Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2026, 16962 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2026, 16962 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Gelet op de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies en de artikelen 6, vierde en zevende lid, 8, eerste en tweede lid, 11 en 14 van het Kaderbesluit BZK-subsidies;
Besluit:
De Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a van de begripsomschrijving van ‘maatschappelijk vastgoed’ wordt ‘een waterschap of een veiligheidsregio’ vervangen door ‘een waterschap, een veiligheidsregio of een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk I tot en met VII van de Wet gemeenschappelijke regelingen’.
2. In de begripsomschrijving van ‘SBI-code’ wordt ‘Standaard Bedrijfsindeling 2008’ vervangen door ‘Standaard Bedrijfsindeling 2025’.
B
In artikel 4, eerste lid, wordt ‘2 juni 2025 tot en met 31 oktober 2025’ vervangen door ‘1 juni 2026 tot en met 16 oktober 2026’.
C
In artikel 5, derde lid, wordt ‘1 oktober 2025’ vervangen door ‘17 september 2026’.
D
In artikel 9, eerste lid, wordt ‘minimumbedrag van € 5.000’ vervangen door ‘minimumbedrag van € 2.500’.
E
Artikel 11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel e wordt ‘van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten’ vervangen door ‘van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten’.
2. In onderdeel o, subonderdeel 1°, vervalt ‘reeds tweemaal eerder of’.
3. Onder vervanging van de punt door een puntkomma in onderdeel o, subonderdeel 2°, wordt een nieuw subonderdeel toegevoegd, luidende:
p. op grond van artikel 3, onderdeel a, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten voor hetzelfde onderdeel van het gebouw of voor hetzelfde bouwwerk.
F
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt ‘iedere gas- of elektriciteitsaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet of artikel 1, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘iedere aansluiting op gas of elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
2. In het vierde lid wordt ‘een gasaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet’ vervangen door ‘een gasaansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’ en wordt na ‘de aansluiting op gas’ ingevoegd ‘of de bouwkundige of installatietechnische voorbereidingen voor de vervanging van de aansluiting op gas, waardoor die aansluiting met beperkte ingrepen en met een beperkt budget kan worden verwijderd, op het moment dat de capaciteit op het elektriciteitsnet de verwijdering van de aansluiting op gas mogelijk maakt’.
G
In artikel 14, derde lid, onderdeel d, wordt na ‘is vervangen’ ingevoegd ‘of een, door een systeembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, opgesteld overzicht dat inzicht geeft in de aansluitmogelijkheden op elektriciteit’.
H
Aan artikel 15 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Voor de projectkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt dat de kosten voor maatregelen die leiden tot het gebruik van fossiele brandstoffen niet voor subsidiëring in aanmerking komen, maar wel kunnen meetellen voor de gerealiseerde labelsprong of energiebesparing als die maatregelen in het advies zijn omschreven.
I
Artikel 18, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel m, vervalt ‘of’.
2. In onderdeel n, wordt ‘van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten.’ vervangen door ‘van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten;’.
3. Na onderdeel n wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende,
o. de subsidie betrekking heeft op het aanbrengen van ureumformaldehydeschuim, een tweecomponentenschuim op basis van ureumformaldehyde.
J
Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt ‘iedere gas- of elektriciteitsaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet of artikel 1, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘iedere aansluiting als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, op gas of elektriciteit’.
2. In het zesde lid wordt ‘een gasaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet’ vervangen door ‘een aansluiting op gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’ en wordt na ‘de aansluiting op gas’ ingevoegd ‘of de bouwkundige of installatietechnische voorbereidingen voor de vervanging van de aansluiting op gas, waardoor die aansluiting met beperkte ingrepen en met een beperkt budget kan worden verwijderd, op het moment dat de capaciteit op het elektriciteitsnet de verwijdering van de aansluiting op gas mogelijk maakt’.
K
In artikel 21, derde lid, onderdeel d, wordt na ‘is vervangen’ ingevoegd ‘of een door een systeembeheerder als bedoeld in artikel 1.1. van de Energiewet, opgesteld overzicht dat inzicht geeft in de aansluitmogelijkheden op elektriciteit’.
L
Bijlage 2 wordt vervangen door de bijlage die is opgenomen in Bijlage A bij deze regeling.
M
Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In tabel A vervalt in rij A.2 ‘of de BRL9500-04’.
2. In tabel A wordt ‘A.3 Duurzaam monumentenadvies’ vervangen door ‘A.3 Duurzaam Monumenten maatwerkadvies’.
3. In tabel A wordt in rij A.3 ‘op basis van een door een bouw- of architectuurhistoricus opgesteld rapport over de aanwezige monumentale waarden’ vervangen door ‘naar beoordeling van een terzake deskundige’ en vervalt ‘Voor subsidies tot en met € 25.000 moet minimaal niveau 2-advies worden uitgevoerd. Voor subsidies hoger dan € 25.000 moet minimaal niveau 3-advies worden uitgevoerd.’.
4. In tabel P wordt in rij P.3 en rij P.4 ‘Duurzaam monumentenadvies (A.3)’ telkens gewijzigd in ‘Duurzaam Monumenten maatwerkadvies (A.3)’.
5. In tabel C wordt in rij C.1 ‘maximale Ug-waarde (W/m2K) van 0,8’ vervangen door ‘maximale Ug-waarde (W/m2K) van 1,2’.
6. In tabel C wordt in rij C.2, onderdeel a, ‘de warmteweerstand van het totaal aan isolatiematerialen (Riso,tot) ten minste 6,3 m2K/W bedraagt’ vervangen door ‘de warmteweerstand van de totale constructie (Rc) ten minste 6,3 m2K/W’.
7. In tabel C wordt in rij C.2, onderdeel b, ‘de warmteweerstand van het totaal aan isolatiematerialen (Riso,tot) ten minste 4 m2K/W bedraagt’ vervangen door ‘de warmteweerstand van de totale constructie (Rc) ten minste 4,0 m2K/W bedraagt’.
8. In tabel C wordt in rij C.3 ‘kierdichtingsmateriaal en een blowerdoortest conform NEN 2686 of NEN-EN-ISO 9972’ vervangen door ‘kierdichtingsmateriaal en een meetmethode voor het bepalen van de luchtdoorlatendheid van gebouwen conform NEN 2686:2025 of NEN-EN-ISO 9972’.
9. In tabel H vervalt in rij H.2 in de onderdelen a en b telkens ‘ten minste 15 kW en’.
10. In tabel L wordt in rij L.3, onderdeel a, ‘de warmteweerstand R = Σ(Rtotaal) = Σ(d/λ) ten minste 2,5 m2K/W’ vervangen door ‘de warmteweerstand van de totale constructie (Rc) ten minste 2,5 m2K/W bedraagt’.
11. In tabel L wordt in rij L.3, onderdeel c, ‘de warmteweerstand R = Σ(Rtotaal) = Σ(d/λ) ten minste 3,5 m2K/W’ vervangen door ‘de warmteweerstand van de totale contructie (Rc) ten minste 3,5 m2K/W bedraagt’.
