Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 mei 2026, nummer WBV 2026/8, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vernummering van A6 tot A7 wordt hoofdstuk A6 toegevoegd en komt te luiden:

A6 Toepassing van de Screeningsverordening

1 Vreemdelingen die onder de Screeningsverordening vallen

Artikel 1 Screeningsverordening regelt welke vreemdelingen onder de werking van de Screeningsverordening vallen en daarmee gescreend moeten worden.

Het gaat enerzijds om screening aan de EU-buitengrens (paragraaf A6/3 Vc) waarbij de vreemdeling:

  • niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 SGC; en

  • de buitengrens onrechtmatig heeft overschreden; of

  • aan de grensdoorlaatposten of in de transitzones om internationale bescherming heeft verzocht; of

  • na een opsporings- en reddingsoperatie is ontscheept.

De screening aan de buitengrens wordt uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee op Schiphol waarmee zij als screeningsautoriteit in de zin van artikel 2 lid 10 van de Screeningsverordening zijn aangewezen. Vreemdelingen die zich gemeld hebben aan de andere buitengrenzen en niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden, zullen middels gecontroleerd vervoer overgebracht worden naar Schiphol om aldaar gescreend te worden. Hiertoe wordt een vrijheidsontnemende maatregel in de zin van artikel 6 lid 1 en 2 Vw opgelegd.

Anderzijds gaat het om screening op het grondgebied waarbij de vreemdeling:

  • illegaal op het grondgebied verblijft; en

  • de buitengrens van de EU onrechtmatig heeft overschreden; en

  • zij nog niet eerder zijn gescreend;

Screening op het grondgebied wordt uitgevoerd door de IND.

Als een vreemdeling wordt onderworpen aan een nationale strafrechtelijke procedure of uitleveringsprocedure en in het kader van binnenlands toezicht wordt aangetroffen, dan zal de screeningsautoriteit de vreemdeling niet aan screening onderwerpen gelet op de mogelijkheid die volgt uit artikel 18, zesde lid, Screeningsverordening.

Zowel voor screening aan de buitengrens als voor screening op het grondgebied geldt dat deze achterwege kan blijven of mag worden onderbroken indien een vreemdeling het EU-grondgebied verlaat om naar het land van oorsprong terug te keren, of indien de vreemdeling vrijwillig terugkeert naar een ander derde land indien de terugkeer naar dat andere land is toegelaten.

Voor screening op het grondgebied geldt bovendien dat deze achterwege mag blijven als de vreemdeling op grond van een bilaterale overeenkomst of samenwerkingskader onmiddellijke kan worden overgedragen aan een andere lidstaat, die dan verantwoordelijk wordt voor de screening.

2 Screening aan de buitengrens
2.1 Algemeen

De KMar is aangewezen als screeningsautoriteit aan de buitengrens voor de identificatie, registratie en het uitvoeren van een veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling bij vreemdelingen die zich aan de buitengrens melden en voldoen aan de criteria onder paragraaf A6/1 Vc.

De locatie Schiphol luchthaven wordt aangewezen als screeningslocatie voor screening aan de buitengrens ingevolge artikel 8 van de Screeningsverordening. Onderdelen van de screening kunnen echter ook op andere locaties plaatsvinden.

De vreemdeling wordt doorverwezen naar de relevante vervolgprocedure door de functionaris van de KMar. Als de vreemdeling een asielwens heeft geuit, wordt de beslissing om toegangsweigering uitgesteld conform het bepaalde in paragraaf A6/7.3 Vc en wordt een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De vreemdeling wordt voor het voortzetten van de screening overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. De voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling in beginsel doorverwezen naar de asielgrensprocedure (paragraaf C1/3.3 Vc).

2.2 De niet-begeleide minderjarige

De KMar verleent toegang tot het grondgebied aan een niet-begeleide minderjarige die aan de buitengrens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel doet. Tevens wordt een beschikbaarheidsaanwijzing in de zin van artikel 55 Vw opgelegd (middels model M117-C). voor de screening en de daaropvolgende asielprocedure. Vervolgens wordt de niet-begeleide minderjarige met gecontroleerd vervoer vervoerd naar de screeningslocatie op het grondgebied.

Op de screeningslocatie op het grondgebied vervolgt de screeningsprocedure als beschreven in paragraaf 4.

Van vorenstaande procedure kan worden afgeweken bij de niet-begeleide minderjarige die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid of wanneer er aanwijzingen zijn dat de gestelde minderjarige mogelijk meerderjarig is. Dan zal worden bezien of aanleiding bestaat toepassing te geven aan paragraaf A7/3.1 Vc en door te verwijzen naar de asielgrensprocedure (paragraaf C1/3.3 en paragraaf C2/2 Vc). Dat is met name aan de orde als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast.

2.3 De vreemdeling die niet in de asielgrensprocedure opgenomen kan worden

In het uitzonderingsgeval dat de vreemdeling een die aan de buitengrens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel doet aan de buitengrens, maar niet in de asielgrensprocedure opgenomen kan worden verleent de KMar toegang tot het grondgebied (paragraaf C1/3.3 en paragraaf C2/2 Vc). Tevens wordt een beschikbaarheidsaanwijzing in de zin van artikel 55 Vw opgelegd (middels model M117-C) voor de screening en de daaropvolgende asielprocedure. Vervolgens wordt de vreemdeling met gecontroleerd vervoer vervoerd naar de screeningslocatie op het grondgebied.

Op de screeningslocatie op het grondgebied start de screeningsprocedure als beschreven in paragraaf 4.

3 Vreemdeling aangetroffen in het kader van binnenlands toezicht

Ook vreemdelingen die in het kader van binnenlands toezicht worden aangetroffen door de KMar of AVIM vallen onder de Screeningsverordening indien de criteria onder paragraaf A6/1 Vc gelden.

De vreemdeling die zich zelf bij een Nederlandse autoriteit, niet zijnde de IND, meldt een aangeeft asiel te willen aanvragen wordt doorverwezen naar de IND waarna het proces onder paragraaf A6/4 Vc of de relevante onderdelen onder hoofdstuk C1 Vc volgen.

Wanneer een vreemdeling in het kader van binnenlands toezicht wordt aangetroffen en bij de KMar of de Nationale Politie (AVIM) een asielwens uit, kan de KMar of AVIM de vreemdeling ophouden op grond van artikel 50 Vw 2000 ten behoeve van de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status of als dat noodzakelijk is voor de screening op het grondgebied. Als blijkt dat de vreemdeling niet eerder gescreend is, of na de eerdere screening het EU-grondgebied heeft verlaten, wordt de vreemdeling per gecontroleerd vervoer overgebracht naar de locatie van de screeningsautoriteit op het grondgebied. Het proces als beschreven in paragraaf A6/4 Vc in combinatie met paragraaf C1/2.2 Vc.

Wanneer de vreemdeling naar de screeningslocatie op het grondgebied wordt overgebracht legt AVIM of KMar de beschikbaarheidsaanwijzing op als bedoeld in artikel 55 Vw (middels model M117-C).

Als blijkt dat de vreemdeling al eerder gescreend is en het EU-grondgebied nadien niet heeft verlaten, dan wordt de vreemdeling verwezen naar het aanmeldcentrum. Daar volgt dan het OVA-proces dan wel het proces voor de registratie en indiening van opvolgende aanvragen (afhankelijk van de vraag of de vreemdeling een eerste asielverzoek indient of een opvolgende aanvraag).

Voor alle categorieën onder paragraaf A6/3 Vc geldt dat indien vreemdelingenbewaring noodzakelijk is om de vreemdeling beschikbaar te houden een bewaringsmaatregel wordt opgelegd (artikel 59b Vw). In dat geval volgt de procedure voor registratie en indiening van de asielaanvraag zoals beschreven paragraaf C1/3.4 Vc.

4 De vreemdeling meldt zich op de screeningslocatie op het grondgebied
4.1 Algemeen

Als de vreemdeling zich op de screeningslocatie op het grondgebied meldt en nog niet eerder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend start de fase van het ontvangen en voorbereiden asielaanvraag (verder OVA-fase). Tijdens deze fase beoordeelt de IND als screeningsautoriteit of de vreemdeling onder de werking van de Screeningsverordening valt.

Indien de Screeningsverordening van toepassing blijkt, vallen de stappen van de screening onder A6/5.2 en A6/5.3 Vc binnen de OVA-fase.

Indien de Screeningsverordening niet van toepassing is en de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wil indienen volgt het OVA-proces ingevolge A6/5 Vc dan wel het proces voor de registratie en indiening van opvolgende aanvragen ingevolge C1 Vc afhankelijk van de vraag of de vreemdeling een eerste asielverzoek indient of een opvolgende aanvraag.

De processtappen in paragraaf A1/5.2 en paragraaf 5.3 Vc hoeven niet in onderstaande volgorde uitgevoerd te worden.

De vreemdeling ontvangt een aanwijzing als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Vw middels model M117-C, met de aanwijzing dat hij zich voor de screeningsprocedure en aansluitend voor de asielprocedure beschikbaar moet houden. Indien de vreemdeling zich niet houdt aan het opgelegde beschikbaarheidsregime, dan kan een verder gaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

Het IND-aanmeldcentrum te Ter Apel wordt aangewezen als screeningslocatie voor screening op het grondgebied in gevolge artikel 8 van de Screeningsverordening. Onderdelen van de screening kunnen echter ook op andere locaties plaatsvinden.

4.2 Screening en ontvangen en voorlichten van de vreemdeling

De IND als screeningsautoriteit ontvangt de vreemdeling en voert de volgende handelingen uit:

  • verificatie door middel van een vingerafdruk scan of de vreemdeling al in de BVV is geregistreerd;

  • informatievoorziening over de OVA-fase en de screening en de rechten en plichten van de vreemdeling en de IND;

  • verstrekking van een aanwijzing op grond van artikel 55 Vw aan de vreemdeling waarin neergelegd is dat de vreemdeling zich gedurende de screening en aansluitend voor de behandeling van de asielaanvraag beschikbaar moet houden op een aangewezen locatie/verblijfplaats.

De vreemdeling maakt gedurende de OVA-fase voor delen van het proces gebruik van een selfservice applicatie indien de vreemdeling daartoe in staat is. Indien noodzakelijk schakelt de IND een (telefonische) tolkendienst in. De vreemdeling verstrekt op verzoek van de IND informatie, zoals bedoeld in artikel 9 Screeningsverordening, over de volgende aspecten:

  • persoonsgegevens (naam, geboortedatum)

  • nationaliteit(en)

  • bewijsmiddelen/documenten

  • biometrische gegevens

De vreemdeling meldt verder het doel van zijn aanmelding en of de vreemdeling eerder gescreend is door een andere lidstaat of reeds bekend is in Nederland.

De IND kan ook informatie opvragen bij de vreemdeling ter voorbereiding van de asielprocedure, als voor of tijdens de screeningsprocedure blijkt dat de vreemdeling een verzoek tot internationale bescherming wil indienen (zie artikel 26 Asielprocedureverordening). Dit betreft informatie met betrekking tot:

  • herkomst;

  • gegevens over familieleden;

  • informatie met betrekking tot vergunningen of procedures in andere landen;

  • een eerste indicatie van het asielmotief;

  • (nationale) veiligheid, openbare orde en 1F-gedragingen.

Zo nodig kan de IND besluiten een opname van een taalindicatie van de aanvrager af te nemen. Deze informatie kan worden gebruikt om te bepalen of er een taalanalyse wordt opgestart en kan worden betrokken bij de voorbereiding en planning van de asielprocedure.

4.3 Uitvoeren controles als bedoeld in artikel 8 Screeningsverordening
4.3.1 Algemeen

Onderstaande controles kunnen in verschillende volgordes worden uitgevoerd:

  • Identificatie en verificatie van de identiteit van de aanvrager;

  • Registratie van biometrische gegevens;

  • Veiligheidscontrole conform artikel 15 Screeningsverordening;

  • Voorlopige medische controle conform artikel 12 Screeningsverordening;

  • Voorlopige beoordeling kwetsbaarheid conform artikel 12 Screeningsverordening.

Signalen van kwetsbaarheid, medische behoeften, veiligheidsrisico’s of andere relevante signalen kunnen gedurende de hele OVA-fase zowel door de vreemdeling worden gemeld als door elke medewerker worden opgemerkt en geregistreerd in interne aantekeningen, en indien vereist worden gedeeld binnen de keten.

De IND vult het screeningsformulier in overeenkomstig artikel 17, Screeningsverordening. De OVA-fase wordt afgerond met de registratie van de asielaanvraag ingevolge C1/2 Vc waarbij gebruik wordt gemaakt van de tijdens de screening verkregen informatie.

Indien de vreemdeling aangeeft af te willen zien van de indiening van de asielaanvraag volgt de procedure als beschreven in C1 Vc. Als de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, wordt de vreemdeling doorverwezen naar de passende vervolgprocedure. Het zal daarbij met name gaan om een verwijzing naar de DTenV ten behoeve van de terugkeerprocedure.

4.3.2 Identificatie en verificatie van de identiteit van de vreemdeling en registratie van biometrische gegevens

Identificatie en verificatie van de identiteit van de vreemdeling vindt op grond van artikel 14, eerste lid, Screeningsverordening plaats aan de hand van:

  • identiteits- en reis- en andere documenten;

  • verklaringen van de aanvrager;

  • biometrische gegevens; en

  • onderzoek van Europese en nationale databanken.

Na de eerste registratie neemt de IND biometrie af van de vreemdeling (gelaatsscan en gerolde vingerafdrukken). Na afname van de biometrie zullen deze gegevens worden gebruikt voor bevragingen en registraties in diverse nationale en internationale databanken (artikel 14 Screeningsverordening).

Op basis van de resultaten uit Eurodac wordt bepaald of de vreemdeling nog niet eerder is gescreend in een andere lidstaat. Indien geconcludeerd wordt dat de vreemdeling al eerder is gescreend, en daarmee niet onder de Screeningsverordening valt, wordt de identificatie en registratie in het kader van de registratie van de asielaanvraag (zie artikel 27 Asielprocedureverordening) uitgevoerd. Zie verder paragraaf C1/2 Vc.

De IND neemt originele reis- en identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek door de KMar en/of Bureau Documenten van de IND naar de authenticiteit van deze documenten. De vreemdeling ontvangt:

  • een bewijs van ontvangst waarin de ingenomen documenten staan benoemd; en

  • een kopie van de ingenomen documenten.

Na onderzoek draagt de KMar de reis- en identiteitsdocumenten over aan de IND samen met een rapport van bevindingen. De IND neemt het rapport van bevindingen op in het dossier van de vreemdeling. De IND houdt originele reis- en identiteitsdocumenten in bewaring gedurende de asielprocedure en tot eventuele uitzetting van de vreemdeling. Indien het onderzoek van de KMar uitwijst dat de documenten vals of vervalst zijn worden deze in beslag genomen.

De IND neemt ook andere beschikbare bewijsmiddelen in. Wanneer vereist wordt direct onderzoek naar de authenticiteit van documenten gestart. Wanneer het eerste onderzoek geen bijzonderheden uitwijst worden deze documenten geretourneerd aan de vreemdeling aan het einde van de OVA-fase. Indien nodig wordt nader onderzoek uitgezet bij Bureau Documenten. Nader onderzoek van documenten is onderdeel van de hoor- en beslisfase van de asielprocedure.

De IND neemt een kopie van de reis- en identiteitsdocumenten en van de andere beschikbare bewijsmiddelen op in het dossier van de aanvrager. De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling of zijn gemachtigde en geeft de onderzochte bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling. De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn.

4.3.3 Veiligheidscontrole

De veiligheidscontrole vindt plaats op grond van artikel 15 Screeningsverordening en kan zowel betrekking hebben op de vreemdeling als de voorwerpen die hij bij zich draagt.

In dit kader voert de Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek (RBL) bij binnenkomst op de screeningslocatie een veiligheidsfouillering van het lichaam en de bagage van de vreemdeling uit. Daarnaast doet de IND op basis van de afgenomen biometrie van de vreemdeling een bevraging op nationale en internationale systemen (artikel 15 lid 2/3/4). De IND stelt de vreemdeling ook enkele vragen die betrekking hebben op nationale veiligheid, 1F-gedragingen en openbare orde schendingen.

4.3.4 Voorlopige medische controle en beoordeling kwetsbaarheid

De IND biedt de vreemdeling een voorlopige medische controle aan als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 12 Screeningsverordening. Dit medisch onderzoek wordt uitgevoerd door medisch gekwalificeerd personeel van Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). Dit onderzoek vindt plaats na de OVA-fase op de aan de vreemdeling toegewezen COA-opvanglocatie. De uitkomst van de medische controle wordt niet gedeeld met de IND. De IND registreert wel of het onderzoek heeft plaatsgevonden.

De IND beoordeelt gedurende de OVA-fase of de vreemdeling bijzondere waarborgen behoeft in de OVA-fase. De IND gebruikt hierbij verklaringen van de vreemdeling zelf en observaties die de IND registreert gedurende de OVA-fase. In de triage wordt besloten welke waarborgen de vreemdeling behoeft gedurende de asielprocedure en of er nader onderzoek moet plaatsvinden ten aanzien van kwetsbaarheid. Signalen van kwetsbaarheid kunnen gedurende de hele OVA-fase maar ook daarna door de vreemdeling worden gemeld en door elke medewerker worden opgemerkt en geregistreerd.

Indien de IND aanwijzingen heeft dat bij de vreemdeling medische problematiek aanwezig is die van aanmerkelijke invloed kan zijn bij het horen en beslissen, kan de IND een medisch onderzoek in de zin van artikel 20, vierde lid, Procedureverordening aanbieden (zie paragraaf C3/5.1 Vc). Deelname aan het medisch advies is vrijwillig.

4.3.5 Screeningsformulier

De IND maakt een screeningsformulier op als bedoeld in artikel 17 Screeningsverordening. Dit screeningsformulier is als model M142 opgenomen in de Vc.

De vreemdeling wordt in staat gesteld om te reageren indien er (vermeende) onjuistheden op het screeningsformulier staan. Eventuele opmerkingen van de vreemdeling worden toegevoegd aan het screeningsformulier.

4.4 Vervolgstappen

De IND-medewerker checkt alle beschikbare informatie, die door de vreemdeling is aangeleverd of door de IND op andere wijze is verkregen (paragraaf A1/5.2 en 3 Vc). Zo nodig zorgen IND en vreemdeling voor aanvulling van de gegevens.

De IND informeert de vreemdeling vervolgens over de mogelijke vervolgprocedures (indienen asielaanvraag of terugkeer) en over eventuele opvang door het COA.

De vreemdeling ontvangt:

  • Een kopie van het screeningsformulier;

  • Een ontvangstbevestiging van de ingeleverde documenten (indien van toepassing);

  • Een kopie van de opgelegde aanwijzing als bedoeld in artikel 55;

  • Informatie over de vervolgprocedure; en

  • Retour van de onderzochte bewijsmiddelen/documenten, tenzij nader onderzoek nodig is of onderzoek heeft aangetoond dat documenten vals of vervalst zijn (indien van toepassing).

Als de vreemdeling kenbaar maakt dat hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel wil dienen, dan volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag. De registratie en indiening van de asielaanvraag vormen onderdeel van de OVA-fase, maar zijn geen onderdeel van screening. Zie verder paragraaf C1/2 Vc.

B

Deel C Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:

C1 Asielprocedure

1 Algemeen

De beleidsregels in deze paragraaf zijn een nadere uitwerking van de artikelen 9 t/m 35, 36, 39, 42, 43 en 67 t/m 69 Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348).

2 Melden, registreren en indienen asielaanvraag
2.1 Algemeen

Als de vreemdeling te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen (artikel 26 Procedureverordening) volgt de registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening). Afhankelijk van waar de vreemdeling zich heeft gemeld en of de Screeningsverordening van toepassing is, volgt een van de hieronder beschreven procedures.

2.2 Asielaanvraag op het grondgebied en Screeningsverordening is van toepassing

Als de vreemdeling zich op het grondgebied bevindt en onder de Screeningsverordening valt, wordt het registratieproces in fase ‘Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag’ (verder: de OVA-fase) gevolgd zoals beschreven in paragraaf A6/1 Vc. De vreemdeling dient de asielaanvraag direct aansluitend op deze OVA-fase in bij een IND-medewerker. Het aanmeldcentrum Ter Apel is aangewezen als screeningslocatie in de zin van artikel 8 lid 1 Screeningsverordening. De registratie en indiening van de asielaanvraag (artikel 27 en 28 Procedureverordening) vinden aansluitend op elkaar plaats.

Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten:

  • de ondertekende asielaanvraag;

  • een ontvangstbevestiging van de ingeleverde documenten (indien van toepassing);

  • de opgelegde aanwijzing om beschikbaar te zijn als bedoeld in artikel 55 Vw (Model M117-C);

  • folders met informatievoorziening; en

  • retour van de echt bevonden brondocumenten (indien van toepassing).

2.3 Vreemdeling die niet onder de werking van de Screeningsverordening valt

Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a Procedureverordening verschaft de vreemdeling die niet onder de werking van de Screeningsverordening valt, de informatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid Procedureverordening. Deze informatie wordt opgehaald tijdens de OVA-fase.

De IND zal in het kader van de registratie en de indiening van de asielaanvraag de volgende handelingen uitvoeren:

  • identificatie en verificatie van de identiteit van de aanvrager;

  • registratie van biometrische gegevens; en

  • veiligheidscontrole

De paragraaf A6/4.3 Vc zijn op deze onderdelen van overeenkomstige toepassing.

De vreemdeling ondertekent de asielaanvraag in aanwezigheid van een IND-medewerker.

Na het ondertekenen van de asielaanvraag ontvangt de vreemdeling (een kopie van) de volgende documenten:

  • de ondertekende asielaanvraag;

  • een ontvangstbevestiging van de ingeleverde documenten (indien van toepassing);

  • de opgelegde aanwijzing om beschikbaar te zijn als bedoeld in artikel 55 Vw (Model M117-C);

  • folders met informatievoorziening; en

  • retour van de echt bevonden brondocumenten (indien van toepassing).

2.4 Asielaanvraag overig

In afwijking van de regels over het indienen van een asielaanvraag zoals beschreven in de paragrafen C1/2.2 en 2.3 Vc gelden aparte beleidsregels voor de vreemdeling:

  • die aan de buitengrens heeft aangegeven een aanvraag te willen indienen en aan wie het besluit omtrent de toegangsweigering is uitgesteld (zie paragrafen C1/3.1 en C2/2 Vc); of

  • die een tweede of volgende asielaanvraag wil indienen (zie paragraaf C2/5 Vc); of

  • die een lastminuteaanvraag wil indienen (zie paragraaf C2/5.4 Vc); of

  • die vanuit vreemdelingenbewaring een aanvraag indient (zie paragrafen C1/3.4 en C2/4 Vc); of

  • die vanuit de strafrechtketen (VRIS) een aanvraag indient (zie paragraaf C1/3.5 Vc).

De IND merkt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel die op een ander dan het door de IND aangewezen moment of locatie of op een andere dan de hierboven beschreven wijze wordt ingediend, aan als een onvolledige aanvraag. Een onvolledige aanvraag doet de termijnen van de asielprocedure niet aanvangen (zie artikel 35 ProcedureVerordening).

3 Asieltriage
3.1 Algemeen

Als de vreemdeling de asielaanvraag heeft ingediend, bepaalt de IND aan de hand van de informatie die is verkregen tijdens de OVA-fase welke procedure vooralsnog wordt gevolgd en welke vervolgstappen er tijdens deze procedure gezet moeten worden.

Tijdens de triage kan de IND eveneens bepalen welke onderzoeken er worden uitgevoerd tijdens de procedure. Het uitgangspunt is dat er alleen onderzoeken worden uitgevoerd die nodig zijn om tot een correct besluit te komen. Er wordt daarom per aanvraag een individuele beoordeling gemaakt welke onderzoeken de IND opstart. Een aantal onderzoeken worden al tijdens OVA uitgevoerd of opgestart (zie paragraaf A6/4.2 en A6/4.3 Vc). De navolgende onderzoeken kunnen in de regel echter pas plaatsvinden na de triage:

  • (aanvullend) overig documentenonderzoek (zie paragraaf A6/4.3.2 Vc)

  • aanvullend herkomstonderzoek (zie paragraaf A6/4.2 Vc)

  • onderzoek naar de situatie in het land van herkomst middels deskundigenberichten (zie paragraaf C3/4.2.2.3 Vc)

  • onderzoek in het kader van Asiel- en migratiebeheerverordening (zie paragraaf C2/3 Vc)

  • leeftijdsonderzoek

  • medisch onderzoek horen en beslissen (zie paragraaf C3/5.1 Vc)

  • forensisch medisch onderzoek (zie paragraaf C3/5.2 Vc)

  • OSINT-onderzoek

  • 1F-onderzoek (zie paragraaf C4/3.6.9 Vc)

  • openbare orde-onderzoek (zie paragraaf C4/3.6.1 t/m C4/3.6.7 Vc)

  • nationale veiligheidsonderzoek (zie paragraaf C4/3.6.8 Vc)

Tijdens de triage bepaalt de IND ook of de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben en, als dat het geval is, het type persoonlijk onderhoud.

3.2 Vreemdelingen die het OVA-proces doorlopen hebben
3.2.1 Algemeen

De IND prioriteert de behandeling van de aanvragen middels onderstaande procedures:

  • de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure;

  • de ontvankelijkheidsprocedure; en

  • de (versnelde) asielprocedure

Hieronder wordt ingegaan op de verschillende procedures. De volgorde waarin de procedures hieronder beschreven staan, is ook de volgorde waarin zij getoetst worden.

3.2.2 Asiel- en migratiebeheerverordening procedure

Als eerste bepaalt de IND tijdens de triage of er sprake is van een Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. De Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van toepassing als op basis van de gegevens uit de OVA-fase blijkt dat een andere lidstaat mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit kan blijken uit onder andere:

  • gegevens uit Eurodac;

  • gegevens uit EU VIS;

  • verklaring van de vreemdeling (bijv. m.b.t. familieleden in een andere lidstaat of m.b.t. vergunning in een andere lidstaat); of

  • overgelegde documenten.

Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is, wordt tijdens de triage direct beoordeeld welke vervolgonderzoeken nodig zijn en of er een persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden. Zie paragraaf C2/3 Vc voor het verloop van de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure. Als de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure niet van toepassing is, is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag.

3.2.3 Ontvankelijkheidsprocedure

Zodra is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, wordt als eerst beoordeeld of er een concrete aanwijzing is dat een van de gronden van artikel 38, eerste lid Procedureverordening van toepassing is. Als dit het geval is, is er sprake van de ontvankelijkheidsprocedure. Voor volgende aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening gelden specifieke regels, zie paragraaf C2/5 Vc. De ontvankelijkheidsprocedure moet in beginsel binnen twee maanden worden afgerond. Deze termijn kan met twee maanden worden verlengd.

Behandeling van de aanvraag als er sprake is van internationale bescherming in een EU-lidstaat

Als uit informatie uit de OVA-fase blijkt dat de aanvrager al internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, kan er op basis van artikel 13, elfde lid, Procedureverordening afgezien worden van het persoonlijk onderhoud. De IND informeert in dat geval de vreemdeling of, indien aanwezig, zijn gemachtigde dat er voldoende informatie is om een beslissing te nemen zonder persoonlijk onderhoud. De vreemdeling heeft één week de tijd om hierop te reageren. Vervolgens wordt op de aanvraag beslist.

3.2.4 Bepalen versnelde procedure

Als geen sprake is van de ontvankelijkheidsprocedure, beoordeelt de IND de asielaanvraag inhoudelijk. De behandeling van de asielprocedure kan worden versneld als uit informatie uit de OVA-fase of op een later moment concrete aanwijzingen naar voren komen dat mogelijk een van de gronden van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening van toepassing is. Het is ook mogelijk om de behandeling van de asielaanvraag te versnellen op grond van artikel 42, eerste of derde lid Procedureverordening als er sinds de registratie van de aanvraag drie maanden zijn verstreken.

Als sprake is van feitelijke of juridische elementen die te complex zijn om in het kader van een versnelde procedure te onderzoeken, wordt de versnelde procedure niet (langer) toegepast.

3.2.5 Bepalen procedurele waarborgen en planningskaders

Tijdens de triage bepaalt de IND tevens of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Ook worden een aantal planningskaders bepaald: of er gelegenheid wordt gegeven een persoonlijk onderhoud te hebben, of er specifiek opgeleid personeel nodig is voor het persoonlijk onderhoud, de complexiteit van de aanvraag en de prioritering van de asielaanvraag. Als een van de situaties van artikel 13, elfde lid Procedureverordening van toepassing is, kan er af worden gezien van een persoonlijk onderhoud. De IND kan dit tijdens de triage bepalen maar ook op een later moment in de procedure.

3.3 Asielgrensprocedure

Als een vreemdeling de screeningsfase volledig heeft doorlopen aan de buitengrens, wordt in beginsel de asielgrensprocedure toegepast, indien de aanvraag conform artikel 3, derde lid Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld.

Zo spoedig mogelijk nadat de vreemdeling de asielgrensprocedure is ingestroomd, wordt de triage uitgevoerd. De triage na screening aan de grens is hetzelfde als de triage na de OVA-fase. De IND bepaalt tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt of de detentiemaatregel proportioneel is en of de aanvraag op basis van artikel 30a of 30b Vw binnen vijf weken niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond kan worden verklaard. Tijdens de triage bepaalt de IND vervolgens de prioritering en welke vervolgonderzoeken nodig zijn.

Zie paragraaf C2/2 Vc voor het verdere verloop van de asielgrensprocedure en op welke wijze wordt bepaald of deze op de vreemdeling van toepassing is.

Als op een bepaald moment besloten wordt de asielgrensprocedure niet langer toe te passen en er is nog geen beslissing genomen op de aanvraag, vindt er opnieuw een triage plaats. Omdat de asielgrensprocedure niet meer van toepassing is, bepaalt de IND tijdens deze aanvullende triage welke procedure van toepassing is en welke vervolgstappen nodig zijn om de aanvraag te kunnen afhandelen.

3.4 Asiel vanuit vreemdelingenbewaring

Bij aanvragen vanuit vreemdelingenbewaring kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • 1. Vreemdeling bevindt zich in vreemdelingenbewaring en dient vervolgens een eerste asielaanvraag in

    Na de registratie en indienen van de aanvraag vindt dezelfde triage plaats als beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc.

  • 2. Vreemdeling gaat tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag in vreemdelingenbewaring

    Mogelijk zijn er al verschillende stappen gezet in de behandeling van de asielaanvraag. De triage is in beginsel hetzelfde zoals beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc, maar er wordt rekening gehouden met alle reeds uitgevoerde stappen in de behandeling van de asielprocedure.

  • 3. Vreemdelingenbewaring wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag van de vreemdeling nog in behandeling is

    Nadat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, kan er een aanvullende triage plaatsvinden. Deze is vergelijkbaar met de aanvullende triage zoals beschreven onder paragraaf C1/3.3 Vc.

