Call for proposals KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Regieorgaan SIA

Maart t/m september 2026

Inhoudsopgave

1

Overzicht en inleiding

 

1.1

Kort overzicht

 

1.2

Inleiding

 

1.3

Achtergrond

2

Doel

 

2.1

Doelstelling van het programma

 

2.2

Doelstelling van de regeling

 

2.3

Maatschappelijke impact van onderzoek

3

Opstellen en indienen

 

3.1

Tijdpad

 

3.2

Wie kan aanvragen

 

3.3

Wat kan worden aangevraagd

 

3.4

Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

 

3.5

Voorwaarden voor in behandeling nemen

4

Beoordeling

 

4.1

Criteria

 

4.2

Beoordelingsprocedure

 

4.3

Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

5

Na de toewijzing

 

5.1

Start van het project

 

5.2

Monitoring en projectbeheer

 

5.3

Richtlijnen en kaders voor uitvoering van het project

 

5.4

Onderzoeksresultaten – Open Science

 

5.5

Afronding

 

5.6

Aanvullende voorwaarden

 

5.7

Evaluatie

6

Contact

 

6.1

Vragen over de financiering van aanvragen?

 

6.2

Vragen over de inhoud van deze ronde?

 

6.3

Technische vragen over ISAAC?

7

Voorwaarden en tarieven in budgetmodules

 

7.1

Personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1)

 

7.2

Materieel (behorend bij paragraaf 3.3.2)

 

7.3

Investeringen (behorend bij paragraaf 3.3.3)

 

7.4

Waardebepaling cofinanciering

 

7.5

Indexering

1 Overzicht en inleiding

In dit hoofdstuk vindt u een kort overzicht van deze subsidieronde (hierna ronde), een inleiding bij deze Call for proposals en de achtergrond van deze ronde.

1.1 Kort overzicht

Doel: Het doel van KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV is het (verkennend) onderzoeken van nieuwe praktijkvragen door middel van praktijkgerichte onderzoeksactiviteiten. Binnen de regeling zijn er 2 subthema’s. Het eerste subthema is Nederlandse voedingsmiddelen industrie: Praktijkvragen gericht op verduurzaming van de voedingsmiddelensector waaronder het productieproces, uiteindelijke product of gezondheidsaspecten daarvan. Het 2de subthema is Internationale samenwerking LWV: ‘Seed money’ om internationale partijen te verbinden met het Nederlandse kennissysteem op basis van concrete praktijkvragen.

Budget: Het subsidieplafond voor deze subsidieronde bedraagt in totaal € 670.829. De aan te vragen subsidie per project bedraagt maximaal € 40.000. Binnen deze ronde worden naar verwachting maximaal 16 aanvragen toegewezen.

Consortium en cofinanciering: Het consortium bestaat naast de aanvrager uit ten minste 2 praktijkpartners waarvan 1 in Nederland gevestigde mkb-onderneming. De minimaal vereiste cofinanciering van de praktijkpartners bedraagt tenminste 25% van het subsidiebedrag.

Indieningsdeadlines: De deadlines voor het indienen van aanvragen zijn 24 maart 2026 (ophaalmoment 1), vóór 14:00:00 uur CET en 15 september 2026 vóór 14:00:00 uur CEST (ophaalmoment 2 en tevens sluiting).

Procedure: Alle aanvragen die in behandeling worden genomen, worden voorgelegd aan een beoordelingscommissie voor een schriftelijk preadvies. De commissie komt vervolgens in een beoordelingsvergadering gezamenlijk tot een definitieve beoordeling. De commissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan het bestuur van Regieorgaan SIA. Het bestuur van Regieorgaan SIA besluit op basis van het commissieadvies over toewijzing of afwijzing van de aanvraag.

Lees voor de volledige voorwaarden het gehele document.

1.2 Inleiding

Deze subsidieronde valt onder de verantwoordelijkheid van het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA (hierna Regieorgaan SIA) en wordt uitgevoerd in een samenwerking met TKI Agri & Food en TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en het Ministerie van LVVN.

Regieorgaan SIA stimuleert de kwaliteit en de impact van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen en is onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) Agri&Food coördineert voor de onderdelen landbouw en voedsel de totstandkoming van de Kennis -en Innovatieagenda Landbouw, Water, Voedsel (KIA LWV). Het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) Tuinbouw en uitgangsmaterialen coördineert dit voor de onderdelen tuinbouw en uitgangsmaterialen. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) werkt aan duurzaam voedsel, waardevolle natuur en een vitaal platteland. Voor de huidige en toekomstige generaties. Het ministerie maakt zich sterk voor duurzaam, voldoende en veilig voedsel op ieders bord. En werkt aan gezonde natuur binnen natuurgebieden, op het platteland en in grote wateren, maar juist ook in steden. Hiervoor zet LVVN sterk in op onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling.

Deze Call for proposals beschrijft hoe het aanvraagproces voor de ronde KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV, indieningsronde maart t/m september 2026 is ingericht en bestaat uit 7 hoofdstukken.

Regieorgaan SIA verwerkt ontvangen persoonsgegevens conform de privacyverklaring van NWO.

1.3 Achtergrond

KIEM is een subsidieprogramma waarvan het acroniem staat voor Kennis- en Innovatie-Mapping. (hierna KIEM). Het doel van KIEM is het verkennend onderzoeken van een vernieuwende praktijkvraag met praktijkgerichte onderzoeksactiviteiten die worden uitgevoerd door een netwerk van praktijkpartners en kennisinstellingen. Daarmee stimuleert Regieorgaan SIA zowel netwerkvorming als het verkennen van praktijkvragen, die een kiem kunnen zijn voor een groter onderzoeksproject of een innovatie die bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. KIEM bestaat uit thematische regelingen – waarin we samenwerken met partners – en een open regeling waarmee onderzoeksfinanciering die niet verbonden is aan een voorgeschreven thema kan worden aangevraagd. Elke thematische KIEM regeling heeft een eigen afbakening zoals beschreven in de Call for proposals. Informatie over het aanbod aan thematische KIEM-subsidierondes en de daarbij behorende thematische afbakeningen vindt u op de website van Regieorgaan SIA.

Met KIEM zet Regieorgaan SIA in op diverse ambities uit de strategie ‘Investeren in impact’ 2023–2026’. KIEM faciliteert (verkennend) praktijkgericht onderzoek, netwerkvorming en innovatieversnelling.

KIEM draagt er aan bij dat onderzoeksorganisaties zich organiseren op maatschappelijke, regionale en landelijke thema’s en een substantiële bijdrage leveren aan innovatieagenda’s, inclusief het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC). Dit doet Regieorgaan SIA door initiatief te nemen, te investeren en samen met financieringspartners thematische KIEM-regelingen te ontwikkelen.

1.3.1 KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV

Regieorgaan SIA wil samen met haar partners TKI Agri & Food en TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en het Ministerie van LVVN versnellen op 2 specifieke thema’s binnen de Kennis en Innovatieagenda Landbouw Water Voedsel (KIA LWV): 1. de Nederlandse voedingsmiddelen industrie en 2. Internationale samenwerking.

1. Nederlandse voedingsmiddelen industrie

De Nederlandse voedingsmiddelenindustrie moet innoveren om te kunnen voldoen aan de huidige en toekomstige maatschappelijke eisen op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en veiligheid. De sector kent veel mkb-ondernemingen die, in tegenstelling tot grotere ondernemingen in de sector, niet kunnen beschikken over eigen Research & Development (R&D)-faciliteiten en vaak nog niet samenwerken met kennisinstellingen.

Voor een groot gedeelte van de food mkb-ondernemingen blijven kansen liggen binnen het kennisaanbod van hogescholen, universiteiten en andere kennisinstellingen. Hierdoor blijven mogelijkheden onbenut voor innovatie, implementatie van nieuwe producten en processen en de bijbehorende marktimpact, terwijl deze hard nodig zijn voor een duurzame en concurrerende voedselproductie van de eenentwintigste eeuw. Met KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV stimuleert het TKI Agri&Food samen met Regieorgaan SIA de verbinding van deze mkb-ondernemingen met publieke kennisinstellingen.

2. Internationale samenwerking voor de KIA Landbouw, Water, Voedsel

De Nederlandse land- en tuinbouw is internationaal gezien sterk ontwikkeld en de sector is internationaal georiënteerd. Tegelijkertijd zijn ook de opgaven in de KIA, bijvoorbeeld emissies en grondstoffenstromen, grensoverstijgend van aard. Ook kan het zijn dat er in het buitenland kennis en innovaties aanwezig zijn die kunnen bijdragen aan de KIA-missies wanneer ze vertaald worden naar de Nederlandse context. Veel kansen voor ondernemers en vraagstukken laten zich dus niet beperken door landsgrenzen. Internationale samenwerking brengt andere uitdagingen met zich mee dan regionale of nationale samenwerking. Een samenwerking start altijd met het vinden van de juiste partners, onderzoeken of een internationale samenwerking haalbaar is, het ontdekken hoe een samenwerking verloopt in de praktijk en het verkennen van gezamenlijke vraagstukken.