12. In tabel L wordt in rij L.4 ‘met een warmteweerstand R van ten minste 3,5 m2K/W (eventueel) in combinatie met hoogwaardige vloerisolatie’ vervangen door ‘met een warmteweerstand (Rd-waarde of Rbf-waarde) van ten minste 3,5 m2K/W. Eventueel in combinatie met hoogwaardige vloerisolatie’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O’Sullivan
|
A. In aanmerking komende SBI-codes van zorgaanbieders |
|
|
86.10 Activiteiten van ziekenhuizen |
|
|
86.10.1 Exploitatie van Universitair Medische Centra |
|
|
86.10.2 Algemene ziekenhuiszorg |
|
|
86.10.3 Overige ziekenhuiszorg |
|
|
86.10.4 Curatieve Geestelijke gezondheidszorg met verblijf (met uitzondering van activiteiten van verslavingsklinieken) |
|
|
86.21.0 Huisartsenzorg |
|
|
86.22 Activiteiten van medisch specialisten |
|
|
86.22.1 Medisch specialistische zorg zonder verblijf (met uitzondering van psychiatrische zorg) |
|
|
86.22.2 Psychiatrische zorg |
|
|
86.23 Tandheelkundige zorg |
|
|
86.23.0 Tandheelkundige zorg |
|
|
86.99.3 Overige mondzorg |
|
|
86.9 Paramedische zorg en overige gezondheidszorg zonder verblijf |
|
|
86.91 Activiteiten van medische beeldvorming en medische laboratoria |
|
|
86.91.0 Activiteiten van medische beeldvorming en medische laboratoria |
|
|
86.93.0 psychologische zorg |
|
|
86.94.1 Verloskundige zorg |
|
|
86.94.2 Verpleging en verzorging thuis en kraamzorg |
|
|
86.94.3 Overige verpleging en verzorging |
|
|
86.95.0 Fysiotherapie en ergotherapie |
|
|
86.96.0 Alternatieve geneeskunde en oefentherapie |
|
|
86.99.1 Arbozorg (inclusief activiteiten van zelfstandige bedrijfsartsen) |
|
|
86.99.2 Preventieve zorg |
|
|
86.99.4 Overige paramedische zorg |
|
|
86.92.0 Ambulancezorg |
|
|
86.97.0 Bemiddeling in de gezondheidszorg |
|
|
86.99.9 Overige gezondheidszorg zonder verblijf, n.e.g. |
|
|
87.10.0 Verpleeghuiszorg |
|
|
87.20.1 Verstandelijke gehandicaptenzorg met verblijf |
|
|
87.20.2 Verblijfszorg voor mensen met een langdurige geestelijke gezondheidszorgvraag of een middelenverslaving |
|
|
87.30 Verblijfszorg voor ouderen of personen met een lichamelijke handicap |
|
|
87.30.1 Lichamelijke en zintuiglijke gehandicaptenzorg met verblijf |
|
|
87.30.2 Verblijfszorg met persoonlijke verzorging en begeleiding voor ouderen |
|
|
87.9 Overige activiteiten op het gebied van verpleging, verzorging en begeleiding met verblijf |
|
|
87.99.1 Jeugdzorg met verblijf |
|
|
87.99.2 Maatschappelijke opvang met verblijf |
|
|
88.10 Maatschappelijke dienstverlening zonder verblijf gericht op ouderen en mensen met een handicap |
|
|
88.10.1 Huishoudelijke hulp voor ouderen en mensen met een handicap |
|
|
88.10.2 Ondersteuning en begeleiding ouderen (inclusief dagactiviteiten) |
|
|
88.10.3 Ondersteuning en begeleiding mensen met een handicap (inclusief dagactiviteiten) |
|
|
88.99 Overige maatschappelijke dienstverlening zonder verblijf waarbij geen onderdak wordt verschaft, n.e.g |
|
|
88.99.1 Ondersteuning en begeleiding jeugdigen zonder verblijf (inclusief dagactiviteiten) |
|
|
88.99.2 Sociaal-maatschappelijk welzijnswerk |
|
|
88.99.9 Overige welzijnszorg |
|
|
47.73.0 Detailhandel in farmaceutische artikelen |
|
|
B. In aanmerking komende SBI-codes |
|
|
85.52.2 Kunstzinnige vorming van amateurs (geen dansscholen) |
|
|
88.91.0 Kinderopvang |
|
|
90.20.0 Activiteiten op het gebied van uitvoerende kunst |
|
|
90.31.0 Exploitatie van theaters, schouwburgen en poppodia |
|
|
91.1 Activiteiten van bibliotheken en archieven |
|
|
91.11.1 Activiteiten van openbare bibliotheken |
|
|
91.11.9 Activiteiten van overige culturele uitleencentra en bibliotheken |
|
|
91.12.0 Activiteiten van archieven |
|
|
91.21.1 Activiteiten van musea |
|
|
91.22.0 Activiteiten met betrekking tot historische locaties en monumenten |
|
|
91.41 activiteiten botanische tuinen en dierentuinen |
|
|
91.41.0 Activiteiten van botanische tuinen en dierentuinen |
|
|
93.11.1 Exploitatie van zwembaden |
|
|
93.12.9 Activiteiten van overige sportclubs en omnisportclubs |
|
|
94.91.0 Activiteiten van levensbeschouwelijke organisaties |
|
|
94.92.0 Activiteiten van politieke organisaties |
|
|
94.99.1 Activiteiten van gezelligheidsverenigingen |
|
|
94.99.2 Activiteiten van hobbyclubs |
|
|
94.99.6 Activiteiten van overige ideële organisaties n.e.g. |
|
|
94.99.7 Overige belangenbehartiging n.e.g. |
|
Deze regeling wijzigt de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 (hierna: DUMAVA). Op grond van de DUMAVA kan aan eigenaren van maatschappelijk vastgoed – zoals scholen, gebouwen van gemeenten en sportaccommodaties – een tegemoetkoming worden gegeven in de kosten om te verduurzamen.
De wijzigingsregeling voorziet in een nieuwe aanvraagronde voor de subsidie van 1 juni 2026 tot en met 16 oktober 2026 en een subsidieplafond van 405 miljoen euro. Daarnaast worden enkele wijzigingen voorgesteld om de regeling toegankelijker te maken. De wijzigingen komen onder andere voort uit de evaluatie van de regeling en uit signalen vanuit de uitvoeringsorganisatie Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Zo wordt het minimumbedrag dat in aanmerking komt voor subsidie voor losse maatregelen verlaagd. Ook wordt de eis losgelaten dat een eigenaar niet meer dan tweemaal de subsidie op grond van losse maatregelen mag aanvragen. Verder wordt de subsidiëring van ureumformaldehydeschuim (hierna: UF-schuim) uitgesloten. Daarnaast wordt mogelijk gemaakt dat een openbaar lichaam, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen en opgericht door gemeenten, provincies of waterschappen, de subsidie kan aanvragen. Ook zijn er nieuwe voorwaarden voor de subsidiestapeling in de regeling opgenomen. Tot slot zijn er technische wijzigingen doorgevoerd in bijlage II en III bij de regeling.
Sinds 2022 zijn er jaarlijks nieuwe subsidierondes geweest waarin aanvragen voor subsidies voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed konden worden ingediend. Ter voorbereiding op deze wijzigingsregeling is de regeling geëvalueerd door CE Delft, een onafhankelijk adviesbureau. De evaluatieperiode besloeg de periode 2022 tot en met 2025.1 In het evaluatieonderzoek is gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling. Ook is gekeken naar het doenvermogen van aanvragers. Door een combinatie van methoden, zowel een enquête onder zowel aanvragers waarvan de subsidieaanvraag is toegekend, als aanvragers waarvan de subsidieaanvraag is afgewezen en diepte-interviews, worden in de evaluatie conclusies getrokken. Deze conclusies worden ondersteund met kwalitatieve en kwantitatieve data. De conclusies zien op het gebruik, de doeltreffendheid, de doelmatigheid van de regeling en het doenvermogen van degenen die gebruik willen maken van de regeling.
De evaluatie laat zien dat er in de periode van 2022 toten met 2025 in totaal 1,2 miljard euro aan subsidie beschikbaar was en dat er ruim 6.000 aanvragen zijn gedaan. Er wordt geconcludeerd dat de regeling bijdraagt aan het doel om eigenaren van bestaand maatschappelijk vastgoed te ondersteunen en te stimuleren om te investeren in verduurzamingsmaatregelen ten behoeve van het verbeteren van de energieprestatie of energie-efficiëntie van het maatschappelijk vastgoed.
Ten aanzien van de doeltreffendheid wordt ingeschat dat de projecten die met DUMAVA-subsidie gerealiseerd zijn of nog worden gerealiseerd met het beschikbare budget in totaal jaarlijks tot 209 kton CO2-reductie leiden (bruto-effect). Ook wordt geconcludeerd dat de subsidie vaak wordt ingezet om een hogere trede van verduurzaming te bereiken dan aanvankelijk beoogd. De subsidie wordt door aanvragers als vliegwiel gezien. Dit sluit aan bij de beoogde voorbeeldrol van overheidsinstanties en het doel om bij te dragen aan de renovatiestandaard.
De regeling wordt niet alleen als doeltreffend gezien, maar ook als doelmatig. De uitvoeringskosten zijn met 0,8% van het totale subsidiebudget betrekkelijk laag en de tevredenheid onder aanvragers over de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) is groot. De doelmatigheid is volgens het onderzoek lager dan bij regelingen zoals de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE), maar hoger dan andere regelingen, zoals bijvoorbeeld de salderingsregeling voor zonnepanelen. Dit is te verklaren doordat de DUMAVA-regeling vanuit de doelstelling inzet op het nemen van meer ambitieuze maatregelen dan de ISDE (d.w.z. de kosten per ton CO2-reductie liggen hoger).
Ten aanzien van het doenvermogen wordt opgemerkt dat de regeling met name lastig is voor doelgroepen met weinig ervaring met het aanvragen van subsidies, bijvoorbeeld omdat de organisatie wordt gerund door vrijwilligers. De regeling vergt veel verschillende acties, wat veel van het doenvermogen van de aanvragers kan vragen. Een van de aanbevelingen is dat RVO explicieter communiceert over de ondersteuningsmogelijkheden van RVO. Deze aanbeveling wordt overgenomen. Daarnaast wordt via de ontzorgingsprogramma’s2 verder ingezet op ondersteuning.
Veel van de aanbevelingen in het evaluatierapport worden overgenomen. Zo zal de daadwerkelijke CO2-reductie gemonitord worden, net als het bereik van de regeling en de uitvoeringstermijn. Deze aanbevelingen zullen in de uitvoering van de regeling worden meegenomen door RVO.