3.5 Aanvragen van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS)

Vreemdelingen in strafrecht vallen niet binnen de reikwijdte van de Screeningsverordening, zij worden geïdentificeerd en geregistreerd door de KMar of de AVIM zoals beschreven in A6 Vc. Bij aanvragen van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) kunnen zich de volgende situaties voordoen.

  • 1. Vreemdeling zit op strafrechtelijke gronden in detentie en dient vervolgens een eerste asielaanvraag in

    Na de registratie en indiening van de aanvraag vindt dezelfde triage plaats als beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc.

  • 2. Vreemdeling wordt tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag op strafrechtelijke gronden gedetineerd

    Mogelijk zijn er al verschillende stappen gezet in de behandeling van de asielaanvraag. De triage is in beginsel hetzelfde zoals beschreven in paragraaf C1/3.2 Vc maar er wordt rekening gehouden met alle reeds uitgevoerde stappen in de behandeling van de asielprocedure.

  • 3. De strafrechtelijke detentie wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag van de vreemdeling nog in behandeling is

    Als de strafrechtelijke detentie wordt opgeheven, beoordeelt de IND of de vreemdeling in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. Vervolgens kan er een aanvullende triage plaatsvinden. Deze is vergelijkbaar met de aanvullende triage zoals beschreven onder paragraaf C1/3.3 Vc.

  • 4. De vreemdeling zit op strafrechtelijke gronden in detentie, heeft nog geen toegang gekregen tot Nederland en dient vervolgens een asielaanvraag in

    In beginsel wordt de asielgrensprocedure toegepast en voert de IND in dit kader de triage uit. Zie hiervoor paragraaf C1/3.3 Vc.

  • 5. De strafrechtelijke detentie wordt opgeheven terwijl de asielaanvraag nog in behandeling is van de vreemdeling aan wie geen toegang is verleend tot Nederland

    De IND beoordeelt of de asielgrensprocedure van toepassing kan blijven. Als dit het geval is, vindt er geen aanvullende triage plaats. Als de asielgrensprocedure niet langer van toepassing is, wordt de asielgrensprocedure opgeheven. De IND doet in dat geval een aanvullende triage om te beoordelen welke procedure en vervolgstappen nodig zijn.

Op grond van artikel 42, eerste lid onder f Procedureverordening bestaat de mogelijkheid om de versnelde procedure toe te passen bij asielaanvragen die worden gedaan vanuit strafrecht of waarin de vreemdeling in de strafrechtketen heeft verbleven. Er kunnen dan namelijk redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Dit hangt onder meer af van de strafbare feiten waarvoor de vreemdeling in strafrecht verblijft of heeft verbleven. De IND maakt hierin een individuele afweging.

4 Juridische counseling

De IND biedt ondersteuning in de vorm van juridische counseling aan voor vreemdelingen in de asielprocedure tot het moment van koppelen van de asieladvocaat.

De juridisch counselors zijn niet werkzaam voor de Directie Asiel en Bescherming van de IND en worden niet betrokken bij de besluitvorming van de aanvraag. Zij treden niet op als gemachtigde en hebben geen inzage in het dossier van de vreemdeling. Zij hebben geen invloed op de uitkomst van de procedure. Counselors verschaffen geen gegevens over individuele aanvragers aan overige onderdelen van de IND of vreemdelingenketen, tenzij de vreemdeling daar uitdrukkelijk om verzoekt.

De IND biedt juridische counseling aan vanaf de OVA-fase. Gedurende deze fase kan de vreemdeling informatie inwinnen bij de juridisch counselors over de registratie en indiening van hun asielverzoek en zo nodig bijstand ontvangen bij de indiening van de aanvraag. Na de indiening van de asielaanvraag kan de vreemdeling, tot het moment dat een asieladvocaat is gekoppeld, op verzoek een afspraak maken met een juridisch counselor. De juridische counseling bestaat in deze fase uit begeleiding bij en uitleg over de procedures.

5 Het persoonlijk onderhoud
5.1 Algemeen

In artikel 12 Procedureverordening staat dat de vreemdeling voor het nemen van een beslissing op de aanvraag in de gelegenheid moet worden gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben over de inhoud van het verzoek. Hiervan kan worden afgezien in de gevallen genoemd in artikel 13, elfde lid Procedureverordening.

Voor de leesbaarheid wordt verder gesproken over ‘gehoor’.

Tijdens dit gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de elementen aan te voeren ter staving van zijn verzoek. De vreemdeling wordt verder in de gelegenheid gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.

Indien van toepassing kan de IND de vreemdeling tijdens het gehoor bevragen over overige onderwerpen die van belang zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Het kan hier onder meer gaan om vragen in het kader van een binnenlands beschermingsalternatief, veilig derde land, openbare orde aspecten, de ambtshalve toetsing en het opleggen van een terugkeerbesluit en/of maatregel en/of signalering.

Het gehoor vindt plaats in omstandigheden die privacy en vertrouwelijkheid garanderen en vreemdelingen de mogelijkheid bieden de redenen voor hun verzoek uitvoerig toe te lichten.

Een vreemdeling kan op grond van artikel 13, negende lid Procedureverordening de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND gehoord te worden.

De IND voldoet aan dit verzoek, als dat mogelijk is. De IND hoeft niet tegemoet te komen aan dit verzoek als de uitzonderingssituatie van artikel 13, negende lid Procedureverordening van toepassing is.

5.2 Minderjarige vreemdelingen

De IND stelt een minderjarige in de gelegenheid een gehoor te hebben, tenzij dit niet in het belang van het kind is. In dat geval motiveert de IND, waarom de minderjarige geen gelegenheid is geboden om gehoord te worden.

Begeleide minderjarigen kunnen, als ze dat wensen, hun mening schriftelijk naar voren brengen.

Het minderjarige kind en/of de ouder(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger wordt door de IND verzocht aan te geven of de minderjarige gehoord wenst te worden. Dit verzoek wordt zo spoedig aan het minderjarige kind en/of de ouders(s) dan wel een eventuele wettelijk vertegenwoordiger gedaan.

De IND houdt bij het horen van minderjarigen rekening met de leeftijd, het ontwikkelingsniveau en de belasting van de minderjarige.

De IND hoort een niet-begeleide minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar in beginsel in een speciale daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. De IND hoort een begeleide minderjarige vreemdeling in beginsel niet in een speciaal daarvoor ingerichte, kindvriendelijke ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een gehoor belemmeren, zoekt de IND naar een wijze waarop het nader gehoor kan worden afgenomen, dan wel naar een andere passende oplossing. Gelet op artikel 23, achtste lid, Procedureverordening hebben de vertegenwoordiger en de gemachtigde tijdens het gehoor de gelegenheid vragen te stellen of opmerkingen te maken binnen het kader dat is vastgesteld door de persoon die het onderhoud voert.

5.3 Tolk

Tijdens het gehoor is een tolk beschikbaar die ervoor kan zorgen dat de communicatie tussen de vreemdeling en de persoon die het gehoor voert, goed verloopt, indien een goede communicatie zonder die diensten niet kan worden gewaarborgd.

De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan hij de voorkeur geeft. Indien echter binnen een redelijke termijn geen tolk beschikbaar is, kan een andere taal worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. De IND hanteert hierbij het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan.

De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan in ieder geval:

  • de officiële taal of één van de officiële talen van het gestelde land van herkomst van de vreemdeling;

  • één van de lokale voertalen waarin in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling onderwijs wordt gegeven;

  • een taal die in de gestelde streek van herkomst van de vreemdeling feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; en

  • een voertaal of handelstaal die in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt.

Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.

Voor wat betreft een verzoek van de vreemdeling ten aanzien van het geslacht van de tolk is paragraaf C1/5.1 Vc van overeenkomstige toepassing.

De gemachtigde van de vreemdeling mag op grond van artikel 13, dertiende lid Procedureverordening bij het gehoor aanwezig zijn. Aan het einde van het persoonlijk onderhoud wordt de gemachtigde en eventueel een ander persoon die aanwezig is tijdens het gehoor in gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. De gemachtigde en eventueel een ander persoon mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden.

5.4 Verslag, opname en correcties en aanvullingen

De IND stelt een uitvoerig en feitelijk verslag (rapport) van het gehoor op, dat in het dossier van de vreemdeling wordt opgenomen. Daarnaast wordt van het gehoor een geluidsopname gemaakt, die ook in het dossier wordt opgenomen. De vreemdeling wordt vooraf in kennis gesteld van het feit dat er een opname wordt gemaakt.

De vreemdeling en zijn gemachtigde hebben zo snel mogelijk na het gehoor toegang tot het rapport van het gehoor. Ook krijgt de gemachtigde toegang tot de opname.

De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk correcties en aanvullingen in te dienen op het rapport van het gehoor. In de versnelde procedure geldt in beginsel een termijn van een week voor het indienen van eventuele correcties en aanvullingen. Voor de vreemdeling in vreemdelingenbewaring geldt in beginsel deze termijn van een dag. Voor de vreemdeling in VRIS geldt eveneens de termijn van een week. Gelet op de (korte) beslistermijnen wordt terughoudend omgegaan met het verlenen van uitstel voor het indienen van correcties en aanvullingen. Gedacht kan worden aan plotselinge ziekte van gemachtigde of vreemdeling of het niet beschikbaar zijn van een tolk.

De IND kan afzien van het bieden van gelegenheid voor het indienen van correcties en aanvullingen. Dat is in ieder geval mogelijk als dit naar het oordeel van de IND geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming of dat er anderszins een belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. Bij dat laatste kan worden gedacht aan de situatie dat de asielaanvraag eerst kort voor een voorgenomen uitzetting is ingediend.

In de versnelde procedure kan de IND de termijn van een week voor het indienen van correcties en aanvullingen verkorten wanneer sprake is van overlast. Er is in ieder geval sprake van overlast als de vreemdeling:

  • andere vreemdelingen lastigvalt of ruzie met hen maakt;

  • de medewerkers in de vreemdelingenketen lastigvalt, of ruzie met hen maakt;

  • vanwege een verslavingsprobleem overlast veroorzaakt;

  • vanwege een psychiatrisch overlast veroorzaakt;

  • personen of bedrijven lastigvalt of ruzie met hen maakt (waaronder ook het openbaar vervoer).

  • strafbare feiten pleegt.

6 Beschikking
6.1 Wijze van bekendmaken

De IND maakt de beschikking bekend aan de vreemdeling of aan zijn gemachtigde (als deze bekend is).

In de beschikking vermeldt de IND de wettelijk vereiste gegevens. Dit omvat mede de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing).

Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt, vermeldt de IND op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier:

  • de datum en het tijdstip van bekendmaken; en

  • de naam van de ambtenaar die de beschikking uitreikt (indien van toepassing).

6.2 De inwilliging

Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 18 Kwalificatieverordening, motiveert de IND, waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening.

Als de IND de aanvraag inwilligt op grond van artikel 23, eerste lid Kwalificatieverordening, motiveert de IND waarom niet is ingewilligd op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming.

6.3 De duur van de behandelingsprocedure

Op grond van artikel 35, derde lid Procedureverordening rondt de IND de versnelde behandelingsprocedure, als bedoeld in artikel 42 Procedureverordening, uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het verzoek af.

Als algemene regel neemt de IND op grond van artikel 35, vierde lid Procedureverordening binnen zes maanden na indiening van het verzoek een beslissing.

Op basis van artikel 35, vijfde lid Procedureverordening kan de beslistermijn met maximaal zes maanden worden verlengd indien:

  • een onevenredig aantal verzoeken om internationale bescherming worden ingediend binnen dezelfde termijn;

  • indien er complexe feitelijke en juridische kwesties aan de orde zijn; of

  • wanneer de vertraging duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan de vreemdeling bij het verstrekken van de gegevens op grond van artikel 9 Procedureverordening.

Onder complexe feitelijke en juridische kwesties als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening wordt in ieder geval verstaan dat er onderzoek moet worden gedaan of advies moet worden gevraagd aan externe partijen of deskundigen. Er is ook sprake van een complexe feitelijke en juridische kwestie zoals bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder b Procedureverordening als er 1F-indicaties zijn.

De IND neemt in ieder geval aan dat de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, aanhef en onder c Procedureverordening als:

  • het (eventuele) aanvullend gehoor op verzoek of door toedoen van de vreemdeling verzet wordt;

  • er bepaalde omstandigheden in het leven van de vreemdeling spelen, zoals langdurige ziekte;

  • de vreemdeling een contra-expertise laat uitvoeren; of

  • de vreemdeling kort voor het verstrijken van de beslistermijn met omvangrijke nieuwe stukken komt.

7 Ambtshalve toets

Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid Vb.

De IND behandelt een volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is. Dit geldt ook als een nieuwe aanvraag wordt ingediend nadat een vorige aanvraag buiten behandeling is gesteld, tenzij de vreemdeling eerder een aanvraag heeft gedaan die is afgewezen (zie artikel 30c, tweede lid, Vw).

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.

Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.

Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.

Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc.

De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.

Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc.

8 Rechtsmiddelen
8.1 Beroepstermijnen

De IND brengt beschikkingen ter kennis in de zin van artikel 36, eerste lid en 67, achtste lid Procedureverordening door deze bekend te maken door toezending of uitreiking overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (zie paragraaf C1/6.1 Vc).

8.2 Voorlopige voorziening

Artikel 82 Vw regelt wanneer het beroep de werking van het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel opschort.

Artikel 7.3, eerste lid Vb regelt dat de vreemdeling in beginsel niet verwijderd mag worden in afwachting van de uitspraak op het tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, of als de termijn voor het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening nog niet is verstreken.

8.3 Het verzoek om een voorlopige voorziening bij een volgend verzoek

De IND kan op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd uit Nederland in afwachting van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening indien het volgend verzoek enkel en alleen is ingediend om de uitvoering van een besluit dat zou leiden tot de spoedige verwijdering van de verzoeker uit Nederland, te vertragen of verhinderen en het volgend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen.

Bij de beoordeling of een verzoek enkel en alleen is ingediend om verwijdering te vertragen of verhinderen, betrekt de IND alle omstandigheden van het geval, waaronder met name:

  • a. de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

  • b. de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

  • c. de bekendheid van de vreemdeling met het feit dat de voor de terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn;

  • d. of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

  • e. de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 61 Procedureverordening (veilig land van herkomst);

  • f. de onderbouwing van de aanvraag.

Daarnaast kan de IND op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd als een tweede of verder volgend verzoek wordt gedaan na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk-ongegrond. De IND maakt van deze bevoegdheid geen gebruik indien verwijdering zou leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Bij die beoordeling betrekt de IND in ieder geval of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op verlening van internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Is dat niet het geval, dan rechtvaardigt dat de conclusie dat verwijdering niet zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement.

8.4 Klachten bij internationale instanties

Bij de volgende internationale instanties kan de vreemdeling een individuele klacht indienen als hij van mening is dat zijn rechten onder de betreffende verdragen zijn geschonden:

  • het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM houdt toezicht op de naleving van het EVRM;

  • het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (BUPO);

  • het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

  • het Vrouwenrechtencomité (Committee on the Elimination of Discrimination against Women). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW);

  • het Comité inzake de uitbanning van rassendiscriminatie (Committee on the Elimination of Racial Discrimination) dat toezicht houdt op de naleving van het Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie.

In het navolgende zullen de laatste vier organen worden aangeduid als ‘de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties’.

8.5 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)

Als het EHRM een voorlopige maatregel (interim measure) treft op grond van Regel (Rule) 39 van het procesreglement van het EHRM en de Nederlandse Staat verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling op te schorten, mag de vreemdeling gedurende de periode dat de voorlopige maatregel van kracht is niet worden uitgezet. Een voorlopige maatregel van het EHRM wordt gelijk gesteld met een door de nationale rechter toegewezen voorlopige voorziening en levert in beginsel rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8 onder h Vw.

Als een vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit, vindt naar aanleiding van de door het EHRM getroffen voorlopige maatregel een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:

  • of de voorlopige maatregel in duur is beperkt;

  • of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om het EHRM te verzoeken om de voorlopige maatregel op te heffen;

  • redenen van openbare orde of nationale veiligheid.

De vreemdeling kan (gedwongen) worden uitgezet als het EHRM geen voorlopige maatregel treft.

Uitspraken van het EHRM zijn juridisch bindend en worden (op)gevolgd.

8.6 Mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties

Een verzoek om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties zijn, evenals de uiteindelijke zienswijze, niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt in beginsel voldaan, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om niet te voldoen aan een dergelijk verzoek, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeken om opschorting van de uitzetting van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties die door de Nederlandse staat worden gehonoreerd, doen geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h Vw ontstaan.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 Terugkeerrichtlijn ontvangt de gemachtigde van de vreemdeling van de IND bericht dat het opgelegde terugkeerbesluit gedurende het verzoek van de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties voorlopig niet zal worden uitgevoerd en dat de vreemdeling dus gedurende het verzoek niet zal worden uitgezet.

Als het verzoek om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling wordt gehonoreerd door de Nederlandse Staat, vindt ten aanzien van de eventuele vreemdelingenbewaring een belangenafweging plaats inzake het voortduren van de bewaring. Bij deze afweging van belangen kan onder meer worden betrokken:

  • of de voorlopige maatregel in duur is beperkt;

  • of de Nederlandse Staat aanleiding ziet om de mensenrechtenverdragsorganen van de Verenigde Naties te verzoeken om terug te komen op het verzoek;

  • redenen van openbare orde of nationale veiligheid.

Als het mensenrechtenverdragsorgaan van de Verenigde Naties als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning aan de vreemdeling:

  • als sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  • als redenen van openbare orde of de nationale veiligheid zich daartegen verzetten;

  • andere dringende redenen aanwezig zijn die zich verzetten tegen verlening van een verblijfsvergunning.

C2 Specifieke procedures

1 Algemeen

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op specifieke procedures die afwijken van de standaard asielprocedure zoals beschreven in hoofdstuk C1 Vc.

2 Asielgrensprocedure
2.1 Algemeen

De asielgrensprocedure is geregeld in artikel 43 tot en met 45 Procedureverordening en artikel 3, derde tot en met zevende lid, Vw.

De vreemdeling geeft in persoon bij de ambtenaar belast met de grensbewaking te kennen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen. De procedure voor de screening van vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen, is opgenomen in paragraaf A6/2 Vc. De termijnen voor het registreren en indienen van de aanvraag zijn opgenomen in artikel 35 Procedureverordening.

Vreemdelingen die de asielgrensprocedure instromen worden naar het Aanmeldcentrum Schiphol gelegen in het Justitieel Complex Schiphol overgebracht voor de verdere behandeling van de asielaanvraag. Indien de behandeling van het verzoek niet in de asielgrensprocedure zal plaats vinden, wordt de vreemdeling doorgeleid naar het screeningslocatie op het grondgebied (zoals in paragraaf A6/2.3 Vc) waar, indien van toepassing, ook de screening zal worden voortgezet. Na het indienen van het verzoek vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.3 Vc. Tijdens de triage van de vreemdeling die de asielgrensprocedure doorloopt zal ook bezien worden of het voortduren van de detentiemaatregel proportioneel is.

2.2 Voortzetting asielgrensprocedure

De IND toetst tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voortdurend of de aanvraag conform artikel 3, derde lid, Vw binnen de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Het uitgangspunt is dat de IND uiterlijk na het persoonlijk onderhoud, op basis van volledige informatie, aan de vreemdeling kenbaar maakt indien zijn aanvraag niet in de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld. Hiervan kan worden afgeweken indien in een eerder of later stadium de relevante informatie voorhanden is.

De IND moet de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in de asielgrensprocedure voortvarend behandelen. Er wordt daarom zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud afgenomen. Na het persoonlijk onderhoud is er een termijn voor het indienen van correcties en aanvullingen van één dag. In ieder geval dient binnen 5 weken na registratie van de aanvraag te worden beslist. De termijn van vijf weken kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling naar Nederland is herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Indien de IND concludeert dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet binnen de asielgrensprocedure verder kan worden behandeld, of als duidelijk is dat de termijn van 5 weken voor de administratieve fase niet kan worden gehaald, dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing. De behandeling van de asielaanvraag wordt te lande voortgezet.

Als een van de gronden van artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, Procedureverordening van toepassing is maar op individuele basis geconcludeerd wordt dat de aanvraag ingewilligd wordt, wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw zo spoedig mogelijk opgeheven. Het inwilligende besluit wordt zo mogelijk bekendgemaakt op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.

2.3 Voortzetting van detentie na de asielgrensprocedure en daarop volgende toegangsweigering

Nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn (zie artikel 5.6, tweede lid Vb), neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking een besluit omtrent weigering van de toegang middels model M17A. Daarnaast legt de bevoegde ambtenaar middels model M19B of model M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid juncto het zesde lid, Vw of artikel 6a, eerste lid Vw.

Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en opleggen van de nieuwe maatregel dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, maar uiterlijk binnen twee dagen nadat de in paragraaf A5/3.1 Vc onder ‘Vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, Vw’ onder a tot en met e genoemde situaties niet langer aan de orde zijn.

2.4 Asiel- en migratiebeheerverordening procedure op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd

Conform artikel 3, derde lid en onder a Vw wordt, op de locatie waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, getoetst of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 30, eerste lid Vw niet in behandeling wordt genomen omdat een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Voor een aanvraag waarop de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure van toepassing is geldt dat, indien van toepassing, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud wordt afgenomen. Paragraaf C2/3.4.2 Vc over het persoonlijk onderhoud in de Asiel- en migratiebeheerverordening procedure is van overeenkomstige toepassing.

Indien de IND niet binnen 5 weken na registratie een beschikking tot niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft genomen dan wordt van rechtswege de toegang verleend en de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, derde lid Vw, opgeheven. De IND meldt de vreemdeling uiterlijk om 18.00 uur aan bij het COA ten behoeve van de uitplaatsing.

2.5 Inbewaringstelling op grond van artikel 59b Vw na de asielgrensprocedure

Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, terwijl de aanvraag niet binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, Vw kan worden afgedaan, stelt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, VV de vreemdeling aansluitend in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, Vw. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel mogelijk met toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden afgewezen (zie paragraaf A5/6.4 Vc).

3 Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351)
3.1 Algemeen

De IND neemt gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid Vw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

3.2 Waarborgen

De IND houdt tijdens de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening rekening met de waarborgen zoals die neergelegd zijn in artikel 16 en 19 tot en met 23 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

3.3 Criteria bepaling verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming
3.3.1 Algemeen

De criteria voor de bepaling van de verantwoordelijkheid van het behandelen van verzoek om internationale bescherming zijn opgenomen in hoofdstuk II van deel III van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In hoofdstuk III van deel III worden afhankelijke personen benoemd, alsmede de discretionaire clausule.

3.3.2 Niet-begeleide minderjarigen (artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.

Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.

Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.

Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.

Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.

Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.

Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.

3.3.3 Gezinsleden (artikel 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening)

In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.

Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

3.3.4 Diploma’s of andere kwalificaties (artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Onder een diploma of kwalificatie zoals bedoeld in artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening wordt het volgende verstaan:

Een getuigschrift, diploma of schooldiploma ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgerond als bedoeld in de artikelen 2.58, tweede lid, onder a en b, en derde lid, en 2.80, tweede lid, onder a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 7.4.6 en 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 7.11, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behaald na een studieperiode van ten minste één schooljaar of studiejaar in Nederland dat ten minste gelijkwaardig is aan niveau 2 van de International Standard Classification of Education met uitzondering van onlinecursussen of andere vormen van afstandsleren.

Niveau 2 van de International Standard Classification of Education komt overeen met lager secundair onderwijs, bijvoorbeeld VMBO.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (6) opgenomen, met welke directe en indirecte bewijzen diploma’s of andere kwalificaties onderbouwd kunnen worden.

3.3.5 Afhankelijke personen (artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.

Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.

Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.

De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.

3.3.6 Discretionaire clausules (artikel 35 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.

Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.

3.4 De procedure
3.4.1 Algemeen

In de screeningsfase verzamelt de screeningsautoriteit (KMar of IND) informatie op basis waarvan de triage (zie verder paragraaf C1/3 Vc) uitgevoerd gaat worden. Hieruit kan volgen dat (mogelijk) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming (zie artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening en zie verder paragraaf ‘Screening’ Vc). Dit kan blijken uit het raadplegen van Eurodac en VIS. Het kan ook blijken uit documenten van de vreemdeling en uit verklaringen.

Bij de beoordeling of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming onderzoekt de IND of er sprake is van indicaties dat de procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening doorlopen moet worden.

Als tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling, dan neemt IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

3.4.2 Persoonlijk onderhoud

Als sprake is van indicaties voor een overnameprocedure, als bedoeld in artikel 39 Asiel- en migratiebeheerverordening, dan houdt de IND in de regel een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 22 Asiel- en migratiebeheerverordening. Van het persoonlijk onderhoud wordt een geluidsopname gemaakt. Hierbij wordt aangesloten bij paragraaf C1/5.4 Vc.

In artikel 22, derde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening is bepaald, dat het persoonlijk onderhoud moet zijn afgenomen, voordat het overnameverzoek aan een andere lidstaat wordt verzonden.

Het verslag van het persoonlijk onderhoud wordt afgesloten met een samenvatting van het persoonlijk onderhoud. Deze samenvatting wordt aan het eind van het persoonlijk onderhoud voorgelezen aan de vreemdeling, waarna de vreemdeling op grond van artikel 22, zevende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening onmiddellijk en mondeling correcties en aanvullingen mag doorgeven.

Als sprake is van een terugnameprocedure dan is een persoonlijk onderhoud niet voorgeschreven en zal dat in de regel ook niet plaatsvinden.

Begeleide minderjarige kinderen in een procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening krijgen in afwijking van paragraaf C1/5.2 Vc de gelegenheid hun mening schriftelijk naar voren te brengen, ook wanneer hun ouders niet worden gehoord.

Bij de niet-begeleide minderjarige vreemdeling neemt de IND wel een persoonlijk onderhoud af, zodat het belang van het kind getoetst kan worden. Gedurende de procedure mag een niet-begeleide minderjarige zijn of haar mening ook altijd schriftelijk kenbaar maken.

3.4.3 Afzien van persoonlijk onderhoud

In artikel 22, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening staan situaties opgenomen, waaronder afgezien kan worden van een persoonlijk onderhoud.

Onder de situatie van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Asiel- en migratiebeheerverordening dat een vreemdeling is ondergedoken wordt mede verstaan de situatie als de verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.

Als de vreemdeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, Asiel- en migratiebeheerverordening, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, dan neemt de IND aan dat de vreemdeling geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen terwijl hij nog valt onder het bereik van de Asiel- en migratiebeheerverordening dient daarvoor gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, Asiel- en migratiebeheerverordening zal er bij een volgende aanvraag geen persoonlijk onderhoud plaatsvinden. De vreemdeling heeft immers bij zijn eerste aanvraag al de relevante informatie als bedoeld in artikel 19 Asiel- en migratiebeheerverordening ontvangen, er is inmiddels al een claimakkoord tot stand is gekomen met de verantwoordelijke lidstaat, en de vreemdeling kan middels de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de benodigde informatie verstrekken.

3.4.4 Verstrekken nadere informatie

De IND kan de vreemdeling op grond van artikel 17, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bij een overname situatie een aanvullende termijn bieden voor het verstrekken van aanvullende informatie. Dit kan alleen wanneer de vreemdeling niet in staat is deze informatie tijdens het persoonlijk onderhoud te verstrekken en wanneer het gaat om informatie die noodzakelijk is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De termijn die door de IND wordt geboden is afhankelijk van de resterende termijn voor het indienen van het overnameverzoek en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

3.5 Beschikking/overdrachtsbesluit

De IND maakt de beschikking op grond van artikel 42 Asiel- en migratiebeheerverordening bekend door uitreiking aan de vreemdeling of door toezending aan gemachtigde, nadat:

  • het overnameverzoek door een andere lidstaat is aanvaard; of

  • een kennisgeving inzake terugname is gedaan en bevestigd.

Bovenstaande geldt ook wanneer aanvaarding of bevestiging het gevolg is van het niet tijdig reageren van de aangezochte lidstaat.

Als het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid Vw, neemt de IND in ieder geval in de beschikking op:

  • dat de vreemdeling wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (overdrachtsbesluit)

  • de informatie bedoeld in artikel 42, tweede en vierde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening

  • of de vreemdeling van rechtswege geen recht heeft op opvangvoorzieningen op basis van artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

  • de verplichting voor de vreemdeling als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, Asiel- en migratiebeheerverordening om mee te werken met de bevoegde autoriteiten en om het overdrachtsbesluit na te komen.

De vreemdeling heeft van rechtswege geen recht op opvangvoorzieningen in een andere lidstaat dan die waar hij op grond van artikel 17, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening aanwezig dient te zijn. De vreemdeling heeft wel recht op opvangvoorzieningen tot aan de overdracht in de volgende situaties:

  • De vreemdeling heeft het eerste verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland en waarbij:

    • Nederland de lidstaat van eerste binnenkomst is; of

    • De vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfstitel of geldig visum dat door Nederland is afgegeven; of

    • De vreemdeling zich in Nederland bevond op het moment dat een geldige verblijfstitel of een geldig visum nietig werd verklaard, werd ingetrokken of werd herroepen.

  • De vreemdeling is in het kader van solidariteit naar Nederland herplaatst en er is alsnog vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is

  • Er bestaan redelijke gronden om aan te nemen dat de vreemdeling het slachtoffer zou kunnen zijn geweest van strafbare feiten op het gebied van mensenhandel. Het gebruik maken van de bedenktijd of het doen van een aangifte is niet voldoende om aan te nemen dat deze redelijke gronden bestaan.

Een voorwaarde voor het vervallen van het recht op deze opvangvoorzieningen is dat de vreemdeling moet zijn geïnformeerd over zijn of haar verplichtingen en de gevolgen van niet-nakoming daarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b Procedureverordening of artikel 5, lid 1 en artikel 21 Opvangrichtlijn. De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling hierover is geïnformeerd wanneer sprake is van een eerdere aanvraag in een andere lidstaat op of na 12 juni 2026, tenzij expliciet door de betreffende lidstaat is aangegeven dat deze de vreemdeling niet heeft geïnformeerd.

In de bijzondere individuele omstandigheden zoals benoemd in artikel 18, vierde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening kan in de regel worden voorzien in de versoberde opvang van het COA als bedoeld in artikel 18, eerste lid. Desgewenst kan de vreemdeling gebruik maken van de klachtenregeling van het COA.

Voor wat betreft het bekendmaken van de beschikking wordt verwezen naar paragraaf C1/6.1 Vc.

3.6 Rechtsmiddelen

Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, eerste lid, Vw bedraagt de beroepstermijn één week.

De IND schort op grond van artikel 43, derde lid van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en artikel 69, zevende lid, Vw de uitvoering van het overdrachtsbesluit op als de vreemdeling gelijktijdig met een (tijdig ingesteld) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening indient.

Op grond van artikel 69, zevende lid, Vw in combinatie met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet opgeschort, als de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend of wanneer het verzoek niet gelijktijdig met het beroep is ingediend.