Met dit subthema binnen KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV stimuleren TKI Agri & Food en TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en het Ministerie van LVVN samen met Regieorgaan SIA de verbinding van Nederlandse mkb-ondernemingen met publieke kennisinstellingen en internationale partners.

Met het uitvoeren van KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV draagt Regieorgaan SlA bij aan het Kennis- en Innovatieconvenant 2024–2027. Het convenant komt voort uit het Missiegedreven Innovatiebeleid. In het convenant heeft praktijkgericht onderzoek van hogescholen een prominente plek.

Centraal in het Missiegedreven Innovatiebeleid staan 8 maatschappelijke thema’s, uitgewerkt in Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s). Kijk voor meer informatie op onze webpagina over het Missiegedreven Innovatiebeleid.

2 Doel

In dit hoofdstuk leest u meer over de doelstelling van het programma, de doelstelling van de regeling en de maatschappelijke impact.

2.1 Doelstelling van het programma

De Kennis en Innovatieagenda Landbouw Water Voedsel (KIA LWV) adresseert de (maatschappelijke) opgaven die er zijn op dit terrein. De TKI’s Agri&Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen geven uitvoering aan een deel van deze KIA en stimuleren de overheid en bedrijven om opgaven binnen deze thema’s gezamenlijk op te pakken. Dit begint met het definiëren van kennisvragen bij het bedrijfsleven om die vervolgens samen met kennisinstellingen uit te werken in onderzoeksprojecten en stimuleringsactiviteiten. Het doel is om publiek-private samenwerkingen te stimuleren om de omschreven opgaven om te zetten in innovatieve kennis en uiteindelijk innovatieve kunde.

2.2 Doelstelling van de regeling

Het doel van KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV is het (verkennend) onderzoeken van nieuwe praktijkvragen door middel van praktijkgerichte onderzoeksactiviteiten. Deze onderzoeksactiviteiten worden uitgevoerd door een netwerk van onderzoeksorganisaties en praktijkpartners. Regieorgaan SIA subsidieert met KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV zowel netwerkvorming als het verkennen van praktijkvragen, die een kiem kunnen zijn voor een vervolgproject of een innovatie.

Het is dus niet mogelijk om aanvragen te doen die zich uitsluitend richten op deskundigheidsbevordering van personeel, het ontwikkelen van een nieuwe opleiding/nieuw curriculum voor de hogeschool en/of behoren tot reguliere activiteiten van een hogeschool.

2.2.1 Thematische afbakening

Aanvragen binnen de regeling KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV dienen aan te sluiten bij 1 van de 2 subthema’s.

Subthema 1: Nederlandse voedingsmiddelen industrie

Aanvragen die aansluiten bij het subthema Nederlandse voedingsmiddelen industrie hebben betrekking op praktijkvragen die van belang zijn voor mkb-ondernemingen in de (industriële) productie van voedingsmiddelen en toeleverende mkb-ondernemingen zoals producenten van verpakkingsmateriaal, leveranciers van grond- en hulpstoffen en leveranciers voor procesapparatuur, met uitzondering van de primaire productie en veredeling. De praktijkvragen zijn gericht op verduurzaming (inclusief verminderen reststromen) van de sector, het productieproces, de uiteindelijke producten of het verbetering op gezondheidsaspecten van het uiteindelijke product.

Praktijkvragen op verduurzaming van de sector, het productieproces en het uiteindelijke product moeten gerelateerd zijn aan de kwaliteitseffecten daarvan op het voedingsmiddel of een relevant product in de toeleverende industrie. Bijvoorbeeld: het omschakelen van een gasoven naar een elektrische oven heeft een mogelijk effect op het proces en kwaliteit van een voedingsproduct, maar het verwarmen van een fabriekshal met elektriciteit in plaats van gas heeft dat niet.

Subthema Nederlandse voedingsmiddelen industrie binnen KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV is met name gericht op het met behulp van onderzoek en onderwijs versterken en vergroten van de (markt)impact van innovaties in het mkb. De onderzoeksactiviteiten binnen KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV leiden derhalve in ieder geval tot 1 van de volgende resultaten: kennisdeling, doorontwikkeling van de onderzoeksresultaten, toepassing van resultaten in nieuwe (schaalbare) producten in de fase van proof of concept, ontwikkelprojecten, opschaling en vermarkting. Er moet een heldere focus zijn op de toepasbaarheid van het resultaat.

Subthema 2: Internationale samenwerking voor de KIA LWV

Soms is internationale samenwerking op innovatiegebied noodzakelijk om de KIA-missies te realiseren omdat bepaalde doelstellingen in de KIA een grensoverschrijdende aanpak vereisen, bijvoorbeeld bij grondstoffenstromen en emissies die nationale grenzen overstijgen;

Ook kunnen kennis en innovaties die in het buitenland beschikbaar zijn van grote relevantie zijn voor de doelstellingen in de KIA wanneer deze vertaald en verder ontwikkeld worden in de Nederlandse context.

Het doel van de financiering binnen het subthema Internationale samenwerking voor de KIA LWV is om als ‘seed money’ internationale partijen te verbinden met het Nederlandse kennissysteem. Dit is gericht op hele concrete praktijkvragen waar deze samenwerking ook daadwerkelijk het verschil kan maken.

Aanvragen binnen subthema Internationale samenwerking voor de KIA LWV hebben betrekking op de haalbaarheid van internationale samenwerking, de ontwikkeling van een nieuwe of verbeterde samenwerking en/of kennisontwikkeling, alle met betrekking tot ten minste 1 specifieke missie binnen de KIA. Dit kan zowel de ontwikkeling van nieuwe kennis omvatten als de vertaling van bestaande kennis en innovaties naar de Nederlandse of lokale context in het buitenland. De rol en betrokkenheid van de consortiumleden in deze studie moet duidelijk blijken uit hun bijdrage aan het project.

Een zeer belangrijk aspect van projecten in dit thema is het antwoord op de vraag: is een vervolg op het project logischerwijs haalbaar en zo ja, wat volgt er na het project? Hoe kan het leidende bedrijf/consortium verder? Wat zijn mogelijke vervolgstappen? Welke instrumenten kunnen hiervoor worden ingezet? Hoe kan het project impact genereren die bijdraagt aan de doelstellingen van de KIA? Op welke manieren biedt het project kansen voor nieuwe kennisontwikkeling?

Projecten die enkel ingaan op de mogelijkheden voor het verkopen van bestaande producten zijn uitgesloten van deelname.

Gezien de internationale context is de verwachting dat ten minste 1 praktijkpartner in het buitenland gevestigd is. Indien u geen buitenlandse partner in het consortium van uw projectaanvraag heeft opgenomen dient u in de aanvraag te onderbouwen waarom dat geen nadelig effect heeft op de doelmatigheid van het betreffende project.

2.3 Maatschappelijke impact van onderzoek

Samen met de rest van de wereld wil Nederland ambities op het gebied van gezondheid, veiligheid en sociale en economische welvaart waarmaken, en dat binnen de grenzen van wat de planeet ons en onze kinderen te bieden heeft. Daarin liggen ook grote kansen voor de Nederlandse economie. Daarvoor moeten stappen worden gezet om in 2055 voedsel op een duurzame manier te produceren in transparante ketens, waarin alle ketenpartijen een bijdrage leveren aan de verduurzaming van het voedselsysteem als geheel en aan de voedselzekerheid. Het voedselsysteem moet dan zo ingericht zijn dat het bijdraagt aan de halvering van de ecologische voetafdruk.

Mkb-ondernemingen zijn essentieel in de veranderkracht die Nederland nodig heeft om deze transitie vorm te kunnen geven. KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV biedt mkb-ondernemingen een toegankelijke manier om zich te kunnen verbinden aan de vernieuwende kennis en kunde vanuit de publieke kennisinstellingen en de kansen die over de landsgrenzen heen gaan.

Op deze manier draagt KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV potentieel bij aan door de Verenigde Naties gedefinieerde Sustainable Development Goals (SDG’s)zoals: 1 (Zero Hunger), 3 (Good health and well-being), 6 (Clean water & sanitation), 9 (Industry, innovation and infrastructure), 12 (Responsible consumption and production), 13 (Climate action) en 15 (Life on land).

3 Opstellen en indienen

In dit hoofdstuk staat informatie over het opstellen en indienen van een aanvraag.

3.1 Tijdpad

3.1.1 Ophaalmomenten en first come, first served

In deze subsidieronde wordt gewerkt met ophaalmomenten. Op voorhand is niet te bepalen hoeveel aanvragen worden ingediend per ophaalmoment. Daarom is het niet mogelijk om per ophaalmoment een deelsubsidieplafond te noemen. Het budget dat overblijft na het toewijzen van de aanvragen die zijn ingediend tijdens een ophaalmoment, is het deelsubsidieplafond voor aanvragen die worden ingediend tijdens het volgende ophaalmoment. Per ophaalmoment worden alle aanvragen die een positief oordeel krijgen toegewezen totdat het subsidieplafond is bereikt.

