Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 1855 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 1855 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op de artikelen 13, tweede lid, onder b, 15, 19, 27 en 28 van de Landbouwwet;
Besluit:
De Uitvoeringsregeling GLB 2023 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 18, onderdeel j, onder 1°, wordt ‘van 1 april tot 1 juli’ vervangen door ‘van 1 juni tot 1 augustus’.
B
In artikel 19, onderdeel b, onder 1°, wordt ‘waarbij de oppervlakte’ vervangen door ‘de oppervlakte’.
C
In artikel 25, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘heeft voor de subsidiabele hectares’ vervangen door ‘heeft voor de uit te betalen subsidiabele hectares’.
D
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt een ‘1’ geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Percelen die zijn gecertificeerd overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 of in omschakeling zijn naar biologisch worden geacht te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel b, en Bijlage IV bedoelde GLMC-normen 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 10 voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal.
E
Aan artikel 42 wordt een negende lid toegevoegd, luidende:
9. Indien bij een landbouwer meerdere niet-nalevingen zijn geconstateerd die zien op de volgende overtredingen, wordt alleen de hoogste administratieve sanctie opgelegd:
a. het opgeven van een perceel of landschapselement dat op de peildatum geheel of gedeeltelijk niet ter beschikking van de landbouwer staat; of
b. het niet melden van het geheel of gedeeltelijk of niet volgens de voorwaarden uitvoeren van een eco-activiteit.
F
In artikel 48, eerste lid, wordt ‘10, eerste en zevende lid, 11, eerste lid,’ vervangen door ‘10, eerste lid,’.
G
Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In RBE 2.7, tweede kolom, vervalt ‘en bij lozing in samenhang met artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving‘.
2. RBE 5.3 komt te luiden:
|
5.3 |
artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren, artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) nr. 183/2005 in samenhang met artikel 67, tweede volzin, van Verordening (EG) 1107/2009 |
Registratie De verplichting voor exploitanten van diervoederbedrijven een registratie bij te houden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met vermelding van de naam van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip en de dosis van de toepassing, alsook het gebied en het gewas overeenkomstig artikel 67, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, het gebruik van biociden, het gebruik van genetisch gemodificeerd zaai- en pootgoed en de bron en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf binnenkomt en de bestemming en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf verlaat. |
3. RBE 5.8 komt te luiden:
|
5.8 |
artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder II, onder 4j en 5h, m.u.v. zinsnede ‘gewasbeschermingsmiddelen en’ van Verordening (EG) nr. 852/2004 in samenhang met artikel 2.2, tiende lid, onderdelen e en r, van de Wet dieren, artikel 106, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/6 alsmede artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 in samenhang met de artikelen 23 en 57, eerste lid, onderdeel e, van de Regeling diervoeders 2012, de artikelen 1.21 en 1.28, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 en de artikelen 3.7 en 3.9 tot en met 3.16 van de Regeling diergeneesmiddelen 2022 |
Correcte toepassing De verplichting voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven toevoegingmiddelen voor diervoeders, diergeneesmiddelen en biociden correct toe te passen en te handelen overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken. Voor antimicrobiële middelen geldt aanvullend dat er per diersoort een 1 op 1 overeenkomst moet zijn met een dierenarts die regelmatig een bedrijfsbezoek aflegt. |
4. RBE 5.11 komt te luiden:
|
5.11 |
artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004 in samenhang met artikel 67, tweede volzin, van Verordening (EG) 1107/2009 |
Registratie gewasbeschermingsmiddelen/biociden & analyses De verplichting voor landbouwers die plantaardige producten telen een registratie bij te houden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met vermelding van de naam van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip en de dosis van de toepassing, alsook het gebied en het gewas overeenkomstig artikel 67, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, het gebruik van biociden en van alle resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters. |
5. RBE 10.19, derde kolom, komt te luiden:
|
Verrijking en vloerbedekking Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en te manipuleren, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. Indien er zeugen en/of gelten aanwezig zijn, dan dienen deze in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal te beschikken, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. |
6. In RBE 11.10 wordt in de derde kolom na ‘te gebruiken dat’ ingevoegd ‘geschikt en’.
H
In Bijlage 4, § 1. Klimaatverandering, GLMC 1, eerste en vijfde lid, wordt telkens ‘5 procent’ vervangen door ‘10 procent’.