3.7 Overdrachtstermijn

Artikel 46, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening geeft de IND de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal een jaar te verlengen bij gevangenzetting van de vreemdeling. Van gevangenzetting in voormelde zin is sprake bij een rechterlijke beslissing tot vrijheidsbeneming die in het kader van een strafrechtelijke procedure is gegeven ten aanzien van een persoon die een strafbaar feit heeft gepleegd of die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.

Verder geeft deze bepaling de mogelijkheid om de overdrachtstermijn tot maximaal drie jaar te verlengen als de vreemdeling, of een gezinslid die samen met de vreemdeling moet worden overgedragen:

  • is ondergedoken in de zin van artikel 2, zeventiende lid, Asiel- en migratiebeheerverordening;

    • de vreemdeling heeft kennelijk het grondgebied van Nederland zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten verlaten

    • de vreemdeling verzuimt melding te doen van afwezigheid bij COA en/of de organisatie die onderdak biedt aan betrokkene

    • de vreemdeling verzuimt te verschijnen bij de bevoegde autoriteiten nadat dit door deze autoriteiten is vereist

  • zich fysiek tegen de overdracht verzet;

  • er opzettelijk voor zorgt dat hij of zij niet in staat is te worden overgedragen; of

  • niet aan de medische vereisten voor de overdracht voldoet.

De vreemdeling moet in kennis worden gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht. Ook moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan. Als de vreemdeling op de hoogte was van zijn verplichtingen, en vervolgens (tijdelijk) niet beschikbaar blijft voor de autoriteiten, dan neemt de IND in ieder geval aan dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken. De IND stelt de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming tijdig op de hoogte van de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum. De IND verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als er sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten.

4 De procedure bij een aanvraag vanuit vreemdelingenbewaring

Als een vreemdeling aan wie op grond van artikel 59 of 59a Vw een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd aangeeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient de vreemdeling deze aanvraag in op het aanmeldcentrum Schiphol of op de locatie waar de vrijheidsontnemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd. De termijnen zoals bedoeld in artikel 35 Procedureverordening zijn van toepassing. Na het indienen van de aanvraag vindt een triage plaats zoals bedoeld in paragraaf C1/3.4 Vc.

De IND beoordeelt in overleg met de DTenV, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de vreemdeling voor de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel (tijdelijk) wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol in verband met het persoonlijk onderhoud.

In beginsel zal de vreemdeling na de nabespreking van het persoonlijk onderhoud met de gemachtigde teruggebracht worden naar de bewaringslocatie alwaar hij verbleef voordat hij werd overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol.

De IND kan er in overleg met de DTenV voor kiezen de gehele asielprocedure te voeren vanaf de bewaringslocatie. De IND weegt bij de beoordeling of gekozen wordt voor de oorspronkelijke bewaringslocatie of die aan de grens in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

  • de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel;

  • de beschikbaarheid van tolken in aanmeldcentrum Schiphol;

  • de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling van de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd naar aanmeldcentrum Schiphol; en

  • de omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling.

Na indiening van de aanvraag wordt een advocaat toegewezen. Op een passend moment voorafgaand aan het persoonlijk onderhoud vindt de voorbereiding door de advocaat plaats.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel moet gelet op het bepaalde in artikel 59b, tweede lid, Vw zo spoedig als mogelijk worden afgerond. Gelet hierop wordt zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud ingepland.

5 Volgende aanvragen
5.1 Tweede of volgende aanvraag ingediend en nog geen definitief besluit op het eerdere verzoek

Indien nog geen beslissing op een eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is genomen of in het geval de rechtbank nog niet beslist heeft op het beroep tegen de beslissing die is genomen op deze aanvraag, is er nog geen sprake van een definitieve beslissing in de zin van artikel 55 Procedureverordening. De tweede op volgende aanvraag wordt dan niet aangemerkt als een nieuw verzoek, maar als een nadere verklaring. Deze dient dan ook niet als zodanig te worden geregistreerd. De nadere verklaring dient beoordeeld te worden in het kader van de lopende aanvraag of het lopende beroep. Deze nadere verklaring dient dan ook toegezonden te worden aan de rechtbank.

5.2 Tweede of volgende aanvraag na definitieve beslissing in andere lidstaat

Indien een verzoek om internationale bescherming bij een definitieve beslissing is afgewezen in een andere lidstaat, zal dit verzoek ook als een volgend verzoek moeten worden beschouwd en behandeld (zie artikel 55, tweede lid Procedureverordening).

5.3 De procedure bij een tweede of volgende aanvraag

De vreemdeling, of de wettelijk vertegenwoordiger, die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient deze aanvraag in op werkdagen tussen 08:00 en 15:00 uur op het aanmeldcentrum Ter Apel. De in artikel 3.50a VV genoemde gevallen zijn hiervan uitgezonderd. Een tweede of volgende aanvraag die niet in persoon is ingediend op het aanmeldcentrum Ter Apel is niet overeenkomstig artikel 28 Procedureverordening en artikel 36, eerste lid, Vw ingediend. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening).

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, dient daarvoor, behoudens de in artikel 3.50a VV genoemde gevallen, gebruik te maken van het model M35-O. D. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Als de IND de bijlage met bewijsmiddelen heeft ontvangen, verstrekt de IND aan de vreemdeling een bewijs van ontvangst, waarin staat beschreven welke bewijsmiddelen de IND heeft ontvangen. Voor wat betreft de teruggave van bewijsmiddelen door de IND zijn de beleidsregels in paragraaf A6/4.3.2 Vc van toepassing.

De IND start na ontvangst van het volledig ingevulde en complete model M35-O op basis van de daarmee verstrekte informatie en bewijsmiddelen met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag. Dit onderzoek omvat tevens de beoordeling van volgende aanvragen. Wanneer een vreemdeling een volgende aanvraag indient, onderzoekt de IND of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 30a, eerste lid Vw. Zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid Procedureverordening. Dit onderzoek bestaat uit twee fasen.

In de eerste fase onderzoekt de IND of er sprake is van nieuwe relevante elementen. Dat is het geval als:

  • de vreemdeling aan de volgende aanvraag relevante elementen ten grondslag legt die niet zijn onderzocht en beoordeeld tijdens de eerdere asielprocedure(s); en

  • die de vreemdeling buiten zijn schuld om niet eerder naar voren had kunnen brengen, tenzij deze elementen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.

Wanneer niet aan één van de voorwaarden uit bovenstaande is voldaan, dan kan de volgende aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard. Hierbij verwijst de IND naar artikel 55 Procedureverordening.

Als wel sprake is van nieuwe relevante elementen, onderzoekt de IND in de tweede fase of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Is dit niet het geval, dan kan de aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard.

De IND beoordeelt de aanvraag inhoudelijk op inwilligbaarheid als sprake is van nieuwe relevante elementen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.

Bij de toets of de nieuwe elementen en bevindingen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten, betrekt de IND de redenen voor de afwijzing van de vorige aanvra(a)g(en) en beoordeelt deze redenen in onderlinge samenhang met de nieuwe relevante elementen. Deze gezamenlijke afweging leidt dan tot een conclusie of deze nieuwe relevante elementen de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten.

De IND wijst een volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet af als niet-ontvankelijk als er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende elementen en bevindingen. Hiervan is in ieder geval sprake indien hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd en/of overgelegd tot het oordeel leidt dat met de uitzetting van de vreemdeling artikel 3 EVRM wordt geschonden.

De IND beschouwt een verzoek om heroverweging dat is ingediend door een vreemdeling die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel als een onvolledige aanvraag van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling krijgt dan een termijn van drie dagen om de aanvraag in persoon in te dienen en het verzuim te herstellen, bij gebreke waarvan zal de aanvraag buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid aanhef en onder b Vw (en artikel 41, eerste lid aanhef en onder a Procedureverordening

De IND beslist na ontvangst van een volledige aanvraag of en op welke datum het persoonlijk onderhoud plaatsvindt. Er vindt gelet op artikel 13, elfde lid Procedureverordening geen persoonlijk onderhoud plaats als de IND op basis van het dossier, de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de aanvraag niet-ontvankelijk kan verklaren. De IND kan besluiten om die reden af te zien van een persoonlijk onderhoud in de situatie dat de vreemdeling:

  • zich beroept op hetzelfde asielrelaas als in een eerdere procedure zonder dat er nieuwe elementen of bevindingen zijn, dan wel zonder horen kan worden vastgesteld dat de nieuwe elementen of bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

  • een beroep doet op (nieuwe) informatie of stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat ze de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;

  • een beroep doet op de gestelde verslechterde algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst en de IND de beoordeling kan doen op grond van informatie die uit openbare bronnen beschikbaar is en de IND de aanvraag nog steeds niet-ontvankelijk kan verklaren omdat deze elementen de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw; of

  • een volgende asielaanvraag hoofdzakelijk baseert op stukken die zijn medische situatie betreffen en de IND de aanvraag nog steeds niet-ontvankelijk kan verklaren omdat deze elementen de kans niet aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;

  • een volgende aanvraag doet om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel als meereizend of nareizend gezinslid (artikel 29b, artikel 29c en artikel 29d Vw);

  • geen nieuwe relevante elementen naar voren brengt die verband houden met een eerdere toegepaste grond voor niet-ontvankelijkheid als het eerdere verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk;

  • een volgende aanvraag indient die afhankelijk is van de aanvraag van een familie- of gezinslid en geen elementen naar voren zijn gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker zelf in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;

  • valse of vervalste documenten overlegt en geen andere elementen naar voren zijn gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker zelf in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 en 29a Vw;

  • een beroep doet op (nieuw) beleid waar hij evident niet onder valt dan wel in aanmerking wenst te komen voor verblijf op niet asiel gerelateerde gronden.

Als de vreemdeling wel in de gelegenheid wordt gesteld een persoonlijk onderhoud te hebben, maar zonder voorafgaande mededeling niet verschijnt voor dat onderhoud, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf C4/4.3 Vc impliciete intrekking.

5.3.1 Bekendmaken beschikking

Paragraaf C1/6.1 Vc onder ‘Wijze van bekendmaken’ is van toepassing.

De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Indien bij de IND geen gemachtigde bekend is en de vreemdeling aanwezig is op het aanmeldcentrum reikt de IND de beschikking in persoon uit aan de vreemdeling.

5.4 Lastminuteaanvragen

Als de vreemdeling aangeeft een volgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te willen dienen, pas nadat er concrete handelingen zijn verricht in het kader van het effectueren van zijn vertrek, zoals dat hij door de DTenV is geïnformeerd over de datum van de vlucht ten fine van zijn verwijdering (zie artikel 3.50a VV), merkt de IND deze aanvraag aan als een lastminuteaanvraag.

Zodra de vreemdeling aangeeft een lastminuteaanvraag te willen indienen, beoordeelt de IND of het mogelijk is deze aanvraag vóór de geplande uitzetting te behandelen. De IND betrekt bij die beoordeling mede de tijd die nodig is om de vreemdeling over te kunnen brengen naar Aanmeldcentrum Schiphol.

Als het niet mogelijk is om de volgende aanvraag te behandelen vóór de geplande uitzetting of overdracht, dan beoordeelt de IND of de uitzetting op grond van een van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 Procedureverordening doorgang kan vinden.

In dat geval bepaalt de IND waar en op welke wijze de vreemdeling (in afwijking van de normale wijze) zijn aanvraag kan indienen. Na de indiening van de aanvraag neemt de IND, indien nodig, zo spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud af. De IND neemt dit persoonlijk onderhoud in de regel af op de locatie waar de vreemdeling zich op dat moment bevindt. Tijdens het persoonlijk onderhoud stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om nieuwe relevante elementen naar voren te brengen en vraagt de vreemdeling naar de redenen voor de late indiening van de aanvraag. De IND beoordeelt op basis van het persoonlijk onderhoud en de overige omstandigheden van het geval, waaronder informatie van de DTenV, of de uitzetting achterwege blijft of doorgang kan vinden. Als de uitzetting niet achterwege blijft, wordt een beslissing hieromtrent kenbaar gemaakt aan de vreemdeling en zijn gemachtigde.

5.4.1 De procedure na uitzetting

Na de uitzetting van de vreemdeling behandelt de IND de volgende aanvraag binnen de termijn van twee maanden zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid Procedureverordening. De beschikking kan worden bekendgemaakt door middel van verzending aan gemachtigde.

5.4.2 De procedure als uitzetting achterwege blijft

Als de geplande uitzetting van de vreemdeling wordt geannuleerd, vindt de (verdere) behandeling van de volgende aanvraag plaats zoals hierboven beschreven. Als aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, wordt deze in beginsel voortgezet of opnieuw (op een andere grondslag) opgelegd.

6 Asielaanvragen van EU-onderdanen

Uitgangspunt is dat een lidstaat van de Europese Unie voldoende bescherming biedt aan de eigen burgers.

De IND verklaart een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie niet-ontvankelijk op grond van Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tenzij een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

  • a. indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 EVRM, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag; of

  • b. indien de in artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of

  • c. indien de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, van dat Verdrag een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is; of

  • d. indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

Ad b en c

Het enkele feit dat een procedure zoals bedoeld in artikel 7 VEU is gestart, betekent niet dat de aanvraag om die reden inhoudelijk moet worden behandeld en dat deze niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In dat geval dient te worden beoordeeld of de asielmotieven van de vreemdeling in direct verband staan met de achtergronden bij de artikel 7-procedure.

Ad d

De d-grond zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden toegepast en slechts in het geval de Minister hiertoe besloten heeft.

De IND toetst gelet op het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit niet ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Wet wanneer een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag indient.

7 Hervestiging
7.1 Inleiding

Hervestiging vindt plaats overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1350 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147 (hierna: Hervestigingsverordening).

7.2 Toelatingsprocedure

De beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor hervestiging wordt gedaan door de IND. In deze procedure wordt het advies van het COA en/of BMA betrokken. Deze beoordeling vindt plaats voor de komst van de vreemdeling naar Nederland.

Op basis van de door de UNHCR verstrekte informatie besluit de IND of er een toelatingsprocedure wordt gevoerd ten aanzien van een vreemdeling. Indien hiertoe besloten wordt, beoordeelt de IND of de vreemdeling – gelet op het bepaalde in artikel 9, zesde lid, in combinatie met artikel 5, Hervestigingsverordening – te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade en hij daarmee voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, of artikel 29a Vw in aanmerking komt.

De IND betrekt bij die beoordeling of de toelating op grond van artikel 6, eerste lid Hervestigingsverordening geweigerd moet worden. De IND kan de toelating weigeren indien sprake is van situaties zoals beschreven in artikel 6, tweede lid, Hervestigingsverordening. Voor de beoordeling van de omstandigheden zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, onder c en d Hervestigingsverordening, wordt het advies van het COA en/of het BMA betrokken.

Hierna volgt een conclusie van de IND over hervestiging van de vreemdeling, en indien van toepassing, de in artikel 5, vierde lid, Hervestigingsverordening genoemde gelijktijdig voor hervestiging voorgedragen familieleden.

Na de conclusie van de IND, verzorgt het COA een Culturele Oriëntatie training als een verplicht onderdeel van het hervestigingsproces.

De IND stopt de toelatingsprocedure alsnog na een positieve conclusie indien de vreemdeling zijn instemming intrekt (artikel 9, elfde lid Hervestigingsverordening). In de overige gevallen genoemd in het elfde lid kan de IND de toelatingsprocedure alsnog stoppen.

Indien nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden na de conclusie bekend worden bij de IND, kan ook dan overgegaan worden tot weigering. Gewijzigde omstandigheden van de vreemdeling die ertoe leiden dat het niet langer mogelijk is om passende steun te verlenen bij aankomst in Nederland kunnen leiden tot stopzetting of weigering van de toelatingsprocedure. Wanneer relevante informatie ten aanzien van de toelatingsprocedure op een later moment bekend wordt, met name wanneer de vreemdeling dit heeft achtergehouden, kan de toelatingsprocedure ook stopgezet of geweigerd worden, overeenkomstig artikel 6 Hervestigingsverordening.

7.3 Aanvraag verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling, en indien van toepassing, diens gelijktijdig voor hervestiging geaccepteerde familieleden, melden zich na aankomst in Nederland bij de IND voor de formele indiening van de aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling zal daarbij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 of artikel 29a Vw. De familieleden, indien zij zelf niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a Vw, zullen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29b Vw. Hiermee is de toelatingsprocedure in het kader van de Hervestigingsverordening geëindigd.

7.4 Intrekking verblijfsvergunning asiel

De intrekkingsgronden van artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening zijn ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid en 16, derde lid van de Kwalificatieverordening trekt de IND in de verblijfsvergunning asiel niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel niet af van een hervestigde vreemdeling, als de verleningsgrond is komen te vervallen vanwege een wijziging in de algemene situatie in het land van. Gelet op de omstandigheid dat vreemdeling naar Nederland zijn gehaald in het kader van hervestiging wordt in de regel aangenomen dat er dwingende redenen zijn om aan te nemen dat hij niet kan terugkeren naar het land van herkomst of het land waar hij zijn gewone verblijfplaats had.

7.5 Vrijwillige terugkeer land van herkomst

Als de hervestigde vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst, beoordeelt de IND de gevolgen voor de verblijfsvergunning asiel van een hervestigde vreemdeling vanwege deze vrijwillige terugkeer aan de hand van paragraaf C3/3.5 Vc.

C3 Beoordeling van de asielaanvraag

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:

  • paragraaf 2 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29, 29a, 29b, 29c en 29d, Vw;

  • paragraaf 3 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29 en 29a, Vw;

  • paragraaf 4 over de beoordeling van de asielaanvraag

  • paragraaf 5 over onderzoeken

2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel
2.1. Algemeen

De artikelen 29, 29a, 29b, 29c en 29d Vw bevatten de gronden waarop de IND een verblijfsvergunning asiel kan verlenen. De IND toetst de toepasselijkheid van deze gronden in de volgorde waarin deze gronden in de Vreemdelingenwet voorkomen.

De beoordeling van de geloofwaardigheid, de risico-inschatting en de beoordeling van de zwaarwegendheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is beschreven in paragraaf C3/4 Vc.

2.2. Land van herkomst

De IND stelt eerst het land van herkomst van de vreemdeling vast, vóórdat de IND beoordeelt of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade heeft in het land van herkomst. De IND verstaat onder ‘land van herkomst’ het land of de landen waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft (zie artikel 3, onder 13, Kwalificatieverordening).

Binnen het land van herkomst, stelt de IND vast wat de normale woon- en verblijfplaats van de vreemdeling is. De IND merkt als normale woon- en verblijfplaats aan het gebied waar de vreemdeling gedurende enige tijd heeft gewoond en verbleven, voordat de vreemdeling diens land van herkomst heeft verlaten. Humanitaire omstandigheden spelen bij de vraag of een gebied als een normale woon- of verblijfplaats geldt, geen rol.

Als geen enkel land de vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de IND de vreemdeling aan als staatloze vreemdeling (zie ook artikel 3, onder 15, Procedureverordening).

De IND merkt het land of de landen waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land of landen van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van:

  • de aard van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land;

  • de duur van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land; en

  • de banden, die de staatloze vreemdeling heeft met het land.

2.3. Individualiseringsvereiste

De IND beoordeelt overeenkomstig artikel 34, tweede lid, Procedureverordening op individuele basis en beziet op basis van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zelf of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet aan de hand van specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) aannemelijk maken waarom juist hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een risico loopt op vervolging of ernstige schade. Dit wordt het individualiseringsvereiste genoemd. Het individualiseringsvereiste is van toepassing, ook als een risicoprofiel als bedoeld in paragraaf C3/2.4 Vc van toepassing is.

2.4. Risicoprofielen

De minister kan op basis van informatie over een land van herkomst risicoprofielen aanwijzen. Dit wordt in het landenbeleid in hoofdstuk C9 Vc neergelegd. De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden.

Het aanwijzen als risicoprofiel gebeurt niet op basis van vaste criteria aangezien elk land, elke groep en situatie zijn eigen dynamiek en bijzonderheden kent. In algemene zin worden in ieder geval de volgende elementen in onderlinge samenhang betrokken:

  • de daden van vervolging of ernstige schade die worden gepleegd tegen een groep;

  • de intensiteit en (geografische) schaal van de gepleegde daden;

  • de frequentie waarmee deze daden worden gepleegd;

  • de cumulatieve impact van de gepleegde daden;

  • de actoren van vervolging of ernstige schade; en

  • de mate van bescherming die te verkrijgen valt.

Voor de vreemdeling die behoort tot een groep, waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling (zie paragraaf C3/2.3 Vc).

Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf dan ook niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de IND de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en de algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten, eventuele eerdere gebeurtenissen en eerdere blootstelling aan daden van vervolging of ernstige schade, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt.

2.5. Afdoeningsgronden

De IND kan een verzoek voor een verblijfsvergunning asiel op verschillende gronden afdoen. Deze afdoeningsgronden worden behandeld in de paragrafen C4/1, C4/2 en C4/3 Vc.

3. Internationale bescherming
3.1. Algemeen
3.1.1 Beoordeling feiten en omstandigheden

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 4 Kwalificatieverordening en artikel 34 Procedureverordening.

3.1.2 Daden van vervolging

Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.

3.1.3 Actoren van vervolging en ernstige schade.

Artikel 6 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging of ernstige schade.

3.1.4 Toepassing van artikel 5 Kwalificatieverordening (ter plaatse ontstane behoefte aan internationale bescherming)

Op grond van artikel 5 Kwalificatieverordening kan de IND een verblijfsvergunning asiel verlenen aan de vreemdeling, die aannemelijk gemaakt heeft een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade te hebben vanwege:

  • gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten; of

  • activiteiten die de verzoeker na het verlaten van zijn of haar land van herkomst heeft verricht, met name wanneer wordt vastgesteld dat de betrokken activiteiten de uitdrukking en de voortzetting vormen van overtuigingen, opvattingen of strekkingen die de betrokkene in het land van herkomst aanhing.

De behoefte aan internationale bescherming wordt aangeduid als ter plaatse ontstaan.

De IND beoordeelt op basis van algemeen beschikbare informatie, door de vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel ondersteunend bewijs of de vreemdeling problemen staan te wachten bij terugkeer en of die problemen zo ernstig zijn dat deze moeten worden beschouwd als daden van vervolging dan wel aanleiding geven om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Wat betreft de vraag of van de vreemdeling terughoudendheid mag worden verwacht, wordt verwezen naar hetgeen hieronder wordt beschreven ten aanzien van politieke overtuiging, godsdienst en seksuele gerichtheid en genderaspecten.

Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de vreemdeling een ter plaatse ontstane behoefte hebben aan bescherming (zie ook artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening). Hiervan kan sprake zijn, als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met, of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in het land van herkomst op de hoogte zullen raken van, de activiteiten van de vreemdeling; en

  • de activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op dan wel een reëel risico op ernstige schade.

3.1.5 Misbruik van recht

De vreemdeling die geacht wordt een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico te lopen op ernstige schade, kan een verblijfsvergunning asiel onthouden worden als de vreemdeling de omstandigheden waarop het risico van vervolging of ernstige schade berust, zelf veroorzaakt heeft nadat hij het land van herkomst heeft verlaten met als enig of voornaamste doel de voorwaarden te creëren om in aanmerking te komen voor internationale bescherming (zie artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening).

De IND moet motiveren uit welke feiten en omstandigheden volgt dat is voldaan aan de objectieve en subjectieve vereisten, waardoor aannemelijk is dat de vreemdeling voor zichzelf kunstmatig de voorwaarden heeft geschapen, alleen met als enig of voornaamste doel om zo in aanmerking te kunnen komen voor internationale bescherming. De enkele omstandigheid dat de gebeurtenissen na het verlaten van het land van herkomst plaatsvinden, is op zichzelf nog geen reden om artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening toe te passen.

De toepassing van artikel 5, tweede lid, Kwalificatieverordening en het daarmee onthouden van een verblijfsvergunning asiel kan geen afbreuk doen aan het beginsel van non-refoulement zoals vastgelegd in artikel 3 EVRM en de artikelen 4 en 19, tweede lid, EU Handvest.

3.1.6 Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging

De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het derde land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.

3.2 Verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid (vluchtelingenstatus)
3.2.1. Algemeen

Artikel 3 onder 5, Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een ‘vluchteling’.

Artikel 13 Kwalificatieverordening in combinatie met artikel 24 Kwalificatieverordening bepaalt dat een verblijfstitel moet worden verleend zolang een vreemdeling de vluchtelingenstatus heeft. Artikel 14, tweede lid, Kwalificatieverordening regelt dat de IND, in bepaalde situaties, kan beslissen geen vluchtelingstatus te verlenen. De verlening van een verblijfsvergunning asiel is geregeld in artikel 29 Vw.

3.2.2. De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Een vreemdeling wordt uitgesloten van erkenning als vluchteling op grond van artikel 12 Kwalificatieverordening in de volgende gevallen:

  • als artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  • als artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening); of

  • als artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening).

De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.

3.2.2.1 Artikel 1D Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29a, eerste lid, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de UNRWA valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

Om in aanmerking te komen voor hulp van UNRWA moet een persoon:

  • voldoen aan de definitie van een Palestijnse vluchteling onder het mandaat van UNRWA; en

  • in één van deze vijf gebieden aanwezig zijn.

Voor de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt, is het reguliere asielbeleid van toepassing.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

  • 1. de Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en

  • 2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling.

Ad 1

Artikel 1D moet zodanig strikt worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op personen die enkel voor bescherming of bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.

Ook is het van belang te beoordelen of de vreemdeling daadwerkelijk kort voor het indienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.

De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van de vreemdeling bestond.

Voor het aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat de vreemdeling onder de reikwijdte van dat artikel valt.

Ad 2

Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.

Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:

  • a. UNRWA kan niet aan het mandaat voldoen: indien er sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het betreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen; en

  • b. de vreemdeling is genoodzaakt het mandaatgebied te verlaten: indien er sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten.

De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.

Ad a

De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.

Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.

Ad b

Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.

Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:

  • op basis van individuele omstandigheden heeft te vrezen voor vervolging;

  • vreest voor ernstige schade, bijvoorbeeld vanwege een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.

Feitelijke toegankelijkheid

In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.

Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.

Verblijfsvergunning asiel

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling:

  • kort voor het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp heeft ingeroepen (of genoten); en

  • de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, zoals hierboven vermeld.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:

  • beschikt over een nationaliteit; en

  • de bescherming van de eigen autoriteiten in kan roepen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

3.2.2.2. Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

Dit artikel heeft betrekking op vreemdelingen die anders in aanmerking zouden komen voor de vluchtelingenstatus en die zijn opgevangen in een land waar hun de meeste rechten zijn toegekend die onderdanen gewoonlijk genieten, maar waar zij geen formeel staatsburgerschap hebben.

3.2.2.3. Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening)

Artikel 12, tweede lid, Kwalificatieverordening regelt, dat een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de erkenning als vluchteling, als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Dit komt overeen met de tekst van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Daarom wordt in de Vc nog steeds gesproken over artikel 1F Vluchtelingenverdrag (of kortweg 1F).

De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel (zie paragraaf C4/3.6.2 Vc).

3.2.3. Groepsvervolging

Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

De minister kan een groep aanwijzen waarvoor sprake is van groepsvervolging. Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid.

Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.

3.2.4. Risicoprofielen

Zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen kan de minister in verband met de situatie in een land risicoprofielen aanwijzen.

3.2.5. Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening

De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel met inachtneming van artikel 10 Kwalificatieverordening. De gronden voor vervolging worden hieronder nader uitgewerkt.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als sprake is van daden van vervolging als bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening.

In de paragrafen hieronder worden de volgende gronden uit artikel 10 Kwalificatieverordening nader uitgewerkt:

  • ras;

  • godsdienst;

  • nationaliteit;

  • sociale groep;

  • politieke overtuiging.

Voor de beoordeling van de gronden ras, dat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep omvat, en nationaliteit wordt geen apart kader uitgewerkt. De beoordeling volgt de algemene systematiek.

3.2.5.1. Godsdienst (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)

Het begrip ‘godsdienst’ omvat een breed scala aan overtuigingen, met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische (geloofs)overtuigingen. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in ieder geval mee dat:

  • de vreemdeling, die een geloofsovertuiging aanhangt, de uitingen van zijn geloofsovertuiging in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloofsovertuiging verborgen heeft gehouden; en

  • van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen als hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.

Ook als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloofsovertuiging terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die hij anders loopt, kan sprake zijn van vervolging in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening.

3.2.5.2. Sociale groep (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)

Bij de beoordeling van de gronden in de zin van artikel 10 Kwalificatieverordening wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een sociale groep. Een groep wordt geacht een sociale groep te vormen als leden van een groep in ieder geval aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen.

Ten eerste moeten de leden van een sociale groep aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:

  • een aangeboren kenmerk vertonen;

  • een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden; of

  • een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.

Ten tweede moet de sociale groep in het land van herkomst een eigen identiteit hebben, omdat zij – in haar directe omgeving – als afwijkend wordt beschouwd.

Het individualiseringsvereiste als opgenomen in paragraaf C3/2.3 Vc is van toepassing. Daarnaast is ook paragraaf C3/4 Vc (beoordelen van de asielaanvraag) van toepassing.

3.2.5.2.1. Vrouwen

Vrouwen in het algemeen, als ook een beperkte groep vrouwen, die een bepaald gemeenschappelijk kenmerk delen, kunnen, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dat land, aangemerkt worden als sociale groep.

De volgende elementen kunnen met name van belang zijn voor de beoordeling of bij vrouwen sprake is van een sociale groep:

  • culturele, religieuze of traditionele normen (zoals genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus);

  • onttrekking van vrouwen aan of weigering van een gedwongen huwelijk of het verbreken van een huwelijk; of

  • het bestaan van huiselijk, seksueel en/of eergerelateerd geweld.

Daarbij zal worden beoordeeld of de groep waar de vrouw toe behoort in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

De minister kan in de context van specifiek landenbeleid vaststellen of (een groep) vrouwen behoort/behoren tot een sociale groep. Als hiervan sprake is, wordt dat ook opgenomen in het landenbeleid van hoofdstuk C9 Vc.

Voor zover (een specifieke groep) vrouwen behoren tot een sociale groep, dan kan onder andere gendergerelateerd geweld tegen deze vrouwen leiden tot de conclusie dat sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening, als dat geweld kan worden aangemerkt als daad van vervolging zoals bedoeld in artikel 9 Kwalificatieverordening. Op de vraag of een vrouw als lid van een sociale groep in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw is het individualiseringsvereiste zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc onverkort van toepassing. Op individuele basis zal beoordeeld moeten worden of zij daadwerkelijk te vrezen heeft voor daden van vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep.

Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen

Vrouwen, die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (verder: vereenzelviging) kunnen al naar gelang de omstandigheden in het land van herkomst behoren tot een ‘sociale groep’. Daarbij is van belang dat het gestelde in paragraaf C3/3.2.5.2 Vc ook van toepassing is op de vraag of een vrouw die een beroep doet op vereenzelviging behoort tot een sociale groep.

