Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 11 mei 2026, nr. WJZ/106069811, tot wijziging van de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing in verband met een nieuwe openstellingsperiode [KetenID WGK 29033]

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZ, LVVN- en KGG-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling additionele capaciteit komt te luiden:

additionele capaciteit:

de eigen capaciteit van een omgevingsdienst die wordt ingezet in aanvulling op de toezichts- en handhavingscapaciteit die reeds is ingezet en gepland met middelen van gemeenten en provincies;

2. In de begripsbepaling minister wordt ‘Minister voor Klimaat en Energie’ vervangen door ‘Minister van Klimaat en Groene Groei’.

3. In de begripsbepaling nulsituatie wordt ‘2021 of 2022’ vervangen door ‘2025’.

4. De begripsbepaling VUE vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van de begripsbepaling toezichts- en handhavingsactiviteiten door een punt.

B

In artikel 3 wordt ‘in de periode 2022 tot en met 2026’ vervangen door ‘in 2027 en 2028’.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het bedrag dat voor 2027 en 2028 voor de specifieke uitkering beschikbaar is gesteld is € 27,571 miljoen.

2. In het vierde lid wordt ‘in de jaren 2022 tot en met 2026’ vervangen door ‘in 2027 en 2028’.

3. In het vijfde lid wordt ‘het jaar 2022’ vervangen door ‘het jaar 2027’ en wordt ‘11 november 2022’ vervangen door ‘2 oktober 2026’.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘10 oktober 2022 tot en met 31 maart 2023’ vervangen door ‘3 augustus 2026 tot en met 2 oktober 2026’.

2. In het vijfde lid, onderdeel b, vervalt ‘bestaande uit geïdentificeerde bedrijven en naar verwachting nog te identificeren bedrijven’.

3. In het vijfde lid, onderdeel c, wordt ‘de jaren 2022 en 2023’ vervangen door ‘2027 en 2028’.

4. In het vijfde lid, onderdeel d, wordt ‘de jaren 2024 tot en met 2026’ vervangen door ‘2027 en 2028’.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de jaren 2022 tot en met 2026’ vervangen door ‘2027 en 2028’.

2. In het tweede lid wordt ‘minimaal 70%’ vervangen door ‘minimaal 65%’.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De omgevingsdienst besteedt minimaal 5% van de verstrekte specifieke uitkering aan de activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, onderdeel B.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdelen A en B, uitsluitend door werknemers in dienst bij een omgevingsdienst worden uitgevoerd.

5. Het vijfde, zesde en achtste lid vervallen, onder vernummering van het zevende lid tot het vijfde lid.

6. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘31 december 2026’ vervangen door ‘31 december 2028’.

F

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘1 april en 1 oktober van het desbetreffende kalenderjaar’ vervangen door ‘13 augustus 2027, 11 februari 2028, 11 augustus 2028 en 9 februari 2029’.

2. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. de besteding van de specifieke uitkering, waarbij wordt vermeld:

    • 1°. de totale omvang van de besteding;

    • 2°. het percentage dat is besteed aan de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A; en

    • 3°. het percentage dat is besteed aan de activiteiten, bedoeld in bijlage 1, onderdeel B.

G

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel A, subonderdeel A5, wordt ‘een landelijk structuur voor toezicht en handhaving op de energiebesparings- en onderzoeksplicht voor EU ETS-deelnemers’ vervangen door ‘de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht’.

2. Onderdeel B, komt te luiden:

B. Stimulerend toezicht

Stimulerend toezicht: het aansporen en motiveren van bedrijven of instellingen om energiebesparende maatregelen te treffen, waarbij de nadruk niet ligt op regulier toezicht en handhaving.

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C. Overige activiteiten, waaronder:

C1. Het verbeteren van het inzicht in de doelgroep op andere wijze dan via aanschrijvingen.

C2. Opleiding en training van toezichthouders op het gebied van energiebesparing via (externe) cursussen en trainingen.

C3. Overheadkosten: kosten voor het inrichten van de monitoringssystemen, de aanschaf van apparatuur ter ondersteuning van het toezicht en periodieke rapportage, alsmede management- en wervingskosten.