I
Bijlage 4, § 1. Klimaatverandering, GLMC 2, tweede lid, komt te luiden:
2. Blijvend grasland op veengrond wordt niet omgezet, tenzij omzetting naar natte teelt geschiedt.
J
In Bijlage 4, § 3. Bodem, GLMC 5, derde lid, onderdeel c, wordt na ‘als grasland’ toegevoegd ‘of gras gecombineerd met wijndruiven’.
K
Bijlage 4, § 3. Bodem, GLMC 6, vierde lid, vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met achtste lid tot vierde tot en met zevende lid.
L
Bijlage 4, § 3. Bodem, GLMC 7, zesde lid, onderdeel a, vervalt, onder verlettering van de onderdelen b en c tot a en b.
M
Bijlage 4, § 4. Biodiversiteit en landschap, GLMC 9, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt na ‘het beheerplan’ toegevoegd ‘of een grondbewerking noodzakelijk is voor de omzetting naar blijvende natuur’.
2. In het vierde lid wordt na ‘omgezet’ toegevoegd ‘, tenzij dit noodzakelijk is voor de omzetting naar blijvende natuur’.
In artikel 4.3 onderdeel c, van de Regeling producenten- en brancheorganisaties vervalt ‘, of, voor zover van toepassing, van de activiteit of de activiteiten, bedoeld in artikel 157, derde lid, onderdeel c, van die verordening, die de brancheorganisatie nastreeft’.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026 met uitzondering van:
a. artikel I, onderdelen D en E, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en terugwerken tot en met 1 januari 2025;
b. artikel II, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 17 januari 2026
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
De onderhavige wijziging van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 bevat enkele wijzigingen die tot doel hebben om de regeldruk voor landbouwers te verminderen. De verplichtingen behorend bij de eco-activiteit ‘grasklaver’ en bij de goede landbouw- en milieucondities 2 (bescherming van veengebieden), 5 (bodembewerkingsbeheer), 7 (gewasrotatie op bouwland) en 9 (ecologisch kwetsbaar blijvend grasland) worden daartoe aangepast om beter aan te sluiten bij de praktijk zonder afbreuk te doen aan het doel van deze bepalingen. De wijzigingen zijn in een eerder traject voorgelegd aan de Europese Commissie als wijziging van het Nationaal Strategisch Plan (NSP) voor het GLB 2023–2037 en op 25 november jl. door de Europese Commissie goedgekeurd.
Daarnaast stemt het EP naar verwachting in januari 2026 in met het Omnibusvoorstel ter vereenvoudiging van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en deze aanpassingen worden in de Uitvoeringsregeling GLB 2023 verwerkt om nog van invloed te zijn op aanvraagjaar 2026.
Ook wordt met deze wijziging voorzien in een aantal technische aanpassingen, waaronder de actualisatie van verwijzingen naar andere regelgeving en de verduidelijking van formuleringen
Tot slot wordt een technische wijziging in de Regeling producenten- en brancheorganisaties aangebracht om deze aan te passen aan gewijzigde EU-regelgeving.
De periode zichtbare bedekking van gras en klaver wordt met deze wijziging aangepast op basis van ervaring, opgedaan in eerdere jaren van deze uitvoeringsregeling.
Dit betreft een technische wijziging waarbij een overbodig woord wordt geschrapt.
De wijziging in artikel 25 heeft tot doel de juiste waardeberekening van de ecoregeling te verduidelijken. Voor de benodigde waarde wordt uitgegaan van de uit te betalen subsidiabele oppervlakte landbouwgrond en landschapselementen van een bedrijf, teneinde overcompensatie te voorkomen. De landbouwer krijgt nooit meer uitbetaald dan de aangevraagde en subsidiabele landbouwgrond.
Op grond van de wijziging van Verordening (EU) 2021/2115 waarover consensus is bereikt tussen de Europese lidstaten, de Europese Commissie en het Europese Parlement en waarvan de publicatie wordt voorzien in december 2025 worden percelen die biologisch gecertificeerd zijn of in omschakeling zijn naar biologisch geacht te voldoen aan GLMC 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 10 van Bijlage 4, waarin de normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal zijn opgenomen. Deze uitzondering is met een toegevoegd lid in artikel 32, dat betrekking heeft op alle conditionaliteiten, opgenomen. Daarmee samenhangend vervalt de genoemde uitzondering voor biologisch in GLMC 7.