Het behoren tot deze sociale groep kan een grond zijn om aan te nemen dat er sprake is van erkenning als vluchteling als bedoeld in artikel 13 Kwalificatieverordening. Het is aan de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging om aannemelijk te maken dat hier in haar persoonlijke situatie sprake van is.

De IND toetst aan de hand van een ‘drietrapsbeoordeling’ of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging:

  • 1. vaststellen van de vereenzelviging in het individuele geval;

  • 2. vaststellen of de groep waartoe de vrouw stelt te behoren, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd; en

  • 3. vaststellen of er sprake is van gegronde vrees voor daden van vervolging als gevolg hiervan.

Ad 1.

De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroepsloopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze.

Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval:

  • of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw;

  • aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft;

  • de wijze waarop de vrouw hier in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven; en

  • de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst.

Daarbij geldt dat als de vrouw nog weinig tot geen invulling aan de vereenzelviging geeft of heeft gegeven van de vrouw verwacht mag worden dat zij kan uitleggen waarom dit het geval is en waarom de vereenzelviging desondanks fundamenteel is voor haar identiteit.

Voor de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging geldt dat de gestelde vereenzelviging niet uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen. Voor zover hier in de praktijk wel sprake van is, wordt verwezen naar paragrafen C3/3.2.5.1 en C3/3.2.5.3 Vc.

Als de IND heeft geoordeeld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de volgende stap in de beoordeling.

Ad 2.

Vervolgens beoordeelt de IND of de vrouw als gevolg van de vereenzelviging kan behoren tot een sociale groep. Om als sociale groep aangemerkt te worden, moet de vrouw aannemelijk maken dat zij behoort tot een groep die als gevolg van de vereenzelviging een eigen identiteit heeft, omdat zij als afwijkend wordt beschouwd in de directe omgeving in het land van herkomst.

Dit met name als gevolg van de sociale, morele of juridische normen die in het land van herkomst gelden.

De IND beoordeelt de aannemelijkheid van de verklaringen van de vrouw over waarom de groep als afwijkend wordt beschouwd, in samenhang met de beschikbare landeninformatie.

Ad 3.

Vervolgens beoordeelt de IND of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege het (toegedicht) behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging. De IND beoordeelt de vrees voor vervolging aan de hand van door de vrouw verstrekte verklaringen en bewijsmiddelen over wat zij bij terugkeer naar het land van herkomst stelt te vrezen te hebben.

Dat een reden om vanwege vereenzelviging te worden vervolgd kan worden vermeden door zich terughoudend op te stellen, wordt in dit verband niet aan de vrouw tegengeworpen. Van de vrouw mag namelijk niet worden verlangd dat zij een vereenzelviging die fundamenteel is, opgeeft.

Genitale verminking

De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • er is een gegronde vrees op genitale verminking;

  • artikel 7 Kwalificatieverordening is niet van toepassing; en

  • artikel 8 Kwalificatieverordening is niet van toepassing.

De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw vanwege een gegronde vrees op genitale verminking bij vrouwen.

De IND weegt daarbij de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst mee. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Voor zover de ouder van een meisje dat of vrouw die te vrezen heeft voor genitale verminking, stelt in aanmerking te komen voor bescherming op grond van een (toegedichte) overtuiging, kan beoordeeld worden of de ouder zelfstandig in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van een religieuze overtuiging, het behoren tot een sociale groep en/of een politieke overtuiging.

De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, vanwege een beroep op een vrees voor genitale verminking (van een familielid) aan de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt.

3.2.5.2.2. Seksuele gerichtheid

De IND kan een vreemdeling aanmerken als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft.

Seksuele gerichtheid gaat in elk geval over iemands seksuele en/of emotionele en/of intieme aantrekking tot een ander persoon. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend van de heteroseksuele norm wordt beschouwd.

De IND onderzoekt de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en zijn uiting daarvan aan de hand van het beoordelingskader van de paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag. Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden.

De IND verleent met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste een van de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  • b. in het land van herkomst gelden strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of

  • c. de autoriteiten van het land van herkomst voeren op grond van de (toegedichte) seksuele gerichtheid maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.

Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de seksuele gerichtheid betrekt de IND in ieder geval:

  • de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de seksuele gerichtheid voorkomt;

  • de toepassing van opgelegde (gevangenis)straffen;

  • het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en

  • de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van deze groep.

Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar is/zijn in het land van herkomst wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.

Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging.

De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ‘ondergrens’. De ondergrens houdt in het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en relaties aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. De IND verwacht in die uiting geen terughoudendheid. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving, zoals hierboven benoemd, op de hoogte is of kan geraken van de seksuele gerichtheid. De IND beoordeelt vervolgens of de uiting conform de ondergrens tot vervolging zou leiden.

Als de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te willen uiten op een wijze die verder gaat dan deze ‘ondergrens’ toetst de IND de geloofwaardigheid van deze uiting en toetst de IND de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten. In de situatie dat de seksuele gerichtheid wel geloofwaardig wordt geacht maar de verdergaande wijze waarop de vreemdeling deze wil uiten niet, gaat de IND na of het invulling geven aan de seksuele gerichtheid conform de ‘ondergrens’ tot vervolging zou leiden. In die situatie kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een asielvergunning, ook als een deel van de verklaring (het uiten van de gerichtheid op een wijze die verder gaat dan de ‘ondergrens’) als niet aannemelijk wordt beschouwd.

De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, afgezet tegen de aldaar geldende normen en gebruiken. Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn seksuele gerichtheid als zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, is paragraaf C3/3.2.5.2.3 Vc ook van toepassing.

3.2.5.2.3. Genderidentiteit en genderexpressie

De IND kan een vreemdeling als lid van een sociale groep aanmerken als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk heeft dat de diepgevoelde, persoonlijke beleving van zijn gender en/of zijn lichaam niet of niet eenduidig overeenkomt met het geslacht dat hij bij de geboorte (toegewezen) heeft gekregen, of dit aan hem wordt toegedicht. Het kan hierbij ook gaan om genderexpressie. Genderexpressie ziet op de manier waarop de vreemdeling zijn gender presenteert door middel van fysieke verschijning – inclusief maar niet beperkt tot kleding, kapsels, accessoires, cosmetica – en manieren, spraak, gedragspatronen, namen en persoonlijke referenties. Dit hoeft niet overeen te komen met de genderidentiteit. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Indien de vreemdeling zich enkel beroept op genderexpressie, wat los staat van de genderidentiteit, beoordeelt de IND of de vormen van expressie dermate fundamenteel zijn voor de identiteit waardoor niet mag worden verwacht dat de vreemdeling zich aanpast naar de in het land van herkomst geldende normen en gebruiken zoals bedoeld in C3/3.2.5.2 Vc.

De IND onderzoekt de genderidentiteit en/of de genderexpressie van de vreemdeling aan de hand van het beoordelingskader van paragrafen C3/4.3 en C3/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn genderidentiteit en/of genderexpressie in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de genderidentiteit en/of de genderexpressie vormt een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, onderzoekt de IND of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden. Artikel 9 Kwalificatieverordening beschrijft wat verstaan wordt onder daden van vervolging. Deze moeten zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens of een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen.

De IND merkt discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De IND hanteert voor de beoordeling of sprake is van discriminatie die dermate ernstig is dat sprake is van vervolging, het beoordelingskader van paragraaf C3/3.2.6 Vc.

De IND verleent, met inachtneming van artikel 9 Kwalificatieverordening, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, als in ieder geval sprake is van ten minste een van de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat deze vanwege zijn (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld en/of discriminatie, die zo ernstig zijn dat deze daden een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  • b. in het land van herkomst gelden strafbepalingen in het kader van genderidentiteit en/of genderexpressie, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd, en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of

  • c. de autoriteiten van of andere actoren in het land van herkomst voeren op grond van (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discrimineerde wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.

Ad a

Als er sprake is van op de vreemdeling gerichte daden van geweld en/of discriminatie vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie in het land van herkomst moeten de daden, op zichzelf of in samenhang met andere daden dusdanig ernstig zijn dat er sprake is van een daad van vervolging en moet er geen bescherming mogelijk zijn hiertegen van de autoriteiten of internationale organisaties, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.4 Vc.

Ad a en b

In het voorkomende geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst wordt gedetineerd om een reden anders dan zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, moet hij aannemelijk maken in detentie een reëel risico te lopen om te worden blootgesteld aan ernstig (seksueel) geweld vanwege zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waartegen de (detentie)autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij betrekt de IND of de situatie zich zal voordoen dat de vreemdeling gedetineerd wordt met personen van een geslacht dat niet overeenkomt met zijn genderidentiteit. Indien sprake is van een commuun delict dient daarbij wel beoordeeld te worden of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Hiervoor is het beoordelingskader zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6 Vc van toepassing.

Ad b en c.

De IND onderzoekt of de vreemdeling bij terugkeer onder dreiging (van geweld) door een actor wordt gedwongen een bepaalde vorm van arbeid (zoals sekswerk) te verrichten en dit verband houdt met zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waardoor hem een discriminatoire of onevenredige bestraffing vanwege deze vorm van arbeid te wachten staat. In de situatie dat er sprake is van (een vorm van) discriminatie is het beoordelingskader, zoals bedoeld in paragraaf C3/3.2.6 Vc, van toepassing.

Ad c.

Het enkele feit dat er geen mogelijkheden bestaan om het geslacht aan te laten passen in officiële documenten (wettelijke erkenning), of dat hieraan de voorwaarde wordt gesteld dat er een geslachtsverandering heeft plaatsgevonden, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Dat laat onverlet dat de gevolgen van het niet kunnen aanpassen van het geslacht voor de vreemdeling kunnen leiden tot maatregelen die, op zichzelf staand of in samenstel, dermate ernstig zijn dat deze behandeling de lat van vervolging haalt.

Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de genderidentiteit of genderexpressie betrekt de IND in ieder geval:

  • de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie voorkomt;

  • de toepassing van de opgelegde (gevangenis)straffen;

  • het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en

  • de gevolgen van de strafbaarstelling en de strafbepalingen voor de maatschappelijke positie van genderdiversen.

Als genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit, anders dan de geldende normen in het land van herkomst, strafbaar is (of hier andere strafbepalingen voor gelden), wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 7 Kwalificatieverordening.

De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie. Als in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van de genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit anders dan de vreemdeling bij de geboorte heeft gekregen, beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

Als de vreemdeling aannemelijk maakt geheel of gedeeltelijk uitgesloten te worden van toegang tot de gezondheidszorg in het land van herkomst op basis van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, onderzoekt de IND of dit leidt tot ernstige consequenties. Dit beoordeelt de IND in samenhang met de vraag of sprake is van een discriminatoire behandeling of maatregel die in samenstel met andere maatregelen voldoende ernstig is dat sprake is van vervolging. Het enkele feit dat er geen genderbevestigende zorg beschikbaar is, is op zichzelf geen reden om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.

Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn genderidentiteit in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn genderidentiteit verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn genderidentiteit in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. Het kan hier ook gaan om de genderexpressie. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving zoals hierboven benoemd op de hoogte is of kan geraken van de genderidentiteit en/of genderexpressie.

Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn genderidentiteit en genderexpressie als zijn seksuele gerichtheid, is paragraaf C3/3.2.5.2.2 Vc over seksuele gerichtheid ook van toepassing.

3.2.5.3. Politieke overtuiging (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening bepaalt wat moet worden verstaan onder de vervolgingsgrond ‘politieke overtuiging’.

De eerste vraag die de IND moet beantwoorden als een vreemdeling zijn politieke overtuiging als asielmotief naar voren brengt, is of er daadwerkelijk sprake is van een politieke overtuiging. Een politieke overtuiging kan bestaan uit een opvatting, gedachte of mening, gericht tegen de autoriteiten van het land van herkomst. Het hoeft hier niet te gaan om een diepgewortelde politieke overtuiging.

De sterkte van de overtuiging speelt geen rol bij de vraag of er sprake is van een politieke overtuiging, maar is nog wel relevant in de beoordeling of de vreemdeling een risico loopt bij terugkeer.

De IND beoordeelt of de sterkte van de politieke overtuiging en de eventueel door de vreemdeling verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen ertoe heeft geleid dat de vreemdeling de negatieve belangstelling van de autoriteiten van het land van herkomst heeft gewekt of kan wekken en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Deze beoordeling vindt plaats op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling in combinatie met de beschikbare algemene informatie over de situatie in het land van herkomst.

Verder betrekt de IND bij de beoordeling van de vrees welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde en aannemelijk bevonden activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe de vreemdeling anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.

De omstandigheid dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze uiting kan geven aan zijn politieke overtuiging als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning in ieder geval mee:

  • de sterkte van de politieke overtuiging van de vreemdeling;

  • de wijze waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging, ongeacht of die activiteiten in zijn land van herkomst, in Nederland of elders hebben plaatsgevonden, en of aannemelijk is dat de vreemdeling ook na terugkeer uiting gaat of blijft geven aan zijn politieke overtuiging; en

  • of de vreemdeling eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten al dan niet vanwege zijn politieke overtuiging;

De IND beoordeelt, ook als er geen sprake is van een politieke overtuiging, of de door de vreemdeling in zijn land van herkomst, Nederland of elders verrichte politieke activiteiten of uitingen bij de autoriteiten bekend zijn geraakt of zullen geraken en daarmee vanwege een toegedichte politieke overtuiging voldoende aanleiding vormen om gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer aan te nemen.

3.2.6. Discriminatie (in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening)

De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging in de zin van artikel 9 Kwalificatieverordening, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 eerste lid, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling zal bij terugkeer naar het land van herkomst geheel of gedeeltelijke uitsluiting van medische zorg ondervinden;

  • de vreemdeling zal als gevolg van de uitsluiting van de medische zorg ernstige medische consequenties ondervinden; en

  • de uitsluiting van medische zorg vindt plaats op basis van één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in hoofdstuk B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening:

  • de omstandigheid dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de medische zorg om andere redenen dan uitsluiting vanwege discriminatie; of

  • de beschikbaarheid van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst.

3.2.7. Vervolging wegens dienstweigering of desertie (in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)

Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst de IND eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven (zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening). Pas als daarvan geen sprake is, toetst de IND of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat die vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor de IND op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.

De IND verleent, onder toepassing van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening en overeenkomstig vorenstaande, een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • 1. De vreemdeling heeft, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst het plegen van strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening) vallen.

    De IND betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid alle omstandigheden van het geval, met name de situatie in het land van herkomst op het betreffende moment en de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

    De IND hanteert hierbij de volgende drie cumulatieve voorwaarden:

    • De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan dan wel de kans zeer groot is dat dergelijke misdrijven worden begaan. De vreemdeling onderbouwt dit met concrete informatie over de gepleegde oorlogsmisdrijven. Is deze informatie er niet, dan neemt de IND in beginsel aan dat de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd als de internationale gemeenschap een gewapend conflict heeft veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of als strijdig met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Ditzelfde geldt als door de bevoegde internationale rechtsprekende instanties (International Criminal Court, VN-tribunalen) uitspraken zijn gedaan over schendingen van fundamentele normen begaan tijdens het conflict. De vreemdeling heeft een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als het land van herkomst de betreffende militaire acties uitvoert krachtens een mandaat van de VN dan wel op basis van internationale consensus. Dan vindt de IND in beginsel niet aannemelijk dat het land van herkomst oorlogsmisdrijven pleegt dan wel dat de kans daarop groot is. De vreemdeling heeft ook een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als de autoriteiten in het land van herkomst oorlogsmisdrijven, gepleegd door eigen legeronderdelen, niet aanvaardbaar vinden en deze actief (strafrechtelijk) vervolgen.

    • De vreemdeling moet behoren tot het militaire personeel, met inbegrip van het logistieke of ondersteunende personeel. Hij dient aannemelijk te maken dat hij een functie en taken had of deze zou moeten vervullen, waardoor hij direct deelneemt aan deze oorlogsmisdrijven dan wel onontbeerlijke ondersteuning zou (moeten) bieden aan de voorbereiding of uitvoering van deze oorlogsmisdrijven. De IND betrekt de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan bij de vraag of het aannemelijk is dat de vreemdeling zich daaraan schuldig zal maken als een vreemdeling is opgeroepen voor het verrichten van militaire dienst, maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn. Daarnaast beoordeelt de IND in dit licht wat de persoonlijke betrokkenheid van de vreemdeling bij het begaan van oorlogsmisdrijven zal zijn.

    • De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat dienstweigering (of desertie) in zijn situatie het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. De vreemdeling kan bescherming op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening niet inroepen, als hij een ander middel daartoe heeft. Als de vreemdeling binnen het leger de mogelijkheid heeft om op grond van gewetensbezwaren vrijgesteld te worden, en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, kan hij dus geen beroep doen op bescherming op grond van deze bepaling. Hierbij betrekt de IND ook of de vreemdeling vrijwillig in dienst is getreden en of hij zijn dienst heeft verlengd. Hierbij houdt de IND rekening met de situatie, zoals deze op het moment van vrijwillige dienstneming of verlenging van de dienstneming bestond. De IND betrekt dus in hoeverre het de vreemdeling toen al duidelijk was of had moeten zijn dat sprake was van een gewapend conflict, waarbij oorlogsmisdrijven werden gepleegd en hij door die vrijwillige dienstneming daar deel aan zou gaan nemen.

  • 2. De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening. Voor deze categorie geldt dat het gewone beleid van toepassing is, zoals hierboven in deze paragraaf uiteengezet is. De IND beoordeelt in zo’n geval de ernst van de behandeling, waarvoor de vreemdeling te vrezen heeft op grond van de dienstweigering of desertie (zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b en c, Kwalificatieverordening).

  • 3. De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Er is bovendien een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen, die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

3.2.8 Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als Verdragsvluchteling

De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel individueel en op basis van het toepasselijke asielbeleid, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR op individuele gronden is erkend als Verdragsvluchteling.

De IND geeft de vreemdeling gelegenheid om informatie inzake de UNHCR erkenning gedurende de procedure in te brengen en betrekt deze informatie kenbaar bij de besluitvorming.

3.2.9 Commune delicten

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, of artikel 29a, eerste lid, Vw, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • de vreemdeling vreest bestraffing in zijn land van herkomst vanwege een commuun delict;

  • de vrees voor bestraffing vanwege een commuun delict vormt de enige grondslag van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel.

Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 10 Kwalificatieverordening.

Het commune delict dient wel betrokken te worden bij de inhoudelijke beoordeling en de vraag of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6 Vc.

3.3. Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus op grond van artikel 18 Kwalificatieverordening en verlening verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw
3.3.1. Ernstige schade als bedoeld in artikel 15 Kwalificatieverordening

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15 Kwalificatieverordening.

Het reëel risico op ernstige schade kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst (zie artikel 5 Kwalificatieverordening en paragraaf C3/3.1.4 Vc).

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw, als artikel 17 Kwalificatieverordening van toepassing is.

In artikel 15 Kwalificatieverordening staat opgenomen, waar ernstige schade uit kan bestaan, namelijk:

  • a. doodstraf of executie;

  • b. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

  • c. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Bij de beoordeling is het van belang dat eerst gekeken wordt naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, voordat wordt vastgesteld of het risico onder artikel 15, aanhef en onder a, b of c Kwalificatieverordening valt.

Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade op grond van artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening is een volledig individuele beoordeling vereist. Landeninformatie kan aanleiding geven om ten aanzien van een groep systematische blootstelling aan te nemen dan wel om groepen aan te merken als een risicoprofiel zoals in paragraaf C3/2.4 Vc is opgenomen.

Voor wat betreft het individualiseringsvereiste bij artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening wordt verwezen naar paragraaf C3/3.3.3 Vc.

In paragraaf C3/3.3.2 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. Daaronder staan beschreven de onderwerpen:

  • systematische blootstelling (paragraaf C3/3.3.2.1 Vc);

  • medische omstandigheden (paragraaf C3/3.3.2.2 Vc); en

  • terugkeerbeletsel (paragraaf C3/3.3.2.3 Vc).

In paragraaf C3/3.3.3 Vc staat ernstige schade beschreven als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

3.3.2. Artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening
3.3.2.1. Systematische blootstelling

Als de vreemdeling behoort tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de groep. Bij systematische blootstelling moet sprake zijn van gericht geweld tegen de betreffende groep.

De minister beoordeelt op grond van de situatie in een land van herkomst of sprake is van systematische blootstelling aan ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening. In het landgebonden beleid kan worden opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een groep sprake is van systematische blootstelling.

3.3.2.2. Medische omstandigheden

Uitzetting van de vreemdeling kan in verband met de medische situatie onder bijzondere omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. De IND toetst of sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen in het kader van de ambtshalve toets of uitstel van vertrek verleend moet worden op grond van artikel 64 Vw.

Er zal in deze situatie geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, Vw verleend worden. Indien er geen ambtshalve toets plaatsvindt, maar het asielbesluit ook als terugkeerbesluit moet worden aangemerkt, toetst de IND – in het kader van dat terugkeerbesluit – eveneens of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen.

3.3.2.3. Terugkeerbeletsel

Als de IND een aanvraag om verblijfsvergunning asiel afwijst of een verblijfsvergunning asiel intrekt, kan er sprake zijn van een terugkeerbeletsel. De IND beoordeelt in de regel of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst:

  • a. risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, Vw of;

  • b. reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 29a, eerste lid, Vw.

Als artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 12, tweede tot en met vijfde lid, Kwalificatieverordening) zal niet worden beoordeeld of er sprake is van risico op vervolging.

Als sprake is van één van bovengenoemde situaties of als er sprake is van schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen en er is geen ander land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren, neemt de IND geen terugkeerbesluit. De IND neemt dan in het besluit op dat de vreemdeling zelfstandig uit Nederland moet vertrekken, maar niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. De IND noemt in het besluit geen uiterste vertrektermijn.

Als vanwege een terugkeerbeletsel geen terugkeerbesluit en daarmee geen inreisverbod kan worden gegeven, beoordeelt de IND of een besluit tot signalering kan worden opgelegd. In paragraaf A4/4 Vc staan de voorwaarden vermeld om wegens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid een besluit tot signalering op te leggen.

Als op een later moment wordt vastgesteld dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade of dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling, neemt de IND een terugkeerbesluit en legt, als dat aan de orde is, een besluit tot signalering, een ongewenstverklaring en/of inreisverbod op. De IND maakt dit besluit kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.

3.3.3. Artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening
3.3.3.1. Algemeen

De IND kan een verblijfsvergunning asiel verlenen op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw als sprake is van een reëel risico op ernstige schade vanwege artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.

3.3.3.2. Internationaal of binnenlands gewapend conflict en willekeurig geweld

De minister kan op basis van de beschikbare landeninformatie vaststellen of in een bepaald land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Er is sprake van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, als de reguliere strijdkrachten van een staat tegenover een of meer gewapende groepen staan of wanneer twee of meer gewapende groepen tegenover elkaar staan.

Als de minister heeft vastgesteld dat er sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, stelt de minister op basis van de beschikbare landeninformatie vast of dit conflict leidt tot willekeurig geweld en als er sprake is van willekeurig geweld op welke schaal dit willekeurig geweld plaatsvindt.

Bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, worden in ieder geval de volgende elementen globaal in samenhang gewogen:

  • de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  • de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  • de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;

  • de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en

  • de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

Andere (belangrijke) indicatoren die erop wijzen dat willekeurig geweld als gevolg van het gewapend conflict resulteert in ernstige en individuele bedreigingen tegen burgers, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade.

Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. Slechte humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in dit kader niet relevant.

3.3.3.3. Gradaties van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict

De minister kan bij zijn beoordeling gradaties van willekeurig geweld vaststellen:

  • a. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  • b. relatief hoger niveau van willekeurig geweld; of

  • c. relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Los van deze gradaties bestaat de situatie, waarin er geen beoordeling in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening plaatsvindt, omdat er geen gewapend conflict is of er geen willekeurig geweld is als gevolg van een gewapend conflict. In dat geval kan de vreemdeling alleen daarom al niet op deze grond in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid Vw.

Ad a. Uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld

Er is sprake van een uitzonderlijke mate van willekeurig geweld als de algehele geweldssituatie in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dit land zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Het individualiseringsvereiste van de vreemdeling beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.

Ad b en c Relatief hoger niveau en relatief lager niveau van willekeurig geweld

Als er is sprake van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.

De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:

  • deze omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld; en

  • juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risico verhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is.

Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is, zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen. Bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zullen de door de vreemdeling naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden daarom meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen.

Nadat een vreemdeling zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht en waar nodig aannemelijk heeft gemaakt, beoordeelt de IND die omstandigheden in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt.

Dat betekent dat pas na het naar voren brengen door de vreemdeling van de relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, door de IND wordt vastgesteld dat het risico mogelijk onder artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening valt.

Daarbij maakt de IND een gemotiveerde beoordeling en betrekt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade én dat juist de vreemdeling als gevolg van deze omstandigheden een reëel risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Bij de beoordeling van het risico bij terugkeer kan de IND, afhankelijk van het individuele geval, meewegen of de vreemdeling bij terugkeer schade kan ontlopen.

Hulpmiddel

De hiervoor geschetste gradaties zijn enkel bedoeld als indicatief hulpmiddel voor de IND. Deze gradaties geven in grote lijnen aan, hoe de situatie van willekeurig geweld in een (deel van een) land van herkomst wordt ingeschat. Het voor de diverse landen beleidsmatig vaststellen van de gradatie van het geweld heeft daarmee ten doel er voor te zorgen dat de IND op uniforme wijze het in een land heersende geweldsniveau bij de beoordeling betrekt. Bij die beoordeling staan echter de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden voorop bij de vraag of aannemelijk is gemaakt dat die omstandigheden het risico verhogen slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Eerder ondervonden ernstige schade

Daarnaast moet de IND meewegen dat de vreemdeling vóór zijn vertrek uit zijn land eerder al geweld heeft ondervonden (zie ook artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening). Daarbij doet het niet ter zake of het eerder ondervonden geweld het gevolg was van willekeurig geweld of van gericht geweld. De IND beoordeelt in dit verband of het eerder ondervonden geweld in combinatie met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling en in het licht van de veiligheidssituatie, tot een verhoogd risico op willekeurig geweld kan leiden.

Landenbeleid

In het landgebonden beleid in hoofdstuk C10 Vc kan worden vastgesteld of een van de gradaties aan de orde is in het betreffende land of gebied.

3.4 Actoren van bescherming en beschermingsalternatief
3.4.1 Actoren van bescherming
3.4.1.1 Bescherming door autoriteiten

Artikel 7 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw, als actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen en willen bieden.

De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:

  • 1. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van een persoon of een groep die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar een meerdere van die persoon of groep kan en wil tegen de persoon of groep die de dreiging veroorzaakt optreden. In dat geval moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken; of

  • 2. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van lokale autoriteiten, maar de centrale autoriteiten willen en kunnen bescherming bieden. In dat geval verwacht de IND dat de vreemdeling bescherming zoekt bij de centrale autoriteit.

In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.

3.4.1.2 Bescherming door stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties

De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, waaronder inbegrepen internationale organisaties in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening:

  • VN; en

  • NAVO.

3.4.1.3 Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard (artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening)

De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Kwalificatieverordening in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling tegen vervolging of ernstige schade door de autoriteiten en/of stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.

Artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening geeft aan dat actoren van bescherming redelijke maatregelen moeten treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade. De actor van bescherming hoeft geen volledige en sluitende garantie te bieden tegen dreigende vervolging of ernstige schade. De vreemdeling moet toegang tot deze bescherming hebben.

3.4.1.4 Bewijslast

De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

Als de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de actoren van bescherming in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Als de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

De IND betrekt bij de beoordeling of de actoren van bescherming in het land van herkomst in staat en bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:

  • de individuele verklaringen van de vreemdeling, waaronder de verklaring dat geen bescherming wordt geboden;

  • de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij tevergeefs de bescherming van de actoren van bescherming heeft ingeroepen; en

  • informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

3.4.2 Binnenlands beschermingsalternatief

Artikel 8 Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een binnenlands beschermingsalternatief.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a, Vw, als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening voor de vreemdeling beschikbaar is.

Op grond van artikel 8, derde lid, Kwalificatieverordening komt de IND pas toe aan de vraag of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief als vastgesteld is dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In dat geval moet de IND onderzoeken en aannemelijk maken dat een vreemdeling geen internationale bescherming nodig heeft vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief. In beginsel wordt een binnenlands beschermingsalternatief niet geacht te bestaan als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als duidelijk vaststaat dat de bevoegdheid van de betreffende actor duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.

Als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is, dan krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om bewijzen en elementen te overleggen, waaruit blijkt dat het binnenlands beschermingsalternatief voor hem niet beschikbaar is. Als de vreemdeling hier tijdens het gehoor niet op bevraagd is en niet de gelegenheid heeft gekregen bewijs over aan te leveren, zal de vreemdeling alsnog die mogelijkheid geboden moeten worden. De IND houdt bij de beslissing op het verzoek om internationale bescherming rekening met de door de vreemdeling overgelegde bewijzen en elementen.

Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlandse beschermingsalternatief, beoordeelt de IND of de vreemdeling zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden.

Naast het vereiste dat de dreiging in een ander deel van het land niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere deel van het land geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 of 29a Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied (zie paragraaf C3/3.4.1 Vc).

Uit artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening volgt dat de vreemdeling op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

Bij de beoordeling van het bestaan van een beschermingsalternatief betrekt de IND in ieder geval:

  • of de vreemdeling zich in het gebied kan vestigen en een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken;

  • of de vreemdeling in het betreffende gebied niet achtergesteld wordt in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking;

  • of de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie;

  • de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid; en

  • of de vreemdeling in zijn eigen basisbehoeften zou kunnen voorzien.

Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen binnenlands beschermingsalternatief tegen te werpen.

De IND beoordeelt gelet op artikel 8, vierde lid Kwalificatieverordening aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een binnenlands beschermingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

In het landgebonden asielbeleid kan de minister het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten.

3.5 Terugkeer naar het land van herkomst

De IND verleent in beginsel geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw als er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling na indiening van zijn verzoek om internationale bescherming naar het land van herkomst terug is geweest.

4. Beoordelen van de asielaanvraag
4.1. Volgorde van toetsing

De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel de volgende toetsingsvolgorde:

  • 1. De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw niet in behandeling neemt, toetst de IND de aanvraag niet verder;

  • 2. Als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in behandeling neemt, onderzoekt de IND of de aanvraag ontvankelijk is op grond van artikel 30a Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30a Vw, niet-ontvankelijk verklaart, toetst de IND de aanvraag niet verder;

  • 3. Als de aanvraag ontvankelijk is, onderzoekt de IND of de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • 4. Als de IND concludeert dat de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, toetst de IND de aanvraag aan artikel 29 en artikel 29a Vw. Vervolgens stelt de IND vast wat het asielmotief is en identificeert de IND de feiten en omstandigheden;

  • 5. In het kader van de toets aan artikel 29 en artikel 29a Vw beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven, tenzij de IND reden ziet de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de IND kenbaar de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • 6. In het kader van de toets aan artikel 29 en artikel 29a Vw beoordeelt de IND de zwaarwegendheid van de vrees die wordt ontleend aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten;

  • 7. De IND kan bij de inhoudelijke beoordeling tot de conclusie komen dat de aanvraag gegrond, ongegrond of kennelijk ongegrond is;

  • 8. Als de IND heeft geconcludeerd dat de aanvraag ongegrond of kennelijk ongegrond is toetst de IND aan de artikelen 29b, 29c en 29d Vw.

