Regeling van de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 30 april 2026, kenmerk 4377537-1097784-DMO, houdende regels voor de subsidiering van activiteiten voor de collectieve erkenning van Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland (Subsidieregeling CEWIN 2026) [KetenID WGK028397]

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

contextgebonden zorg:

zorg die uitgaat van een cultuursensitieve benadering en waarbij rekening gehouden wordt met persoonlijke oorlogs- en geweldservaringen;

de-minimisverklaring:

verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening;

de-minimisverordening:

Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;

educatief materiaal:

hulpmiddelen en leermiddelen om kennisoverdracht bij leerlingen en scholieren te ondersteunen;

huisvestingslasten:

kosten voor huur, rente en afschrijvingen;

minister:

Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport;

omroepprogramma’s:

films of documentaires ontwikkeld door of in samenwerking met de Nederlandse publieke of commerciële oproep.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel om initiatieven aan te moedigen uit de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland die bijdragen aan de collectieve erkenning van deze gemeenschappen binnen de Nederlandse samenleving. Hierbij staat het bevorderen van wederzijds begrip, her- en erkenning, het verankeren van cultureel erfgoed en het leren van de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië centraal.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

  • 1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor culturele activiteiten of activiteiten ter bevordering van de dialoog, die bijdragen aan het realiseren van het doel van de regeling.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor:

    • a. activiteiten die zich richten op herdenken of contextgebonden zorg;

    • b. huisvestingslasten;

    • c. activiteiten die alleen de organisatie van de aanvrager bereiken;

    • d. de vervaardiging van omroepprogramma’s of educatief materiaal.

Artikel 4. Subsidievoorwaarden

  • 1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen zonder winstoogmerk die zijn ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

  • 2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien deze in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

  • 3. Per aanvraagronde kan een rechtspersoon slechts één aanvraag indienen.

  • 4. Indien een rechtspersoon eerder subsidie heeft ontvangen op grond van deze regeling of de Subsidieregeling collectieve erkenning van Indisch en Moluks Nederland, wordt subsidie uitsluitend verstrekt wanneer de projectperiode van de eerdere subsidie is afgerond.

Artikel 5. Subsidiabele periode

  • 1. De minister verstrekt enkel subsidies voor projecten die niet langer dan 24 maanden duren.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de minister op verzoek de termijn, bedoeld in het eerste lid, vanwege uitzonderlijke omstandigheden verlengen met ten hoogste zes maanden.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie en subsidiabele bedrag

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 20.000 per jaar met een maximum van € 40.000 over een periode van twee jaar.

  • 2. Subsidies van minder dan € 6.000 worden niet verstrekt.

  • 3. Subsidie wordt enkel verstrekt indien het bedrag voor reis- en verblijfskosten niet hoger is dan 10% van het totale subsidiabele bedrag.

Artikel 7. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 € 500.000.

  • 2. De minister verdeelt het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag door middel van loting.

Artikel 8. Aanvraag tot subsidieverlening

  • 1. In aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS gaat de aanvraag tot verlening van een subsidie vergezeld van een de-minimisverklaring.

  • 2. De aanvrager gebruikt door de minister vastgestelde formulieren voor de aanvraag tot verlening, de begroting, het activiteitenplan en de de-minimisverklaring.

  • 3. De aanvraag tot verlening voor het subsidiejaar 2026 kan worden ingediend in de periode van maandag 1 juni 2026 9.00 uur tot en met vrijdag 26 juni 2026 13.00 uur.

  • 4. De minister besluit binnen dertien weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

Artikel 9. Afwijzingsgronden

De minister wijst een subsidieaanvraag in ieder geval af indien:

  • a. deze buiten de periode, bedoeld in artikel 8, derde lid, wordt ontvangen;

  • b. de verstrekking van de subsidie niet in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Artikel 10. Verplichtingen

De activiteiten starten uiterlijk 6 maanden na afloop van de in artikel 8, derde lid, voor dat jaar genoemde aanvraagperiode.

Artikel 11. Vaststelling bij subsidies boven de € 25.000

  • 1. Indien een verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt, vraagt de aanvrager vaststelling van de subsidie aan binnen 22 weken na afloop van het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvrager toont bij een subsidie van meer dan € 25.000 aan de hand van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 12. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling CEWIN 2026.

Artikel 14. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

TOELICHTING

1. Algemeen

Aanleiding en doel

Sinds 2017 zet het Rijk zich in voor een brede, collectieve erkenning van de gemeenschappen met wortels in Nederlands-Indië en Indonesië. Deze erkenning betreft zowel wat zich tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende jaren in Nederlands-Indië en Indonesië heeft afgespeeld, als de ervaringen en uitdagingen die deze gemeenschappen bij hun aankomst in Nederland hebben moeten doorstaan.

Belangrijke ambities van de collectieve erkenning zijn de verankering van het immaterieel en materieel erfgoed, het leggen van verbindingen tussen gemeenschappen onderling en de bredere Nederlandse samenleving en het vergroten van de kennis van de geschiedenis van gemeenschappen met wortels in Nederlands-Indië/Indonesië.