Ook zijn er aanbevelingen die over aspecten van de regeling zelf gaan, bijvoorbeeld hoe de regeling beter kan aansluiten op eigenaren van grote en kleine gebouwen. De aanbeveling om het minimumbedrag te verlagen wordt daarbij overgenomen in deze wijzigingsregeling. De in het evaluatierapport voorgestelde oplossing voor grote gebouwen om integrale verduurzaming op het niveau van gebouwdelen toe te staan, wordt niet overgenomen. Deze aanbeveling betekent dat de kern van de regeling losgelaten moet worden, namelijk de stimulans om te verduurzamen naar de renovatiestandaard (en hier een hoger subsidiepercentage voor te ontvangen). Bovendien wordt deze integrale verduurzaming van het gehele gebouw naar de renovatiestandaard getoetst op basis van een uniformere en verifieerbare methode (namelijk de energielabelbepaling en het Maatwerkadvies). Om eigenaren van grote gebouwen wel tegemoet te komen, wordt het op grond van deze wijzigingsregeling mogelijk om vaker dan twee keer een subsidie voor losse maatregelen aan te vragen. Daarbij is het niet mogelijk om de subsidie aan te vragen en te verlenen voor dezelfde activiteiten ten behoeve van hetzelfde maatschappelijk vastgoed, tenzij het verduurzamingsmaatregelen een ander deel van hetzelfde maatschappelijk vastgoed betreft. Om deze reden is een afwijzingsgrond toegevoegd aan artikel 11 van de regeling. Het aanpassen van de afwijzingsgronden in artikel 11 maakt het mogelijk om de subsidie te gebruiken voor het verduurzamen van verschillende delen van het gebouw, bijvoorbeeld door eerst isolerende beglazing in één deel van het gebouw toe te passen en later in een ander deel van het gebouw.
Een andere aanbeveling betreft het expliciet verankeren van het tegengaan van netcongestie in de regeling. Om in de regeling de gevolgen van netcongestie te ondervangen, wordt in ieder geval de eis van aardgasvrij voor gebouwen die na 2012 zijn opgeleverd, versoepeld, hierdoor is het mogelijk om binnen de gestelde uitvoeringstermijn de verduurzamingsplannen alsnog uit te voeren. Ook wordt via communicatie het netbewustzijn onder maatschappelijke vastgoedeigenaren vergroot. Niet elke eigenaar is bewust van de impact van de verduurzamingsplannen op de elektriciteitsnetaansluiting. Het advies om in de regeling energiemanagementsystemen subsidiabel te maken, wordt niet overgenomen omdat vanuit de EPBD IV een Gebouw Automatiserings- en Controle Systeem verplicht wordt. De implementatie van de EPBD IV op dit punt is medio 2026 voorzien.
Naar aanleiding van signalen uit de uitvoering wordt de regeling ook op enkele andere punten gewijzigd. Zo zijn er nieuwe voorwaarden opgenomen voor de subsidiestapeling. Het plafond dat in 2025 is geïntroduceerd voor deze subsidiestapeling wordt verruimd. Voorheen kon de subsidie enkel gecombineerd worden met andere subsidies voor dezelfde activiteiten tot een bedrag van maximaal 50% van de totale kosten, exclusief leningen. Veel organisaties binnen de doelgroep van deze regeling zijn echter in grote mate afhankelijk van gemeentelijke bijdragen. Om het makkelijker te maken dat aanvragers met een sluitende financiering komen voor de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed, wordt het plafond van 50% uitgebreid naar maximaal 100% van de kosten, exclusief leningen. Dit betekent dat de totale subsidie niet meer mag bedragen dan 100% van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt. Dezelfde eis geldt voor de subsidie inclusief leningen. Daarbij blijft ongewijzigd dat de subsidie niet mag worden gecombineerd met een reeds verstrekte subsidie van het Rijk, tenzij die subsidie een lening betreft. Bovenlokale ondernemingen, dat wil zeggen ondernemingen die niet zuiver lokaal opereren, vormen een belangrijke uitzondering op deze versoepeling. Om te voorkomen dat bovenlokale ondernemingen worden gesubsidieerd in strijd met het Europees staatssteunrecht, kunnen zij geen subsidie ontvangen als er al eerder subsidie op grond van andere subsidieregelingen is ontvangen voor hetzelfde doel.
Ook is met deze wijziging een doelgroep toegevoegd aan de regeling. Het gaat om openbare lichamen, bedoeld in hoofdstuk I tot en met VII van de Wet gemeenschappelijke regelingen, opgericht door gemeenten, provincies of waterschappen. Een gebouwde onroerende zaak in eigendom van een provincie, gemeente, waterschap of veiligheidsregio werd al wel aangemerkt als maatschappelijk vastgoed waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, terwijl dit nog niet gold voor openbare lichamen die worden opgericht door een gemeenschappelijke regeling van gemeenten, provincies of waterschappen. Het maatschappelijk vastgoed in eigendom van deze categorie openbare lichamen valt nu ook onder de definitie van maatschappelijk vastgoed. Hierdoor is het mogelijk dat ook deze openbare lichamen subsidie kunnen krijgen voor onder meer de renovatieverplichting voor gebouwen waarvan zij eigenaar zijn.
Daarnaast is na de internetconsultatie gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een afwijzingsgrond toe te voegen die ziet op het uitsluiten van subsidiëring van het toepassen van UF-schuim. Voor subsidiëring op grond van de Maatregelenlijst is dit al geregeld vanwege de verwijzing naar de ISDE-meldcodelijst waar geen maatregelen met betrekking tot UF-schuim meer in zijn opgenomen. Voor subsidiëring van integrale verduurzaming is UF-schuim nu als afwijzingsgrond opgenomen. Aanleiding voor deze wijziging is een recente studie van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) over de schadelijke gezondheidseffecten van na-isolatie met UF-schuim.3 Bij het aanbrengen van UF-schuim als isolatiemateriaal voor het na-isoleren van spouwmuren komt formaldehyde vrij, dat kan lekken naar het binnenmilieu van woningen. Daardoor kunnen er hoge concentraties formaldehyde in woningen aanwezig zijn en door blootstelling daaraan kunnen gezondheidsklachten ontstaan. De GGD raadt voorlopig af om UF-schuim voor na-isolatie te gebruiken, totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim op een verantwoorde manier kan worden toegepast. Ook Venin, de brancheorganisatie van erkende isolatiebedrijven in Nederland, adviseert haar leden om de toepassing van UF-schuim tijdelijk te pauzeren tot aanvullend onafhankelijk onderzoek is afgerond, er helderheid bestaat over gezondheidskundige risico’s, en – indien nodig – aangepaste certificeringseisen en verwerkingsrichtlijnen zijn vastgesteld.4 UF-schuim is niet meer subsidiabel op grond van titel 4.5, Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE), van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies, de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) en de Subsidieregeling verduurzaming en onderhoud huurwoningen (SVOH). De DUMAVA is dienovereenkomstig aangepast.
Daarnaast zijn enkele technische wijzigingen doorgevoerd. Zo is de begripsomschrijving van SBI-code aangepast vanwege de actualisering van de SBI 2008 naar de SBI 2025. Ook wordt nu in de regeling verwezen naar de Energiewet in plaats van de eerder opgenomen verwijzingen naar de per 1 januari 2026 ingetrokken Gaswet en de Elektriciteitswet 1998. Verder zijn enkele aanpassingen gedaan in de Maatregelenlijst, waaronder het versoepelen van de eisen aan isolerende beglazing van triple glas naar HR++. De DUMAVA sluit hiermee aan bij de ISDE, SVVE en SVOH. Ook zijn aanpassing opgenomen ten aanzien van de adviezen van monumenten en ten aanzien van de maatregelen voor dak-, gevel- en vloerisolatie. Tot slot is de ondergrens (15 kWp) van het vermogen van zonnepanelen losgelaten omdat van verschillende kanten signalen kwamen dat deze ondergrens te groot is voor een kleine accommodatie.
De Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 is gebaseerd op de Kaderwet overige BZK-subsidies en het Kaderbesluit BZK-subsidies (hierna: Kaderwet en Kaderbesluit). De Kaderwet en het Kaderbesluit vormen het juridisch kader waarbinnen subsidies worden verstrekt. De regels uit de Kaderwet en het Kaderbesluit zijn dan ook van toepassing op Dumava-subsidies. Het Kaderbesluit biedt in enkele gevallen de ruimte om bij ministeriële regeling af te wijken in het Kaderbesluit opgenomen voorschriften. In de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 is bijvoorbeeld afgeweken van het in het Kaderbesluit opgenomen voorschrift dat geen subsidies kunnen worden verstrekt aan gemeenten, provincies en waterschappen of aan openbare lichamen genoemd in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Naast de Kaderwet en het Kaderbesluit is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op de DUMAVA subsidies. In titel 4.2 van de Awb zijn regels gesteld over subsidies, die gelden voor elke subsidie die vanuit de overheid wordt verstrekt. Die voorschriften zijn dus ook van toepassing op de subsidies die worden verstrekt op grond van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025.
De in deze regeling opgenomen bepalingen gaan over de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. De regeling raakt in enkele bepalingen aan de Energiewet. In de regeling werd voorheen in enkele bepalingen verwezen naar de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998. Per 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. Die wet vervangt de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998, die daarom per 1 januari 2026 ook niet meer van kracht zijn. In de regeling wordt in enkele bepalingen verwezen naar begrippen in de Energiewet. Het gaat dan met name om bepalingen over aansluitingen op gas en elektriciteit en over systeembeheerders.
Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen organen van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk een gemeenschappelijke regeling vaststellen waarbij wordt besloten tot de oprichting van een openbaar lichaam. Openbare lichamen opgericht door regelingen in de zin van hoofdstuk I tot en met VII van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dus tussen gemeenten, provincies en waterschappen, kunnen op grond van deze regeling voortaan subsidie aanvragen voor verduurzaming van gebouwen die hun eigendom zijn.
Als de overheid subsidie verleent aan een onderneming kan dit te kwalificeren zijn als staatssteun. Staatssteun is gereguleerd op Europees niveau en zal op basis van het Europees recht gerechtvaardigd moeten worden.
