Regeling van de Minister van Asiel en Migratie van 11 mei 2026, nummer 7304051, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hondernegenennegentigste wijziging)

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op de artikelen 44a, 45, 47, eerste lid, aanhef en onder c, en 53 van de Vreemdelingenwet 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

Aan het einde van het vierde lid wordt de volgende zin ingevoegd:

‘Indien het een woning betreft gelegen op een opvangvoorziening, als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, een opvangvoorziening, als bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne, dan wel een andere locatie onder beheer van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, beschikken deze ambtenaren daarnaast over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 44a, eerste lid, aanhef en onder b, 45, eerste lid, aanhef en onder d, en 53 van de Wet.’

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 mei 2026

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

TOELICHTING

Algemeen

Krachtens artikel 4.1, aanhef en onder d Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa) van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In het vierde lid van artikel 4.1 van het Vv 2000 is gepreciseerd dat hun toezichttaak zich beperkt tot de in dat artikellid genoemde wettelijke bepalingen, nodig voor de uitvoering van hun taken op grond van de Vw 2000. Dit omvat ook de bevoegdheid een vreemdeling staande te houden, op te houden en over te brengen vanaf locaties onder beheer van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) (zowel opvangvoorzieningen in de zin van de Wet COA, als locaties zoals de Vrijheidsbeperkende locatie en gezinslocaties) naar een plaats bestemd voor verhoor. Hierdoor is voor uitvoering van deze taken politie-inzet niet langer noodzakelijk. Dit leidt tot een vergroting van de efficiëntie in de keten.

Op de locaties onder beheer van het COA komt het in de praktijk voor dat een bewoner aan de toezichthouders geen toestemming geeft tot binnentreden. In tegenstelling tot de politie, was de ambtenaar van DV&O echter niet zelfstandig bevoegd binnen te treden met een machtiging als bedoeld in artikel 4 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi), welke vereist is voor het binnentreden van elke plaats en (in de uitvoeringspraktijk van de Vw 2000) wordt afgegeven door de hulpofficier van justitie. De bevoegdheid om binnen te treden op elke plaats was namelijk niet in de opsomming van artikel 4.1 vierde lid Vv 2000 opgenomen. Daardoor was in die situaties nog steeds aanwezigheid van een andere toezichthouder, doorgaans een ambtenaar van politie, noodzakelijk en kon de uitvoering van de taak van de boa’s van DV&O – het staande houden van de vreemdeling met het oog op hun inbewaringstelling – niet efficiënt worden uitgevoerd.

De feitelijke handelingen bij het binnentreden op COA-locaties zijn in deze specifieke gevallen zeer beperkt. Op een locatie onder COA-beheer is een loper beschikbaar waarmee de deur van de woning zonder braak kan worden geopend. De COA-medewerker kan daarvan uitsluitend gebruik maken in opdracht van een aanwezige toezichthouder die bevoegd is tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Dit was tot nog toe steeds de toezichthouder van de politie, die in de regel mondeling, op basis van artikel 1 van de Awbi kenbaar diende te maken wat het doel van het binnentreden is en welke handelingen worden verricht en die aan de medewerker van het COA signaleerde dat de deur kan worden geopend. Na binnentreden voerden DV&O-boa’s vervolgens de staandehouding en overbrenging van de bewoner uit.

Met de voorgestelde aanvulling wordt de DV&O-boa in deze situaties bevoegd om, met Awbi-machtiging, binnentreden zonder toestemming van de bewoner te realiseren, uitsluitend op COA-locaties en uitsluitend ter uitvoering van de in artikel 4.1, lid 4, genoemde toezichtsbevoegdheden. Vergelijkbare situaties kunnen zich voordoen op locaties waar de gemeente in het kader van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne vreemdelingen heeft geplaatst. Het gaat daarbij om opvangvoorzieningen, dat wel zeggen door of rechtstreeks in opdracht van de gemeenten uitgebate locaties die qua opzet vergelijkbaar zijn met een locatie onder beheer van het COA. Indien een staandehouding in het woonhuis van een particulier moet plaatsvinden, is aangewezen dat de politie deze taak op zich neemt. De reikwijdte van de toegekende bevoegdheid ziet dus niet op woningen buiten COA-locaties.

De Awbi blijft onverminderd van toepassing. DV&O-boa’s worden voorafgaand aan gebruikmaking van deze bevoegdheden voldoende geïnstrueerd over de waarborgen die ingevolge deze wet in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden, daaronder begrepen ook het opmaken van het verslag van binnentreden overeenkomstig artikel 10 van de Awbi. Toezicht op de toepassing van de taak van de DV&O boa’s is geborgd hetzij door de politie in haar rol als toezichthouder op het optreden van boa’s, hetzij door de rechter als de toepassing van vreemdelingrechtelijke bevoegdheden voor de rechter in vreemdelingenzaken wordt gebracht.

In de opsomming van het vierde lid is niet de mogelijkheid tot binnentreden ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 27 Vw 2000 opgenomen. Die ziet op het beëindigen van verblijf na een toelatingsprocedure als bedoeld in artikel 14 Vw 2000. Dat ziet doorgaans op situaties waarin de vreemdeling niet op een COA-locatie verblijft, maar verblijft in een particuliere woning van waaruit aan verwijdering moet worden gewerkt en met welk doel kan worden binnengetreden. Zoals gezegd is niet beoogd de boa’s van de Dienst Vervoer en Ondersteuning in die gevallen bevoegd te maken tot binnentreden.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink

Naar boven