  • 9. Als de IND de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afwijst, beoordeelt de IND op grond van artikel 3.6a Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

  • 10. Als de IND ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, beoordeelt de IND op grond van artikel 6.1e Vb ambtshalve, of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie ook paragraaf A3/7.3 Vc).

  • 11. Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek zoals bedoeld in paragraaf A3/6.1.1 Vc.

4.2. Uitgangspunten beoordeling asielverzoek

Uitgangspunt bij de beoordeling van een asielaanvraag is dat de IND eerst de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden beoordeelt die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag (zie verder paragraaf C3/4.3 Vc). Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en achtergrond van de vreemdeling als diens asielmotieven.

Nadat de geloofwaardigheid is beoordeeld, toetst de IND of de aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat aannemelijk zijn. Dit is de zogenaamde risico-inschatting (over de risico-inschatting zie verder paragraaf C3/4.4 Vc).

Als de gestelde vrees van betrokkene bij terugkeer wordt gevolgd, beoordeelt de IND of de vrees zwaarwegend genoeg is en of er daarmee sprake is van vluchtelingschap of ernstige schade (over de zwaarwegendheid zie verder paragraaf C3/4.5 Vc).

4.2.1. Medewerkingsverplichting

De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:

  • alle relevante documentatie die in het bezit is van de vreemdeling; en

  • de eigen verklaringen (van de vreemdeling), zoals afgelegd tijdens gehoren en/of schriftelijk ingebracht.

De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.

De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).

4.2.2. Het verzamelen van informatie
4.2.2.1. Algemeen

Om het asielverzoek te beoordelen, moet eerst alle relevante informatie verzameld worden. Dit houdt in dat de relevante elementen worden geïdentificeerd en het asielmotief wordt vastgesteld.

Relevante elementen bestaan volgens artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening uit:

  • de verklaringen van de verzoeker; en

  • alle documentatie over zijn:

    • reden(en) voor het asielverzoek;

    • leeftijd;

    • achtergrond (ook die van relevante en andere familieleden);

    • identiteit;

    • nationaliteit(en);

    • land(en) en plaats(en) van eerder verblijf;

    • eerdere asielverzoeken;

    • resultaten van een op de verzoeker betrekking hebbende eventuele hervestigingsprocedure of procedure voor toelating op humanitaire gronden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1350;

    • reisroutes; en

    • reisdocumenten.

Daarnaast betrekt de IND op grond van artikel 34, tweede lid, Procedureverordening daar waar nodig relevante, nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst en eerste landen van asiel of veilig derde landen, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling na zijn vertrek uit het land van herkomst activiteiten heeft verricht uitsluitend of hoofdzakelijk om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en de gevolgen daarvan bij terugkeer, de vraag of in redelijkheid kan worden verlangd dat de vreemdeling de bescherming van een ander land inroept waar hij zich op staatsburgerschap zou kunnen beroepen en wie de actoren van vervolging zijn en of een binnenlands beschermingsalternatief van toepassing is. Tenslotte betrekt de IND informatie met betrekking tot de openbare orde en nationale veiligheid bij de beoordeling. Zie paragraaf C4/3.6 Vc

4.2.2.2. Bewijsmaterialen

Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende onderdelen:

  • identiteit;

  • nationaliteit;

  • herkomst;

  • reisroute; en

  • asielmotief van de vreemdeling.

De IND acht al deze bewijsmaterialen in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Identiteit

Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:

  • een goedgelijkende pasfoto;

  • de geboorteplaats van de vreemdeling; en

  • de geboortedatum van de vreemdeling.

Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het authentiek is en op officiële wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteiten en in het land van herkomst wordt erkend als identiteitsdocument. Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.

Is er geen sprake van een authentiek identiteitsdocument, dan weegt de IND de verklaringen van de vreemdeling, andere overgelegde documenten en of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst, mee.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

  • een paspoort; of

  • een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling uitgegeven document met pasfoto (waarop de vreemdeling herkenbaar is) waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.

Reisroute

Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:

  • documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland; en

  • alle andere bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd.

Dit zijn alle bewijsmaterialen die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.

Asielmotief

Onder bewijsmaterialen met betrekking tot het asielmotief verstaat de IND bewijsmaterialen die de verklaringen van de vreemdeling onderbouwen.

4.2.2.3. Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een deskundigenbericht en dus een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

Het gewicht dat aan de bron of het onderzoek door derden moet worden gegeven, wordt tevens bepaald door het gezag en reputatie van de opsteller van het rapport, de consistentie van de conclusies en evt. bevestigingen door andere bronnen. Ook komt betekenis toe aan de aanwezigheid van de opsteller van het rapport in het betreffende land van herkomst en de mogelijkheden die de opsteller heeft om aldaar onderzoek te doen.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

  • een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

  • een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

4.2.3. Vaststelling van het asielmotief

Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en bewijsmaterialen die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel).

Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

Een asielaanvraag kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.

De IND houdt bij het vaststellen van het asielmotief zoveel mogelijk vast aan de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gegevens en de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Als de vreemdeling een motief tijdens het gehoor niet naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, dan moet hij goede redenen aandragen, waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht.

4.3. Beoordeling van de geloofwaardigheid

Gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling in kwestie

Feiten en omstandigheden die zien op de persoon van de vreemdeling worden door de IND als eerste vastgesteld. Dit zijn feiten en omstandigheden die zowel betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst als achtergrond van de vreemdeling.

De beoordeling van de geloofwaardigheid van deze gegevens wordt op een zelfde wijze verricht als het onderzoek van het asielmotief. Hetgeen is opgenomen in deze paragraaf is eveneens van toepassing op de geloofwaardigheidsbeoordeling van deze gegevens.

Asielmotief

Nadat de IND het asielmotief heeft vastgesteld, beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van dat asielmotief. Het onderzoek richt zich daarbij op feiten en omstandigheden.

Bij de vaststelling van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het asielmotief beoordeelt de IND steeds of het asielmotief:

  • voldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal; of

  • geloofwaardig geacht kan worden op grond van de geloofwaardigheidstoets die volgt uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

Meerdere asielmotieven

Als de vreemdeling meerdere asielmotieven heeft aangevoerd, dan beoordeelt de IND voor elk asielmotief of het:

  • voldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal; of

  • geloofwaardig kan worden geacht op grond van de geloofwaardigheidstoets die volgt uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

4.3.1. Het onderzoek naar bewijsmateriaal

De IND onderzoekt eerst of de vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal. Het gaat hierbij vooral om objectieve documenten/bewijsmiddelen, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen, voor zover de vreemdeling daarin persoonlijk wordt genoemd.

Als blijkt dat de objectieve bewijsmaterialen kunnen worden geaccepteerd als volledige onderbouwing van het asielmotief en er geen sprake is van contra-indicaties, dan heeft de vreemdeling het asielmotief aannemelijk gemaakt en kan het asielmotief waarop deze bewijsmaterialen zien geloofwaardig worden geacht.

Als de vreemdeling een asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal, dan past de IND de geloofwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening toe. Op deze manier houdt de IND rekening met de omstandigheid dat van een vreemdeling niet altijd verwacht kan worden dat hij zijn asielmotief volledig met bewijsmateriaal staaft.

4.3.2. Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen

Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:

  • de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  • alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening);

  • de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening); en

  • vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening).

Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.

4.3.2.1. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening

Bij het leveren van oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven is onder andere van belang dat de vreemdeling zo volledig mogelijk heeft verklaard, de gestelde vragen naar beste kunnen heeft beantwoord en anderszins zo goed mogelijk heeft meegewerkt aan het vaststellen van de relevante feiten en/of omstandigheden, die ten grondslag liggen aan zijn asielmotief.

4.3.2.2. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening

Met het overleggen van alle relevante elementen worden alle documenten en bewijsmaterialen ter staving van de verschillende relevante feiten en/of omstandigheden bedoeld. Wanneer bepaalde van deze bewijsmaterialen ontbreken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gebracht te verklaren waarom hij deze bewijsmaterialen niet heeft. De IND beoordeelt vervolgens of de verklaring bevredigend is. De vraag of de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van bewijsmateriaal bevredigend zijn, betreft een individuele toets.

Dit betekent dat tijdens het gehoor gevraagd moet worden naar bewijsmaterialen ter onderbouwing van de relevante feiten en/of omstandigheden. Verwacht mag worden dat een vreemdeling die hier asiel aanvraagt zijn asielrelaas met bewijsmaterialen onderbouwt. De verklaring van de vreemdeling dat hij zijn bewijsmaterialen ter staving van zijn asielmotief onderweg is kwijtgeraakt/niet goed heeft bewaard, wordt door de IND op zichzelf niet gezien als een bevredigende verklaring voor het ontbreken van bewijsmaterialen.

4.3.2.3. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening

Bij de vraag of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag, geeft de IND een oordeel aan de hand van alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen, en van alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen. De IND beoordeelt kenbaar of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Deze beoordeling wordt op objectieve, gestructureerde en transparante wijze uitgevoerd. Hierbij kan de IND onder andere betrekken:

  • de mate waarin verklaringen gedetailleerd en specifiek zijn;

  • de interne consistentie van de verklaringen;

  • consistentie met informatie van andere, door de vreemdeling genoemde, getuigen; en

  • consistentie met beschikbare (landen)informatie.

Tegenstrijdigheden tussen informatie verkregen tijdens OVA en gehoor kunnen hierbij niet zonder meer aan de vreemdeling worden tegengeworpen. De vreemdeling moet in ieder geval in de gelegenheid worden gesteld uitleg te geven over de belangrijkste tegenstrijdigheden. Als de vreemdeling geen goede verklaring kan geven ten aanzien van de tegenstrijdigheid, dan betrekt de IND dit in de beoordeling van het asielmotief.

Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt of onvolledig is.

In bepaalde gevallen kan de door de vreemdeling verstrekte informatie dusdanig innerlijk tegenstrijdig zijn, dat dit het gehele asielmotief aantast. Dit kan zover gaan dat sprake is van ‘verstrekken onjuiste gegevens’.

De door de vreemdeling afgelegde verklaringen worden, tezamen en in onderling verband met het bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de in paragraaf C3/4.3.1 Vc genoemde voorwaarden, beoordeeld.

Tot slot kunnen ook resultaten van onderzoek worden betrokken. Dit kan onder meer zien op documentenonderzoek, taalanalyse en informatie over de situatie in een land van herkomst.

4.3.2.4. Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening

Op de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen. Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a tot en met c, Kwalificatieverordening kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.

Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:

  • de vreemdeling heeft reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland of in een andere lidstaat ingediend;

  • de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan volgehouden, dan wel een onvoldoende verklaring gegeven waarom hij dat heeft gedaan;

  • de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

Ook als een vreemdeling in het kader van de AMBV-procedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Bij de beoordeling of vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, houdt de IND verder onder andere rekening met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.

Van een vreemdeling die verzoekt om internationale bescherming mag verlangd worden dat hij zo spoedig mogelijk dit verzoek indient. Hiervan is in beginsel sprake als het verzoek om internationale bescherming binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, kan dit gevolgen hebben voor de conclusie of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

4.3.2.5. Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling

Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht.

4.4. De risico-inschatting

Nadat de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd is vastgesteld, beoordeelt de IND aan de hand van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, of de gestelde vrees over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst te wachten staat, aannemelijk is. Als er geen geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden zijn, wordt aan een inschatting van de risico’s van wat de vreemdeling bij terugkeer zal overkomen niet toegekomen.

De risico-inschatting bestaat uit twee onderdelen, namelijk:

  • de door de vreemdeling gestelde, toekomstige gebeurtenissen die zich als reëel risico zullen voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst;

  • datgene wat de IND aanneemt wat de vreemdeling kan overkomen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.

De risico-inschatting ziet dus op datgene wat de vreemdeling stelt te vrezen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.

Bij de beoordeling van de gegrondheid van de gestelde vrees wordt door de IND de aannemelijkheid van de aan de geloofwaardige feiten en omstandigheden ontleende vermoedens beoordeeld. Hierbij wordt bekeken of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, afgezet tegen wat op grond van objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. In plaats van ‘vermoedens’ kan ook over ‘vrees’ gesproken worden.

De feiten en omstandigheden over de vrees van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten staat, moeten tot de conclusie leiden dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico.

Hierbij kan de IND de volgende aspecten meewegen:

  • De vreemdeling is in het verleden reeds blootgesteld aan vervolging of ernstige schade.

    Uit artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening volgt dat het feit dat de vreemdeling in het verleden al is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging of ernstige schade gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Die goede redenen kunnen bijvoorbeeld zijn dat de eerdere daders van vervolging of ernstige schade niet meer aanwezig zijn in het land van herkomst of dat de situatie in het land van herkomst in aanzienlijke mate is verbeterd. Ook is het mogelijk dat de eerdere vervolging of ernstige schade geen verband houdt met hetgeen de vreemdeling nu vreest. De bewijslast om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen ligt in dat geval bij de IND.

  • Tijdsverloop tussen gebeurtenissen die aanleiding vormden voor vertrek en daadwerkelijk vertrek.

    De verklaringen van de vreemdeling omtrent het tijdsverloop dat is gelegen tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden om het land van herkomst te verlaten en het moment van het daadwerkelijke vertrek moeten betrokken worden bij de vraag of er sprake is van een aannemelijke vrees bij terugkeer. Als de vreemdeling bijvoorbeeld nog lange tijd na de gebeurtenissen probleemloos in zijn land van herkomst heeft verbleven, kan dit afbreuk doen aan de aannemelijkheid van de vrees.

  • Degenen van wie vervolging gevreesd wordt zijn op de hoogte of kunnen op de hoogte geraken

    Bij de beoordeling van de vraag of terugkeer een gegrond vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade oplevert, wordt tevens betrokken of degenen voor wie vervolging of ernstige schade wordt gevreesd op de hoogte zijn of kunnen geraken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept.

Conclusie

Aan het einde van de beoordeling van de risico’s bij terugkeer, wordt over ieder afzonderlijk vermoeden een duidelijke conclusie getrokken ten aanzien van de aannemelijkheid.

4.5. Beoordeling van de zwaarwegendheid

Als de IND oordeelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren bij terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 Vw of artikel 29a Vw.

5. Onderzoeken
5.1 Medisch onderzoek horen en beslissen

Wanneer de IND twijfelt over de toestand of de geschiktheid van de vreemdeling om een onderhoud te hebben, biedt de IND de vreemdeling op grond van artikel 13, elfde lid Procedureverordening een medisch onderzoek horen en beslissen aan. Het medisch onderzoek en het daarop volgende advies maken deel uit van de beoordeling of de vreemdeling behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen, zoals neergelegd in artikel 20, vierde lid Procedureverordening. De IND bepaalt mede op basis van het medisch advies op welke wijze passende steun wordt geboden en op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies (artikel 13, elfde lid Procedureverordening).

De IND bepaalt in de triage zoals neergelegd in paragraaf C1/3 Vc of de vreemdeling een medisch advies wordt aangeboden. Uit het screeningsformulier, de voorlopige kwetsbaarheidscheck of uit andere relevante signalen en informatie kan twijfel volgen over de toestand of de geschiktheid van de vreemdeling om gehoord te worden. Die twijfel kan ook ontstaan gedurende de procedure. In dat geval kan een medisch onderzoek horen en beslissen worden aangeboden teneinde te kunnen bepalen of een gehoor kan worden afgenomen en zo ja, of er omstandigheden zijn waar in het gehoor rekening mee moet worden gehouden.

Deelname aan het medisch onderzoek is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch onderzoek.

De behandeling van de aanvraag van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch onderzoek. De IND wijst de aanvraag niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch onderzoek.

Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7.3 Vc).

5.2 Forensisch medisch onderzoek

Als de IND het voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel relevant vindt, wordt aan de vreemdeling een forensisch medisch onderzoek aangeboden naar aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade. Indien de IND het onderzoek niet relevant vindt, kan de vreemdeling op eigen initiatief en kosten een forensisch medisch onderzoek regelen.

Bij het bepalen of een forensisch medisch onderzoek relevant is, betrekt de IND de volgende omstandigheden:

  • de verklaringen van de vreemdeling omtrent de aanwezigheid van significante fysieke en/of psychische sporen;

  • eventuele door de vreemdeling overgelegde medische stukken waarin gewag wordt gemaakt van significante fysieke en/of psychische sporen;

  • de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal ter staving van de stelling dat bij terugkeer vervolging of ernstige schade dreigt;

  • de verklaringen van de vreemdeling over de oorzaak van de fysieke en/of psychische sporen in relatie tot hetgeen openbare bronnen over het land van herkomst melden; en

  • de vraag of de uitslag van een forensisch medisch onderzoek van doorslaggevend belang is voor de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Indicaties over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten kunnen onder andere naar voren komen uit:

  • het ‘medisch advies horen & beslissen’;

  • de rapporten van de gehoren; en

  • medische stukken.

De IND kan niet zelf een medische diagnose stellen. De IND kan tijdens de gehoren vragen stellen over de aanwezigheid van littekens, fysieke klachten en/of psychische klachten bij de vreemdeling. De IND vraagt niet aan de vreemdeling of hij littekens en/of fysieke klachten wil laten zien. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij psychische klachten heeft, is onvoldoende als indicatie voor het opstarten van forensisch medisch onderzoek. In beginsel moeten psychische klachten onderbouwd worden met medische stukken.

Het forensisch medisch onderzoek kan alleen uitgevoerd worden met toestemming van de vreemdeling. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet af enkel op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het forensisch medisch onderzoek.

Het forensisch medisch onderzoek is primair op waarheidsvinding gericht. Dit betekent dat het forensisch medisch onderzoek als instrument kan worden ingezet om een bijdrage te leveren aan de geloofwaardigheidsbeoordeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Het forensisch medisch onderzoek kan bestaan uit drie onderdelen:

  • fysiek onderzoek (uitwendig en/of inwendig);

  • psychisch onderzoek; en

  • psychodiagnostisch onderzoek.

De centrale vraag die gesteld wordt wanneer een forensisch medisch onderzoek wordt opgestart, is: In welke mate is er sprake van causaliteit tussen fysieke en/of psychische sporen enerzijds en de wijze van het ontstaan daarvan anderzijds. Hierbij kan gedacht worden aan fysieke sporen als gevolg van marteling, verkrachting en andere ernstige vormen van geweld of ernstige psychische schade in relatie tot het asielrelaas. Waar mogelijk bestaat het forensisch medisch onderzoek ook uit onderzoek naar letseldatering. Onder letseldatering wordt verstaan het moment waarop het letsel is opgelopen. Het doel van het forensisch medisch onderzoek is niet om de asielmotieven naar voren te brengen of te toetsen. Dit sluit niet uit dat de vreemdeling aan de onderzoekende arts (privacy-/schuld-/schaamtegevoelige) informatie verstrekt die tijdens het gehoor niet of anders benoemd is.

De IND weegt het forensisch medisch onderzoek mee in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de uiteindelijke beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

De IND start geen forensisch medisch onderzoek op in het kader van de beoordeling van de mogelijkheid tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel.

C4 Afdoeningsgronden

1 Niet in behandeling nemen

De IND neemt op grond van artikel 30 Vw, een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Voor de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt verder verwezen naar paragraaf C2/3 Vc.

2 Niet-ontvankelijk

Een aanvraag kan niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, Procedureverordening. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt. Dit betreft een nadere uitwerking van paragraaf C1/3.2.3 Vc ‘Ontvankelijkheidsprocedure’.

2.1 Eerste land van asiel (artikel 38, eerste lid aanhef en onder a, jo 58 Procedureverordening)

In artikel 58 Procedureverordening staat het begrip ‘eerste land van asiel’ uitgewerkt. Een land dat geen onderdeel is van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of Zwitserland wordt beschouwd als een eerste land van asiel voor de vreemdeling, indien de vreemdeling daar (doeltreffende) bescherming heeft genoten en nog steeds op die bescherming een beroep kan doen.

Bij de vraag of voor de individuele vreemdeling een derde land als eerste land van asiel moet worden beschouwd, zijn ook de verklaringen van de vreemdeling van belang. Aan de hand van dat relaas en informatie over de situatie in het ‘eerste land van asiel’ wordt beoordeeld of aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, Procedureverordening is voldaan. Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als eerste land van asiel kan worden beschouwd in de zin van artikel 58 Procedureverordening, zal de IND de vreemdeling niet tegenwerpen dat hem in het betreffende derde land reeds bescherming is verleend. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. De elementen die de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling kan verstrekken, dienen in verband te staan met de in het eerste lid van artikel 58 Procedureverordening genoemde voorwaarden.

Het begrip ‘eerste land van asiel’ mag niet worden toegepast op verzoekers die als gezinslid van een onderdaan van een derde land of van een burger van de Unie een verzoek indienen en die in de lidstaat die het verzoek behandelt, aanspraak kunnen maken op de rechten die zijn vastgelegd in de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) of Richtlijn 2004/38/EG.

(Opnieuw) toelaten tot grondgebied

Artikel 58, eerste lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als eerste land van asiel kan worden beschouwd. De mogelijkheid van (weder)toelating wordt daarbij niet als voorwaarde genoemd.

Als echter op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien de vreemdeling eerder in het derde land bescherming heeft genoten, zal dat niet snel worden aangenomen. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat niet opnieuw zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen.

Niet-begeleide minderjarige

Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een eerste land van asiel worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 58, derde lid, Procedureverordening.

Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als veilig derde land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij houdt de IND rekening met de in artikel 26 Verordening (EU) 2024/1346 genoemde factoren. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang.

Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat als uitgangspunt geldt dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden.

De IND verstaat onder de voorwaarde vooraf de verzekering hebben ontvangen van het betrokken derde land, het volgende. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde eerste land van asiel indien de autoriteiten van het eerste land van asiel binnen een door de IND vastgestelde redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen.

De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het eerste land van asiel dit bevestigen.

2.2 Veilig derde land (artikel 38, eerste lid aanhef en onder b, jo 59 en 60 Procedureverordening)

In artikel 59 Procedureverordening staat wat wordt verstaan onder het begrip ‘veilig derde land’ en wanneer dit begrip mag worden toegepast.

Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND beoordeelt of het derde land in het individuele geval van de vreemdeling als veilig derde land kan gelden op grond van de voorwaarden van artikel 59, eerste lid, Procedureverordening:

  • a) het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;

  • b) onderdanen van derde landen geen reëel risico lopen op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 Kwalificatieverordening;

  • c) onderdanen van derde landen worden beschermd tegen refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève en tegen verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen, zoals neergelegd in het internationaal recht;

  • d) de mogelijkheid bestaat om doeltreffende bescherming aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen.

Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als veilig derde land kan worden beschouwd in de zin van artikel 59 Procedureverordening, zal de IND het begrip veilig derde land niet toepassen. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND neemt in ieder geval aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer voor dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is. De IND neemt ook aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt als er aldaar sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, waarin de mate van willekeurig geweld van dien aard is dat de enkele aanwezigheid in het land al zorgt voor een reëel risico op ernstige schade.

Uit artikel 59, vijfde lid, aanhef en onder b, Procedureverordening volgt dat het begrip ‘veilig derde land’ in drie situaties mag worden toegepast:

  • als er een band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land;

  • als sprake is van een land van doorreis; of

  • als sprake is van een overeenkomst of regeling met het betreffende derde land op grond waarvan verzoeken om doeltreffende bescherming door dat derde land moeten worden onderzocht.

Band tussen de vreemdeling en het betrokken derde land

De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.

De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:

  • de echtgenoot of partner van de vreemdeling heeft de nationaliteit van dat land;

  • gezinsleden van de verzoeker bevinden zich in dat derde land;

  • de vreemdeling heeft eerder in dat land verbleven; of

  • de vreemdeling taal-, culturele of soortgelijke banden heeft met dat derde land.

Doorreisland

Doorreis door een derde land kan de volgende situaties omvatten:

  • de vreemdeling heeft door het grondgebied van een derde land gereisd;

  • de vreemdeling heeft zich aan de grens of in een transitzone van een derde land bevonden, waarbij de vreemdeling de mogelijkheid heeft gehad om bij de autoriteiten van het betrokken derde land om doeltreffende bescherming te verzoeken.

Als een vreemdeling door het grondgebied van een derde land is gereisd, voordat hij de Europese Unie is binnengekomen, kan het concept veilig derde land worden toegepast, aangezien in dat geval redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, om doeltreffende bescherming had kunnen verzoeken in een veilig derde land van doorreis.

Overeenkomst of regeling

Zowel de Unie als lidstaten kunnen overeenkomsten of regelingen sluiten met derde landen, op grond waarvan het derde land zich heeft verplicht verzoeken om te onderzoeken of de vreemdeling aanspraak maakt op doeltreffende bescherming. Deze mogelijkheid geldt niet voor niet-begeleide minderjarigen.

(Opnieuw) toelaten tot grondgebied

Artikel 59, eerste, vierde en vijfde lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als veilig derde land kan worden beschouwd.

Als op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij in weerwil van door hem verrichte inspanningen om toelating te verkrijgen niet (opnieuw) zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen.

Niet-begeleide minderjarige

Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een veilig derde land worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 59, zesde lid, Procedureverordening. Een land kan niet als veilig derde land worden aangemerkt enkel omdat er een overeenkomst of regeling met het derde land is gesloten.

Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als eerste land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang.

Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden.

De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde veilig derde land indien de autoriteiten van het veilig derde land binnen een redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen.

De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het veilig derde land dit bevestigen.

2.3 Bescherming in een andere EU-lidstaat (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, Procedureverordening)

Het feit dat een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft verleend, vormt op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, Procedureverordening in de regel een reden om een aanvraag van dezelfde vreemdeling als niet-ontvankelijk af te wijzen.

De bescherming van de vreemdeling in een andere lidstaat kan in ieder geval blijken uit:

  • Een verblijfsdocument;

  • Eurodac;

  • Informatie van de betreffende lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling bescherming geniet, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming; of

  • Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij in een andere EU-lidstaat bescherming geniet.

Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat.

Het Eurodac-systeem wordt geraadpleegd tenminste twee maanden voordat een beslissing wordt genomen op een asielaanvraag. Als daaruit volgt dat internationale bescherming is verleend, dan mag daarvan worden uitgegaan.

Wanneer uit dat systeem niet blijkt dat de status is ingetrokken, dan is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij in de andere lidstaat toch geen internationale bescherming meer heeft.

2.4 Een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling of neemt ondubbelzinnig maatregelen in die zin (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling naar een lidstaat of een derde land of ondubbelzinnig maatregelen neemt in die zin, tenzij nieuwe relevante omstandigheden zijn ontstaan waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of er geen juridische mogelijkheid bestond om omstandigheden die relevant zijn voor internationaal erkende mensenrechtennormen aan te voeren voor dat internationale strafgerecht.

2.5 Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel na ontvangst van een terugkeerbesluit (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening kan een aanvraag worden afgewezen als niet-ontvankelijk als de vreemdeling asiel aanvraagt pas zeven dagen of later na ontvangst van een terugkeerbesluit. Het gaat in ieder geval om de situatie dat de vreemdeling:

  • in het kader van het opleggen van een terugkeerbesluit erop is gewezen dat indien hij meent bij terugkeer iets te vrezen te hebben een asielwens kenbaar dient te maken binnen een periode van zeven werkdagen vanaf de datum van ontvangst van het terugkeerbesluit en hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt;

  • hij op de hoogte is gebracht van de gevolgen van het niet doen van een aanvraag binnen die termijn; en

  • er sinds het verstrijken van de termijn van zeven werkdagen geen nieuwe relevante elementen naar voren zijn gekomen.

2.6 Volgende aanvragen (artikel 38, tweede lid, Procedureverordening)

Een aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid, Procedureverordening. Het moet gaan om een volgende aanvraag waarbij geen nieuwe relevante elementen, in de zin van artikel 55, derde en vijfde lid, Procedureverordening naar voren zijn gebracht die de kans op asiel aanzienlijk groter maken.

De wijze waarop de IND onderzoekt of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard is neergelegd in paragraaf C2/5 Vc.

3 Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond

De beoordeling of een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gegrond of ongegrond is, vindt plaats aan de hand van artikelen 29, 29a, 29b, 29c, 29d en 31 Vw. Daarin wordt uiteengezet aan welke voorwaarden moet worden voldaan om voor inwilliging van de aanvraag in aanmerking te kunnen komen en wanneer de aanvraag ongegrond is. De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag kennelijk ongegrond is, zijn beschreven in artikel 30b Vw en worden hieronder behandeld in paragraaf C4/3.1 t/m C4/3.10 Vc. Eerst nadat de IND heeft beoordeeld of een aanvraag ongegrond is, beoordeelt de IND of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen.

Een aanvraag kan, zoals beschreven in artikel 39, vierde lid, Procedureverordening, kennelijk ongegrond worden verklaard. In artikel 42, eerste en derde lid, Procedureverordening staat beschreven in welke gevallen dit mogelijk is en in welke gevallen de versnelde behandelingsprocedure kan worden toegepast. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt.

3.1 Aangelegenheden die niet ter zake doen (artikel 42, eerste lid, onder a, Procedureverordening)

Onder aangelegenheden die niet ter zake doen verstaat de IND alle aangelegenheden die geen betrekking hebben op de voor de beoordeling van de asielaanvraagrelevante informatie. Deze aangelegenheden raken niet aan vluchtelingschap of subsidiaire bescherming.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.2 Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen (artikel 42, eerste lid, onder b, Procedureverordening)

Onder kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen verstaat de IND:

  • het verstrekken van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen;

  • het verstrekken van kennelijk valse verklaringen;

  • het verstrekken van duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen; of

  • het verstrekken van verklaringen die strijdig zijn met relevante en beschikbare informatie over het land van herkomst dat voldoende geverifieerd kan worden.

Het gaat om duidelijke vormen van ongeloofwaardigheid, waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat hierover geen twijfel bestaat en waardoor de verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige v betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.3 Opzettelijke misleiding (artikel 42, eerste lid, onder c, Procedureverordening)

Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om op die manier in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Van misleiden is in ieder geval sprake indien:

  • a. de vreemdeling valse of onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute of andere elementen die relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag;

  • b. de vreemdeling valse of vervalste identiteits-, reis- of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en stelt dat deze echt zijn;

  • c. er duidelijke gronden zijn dat de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich te slechter trouw heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een identiteitsdocument, reisdocumenten met uitreisstempels of inreisvisum;

  • d. een andere identiteit of nationaliteit uit de systemen naar voren komt dan opgegeven bij de IND;

  • e. er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie; of

  • f. een taalanalyse uitwijst dat de vreemdeling niet uit te herleiden is tot de spraakgemeenschap uit de gestelde herkomstplaats.

Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens.