Teneinde stapeling van sancties bij de in bijlage 6 genoemde soortgelijke niet-nalevingen te voorkomen wordt voorzien in een nieuw lid dat regelt dat in dat geval alleen de hoogste sanctie wordt opgelegd. Het gaat hier om de volgende grondslagen:
– artikel 10, lid 2 onderdeel a juncto artikel 4, lid 2 of artikel 7, lid 6: het opgeven van een perceel of landschapselement dat geheel of gedeeltelijk niet ter beschikking van de landbouwer staat; of
– artikel 10, lid 3, onderdeel b juncto artikel 25, lid 1, onderdeel a: het niet melden van het geheel of gedeeltelijk of niet volgens de voorwaarden uitvoeren van een eco-activiteit.
Dit betreft een technische wijziging waarbij een foutieve verwijzing wordt geschrapt.
In dit onderdeel zijn technische aanpassingen van de beheerseisen opgenomen met betrekking tot nitraat, hygiëne van levensmiddelen en dierenwelzijn. De verwijzingen naar de relevante nationale regelgeving zijn aangepast en de toelichting is aangepast en bevat een vollediger omschrijving van de relevante artikelen.
Voor de instandhouding en/of verbetering van de koolstof opslag is het behoud van blijvend grasland nodig. Ten opzichte van het referentiejaar 2018 mag het aandeel blijvend grasland in het landbouwareaal relatief niet met meer dan 5 procent dalen. Indien de verwachting is dat het aandeel relatief wel met meer dan 5 procent daalt kan de Minister ingrijpen. Op grond van een recente wijziging van Verordening (EU) 2022/126 wordt de ratio grens van 5 procent voor blijvend grasland bijgesteld naar 10 procent.
Met het programma veenweide wordt er ingezet op het verhogen van het waterpeil met behoud van grasland/melkproductie (ca. 80.000 ha), maar voor een klein deel (ca. 10.000 ha) is de inzet gericht op omzetting naar natte teelten, hetgeen is toegevoegd.
Met deze wijziging wordt een uitzondering toegevoegd op de verplichting tot grasland bij een hellingspercentage van 18 procent. De teelt van wijndruiven met gras als ondergroei is voortaan ook toegestaan.
De verplichting van GLMC 6, vierde lid, komt overeen met beheerseis 2.12, inhoudende de verplichting omtrent het telen van een bepaald vanggewas uiterlijk op 1 oktober, of een bepaalde hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar uiterlijk op 31 oktober, na de teelt van mais op zand- en lössgronden. Vernietiging van het gewas dat aansluitend op de mais wordt geteeld mag niet vóór 1 februari. Om dubbele sanctionering van dezelfde overtreding te voorkomen wordt de GLMC-eis geschrapt.
In GLMC 9 zijn de omzetverplichting en ploegvoorschriften voor ecologisch kwetsbaar blijvend grasland en blijvend grasland opgenomen.
Er kan echter een grondbewerking noodzakelijk zijn voor de realisatie van zwaarder natuurbeheer, in dit geval in de vorm van het aanleggen van natuur en het onttrekken van landbouwareaal. Hiervoor is een uitzondering op het ploeg- en omzetverbod opgenomen met als doel activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de biodiversiteit niet te verhinderen vanuit deze GLMC voorwaarde.
In artikel 4.3 onderdeel c, van de Regeling producenten- en brancheorganisaties vervalt de verwijzing naar het derde lid van artikel 157 van Verordening (EU) 1308/2013. Dit betreft een verlate technische wijziging in verband met het vervallen van het derde lid van artikel 157 van Verordening (EU) 1308/2013 na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2021/2117. Voorts is met die Verordening geregeld dat in artikel 163, eerste lid, onderdeel a van Verordening (EU) 1308/2013 is bepaald dat een brancheorganisatie in de sector melk en zuivelproducten moet voldoen aan de in artikel 157 vastgestelde voorwaarden om erkend te kunnen worden.
