Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, van 26 mei 2026, nr. WJZ/104433975 houdende wijziging van de Omgevingsregeling in verband met het aanwijzen van additionele CITES-soorten en bijbehorende pootringen

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op Verordening (EG) nr. 338/97 en gelet op artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a, en vierde lid, van de Omgevingswet;

Besluit:

ARTIKEL I (WIJZIGING OMGEVINGSREGELING)

Bijlage VIId bij artikel 4.33, eerste lid, van de Omgevingsregeling wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de regel

Gypaetus barbatus

Lammergier

28,0

wordt de volgende regel ingevoegd:

Gyps africanus

Witruggier

24,0

2. Na de regel

Gyps fulvus

Vale gier

28,0

wordt de volgende regel ingevoegd:

Gyps rueppellii

Rüppelsgier

24,0

3. Na de regel

Puffinus yelkouan

Vale pijlstormvogel

10,0

wordt de volgende regel ingevoegd:

Pycnonotus zeylanicus

Geelkruinbuulbuul

4,2

4. Na de regel

Somateria spectabilis

Koningseider

12,0

wordt de volgende regel ingevoegd:

Sporophila maximiliani

Grootsnavelzaadkraker

3,0

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 26 mei 2026

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen

TOELICHTING

I Algemeen

1. Inleiding

Tijdens de twintigste CITES Conferentie van de Partijen (CoP20) is er besloten drie vogelsoorten nieuw op te nemen in appendix I (soorten die met uitsterven worden bedreigd) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (het CITES-verdrag).1 Het CITES-verdrag ziet op de bescherming van bepaalde in het wild levende dier- en plantensoorten tegen overmatige exploitatie als gevolg van de internationale handel. Het gaat om de volgende drie soorten:

  • Gyps africanus (witruggier);

  • Gyps rueppellii (rüppelsgier);

  • Sporophila maximiliani (grootsnavelzaadkraker).

De CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening2 vormen de omzetting in Europese regelgeving van het CITES-verdrag. De CITES-basisverordening stelt regels over de handel in levende en dode dieren en planten van soorten die met uitsterven worden of kunnen worden bedreigd. Bij de CITES-basisverordening behoren vier bijlagen. Bijlage A bevat soorten die ernstig worden bedreigd.

De internationale beschermingsstatus die geldt voor de soorten van de appendices bij het CITES-verdrag wordt doorgevoerd in de bijlagen bij de CITES-basisverordening (de Soortenlijst). De nieuwe aangewezen soorten worden op Bijlage A bij de CITES-basisverordening opgenomen3, waarmee er op grond van de Nederlandse wetgeving een pootringplicht voor gefokte exemplaren van die soort gaat gelden. Met de onderhavige wijzigingsregeling worden voor de nieuwe aangewezen soorten de ringmaten vastgesteld.

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om ook de maximale ringmaat van Pycnonotus zeylanicus (geelkruinbuulbuul) mee te nemen in deze wijziging, welke naar aanleiding van de negentiende CITES Conferentie van de Partijen (CoP19) op Appendix I en vervolgens via de Soortenlijst bij de CITES-basisverordening op Bijlage A is opgenomen.

2. Achtergrond

Voor vogelsoorten die vallen onder de reikwijdte van Bijlage A bij de CITES-basisverordening voorziet artikel 11.104 (pootringen voor gefokte vogels) van het Besluit activiteiten leefomgeving in een verplichting om pootringen aan te brengen. Hierdoor kan worden vastgesteld dat de dieren gefokt of gekweekt zijn, legaal zijn verworven en niet zijn onttrokken aan de natuur.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is verantwoordelijk voor de uitgifte van de pootringen. De feitelijke uitgifte gebeurt door 5 vogelbonden, die worden aangewezen in de Omgevingsregeling. Regels over de ringen worden gesteld in de Omgevingsregeling.4 Het gaat dan onder andere om de maximale maten van de pootringen en de uitvoering van de uitgifte van de pootringen door bij de regeling aangewezen vogelbonden.

Artikel 4.33, eerste lid, van de Omgevingsregeling beschrijft aan welke eisen pootringen voor gefokte vogels moeten voldoen en in het tweede lid staat de afwijking van deze standaard. Verder bevat het derde lid de eisen waaraan de aanvrager zich moet houden in het kader van het gebruik van de gesloten pootringen.

Bijlage VIId behorende bij artikel 4.33, eerste lid, van de Omgevingsregeling geeft vervolgens de maximaal te hanteren ringmaten weer per soort. Deze ringmaten zijn gebaseerd op het advies van de CITES Wetenschappelijke Autoriteit. Zie verder onder kopje uitvoering.