De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Ad c. ‘Te slechter trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

‘Duidelijke gronden’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te slechter trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:

  • er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan; en

  • er zijn duidelijke gronden dat de vreemdeling dat te slechter trouw heeft gedaan.

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te slechter trouw handelen.

De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere mate van bewust en opzettelijk handelen.

In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden, dan wel staat niet zonder meer vast dat dit te slechter trouw gebeurde:

  • als de vreemdeling documenten in Nederland of in enig ander land waar hij veilig was verliest, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid; of

  • als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid.

De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.4 Verwijdering (uitzetting of overdracht) vertragen, verhinderen of voorkomen (artikel 42, eerste lid, onder d, Procedureverordening)

Bij de beoordeling of sprake is van het vertragen, verhinderen of het voorkomen van een beslissing tot de verwijdering of uitzetting of overdracht van de vreemdeling betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld:

  • een vreemdeling die eerst na een langere periode van illegaal verblijf hier in Nederland een asielaanvraag indient op het moment dat hij wordt geconfronteerd met handelingen die gericht zijn op de verwijdering of uitzetting, bijvoorbeeld een voorgenomen inbewaringstelling; of

  • het (zeer) kort voor een geplande verwijdering of uitzetting indienen van een asielaanvraag, zeker indien de onderbouwing van de asielaanvraag afwezig of evident ontoereikend is.

Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

  • a. de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

  • b. de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

  • c. of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;

  • d. de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet;

  • e. de onderbouwing van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.5 Veilig land van herkomst (artikel 42, eerste lid, onder e, Procedureverordening)

In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:

De IND kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b Vw, indien een derde land kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst voor de vreemdeling.

Een derde land kan alleen op grond van artikel 61 Procedureverordening als zodanig worden aangewezen.

Het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst kan op het niveau van:

  • de EU (artikel 62 Procedureverordening, zie ook bijlage II); of

  • nationaal niveau (artikel 64 Procedureverordening) indien deze nationaalrechtelijk is vastgesteld.

De lijst met veilige landen van herkomst die op het niveau van de Unie is vastgesteld zijn neergelegd in bijlage II bij Verordening 2026/464 tot wijziging van Verordening 2024/1348.

In artikel 61, derde lid, Procedureverordening is opgenomen op basis van welke bronnen een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. De Unie of de Minister moet overeenkomstig artikel 61, vierde lid Procedureverordening de mate waarin bescherming in zijn algemeenheid wordt geboden tegen vervolging en ernstige schade vaststellen.

Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen. Uitzonderingen op het niveau van de Unie moeten ook door de Unie worden vastgesteld en kan niet op nationaal niveau plaatsvinden.

Het begrip veilig land van herkomst mag worden toegepast indien;

  • de vreemdeling de nationaliteit van dat land heeft of staatloos is en voorheen in dat land zijn of haar gewone verblijfplaats had;

  • de vreemdeling niet tot een categorie personen behoort waarvoor een uitzondering is gemaakt bij de aanwijzing van het derde land als veilig land van herkomst;

  • de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip veilig land van herkomst niet op hem of haar van toepassing is (artikel 61, vijfde lid, aanhef en onder c, Procedureverordening);

In bovenstaande gevallen beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.6 Openbare orde of nationale veiligheid (artikel 42, eerste lid, onder f, Procedureverordening)
3.6.1 Algemeen

Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De IND onderzoekt het gevaar voor de openbare orde in gevallen waarin 1F aspecten spelen aan de hand van het specifieke beoordelingskader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (paragraaf C4/3.6.9 Vc).

De IND beoordeelt of er sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf C4/3.6.8 Vc).

De IND kan de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan de IND de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling onder dwang is uitgezet uit Nederland om ernstige redenen van openbare orde. Dit volgt uit artikel 30b, eerste lid, Vw, en de artikelen 39, vierde lid en 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Volgens de Procedureverordening kan het begrip ‘openbare orde’ onder meer (dus niet beperkt tot) een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. De toepassing van het begrip openbare orde wordt, in lijn met de Kwalificatieverordening en de Procedureverordening, hieronder verder uitgewerkt in paragraaf C4/3.6.2 tot en met C4/3.6.6 Vc.

De IND onderzoekt per verleningsgrond of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde:

  • de IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw (paragraaf C4/3.6.3 Vc);

  • de IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29a, Vw (paragraaf C4/3.6.4 Vc);

  • de IND beoordeelt ten aanzien van de aanspraken op artikel 29b (meereizend gezinslid), artikel 29c en artikel 29d (nareizend gezinslid), Vw niet of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf (paragraaf C4/3.6.5 Vc);

  • als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw jo artikel 29 of artikel 29a Vw en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, beoordeelt de IND of de aanvraag kennelijk ongegrond kan worden verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.

3.6.2 Algemene uitgangspunten

Bij alle categorieën genoemd in paragraaf C4/3.6.1 Vc gelden de volgende algemene uitgangspunten bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

3.6.2.1 Individuele beoordeling

De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een vluchtelingstatus, subsidiairebeschermingsstatus, een afgeleide status op basis van meereis of nareis, of niet in aanmerking komt voor een status. Deze status is bepalend voor de vraag aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de status niet te verlenen in het geval sprake is van openbare orde aspecten. Afhankelijk van de status beoordeelt de IND of sprake is van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf en/of een gevaar voor de gemeenschap. Dit gebeurt op individuele basis, aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. Dit houdt in dat de IND alle strafrechtelijke veroordelingen, verdenkingen en gepleegde misdrijven meeweegt in de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

Jeugdstrafrecht

Ook veroordelingen die in het verleden volgens het jeugdstrafrecht zijn opgelegd worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. De IND betrekt daarbij in ieder geval de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden, die zien op de aard en de ernst van het delict en het tijdsverloop dat is verstreken sinds het delict. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de vreemdeling in het gepleegde delict waardoor hij een gevaar voor de gemeenschap vormt.

3.6.2.2 Verjaringstermijnen

De IND hanteert bij de beoordeling van het tijdsverloop de verjaringstermijnen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND past in de volgende gevallen de verjaringstermijnen uit paragraaf B1/4.4 Vc niet toe:

  • a. een veroordeling voor een misdrijf tegen het leven gericht;

  • b. het bij herhaling veroordeeld zijn voor misdrijven; of

  • c. ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

Ad b

Er is sprake van het bij herhaling veroordeeld zijn als:

  • er meer dan een straf is opgelegd; of

  • er een straf is opgelegd voor een aantal bewezenverklaarde strafbare feiten (voeging).

3.6.2.3 In het buitenland gepleegde strafbare feiten

De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beoordeelt welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, als die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en/of bestraft. De bewijslast voor het onderbouwen van de gepleegde misdrijven in het buitenland ligt in de eerste plaats bij de vreemdeling. Afhankelijk van de bewijsmiddelen die de vreemdeling overlegt, beoordeelt de IND dit als volgt:

  • Als de vreemdeling vonnis of vergelijkbare stukken overlegt, vraagt de IND een strafmaatvergelijking op bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.

  • Als de vreemdeling een schuldbekentenis en een transactieaanbod overlegt, is het mogelijk voor de IND om een verkorte strafmaatvergelijking op te vragen bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets.

  • Als er geen stukken zijn overgelegd, kan de IND geen strafmaatvergelijking bij het OM aanvragen. Als het voor de IND echter voldoende duidelijk is dat het gaat om een misdrijf naar Nederlands recht en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd, dan kan de IND deze veroordeling zonder strafmaatvergelijking door het OM bij de beoordeling betrekken.

3.6.2.4 Jeugdstrafrecht en minderjarige vreemdelingen

De IND kan één of meerdere veroordelingen in het kader van het jeugdstrafrecht betrekken bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Ook in het geval de minderjarige vreemdeling opnieuw voor een misdrijf of meerdere misdrijven (recidive) wordt veroordeeld, heeft de IND als uitgangspunt alle strafrechtelijke veroordelingen mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.2.1 Vc. Hierbij wegen het karakter van het jeugdstrafrecht en de individuele omstandigheden mee.

3.6.3 Openbare orde en artikel 29, eerste lid, Vw (vluchtelingenstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling definitief (ofwel: onherroepelijk) is veroordeeld voor minstens één misdrijf dat op zichzelf een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is én de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap’, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en e Kwalificatieverordening. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

3.6.3.1 Bijzonder ernstig misdrijf

‘Bijzonder ernstige misdrijven’ zijn misdrijven die de rechtsorde van de gemeenschap het meeste aantasten. Bij de beoordeling van het ‘bijzonder ernstig misdrijf’ dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de volgende punten:

  • de aard van het misdrijf;

  • de maximale straf voor het misdrijf en de feitelijk opgelegde straf;

  • de aard en omvang van de schade;

  • de omstandigheden rond het plegen van het misdrijf (opzettelijkheid);

  • de aanwezigheid van verzachtende of verzwarende omstandigheden; en

  • de aard van de strafprocedure;

3.6.3.2 Gevaar voor de gemeenschap

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

  • de aard van het misdrijf; en

  • de opgelegde straf.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  • opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  • brandstichting;

  • mensenhandel;

  • illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  • illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

3.6.3.3 Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat de vreemdeling definitief veroordeeld is voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een gevaar vormt voor de gemeenschap, verleent de IND geen vluchtelingstatus, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en onder e Kwalificatieverordening. In die gevallen voert de IND geen evenredigheidstoetsing uit in verband met de vrees voor vervolging.

Als de vreemdeling geen vluchtelingstatus wordt verleend vanwege de openbare orde-aspecten, waardoor de asielaanvraag wordt afgewezen, kan hij, mits hij in Nederland is, gebruik maken van de rechten zoals genoemd in artikel 14, derde lid, Kwalificatieverordening.

3.6.3.4 Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

3.6.3.5 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt, betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.4 Openbare orde en artikel 29a, eerste lid, Vw (subsidiairebeschermingsstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in de volgende twee gevallen:

  • 1. als de vreemdeling een ‘ernstig misdrijf’ heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland of voor een ‘ernstig misdrijf’ is veroordeeld na zijn aankomst in Nederland, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid onder b, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.1 Vc

  • 2. als de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.2 Vc.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Of er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt beoordeeld aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium.

3.6.4.1 Ernstig misdrijf

Indien de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland, dan is een veroordeling niet noodzakelijk. Indien de vreemdeling na zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, dan is een veroordeling wel noodzakelijk. Deze hoeft niet definitief (ofwel: onherroepelijk) te zijn. Bij de beoordeling of sprake is een ‘ernstig misdrijf’ houdt de IND in ieder geval rekening met de volgende punten:

  • de aard van het gepleegde feit;

  • de schade die is teweeggebracht;

  • de gevolgde strafprocedure;

  • de aard van de straf; of

  • de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit aanmerken als een ernstig misdrijf.

Als het misdrijf naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc, is dit een sterke indicatie dat er sprake is van een ‘ernstig misdrijf’.

Indien de vreemdeling minderjarig is, houdt de IND, conform artikel 17, vijfde lid, Procedureverordening, bij de beoordeling of er sprake is van uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus onder andere rekening met de vraag of de vreemdeling strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij het misdrijf, op deze leeftijd, in Nederland zou hebben gepleegd en of hij daarvoor zou worden veroordeeld.

3.6.4.2 Gevaar voor de gemeenschap

Bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het niet noodzakelijk dat een vreemdeling in het verleden een ernstig misdrijf heeft gepleegd of daarvoor is veroordeeld.

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

  • de aard van het misdrijf; en

  • de opgelegde straf.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  • opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  • brandstichting;

  • mensenhandel;

  • illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  • illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

3.6.4.3 Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, sluit de IND de vreemdeling uit van de subsidiairebescherminggstatus, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, Kwalificatieverordening, zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor ernstige schade uit te voeren.

3.6.4.4 Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

3.6.4.5 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.5 Openbare orde en artikel 29b, eerste lid, Vw (meereizende gezinsleden)

De verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b Vw wordt door de IND niet verleend, als dat noodzakelijk om redenen van openbare orde, overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, gebaseerd op artikel 42, eerste lid, onder f, of artikel 42, derde lid, onder b, Procedureverordening, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van openbare orde. Hiervoor wordt aangesloten bij paragraaf 3.6.7 Vc.

3.6.5.1 Evenredigheidstoets

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw weigert omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, dan toetst de IND of dit noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden conform artikel 8 EVRM, zoals:

  • de band met Nederland;

  • de band met het land van herkomst;

  • een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en

  • het belang van de Nederlandse Staat.

3.6.5.2 Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.5.3 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het Unierechtelijk openbare orde-criterium ook in dit kader.

3.6.6 Openbare orde en artikel 29c of 29d Vw (nareizende gezinsleden)

De IND kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw weigeren op grond van de openbare orde overeenkomstig het in paragraaf C5 Vc opgenomen wettelijke kader. De IND beoordeelt de aanvraag in dat geval aan de hand van artikel 3.77 Vb artikel 3.78 Vb, en paragraaf B1/4.4 Vc.

3.6.6.1 Evenredigheidstoets

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid of artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, toetst de IND aan het evenredigheidsbeginsel. De Kwalificatieverordening is niet van toepassing op deze vergunningen.

In het kader van de evenredigheidstoets beoordeelt de IND de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de afwijzing. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel ook aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel aan artikel 8 EVRM.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden, waaronder:

  • de band met Nederland;

  • de band met het land van herkomst;

  • een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en

  • het belang van de Nederlandse Staat.

3.6.6.2 Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.6.3 Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.7 Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van openbare orde

Als de IND de asielaanvraag van de vreemdeling reeds op inhoudelijke gronden (kennelijk) ongegrond kan verklaren en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, kan de aanvraag ook kennelijk ongegrond worden afgedaan op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.

De vreemdeling vormt in ieder geval op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde van Nederland als:

  • er sprake is van (minstens) één veroordeling voor een misdrijf of de vreemdeling (minstens) één misdrijf heeft gepleegd; en

  • als er sprake is van een misdrijf die naar zijn aard leidt tot een gevaar voor de gemeenschap.

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

  • opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten;

  • brandstichting;

  • mensenhandel;

  • illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  • illegale handel in menselijke organen en weefsels.

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf, zoals bedoeld in de voorgaande paragrafen.

De IND betrekt de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden in het oordeel of hij op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde van de lidstaat.

3.6.8 Afwijzing van een asielaanvraag, dan wel meereis of nareis op grond van nationale veiligheid

Als er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar de vreemdeling zich bevindt in de zin van artikel 14, eerste lid aanhef en onder d Kwalificatieverordening, dan wel een gevaar vormt voor de nationale veiligheid zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d, Kwalificatieverordening wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid Vreemdelingwet kennelijk ongegrond verklaard omdat er redelijke gronden bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, jo artikel 42, eerste lid, onder f Procedureverordening.

Voor de toepassing van artikel 14 eerste lid, aanhef en onder d, artikel 17 lid 1, onder d, Kwalificatieverordening en artikel 30b, eerste lid, Vw geldt het specifieke toetsingskader voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ in B1/4.4 Vc.

Meereis

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van nationale veiligheid. Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc.

Nareis

De IND kan de aanvraag weigeren op grond van gevaar voor de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 16, lid 1 onder d, Vw.

In beide gevallen geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’.

3.6.9 Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 12 en artikel 17 Kwalificatieverordening)

De IND zal gelet op het bepaalde in artikel 12, vierde lid en 17, eerste en tweede lid Kwalificatieverordening de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus weigeren als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Als de IND artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing acht, is een strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk om aan te nemen dat een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. De toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag volstaat zelfstandig om aan te nemen dat er sprake is van een gevaar voor de openbare orde zoals bedoeld in de artikelen 12 en 17 van de Kwalificatierichtlijn.

3.6.9.1 Artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag

De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.

De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:

  • de aard van de handeling; en

  • de omvang van de gevolgen van de handeling.

3.6.9.2 Artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag
3.6.9.2.1 Politieke misdrijven

Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling;

  • het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren;

  • de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en

  • het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel.

De volgende misdrijven kunnen een politiek karakter hebben:

  • mishandeling;

  • drugshandel;

  • roofovervallen;

  • brandstichting.

Het plegen van een politiek misdrijf vormt geen grond voor het toepasselijk achten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

3.6.9.2.2 Niet-politieke misdrijven

De volgende misdrijven moeten in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

  • moord;

  • doodslag;

  • verkrachting;

  • oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  • misdrijven tegen de menselijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 7, Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof;

  • foltering;

  • genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  • slavernij en slavenhandel; en

  • misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.

3.6.9.2.3 Beoordeling ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

De beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, betreft een individuele beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:

  • a. aard van het gepleegde feit/handeling;

  • b. omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht;

  • c. strafmaat;

  • d. internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf;

  • e. de gevolgde strafprocedure.

Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.

Ad a

Bij geweldsmisdrijven kijkt de IND naar de mate van geweld dat toegepast is (het geweld en/of schade die het gevolg was van de gedraging), de geweldsmethoden die zijn gebruikt en het gebruik van dodelijke wapens. Misdrijven zonder geweldscomponent, zoals economische misdrijven of handel in drugs, kunnen eveneens onder de reikwijdte van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het is niet relevant of het misdrijf is gepleegd in het herkomstland of een land buiten het land van toevlucht.

Ad b

Bij omvang van de schade wordt onder meer meegewogen of sprake is van:

  • een (internationaal) grensoverschrijdend karakter van bepaalde misdrijven;

  • nevencriminaliteit, die gepaard gaat met bepaalde misdrijven (zowel nationaal als internationaal;

  • het plegen van delicten over langere tijd en mogelijk recidive.

Ad c

Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten.

Ad d

De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als:

  • de richtlijnen van UNHCR voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, Handbook UNHCR;

  • internationale verdragen, Europese richtlijnen en verordeningen, resoluties van de VN Veiligheidsraad, resoluties/conclusies of andere uitlatingen van Europese instellingen (bijv. Europese Commissie, Raad van Ministers van de EU);

  • rechtspraak van Europese en internationale gerechtelijke instanties, evenals de wetgeving, uitvoering en rechtspraktijk van (andere) landen.

Misdrijven die op grond van vorenstaande doorgaans als ‘ernstig’ kunnen worden aangemerkt zijn (niet-limitatief) moord, verkrachting, brandstichting, het plegen van een gewapende overval, en andere vergrijpen die vergezeld gaan van dodelijke wapens en/of ernstige verwonding van personen.

Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf.

Ad e

Een aantal aspecten van de strafprocedure (of de uitkomst ervan) kunnen een rol spelen bij het toepassen van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

  • Veroordeling: Voor de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is een veroordeling niet vereist. Als de vreemdeling is veroordeeld, beziet de IND, hoe dit zich verhoudt tot internationale maatstaven (gerelateerd aan de Nederlandse maatstaf). Een strafrechtelijke veroordeling kan wel worden betrokken in de beoordeling, dat aan de bewijsmaatstaf van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (‘ernstige redenen om te veronderstellen’) is voldaan.

  • (Deels) uitgezeten straf: Het (gedeeltelijk) uitgezeten hebben van een straf vormt geen reden om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet (langer) tegen te kunnen werpen.

  • Vrijspraak: De omstandigheid dat de vreemdeling is vrijgesproken voor een misdrijf, maakt niet zonder meer dat artikel 1F, aanhef en onder b van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. In dit kader is onder andere van belang of de vrijspraak ziet op dezelfde gedraging(en), die ook aan de beoordeling van artikel 1F Vluchtelingenverdrag ten grondslag liggen of hebben gelegen, of de vrijspraak het gevolg is van een inhoudelijke beoordeling of een procedurele afdoening, en de inhoudelijke redenen van de vrijspraak. Voor toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is van belang dat sprake moet zijn van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in dit artikel.

3.6.9.2.4 Absolute politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter, waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:

  • hoogverraad en het verstoren van verkiezingen; en

  • misdrijven weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht.

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

3.6.9.2.5 Factoren voor het wel of niet toepassen van de uitsluitingsgrond

Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht.

3.6.9.3 Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag

Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.

De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN:

  • handelingen die expliciet zijn genoemd als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN; en

  • misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof.

Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag beoordeelt de IND:

  • of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn; of

  • uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN.

3.6.9.4 Bewijslast en verantwoordelijkheid

Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Als de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

3.6.9.4.1 ‘Knowing participation’

Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  • b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of

  • c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.

De IND neemt geen ‘knowing participation’ aan voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, als de vreemdeling tijdens het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaar oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:

  • de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding;

  • of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden;

  • de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband hanteert de IND het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt. De IND beoordeelt of van de vreemdeling als minderjarige verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te gaan;

  • of er tijdens de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast;

  • de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger;

  • de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;

  • of de vreemdeling de misdrijven gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en

  • of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties.

3.6.9.4.2 ‘Personal participation’

Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

  • b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

  • c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of

  • d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

Ad c.

De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, als zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

  • de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en

  • het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden als niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of als de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.

Ad d.

De IND toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’).

3.6.9.5 Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid
3.6.9.5.1 Handelen op bevel

De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, als de vreemdeling heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.

3.6.9.5.2 Dwang

Als de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

  • er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;

  • er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;

  • de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad; of

  • de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.

3.6.9.5.3 Zelfverdediging

Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  • er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging;

  • de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigd weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf;

  • het moet voor de vreemdeling duidelijk zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of

  • de vreemdeling heeft niet slechts één misdrijf gepleegd, maar heeft gedurende een langere periode meerdere misdrijven gepleegd.

3.6.9.6 Duurzaamheid en proportionaliteit

Als aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

  • a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

  • b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om de doelstellingen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te handhaven.

Ad a.

De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:

  • de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum dat de 3 EVRM belemmering is vastgesteld;

  • er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM; en

  • vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan de vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.

Ad b.

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Als de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb).

3.6.9.7 Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel aan gezinsleden van een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Dit geldt niet wanneer deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw.

De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, als de feitelijke gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan als blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.

De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel;

  • b. het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken; en

  • c. het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt.

Ad a.

Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.

3.6.10. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde

De IND verstaat hieronder de vreemdeling die, anders dan onder artikel 30b, eerste lid, Vw, en als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening, op een eerder moment op grond van de openbare orde of nationale veiligheid de toegang tot Nederland (en daarmee het Schengengebied) is geweigerd en derhalve, zonder dat het gepleegde feit heeft geleid tot een inreisverbod of ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 66a Vw of artikel 67 Vw, is uitgezet naar het land van herkomst.

3.7 Volgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder g, Procedureverordening)

Hieronder valt in ieder geval een volgende aanvraag waarbij nieuwe relevante elementen zijn ingebracht voor de beoordeling van de aanvraag, maar waar dit niet leidt tot een inwilliging van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.8 Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – onrechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder h, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening om de situatie dat:

  • de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen; of

  • de vreemdeling zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd.

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich pas meldt na het verlopen van een visum en in de tussentijd geen andere wijze van rechtmatig verblijf heeft gehad. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt uit artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij onrechtmatig binnen is gekomen als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.9 Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – rechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder i, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening om de situatie dat:

  • de vreemdeling Nederland rechtmatig is binnengekomen;

  • de vreemdeling, gezien de gronden van zijn binnenkomst, zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich meldt terwijl hij rechtmatig verblijf heeft op basis van een geldig visum. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.10 Nationaliteit waarvan inwilligingspercentage lager is dan 20%

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder j, Procedureverordening om de situatie dat:

  • De vreemdeling de nationaliteit heeft van, of in het geval van een staatloze zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend. Dit percentage is een afspiegeling van de gemiddelde aantallen van verleende internationale bescherming van alle lidstaten.

  • De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen in het geval de IND oordeelt dat zich sinds de publicatie van de betreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan.

  • De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen indien de vreemdeling behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, wegens een specifieke vervolgingsgrond.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

4 Expliciete en impliciete intrekkingen
4.1 Algemeen

Op ieder moment in de procedure kan een vreemdeling een aanvraag intrekken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een impliciete en een expliciete intrekking. Bij beide opties bestaat de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen of om inhoudelijk te beslissen. Deze laatste verdient de voorkeur, voor zover er voldoende informatie is om een inhoudelijke beslissing te maken.

4.2 Expliciete intrekking

Op ieder moment van de procedure kan een vreemdeling uit eigen beweging diens verzoek actief intrekken; dit betreft de expliciete intrekking. Dit verzoek tot intrekking moet schriftelijk worden ingediend. Dat kan de vreemdeling zelf doen of het kan door zijn gemachtigde worden gedaan. De vreemdeling dient door de IND op de hoogte gesteld te worden van de procedurele gevolgen van die intrekking. Er kan vervolgens op twee wijzen op worden gehandeld:

  • De IND heeft voldoende informatie om inhoudelijk te beslissen en komt tot de conclusie dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. In dat geval wordt de beslissing afgedaan als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder a, Vw of artikel 30b, tweede lid, onder a, Vw). De aanvraag wordt niet als expliciet ingetrokken beschouwd.

  • De IND heeft niet voldoende informatie om inhoudelijk te beslissen en stelt de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid onder a, Vw, nu deze expliciet is ingetrokken. De IND vaardigt een besluit uit, waarin wordt opgenomen dat de aanvraag expliciet is ingetrokken. Deze beslissing is definitief; hiertegen is geen beroep mogelijk.

De IND kan bij de beoordeling of er voldoende informatie voorhanden is om inhoudelijk te beslissen onder meer betrekken:

  • het persoonlijk onderhoud;

  • de overgelegde documentatie; en

  • ambtshalve bekende informatie.

4.3 Impliciete intrekking

Een aanvraag kan ook impliciet ingetrokken worden verklaard als één van de gronden van artikel 41, eerste lid, Procedureverordening van toepassing is. Ook bij impliciete intrekkingen kan inhoudelijk worden beslist, wanneer er voldoende informatie beschikbaar is om de aanvraag af te doen als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder b of artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw. Wanneer het niet mogelijk is om af te wijzen wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, Vw.

Als een of meer van de omstandigheden genoemd in artikel 41, eerste lid Procedureverordening zich voordoen en op dat moment nog geen inhoudelijke beslissing kan worden genomen, wordt de aanvraag als impliciet ingetrokken beschouwd. De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden.

Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien:

  • de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken;

  • het niet mogelijk is om contact met de vreemdeling op te nemen; en

  • de vreemdeling (nog) geen advocaat heeft of een advocaat heeft die desgevraagd aangeeft geen contact meer te hebben met de vreemdeling.

Wanneer de impliciete intrekking plaatsvindt binnen het OVA-proces, wordt er gewacht met beslissen tot de uiterlijke termijn voor de screening zoals neergelegd in artikel 8 Screeningsverordening is verstreken, waarna de aanvraag in beginsel buiten behandeling wordt gesteld.

4.4 Intrekking en grensprocedure of vreemdelingenbewaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 in samenhang met artikel 6 SGC (model M17), als de aanvraag binnen de grensprocedure expliciet of impliciet wordt ingetrokken.

Na het nemen van dit besluit, legt de bevoegde ambtenaar middels beschikking model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid Vw dan wel artikel 6a Vw. Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en het opleggen van deze nieuwe maatregel moet plaatsvinden binnen twee dagen na intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel intrekt, wordt beoordeeld of aansluitend een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid onder a, Vw opgelegd kan worden. Ook hiervoor geldt een termijn van twee dagen.

Bij VRIS-zaken moet beoordeeld worden of er bij een inhoudelijke beslissing op grond van openbare orde een zwaar inreisverbod kan worden opgelegd.

C5 Gezinshereniging

1 Artikel 29c, Vw of artikel 29d, Vw, afgeleide verblijfsvergunning, asiel nareizende gezinsleden
1.1 Algemeen
1.1.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een vluchtelingenstatus staat beschreven in artikel 29c Vw.

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus staat beschreven in artikel 29d Vw. De Gezinsherenigingsrichtlijn is hierop niet van toepassing.

De houder van een verblijfsvergunning asiel die op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.

De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29c, eerste lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. De termijn van drie maanden is veiliggesteld als:

  • het gezinslid eerder dan de referent Nederland is ingereisd en hier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of

  • de referent in Nederland of het nareizende gezinslid in het land van herkomst, dan wel het land van bestendig verblijf, binnen de termijn van drie maanden een aanvraag indient voor een mvv.

De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel niet als de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is. Dit is conform artikel 29c, tweede lid, Vw. De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel als er geen objectief verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is kan onder andere rekening worden gehouden met:

  • de duur van de termijnoverschrijding;

  • de inspanningsverplichting van de vreemdeling; en

  • bijzondere omstandigheden die zien op de termijnoverschrijding.

De wettelijke termijn van drie maanden geldt niet voor nareisaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 29d Vw. Voor deze aanvragen zijn de in artikel 29d Vw beschreven aanvullende voorwaarden van toepassing. Zie daartoe ook paragraaf C5/1.2 Vc.

1.1.2 Bewijsmaterialen

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29c of 29d Vw moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk maken door in beginsel in elk geval de volgende documenten te overleggen:

  • een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

  • indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

  • indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders en eventuele broer(s) en zus(sen) aantoont.

Daarnaast moet de vreemdeling zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen overleggen. Als de vreemdeling de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij de reden(en) hiervoor kenbaar maken. Bij deze beoordeling is paragraaf C5/1.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Als de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet hij met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin.

Bewijswaarde documenten

De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van herkomst zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens (zoals een foto, geboortedata en (achter)namen) van de referent en het gezinslid op het document staan.

Documenten die niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten, en documenten met weinig identificerende gegevens, hebben in de regel een zwakkere bewijswaarde.

De IND beziet bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten de manier van afgifte van het document. Daarbij is van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door autoriteiten is opgesteld. De IND houdt hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de referent en het gezinslid, en met de administratieve praktijken van het land van herkomst of in het land van herkomst.

1.1.3 Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de identiteit, familierechtelijke relatie en/of feitelijke gezinsband besluiten nader onderzoek aan te bieden.

Nader onderzoek kan onder andere bestaan uit:

  • het afnemen van een (identiteits)gehoor bij het gezinslid;

  • het afnemen van een gehoor bij de referent;

  • DNA-onderzoek.

De IND kan afzien van het aanbieden van nader onderzoek, als de IND oordeelt dat de identiteit, de familierechtelijke relatie en/of de feitelijke gezinsband voldoende aannemelijk is gemaakt.

Geen onderzoek mogelijk

Als de referent en/of zijn gezinslid om welke reden dan ook niet in de gelegenheid is om gebruik te maken van het aanbod van de IND om nader onderzoek te verrichten, dan zal de IND veelal daardoor de aanvraag op grond van artikel 29c of 29d Vw afwijzen.

Eigen bijdrage DNA-onderzoek

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29c Vw of artikel 29d Vw.

1.1.4 De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Ingevolge artikel 29c, onder c, Vw en artikel 29d, onder c, Vw, kan de vreemdeling die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als referent optreden.

De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als niet-begeleid als:

  • de minderjarige Nederland is ingereisd zonder begeleiding van een volwassene die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had; of

  • de minderjarige in Nederland niet onder de verantwoordelijkheid van een volwassene staat die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had.