Als het subsidieplafond vóór de indieningsdeadline wordt bereikt, wordt de ronde op dat moment, voor de indieningsdeadline gesloten. Regieorgaan SIA neemt dan geen aanvragen meer in behandeling. Dit besluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Bij het behandelen van de aanvragen wordt het principe van first come, first served gehanteerd. Hierbij worden alle aanvragen met een positief oordeel in een prioritering gezet op volgorde van indieningsdatum en -tijdstip. Indien de aanvraag direct voldoet aan de voorwaarden voor indiening (zie paragraaf 3.5), geldt het moment van indiening in ISAAC voor de volgorde van binnenkomst. Als u de aanvraag heeft moeten aanpassen om te voldoen aan de voorwaarden voor indiening, geldt het moment waarop u de aanvraag volledig en juist heeft ingediend in ISAAC als het moment van binnenkomst. Als het budget niet toereikend is, worden de aanvragen met de hoogste prioritering eerst toegewezen, tot het budget op is.

Deze ronde heeft 2 momenten waarop Regieorgaan SIA alle tot dan toe in ISAAC binnengekomen aanvragen verwerkt (‘ophaalt)’.

De ophaalmomenten zijn:

  • 1. 24 maart 2026 vóór 14:00:00 uur CET

  • 2. 15 september 2026 vóór 14:00:00 uur CEST en tevens sluitingsdatum

3.1.2 Tijdpad beoordelingsprocedure

Hieronder staan de indieningsdeadlines inclusief het tijdpad van de gehele beoordelingsprocedure van deze ronde. Het kan zijn dat Regieorgaan SIA het noodzakelijk acht om tijdens de lopende procedure aanpassingen in het tijdpad aan te brengen. De aanvrager wordt hierover geïnformeerd.

Regieorgaan SIA toetst de aanvragen op de formele voorwaarden voor indiening (zie paragraaf 3.5. Als de aanvraag daaraan voldoet, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Aanvragen die na de indieningsdeadline worden ingediend, neemt Regieorgaan SIA niet in behandeling.

3.1.2.1 Deadlines en tijdpad behandeling aanvragen

Eerste ophaalmoment (24 maart 2026 vóór 14:00:00 CET)

  • Maart 2026: check op voorwaarden voor indiening

  • April en mei 2026: beoordeling door de beoordelingscommissie

  • Juni 2026: besluit door het bestuur van Regieorgaan SIA

  • Juli 2026: bekendmaking van het besluit

Tweede ophaalmoment (15 september 2026 vóór 14:00:00 CEST, tevens sluitingsdatum)

  • September 2026: check op voorwaarden voor indiening

  • September en oktober 2026: beoordeling door de beoordelingscommissie

  • December 2026: besluit door het bestuur van Regieorgaan SIA

  • Januari 2027: bekendmaking van het besluit

3.2 Wie kan aanvragen

Hogescholen zoals bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en onderzoekers bij universiteiten, universitaire medische centra en specifieke onderzoeksorganisaties zoals hieronder beschreven kunnen een aanvraag indienen.

3.2.1 Hogescholen

De persoon die de aanvraag indient in ISAAC wordt geacht hiertoe te zijn gemachtigd door het College van Bestuur van de aanvragende hogeschool.

Het aanvraagformulier dient ondertekend te worden door de voorzitter dan wel een lid van het CvB van de aanvragende hogeschool. Voor deze ronde biedt Regieorgaan SIA de mogelijkheid om het aanvraagformulier door een andere persoon te laten ondertekenen, mits vooraf of bij het indienen van de subsidieaanvraag eenmalig een bewijs wordt bijgevoegd dat deze persoon hiertoe door het College van Bestuur is gemandateerd. U kunt daarvoor gebruik maken van het mandateringsformulier dat u vindt bij de documenten in ISAAC.

3.2.2 Universitaire onderzoekers

Onderzoekers mogen een aanvraag indienen als zij in vaste dienst zijn (en dus een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben) of een tenure track-overeenkomst hebben bij een van de onderstaande onderzoeksorganisaties:

  • universiteiten zoals bedoeld in artikel 1.8 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de universiteiten genoemd in de Beleidsregel Universiteiten in het Koninkrijk der Nederlanden;

  • universitaire medische centra: de academische ziekenhuizen zoals bedoeld in artikel 1.13 lid 1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • KNAW- en NWO-instituten;

  • het Nederlands Kanker Instituut;

  • het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen;

  • NCB Naturalis;

  • Advanced Research Centre for NanoLithography (ARCNL);

  • Prinses Máxima Centrum.

Personen met een nulurenarbeidsovereenkomst of met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (anders dan een tenure track) zijn uitgesloten van indiening.

Het kan voorkomen dat de tenure track-overeenkomst van aanvragers eindigt vóór de beoogde afrondingsdatum van het project, of dat het vaste dienstverband van de aanvrager eindigt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval dient bij de aanvraag een verklaring van de werkgever te worden toegevoegd. Hierin garandeert de betreffende onderzoeksorganisatie dat het project – en alle op het project werkzame personen voor wie subsidie wordt aangevraagd – adequaat worden begeleid voor de volledige duur van het project.

3.2.3 Aanvullende voorwaarden
3.2.3.1 Lector of senior onderzoeker

De aanvraag is opgesteld onder verantwoordelijkheid van een lector of senior onderzoeker, verbonden aan de aanvragende hogeschool.

3.2.3.2 Consortium

Het consortium bestaat naast de aanvrager uit minimaal de volgende consortiumpartners: 2 praktijkpartners, waarvan ten minste 1 mkb-bedrijf gevestigd in het Koninkrijk der Nederlanden.

Onder praktijkpartners verstaan we organisaties die gebruik maken van de kennis die wordt gegenereerd in het KIEM-project in de beroepspraktijk. Een praktijkpartner kan zowel een private als een publieke partij zijn.

Mkb-ondernemingen (waaronder ook zzp’ers) die participeren in een consortium voldoen aan de volgende criteria:

  • Er is sprake van een onderneming, te weten: een eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitvoert.

  • De onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of een lokaal handelsregister. Ondernemingen die bij een niet-Nederlands handelsregister geregistreerd staan tonen dit aan door middel van een uittreksel dat op moment van indienen van de aanvraag niet ouder is dan 3 maanden. Ondernemingen die niet staan ingeschreven bij een niet-Nederlands handelsregister tonen door middel van een uittreksel van een oprichtingsakte of een ander juridisch document aan dat het een entiteit/rechtsvorm is.

  • Er is sprake van een onderneming met minder dan 250 werknemers én een jaarlijkse omzet van minder dan € 50 miljoen óf een balanstotaal van € 43 miljoen. Om vast te stellen of aan deze maxima wordt voldaan, moet een onderneming die onderdeel is van een groep bedrijven of een concern zowel het personeel, de omzet en het balanstotaal van dit concern meetellen.

Indien een onderneming 250 of meer werknemers heeft, een jaarlijkse omzet heeft van € 50 miljoen of meer, of een balanstotaal heeft van € 43 miljoen of meer, is er sprake van een grootbedrijf.

Private partijen, onderzoeksorganisaties, koepel- of brancheorganisaties, beroepsverenigingen en internationale partners kunnen in het consortium zitting nemen.

De consortiumpartners bevestigen hun deelname aan het consortium door middel van een handtekening op het aanvraagformulier van de subsidieaanvraag. De consortiumpartners moeten worden opgenomen in de begroting.

Zo lang er voldaan is aan de minimale eisen van de samenstelling van het consortium en de bijbehorende cofinanciering, is het mogelijk om ook andere deelnemers als consortiumpartner op te nemen. Partijen die niet op de begroting staan maar wel bijdragen aan het project kunt u aangeven in het aanvraagformulier onder overige betrokken partijen.

3.2.3.3 Dubbelrollen in het consortium

De aanvrager, de bij de aanvraag betrokken medewerker van een hogeschool, of een onderzoeker uit de betrokken onderzoeksgroep mag niet tevens een (bezoldigd of onbezoldigd) dienstverband bij een praktijkpartner hebben. Dit wil zeggen dat de bij de aanvraag betrokken medewerkers van praktijkpartners uitsluitend vanuit hun rol als praktijkpartner betrokken mogen zijn bij de aanvraag en niet als onderzoeker of medewerker vanuit de aanvragende hogeschool.

3.3 Wat kan worden aangevraagd

Het subsidieplafond voor deze ronde bedraagt in totaal € 670.829 en is verdeeld over de 2 subthema’s. Het subsidieplafond voor subthema 1 bedraagt in totaal € 400.829. Het subsidieplafond voor subthema 2 bedraagt in totaal € 270.000. De aan te vragen subsidie per project bedraagt maximaal € 40.000. Binnen deze ronde worden naar verwachting maximaal 16 aanvragen toegewezen.