Het begrip ‘onderneming’ dient daarbij breed uitgelegd te worden; het uitvoeren van een economische activiteit (ook zonder winstoogmerk) kan er al toe leiden dat er sprake is van een onderneming. De meeste doelgroepen die in aanmerking komen voor deze regeling kunnen niet worden aangemerkt als een onderneming. Wel geldt het volgende: als aanvragers die geen onderneming zijn verduurzamingsmaatregelen niet tegen een marktconforme prijs laten uitvoeren, vallen ze ook onder de regels voor ondernemingen.
In overeenstemming met het Europese staatssteunrecht vallen ondernemingen wier activiteiten geen invloed hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie niet onder de Europese staatssteunregels. Dit criterium wordt streng uitgelegd. Het moet gaan om ondernemingen met een zuiver lokaal effect. De Europese Commissie kijkt bij het toepassen van deze regel of steun aan een onderneming een meer dan marginale invloed kan hebben op de positie van buitenlandse investeerders in de Nederlandse markt. Daarbij kijkt de Commissie naar verschillende criteria, bijvoorbeeld het percentage buitenlandse klanten, de grootte van de onderneming, of deze slechtslokaal actief is en ook de aanwezigheid van buitenlandse spelers op de markt. Ook als een grotere onderneming weinig buitenlandse klanten heeft, betekent steun aan de onderneming doorgaans dat buitenlandse ondernemingen zich minder makkelijk kunnen vestigen in de Nederlandse markt. In de subsidieregeling worden vanwege deze regels specifiek voor ‘bovenlokale ondernemingen’ bijzondere eisen gesteld, omdat deze invloed kunnen hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten.
Organisaties kunnen ook ten dele vallen onder het ondernemingsbegrip. Dit kan relevant zijn voor decentrale overheden, die soms een erg diverse vastgoedportefeuille hebben. Als ze vastgoed bezitten dat gratis of onder de marktprijs wordt gebruikt door een onderneming, zoals een theater of museum waar buitenlandse bezoekers op af komen, vallen ze voor het verduurzamen van dat vastgoed wel onder het ondernemingsbegrip. Ze moeten dan voldoen aan de voorwaarden die gelden voor bovenlokale ondernemingen. Ook sportorganisaties moeten hiermee rekening houden, in het geval hun vastgoed bijvoorbeeld ook voor professionele sport wordt gebruikt.
Twee Europese verordeningen worden gebruikt om steun aan bovenlokale ondernemingen mogelijk te maken. Dat zijn de reguliere de-minimisverordening en de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV). Als bovenlokale ondernemingen subsidie aanvragen voor losse verduurzamingsmaatregelen, inclusief daaraan gekoppelde adviezen of energielabels, gelden extra regels. Dit kunnen regels op grond van de reguliere de-minimisverordening betreffen of regels uit de algemene groepsvrijstellingsverordening, afhankelijk van de keuze van de aanvrager. Energielabels en energieadviezen of Duurzame Monumenten maatwerkadviezen kunnen slechts op grond van de reguliere de-minimisverordening worden gesubsidieerd.
Als bovenlokale ondernemingen integrale verduurzaming laten subsidiëren, gelden de regels uit de AGVV. Ook bij integrale verduurzaming door bovenlokale ondernemingen gelden de regels uit de reguliere de-minimisverordening voor wat betreft de subsidie voor maatwerkadviezen, Duurzame Monumenten maatwerkadviezen en energielabels.
Bovenlokale ondernemingen die verduurzaming aanvragen moeten er als laatste op letten dat bepaalde fondsen door de overheid worden gefinancierd en daarom ook gelden als staatssteun. In het geval ondernemingen van een dergelijk fonds subsidie hebben ontvangen, moeten ze dit ook bij de aanvraag aangeven, op grond van artikel 11, derde lid, onder a, en artikel 17, tweede lid, onder a, van de regeling.
Op grond van de de-minimisverordening mag een enkele bovenlokale onderneming in een periode van drie opeenvolgende belastingjaren niet meer dan het maximumbedrag van 300.000 euro aan steun ontvangen. Hierbij is van belang dat alle ontvangen de-minimissteun meetelt, dus ook de-minimissteun die is verstrekt op grond van andere subsidies van het Rijk of decentrale overheden.
Een onderneming die subsidie op grond van de reguliere de-minimisverordening aanvraagt moet een de-minimisverklaring invullen. In de verklaring geeft de aanvrager aan of hij in het lopende belastingjaar en de afgelopen twee belastingjaren reeds andere de-minimissteun heeft ontvangen. Alle de-minimissteun die de aanvrager heeft ontvangen wordt daartoe samen opgeteld, onafhankelijk van de aard van de activiteiten waarvoor de steun is verleend. Op het moment van verlening wordt getoetst of het maximumbedrag niet wordt overschreden. Een format voor de de-minimisverklaring is op de website van RVO beschikbaar gesteld.
Ook zijn de volgende regels van toepassing: de-minimissteun mag volgens deze subsidieregeling niet worden gegeven voor activiteiten waarvoor al subsidie is verstrekt. Verder mag de-minimissteun niet aan ondernemingen worden gegeven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten. Ook verleent een lidstaat pas nieuwe de-minimissteun nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dat het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de onderneming is verleend, niet het plafond van steun overschrijdt. Wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de reguliere de-minimisverordening, wordt geen subsidie verstrekt.
Per 1 januari 2026 geldt op grond van artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening de verplichting dat de lidstaten informatie over verleende de-minimissteun dienen te registreren in een centraal register. Verleende subsidies die ook de-minimissteun zijn, worden door RVO, uiterlijk 20 werkdagen na het verlenen van de steun, in het centrale de-minimisregister geregistreerd. In het de-minimisregister worden conform artikel 6, eerste lid, van de verordening, de volgende gegevens geregistreerd: de gegevens van de begunstigde, het steunbedrag, de toekenningsdatum, de steunverlenende autoriteit, het steuninstrument en de betrokken sector op basis van de statistische classificatie van economische activiteiten in de Unie (de NACE-classificatie).
De AGVV stelt aan de subsidie een aantal algemene voorwaarden, bijvoorbeeld dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar stimulerend effect van de subsidies, waardoor de subsidies alleen voorafgaand aan het verrichten van de verduurzamingsactiviteiten kunnen worden aangevraagd. Advisering over verduurzaming (de adviezen van onderdeel A van bijlage 3) kan op grond van de reguliere de-minimisverordening wel vóór aanvraag van de subsidie worden uitgevoerd.
Daarnaast dient voor verlening van een subsidie op grond van deze regeling te worden vastgesteld dat er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de AGVV. Ook mag geen sprake zijn van een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de AGVV. Om te voldoen aan deze voorwaarden, zijn deze opgenomen als afwijzingsgronden in de regeling.
Als bovenlokale ondernemingen losse maatregelen laten verduurzamen op grond van de AGVV moeten ze zich verder houden aan de voorwaarden die in artikel 11, derde lid, van de regeling op een rij zijn gezet. Hier is onder andere het minimum aan energieprestatieverbetering terug te vinden dat op grond van artikel 38 bis geldt voor subsidies ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen. Deze energieprestatieverbetering moet worden aangetoond met dezelfde berekening als de berekening die wordt gebruikt om energielabels vast te stellen. Ook dit volgt uit de AGVV. Wanneer het gaat om het subsidiëren van maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen mogelijk maken, wordt door de subsidievoorwaarden voldaan aan de vereisten van artikel 41 van de AGVV. De steunintensiteit van 20% voldoet bijvoorbeeld aan het maximum van dat artikel. Wanneer het gaat om het subsidiëren van de kosten voor de aansluiting op een warmte- of koudenet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 46 van de AGVV. Dit komt bijvoorbeeld terug in de extra eisen die in maatregel H.4 worden gesteld aan het warmte- of koudenet waarop de aansluiting betrekking heeft.
Als bovenlokale ondernemingen integrale verduurzaming laten subsidiëren, moeten ze zich houden aan een aantal specifieke eisen die de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt, zoals hieronder wordt beschreven.
Het deel ‘Steun voor milieubescherming’ van de AGVV geeft de mogelijkheid om subsidie voor de investeringskosten van energiebesparende maatregelen in gebouwen te verstrekken (op grond van artikel 38 bis). Artikel 38 bis van de AGVV schrijft voor dat maximaal 30% van de kosten voorenergiebesparende maatregelen in gebouwen worden gesubsidieerd. Daarbij kan voor kleine ondernemingen de steunintensiteit met 20% worden verhoogd en voor middelgrote ondernemingen met 10%. In deze regeling is ervoor gekozen ervoor maximaal 40% van de kosten te subsidiëren bij integrale verduurzaming, tenzij er sprake is van een grote onderneming. Een belangrijke verdere voorwaarde in artikel 38 bis van de AGVV is dat subsidie slechts mag worden verleend als dit leidt tot een bepaalde energieprestatieverbetering, gemeten in primaire energie. In het geval van renovatie van bestaande gebouwen gaat het in de hoofdregel om minstens 20%. De hoofdregel is in het geval van integrale verduurzaming consequent toegepast.