De uitleg van de term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie is als volgt. Als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, merkt de IND deze vreemdeling tot drie maanden na inwilliging van die asielaanvraag aan als minderjarige. Ook al heeft de vreemdeling op het moment van inwilliging de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek voor nareis op grond van artikel 29c Vw ten behoeve van de ouder(s) en minderjarige broers en zussen van deze vreemdeling moet binnen deze drie maanden zijn ingediend. De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als niet-begeleid in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.

Of een volwassene in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan onder andere blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf of als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.

Als een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd. Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie waarbij een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.

1.1.5 Ambtshalve toets artikel 8 EVRM

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw weigert, dan kan de IND ambtshalve beoordelen of de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM.

In de volgende gevallen voert de IND in ieder geval geen ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

  • er wordt niet voldaan aan de formele vereisten, te weten:

    • de referent heeft geen verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming;

    • de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is niet binnen drie maanden ingediend en dit is niet verschoonbaar; en

    • het gezinslid staat niet beschreven in artikel 29c Vw of artikel 29d Vw;

  • de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is enkel ingediend om de drie maanden termijn veilig te stellen;

  • de gezinsleden zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek;

  • de identiteit en/of familierechtelijke relatie is niet aannemelijk gemaakt;

  • er bestaat een regulier gezinsmigratiekader voor de desbetreffende categorie.

In het volgende geval voert de IND in ieder geval wel een ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

  • er wordt wel voldaan aan de hierboven genoemde formele vereisten, maar er wordt niet voldaan aan (één van) de aanvullende voorwaarden zoals beschreven in artikel 29d Vw.

1.2 Aanvullende voorwaarden bij artikel 29d Vw

De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw, als:

  • er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, op grond van artikel 29a Vw, aan de referent (de wachttermijn);

  • de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; of

  • de referent niet over huisvesting beschikt.

Als niet aan (één van) de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, toetst de IND ambtshalve aan artikel 8 EVRM om te beoordelen of weigering van de verblijfsvergunning asiel een schending van 8 EVRM zou opleveren.

Als de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, is het middelen- en huisvestingsvereiste niet van toepassing. De referent die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, hoeft alleen aan de wachttermijn te voldoen.

1.2.1 Wachttermijn

De wachttermijn voor het indienen van een aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw vangt aan op de datum waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. Deze wachttermijn bestrijkt twee jaar.

De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de wachttermijn nog niet is verstreken.

1.2.2 Middelen van bestaan

De referent moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verder moet de referent op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND de aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:

  • de middelen moeten zelfstandig zijn;

  • de middelen moeten duurzaam zijn; en

  • de middelen moeten voldoende zijn.

Dit betekent dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als:

  • op enig moment bij of na het indienen van de aanvraag is aangetoond, dat de middelen van bestaan zijn aan te merken als duurzaam; en

  • deze middelen op het moment van beslissen niet meer duurzaam zijn.

De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is beëindigd.

De middelen moeten op het moment van beslissen nog steeds zelfstandig en voldoende zijn.

Een referent beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de referent.

Uitkering uit algemene middelen

Middelen van bestaan die voortvloeien uit een beroep op de algemene middelen dragen niet bij aan de beoordeling of referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.

1.2.2.1 Zelfstandig

Voor de beoordeling of de middelen van bestaan zelfstandig zijn, wordt aangesloten bij artikel 3.73, eerste lid, Vb.

De IND merkt de middelen van bestaan van de referent uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.

De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt de middelen van bestaan van de referent op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.

1.2.2.2 Duurzaam

De IND sluit aan bij artikel 3.75, Vb voor de beoordeling of referent over duurzame middelen van bestaan beschikt.

Flexibele arbeid

De IND sluit aan bij artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24, VV wanneer referent beschikt over middelen uit flexibele arbeid. De IND merkt onder andere inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid.

Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.

Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV.

Kortdurende werkloosheid

De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet aan die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen.

Proeftijd

Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Het komt voor dat referent onregelmatige inkomsten ontvangt. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn.

De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de referent aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam) als de referent in beginsel elke maand van één jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in één jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen.

Inkomen uit arbeid als zelfstandige

De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten.

Eventuele schulden die voortvloeien uit of verband houden met een schenking kunnen afgetrokken worden van de schenking bij de beoordeling van het middelenvereiste.

Inkomsten uit eigen vermogen

De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.

Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.

1.2.2.3. Voldoende

Voor de beoordeling of referent over voldoende middelen van bestaan beschikt, wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.74 Vb. De zinsnede ‘in ieder geval’ uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing. Dat betekent dat de middelen van bestaan slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. De IND past het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.

Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig en duurzaam zijn.

Onregelmatige inkomsten

Als er sprake is van onregelmatige inkomsten, dan toetst de IND of het totaal aan inkomsten uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert. De IND berekent het totaal aan inkomsten als volgt. De IND:

  • telt de vaste maandelijkse inkomsten en de onregelmatige inkomsten, in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de aanvraag of het moment van beschikken, bij elkaar op; en

  • deelt dit getal door twaalf.

Inkomsten uit arbeid als zelfstandige

De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn.

1.2.3. Huisvesting

De referent moet over huisvesting beschikken. Daarvoor geldt dat de referent op het moment van indiening van de aanvraag voor een redelijke termijn van ten minste zes maanden over huisvesting moet beschikken én op het moment van beslissen nog steeds over huisvesting moet beschikken. Wanneer de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, beoordeelt de IND niet of de referent beschikt over huisvesting.

De IND beoordeelt of de referent beschikt over huisvesting aan de hand van een overgelegde huurovereenkomst, eigendomsakte van een koopwoning of gebruikersovereenkomst. De huurovereenkomst dient in ieder geval de persoonsgegevens van de huurder en verhuurder, het adres, de duur van de huur en de hoogte van de huur te bevatten. De referent dient ook ingeschreven te staan op het genoemde adres van de huisvesting. Het verblijf op een doorstroomlocatie wordt ook gezien als huisvesting. De IND beoordeelt dit aan de hand van een gebruiksovereenkomst of in voorkomende gevallen een huurovereenkomst.

COA opvanglocaties worden in ieder geval niet gezien als huisvesting.

De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de referent niet over huisvesting beschikt.

1.3. Identiteit en familierechtelijke relatie

Integrale beoordeling

De IND beoordeelt of de referent met alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt onder andere het volgende betrokken:

  • De hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten en de inspanning die de referent en/of het gezinslid heeft geleverd om de aanvraag te onderbouwen;

  • De aannemelijkheid en samenhang van de verklaringen van de referent en/of het gezinslid voor het ontbreken van relevante documenten;

  • De leeftijd en het geslacht van de referent en het gezinslid;

  • De omstandigheden waarin de referent en het gezinslid verkeren;

  • De omstandigheden en administratieve praktijk in het land van afgifte; en

  • Eventuele contra-indicaties.

Als de IND oordeelt dat de verklaringen over de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie in grote lijnen als aannemelijk kunnen worden beschouwd, dan beoordeelt de IND of er aanleiding bestaat het voordeel van de twijfel te gunnen.

Het geven van het voordeel van de twijfel kan leiden tot het aanbieden van nader onderzoek of een inwilliging van de aanvraag. Als de IND geen voordeel van de twijfel geeft en geen nader onderzoek aanbiedt, maakt de IND de relevante overwegingen kenbaar in het besluit.

Mogelijke vormen van nader onderzoek staan in paragraaf C5/1.1.3 Vc.

De IND hoeft geen voordeel van de twijfel te geven (en dus nader onderzoek aan te bieden), als sprake is van contra-indicaties. Van een contra-indicatie kan onder andere sprake zijn als de referent of zijn gezinslid:

  • tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over (het ontbreken van) documenten;

  • valse of vervalste documenten heeft overgelegd; of

  • er anderszins onjuiste of misleidende informatie is verstrekt.

Ook als zich een contra-indicatie voordoet, betrekt de IND de overige verklaringen of bewijsmiddelen bij de beoordeling of nader onderzoek wordt aangeboden.

Bij het ontbreken van documenten die de identiteit en/of de familierechtelijke relatie tussen de referent en het biologische minderjarige kind aannemelijk moeten maken, zal de IND de aanvraag in beginsel niet afwijzen, maar nader onderzoek opstarten.

1.4 Feitelijke gezinsband

De IND beoordeelt of er op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband. De IND beoordeelt ook of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven in beginsel niet tegen.

Minderjarige biologische of geadopteerde kinderen

De IND neemt aan dat het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind feitelijk behoort tot het gezin van de referent als de referent gezag heeft over het kind en het kind ten laste komt van de referent.

De IND neemt voor de volgende personen in ieder geval aan dat zij van rechtswege rechtmatig gezag hebben:

  • beide echtgenoten als het kind is geboren tijdens het huwelijk; en

  • de alleenstaande moeder.

Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust.

De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt.

Voor de beoordeling of het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind ten laste komt van referent, beoordeelt de IND of dit kind in het land van herkomst, dan wel een derde land waar het kind verblijft, materieel wordt ondersteund door de referent. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn.

Er is sprake van een materiële ondersteuning wanneer de referent en/of de andere ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend, tot aan het moment van het nareisverzoek onafgebroken in de basisbehoeften heeft voorzien of regelmatig een som geld heeft gegeven welke voor het kind noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst dan wel een derde land waar het kind verblijft.

Als de referent en/of de ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend het kind niet daadwerkelijk materieel ondersteunt, moet de referent aannemelijk maken het gezinslid te zijn dat het best in staat is om de vereiste materiële ondersteuning te verlenen. De IND houdt hierbij rekening met alle relevante omstandigheden, zoals graad van verwantschap, aard en hechtheid van andere familiebanden en leeftijd en economische situatie van andere verwanten. Als de referent dit aannemelijk kan maken neemt de IND aan dat het minderjarige kind ten laste komt van de referent.

Het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind komt in ieder geval niet ten laste van de referent en of de ouder voor wie ook een nareisaanvraag is ingediend als het kind:

  • in zijn eigen onderhoud voorziet;

  • door de achterblijvende ouder, voor wie geen nareisaanvraag is ingediend, financieel wordt onderhouden; of

  • door een derde financieel wordt onderhouden.

Als het kind zelfstandig woont, in eigen onderhoud voorziet en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

Wettelijk huwelijk

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw, als het huwelijk een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is en al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd. De IND verleent de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw niet als er geen feitelijke invulling is gegeven aan het huwelijk. De IND erkent het huwelijk niet als de huwelijkspartner jonger dan 18 jaar is of als het huwelijk onder dwang tot stand is gekomen. In deze gevallen is er ook geen sprake van een familierechtelijke relatie.

De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Als een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, dan wijst de IND de aanvraag af.

Ouders van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

De IND neemt aan dat de feitelijke gezinsband tussen de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en zijn ouders is verbroken wanneer de niet-begeleide minderjarige vreemdeling zelfstandig woont, voorziet in zijn eigen levensonderhoud of een zelfstandig gezin heeft gevormd.

De IND wijst een verzoek van een minderjarige om nareis van zijn ouders af, als de minderjarige zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd. In dat geval heeft de IND in een eerdere procedure vastgesteld dat deze minderjarige feitelijk tot een ander gezin behoort. Daarmee valt deze ook niet onder de zorg en verantwoordelijkheid van degenen, voor wie de minderjarige om nareis verzoekt.

Overschrijding beslistermijn bij niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Als de wettelijke beslistermijn van een nareisaanvraag van een referent die minderjarig was ten tijde van de datum van de nareisaanvraag is overschreden, gaat de IND bij de beoordeling van de afhankelijkheid van de referent uit van de omstandigheden ten tijde van de datum van de nareisaanvraag. Signalen van onafhankelijkheid die sinds de datum van de nareisaanvraag zijn ontstaan, worden door de IND in beginsel niet betrokken bij de vraag of de feitelijke gezinsband is verbroken.

Minderjarige broers en zussen van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw aan een minderjarige broer of zus van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, als:

  • de aanvraag voor de broer of zus tegelijktijdig met de aanvraag voor de ouder(s) wordt ingediend en deze ook wordt toegekend; en

  • de broer of zus ten laste komt van die ouder(s).

Voor wat betreft de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt aangesloten bij het kopje ‘Minderjarige biologische en geadopteerde kinderen’.

Als het kind zelfstandig woont en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

1.5 Toestemmingsverklaring

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw als:

  • De achterblijvende biologische ouder, die al dan niet het kind feitelijk verzorgt of het recht heeft om het kind feitelijk te verzorgen, toestemming geeft voor het vertrek van het kind naar Nederland;

  • De referent recente documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gezag over de kinderen ook is belegd bij een andere volwassene dan de achterblijvende biologische ouder én deze gezaghebbende volwassene ook toestemming geeft voor het vertrek van het kind naar Nederland;

  • De referent recente documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen; of

  • De referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen. Paragraaf C5/1.2 Vc is hierbij van toepassing.

2 Artikel 29b, Vw, afgeleide verblijfsvergunning asiel, meereizende gezinsleden
2.1 Algemeen
2.1.1. Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw staat beschreven in artikel 23 van de Kwalificatieverordening 2024/1347. Artikel 3, lid 9, van de Kwalificatieveroordeling 2024/1347 benoemt wat wordt verstaan onder gezinsleden.

2.1.2 Bewijsmaterialen

De bepalingen uit paragraaf C5/1.1.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

2.1.3 Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de familierechtelijke relatie besluiten DNA-onderzoek aan te bieden.

2.2 Identiteit en familierechtelijke relatie

De bepalingen uit paragraaf C5/1.1.2. Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

2.3 Feitelijke gezinsband
2.3.1 Echtgeno(o)t(e) of niet-gehuwde partner

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan een echtgeno(o)t(e) of een niet-gehuwde partner met wie de referent een duurzame relatie onderhoudt als het een reële gezinsrelatie betreft die al bestond voorafgaand aan de aankomst op het grondgebied van de Europese Unie. De IND erkent het huwelijk alleen als het een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk betreft en de huwelijkspartner niet jonger dan 18 jaar is. De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Als een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, toetst de IND of aan de voorwaarden voor een duurzame relatie wordt voldaan.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan een echtgeno(o)t(e) of een niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden wanneer sterke aanwijzingen bestaan dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in Nederland te verkrijgen. De IND verleent tevens geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw als het een gedwongen huwelijk betreft.

2.3.2 De minderjarige kinderen

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan minderjarige wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen die ten laste komen van de ouder(s) met wie zij zijn meegereisd naar Nederland.

Voor de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt verwezen naar C5/1.4 Vc. Als het minderjarige kind samen met de ouder(s) is ingereisd en met hen verblijft in Nederland gaat de IND er in beginsel vanuit dat dit kind ten laste komt van deze ouder(s).

2.3.3 De meerderjarige kinderen

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan meerderjarige wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen die ten laste komen van de ouder(s) met wie zij zijn meegereisd naar Nederland en ongehuwd zijn.

Voor de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt verwezen naar C5/1.4 Vc. Tevens mag een meerderjarig kind, op grond van punt 17 van de considerans van de Kwalificatieverordening 2024/1347, op basis van een individuele beoordeling alleen als afhankelijk worden beschouwd als het niet in staat is in zijn of haar levensonderhoud te voorzien ten gevolge van een fysieke of mentale staat die verband houdt met een ernstige, niet-tijdelijke ziekte of een zware handicap.

2.3.4 De ouder(s) of andere verantwoordelijke van een minderjarige

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan de vader, moeder of een andere volwassene – met inbegrip van de meerderjarige broer of zus – die wettelijk of conform de Nederlandse praktijk verantwoordelijk is voor de minderjarige.

3 Bijzonderheden

Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Voor de beoordeling van aanvragen van gezinsleden in relatie tot artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt verwezen naar paragraaf C4/3.6.9.7 Vc (‘gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag’).

Polygamie

Polygamie is in Nederland wettelijk verboden en strafbaar. Van een polygame situatie is sprake als de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, tegelijkertijd met een andere persoon (of meerdere andere personen) een huwelijk of een duurzame relatie heeft (inclusief geregistreerd partnerschap).

Als sprake is van een polygame situatie dan maakt de IND een individuele beoordeling. Daarbij is de vraag van belang of het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29b, 29c, of 29d Vw valt. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29b Vw valt dan is de kwalificatieverordening van toepassing. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29c Vw valt, dan houdt de IND rekening met alle factoren benoemt in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29d Vw valt, houdt de IND rekening met artikel 8 EVRM.

Voor deze beoordeling is van belang dat alleen één echtgenoot en de uit dit huwelijk voortgekomen minderjarige kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede de eventuele andere gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking.

4 Procedurele regels

In geval van het niet verlenen of het intrekken van een mvv, geldt het reguliere kader van artikel 16 Vw en de daaruit voortvloeiende regelgeving (zoals genoemd in hoofdstuk B1 Vc). In geval van het intrekken van een asielvergunning geldt het asielkader van artikel 32 Vw en het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C6 Vc.

Hoewel voor mvv dan wel asielprocedures een ander wettelijk kader geldt, gelden wel dezelfde (materiële) beleidsregels, zoals opgenomen in de paragrafen C4/3.6 en C6 Vc.

Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag mvv nareis dient van elk na te reizen gezinslid bij het aanvraagformulier een recente, goed lijkende pasfoto of een andere recente (kleuren) foto van het gezicht van het gezinslid, te worden overgelegd.

Bij het indienen van de aanvraag dient elke nareiziger van 12 jaar en ouder een ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring over te leggen.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw ambtshalve als de vreemdeling met een daartoe afgegeven (geldige) mvv is ingereisd en zich binnen drie dagen heeft aangemeld (op de manier zoals gecommuniceerd door de IND). De ingangsdatum is de datum als bedoeld in artikel 3.105a, tweede lid, Vb. Als het gezinslid voor wie nareis is aangevraagd zonder mvv Nederland inreist hanteert de IND de ingangsdatum als bedoeld in artikel 44, tweede lid, Vw.

De IND hanteert voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, Vw, de ingangsdatum als bedoeld in artikel 44, tweede lid, Vw.

De IND verleent de afgeleide verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw op aanvraag aan het gezinslid van een referent als:

  • het gezinslid zonder mvv voor nareis gelijktijdig met de hoofdpersoon een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning is dan gelijk aan de ingangsdatum van de aan de referent verleende verblijfsvergunning asiel; of

  • het gezinslid zonder mvv voor nareis binnen drie maanden na de datum van het besluit waarin aan de referent een verblijfsvergunning asiel is verleend een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning is dan de datum van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

C6 Intrekkingen en verlengingen

C7 Moratoria

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die gelden bij toepassing van:

  • het besluitmoratorium (paragraaf C7/2 Vc);

  • het vertrekmoratorium (paragraaf C7/3 Vc).

Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 35, zevende lid, Procedureverordening, artikel 43 en artikel 45, vierde lid, Vw.

2. Besluitmoratorium

Artikel 35, zevende lid, Procedureverordening geeft het wettelijk kader met betrekking tot het instellen van een besluitmoratorium voor bepaalde categorieën vreemdelingen. Onder de gestelde voorwaarden in dit artikel, kan de IND het afronden van de behandelingsprocedure uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij een beslissing neemt binnen de termijn van zes maanden vanwege een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is.

De minister publiceert het besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant.

Als er sprake is van een onzekere situatie, geeft de IND bij vreemdelingen die afkomstig zijn uit het betreffende land en waarvan de aanvraag op dat moment in de versnelde procedure wordt behandeld toepassing aan artikel 42, tweede lid, Procedureverordening. Deze aanvragen worden dan niet langer in de versnelde procedure afgedaan, omdat er door de onzekere situatie sprake is van feitelijke of juridische elementen die te complex zijn om binnen de versnelde behandelingsprocedure te onderzoeken.

De IND dient in ieder geval binnen eenentwintig maanden na indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een beslissing op de aanvraag te nemen.

De IND neemt in beginsel geen inhoudelijk besluit op aanvragen van vreemdelingen die onder de werking van een geldend besluitmoratorium vallen.

Als de beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is. Hierbij moet de beslistermijn van maximaal eenentwintig maanden als gevolg van het afgekondigde besluitmoratorium in acht worden genomen.

3. Vertrekmoratorium

De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning asiel.

De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.

De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:

  • een lidstaat heeft een verzoek tot terugname of overname op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening ingediend bij Nederland;

  • er is sprake van een geëffectueerde of gefaciliteerde terugkeer;

  • er heeft een overdracht plaatsgevonden op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

  • er is een hitmelding in EURODAC.

Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege.

C8 Tijdelijke bescherming

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 1, 43a en artikel 45, zesde lid, Vw, artikel 3.1a, Vb en artikel 3.9a VV.

2. Tijdelijke bescherming

De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende asielbeschikking is beëindigd, hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.

De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich op een daartoe aangewezen plaats om tijdelijke bescherming te krijgen. De IND moet beoordelen of de vreemdeling valt onder Richtlijn 2001/55, de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid van richtlijn 2001/55 of een op grond van artikel 3.1a Vb, eerste lid aanhef en onder e Vb aangewezen groep vreemdelingen in combinatie met artikel 3.9a VV. De IND moet tevens de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt overeenkomstig artikel 43a Vw de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor de duur van de tijdelijke bescherming.

De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is.

De IND weigert tijdelijke bescherming indien:

  • a. de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om voor tijdelijke bescherming in aanmerking te komen;

  • b. aangenomen kan worden dat de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde;

  • c. er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F (zie paragraaf C4/3.6.9 Vc); of

  • d. er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf B1/4.4 Vc)

Bij de vraag of er redelijke gronden zijn om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen, wordt er aangesloten bij de criteria om vluchtelingschap te onthouden. Er moet derhalve sprake zijn van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf. Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen in paragraaf C4/3.6.3 Vc is neergelegd, inclusief de daarin opgenomen evenredigheidstoets.

De IND beëindigt of trekt de tijdelijke bescherming in als de vreemdeling niet (langer) aan de voorwaarden voldoet voor tijdelijke bescherming danwel één van de overige weigeringsgronden zich voordoet.

C9. Landgebonden beleid

1. Landgebonden asielbeleid algemeen

Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend.

In deze paragraaf kunnen daarnaast de veilige landen van herkomst worden opgesomd, met vermelding van relevante bijzonderheden.

Als een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land beschikbaar is, dan wordt dat betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land.

Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.

De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Zie ook paragraaf C3/2 Vc.

1.2. Veilige landen van herkomst

Albanië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Armenië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+;

  • personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie worden geplaatst.

Bosnië en Herzegovina

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Brazilië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • journalisten die berichten over corruptie, criminaliteit en/of zich kritisch uitlaten over de regering;

  • milieuactivisten die zich, in gebieden waarin dat aan de orde is, actief verzetten tegen (illegale) mijnbouw en landontginning;

  • LHBTIQ+.

Georgië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • personen die afkomstig zijn uit de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan, te weten de Georgische regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië;

  • LHBTIQ+.

Ghana

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+;

  • journalisten.

India

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit de ‘union territory’ Jammu en Kasmir;

  • religieuze minderheden die vanwege het behoren tot die religieuze minderheid problemen hebben ondervonden;

  • Dalit-vrouwen en -meisjes;

  • journalisten;

  • personen die zich kritisch hebben getoond over de Indiase overheid en het overheidsbeleid, en als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden (bijvoorbeeld mensenrechtenactivisten, academici en demonstranten).

Jamaica

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+.

Kosovo

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Marokko

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+;

  • (online) journalisten en (mensenrechten)activisten, die kritiek uitoefenen op de Islam, het koningshuis en/of de Marokkaanse regering – onder meer vanwege het officiële standpunt van de regering betreffende de Westelijke Sahara;

  • de Hirak Rif-activisten en journalisten die verslag deden over de situatie in het Rifgebergte en de demonstraties aldaar;

  • personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Marokko bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Mongolië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Montenegro

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Noord-Macedonië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

Oekraïne

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van Oekraïne als veilig land van herkomst is opgeschort.

Senegal

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+;

  • personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Senegal bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Servië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • journalisten;

  • personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst;

  • LHBTIQ+.

Tunesië

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

De aanwijzing van dit land als veilig land van herkomst geldt niet ten aanzien van:

  • LHBTIQ+;

  • personen die aannemelijk kunnen maken dat ze een zogenoemde S17-maatregel op hun naam hebben staan;

  • journalisten, activisten en politiek opponenten, die kritiek uitten op de president en/of regering;

  • personen die te maken krijgen met (strafrechtelijke) vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Tunesië bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden.

Verenigde Staten

Bijzonderheden en/of uitzonderingen:

Geen

2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
2.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C4/3.6.10 Vc aan:

  • onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD;

  • de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat:

    • a. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi;

    • b. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi;

    • c. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi;

    • d. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen;

    • e. alle commandanten van een ferq’a; en

    • f. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.; en

  • hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978–1996:

    • a. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yelnqelab;

    • b. de Riasat-e-Makhsous; en

    • c. de Operatifi-ye Mahabas.

2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire- of politiemissies in Afghanistan.

2.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • vrouwen;

  • mensenrechtenactivisten;

  • journalisten en personen werkzaam in de media;

  • niet-moslims, waaronder bekeerlingen, afvalligen, christenen, bahai en sikhs/hindoes;

  • LHBTIQ+.

2.3.2.1. Toelichting vrouwen

Een Afghaanse vrouw kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw, als zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij:

  • zich niet kan conformeren aan de door de Taliban opgelegde normen en leefregels; en

  • door het niet naleven van deze opgelegde normen en leefregels het risico loopt op (ernstige daden van) vervolging.

De IND beoordeelt daarnaast in hoeverre de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels dermate ernstig in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dit zal hebben op haar. Bij een voldoende ingrijpende impact zal dit aanleiding geven voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Op de vraag of een Afghaanse vrouw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw op grond van de in deze paragraaf beschreven voorwaarden is het individualiseringsvereiste zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc van toepassing.

2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
2.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
2.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

2.5. Bescherming
2.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

2.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat in Afghanistan geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is.

2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

2.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

3. Gereserveerd
4. Gereserveerd
5. Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan
5.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

5.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

5.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
5.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

5.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Azerbeidzjan uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten.

5.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
5.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
5.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

5.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

5.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

5.5. Bescherming
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • personen die behoren tot de Armeense bevolkingsgroep;

  • LHBTIQ+;

  • personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, of op het gebied van mensenrechten en om die reden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan.

5.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

5.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Azerbeidzjan geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

5.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

6. Het asielbeleid ten aanzien van Belarus
6.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

6.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

6.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
6.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

6.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Belarus de volgende groepen vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • oppositieleden, politieke activisten, journalisten en mensenrechtenactivisten;

  • transgenders.

6.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
6.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

6.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

6.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

6.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

6.5. Bescherming
6.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

6.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

6.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Ten aanzien van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc geldt het volgende.

In Belarus zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.

In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

6.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

7. Gereserveerd
8. Gereserveerd
9. Het asielbeleid ten aanzien van China
9.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

9.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

9.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
9.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • Tibetanen die te maken hebben met repressie;

  • Oeigoeren; en

  • actieve aanhangers van religieuze en spirituele bewegingen die door de Chinese autoriteiten zijn aangemerkt als xie jiao;

9.3.1.1. Toelichting Tibetanen

Tibetanen kunnen te maken hebben met repressie in China, als zij:

  • als advocaat, politiek activist of blogger actief zijn geweest;

  • verdacht worden van separatistische sympathieën;

  • steun hebben betuigd aan de dalai lama in China, of daarvan verdacht worden;

  • te maken hebben gehad met religieuze activiteiten die door de overheid worden gezien als uitingen van politieke onvrede of streven naar onafhankelijkheid; of

  • om andere redenen de negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten hebben getrokken dan wel zullen trekken en de overheid deze zien als uitingen van politieke onvrede of streven naar onafhankelijkheid.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.

9.3.1.2. Toelichting Xie jiao

Door de Chinese autoriteiten als xie jiao aangemerkt zijn in ieder geval de groepen die in bijlage 13.2 van het algemeen ambtsbericht China juli 2020 worden genoemd.

Ten aanzien van ‘actieve’ aanhangers: het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om leiders en personen die zich bezighouden met ledenwerving, maar ook om actieve beoefenaars en actieve ‘gewone’ leden van wie bij de autoriteiten bekend is dat zij behoren tot een als xie jiao aangemerkte beweging.

9.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor China de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • leden van oppositiepartijen;

  • politieke activisten;

  • dissidenten;

  • mensenrechtenverdedigers;

  • aanhangers van ‘grijze’ kerkgenootschappen; en

  • (etnische) moslimgroeperingen uit Xinjiang, zoals Kazachen, Kirgiezen, Oezbeken en Hui-moslims.

9.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
9.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
9.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

9.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden

9.4.1.3. Vreemdelingen die illegaal China zijn uitgereisd

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal China is uitgereisd.

9.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

9.5. Bescherming
9.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

9.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

9.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

9.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

9.8. Bijzonderheden

De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van met name Oeigoeren de vraag of Turkije of een ander land als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt zoals beschreven in paragraaf C4/2 Vc.

De IND houdt er bij de behandeling van individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong rekening mee dat verblijf in Hongkong geen belemmering vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.

10. Het asielbeleid ten aanzien van Colombia
10.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

10.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

10.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
10.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

10.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

10.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
10.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
10.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

10.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

10.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Colombia aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de departementen Antioquia, Arauca, Bolivar, Cauca, Choco, Magdalena Valle del Cauca, Nariño en Putumayo.

10.5. Bescherming
10.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen.

Voor de volgende categorieën neemt de IND aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor gendergerelateerd geweld; en

  • transpersonen.

10.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt ten aanzien van Colombia in het algemeen een binnenlands beschermingsalternatief aan.

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door:

  • de centrale overheid; of

  • (gewapende) groeperingen die landelijk opereren.

10.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Colombia geldt in ieder geval dat algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

10.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

11. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)
11.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

11.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

11.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
11.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

11.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

11.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
11.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
11.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

11.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden

11.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Congo DRC aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.

11.5. Bescherming
11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • LHBTIQ+; en

  • minderjarigen (jongens en meisjes) en vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

11.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.

De IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de vreemdeling had voor vertrek uit DRC zijn normale woon- en verblijfsplaats in een gebied waarvan in paragraaf C9/11.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  • het reële risico op ernstige schade is niet gebaseerd op omstandigheden die de vreemdeling zelf betreffen, maar is alleen een gevolg van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van paragraaf C3/3.3.3 Vc en in combinatie met C9/11.4.2 Vc; en

  • de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8 Kwalificatieverordening.

11.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Congo DRC geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

11.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

12. Het asielbeleid ten aanzien van Egypte
12.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden

12.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

12.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
12.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

12.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Egypte de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • (online) journalisten, mensenrechtenverdedigers of politieke opposanten/activisten

  • LHBTIQ+.

12.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
12.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
12.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

12.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

12.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

12.5. Bescherming
12.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt niet verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten inroepen.

Geen bijzonderheden.

12.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Ten aanzien van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt geen binnenlands beschermingsalternatief aangenomen.

Geen bijzonderheden.

12.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Egypte geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

12.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

13. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea
13.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

13.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
13.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • Personen die het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht hebben ontdoken of hieruit zijn gedeserteerd.

13.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
13.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
13.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw:

  • personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij het militaire of civiele onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen.