De aanvrager kan kosten opvoeren voor personeel, materieel en investeringen. Kosten van (deel)activiteiten die al zijn gefinancierd vanuit andere subsidies, kunnen niet worden opgevoerd.

De beschikbare budgetmodules (inclusief de maximale bedragen) staan hieronder vermeld. Voer alleen de kosten op die essentieel zijn om het project uit te voeren. De volledige voorwaarden en tarieven op deze budgetmodules staan in Hoofdstuk 7. Alle op te voeren kosten zijn exclusief btw, tenzij het niet-verrekenbare btw betreft.

3.3.1 Personeel

Voor personeel van hogescholen, universiteiten, universitaire medische centra en specifieke onderzoeksorganisaties (zoals bedoeld in art 1.1 lid 1 van de Subsidieregeling NWO) dat een bijdrage levert aan het project, kan subsidie voor de loonkosten worden aangevraagd. Het bedrag hiervoor is afhankelijk van het type aanstelling en de organisatie waar het personeel werkt.

Voor projectmanagement mag maximaal 10% van de totale projectkosten worden opgevoerd.

3.3.1.1 Personeel van hogescholen

Het is mogelijk om loonkosten op te voeren van personeel van hogescholen. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.1.

3.3.1.2 Studenten

Het is mogelijk om studenten in te zetten voor het project als ze studeren aan een onderzoeksorganisatie genoemd in paragraaf 3.2. De kosten hiervan kunt u binnen het project opvoeren als materiële kosten. Er is geen maximum aan het aantal studenten dat kan meewerken in het project. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.2.

3.3.1.3 Personeel bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of een onderzoeksorganisatie genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h, van de NWO Subsidieregeling

Voor personeel dat werkzaam is bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, universitair medisch centrum (umc) of een andere onderzoeksorganisatie, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, c t/m h, van de NWO Subsidieregeling kunnen loonkosten worden opgevoerd voor de volgende functies: postdoc, arts-onderzoeker, en niet-wetenschappelijk personeel (NWP).

Het is ook mogelijk om loonkosten van universitair (hoofd)docenten hoogleraren en onderzoekers van overige onderzoeksorganisaties op te voeren. Zie voor meer informatie paragraaf 7.1.3. t/m 7.1.6.

3.3.2 Materieel

Subsidie kan worden aangevraagd voor alle project specifieke materiële kosten. Zie voor meer informatie paragraaf 7.2.

3.3.3 Investeringen

Het is mogelijk om kosten op te voeren voor investeringen in apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen die na afloop van het project economische waarde hebben of kunnen worden hergebruikt. Loonkosten van personeel dat de apparatuur, infrastructuur en andere onderzoeksmiddelen in staat van gereedheid brengt, worden niet beschouwd als onderdeel van de investering.

Alleen de gemoeide afschrijvingskosten zijn subsidiabel. Afschrijvingskosten gemoeid met gedane investeringen in het buitenland kunnen niet worden opgevoerd. Zie voor meer informatie paragraaf 7.3.

3.3.4 Aanvullende financiële voorwaarden voor consortiumpartners
3.3.4.1 Subsidiabele kosten van de consortiumpartners

De kosten van de andere consortiumpartners komen niet in aanmerking voor subsidie. Deze kosten worden beschouwd als cofinanciering.

3.3.5 Eigen bijdragen en cofinanciering

Het is mogelijk voor de aanvrager van het betreffende project om een eigen bijdrage in te brengen in de aanvraag. Een eigen bijdrage is in deze ronde niet verplicht.

De consortiumpartners dragen bij aan de uitvoering van het project. De consortiumpartners leveren cofinanciering. Deze consortiumpartners bevestigen hun cofinanciering door middel van ondertekening van het aanvraagformulier van de subsidieaanvraag.

De eventuele eigen bijdragen en cofinanciering in kind kunnen worden ingebracht voor dekking van de personele en/of materiële inbreng van de betrokken organisaties. Zie voor meer informatie 7.4

Ook voor de cash cofinanciering moet worden aangegeven welke kosten van de projectactiviteiten hiermee worden gefinancierd.

3.3.5.1 Minimale vereiste cofinanciering

De vereiste cofinanciering van de praktijkpartners bedraagt ten minste 25% van het subsidiebedrag.

Onderzoeksorganisaties en grootbedrijven kunnen als praktijkpartner in cash en/of in kind bijdragen aan de uitvoering van het project. De cofinanciering van grootbedrijven wordt niet meegerekend met de verplichte minimale cofinanciering van 25% van de totale subsidie.

Rekenvoorbeeld:

Bij een gevraagde subsidie van € 40.000 bedragen de totale projectkosten minimaal € 50.000. De minimale eigen bijdrage en cofinanciering hierbij is € 10.000.

De omvang van de eigen bijdrage(n) en cofinanciering geeft u aan in de begroting. Niet toelaatbaar als cofinanciering is door NWO verstrekte subsidie. Niet toelaatbare cofinanciering in kind is verder beschreven in de Regeling Cofinanciering.

3.3.5.2 Onderzoeksorganisatie als praktijkpartner

Onderzoeksorganisaties kunnen op 2 manieren deelnemen aan het consortium: in hun rol als subsidiabele onderzoeksorganisatie of in de rol van praktijkpartner die bijdraagt aan de verplichte minimale cofinanciering. De keuze voor deelname als subsidiabele onderzoeksorganisatie of als praktijkpartner moet onderbouwd zijn in het projectvoorstel en zichtbaar zijn in de begroting. Als een onderzoeksorganisatie als subsidiabel onderzoeksorganisatie deelneemt dan is eventuele bijdrage (in-cash of in-kind) geen cofinanciering maar een eigen bijdrage en telt de bijdrage niet mee met de verplichte minimale cofinanciering van 25%. Als een onderzoeksorganisatie deelneemt als praktijkpartner is deze onderzoeksorganisatie niet subsidiabel.

3.3.5.3 Verantwoording cofinanciering

In sommige gevallen (zie paragraaf 7.5) wijst Regieorgaan SIA meer subsidie voor loonkosten toe dan aangevraagd, als gevolg van ambtshalve indexering. Tegenover dit extra bedrag hoeft geen aanvullende eigen bijdrage of cofinanciering te staan.

De subsidie van Regieorgaan SIA is nooit meer dan de toegewezen subsidie uit het subsidiebesluit.

Te allen tijde dient Regieorgaan SIA op de hoogte gesteld te worden van problemen in verwachte cofinanciering en eigen bijdragen. Naast financiële gevolgen voor een project, kan Regieorgaan SIA adequate wijzigingen in een project verlangen als wijzigingsverzoek, zodat het onderzoek naar beste vermogen vervolgd kan worden.

3.4 Aanvraag opstellen en indienen in ISAAC

Regieorgaan SIA werkt met het systeem ISAAC. Begin tijdig met de aanvraag in ISAAC.

  • Maak een account aan of update indien nodig de gegevens als u al een account heeft.

  • Download het aanvraagformulier en de 3 formats voor bijlagen in ISAAC.

  • Vul het aanvraagformulier in

  • Vul het consortiumpartnerformulier in. Als er meer dan 1 consortiumpartner is, vul dan zo vaak als nodig het consortiumpartnerformulier in.

  • Sla het aanvraagformulier en consortiumpartnerformulier(en) op als 1 pdf en dien het in ISAAC in. Dien apart de bijlagen in.

  • In ISAAC vult u daarnaast de gevraagde gegevens in, onder andere de publiekssamenvatting. De publiekssamenvatting bedraagt 50–100 woorden en moet toegankelijk geschreven zijn voor een brede doelgroep. Regieorgaan SIA kan deze samenvatting bij een nieuwsbericht over de toewijzingen van de subsidie publiceren.

Voorzie de aanvraag van de volgende verplichte bijlagen door deze te uploaden in ISAAC:

  • projectvoorstel (pdf)

  • begroting (Excel-bestand)

  • formulier projectbetrokkenen (Excel-bestand)

Gebruik voor de bijlagen alleen de door Regieorgaan SIA aangeboden formats. Andere bijlagen dan hierboven vermeld zijn niet toegestaan.

Het gebruik van generatieve AI is niet uitgesloten bij het opstellen van uw aanvraag, mits dit verantwoord gebeurt. De richtlijnen vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).

U kunt uw aanvraag alleen indienen via ISAAC. Aanvragen die niet via ISAAC zijn ingediend, worden niet in behandeling genomen.

Taal van de aanvraag is Nederlands of Engels. Binnen het aanvraag- en beoordelingsproces correspondeert Regieorgaan SIA altijd in het Nederlands, ook als u uw aanvraag in het Engels opstelt.

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC) of kan er contact worden opgenomen met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. Mailen kan naar isaac.helpdesk@nwo.nl. Een reactie volgt binnen 2 werkdagen.

Bekijk de ronde en alle documenten in ISAAC.