Aan de hand van programmalijnen van VWS werd er afgelopen jaren invulling gegeven aan dit collectieve erkenning-beleid, met onder andere de realisatie van Pleisterplaats ‘Museum Sophiahof, van Indië tot nu’, ondersteuning van de Nationale herdenking 15 augustus 1945 en lokale herdenkingen, een meerjarig context gebonden zorgtraject gericht op het versterken van de kennis in de regio én de honorering van vele projecten vanuit de gemeenschappen sinds de start van de Subsidieregeling collectieve erkenning van Indisch en Moluks Nederland (hierna: de Subsidieregeling 2018–2024).

In 2024 heeft onderzoeksbureau Panteia een evaluatie uitgevoerd van het volledige beleid rondom de collectieve erkenning van de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland, vanaf de start in 2017 tot en met 2024. Daarbij is ook de Subsidieregeling 2018–2024 meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de projecten die dankzij deze subsidieregeling zijn gerealiseerd, hebben bijgedragen aan een grotere erkenning van deze gemeenschappen in Nederland. Daarnaast blijkt er binnen de gemeenschappen veel behoefte te bestaan aan een vervolg op de Subsidieregeling 2018–2024.

Op basis het evaluatietraject is een beleidsreactie1 opgesteld waarin het beleid van de collectieve erkenning voor de aankomende jaren is toegelicht. Het beleid voor de periode 2025–2030 zal zich richten op een tweetal prioriteiten:

  • 1. Bestendigen van de belangrijkste resultaten van het beleid van de collectieve erkenning;

  • 2. Duurzame verbinding door middel van projecten vanuit de gemeenschappen.

In de Kamerbrief van 9 december 2024 is het voornemen geuit een subsidieregeling op te stellen die voortbouwt op de bereikte resultaten en ervaringen van de Subsidieregeling 2018–2024. Dit voornemen is uitgemond in onderhavige regeling houdende regels voor de subsidiering van activiteiten in het kader van de collectieve erkenning van Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland (hierna: de regeling).

Nadat de voorhangprocedure in de Tweede Kamer en internetconsultatie doorlopen waren, is vanwege budgettaire redenen besloten om alleen het aanvraagtijdvak in 2026 open te stellen. Het aanvraagtijdvak voor 2027 en 2028 zijn dus uit de subsidieregeling geschrapt. Als in deze jaren toch voldoende budget beschikbaar is, kan worden besloten om via een wijziging van de regeling alsnog een aanvraagtijdvak toe te voegen.

Voor de regeling blijft het uitgangspunt dat de overheid niet bepaalt wat inhoudelijk nodig is voor de erkenning. De gemeenschappen geven zelf invulling aan de verankering van hun erfgoed en de overdracht van culturele kennis binnen de Nederlandse samenleving. Zij nemen daarbij het voortouw in het leggen van verbindingen, zowel onderling als met de bredere maatschappij. Uiteraard wordt bij een subsidieaanvraag wel beoordeeld of aan de voorwaarden en het doel van de regeling wordt voldaan, bijvoorbeeld of het project daadwerkelijk bijdraagt aan de collectieve erkenning. In de artikelsgewijze toelichting op de regeling staat nader uitgelegd wat onder collectieve erkenning wordt verstaan.

De regeling kent in vergelijking met de Subsidieregeling 2018–2024 een aantal wijzigingen. Deze aanpassingen zijn tot stand gekomen naar aanleiding van bevindingen van het bovengenoemd evaluatietraject, adviezen uit het rapport ‘Deel en Verbind – Nederland, Nederlands-Indië, Indonesië’2 van de Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië, ervaringen van de Subsidieregeling 2018–2024 en de subsidieregeling van het Vfonds ‘Houd je erfgoed levend’. De belangrijkste aanpassing is dat de projectsubsidie alleen zal worden verstrekt voor culturele activiteiten en voor activiteiten ter bevordering van de dialoog, die bijdragen aan het realiseren van het doel van de regeling. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een culturele activiteit die bijdraagt aan materieel en immaterieel erfgoed van de gemeenschappen of om een activiteit ter bevordering van de dialoog, waarmee de verbinding tussen en binnen de gemeenschappen en met de bredere Nederlandse samenleving wordt gerealiseerd.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als er aan de volgende vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan:

  • 1. de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • 2. de steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • 3. de staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • 4. de maatregel is selectief;

  • 5. de maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te leiden tot) leidt tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Voor wat betreft de activiteiten die op grond van de regeling kunnen worden gesubsidieerd is niet uit te sluiten dat ook economische activiteiten worden gesubsidieerd. Bij subsidie op grond van deze regeling is echter ook dan geen sprake van staatssteun, omdat subsidie op grond van deze regeling alleen wordt verleend indien aan de voorwaarden van Verordening (EU) van de Europese Commissie met nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (de de-minimisverordening) wordt voldaan. De subsidie kan dan het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en de mededinging niet vervalsen of dreigen te vervalsen omdat het om een beperkt bedrag gaat (maximaal € 300.000 in een periode van drie jaar). Aan het vijfde criterium is niet voldaan en er is daarmee geen sprake van staatssteun.