13.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4.1.3. Illegale uitreis

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:

  • aannemelijk maakt illegaal Eritrea uitgereisd te zijn.

13.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

13.5. Bescherming
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

13.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat in Eritrea geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat een binnenlands beschermingsalternatief wel voorhanden is.

13.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Eritrea geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

13.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

13.8. Bijzonderheden

Gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. De IND neemt aan dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een reëel risico op ernstige schade aanwezig is.

Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep neemt de IND niet op voorhand aan dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van ernstige schade.

14. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië
14.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

14.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

14.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
14.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

14.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Ethiopië uitsluitend de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • journalisten;

  • oppositieleden;

  • academici;

  • activisten;

  • vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van OLF-Shene (OLA);

  • vreemdelingen die (vermeend) lid of aanhanger zijn van de Fano.

14.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
14.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

14.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

14.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

14.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Ethiopië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Amhara en Oromia.

14.5. Bescherming
14.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  • LHBTIQ+;

  • meisjes en vrouwen die vrezen het slachtoffer te worden van genitale verminking; en

  • meisjes en vrouwen die vrezen het slachtoffer te worden van seksueel geweld.

Verder neemt de IND aan dat de vreemdeling die, voorafgaande aan het vertrek uit Ethiopië, zijn normale woon- of verblijfplaats buiten Addis Abeba had, geen bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen. Dit is mogelijk alleen anders als uit individuele omstandigheden blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen en de actor van vervolging niet de overheid zelf is.

14.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND toetst conform paragraaf C3/3.4 Vc of gelet op de individuele omstandigheden een binnenlands beschermingsalternatief in Addis Abeba kan worden tegengeworpen.

14.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Ethiopië is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

14.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

15. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee
15.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

15.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

15.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
15.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

15.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

15.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
15.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
15.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

15.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

15.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

15.5. Bescherming
15.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • minderjarigen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging;

  • (minderjarige) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking; of

  • LHBTIQ+.

15.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  • minderjarigen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; of

  • (minderjarige) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Guinee kan vestigen.

15.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Guinee is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

15.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

16. Het asielbeleid ten aanzien van Irak
16.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

16.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C4/3.6.10 Vc aan:

  • hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten ten tijde van het Baath-regime:

    • a. de Algemene Inlichtingendienst;

    • b. de Militaire Inlichtingendienst;

    • c. de Speciale Veiligheidsdienst;

    • d. de Algemene Veiligheidsdienst; en

    • e. de Militaire Veiligheidsdienst; en

  • officieren van de Speciale Veiligheidsdienst ten tijde van het Baath-regime.

16.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
16.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • LHBTIQ+.

16.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Irak uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen voor geheel Irak (inclusief KAR) aan als risicoprofiel:

  • politiek activisten;

  • mensenrechtenactivisten;

  • journalisten; en

  • alleenstaande vrouwen.

De IND merkt voor Federaal Irak (exclusief KAR) de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • shabak;

  • kaka’i; en

  • bahai.

16.3.2.1. Toelichting alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Irak verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Irak als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:

  • zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Irak met wie zij kan gaan samenleven;

  • de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld; of

  • er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.

16.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
16.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
16.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

16.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

16.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Irak aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Dohuk, Erbil en Ninewa.

16.5. Bescherming
16.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Irak in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak.

16.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

16.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Irak is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

16.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

16.8. Bijzonderheden

Fayli-Koerden

De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.

17. Het asielbeleid ten aanzien van Iran
17.1. Besluitmoratorium

Er geldt een besluitmoratorium in de zin van artikel 43 Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Iran. De beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van aanvragen die tijdens het besluitmoratorium worden ontvangen, worden verlengd met 12 maanden. De maximale beslistermijn van 21 maanden kan hierbij niet worden overschreden.

17.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

17.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
17.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • christenen die evangeliseren.

17.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Iran de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • bahai’s;

  • christenen die nieuwe kerken of huiskerken bezoeken;

  • personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, op het gebied van de mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein (in het bijzonder op het terrein van vrouwenrechten en de rechten van etnische minderheden); en

  • LHB.

17.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
17.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
17.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

17.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
17.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

17.5. Bescherming
17.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt uitsluitend voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  • slachtoffers van eergerelateerd geweld;

  • slachtoffers van seksueel geweld; of

  • LHBTIQ+.

17.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

17.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Iran is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

17.7. Vertrekmoratorium

Er geldt een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.

18. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust
18.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

18.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

18.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
18.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

18.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

18.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
18.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
18.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

18.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

18.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

18.5. Bescherming
18.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • Ivorianen die deel uitmaken van een etnische minderheid;

  • LHBTIQ+;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor genitale verminking; en

  • minderjarigen.

18.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

18.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is. Voor Ivoorkust geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

18.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

19. Het asielbeleid ten aanzien van Jemen
19.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

19.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

19.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
19.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

19.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Jemen uitsluitend de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • muhammasheen;

  • christenen;

  • baha’i;

  • LHBTIQ+;

  • journalisten, activisten en personen die actief zijn in de politiek; en

  • alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld.

19.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
19.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
19.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

19.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

19.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Jemen aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en Taiz.

De IND neemt voor Jemen aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah.

Voor de overige provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra geldt dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De IND toetst met betrekking tot de laatstgenoemde drie provincies niet op basis van individuele omstandigheden of de vreemdeling een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

19.5. Bescherming
19.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor vreemdelingen afkomstig uit Jemen aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.

19.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Jemen in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief aan in de provincies Al Mahra en Hadramaut voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa, Taiz, Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah, en die enkel een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in deze regio’s in de zin van paragraaf C3/3.3.3.3 Vc.

19.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Jemen geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

19.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

20. Het asielbeleid ten aanzien van Kameroen
20.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

20.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

20.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
20.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

20.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

20.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
20.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

20.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

20.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

20.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Kameroen aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West (tezamen bekend als: NWSW).

20.5. Bescherming
20.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

20.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Kameroen in ieder geval een binnenlands beschermingsalternatief in Yaoundé, Douala en Bafoussam aan, als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de vreemdeling had voor vertrek uit Kameroen zijn normale woon- en verblijfsplaats in een gebied waarvan in paragraaf C9/20.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

  • het reële risico op ernstige schade is niet gebaseerd op omstandigheden die de vreemdeling zelf betreffen, maar is alleen een gevolg van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de zin van paragraaf C3/3.3.3 Vc en in combinatie met C9/20.4.2 Vc; en

  • de voorwaarden zoals genoemd in artikel 8 Kwalificatieverordening.

Als de vreemdeling, al dan niet afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C9/20.4.2 Vc is vermeld dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, zal op individuele basis bezien worden of er een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is.

20.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

20.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

21. Het asielbeleid ten aanzien van Libanon
21.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

21.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

21.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
21.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

21.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

21.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
21.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

21.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

21.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

21.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Libanon aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de gouvernementen Zuid, Nabatiye en Baalbek-Hermel.

21.5. Bescherming
21.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  • (geregistreerde en niet-geregistreerde) Libanese Palestijnen;

  • niet-Libanese Palestijnen.

Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen.

21.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  • (geregistreerde en niet-geregistreerde) Libanese Palestijnen;

  • niet-Libanese Palestijnen.

Het vorenstaande geldt niet als op grond van het individuele asielrelaas aannemelijk is dat de vreemdeling zich elders in Libanon kan vestigen.

21.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

21.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

21.8. Bijzonderheden

Terugkeer naar Libanon

De IND neemt voor niet-Libanese Palestijnen, die voorafgaand aan hun komst naar Nederland Libanon als land van gebruikelijke verblijfplaats hadden, aan dat zij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op uitzetting lopen en beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden of een dergelijke uitzetting leidt tot (indirect) refoulement.

De IND verleent aan de volgende categorieën een verblijfsvergunning asiel:

  • Niet-Libanese Palestijnen uit Libanon waarvan aannemelijk is dat zij zullen worden uitgezet naar een tweede/eerdere land van gebruikelijke verblijfplaats waarvoor geldt dat zij aldaar een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade hebben.

22. Het asielbeleid ten aanzien van Libië
22.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

22.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

22.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
22.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

22.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Libië uitsluitend de volgende risicoprofielen aan:

  • (vermeende) opposanten van een feitelijke machthebber, inclusief gewapende groeperingen en milities;

  • mensenrechtenactivisten en mensenrechtenadvocaten;

  • leden van het justitieel apparaat;

  • vrouwen die maatschappelijk of politiek actief zijn;

  • journalisten;

  • werknemers van non-gouvernementele organisaties;

  • LHBTIQ+;

  • (bekeerde) christenen; en

  • Gaddafi-loyalisten die voorafgaand aan vertrek uit Libië hun normale woonplaats hadden in gebieden waar milities en brigades die behoren tot de voormalige GNA de macht hebben.

22.3.2.1. Toelichting Gaddafi-loyalisten

De IND beschouwt in ieder geval vreemdelingen die behoren tot de volgende stammen als Gaddafi-loyalisten:

  • Warfalla;

  • Warshefana;

  • Si’an;

  • Tarhuna;

  • Tawergha’s;

  • Gwelish;

  • Mashashiya’s;

  • Toearegs; en

  • Tobu’s.

22.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
22.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

22.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

22.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

22.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Libië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli en Sirte) en Benghazi.

22.5. Bescherming
22.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

22.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Libië aanwezig is voor vreemdelingen behorend tot de in dit hoofdstuk genoemde risicoprofielen, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.

22.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Libië geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

22.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

23. Het asielbeleid ten aanzien van Mali
23.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

23.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

23.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
23.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

23.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

23.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
23.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

23.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

23.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

23.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de regio’s Gao, Kidal, Mopti en Tombouctou.

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de regio’s Ménaka en Ségou.

De IND neemt voor Mali aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Koulikoro.

23.5. Bescherming
23.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

23.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Mali geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van individuele omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade.

De IND neemt voor Mali in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief in het district Bamako aan voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit de regio’s Gao, Kidal, Mopti, Tombouctou, Ménaka, Ségou en Koulikoro, en die enkel een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in deze regio’s in de zin van paragraaf C3/3.3.3.3 Vc.

23.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

23.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

24. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal
24.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

24.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

24.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
24.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

24.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

24.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
24.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

24.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

24.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

24.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

24.5. Bescherming
24.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • vreemdelingen die deel uitmaken van een nationale, raciale of etnische minderheid;

  • vrouwen; en

  • LHBTIQ+.

24.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

24.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Nepal geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

24.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

25. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria
25.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

25.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

25.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
25.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

25.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Nigeria uitsluitend de volgende groep aan als risicoprofiel:

  • LHBTIQ+.

25.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
25.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

25.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

25.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

25.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

25.5. Bescherming
25.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

25.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is:

  • LHBTIQ+.

Ook neemt de IND aan dat er voor de volgende groep geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in Nigeria kan vestigen:

  • (alleenstaande) (minderjarige) vrouwen zonder beschermend netwerk of beschermende familie die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging en/of genitale verminking.

25.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Nigeria geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

25.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

26. Het asielbeleid ten aanzien van Oekraïne
26.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

26.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
26.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

26.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

26.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
26.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

26.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

26.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

26.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

26.5. Bescherming
26.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

26.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

26.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Geen bijzonderheden.

26.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

27. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan
27.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

27.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

27.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
27.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

27.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Pakistan uitsluitend de volgende categorieën als risicoprofielen aan:

  • ahmadi’s;

  • christenen;

  • afvalligen van het islamitisch geloof;

  • hazara’s;

  • LHBTIQ+;

  • leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  • journalisten en mensenrechtenverdedigers.

27.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
27.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

27.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

27.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

27.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor de provincies Balochistan en Khyber-Pakhtunkhwa (KP) aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Voor de verdere beoordeling of de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc wordt verwezen naar paragraaf C3/3.3.3 Vc. Voor overige provincies in Pakistan geldt dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De IND toetst in dit geval niet op basis van individuele omstandigheden of de vreemdeling een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

27.5. Bescherming
27.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en internationale organisaties te verkrijgen voor:

  • ahmadi’s;

  • christenen;

  • afvalligen van het islamitisch geloof;

  • hazara’s;

  • LHBTIQ+;

  • leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  • journalisten en mensenrechtenverdedigers; en

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging.

27.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Pakistan aanwezig is voor de volgende categorieën:

  • ahmadi’s;

  • afvalligen van het islamitisch geloof;

  • hazara’s;

  • LHBTIQ+;

  • leiders en leden van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI);

  • journalisten en mensenrechtenverdedigers; en

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging.

27.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Er is in Pakistan sprake van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

27.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

28. Het asielbeleid ten aanzien van de Palestijnse gebieden
28.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

28.2. De (staatloze) Palestijn uit de Palestijnse Gebieden die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA

Voor wat betreft de (staatloze) Palestijn die onder het mandaat van de UNRWA valt, is het gestelde in paragraaf C3/3.2.2.1 Vc onder de titel ‘artikel 1D Vluchtelingenverdrag’ van toepassing.

Voor Gaza neemt de IND aan dat UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden.

Voor de Westelijke Jordaanoever neemt de IND aan dat de UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Als een (staatloze) Palestijn stelt dat de UNRWA in de Westelijke Jordaanoever niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats als bedoeld in C3/3.2.2.1 Vc.

28.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op (staatloze) Palestijnen die niet onder het mandaat van de UNRWA vallen en (staatloze) Palestijnen die wel onder het mandaat van de UNRWA vallen maar aan wie artikel 1D niet kan worden tegengeworpen.

28.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden

28.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden

28.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen, ongeacht of zij onder het mandaat van de UNRWA vallen.

28.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
28.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden

28.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden

28.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor de Palestijnse Gebieden aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in Gaza.

28.5. Bescherming

Het beleid in deze paragraaf is eveneens van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen.

28.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. Dit is alleen anders als uit concrete en individualiseerbare aanknopingspunten blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De bewijslast voor het tegenwerpen van de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties ligt in eerste instantie bij de IND.

28.5.2. (Binnenlands) beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden geen (binnenlands) beschermingsalternatief aanwezig is. Tenzij uit de individuele zaak blijkt dat er concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich wel elders binnen de Palestijnse Gebieden kan vestigen. De bewijslast voor het tegenwerpen van een (binnenlands) beschermingsalternatief ligt in eerste instantie bij de IND.

28.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

In zijn algemeenheid geldt in de Palestijnse Gebieden dat:

  • de algemene opvangvoorzieningen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen vreemdelingen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

In individuele gevallen kan echter uit nader onderzoek blijken dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

28.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

29. Het asielbeleid ten aanzien van de Russische Federatie
29.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

29.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

29.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
29.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • LHBTIQ+ die afkomstig zijn uit Tsjetsjenië.

29.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor de Russische Federatie de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • LHBTIQ+ afkomstig uit alle delen van de Russische Federatie, met uitzondering van Tsjetsjenië;

  • politieke activisten;

  • mensenrechtenactivisten;

  • personen die actief zijn in de journalistiek;

  • jehova’s getuigen;

  • advocaten; en

  • medewerkers van ngo’s.

29.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
29.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
29.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

29.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

29.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

29.5. Bescherming
29.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen:

  • LHBTIQ+; en

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor huiselijk geweld.

29.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor de volgende categorieën in het algemeen aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is in de Russische Federatie:

  • vrouwen afkomstig uit Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan, die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor huiselijk of seksueel geweld; of

  • LHBTIQ+.

Het vorenstaande geldt niet als bij de beoordeling van de asielaanvraag door de IND blijkt dat op grond van individuele omstandigheden geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling zich elders in de Russische Federatie kan vestigen.

29.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor de Russische Federatie geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

29.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

30. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië

Het onderstaande beleid is van toepassing op geheel Somalië, tenzij anders is vermeld. Voor de verschillende gebiedsaanduidingen wordt verwezen naar het algemeen ambtsbericht Somalië van 4 april 2025 van de Minister van Buitenlandse zaken.

30.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

30.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

30.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
30.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden

30.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende risicoprofielen aan voor geheel Somalië:

  • mensenrechtenactivisten en journalisten; en

  • alleenstaande vrouwen.

De IND merkt gebieden in Somalië die (deels) onder controle staan van Al-Shabaab de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren;

  • verkiezingsafgevaardigden en hooggeplaatste politici;

  • militairen van het Somalische regeringsleger (SNL) en politieagenten;

  • medewerkers van ngo’s die in de negatieve belangstelling staan van Al-Shabaab.

30.3.2.1. Toelichting personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren

Een vreemdeling die afkomstig is uit een gebied dat niet (deels) onder controle staat van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) en die zich erop beroept dat hij door Al-Shabaab geassocieerd wordt met de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren moet dit aannemelijk maken. Daarnaast moet hij aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.

Voor een vreemdeling die afkomstig is uit gebied waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied (deels) controleert geldt dat hij aannemelijk moet maken dat hij door Al-Shabaab geassocieerd wordt met de overheid, ATMIS/AUSSOM of andere internationale actoren. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.

30.3.2.2. Toelichting alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Somalië verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Somalië als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval in samenhang bezien of:

  • zij in Somalië geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft met wie zij kan gaan samenleven; en

  • er geen grootfamilie – tot de grootfamilie kunnen naast vader, moeder en kinderen ook grootouders, ooms, tantes, neven en nichten behoren – en eventueel een (plaatselijke) meerderheidsclan is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of, en hoe, zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in Somalië.

30.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
30.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
30.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

In gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, is de mensenrechtensituatie zodanig dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert.

Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is (zie paragraaf C9/30.5.2 Vc).

30.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor gebieden in Somalië die (deels) onder controle staan van Al-Shabaab de volgende groep aan als risicoprofiel:

  • clanouderen die de regering of verkiezingen (onder)steunen, of andere vooraanstaande personen in Somalië met een groot publiek bereik.

30.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Somalië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Benadir (inclusief de hoofdstad Mogadishu), Galgaduud, Hiraan, Mudug, Lower Juba, Lower Shabelle en Middle Shabelle.

30.5. Bescherming
30.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat het voor de volgende categorieën niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit Zuid- en Centraal-Somalië inclusief Mogadishu;

  • vrouwen uit Somalië die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; en

  • vrouwen uit Somalië die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

30.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in Somalië aanwezig is voor:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging; en

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor genitale verminking.

In de overige gevallen toetst de IND conform paragraaf C3/3.4 Vc of, gelet op de individuele omstandigheden, een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bij deze beoordeling dienen de volgende aanknopingspunten te worden betrokken:

  • eerder verblijf in het gebied buiten het gebied van herkomst; en

  • de aanwezigheid van grootfamilie.

Onder dezelfde voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen aan:

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of de gebieden controleert;

  • vreemdelingen die bij terugkeer naar hun herkomstgebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of het gebied controleert;

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo), in de periode vanaf 1991;

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit Somaliland, in de periode vanaf 1997;

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit Sool (met uitzondering van het Las Anod district); of

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit Sanaag.

30.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Somalië geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

30.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

31. Gereserveerd
32. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan
32.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

32.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

32.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
32.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:

  • Afrikaanse bevolkingsgroepen in het controlegebied van de Rapid Support Forces.

32.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • politiek opposanten;

  • mensenrechtenactivisten;

  • personen die actief zijn in de journalistiek;

  • vrouwen en meisjes;

  • LHBTIQ+; en

  • Kanabi.

32.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
32.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
32.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

32.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Sudan de volgende groep aan als risicoprofiel:

  • humanitaire hulpverleners.

32.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de staten Khartoum, Noord-, Zuid-, West- en Centraal-Darfur, Kordofan en El Gezira.

De IND neemt voor Sudan aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de staten Oost-Darfur, Blauwe Nijl, Witte Nijl en Sennar.

De IND neemt voor Sudan aan dat in de staten Abyei, Noordelijke Staat, Nijl, Rode Zee, Gedaref en Kassala sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

32.5. Bescherming
32.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij er individuele aanknopingspunten zijn op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.

32.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt voor Sudan geen binnenlands beschermingsalternatief aan als is geconcludeerd dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade, tenzij uit het individuele dossier blijkt dat de vreemdeling zich elders kan vestigen.

32.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Sudan geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

32.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

33. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië
33.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

33.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

33.3. De (staatloze) Palestijn uit Syrië die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA

Voor wat betreft de (staatloze) Palestijn die onder het mandaat van de UNRWA valt, is het gestelde in paragraaf C3/3.2.2.1 Vc onder de titel ‘artikel 1D Vluchtelingenverdrag’ van toepassing.

Voor Syrië neemt de IND aan dat de UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Als een (staatloze) Palestijn stelt dat de UNRWA in Syrië niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats als bedoeld in C3/3.2.2.1 Vc.

33.4. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
33.4.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

33.4.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Syrië de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • Alawieten;

  • Druzen; en

  • LHBTIQ+.

33.5. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
33.5.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
33.5.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

33.5.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

33.5.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.

33.6. Bescherming
33.6.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het in Syrië niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

33.6.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

33.7. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Syrië geldt in zijn algemeenheid dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

33.8. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

34. Het asielbeleid ten aanzien van Turkije
34.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

34.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

34.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
34.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

34.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Turkije de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten;

  • DEM-leden en -activisten (voormalig HDP); en

  • (toegedichte) Gülen-aanhangers.

34.3.3. Vervolging vanwege dienstweigering of desertie

Het algemene beleid in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc is van toepassing.

De IND neemt ten aanzien van dienstplichtige Koerden in beginsel niet aan dat zij een gegronde vrees hebben in een conflict te worden ingezet tegen eigen volk of familie.

34.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
34.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
34.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

34.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

34.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

34.5. Bescherming
34.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor LHBTIQ+ niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

34.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

34.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

Er is in Turkije sprake van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

34.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

35. Het asielbeleid ten aanzien van Uganda
35.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

35.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

35.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
35.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

35.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Uganda de volgende categorie vreemdelingen aan als risicoprofiel:

  • LHBTIQ+.

35.3.2.1. Toelichting LHBTIQ+

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel van Ugandese LHBTIQ+ op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de positie van deze groep in Uganda.

De IND beoordeelt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot deze groep en dat hij – met in achtneming van het beleid dat volgt uit paragraaf C3/3.2.3 Vc – bij terugkeer wordt blootgesteld aan vervolging.

Gelet op de zeer fragiele positie van LHBTIQ+ in Uganda, ook als gevolg van de ondertekening van de anti-homoseksualiteitswet, betekent dit dat de IND aan Ugandese LHBTIQ+ een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw verleent, tenzij contra-indicaties de verlening van een verblijfsvergunning asiel in de weg staan.

35.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
35.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
35.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

35.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

35.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

35.5. Bescherming
35.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het in ieder geval voor LHBTIQ+ niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.

35.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt ten aanzien van de Ugandese LHBTIQ+ geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief aan in Uganda.

35.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Uganda geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

35.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

36. Het asielbeleid ten aanzien van Venezuela
36.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

36.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

36.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
36.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

36.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

De IND merkt voor Venezuela de volgende groepen aan als risicoprofiel:

  • transgenders;

  • oppositieleden;

  • dissidenten en politiek activisten;

  • personen die actief zijn in de journalistiek; en

  • personen die actief zijn op het gebied van de mensenrechten.

36.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
36.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
36.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

36.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

36.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

36.5. Bescherming
36.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming mogelijk is.

36.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is indien de vreemdeling in de negatieve belangstelling staat van de (centrale) autoriteiten, daaraan gelieerde gewapende groepen, colectivos of soortgelijke gewapende groepen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling zich elders in Venezuela kan vestigen.

36.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Venezuela geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn.

36.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

37. Het asielbeleid ten aanzien van Gambia
37.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

37.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

37.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
37.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

37.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

37.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
37.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

37.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

37.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

37.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

37.5. Bescherming
37.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

37.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

Geen bijzonderheden.

37.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Gambia is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.

37.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

C

Het model M35-H Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.

D

Het model M35-O Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.

E

Het model M53-A Vreemdelingencirculaire 2000 is nieuw toegevoegd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 3.

F

Het model M117-C Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 4.

G

Het model M142 Vreemdelingencirculaire 2000 is nieuw toegevoegd en komt te luiden als aangegeven in bijlage 5.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op hetzelfde tijdstip als dat waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 18 mei 2026

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

BIJLAGE 1

Model M35-H: Asielaanvraag: Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel

BIJLAGE 2

Model M35-O: Aanvraagformulier volgende asielaanvraag

BIJLAGE 3

Model M53-A: Verklaring tot afstand van de status van de subsidiabele schending (internationale bescherming)

BIJLAGE 4

Model M117-C: Beschikbaar zijn tijdens uw screening en/of asielprocedure. Aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vreemdelingenwet.

BIJLAGE 5

Model M142: Screeningsformulier

TOELICHTING

ALGEMEEN

Per 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact (verder: migratiepact) van toepassing. Het migratiepact bestaat uit één richtlijn en negen verordeningen, namelijk: de herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346, de Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347, de Procedureverordening (EU) 2024/1348, de Terugkeergrensprocedureverordening (EU) 2024/1349, de Uniekaderverordening voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden (EU) 2024/1350, de Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351, de Verordening consistentiewijzigingen met betrekking tot screening (EU) 2024/1352, de Screeningsverordening (EU) 2024/1356, de herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358 en de Crisis- en overmachtverordening (EU) 2024/1359.

Het Asiel- en migratiepact omvat een omvangrijk pakket aan regels. Dit heeft een ingrijpende wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) en de onderliggende regelgeving: het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) en het Voorschrift Vreemdelingen (hierna: VV) tot gevolg. Dat betekent dat ook de beleidsregels in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) aangepast moeten worden.

Eveneens zijn voor deze wijzigingen in de Vc de toelichtingen bij het Nationale implementatieplan (hierna: NIP) dat op 6 december 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, alsmede de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) en de nota van toelichting tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, het Uitvoeringsbesluit EU-verordeningen grenzen en veiligheid en enkele andere besluiten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026) van belang.

Deze toelichtingen maken daarom ook onderdeel uit van deze toelichting op de wijziging van de Vc.

Bovenstaande heeft tot gevolg dat deel C van de Vc ingrijpend is gewijzigd qua indeling, structuur en inhoud.

Naast deel C zijn ook grotere wijzigingen doorgevoerd in deel A. In deel A worden met name wijzigingen doorgevoerd vanwege aanpassingen in de Opvangrichtlijn en de toepassing van de Screeningsverordening. Een kleiner aantal wijzigingen zijn doorgevoerd in het de delen B en D. Dit betreffen met name verwijzingen naar aangepaste wet- en regelgeving. Daarnaast worden er een aantal wijzigingen in de modellen doorgevoerd.

In dit WBV worden de wijzigingen opgenomen in het vernummerde hoofdstuk A6 en het gehele deel C opgenomen, minus hoofdstuk C6 (zie hiervoor een nadere toelichting bij de specifieke hoofdstukken hieronder). Daarnaast bevat dit WBV de modellen M35-H, M35-O, M117-C en M142.

ARTIKELSGEWIJS

A, F, G

Onder vernummering van hoofdstuk A6 tot A7 wordt een nieuw hoofdstuk A6 Vc toegevoegd. In dat hoofdstuk wordt de toepassing van de Screeningsverordening uitgewerkt, tot het moment dat het asielverzoek wordt geregistreerd. Uitgewerkt is welke vreemdelingen onder de werking van de Screeningsverordening vallen;de situatie van screening aan de buitengrens; de situatie dat een vreemdeling wordt aangetroffen in het kader van binnenlands toezicht; en de situatie dat de vreemdeling zich meldt op de screeningslocatie op het grondgebied.

Nieuw toegevoegd is het model M142 het Screeningsformulier, als bedoeld in artikel 17 Screeningsverordening. Model M117-C is op basis van de Screeningsverordening aangepast.

B – D

In hoofdstuk C1 Vc is de ‘standaard’ asielprocedure opgenomen. Alle procedurestappen worden in dit hoofdstuk beschreven: van de indiening en registratie van de asielaanvraag tot en met het besluit op de aanvraag (inclusief de ambtshalve toets). Eveneens worden de rechtsmiddelen die hiertegen kunnen worden aangewend beschreven. Nieuw opgenomen zijn de juridische counseling door de IND, de asieltriage (welke route gaat de asielaanvraag volgen) en het opnemen van het persoonlijk onderhoud.

In hoofdstuk C2 Vc zijn specifieke procedures opgenomen. In dit hoofdstuk zijn onder ander opgenomen de asielgrensprocedure; de procedure ter toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening; de procedure bij een asielverzoek vanuit vreemdelingenbewaring; de procedure bij volgende asielaanvragen en asielaanvragen van EU-onderdanen. In dit hoofdstuk is ook de procedure op grond van de hervestigingsverordening opgenomen (deze beleidsregels zijn al per 1 januari 2026 in werking getreden).

Hoofdstuk C3 Vc bevat de onderwerpen internationale bescherming, beoordeling geloofwaardigheid en onderzoeken. De beleidsregels bij het onderwerp internationale bescherming zijn inhoudelijk nagenoeg niet gewijzigd. Voor wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid is met name van belang dat de samenwerkverplichting tussen de asielautoriteit en de vreemdeling is aangepast in een meewerkverplichting. Bij onderzoeken zijn verschillende onderzoeksmogelijkheden opgenomen, die die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het asielverzoek.

In hoofdstuk C4 Vc zijn de verschillende afdoeningsgronden voor een asielaanvraag opgenomen: niet in behandeling nemen, niet-ontvankelijkheid, gegrond-, ongegrond- en kennelijk ongegrondverklaring en de expliciete en impliciete intrekkingen. Eveneens zijn hier het toetsingskader voor openbare orde, 1F en nationale veiligheid uitgewerkt.

In hoofdstuk C5 Vc zijn de mogelijkheden voor gezinshereniging van een asielstatushouder opgenomen. In de Vw is een onderscheid gemaakt tussen de afgeleide verblijfsvergunning voor meereizende gezinsleden (artikel 29b Vw), en de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden (artikel 29c en 29d Vw), waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de afgeleide verblijfsvergunning bij een vreemdeling met een vluchtelingenstatus (artikel 29c Vw) en bij een vreemdeling met een subsidiairebeschermingsstatus (artikel 29d).

Hoofdstuk C6 is gereserveerd voor intrekkingen en verlengingen. Dit hoofdstuk zal later in mei gepubliceerd worden samen met de delen A, B, D en de overige modellen.

In hoofdstuk C7 Vc is het besluit- en vertrekmoratorium opgenomen. In dit hoofdstuk zijn de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc.

In hoofdstuk C8 Vc is de Richtlijn Tijdelijke bescherming aangepast. Dit hoofdstuk is vernummerd zodat het past in de nieuwe structuur van deel C.

In hoofdstuk C9 Vc is het landgebonden beleid opgenomen. In dit hoofdstuk zijn de verwijzingen naar de verordeningen, de Vw, het Vb en het VV aangepast, evenals interne verwijzingen binnen de Vc.

M35-H en M35-O zijn aangepast aan de nieuw geldende procedures en regelgeving.

E

Met model M53-A is een nieuw model geïntroduceerd, waarmee het mogelijk wordt om afstand te doen van een verleende asielvergunning.

De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst

Naar boven