Wanneer bovenlokale ondernemingen een integraal verduurzamingspakket laten subsidiëren, moet het pakket aan maatregelen voldoen aan de eisen die artikel 38 bis van de AGVV stelt. Wanneer maatregelen niet direct gericht zijn op de besparing van energiegebruik van een gebouw, moeten ze daarom aan extra eisen voldoen. Met name moeten de maatregelen die in artikel 38 bis, zevende lid, van de AGVV worden genoemd voldoen aan de eisen die in dat lid staan. Dat betekent onder andere dat subsidie voor productie van hernieuwbare energie in een gebouw slechts kan als dat gecombineerd wordt met subsidie voor maatregelen die zien op energiebesparing van het gebouw, bijvoorbeeld betere isolatie. Als aansluiting op een warmtenet of stadsverwarming wordt gesubsidieerd, moet dit warmtenet een energie-efficiënt systeem zijn, wat betekent dat het warmtenet ten minste 50% hernieuwbare energie, 50% afvalwarmte, 75% warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50% uit een combinatie van dergelijke energie en warmte gebruikt. Steun voor de installatie van met fossiele brandstoffen gestookte energie-uitrusting (zoals hybride CV-ketels) mag op grond van de AGVV niet worden gegeven.
Deze regeling draagt bij aan het voldoen aan de verplichtingen die volgen uit de implementatie van de Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD IV). Met deze regeling worden eigenaren van maatschappelijk vastgoed gestimuleerd om te investeren in maatregelen die bijdragen aan de verplichtingen die volgen uit deze richtlijn, zoals het verbeteren van de slechtst presterende gebouwen en het verduurzamen van gebouwen naar zero emission buildings (ZEB).
Zakelijke gebruikers, waaronder maatschappelijke instellingen, kunnen op grond van de titel 4.5, Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies een ISDE-subsidie krijgen voor energiebesparende maatregelen ten behoeve van het verhogen van de energieprestatie of energie-efficiëntie van gebouwen of voor het aansluiten op een warmtenet. Deze maatregelen zijn ook opgenomen als subsidiabele maatregel in de DUMAVA en in dat opzicht bestaat dus overlap tussen de DUMAVA en de ISDE. Aanvragers hebben geen recht op subsidie voor activiteiten waarvoor al een ISDE-subsidie is verstrekt.
Op grond van de ISDE, de SVVE en de SVOH kan onder meer een subsidie voor het vervangen van glas door hoogrendementsglas worden verleend aan woningeigenaren (dus niet zijnde zakelijke gebruikers), verenigingen van eigenaren en particuliere verhuurders. Het subsidiëren van het vervangen van glas door hoogrendementsglas wordt ook mogelijk gemaakt voor eigenaren van maatschappelijk vastgoed in voorliggende regeling.
De BOSA is bedoeld voor amateursportorganisaties. Deze organisaties kunnen subsidie aanvragen voor bouw- en onderhoudskosten van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen.
Onderdeel van deze regeling is een aanvullende subsidie voor verduurzamingsmaatregelen, waaronder energiemaatregelen. Amateursportorganisaties kunnen naast de BOSA ook gebruik maken van de Subsidieregeling Dumava 2025. Dit geldt alleen voor andere maatregelen dan verduurzamingsmaatregelen. Voor verduurzaming van bestaande sportaccommodaties is het enkel mogelijk om subsidie op grond van de DUMAVA aan te vragen.
Kleine maatschappelijke vastgoedeigenaren kunnen voor het verduurzamen van hun gebouwen terecht bij de ontzorgingsprogramma’s binnen hun provincie. Via deze programma’s kunnen eigenaren gebruik maken van advies en ondersteuning op maat. De diensten van deze ontzorgingsprogramma’s worden kosteloos ter beschikking gesteld. De eigenaren kunnen dan ook gebruik maken van zowel een ontzorgingsprogramma als van deze regeling. Het (maatwerk)advies dat voortkomt uit een ontzorgingsprogramma kan worden gebruikt bij het aanvragen van subsidie op grond van deze regeling.
De EIA en de MIA zijn fiscale aftrekregelingen. De regelingen bieden direct financieel voordeel aan ondernemers die investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen of duurzame energie (EIA) danwel aan ondernemers die investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (MIA). Naast de afschrijving mag van deze investeringen een extra bedrag worden afgetrokken van de winst.
Maatschappelijke instellingen die in Nederland inkomsten- of vennootschapsbelastingplichtig zijn, komen in aanmerking voor de EIA en/of de MIA. Van deze instellingen wordt verwacht dat zij van deze regelingen gebruik maken. Daarom komen deze aanvragers niet in aanmerking voor subsidie op grond van deze regeling.
De Sim is bedoeld voor eigenaren van Rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Via deze regeling kunnen zij aanspraak maken op subsidie voor de onderhoudskosten voor het in stand houden van een rijksmonument en voor het laten uitvoeren van verduurzamingsonderzoeken. Indien er een beschikking is afgegeven voor een verduurzamingsonderzoek in het kader van de Sim, dan is het niet toegestaan dat deze kosten worden opgenomen in de subsidieaanvraag op grond van de DUMAVA.
Bij het treffen van isolatiewerkzaamheden aan gebouwen en woningen moeten de specifieke zorgplicht en de verbodsbepalingen voor flora- en fauna-activiteiten in Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldoende in acht worden genomen. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de diersoorten die in de gebouwen leven en dat deze niet gestoord of gedood mogen worden. Aanvragers van maatregelen C.2, C.3 en L.2 en L.3 dienen met deze voorschriften rekening te houden.
De Energie-etiketteringsverordening (EU) 2017/13695 stelt eisen aan de subsidiëring van producten met energielabels die zijn opgesteld in overeenstemming met deze verordening. Als subsidie wordt verstrekt aan deze producten, moet die gericht zijn op de hoogste twee significant meest bevolkte energie-efficiëntieklassen, of op hogere klassen als dat in de regeling staat die betrekking heeft op deze producten. Dit volgt uit artikel 7, tweede lid, van deze verordening. Het criterium van ‘de hoogste twee significant meest bevolkte energie-efficiëntieklassen’ wordt door de commissie uitgelegd als ‘de twee hoogste energie-efficiëntieklassen die bevolkt zijn en waarin ten minste enkele producten op de markt zijn’.6 Op de website van het Europees productregister voor energie-etikettering (EPREL)7 is de verdeling van producten per energie-efficiëntieklasse te vinden. Daar kunnende hoogste twee labelklassen worden opgezocht waarvan producten op de markt zijn. Ook is daar te vinden welke producten een energielabel hebben. Omwille van de regel in de energie-etikettering-verordening is in de maatregelenlijst in bijlage 3 bij enkele maatregelen aangegeven aan welkenergielabel deze minstens moeten hebben. Ook bij de integrale verduurzamingspakketten kunnen slechts deze energie-efficiëntieklassen worden gesubsidieerd als deze producten worden aangeschaft.
De subsidieregeling draagt bij aan het voldoen aan de renovatieverplichting die de Europese Commissie heeft ingesteld in artikel 6 van de EED.8 Deze verplichting, die in september 2023 is aangescherpt, legt de verplichting op dat minimaal 3% per jaar van het totale vloeroppervlak van verwarmde en/of gekoelde gebouwen in eigendom van overheidsinstanties moet worden gerenoveerd naar bijna-energieneutrale gebouwen of emissievrije gebouwen conform artikel 9 van de Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD).
Via deze regeling worden eigenaren van maatschappelijk vastgoed ondersteund bij het vervullen van de voorbeeldrol, zoals deze is beoogd in het Klimaatakkoord en door de Europese Commissie.9 De lasten zijn direct gerelateerd aan investeringen die eigenaren van maatschappelijk vastgoed doen. Er ontstaan geen lasten voor burgers en voor bedrijven die niet gerelateerd zijn aan maatschappelijk vastgoed.
Rekening houdend met de verschillende subsidiepercentages van 20%, 30% en 40% is de verwachting dat het subsidiebedrag van de gehele regeling gemiddeld rond de 30% bijdraagt aan de totale investeringskosten van aanvragers met betrekking tot de kosten voor verduurzaming. Dit betekent dat inclusief het subsidiebedrag van circa 405 miljoen euro het geïnvesteerde bedrag voor verduurzaming van eigenaren van maatschappelijk vastgoed circa 1.350 miljoen euro is. De totale kosten voor integrale projecten, indien deze worden uitgevoerd op natuurlijke renovatiemomenten, kunnen vele malen hoger liggen (verduurzaming is immers een onderdeel van een renovatieproject).
De regeldrukkosten zijn berekend volgens het Standaardkostenmodel, zoals geformuleerd in het Handboek Meting Regeldrukkosten (2023). De regeldrukkosten van de DUMAVA bestaan uit de kosten van de informatieverplichtingen aan de overheid. Deze kosten doen zich alleen voor als een organisatie besluit subsidie op basis van de DUMAVA aan te vragen.
Een deel van de doelgroep wordt in dit kader ook ontzorgd via een van de ontzorgingsprogramma’s die beschikbaar zijn. Zo is er een ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed (voor eigenaren van klein maatschappelijk vastgoed), een ontzorgingsprogramma mkb (voor culturele ondernemers zonder winstoogmerk), een ontzorgingsprogramma voor sport en een ontzorgingsprogramma voor monumenten. Deze ontzorgingsprogramma’s richten zich in een ontzorgingstraject ook vaak op de DUMAVA. De adviseurs in de ontzorgingsprogrammas stellen een passend energieadvies op en bereiden de subsidieaanvraag voor de DUMAVA voor. Voor eigenaren van klein maatschappelijk vastgoed is er dus geen (of beperkt) sprake van regeldrukkosten als gevolg van de DUMAVA als zij gebruik maken van een van de ontzorgingsprogramma’s.