3.4.1 Aanvullende informatie over thema’s en beleidslijnen

Op het aanvraagformulier vragen wij u aan te geven bij welke thema’s en beleidslijnen uw aanvraag aansluit. Deze informatie ondersteunt ons onder meer bij het maken van beleidskeuzes. Meer informatie hierover vindt u op onze webpagina Informatieverzameling en monitoring. De door u verstrekte informatie wordt niet meegenomen in het beoordelingsproces.

3.4.1.1 Aansluiting op ‘Thema’s met impact’ (VH) en Onderwijssectoren

Regieorgaan SIA wil graag geïnformeerd worden over hoe de aanvraag zich verhoudt tot de onderzoeksthema’s, gespecificeerd in Praktijkgericht onderzoek als kennisversneller, Strategische onderzoeksagenda hbo 2022 – 2025 van de Vereniging Hogescholen. Op het aanvraagformulier geeft u daarom aan bij welke thema’s uit deze onderzoeksagenda de activiteiten aansluiten.

Daarnaast wenst Regieorgaan SIA geïnformeerd te worden over de aansluiting van het project bij de onderwijssectoren.

Vraagt u niet aan namens een hogeschool? Dan kunt u indien van toepassing een thema aankruisen.

3.4.1.2 Bijdrage aan NWA

Regieorgaan SIA zet zich actief in om hogescholen optimaal mee te laten doen met praktijkgericht onderzoek binnen de verschillende routes van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Indien van toepassing geeft u in de aanvraag daarom aan bij welke NWA-route het project aansluit.

3.4.1.3 Bijdrage aan Missiegedreven Innovatiebeleid

Regieorgaan SIA wil hogescholen en onderzoekers aan universiteiten en overige onderzoeksorganisaties in staat stellen een waardevolle bijdrage te leveren aan het Missiegedreven Innovatiebeleid, onder andere met KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV.

Als aanvrager geeft u op het aanvraagformulier aan bij welke van de 8 Kennis en Innovatie Agenda’s (KIA’s) het project aansluit. U onderbouwt in het projectvoorstel hoe het project aansluit bij 1 of meerdere KIA’s.

Meer informatie vindt u op webpagina’s en in verschillende documenten van de KIA’s:

3.4.2 Aanvullende voorwaarden voor indiening
3.4.2.1 Thema-keuze

Ten tijde van een ophaalmoment is het niet toegestaan om dezelfde aanvraag in meerdere thematische KIEM-regelingen in te dienen. Wanneer Regieorgaan SIA constateert dat dit het geval is, bent u verplicht alsnog een keuze te maken.

Indien uw aanvraag niet wordt gehonoreerd of niet in behandeling wordt genomen, kunt u een nieuwe aanvraag indienen in ISAAC voor een volgend ophaalmoment in een van de thematische regelingen.

3.5 Voorwaarden voor in behandeling nemen

Regieorgaan SIA toetst een aanvraag op onderstaande voorwaarden. Alleen als de aanvraag aan deze voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag toegelaten tot de beoordelingsprocedure.

Voorwaarden:

  • De aanvraag is ontvangen voor de gestelde deadline.

  • De aanvraag is ten tijde van een ophaalmoment slechts in 1 thematische KIEM-subsidieronde ingediend.

  • De aanvrager voldoet aan de in paragraaf 3.2 gestelde voorwaarden.

  • De aanvraag voldoet aan de DORA-richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.3.3.

  • De aanvraag is opgesteld met gebruikmaking van de formulieren die beschikbaar zijn gesteld in ISAAC.

  • De datamanagementparagraaf is ingevuld (hiermee maken aanvragers kenbaar hoe met data voortkomend uit het onderzoek wordt omgegaan).

  • Het aanvraagformulier en de verplichte bijlagen zijn, na eventueel eenmalig verzoek tot aanvulling of wijziging, juist, compleet en volgens de instructies ingevuld.

  • De aanvraag is ingediend via het ISAAC-account van de aanvrager.

  • De aanvraag is opgesteld in het Nederlands of Engels.

  • De begroting in de aanvraag is opgesteld volgens de voorwaarden van deze Call for proposals.

  • Het voorgestelde project heeft een looptijd van maximaal 12 maanden, en start binnen 3 maanden na het subsidiebesluit.

In de benodigde formulieren voor de aanvraag kunnen toelichtingen, instructies en vragen staan die nodig zijn om de formulieren correct te kunnen invullen.

3.5.1 In behandeling nemen en administratieve correcties

Zo snel mogelijk na de indieningsdeadline van het ophaalmoment, ontvangt de aanvrager bericht of Regieorgaan SIA de aanvraag in behandeling neemt. Binnen 2 weken na het ophaalmoment kan Regieorgaan SIA de aanvrager benaderen om eventuele administratieve correcties door te voeren om (alsnog) te voldoen aan de voorwaarden voor indiening. De aanvrager krijgt 1 keer de gelegenheid om binnen maximaal 4 werkdagen de correcties door te voeren. Als blijkt dat gecorrigeerde stukken wederom niet volledig en/of juist zijn, neemt Regieorgaan SIA de aanvraag niet in behandeling. Als de stukken wel juist en volledig zijn, neemt Regieorgaan SIA de aanvraag in behandeling en gaat deze door naar het proces van beoordeling en besluit.

3.5.2 Communicatie van aanvraag tot subsidiebesluit

Over de aanvraag communiceert Regieorgaan SIA van indiening tot en met besluit met de volgende personen:

  • Met de aanvrager (indiener in ISAAC) communiceert Regieorgaan SIA over: toets op indieningsvoorwaarden, subsidiebesluit.

  • Met de contactpersoon opgegeven in het aanvraagformulier communiceert Regieorgaan SIA over: subsidiebesluit.

  • Met het College van Bestuur of de universitair onderzoeker communiceert Regieorgaan SIA over: subsidiebesluit.

4 Beoordeling

In dit hoofdstuk staat informatie over de beoordelingsprocedure van een aanvraag.

4.1 Criteria

De beoordeling vindt plaats aan de hand van inhoudelijke beoordelingscriteria en nadat de aanvraag is toegelaten tot de beoordelingsprocedure.

De aanvragen worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

1. Passendheid binnen de thematische afbakening van deze subsidieronde

De aanvraag past wel of niet binnen het thema van deze subsidieronde:

  • In het projectvoorstelformulier wordt aan de hand van de omschrijving in paragraaf 2.2.1 van de call for proposals onderbouwd dat de aanvraag past bij de thematische afbakening van deze subsidieronde.

2. Vraagarticulatie

De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:

  • De praktijkvraag uit de beroepspraktijk komt of getoetst is bij voor de vraagstelling relevante professionals werkzaam in de beroepspraktijk.

  • De praktijkvraag vernieuwend en relevant is voor de beroepspraktijk.

  • De praktijkvraag is vertaald naar een heldere, functionele en afgebakende onderzoeksvraag voor (verkennend) praktijkgericht onderzoek.

  • De onderzoeksvraag voortbouwt op bestaande kennis, kunde of invulling geeft aan kennishiaten.

3. Passendheid netwerk

De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:

  • Bij aanvang de nodige expertise aanwezig is van onderzoeksorganisaties en de beroepspraktijk om de beoogde praktijkgerichte onderzoeksactiviteiten te kunnen uitvoeren.

  • Aandacht voor disseminatie van de uitkomsten van het (verkennend) onderzoek in zowel het onderwijs als de beroepspraktijk is geborgd in het netwerk.

Dubbelrollen binnen het consortium zijn niet toegestaan (zie toelichting in 3.2.3.3) Indien de beoordelingscommissie constateert dat sprake is van een dubbelrol, leidt dit tot een onvoldoende op dit criterium.

4. Kwaliteit projectplan

De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin:

  • Er sprake is van een haalbaar en doelmatig activiteitenplan, dat op logische wijze bijdraagt aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag.

  • De beroepspraktijk betrokken is bij de uitvoering van het project.

  • De gevraagde middelen in verhouding staan tot de aard van het project.

De leden van de beoordelingscommissie beoordelen alle criteria met een voldoende of onvoldoende. Ieder beoordelingscriterium weegt even zwaar mee.

Om een positief oordeel te krijgen dient een aanvraag op elk van de criteria een voldoende te scoren. Alleen aanvragen met een positief oordeel kunnen in aanmerking komen voor subsidie.

4.2 Beoordelingsprocedure

De beoordelingsprocedure van de aanvraag bestaat uit de volgende stappen volgens het tijdpad zoals wordt vermeld in paragraaf 3.1:

  • Schriftelijke beoordeling door de beoordelingscommissie

  • vergadering van de beoordelingscommissie

  • besluitvorming

Het bestuur van Regieorgaan SIA stelt voor deze ronde een externe, onafhankelijke beoordelingscommissie in. De leden hiervan zijn afkomstig uit de onderzoekswereld en praktijk met kennis met kennis op het thema. De taak van de beoordelingscommissie is de ingediende aanvragen te beoordelen aan de hand van de beoordelingscriteria. Iedere aanvraag wordt op zichzelf staand beoordeeld.

