het doel van de regeling nog niet zinvol is, wordt van artikel 4:24 van de Awb afgeweken.
Voor een toelichting op de datum waarop deze regeling in werking treedt en de datum waarop ze vervalt, wordt verwezen naar paragraaf 17 van het algemeen deel van deze toelichting.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
De woningbouwlocaties, bedoeld in de Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget.
Kamerstukken II 2025–2026, 36 800-A, nr. 11 (Bijlage bij de brief van de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026).
Financiering van gehonoreerde voorstellen vanuit de Caribische gemeenten loopt niet via deze regeling, maar via Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting.
Brief van de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026 (Kamerstukken II 2025–2026, 36 800-A, nr. 11).
Financiering van gehonoreerde voorstellen van de Caribische gemeenten loopt via Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting.
Het derdenwerkenkader van ProRail is te vinden op: https://www.prorail.nl/samenwerken/overheden.
Gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten.
Gedelegeerde verordening (EU) 2024/490 van de Commissie van 29 november 2023 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten.
De woningbouwlocaties, bedoeld in de Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget.
Kamerstukken II 2025–2026, 36 800-A, nr. 11 (Bijlage bij de brief van de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026).
Financiering van gehonoreerde voorstellen vanuit de Caribische gemeenten loopt niet via deze regeling, maar via Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting.
Brief van de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 januari 2026 (Kamerstukken II 2025–2026, 36 800-A, nr. 11).
Financiering van gehonoreerde voorstellen van de Caribische gemeenten loopt via Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting.
Het derdenwerkenkader van ProRail is te vinden op: https://www.prorail.nl/samenwerken/overheden.
Gedelegeerde verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten.
Gedelegeerde verordening (EU) 2024/490 van de Commissie van 29 november 2023 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-18770.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.