Uit de evaluatie blijkt dat het gehele subsidieproces (inclusief het voorbereiden van de aanvraag voor subsidie en vaststelling, waaronder ook het lezen van de informatie op de website van RVO), gebruikers gemiddeld ongeveer 9 uur kost. In het geval dat een adviseur van een ontzorgingsprogramma de aanvraag voorbereidt, is die tijdsbesteding lager.
In de evaluatie van de DUMAVA is een enquête uitgezet onder alle gebruikers van de DUMAVA. Een van de vragen was hoe de gebruiker de administratieve lasten (in tijd) voor de DUMAVA-aanvraag zou beschrijven in vergelijking met andere subsidieregelingen. De meerderheid van de respondenten is positief over de administratieve lasten van de DUMAVA en noemt deze niet afwijkend van andere regelingen.
Dit tijdsbestek voor subsidieaanvragen boven de 25.000 euro is groter dan voor aanvragen onder de 25.000 euro. Bij aanvragen onder de 25.000 euro wordt direct een beschikking tot vaststelling van de subsidie gegeven. Dit betekent dat na het aanvragen van de subsidie geen activiteiten meer uitgevoerd hoeven te worden om de subsidie definitief vast te stellen. Bij aanvragen boven de 25.000 euro wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven met een voorschot van 70% van het subsidiebedrag. Na het uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt wordt een verzoek tot vaststelling van de subsidie ingediend. Op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten wordt vervolgens achteraf de hoogte van het definitieve subsidiebedrag vastgesteld.
Om een subsidieaanvraag in te dienen, moet een eigenaar van maatschappelijk vastgoed beschikken over een passend verduurzamingsadvies. Zo’n energieadvies helpt om inzicht te krijgen in het energiegebruik van de aanvrager en de staat van het gebouw. Verduurzaming is immers voor een deel van de maatschappelijk vastgoedeigenaren geen kernactiviteit van de organisatie of de organisatie wordt gerund door vrijwilligers. Daarbij geldt de eis dat een energieadvies maximaal 48 maanden mag oud zijn. Een eigenaar kan dus voor hetzelfde gebouw meerdere keren subsidie aanvragen op grond van hetzelfde verduurzamingsadvies. Ook helpt een energieadvies RVO in de uitvoering, bijvoorbeeld om te controleren of partijen geen subsidie aanvragen voor maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen. Deze controle kan RVO niet uitvoeren zonder het advies, want daarvoor is vereist dat het energiegebruik bekend is en dat bekend is wat de terugverdientijd is van een maatregel.
Voor de kosten van zo’n energieadvies kan subsidie worden aangevraagd, mits de adviezen niet voortkomen uit een ontzorgingstraject (de adviezen zijn dan immers al vergoed). De inschatting is dat de kosten van een passend advies gemiddeld rond de 4.500 euro liggen. Deze inschatting is aan de hoge kant, aangezien een eigenaar voor hetzelfde gebouw meerdere keren subsidie voor losse maatregelen kan aanvragen (en dus gebruik kan maken van hetzelfde verduurzamingsadvies). Circa 25% van de aanvragers vraagt geen subsidie aan voor een energieadvies (en zal naar alle waarschijnlijkheid deelnemen aan een ontzorgingstraject).
De gemiddelde kosten voor een energieadvies bedragen circa 1,5% ten opzichte van het gemiddelde verleende subsidiebedrag (dit percentage geldt dus ook voor het totaal verleende subsidiebudget voor energieadviezen ten opzichte van het totale subsidiebudget). Zoals hierboven aangegeven zal dit in werkelijkheid een lager percentage betreffen doordat eenzelfde advies meerdere keren gebruikt kan worden, de netto-last lager is doordat een eigenaar tussen de 20% en 40% subsidie kan krijgen voor een advies en doordat een groot deel van de aanvragende doelgroep overheidspartijen betreft.
De totale administratieve lasten worden geschat op 7.086.698 euro. Hierbij is uitgegaan van 1.800 aanvragen, 9 uur per aanvraag, een uurtarief van 54 euro en de gemiddelde kosten voor energieadviezen. Dit is 1,7% van het totaal beschikbare subsidiebedrag in 2026 van 405 miljoen euro.
|
Handeling |
uren |
uurtarief |
aantal aanvragen |
Totale kosten |
|---|---|---|---|---|
|
aanvragen boven 25.000 euro |
||||
|
Indienen aanvraag |
3 |
54 |
1440 |
233.280 |
|
Aanvraag tot vaststelling |
3 |
54 |
1440 |
233.280 |
|
Controle: vragen |
3 |
54 |
2881 |
46.656 |
|
Controle: bezoek |
1 |
54 |
432 |
2.332 |
|
aanvragen tot 25.000 euro |
||||
|
Aanvraag/ vaststelling |
3 |
54 |
360 |
58.320 |
|
Controle: vragen |
3 |
54 |
723 |
11.664 |
|
Controle achteraf |
2 |
54 |
104 |
1.166 |
|
586.696 |
||||
|
Kosten energieadviezen |
6.500.0005 |
|||
|
Totaal |
7.086.698 |
Steefproef RVO is 3% om te bepalen of de prestatie geleverd is en daarmee subsidie rechtmatig verstrekt is. Dit staat tevens in het handhavingsplan van het RVO.
Deze inschatting is aan de hoge kant doordat eenzelfde advies meerdere keren gebruikt kan worden, de netto-last lager is (doordat een eigenaar tussen de 20% en 40% subsidie kan krijgen voor een advies) en doordat een groot deel van de aanvragende doelgroep overheidspartijen betreft (waardoor deze kosten niet als regeldruk maar als bestuurlijke lasten worden gekwalificeerd). Omdat deze variabelen ingeschat moeten worden, zijn deze niet meegenomen in de berekening en is uitgegaan van het hoge bedrag.
De regeling wordt uitgevoerd door RVO, in mandaat van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Dit houdt in dat RVO de aanvragen ontvangt, beoordeelt, de beschikkingen verleent en de uitbetaling doet.
Het toezicht op de naleving van de subsidieregeling is belegd bij de RVO in naam van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De wijziging van deze regeling brengt geen wijziging aan in de wijze waarop het toezicht en de handhaving zijn ingericht. RVO voert het toezicht uit door middel van controle van aangeleverde stukken. De regeling blijft binnen de uitvoeringscapaciteit van RVO. Bij constatering van onregelmatigheden kunnen subsidiemiddelen worden ingetrokken of teruggevorderd conform de Awb, de Kaderwet en het Kaderbesluit.
Voor de regeling wordt een subsidieplafond van 405 miljoen euro beschikbaar gesteld. Deze middelen staan op de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
De openbare internetconsultatie van de DUMAVA is gehouden van 26 februari 2026 tot en met 25 maart 2026. Via de internetconsultatie is gevraagd of men wil reageren op de conceptregeling en -toelichting.
De internetconsultatie heeft in totaal 32 individuele reacties opgeleverd. Er is een consultatieverslag gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl. In het verslag wordt op hoofdlijnen een beeld geschetst van de binnengekomen reacties met een reactie namens het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hieronder volgt een overzicht van enkele onderwerpen die vaker naar voren kwamen.
Uitvoeringstermijn en netcongestie
Meerdere partijen hebben aangegeven dat de uitvoeringstermijn zoals in de regeling is vastgesteld, krap is. Daarbij geeft een deel van de partijen aan dat dit met name door netcongestie komt. Hoewel het ministerie zich realiseert dat netcongestie een knelpunt is, is met de voorliggende wijzigingsregeling juist gekeken naar mogelijke aanpassingen om de haalbaarheid van projecten te vergroten wanneer er sprake is van netcongestie. Zo is bij gebouwen die na 2012 zijn opgeleverd de eis om de gasaansluiting te vervangen, losgelaten. Daarnaast is voor de uitvoeringstermijn aandacht geweest in de evaluatie van de regeling. De conclusie die in de evaluatie wordt getrokken, is dat er nu geen aanleiding is om de uitvoeringstermijn aan te passen. Het ministerie neemt het advies over om dit te blijven monitoren. Voor initiatiefnemers is het wel van belang om voorafgaand aan de werkzaamheden te kijken naar de impact van de verduurzamingsmaatregelen op de netaansluiting. Zo kan gekeken worden wat wel mogelijk is en kunnen vervolgens uitvoerbare plannen ingediend worden voor de DUMAVA.