4.2.1 Schriftelijke beoordeling door de beoordelingscommissie

De aanvraag wordt voorgelegd aan de beoordelingscommissie. De commissieleden formuleren in een schriftelijke beoordeling commentaar aan de hand van de inhoudelijke beoordelingscriteria (zie paragraaf 4.1) en geven de aanvraag per beoordelingscriterium een voldoende of onvoldoende.

4.2.2 Vergadering van de beoordelingscommissie

De aanvraag en de schriftelijke beoordeling van de beoordelingscommissie fungeren als startpunt voor de plenaire bespreking van de aanvragen. De leden van de beoordelingscommissie maken op basis van het de aanvraag (inclusief de begroting), de schriftelijke beoordelingen en de plenaire bespreking, een afweging. Hierbij geldt dat de schriftelijke beoordelingen richtinggevend zijn voor de uiteindelijke beoordeling, maar de beoordelingscommissie neemt deze niet per se onverkort over. De beoordelingscommissie geeft per criterium voldoende of onvoldoende, wat leidt tot een eindoordeel per aanvraag.

De beoordelingscommissie stelt naar aanleiding van de bespreking een schriftelijk advies op aan het bestuur van Regieorgaan SIA. Het oordeel baseert zij op de beoordelingscriteria. De aanvraag moet op elk van de afzonderlijke beoordelingscriteria een voldoende scoren om in aanmerking te komen voor de subsidie. Het advies komt tot stand op basis van het oordeel op de aanvraag en het maximaal beschikbare budget (subsidieplafond) voor deze ronde.

Als een aanvraag een positief oordeel heeft en het subsidieplafond is nog niet bereikt, dan adviseert de beoordelingscommissie aan het bestuur van Regieorgaan SIA om de gevraagde subsidie toe te kennen.

4.2.3 Besluitvorming

Het bestuur van Regieorgaan SIA toetst de gevolgde procedure en het advies van de beoordelingscommissie. Het bestuur besluit op basis van het advies van de beoordelingscommissie over het al dan niet toewijzen van de subsidie. De aanvrager ontvangt daarna een brief per e-mail met daarin het besluit.

Als het beschikbare budget ontoereikend is om alle aanvragen met een positief oordeel te honoreren, is de volgorde van binnenkomst bepalend. Hierbij wordt het principe van first come, first served gehanteerd. Zie voor meer informatie over first come, first served in 3.1.1.

4.3 Richtlijnen en kaders voor de beoordeling

Onderstaande richtlijnen en kaders zijn van toepassing tijdens de beoordeling van uw aanvraag.

4.3.1 Code persoonlijke belangen

Voor alle bij de beoordeling en/of besluitvorming betrokken personen en betrokken medewerkers van Regieorgaan SIA is de NWO Code Persoonlijke Belangen van toepassing.

4.3.2 Beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence

Het gebruik van generatieve AI is volledig uitgesloten bij de beoordeling van een aanvraag. Meer informatie over het beleid op generatieve AI vindt u op de website (NWO-beleid op het gebruik van generatieve artificial intelligence (GAI) | NWO).

4.3.3 Diversiteit en inclusie

Regieorgaan SIA streeft naar een inclusieve cultuur, waarin geen plaats is voor bewuste of onbewuste barrières vanwege culturele, etnische of religieuze achtergrond, gender, seksuele oriëntatie, gezondheid of leeftijd (Diversiteit en inclusie | NWO). Regieorgaan SIA biedt leden van een beoordelingscommissie handvatten voor het inclusief beoordelen bij de schriftelijke beoordeling en bij de vergadering van de beoordelingscommissie (Inclusief beoordelen | NWO).

4.3.4 Brede definitie van wetenschappelijke output (DORA)

Regieorgaan SIA hanteert bij het beoordelen van het wetenschappelijke track record van aanvragers een brede definitie van wetenschappelijke output.

Regieorgaan SIA verzoekt de beoordelingscommissieleden bij de beoordeling van de aanvragen niet af te gaan op indicatoren als de Journal Impact Factor of de h-index. Deze mogen niet worden vermeld in de aanvraag. Wel mogen naast publicaties ook andere wetenschappelijk producten worden vermeld, zoals datasets, patenten, software, code enzovoort.

De basis voor dit beleid ligt in de ‘San Francisco Declaration on Research Assessment’ (DORA | NWO), ondertekend door NWO. DORA is een wereldwijd initiatief dat beoogt de manier te verbeteren waarop onderzoek en onderzoekers worden beoordeeld. DORA bevat aanbevelingen voor onderzoeksfinanciers, onderzoeksorganisaties, wetenschappelijke tijdschriften en andere partijen.

DORA richt zich op het terugdringen van het onkritisch gebruik van bibliometrische indicatoren en het wegnemen van onbewuste vooringenomenheid bij de beoordeling van onderzoek en onderzoekers. Overkoepelende filosofie van DORA is dat onderzoek moet worden beoordeeld op zijn eigen kwaliteiten en verdiensten, en niet op basis van afgeleide indicatoren, zoals het tijdschrift waarin het onderzoek is gepubliceerd.

5 Na de toewijzing

In dit hoofdstuk staan de voorwaarden en verplichtingen die gelden na toewijzing van de subsidie. Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk relevant voor aanvragers van toegewezen aanvragen.

5.1 Start van het project

De aanvrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele project en treedt op als penvoerder. Regieorgaan SIA communiceert met de aanvrager (indiener in ISAAC) over het project. Deze persoon is tijdens het project het formeel aanspreekpunt tenzij de aanvrager via ISAAC een wijziging doorgeeft.

De aanvrager van het project ontvangt namens het bestuur van Regieorgaan SIA een toewijzingsbrief.

5.1.1 Administratieve acties in ISAAC

De aanvrager (indiener in ISAAC) kan anderen machtigen om administratieve acties voor hun project uit te voeren in het ISAAC-systeem. Meer informatie over de machtigingsregeling is te vinden in de ISAAC-handleiding.

5.1.2 Consortiumovereenkomst

In de consortiumovereenkomst worden afspraken vastgelegd over intellectueel eigendom en publicatie, kennisoverdracht, geheimhouding, betalingen van cofinanciering en voortgangs- en eindrapportages. De model consortiumovereenkomst is na toewijzing beschikbaar in ISAAC. De consortiumovereenkomst wordt aangegaan door alle consortiumpartners, ondertekend door tekenbevoegde personen binnen de betrokken organisaties en dient via ISAAC te worden ingediend. De verantwoordelijkheid voor het regelen van de consortiumovereenkomst ligt bij de penvoerder.

De consortiumovereenkomst moet uiterlijk 13 weken na de start van het project ingeleverd zijn en is een vereiste om de subsidie te ontvangen. Pas na het inleveren van de ingevulde consortiumovereenkomst en goedkeuring van de consortiumovereenkomst door Regieorgaan SIA kan de subsidie worden uitbetaald. Wanneer de consortiumovereenkomst niet uiterlijk 13 weken na de start van het project is aangeleverd zal Regieorgaan SIA het subsidiebesluit intrekken.

Regieorgaan SIA beoogt enerzijds dat de onderzoeksresultaten van door Regieorgaan SIA gefinancierde projecten publiekelijk toegankelijk zijn, en anderzijds dat de verdere ontwikkeling van de onderzoeksresultaten wordt gestimuleerd door partijen de mogelijkheid te bieden om deze te exploiteren. Daarbij kan het wenselijk zijn om intellectuele eigendomsrechten over te dragen of een licentie te verlenen aan (een van) de bij het project betrokken private partijen. Het uitgangspunt is dat alle onderzoeksresultaten kunnen worden gepubliceerd met inachtneming van afspraken over publicatieprocedures. Dit wordt bepaald in de consortiumovereenkomst.

5.2 Monitoring en projectbeheer

Tijdens de loop van het project houdt de penvoerder Regieorgaan SIA op de hoogte van de voortgang. Na afloop van het project deelt de penvoerder de resultaten.

5.2.1 Wijzigingen in het project

Als er tijdens de looptijd van het project wijzigingen zijn ten opzichte van de toegewezen aanvraag en begroting, moet de penvoerder deze wijzigingen vooraf ter goedkeuring voorleggen aan Regieorgaan SIA via een wijzigingsformulier in ISAAC.

5.3 Richtlijnen en kaders voor uitvoering van het project

Hieronder staan de richtlijnen en kaders die van toepassing zijn op de uitvoering van het project.