H

De tabel in bijlage 2 komt als volgt te luiden:

 

2027

2028

Totaal

Nederland

€ 13.499.878

€ 13.499.878

€ 26.999.757

Omgevingsdienst Achterhoek

€ 321.092

€ 321.092

€ 642.184

Omgevingsdienst Brabant Noord

€ 538.815

€ 538.815

€ 1.077.630

Omgevingsdienst DCMR

€ 1.355.981

€ 1.355.981

€ 2.711.962

Omgevingsdienst de Vallei

€ 219.990

€ 219.990

€ 439.980

Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek

€ 426.586

€ 426.586

€ 853.172

Omgevingsdienst Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO)

€ 520.348

€ 520.348

€ 1.040.696

Omgevingsdienst Groene Metropool

€ 582.261

€ 582.261

€ 1.164.522

Omgevingsdienst Groningen

€ 585.092

€ 585.092

€ 1.170.184

Omgevingsdienst Haaglanden

€ 675.555

€ 675.555

€ 1.351.110

Omgevingsdienst IJmond

€ 293.290

€ 293.290

€ 586.580

Omgevingsdienst IJsselland

€ 411.848

€ 411.848

€ 823.696

Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

€ 1.130.796

€ 1.130.796

€ 2.261.592

Omgevingsdienst Midden-Holland

€ 200.839

€ 200.839

€ 401.678

Omgevingsdienst Noord-Holland Noord

€ 406.478

€ 406.478

€ 812.956

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

€ 1.078.130

€ 1.078.130

€ 2.156.260

Omgevingsdienst Rivierenland

€ 229.984

€ 229.984

€ 459.968

Omgevingsdienst Drenthe

€ 392.259

€ 392.259

€ 784.518

Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg

€ 521.140

€ 521.140

€ 1.042.280

Omgevingsdienst RUD Zeeland

€ 332.011

€ 332.011

€ 664.022

Omgevingsdienst Zuid-Limburg

€ 484.064

€ 484.064

€ 968.128

Omgevingsdienst Utrecht

€ 811.635

€ 811.635

€ 1.623.270

Omgevingsdienst Twente

€ 511.015

€ 511.015

€ 1.022.030

Omgevingsdienst Veluwe

€ 289.087

€ 289.087

€ 578.174

Omgevingsdienst West-Holland

€ 261.450

€ 261.450

€ 522.900

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

€ 298.640

€ 298.640

€ 597.280

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

€ 621.492

€ 621.492

€ 1.242.984

ARTIKEL II

Het oude recht blijft van toepassing op specifieke uitkeringen die voor inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 mei 2026

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

1. Inleiding

Deze regeling verlengt een bestaande mogelijkheid voor omgevingsdiensten om een specifieke uitkering te ontvangen voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht. De energiebesparingsplicht is een verplichting voor bedrijven en instellingen om energiebesparende maatregelen uit te voeren. Deze verplichting is geregeld in artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het toezicht op de energiebesparingsplicht is sinds 2023 belegd bij de omgevingsdiensten. Om de naleving op de energiebesparingsplicht te stimuleren, is via specifieke uitkeringen in de periode 2022 tot en met 2026 € 56 miljoen beschikbaar gemaakt voor toezicht en handhaving. Deze middelen zijn ingezet voor capaciteit en kennisopbouw bij omgevingsdiensten. Deze specifieke uitkeringen eindigen op 31 december 2026. Deze regeling wijzigt de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing, waardoor omgevingsdiensten nieuwe specifieke uitkeringen kunnen aanvragen voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

2. Doel van de wijzigingen

Het uiteindelijke doel van deze regeling is dat bedrijven in instellingen meer energiebesparende maatregelen realiseren. Hiertoe beoogt deze regeling voldoende toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht te realiseren. De verwachting is immers dat met voldoende toezicht en handhaving, de naleving van de energiebesparingsplicht groter is.