Monumenten
De aanpassing met betrekking tot adviezen over monumenten riep bij verschillende partijen vragen op. Er wordt gevraagd wat de term Duurzaam Monumenten maatwerkadvies betekent. Ook worden er zorgen geuit over de kwaliteit van de adviezen als gevolg van deze aanpassing. Er is geen intentie om de zorgvuldige aanpak rondom monumenten los te laten. De term Duurzaam Monumenten maatwerkadvies is in overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in de DUMAVA opgenomen om nadere duiding te geven aan het type advies dat voor monumenten nodig is en in aanmerking komt voor subsidiëring. Centraal staat dat er sprake moet zijn van een maatwerkadvies. Een dergelijk advies is toegespitst op de concrete situatie van een monument, waarin bij de afweging van de voorgestelde verduurzamingsmaatregelen rekening wordt gehouden met de monumentale waarden. Volgens bijlage A.3 moet een dergelijk advies voldoen aan de normen van de beroepsgroep. De term ‘maatwerk’ verwijst enerzijds naar de Duurzame monumentenadviezen en anderzijds naar de EP-maatwerkadviezen. Het is aan de aanvrager om te kijken met wat voor soort advies hij of zij het beste uit de voeten kan. Wel is het van belang dat rekening wordt gehouden met de monumentale waarden. Die moeten worden beoordeeld door een ‘terzake deskundige'. Dat kan een bouw- of architectuurhistoricus zijn, zoals eerder in de regeling als vereiste was opgenomen, maar het kan ook een andere deskundige op dit gebied zijn.
Voorbereidingen voor de vervanging van de aansluiting op gas
De versoepeling t.a.v. de eis om gebouwen na 2012 van het aardgas af te halen, heeft ook vragen opgeroepen. Men vraagt wat verstaan wordt onder ‘de voorbereiding op’. Ook is gevraagd of de bewijslast vereenvoudigd kan worden. Er wordt aangegeven dat het niet altijd haalbaar is om een indicatie van de termijn te geven waarop de aansluiting op het elektriciteitsnet kan worden gerealiseerd. Dit punt is in de wijzigingsregeling aangepast. Het is niet meer nodig om een termijn aan te geven. Wel moet er een overzicht van de systeembeheerder gedeeld worden dat inzicht geeft in de aansluitmogelijkheden (of onmogelijkheden) op het elektriciteitsnet. Voor een verdere toelichting wordt naar het consultatieverslag verwezen.
Integrale verduurzaming per gebouwdeel
Meerdere partijen hebben gevraagd of de integrale verduurzaming ook per gebouwdeel mogelijk kan worden gemaakt in plaats van per gebouw. Om met deze tijdelijke subsidie maximaal bij te dragen aan klimaatdoelen kiest het ministerie ervoor om zoveel mogelijk in te zetten op integrale verduurzaming van gehele gebouwen. Eigenaren kunnen hiervoor een hoger subsidiepercentage ontvangen van 30% of 40% en moeten aantonen dat de maatregelen leiden tot minimaal drie labelsprongen. Voor de meeste maatschappelijke vastgoedeigenaren werkt dit goed. Wanneer niet wordt gekozen voor een integrale verduurzaming, maar bijvoorbeeld verduurzaming per deel van het gebouw, dan is er de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor losse maatregelen. Om eigenaren van grote gebouwen wel tegemoet te komen, wordt het op grond van deze wijzigingsregeling mogelijk om vaker dan twee keer een subsidie voor losse maatregelen aan te vragen.
Staatssteun
Ook wordt er gevraagd of er meer ruimte gevonden kan worden binnen de toepassing van de staatsteunregels. Om binnen de kaders van het Europees staatssteunrecht subsidie te verlenen, is in de DUMAVA een aantal uitzonderingsgronden toegepast, zoals de reguliere de-minimisverordening voor losse maatregelen, de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en de ruimte die de Europese Commissie maakt voor zuiver lokale organisaties. Het ministerie ziet op dit moment niet meer ruimte.
Overige onderwerpen
Tot slot heeft de consultatie ook tot andere reacties geleid. Zo hebben de branchevereniging voor de zonne-energiesector, de brancheorganisaties zorg en de belangenorganisatie voor de culturele en creatieve sector een reactie ingediend. In het verslag van de internetconsultatie wordt op dergelijke en andere reacties gereageerd. Ook over het (maatschappelijk) vastgoed van woningcorporaties zijn enkele reacties binnengekomen. Zij vragen of de woningcorporaties uitgezonderd kunnen worden van de opgenomen afwijzingsgrond voor vennootschapsbelastingplichtigen. Het loslaten van deze afwijzingsgrond heeft echter ingrijpende consequenties voor de regeling. Bovendien zijn er andere financieringsmogelijkheden voor deze doelgroep.
Op basis van de reacties zijn de volgende onderdelen in de regeling gewijzigd:
• In de artikelen 14 en 21 is aangepast aan welke eis een aanvrager moet voldoen om in aanmerking te komen voor deze verruiming.
• Er is verduidelijkt wat wordt bedoeld met het meerdere keren kunnen aanvragen van losse verduurzamingsmaatregelen.
• In de Maatregelenlijst zijn A.3, P.3 en P.4 over monumenten aangepast zodat meer duidelijkheid wordt gegeven over deze aanpassing.
• In de Maatregelenlijst is bij C.2 en L.3 en L.4 de warmteweerstand van het totaal aan isolatiematerialen vervangen door de warmteweerstand van de totale constructie.
• In de Maatregelenlijst is bij C.3 en L.2 verwezen naar de herziene NEN 2686 die sinds 1 september 2025 beschikbaar is.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
De conceptregeling is op 26 februari 2026 ter consultatie voorgelegd aan het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). Het IPO en de VNG hebben een reactie gestuurd. Zowel het IPO als de VNG zijn positief over de wijzigingsregeling. Wel zijn er enkele aandachtspunten.
De VNG vraagt om aandacht voor de uitvoeringstermijn. Het ministerie herkent dit punt, maar ziet op dit moment geen concrete aanleiding om de uitvoeringstermijn aan te passen. Daarnaast vraagt de VNG om een programmatische benadering in de DUMAVA. De huidige systematiek van DUMAVA is sterk gericht op aanvragen per gebouw. Dat sluit onvoldoende aan bij deze manier van werken. Bij verdere doorontwikkeling van de DUMAVA zal hier nader naar gekeken worden.
De VNG geeft aan de verruiming van subsidiestapeling tot 100% een goede ontwikkeling te vinden, maar vraagt wel aandacht voor mogelijke overgangssituaties. Hierbij wordt opgemerkt dat het echter niet mogelijk is om met terugwerkende kracht andere subsidievoorwaarden te hanteren. Tot slot vraagt de VNG ook om heldere communicatie en praktische ondersteuning. Dit punt pakt het ministerie op.
Het IPO heeft zorgen geuit over het budget. Het IPO stelt dat er minder subsidie beschikbaar is dan vorig jaar. Dit is echter niet het geval. Voor 2026 is hetzelfde budget beschikbaar. Daarnaast is een aantal technische vragen gesteld die beantwoord zullen worden in een reactie aan het IPO. Zo is er gevraagd wat de budgettaire verdeling wordt tussen losse maatregelen en integrale projecten (30% van het budget is beschikbaar voor losse maatregelen en 70% van het budget is beschikbaar voor integrale verduurzaming), is gevraagd waarom getoetst moet worden of een onderneming in moeilijkheden verkeert (deze verplichting volgt uit het de Europese staatssteunrecht en de effectiviteit van het beleid) en waarom er sprake is van een bevoorschotting van 70% (flexibiliteit in de eindverantwoording).
In artikel 1 is de begripsomschrijving van maatschappelijk vastgoed aangepast. In subonderdeel a is de categorie openbare lichamen, in de zin van hoofdstuk I tot en met VII van de Wet gemeenschappelijke regelingen, toegevoegd aan de bepaling. Het betreft openbare lichamen die zijn opgericht op grond van gemeenschappelijke regelingen van of tussen gemeenten, provincies en waterschappen. Voor de verduurzaming van gebouwde onroerende zaken in eigendom van deze openbare lichamen kan dus op grond van deze subsidieregeling een subsidie worden aangevraagd.
Verder is in artikel 1 de begripsomschrijving van SBI-code aangepast vanwege de actualisering van de SBI 2008 naar de SBI 2025.
In artikel 4 is het tijdvak in 2026 waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd, gewijzigd. Aanvragen voor subsidie kunnen worden gedaan van 1 juni tot en met 16 oktober 2026.
In artikel 5, derde lid, is de datum aangepast vanaf wanneer de schotten tussen de subsidieplafonds voor subsidies voor losse maatregelen en voor integrale verduurzamingsprojecten worden losgelaten. Als het subsidieplafond nog niet volledig is aangewend, is het vanaf 17 september 2026 mogelijk dat, voor een aanvraag voor subsidie voor verduurzamingsmaatregelen, gebruik kan worden gemaakt van het subsidieplafond dat is bedoeld voor integrale verduurzamingsprojecten en voor een aanvraag voor subsidie voor een integraal verduurzamingsproject gebruik kan worden gemaakt van het subsidieplafond voor de verduurzamingsmaatregelen.
In het eerste lid van artikel 9 is het minimumbedrag voor de te ontvangen subsidie aangepast. Het minimumbedrag is verlaagd van € 5.000 naar € 2.500. Daardoor kunnen subsidies worden verstrekt met een lager bedrag dan de eerdere gestelde eis van € 5.000.
In artikel 11, eerste lid, onderdeel e, is het maximumpercentage voor de stapeling van subsidies aangepast. Subsidies voor dezelfde activiteiten kunnen worden gestapeld tot maximaal 100% van de kosten van dezelfde activiteiten. Het betreft dan de stapeling van een subsidie op grond van deze regeling en een subsidie verleend door een ander bestuursorgaan dan een bestuursorgaan van het Rijk.