5.3.1 Ethische verklaring of vergunning

Het is de verantwoordelijkheid van de penvoerder om na te gaan of voor de uitvoering van het voorgestelde project een ethische verklaring of vergunning noodzakelijk is. De aanvrager moet ervoor zorgen dat deze tijdig wordt verkregen bij de relevante instelling of ethische commissie. Het wel of niet hebben van een ethische verklaring of vergunning op het moment van het aanvraagproces heeft geen invloed op de beoordeling van de aanvraag. Als er een ethische verklaring of vergunning nodig is voor (een deel van) het onderzoek dan moet de penvoerder een kopie van deze verklaring of vergunning aan Regieorgaan SIA verstrekken nadat het project is toegewezen, en in ieder geval uiterlijk voordat de uitvoering van het onderdeel van het project waarvoor de verklaring nodig is van start gaat. Het deel van het project waarvoor de verklaring en/of vergunning vereist is, kan uiteraard (nog) niet worden uitgevoerd zolang er geen verklaring of vergunning is verstrekt.

5.3.2 Wetenschappelijke integriteit

Onderzoek dient volgens de normen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit te worden uitgevoerd. In geval van (mogelijke) schending van deze normen, moet de penvoerder Regieorgaan SIA hiervan onmiddellijk op de hoogte stellen en alle relevante documenten aan Regieorgaan SIA overleggen. Onderzoekers kunnen ook een klacht indienen bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van hun instelling of bij het NWO Meldpunt wetenschappelijke integriteit.

Regieorgaan SIA hecht grote waarde aan de wetenschappelijke integriteit van door haar gefinancierd onderzoek en spant zich in om integriteitsschendingen te voorkomen en te signaleren. Niet-integer onderzoek kan immers leiden tot directe schade (bijvoorbeeld aan de omgeving of patiënten), en kan het publieke vertrouwen in de wetenschap en het vertrouwen tussen wetenschappers onderling aantasten.

5.3.3 Kennisveiligheid

In de Nationale leidraad kennisveiligheid hebben de Nederlandse kennissector (waaronder NWO) en verschillende onderdelen van de Rijksoverheid handvatten vastgelegd voor wie binnen onderzoeksorganisaties te maken heeft met internationale samenwerking en daarbij kansen en (veiligheids-)risico’s tegen elkaar moet afwegen. Bij de aanpak van kennisveiligheid binnen Nederland staat zelfregulering door de kennissector centraal.

NWO verwacht van aanvragers dat zij zich conformeren aan het kennisveiligheidsbeleid van de onderzoeksorganisatie. Indien NWO signalen ontvangt dat een aanvraag of toegewezen project kennisveiligheidsrisico’s met zich meebrengt, kan NWO de aanvrager of projectleider verzoeken inzicht te geven in de risico mitigerende maatregelen. Daarnaast kan NWO besluiten om in de toewijzingsbrief nadere voorwaarden op te nemen ter bescherming van de kennisveiligheid.

De Nationale leidraad kennisveiligheid vindt u op de website van de Rijksoverheid: Home | Loket Kennisveiligheid.

5.3.4 Principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren

Uit het project kan kennis voortkomen die geschikt is voor toepassing in de maatschappij. Bij het aangaan van afspraken over licentie- en/of overdracht van onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden met de 10 principes voor maatschappelijk verantwoord licentiëren, die te vinden zijn op de website van UMCNL.

5.3.5 Genetische bronnen en Nagoya Protocol

Onderzoekers moeten de noodzakelijke acties ten aanzien van het Nagoya Protocol nemen. Het Nagoya Protocol zorgt voor een eerlijke verdeling van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische bronnen, inclusief (traditionele) kennis over deze bronnen (Access and Benefit Sharing; ABS). Onderzoekers die gebruik maken van deze bronnen (in of uit het buitenland) dienen zich op de hoogte te stellen van het Nagoya Protocol (ABS Focal Point – ABS Focal Point).

5.3.6 Intellectueel eigendom

Het beleid van Regieorgaan SIA met betrekking tot intellectueel eigendom (IE) is te vinden in de NWO Subsidieregeling.

5.4 Onderzoeksresultaten – Open Science

Open Science is de beweging die staat voor een meer open en participatieve onderzoekspraktijk waarbij publicaties, data, software en andere vormen van wetenschappelijke informatie in een zo vroeg mogelijk stadium gedeeld worden en voor hergebruik beschikbaar gesteld worden.

Wetenschappelijke publicaties over het project dienen Open Access beschikbaar te zijn volgens de Beleidsregel Open Access. Op de website van NWO staat beschreven welke opties er zijn voor het Open Access beschikbaar maken van verschillende typen publicaties zoals wetenschappelijke artikelen, boeken en boekhoofdstukken en proefschriften. Op de NWO-website staat ook informatie over de toepassing van licenties. Eventuele kosten voor Open Access publiceren dienen te worden begroot als onderdeel van de aanvraagbegroting.

Leidt onderzoek dat door Regieorgaan SIA is gefinancierd tot een publicatie of andere relevante onderzoeksoutput? Dan moet de penvoerder Regieorgaan SIA noemen als financier.

5.5 Afronding

Uiterlijk 13 weken na het einde van de looptijd van het project levert de penvoerder schriftelijk een inhoudelijke eindrapportage in. Wanneer de eindrapportage niet uiterlijk 13 weken na afloop van de subsidie is aangeleverd kan Regieorgaan SIA de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

5.6 Aanvullende voorwaarden

5.6.1 Informatieverstrekking aan partners van Regieorgaan SIA

TKI Agri & Food en TKI Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en het Ministerie van LVVN (hierna onze partners) zijn medefinancier van KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV en houden graag overzicht van alle onderzoeken waarbij ze betrokken zijn. Regieorgaan SIA deelt daarom van alle gehonoreerde subsidieaanvragen binnen deze Call for Proposals onderdelen van de projectvoorstellen en eindrapportages en de naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon van het project met onze partners.

Medewerkers van onze partners hebben uitsluitend recht van inzage in deze documenten. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de penvoerder van het project mogen zij geen mededelingen doen aan derden over inhoud die op basis van de publiek beschikbare samenvatting niet bekend is. De naam, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon worden mogelijk gebruikt om contact op te nemen.

Onze partners zijn medefinancier in deze subsidieronde en maken gebruik van PPSi-toeslag van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de financiering. Om de inzet van deze PPSi-gelden te kunnen verantwoorden, heeft RVO gegevens nodig van de gehonoreerde projecten. Daarnaast houden onze partners graag overzicht van de onderzoeken waarbij het betrokken is, o.a. om in kaart te brengen hoe deze projecten bijdragen aan de beleidsdoelen van onze partners.

Indien extra gegevens nodig zijn voor verantwoording van inzet van middelen door onze partner onze partners, vermelden wij dit in de besluitbrief en op welke manier u deze moet aanleveren.

5.7 Evaluatie

Regieorgaan SIA kan aanvragers benaderen voor een evaluatie van de procedure en/of het onderzoeksprogramma.

6 Contact

6.1 Vragen over de financiering van aanvragen?

Kijk voor meer informatie op Regieorgaan SIA | Financiering.

6.2 Vragen over de inhoud van deze ronde?

Op de webpagina KIEM GoFood & Internationale samenwerking LWV op de website van Regieorgaan SIA vindt u de meest recente informatie over deze Call for proposals. U vindt hier ook contactgegevens van de programmamanager.

6.3 Technische vragen over ISAAC?

Voor vragen over ISAAC kan de handleiding ISAAC worden geraadpleegd (te vinden via de knop ‘help’ in ISAAC). Daarnaast kan er contact opgenomen worden met de ISAAC-helpdesk. De ISAAC-helpdesk is bereikbaar van maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 17.00 uur CE(S)T op telefoonnummer +31 (0) 70 34 40 600. U kunt uw vraag ook per e-mail stellen via isaac.helpdesk@nwo.nl. U ontvangt dan binnen 2 werkdagen een reactie.

7 Voorwaarden en tarieven in budgetmodules

7.1 Personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1)

7.1.1 Personeel van hogescholen (behorend bij paragraaf 3.3.1.1)

Financiering kan worden aangevraagd voor personeel van hogescholen. De tarieven worden bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel. Dit tarief geldt voor de gehele looptijd van het project.

7.1.2 Studenten (behorend bij paragraaf 3.3.1.2)

In het onderzoek kunnen studenten worden ingezet. Indien de studenten bijdragen als onderdeel van hun curriculum, geldt het tarief volgens de gebruikelijke stagevergoeding van de hogeschool of universiteit.

Indien de studenten als bijbaan naast hun studie als student-assistent bijdragen, geldt het tarief volgens Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 onder 2.2 ‘gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, exclusief btw’, schaal 1.

7.1.3 Postdoc (behorend bij paragraaf 3.3.1.3)

Een postdoc wordt aangesteld bij een universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden, umc of onderzoeksorganisatie zoals genoemd in paragraaf 3.2.

Gebruik de tarieven van een senior wetenschappelijk medewerker in de salaristabellen van UNL, en de tarieven van een postdoc bij een umc in de salaristabellen van UMCNL.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een postdoc die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Alleen een postdoc positie met een aanstelling van ten minste 12 maanden voor 0,5 fte kwalificeert als een aanstelling waarvoor een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar staat ter stimulering van de wetenschappelijke carrière.