Ook heeft deze regeling het doel om de administratieve lasten, die samenhangen met de specifieke uitkeringen, te verminderen voor de omgevingsdiensten, de regeling als geheel te verduidelijken met opgedane ervaringen en ondernemers beter te ondersteunen met de kennis en kunde van omgevingsdiensten. In de afgelopen jaren zijn diverse ervaringen opgedaan met de specifieke uitkeringen. Zo heeft Kwink Groep een tussentijdse evaluatie uitgevoerd1, heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) klanttevredenheidsonderzoeken gehouden en hebben het Ministerie van Economische Zaken Klimaat en RVO signalen gedeeld en opgehaald in klankbordgroepen. Op basis hiervan zijn in deze wijzigingsregeling enkele aanpassingen opgenomen.

3. Hoofdlijnen van de wijzigingen

3.1 Inleiding

Om de specifieke uitkeringen voor het toezicht en de handhaving op de energiebesparingsplicht te continueren wordt met deze wijzigingsregeling in totaal € 27,6 miljoen beschikbaar gesteld voor 2027 en 2028. Dit betreft dus € 13,8 miljoen per jaar. Deze wijzigingsregeling bevat een aantal wijzigingen. Ten eerste zijn enkele activiteiten in bijlage 1 aangepast. Ten tweede zijn de administratieve lasten voor omgevingsdiensten om te voldoen aan de specifieke uitkering verminderd. Ten derde is de verplichting geschrapt voor een omgevingsdienst om minimaal één fte (fulltime-equivalent) aan te nemen en om minimaal 40% van uitkering jaarlijks te besteden. De vierde wijziging betreft de inzet van de expertise van omgevingsdiensten in andere regio's. De vijfde wijziging is de aanpassing van bijlage 2, waarbij de bedragen per omgevingsdienst zijn gewijzigd. De verdeelsleutel die in 2022 is opgesteld, is onveranderd gehanteerd. De laatste wijziging betreft de aanpassing van verschillende data en jaartallen in de artikelen en de momenten waarop uiterlijk een aanvraag kan worden ingediend en de halfjaarlijkse rapportage moet worden ingevuld.

3.2 Activiteiten bijlage 1

De eerste wijziging bestaat uit de aanpassingen van de activiteiten in bijlage 1. In deze specifieke uitkering is het stimulerend toezicht belangrijker gemaakt. Dit is in een apart onderdeel opgenomen in bijlage 1, namelijk B-activiteiten (artikel I, onderdeel G, tweede lid, van deze regeling). Stimulerend toezicht wordt omschreven als het aansporen en motiveren van bedrijven of instellingen om energiebesparende maatregelen te treffen, waarbij de nadruk niet ligt op regulier toezicht en handhaving. Een eerste voorbeeld van stimulerend toezicht is dat een omgevingsdienst met een bedrijf in gesprek gaat over maatregelen die wel specifiek interessant zijn, maar niet verplicht zijn vanwege de energiebesparingsplicht en dus een hogere terugverdientijd hebben dan is vastgelegd. Een tweede voorbeeld is dat een omgevingsdienst in een bepaald gebied of een bedrijventerrein meet hoeveel bedrijven de verlichting in de avonduren hebben ingeschakeld en deze resultaten vervolgens deelt met deze ondernemers zodat ze weten hoeveel energie en kosten ze kunnen besparen. Het laatste voorbeeld is een aanpak waarbij bedrijven wordt gevraagd om meer energie te besparen dan de energiebesparingsplicht, maar dat zij in ruil daarvoor iets meer tijd krijgen in de uitvoering. Deze voorbeelden zijn niet limitatief.

Het ministerie zal een menukaart opstellen van de verschillende vormen van stimulerend toezicht die nu al worden toegepast door omgevingsdiensten in Nederland. Deze menukaart zal verspreid worden onder alle omgevingsdiensten, zodat zij kennis en ervaringen bij elkaar kunnen opdoen. Om het belang van stimulerend toezicht te vergroten, is als verplichting in de regeling opgenomen dat minimaal 5% van de totale uitkering van de omgevingsdienst moet worden besteed aan B-activiteiten, oftewel stimulerend toezicht (artikel I, onderdeel E, derde lid).