Geraakte doelgroep
De wijziging van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 raakt alle agrarische bedrijven die een aanvraag doen voor rechtstreekse betalingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Dit zijn elk jaar ongeveer 43.000 bedrijven. Er worden voor deze bedrijven geen bedrijfseffecten verwacht.
Regeldrukeffecten
De voorgestelde wijzigingen zijn voor het grootste deel technisch van aard. Er zijn vier wijzigingen van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 waarbij verplichtingen worden ingevoerd of (deels) afgeschaft. Deze wijzigingen brengen geen meerkosten met zich mee maar verlichten de ervaren regeldruk voor landbouwers. In hoeverre landbouwers in de praktijk anders kunnen handelen, hangt van verschillende omstandigheden af waardoor daadwerkelijke verlichting van de regeldruk moeilijk te kwantificeren is.
De periode waarin minimale bedekking met grasklaver is vereist voor de eco-regeling, wordt opgeschoven van april-juni naar juni-augustus (artikel I, onderdeel A). Dit sluit beter aan bij de landbouwkundige praktijk en verlicht daarmee de ervaren regeldruk voor deelnemers aan de eco-regeling. Doordat dezelfde handelingen vereist worden, is er geen sprake van kwantificeerbare verlichting van de regeldruk. Het brengt in ieder geval geen meerkosten met zich mee.
Het verbod op het omzetten van blijvend grasland op veengrond wordt afgeschaft wanneer het gaat om het omzetten van blijvend grasland naar natte teelt (artikel I, onderdeel I). Dit geeft landbouwers meer mogelijkheden en verlicht daarmee de regeldruk die zij ervaren. Het is niet mogelijk verlichting van de regeldruk te kwantificeren, omdat natte teelt niet altijd een financieel voordeel oplevert ten opzichte van blijvend grasland. Het creëren van de mogelijkheid brengt in ieder geval geen meerkosten met zich mee.
De verplichtingen voor bodembewerkingsbeheer (artikel I, onderdeel J) worden aangepast om wijnbouw in combinatie met gras mogelijk te maken op hellingen van meer dan 18%. Dat verlicht in de praktijk de regeldruk voor landbouwers in Zuid-Limburg die hiermee te maken hebben. Omdat het gaat om zeer specifieke omstandigheden voor enkele landbouwers en er weinig informatie bekend is over de financiële impact van wijnbouw in combinatie met gras, kan verlichting van de regeldruk niet worden gekwantificeerd. Het creëren van de mogelijkheid brengt in ieder geval geen meerkosten met zich mee.
Het ploeg- en omzetverbod op ecologisch kwetsbaar blijvend grasland (artikel I, onderdeel L) wordt afgeschaft wanneer grondbewerking noodzakelijk is voor het aanleggen van natuur en het onttrekken van landbouwareaal. Hiermee wordt tegenstrijdige regelgeving binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid opgelost. Dat verlicht de regeldruk voor landbouwers. Omdat het gaat om zeer specifieke omstandigheden en de financiële impact onduidelijk is, kan verlichting van de regeldruk niet worden gekwantificeerd. Het brengt in ieder geval geen meerkosten met zich mee.
MKB-toets of (agrarische) praktijktoets
De wijziging van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 en van de Regeling producenten- en brancheorganisaties heeft geen substantiële gevolgen voor de agro- en visserijketen. Er heeft daarom geen agrarische praktijktoets plaatsgevonden.
De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Dit is in overeenstemming met het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309) maar van de publicatietermijn, twee maanden voor inwerkingtreding, wordt afgeweken.
De onderdelen E en F werken terug tot en met 1 januari 2025. Onderdeel E betreft een versoepeling van het sanctieregime, dat al met ingang van het subsidiejaar 2025 kan worden toegepast, onderdeel F is een rectificatie op een voorschrift dat per 1 januari 2025 in werking trad.
De wijzigingen in de onderdelen A, D, H, I, J en M zijn versoepelingen van de voorschriften, de wijzigingen in de onderdelen B, C en G zijn tekstueel van aard en verduidelijken de voorschriften en de wijzigingen in de onderdelen K en L betreffen het vervallen van voorschriften. Deze wijzigingen zijn in het voordeel van de landbouwer en rechtvaardigen terugwerkende kracht.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-1855.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.