7.1.4 Arts-onderzoeker (behorend bij paragraaf 3.3.1.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor de aanstelling van een basisarts of arts-assistent als arts-onderzoeker voor de uitvoering van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek aan een umc. Een arts-onderzoeker wordt minimaal 36 en maximaal 48 maanden voor 1,0 fte aangesteld. Het equivalent van 36 of 48 voltijdsmaanden, bijvoorbeeld een aanstelling van 48 of 60 maanden voor 0,8 fte, is ook mogelijk. Het is mogelijk om een kortere aanstellingsduur aan te vragen. Dit moet goed worden gemotiveerd. Hierover wordt geoordeeld door de beoordelingscommissie. Het is noodzakelijk dat de decaan of instituutsdirecteur schriftelijk toezegt om het resterende deel van het promotietraject te financieren.

Het is niet mogelijk financiering aan te vragen voor een arts-onderzoeker die voor aanvang van de toewijzing met het te financieren project is gestart.

Gebruik de tarieven van (arts-)onderzoeker in de salaristabellen van UMCNL. Voor iedere arts-onderzoeker is een eenmalige persoonsgebonden benchfee van € 5.000 beschikbaar ter stimulering van de wetenschappelijke carrière.

7.1.5 Niet-wetenschappelijk personeel (behorend bij paragraaf 3.3.1.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor niet-wetenschappelijk personeel (NWP) dat nodig is voor de uitvoering van het project. Het kan bijvoorbeeld gaan om programmeurs, technisch assistenten, analisten of projectmanagers. De inzet van NWP moet worden beschreven in de aanvraag.

De duur van de aanstelling is niet langer dan de looptijd van het door Regieorgaan SIA gefinancierde project.

Afhankelijk van het functieniveau wordt gekozen uit de salaristabellen van het UNL of UMCNL voor NWP-mbo, NWP-hbo en NWP-academisch. Voor NWP is geen benchfee beschikbaar.

7.1.6 Universitair (hoofd)docenten en hoogleraren (behorend bij paragraaf 3.3.1.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor loonkosten van universitair (hoofd)docenten en hoogleraren bij universiteiten, umc’s en onderzoeksorganisaties genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de NWO subsidieregeling. Begeleiding van een promovendus of postdoc komt niet in aanmerking voor financiering.

Gebruik de tarieven volgens de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 1 onder 2.1, ‘gemiddelde directe loonkosten per salarisschaal’, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal bepaalt het tarief. Voor hoogleraren geldt schaal 17.

Voor universitair (hoofd)docenten en hoogleraren is geen benchfee beschikbaar.

7.2 Materieel (behorend bij paragraaf 3.3.2)

Financiering kan worden aangevraagd voor alle kosten voor het project en de doorwerking ervan met betrekking tot onder meer verbruiksgoederen, inkoop van diensten, materialen, kleine instrumenten, toegang tot (inter)nationale faciliteiten, software en onderzoeksmiddelen die na gebruik geen economische waarde meer hebben. Reis- en verblijfkosten (nationaal en internationaal) voor alle mensen die aan het project werken incl. buitenlandse gastonderzoekers, kosten voor de organisatie van (internationale) workshops en symposia, kosten voor datamanagement, publicaties, en kosten in het kader van citizen science vallen eveneens onder deze module.

Reiskosten (nationaal en internationaal) worden alleen vergoed op basis van tweede klasse/economy class tarieven. Voor publicaties gelden de bepalingen in paragraaf 4.5 Onderzoeksresultaten – Open science. Kosten voor een controleverklaring kunnen alleen worden opgevoerd voor instellingen die niet onderworpen zijn aan het onderwijsaccountantsprotocol van OCW voor maximaal € 5.000 per controleverklaring.

Het is niet toegestaan om kosten op te voeren voor:

  • organisatie-infrastructuur en overhead, waaronder een volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening en thuiswerkvergoeding.

  • het gebruik en onderhoud van in eigen beheer ontwikkelde wetenschappelijke infrastructuur.

  • reguliere onderwijsactiviteiten.

7.3 Investeringen (behorend bij paragraaf 3.3.3)

Financiering kan worden aangevraagd voor alle projectspecifieke middelen ten behoeve van onderzoek of kosten met betrekking tot bouw of doorontwikkeling van wetenschappelijke infrastructuur die na afronding van het project economische waarde behouden, dan wel kunnen worden hergebruikt. De begunstigde verwerft na afloop van het project het eigendom over deze onderzoeksmiddelen. Indien de begunstigde winst realiseert uit het economisch eigendom van deze onderzoeksmiddelen, dan moeten deze winsten worden geïnvesteerd in onderzoeksactiviteiten. Het gaat om de aanschaf van apparatuur met restwaarde voor de uitvoering van onderzoek.

Indien apparatuur niet tijdens de volledige levensduur daarvan voor het voorgestelde project wordt gebruikt, komen alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het voorgestelde project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, voor subsidiëring in aanmerking.

De kosten voor investeringen dienen in de aanvraag adequaat gespecificeerd en gemotiveerd te worden.

Subsidiabel zijn:

  • kosten voor investeringen in wetenschappelijke apparatuur

  • kosten voor investeringen in datasets

  • loonkosten voor medewerkers met essentiële technische expertise noodzakelijk voor de ontwikkeling of bouw van een investering

Niet-subsidiabel zijn:

  • kosten voor infrastructurele voorzieningen die tot de gebruikelijke infrastructuur gerekend kunnen worden volledig functionerende werkplek, huisvesting, kantoorautomatisering, personeelsadministratie, reiskosten woon-werk, opleiding, facilitair, HR-advies en bedrijfszorg, documentaire informatievoorziening, thuiswerkvergoeding

  • dataverzamelingen en eventuele bijbehorende software en bibliografieën die reeds op andere wijze beschikbaar zijn

  • overige personeelskosten, waaronder personeelskosten voor de exploitatie en het uitvoeren van onderzoek met de faciliteit

  • kosten voor onderhoud en gebruik van de apparatuur op een project (de kosten voor het gebruik van apparatuur op een project kunnen via het materieel budget aangevraagd worden).

7.4 Waardebepaling cofinanciering

Cofinanciering in kind kan worden opgevoerd in de vorm van loonkosten en materiële kosten. Voor het opvoeren van materiële kosten als cofinanciering gelden dezelfde voorwaarden als in 7.2 benoemd.

7.4.1 Wetenschappelijk personeel bij een onderzoeksorganisatie in het buitenland (behorend bij paragraaf 3.3.5)

In kind cofinanciering kan worden opgevoerd voor loonkosten van personeel aan een buitenlandse onderzoeksorganisatie dat een bijdrage levert aan het project. Voor de berekening van de tarieven, gebruik de UNL-tarieven gecorrigeerd voor de landencorrectiecoëfficiënten. Deze tarieven zijn maxima. Er is geen persoonsgebonden benchfee beschikbaar.

7.4.2 Personeel van overige organisaties (behorend bij paragraaf 3.3.5)

In kind cofinanciering kan worden opgevoerd voor loonkosten van personeel van overige Nederlandse en buitenlandse organisaties dat een bijdrage levert aan het project.

Voor organisaties die de cao Rijksoverheid of een vergelijkbare cao gebruiken (zoals de cao’s van hbo, mbo, vo en lagere overheden) worden de tarieven bepaald aan de hand van de Handleiding Overheidstarieven (HOT), tabel 2 gemiddelde totale loonkosten per salarisschaal, kolom ‘Uurtarief productieve uren, excl. btw’. De salarisschaal van de aangevraagde functie bepaalt het tarief uit de HOT-tabel. Dit tarief geldt voor de gehele looptijd van het project.

Voor andere organisaties gelden de volgende salarisschalen van HOT-tabel 2, kolommen productieve uren. Projectondersteuner: schaal 6. Junior (onderzoeker): schaal 10. Medior (onderzoeker): schaal 12. Senior (onderzoeker): schaal 13. Directeur: schaal 16.

7.5 Indexering

Het tarief op het moment van de besluitdatum is van toepassing. Regieorgaan SIA past bij de toekenning zo nodig eenmalig ambtshalve een indexering toe van de loonkosten. Hierbij wordt de datum gehanteerd dat de tarieven ingaan. Indien de datum van bekendmaking van de tarieven later is dan de ingangsdatum, wordt de datum van bekendmaking gehanteerd. De tarieven van de Universiteiten van Nederland (UNL) gaan doorgaans in op 1 juli, van de Universitair Medische Centra Nederland (UMCNL) op 1 augustus en van de Handleiding Overheidstarieven (HOT) op 1 januari.

Ambtshalve indexering heeft geen invloed op het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag. Het subsidieplafond en het maximaal aan te vragen subsidiebedrag blijven ongewijzigd tijdens de beoordelingsprocedure. Bij toewijzing wordt indexering toegepast op het subsidiebedrag.

De ambtshalve indexering heeft geen gevolgen voor de eisen aan cofinanciering, noch voor de IE-rechten die uit de cofinanciering kunnen voortvloeien.

Naar boven