Om bestedingsvrijheid te houden voor de omgevingsdiensten, vanwege het toevoegen van de hierboven beschreven 5% eis die aan stimulerend toezicht moet worden besteed, is in deze regeling opgenomen dat het minimale percentage dat besteed moet worden aan A-activiteiten wordt verminderd van 70% naar 65% (artikel I, onderdeel E, tweede lid). Tot slot is activiteit A5 aangepast, over het deelnemen aan de landelijke structuur voor toezicht en handhaving (artikel I, onderdeel G, eerste lid). Vanwege de verdere professionalisering binnen de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL, richt de structuur zich niet alleen op de energiebesparings- en onderzoeksplicht voor EU-ETS deelnemers, maar op de gehele doelgroep van de energiebesparingsplicht. Activiteit A5 wordt met deze aanpassing omschreven als het deelnemen aan de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht.

Door de aanpassing van de B-activiteit zijn de activiteiten B2 (verbeteren van inzicht in de doelgroep, B3 (Opleiding en training) en B4 (Overheadkosten) nu als C-activiteiten opgenomen, respectievelijk C1, C2, en C3 (artikel I, onderdeel G, derde lid). Dit zijn overige activiteiten die ondersteunend zijn aan het toezichts- en handhavingsproces. Aan categorie C3 (Overheadkosten) is toegevoegd dat financiële middelen kunnen worden besteed aan apparatuur ter ondersteuning van het toezicht. Een voorbeeld hiervan is een warmtecamera waarbij warmtelekken kunnen worden gedetecteerd. Het is belangrijk dat deze apparatuur bij moet dragen aan het doel van deze regeling. Bij twijfel of de middelen van deze specifieke uitkering kunnen worden ingezet voor bepaalde apparatuur kan contact worden gelegd met RVO.

3.3 Jaarlijks actualiseren projectplan

De tweede wijziging betreft het verlagen van de administratieve lasten voor de omgevingsdiensten. In deze wijzigingsregeling is de eis geschrapt om jaarlijks het projectplan te actualiseren (artikel I, onderdeel E, vijfde lid, van deze regeling). Deze verlenging betreft een verlenging van twee jaar en vanwege deze korte duur is het niet noodzakelijk om na de aanvraag, waar wel een projectplan voor moet worden ingediend, opnieuw dit plan te actualiseren. Uit signalen van omgevingsdiensten en uit het klanttevredenheidsonderzoek van RVO over deze specifieke uitkering bleek dat de omgevingsdiensten dit als veel werk beschouwen. Om voortgang alsnog te kunnen monitoren, zullen de omgevingsdiensten ieder halfjaar moeten rapporteren over de totale bestedingen en de bestedingen aan de A- en B-activiteiten.

3.4 Verwijderen twee verplichtingen

De derde wijziging is het verwijderen van twee verplichtingen. De eis om minimaal 1 fte (of 0,5 fte als de bijdrage aan een omgevingsdienst minder is dan € 140.000) aan te nemen voor toezicht en handhaving vervalt (artikel I, onderdeel E, derde en vierde lid). In de afgelopen jaren heeft de nadruk gelegen op het opbouwen van capaciteit. Dat is goed gelukt, aangezien er tot 2026 103 fte aan personeel is aangenomen. Het is niet noodzakelijk om deze eis te behouden, omdat het niet vanzelfsprekend is dat omgevingsdiensten opnieuw personeel zullen aannemen. Zij kunnen immers ook met het huidige personeelsbestand het toezicht en de handhaving uitvoeren. Deze vernieuwde rijksbijdrage is dus bedoeld om de opgebouwde capaciteit en kennis bij omgevingsdiensten te behouden. Met het verwijderen van deze verplichting hoeft er ook niet meer over te worden gerapporteerd. Ook de eis om jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen te besteden vervalt (artikel I, onderdeel E, vijfde lid). Deze eis was opgenomen om te monitoren of er sprake was van voldoende vooruitgang in de besteding van de middelen vanaf 2022 tot en met 2026. Nu nieuwe specifieke uitkeringen voor slechts twee jaar worden verstrekt, is deze eis niet meer nodig. Ook worden de totale bestedingen en de bestedingen aan de A- en B-activiteiten gemonitord.