In artikel 11, eerste lid, onderdeel o, subonderdeel 1° is geschrapt dat een subsidie voor verduurzamingsmaatregelen voor hetzelfde maatschappelijke vastgoed niet vaker dan twee keer kan worden ingediend. Een subsidieaanvraag voor ten hoogste drie verduurzamingsmaatregelen kan dus vaker dan twee keer worden gedaan en verstrekt. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, wordt op grond van de DUMAVA de subsidie dus afgewezen als tijdens dezelfde aanvraagperiode reeds een subsidie is verstrekt (op grond van subonderdeel 1°) of als voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd, maar nog niet is vastgesteld of afgewezen (op grond van subonderdeel 2°).
Verder wordt in het eerste lid van artikel 11 een nieuw subonderdeel p toegevoegd waarin is opgenomen dat een aanvraag voor een subsidie op grond van artikel 3, onderdeel a, wordt afgewezen als op grond van de DUMAVA of de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed voor hetzelfde maatschappelijke vastgoed reeds een subsidie is toegekend voor dezelfde verduurzamingsmaatregel ten aanzien van hetzelfde gedeelte van gebouw of hetzelfde bouwwerk dat het doel van het maatschappelijk vastgoed ondersteunt.
In artikel 12, derde lid, is de verwijzing naar bepalingen in de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 vervangen door een verwijzing naar een bepaling in de Energiewet. Omdat de Gaswet en de Elektriciteitswet per 1 januari 2026 zijn komen te vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Energiewet, is het derde lid geactualiseerd. Ook het vierde lid is op dit punt geactualiseerd. Verder is in het vierde lid aangepast dat de subsidiabele activiteiten niet alleen dienen te leiden tot verwijdering van een aansluiting op het gasnet, maar dat de verplichting ook kan bestaan uit activiteiten om voorbereidingen te treffen voor het vervangen van de aansluiting op gas. Daarbij is van belang dat met een beperkt budget en met weinig ingrepen die gasaansluiting moet kunnen worden verwijderd als de situatie op het elektriciteitsnet de verwijdering van de gasaansluiting toelaat. Deze aanpassing houdt verband met de problemen rond de netcongestie op het elektriciteitsnet, waardoor het niet altijd mogelijk is om een gasaansluiting op korte termijn te vervangen.
In artikel 14, derde lid, onderdeel d, is opgenomen dat, ter vaststelling van de subsidie, de aanvrager verplicht is een overzicht van de werkelijke kosten te verstrekken waarin is opgenomen dat de aansluiting op gas is vervangen. Als de aansluiting op gas vanwege gebrek aan capaciteit op het elektriciteitsnet nog niet is vervangen, dient de verklaring inzake werkelijke kosten ook een overzicht van een systeembeheerder over de aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnet te bevatten.
Aan artikel 15 is een derde lid toegevoegd. Daarin is opgenomen dat bij subsidie voor de projectkosten voor een integraal verduurzamingsproject de kosten voor maatregelen die leiden tot het gebruik van fossiele brandstoffen niet voor subsidiëring in aanmerking komen, maar wel kunnen meetellen voor de gerealiseerde labelsprong als die maatregelen in het advies zijn omschreven.
In artikel 18, eerste lid, onderdeel n, is het bedrag voor de stapeling van subsidies aangepast. Voor integrale verduurzamingsmaatregelen kunnen subsidies worden gestapeld. Voor bovenlokale ondernemingen is dat niet mogelijk.
Verder is aan het eerste lid een onderdeel o toegevoegd op grond waarvan een subsidie wordt geweigerd als die ziet op het aanbrengen van ureumformaldehydeschuim. Door deze aanpassing is het niet meer mogelijk om subsidie te verkrijgen voor de uitvoering van activiteiten waarbij UF-schuim wordt aangebracht.
In artikel 19, vierde lid, is de verwijzing naar de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 vervangen door een verwijzing naar de Energiewet. Aangezien de Gaswet en de Elektriciteitswet per 1 januari 2026 zijn komen te vervallen door de inwerkingtreding van de Energiewet, is de regeling op dit punt geactualiseerd.
In het zesde lid is de verwijzing naar de Gaswet ook aangepast naar een verwijzing naar de Energiewet. Verder is in het zesde lid ook aangepast dat de subsidiabele activiteiten niet alleen dienen te leiden tot verwijdering van een aansluiting op het gasnet, maar dat de activiteiten ook kunnen zien op het treffen van voorbereidingen voor het vervangen van de aansluiting op gas. Daarbij is van belang dat met een beperkt budget en met weinig ingrepen die gasaansluiting moet kunnen worden verwijderd wanneer de situatie op het elektriciteitsnet dat toelaat. Deze aanpassing houdt verband met de problemen rond het gebrek aan capaciteit op het elektriciteitsnet, waardoor het niet altijd mogelijk is om een gasaansluiting op korte termijn te vervangen.
In artikel 21, derde lid, onderdeel d, is opgenomen dat, ter vaststelling van de subsidie, de aanvrager verplicht is een verklaring van de werkelijke kosten te verstrekken waarin is opgenomen dat de aansluiting is vervangen. Wanneer de gasaansluiting nog niet kan worden verwijderd vanwege gebrek aan capaciteit op het elektriciteitsnet door netcongestie, dient in de verklaring inzake werkelijke kosten een overzicht van een systeembeheerder met betrekking tot de aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnet te worden opgenomen.
In bijlage 2 zijn de in aanmerking komende SBI-codes aangepast aan de Standaard Bedrijfsindeling 2025. Deze aanpassing komt voort uit de actualisering van de Standaard Bedrijfsindeling 2008 naar de SBI 2025.
In bijlage 3 zijn enkele wijzigingen opgenomen in de maatregelenlijst.
In tabel A. ‘Advies’, is in A.3 de term ‘duurzaam Monumentenadvies’ gewijzigd in ‘Duurzaam Monumenten maatwerkadvies’. Hierbij is de eis opgenomen dat het maatwerkadvies rekening moet houden met de aanwezige monumentale waarden. De eis dat die aanwezige monumentale waarden worden vastgesteld op basis van een door een bouw- of architectuurhistoricus’ opgesteld rapport over die waarden is vervallen. Wel dient in het maatwerkadvies rekening te worden gehouden met de aanwezige monumentale waarden, naar een beoordeling van een terzake deskundige. Verder zijn ook de niveau-eisen aan de adviezen vervallen. Verder is in tabel A in A.2 een verwijzing naar een verouderde BRL geschrapt.
In tabel P. ‘Integrale verduurzamingspakketten’ is in de onderdelen P.3 en P.4 de terminologie ‘duurzaam monumentenadvies’ aangepast in ‘Duurzaam Monumenten maatwerkadvies’. Deze wijziging is in lijn met de wijziging in Tabel A.
In tabel C. ‘Thermische schil’ is in C.1 bij Isolerende beglazing de Ug-waarde van het glas aangepast van een maximale Ug-waarde (W/m2K) van 0,8 naar 1,2. Dat is de Ug-waarde van hoogrendementsglas. Deze wijziging betekent een versoepeling van de eis die wordt gesteld aan de isolerende beglazing. Voorheen gold de eis van triple glas, waar nu de eis geldt van hoogrendementsglas.
Ook is in tabel C in C.2, onderdelen a en b, aangepast dat het bij de isolatie van dak, gevel en vloer bij bestaande constructies de verbetering moet bestaan uit isolatiemaatregelen waarbij de warmteweerstand van de totale constructie wordt aangehouden. Dezelfde aanpassing is ook aangebracht in tabel L in rij L.3. In tabel L in rij L.4 is een vergelijkbare aanpassing aangebracht met betrekking tot de daar opgenomen maatregel van bodemisolatie.
In Tabel H. ‘Duurzame Energie’ is in onderdeel H.2 de eis vervallen dat panelen met fotovoltaïsche zonnecellen of een samenstelling van zonnewarmtecollector en panelen met fotovoltaïsche zonnecellen een gezamenlijk piekvermogen van ten minste 15 kW dienen te hebben.
De regeling treedt met ingang van 1 juni 2026 in werking. Met deze inwerkingtredingsdatum wordt afgeweken van de vaste verandermomenten, omdat de subsidieregeling per 1 juni 2026 wordt opengesteld.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O’Sullivan
Het evaluatierapport is terug te vinden op: Evaluatie DUMAVA 2022–2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl.
Op de websites van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is hierover meer informatie te vinden.
Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UF-schuim, Een desktopstudie naar casuïstiek bij GGD’en, https://awgl.nl/projecten/desktopstudie-gezondheidsrisicos-uf-schuim.
Statement Venin inzake UF-schuim: https://www.isolerendnederland.nl/actueel/statement-venin-isolerend-nederland-uf-schuim.
Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU.
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955.
Het evaluatierapport is terug te vinden op: Evaluatie DUMAVA 2022–2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl.
Op de websites van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is hierover meer informatie te vinden.
Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UF-schuim, Een desktopstudie naar casuïstiek bij GGD’en, https://awgl.nl/projecten/desktopstudie-gezondheidsrisicos-uf-schuim.
Statement Venin inzake UF-schuim: https://www.isolerendnederland.nl/actueel/statement-venin-isolerend-nederland-uf-schuim.
Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU.
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-16962.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.