Onderhavige wijziging van bijlage VIId behorende bij artikel 4.33 eerste lid van de Omgevingsregeling vult de maximaal te hanteren ringmaten aan voor de nieuw opgenomen soorten op de Soortenlijst en zorgt ervoor dat duidelijk is welke ringmaat gehanteerd en aangevraagd dient te worden.

3. Uitvoering en consultatie

De pootringmaten die door deze wijziging aan bijlage VIId bij de regeling worden toegevoegd zijn gebaseerd op het advies van de CITES Wetenschappelijke Autoriteit. Dit advies is opgesteld in consultatie met de in Nederland aangestelde ringenbonden, die verantwoordelijk zijn voor de uitgifte van pootringen voor in Nederland gefokte dieren. Na inwerkingtreding dienen fokkers en vogelbonden deze maten te hanteren voor in Nederland gefokte dieren.

Deze wijziging strekt slechts tot uitvoering van internationale verplichtingen. Deze regeling regelt niet meer dan het opnemen van de soorten die aan de Soortenlijst bij Verordening (EG) nr. 338/97 zijn toegevoegd, in de bijlage VIId met de daarbij behorende ringmaten.

Deze uitbreiding is daarmee als beleidsarme keuze te beschouwen.

Het zijn wijzigingen van ondergeschikte betekenis die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Daarom is ervan afgezien om deze regeling open te stellen voor internetconsultatie.5

4. Regeldruk

De wijziging van bijlage VIId behorende bij de regeling betreft geen inhoudelijke wijziging van geldende bepalingen. Er geldt in Nederland een pootringverplichting voor vogelsoorten die vallen onder de reikwijdte van Bijlage A bij de CITES-basisverordening. Relevante partijen zoals dierentuinen en fokkers dienen pootringen aan te vragen. Deze bepaling wordt niet gewijzigd. Met de wijziging worden vier nieuwe ringmaten opgenomen op bijlage VIId. Dit vloeit automatisch voort uit de internationale besluitvorming en gewijzigde EU regelgeving. De opname zorgt ervoor dat duidelijk is welke maximale ringmaat gehanteerd en aangevraagd dient te worden voor de nieuw opgenomen soorten. Gezien de aard van de wijziging zijn er geen aanmerkelijke nieuwe regeldrukeffecten te verwachten. Bovendien betreffen het geen door Nederlandse particulieren veel gehouden soorten.

Op grond van artikel 1:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldt een algemene uitzondering op een wettelijke adviesverplichting ‘indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie’. Deze uitzondering geldt ook voor voorgenomen regelgeving die enkel strekt tot implementatie van Europese regelgeving die geen mogelijkheid biedt voor nationale beleidsruimte. Daarvan is in dit geval sprake en om die reden is deze regeling niet voorgelegd voor advies aan ATR.

5. Inwerkingtreding

Onderhavige wijziging treedt de dag na publicatie in de Staatscourant in werking. Het is van belang dat de wijziging zo spoedig mogelijk inwerking treedt nadat de Soortenlijst behorende bij Verordening (EG) nr. 338/97 is aangepast voor de genoemde soorten aangezien de Soortenlijst direct doorwerkt. Om deze reden is ervoor gekozen af te wijken van de vaste verandermomenten.

Spoedige inwerkingtreding nadat de Soortenlijst is aangepast, is in het belang van relevante partijen zoals dierentuinen en fokkers, omdat er vanaf het moment van opname op Bijlage A een ringplicht geldt volgens artikel 66, van Verordening (EG) Nr. 865/2006. Fokkers en andere relevante partijen moeten dan weten welke maximale ringmaat gehanteerd moet worden om aan de ringplicht te voldoen. Het formaat van de ring moet volgens artikel 66 van de Verordening immers zodanig zijn dat, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt. Door de wijziging zo spoedig mogelijk na publicatie in werking te laten treden wordt zekerheid aan de relevante partijen geboden.

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen


X Noot
1

Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), Trb. 1975, 23.

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166) (CITES-uitvoeringsverordening).

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en planten soorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61) (CITES-basisverordening).

X Noot
4

Artikel 11.104, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

X Noot
5

Met toepassing van artikel 23.4, derde lid, onder a en b, van de Ow.


X Noot
1

Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), Trb. 1975, 23.

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166) (CITES-uitvoeringsverordening).

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en planten soorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61) (CITES-basisverordening).

X Noot
4

Artikel 11.104, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

X Noot
5

Met toepassing van artikel 23.4, derde lid, onder a en b, van de Ow.

Naar boven