3.5 Expertise omgevingsdiensten landelijk inzetbaar

De vierde wijziging betreft de inzet van de expertise van omgevingsdiensten in andere regio's dan het werkgebied van de desbetreffende omgevingsdienst. A- en B1-activiteiten mochten niet door derden worden uitgevoerd. Dit was geregeld in artikel 6, zesde lid, van de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing. Nu geldt dat deze activiteiten uitsluitend door werknemers in dienst bij een omgevingsdienst mogen worden uitgevoerd (artikel I, onderdeel E, vierde lid). Door deze aanpassing kan specifieke expertise van omgevingsdiensten in andere regio's worden ingezet. Hierdoor wordt de samenwerking tussen omgevingsdiensten bevorderd. Een voorbeeld is dat in de regio van omgevingsdienst A slechts één datacenter voorkomt. Als voor dit datacenter een toezichthouder moet worden opgeleid, dan kan dat een inefficiënte besteding van middelen en tijd zijn. Een efficiëntere werkwijze is om de expertise van omgevingsdienst B, met veel kennis over energieprocessen in datacenters, uit te lenen om namens omgevingsdienst A toezicht uit te voeren op het datacenter.

3.6 Bijlage 2: bedragen per omgevingsdienst

De vijfde wijziging heeft betrekking op bijlage 2 waarin de bedragen per omgevingsdienst staan opgenomen. Voor de periode van 2027 tot en met 2028 is totaal € 27,6 miljoen beschikbaar (artikel I, onderdeel H). Dit is per jaar € 13,8 miljoen. Het totaalbedrag van 27,6 miljoen euro wordt verminderd met de uitvoeringskosten van RVO voor deze regeling, wat resulteert in een totaal beschikbaar bedrag van € 26.999.757. Voor de verdeling van de middelen over de omgevingsdiensten wordt dezelfde verdeelsleutel gehanteerd als die in 2022 is opgesteld.

3.7 Jaartallen en monitoring

De laatste wijziging betreft de aanpassing van de genoemde jaartallen en data in de regeling. Veel jaartallen in de artikelen van deze regeling zijn aangepast naar 2027 en 2028, aangezien de nieuwe specifieke uitkeringen een looptijd hebben van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028. De periode waarin de aanvraag van de omgevingsdienst bij RVO kan worden ingediend is van 3 augustus 2026 tot en met 2 oktober 2026 (artikel I, onderdeel D, eerste lid). De data voor de halfjaarlijkse monitoring zijn ook aangepast:

Over de periode tot en met

Uiterlijke rapportagedatum

30 juni 2027

13 augustus 2027

31 december 2027

11 februari 2028

30 juni 2028

11 augustus 2028

31 december 2028

9 februari 2029

4. Gevolgen van de wijziging

4.1 Bestuurlijke lasten

De bestuurlijke lasten van de regeling bestaan, net als in de periode van 2022 tot en met 2026, uit lasten voor omgevingsdiensten die een aanvraag doen, deze af te stemmen met hun opdrachtgevers (gemeenten en provincies) en tussentijds informatie aanleveren over het verloop van de activiteiten nadat de aanvraag is toegekend. Wanneer de gemeenten en provincies vanuit hun opdrachtgevende rol mee willen kijken bij het indienen en uitvoeren van het project, zal dit ook bij hen tot beperkte lasten leiden.

De aanvraag wordt digitaal gedaan. In de aanvraag wordt het projectplan, de geplande activiteiten en het additionele karakter van deze activiteiten toegelicht. De aanvraag vormt de basis voor de beoordeling van de aanvraag op de in de regeling genoemde voorwaarden. De eisen aan het projectplan zijn beschreven in artikel 5, vijfde lid, van de Regeling specifieke uitkering additionele capaciteit voor toezicht en handhaving energiebesparing.

De lasten voor het opstellen van een projectplan, afstemmen met opdrachtgevers en rapporteren en het monitoren van de voortgang verschillen per omgevingsdienst. Sommige omgevingsdiensten zijn reeds actiever bezig met dataverzameling op het gebied van toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht dan andere omgevingsdiensten. Voor het opstellen en indienen van een projectplan wordt circa 20 uur gerekend. Op basis van een gemiddeld uurtarief van € 54 per uur worden de kosten dan geraamd op € 1.080 per individuele aanvrager.2 Voor de halfjaarlijkse monitoring is de verwachting dat de aanvrager circa tien uur besteed aan het verzamelen van de data, interne afstemming en het rapporteren. Er zijn totaal vier rapportagemomenten, waarbij het totaal dus komt op 40 uur. De totale kosten voor de halfjaarlijkse monitoring vanwege de inzet van specialistische medewerkers is € 2.160. Voor de afstemming met leidinggevenden en managers wordt een inschatting gemaakt van totaal twee uur voor het projectplan en één uur per monitoringsmoment. Het totaal aantal uren bedraagt dan zes uur voor leidinggevenden en managers voor een uurtarief van € 77,–. De kosten hiervoor zijn € 462. Het totale bedrag voor een individuele omgevingsdienst wordt geschat op € 3.702. In totaal zijn er 26 omgevingsdiensten. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 96.252 euro. Mogelijk willen sommige gemeenten en provincies, als opdrachtgever van de omgevingsdiensten, dat het projectplan voorafgaand aan de indiening van de aanvraag wordt afgestemd. Dit heeft als bijgaand voordeel dat deze opdrachtgevers actief meedenken over energiebesparingstoezicht. Verwacht wordt dat, net als in de periode 2022 tot en met 2026, de helft van de gemeenten en alle provincies mee willen kijken met het projectplan. Ervan uit gaande dat dit een tijdsinvestering is van twee uur voor specialistische medewerkers voor € 54 per uur komt het totaalbedrag op € 108 per gemeente of provincie. Daarnaast is het mogelijk dat een leidinggevende of manager wil meekijken voor één uur à € 77,–. Per gemeente of provincie zijn de kosten dan € 185,–. Het gaat hierbij dan om 171 gemeenten en 12 provincies en dit levert een bedrag van € 33.855.

4.2 Financiële gevolgen Rijksoverheid

Voor deze regeling is totaal € 27,6 miljoen beschikbaar op de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Het betreft een eenmalige specifieke uitkering voor de omgevingsdiensten, met één aanvraagperiode en één toekenningsmoment. De uitvoeringskosten voor RVO bedragen € 571.243. Het totaalbedrag van € 27,6 miljoen zal worden verminderd met deze uitvoeringskosten, wat resulteert in een bedrag van € 26.999.757.

5. Advies en consultatie

5.1 Consultatie van belanghebbenden

Bij het opstellen van de regeling is een afvaardiging van omgevingsdiensten, Omgevingsdienst NL, Rijkswaterstaat en RVO betrokken. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn geraadpleegd over deze wijziging.

5.2 Toetsing regeldruk

Omdat de regeling een financiële relatie tussen overheden betreft, is deze regeling niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. De regeling heeft geen rechtstreekse werking voor burgers en bedrijven, en daarmee ook geen gevolgen voor de regeldruk. De bestuurlijke lasten voor overheden zijn hierboven in kaart gebracht.

6. Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze regeling treedt in werking op de dag na de publicatie in de Staatscourant (artikel III van deze regeling). Per 3 augustus 2026 tot en met 2 oktober 2026 kunnen de omgevingsdiensten een aanvraag indienen. De activiteiten waarvoor een nieuwe specifieke uitkering wordt verstrekt, mogen gestart worden vanaf 1 januari 2027.

Voor de specifieke uitkeringen die zijn verstrekt voor de periode 2022 – 2026 blijft de regeling gelden zoals die luidde voor inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingsregeling (artikel II van deze regeling).

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Kwink Groep (2024). Tussentijdse Evaluatie van de Specifieke Uitkering Toezicht en Handhaving Energiebesparingsplicht. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/12/16/tussenevaluatie-specifieke-uitkering-toezicht-en-handhaving-energiebesparingsplicht


X Noot
1

Kwink Groep (2024). Tussentijdse Evaluatie van de Specifieke Uitkering Toezicht en Handhaving Energiebesparingsplicht. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/12/16/tussenevaluatie-specifieke-uitkering-toezicht-en-handhaving-energiebesparingsplicht

Naar boven