Bij subsidies op grond van deze regeling wordt aan de voorwaarden van de de-minimisverordening voldaan omdat er geen subsidies worden verstrekt boven de € 40.000 en de aanvrager voor verlening een de-minimisverklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de de-minimisverordening, moet indienen.

Gevolgen voor de regeldruk

De regeldruk als gevolg van deze regeling is beperkt.

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van toepassing op de regeling. Naast de vereisten uit de Kaderregeling, zijn er weinig aanvullende (inhoudelijke) voorwaarden gesteld. De aanvrager dient een activiteitenplan en overeenkomstige begroting aan te leveren. Activiteiten dienen alleen bij te dragen aan de collectieve erkenning van de gemeenschappen op een van de twee gekozen onderwerpen.

Er is één voorwaarden die wel een extra administratieve last kan betekenen voor de aanvrager. Aanvragers dienen een bijlage in te vullen met een aantal vragen. Hierin dient de aanvrager nader in te gaan op de vraag hoe de activiteiten bijdraagt aan de collectieve erkenning, welke resultaten er worden bereikt en hoe de activiteiten duurzaam worden geborgd zodat het blijvende impact heeft.

De administratieve lasten voor subsidieaanvragers bestaan uit de onderdelen voorbereiden en opstellen subsidieaanvraag, en het voorbereiden en indienen van de eindverantwoording. Subsidieverleningen die minder dan € 25.000,– bedragen worden ambtshalve vastgesteld. Ongeveer de helft van de verleende aanvragen levert hierdoor naar verwachting geen verantwoording in. De verwachting is dat er tussen de 60 en 80 subsidieaanvragen ingediend worden. Voor de bepaling van de administratieve belasting is uitgegaan van 70 subsidieaanvragen. Gezien de hoogte van het subsidieplafond wordt er uitgegaan van maximaal 16 uiteindelijke subsidieverleningen.

Voor het voorbereiden en opstellen van de subsidieaanvraag wordt maximaal 15 uur begroot en het voorbereiden en indienen van de eindverantwoording neemt naar verwachting 7 uur in beslag. Er wordt hierbij gerekend met een gemiddeld maximaal vrijwilligerstarief van € 15 exclusief btw. De aanvragen worden in veel gevallen namelijk gedaan door kleine stichtingen bestaande uit vrijwilligers. Dit leidt tot de volgende administratieve lasten:

Soort

Aantal

Uur

Tarief

Kosten

Subsidieaanvraag

70

15

15

€ 15.750

Eindverantwoording

8

7

15

€ 840

Totaal

     

€ 16.590

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Internetconsultatie

Gedurende de periode van 20 november 2025 tot en met 18 december 2025 heeft de conceptregeling opengestaan voor internetconsultatie, zodat suggesties konden worden gedaan om de kwaliteit en uitvoerbaarheid van deze regeling te verbeteren. In de internetconsultatieversie van de regeling waren aanvraagrondes van 2027 en 2028 opgenomen. Om budget-technische redenen bestond de noodzaak dit te schrappen en is besloten dit niet in de regeling op te nemen. Zie hiervoor ook hetgeen in de algemene toelichting is opgenomen.

Er zijn drie reacties binnenkomen. Daarnaast is de conceptregeling in bovenstaande periode besproken met de Ronde Tafel.3

De reacties op de internetconsultatie gaven geen aanleiding om de conceptregeling aan te passen.

Uit de internetconsultatie volgt het verzoek om oog te hebben voor de rol van Nederland tijdens de koloniale periode. Vanzelfsprekend kunnen de gebeurtenissen tijdens en rondom de Tweede Wereldoorlog niet goed kunnen worden begrepen zonder een bredere context van het koloniale verleden, en is er binnen de regeling ruimte voor deze voorgeschiedenis. De gemeenschappen geven zelf invulling aan de verankering van hun erfgoed en de overdracht van (culturele) kennis binnen de Nederlandse samenleving. Het staat aanvragers dan ook vrij om deze kant van de geschiedenis te belichten.

Een andere reactie benadrukt het belang van het versterken van de kennis over de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië middels de regeling. De regeling is in lijn met deze oproep. De regeling heeft namelijk als doel initiatieven aan te moedigen uit de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland die bijdragen aan het vergroten van de kennis over de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië binnen de Nederlandse samenleving. Hierbij staat het bevorderen van wederzijds begrip, her- en erkenning, het verankeren van cultureel erfgoed en het leren van de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië centraal.

De derde reactie stelt vragen over het doel van de regeling en in hoeverre het bijdraagt aan erkenning. Uit de evaluatie van de eerdere CEWIN-subsidieregeling door Panteia blijkt dat het stimuleren van projecten voor en door de gemeenschappen belangrijk blijft. Dergelijke projecten kunnen zorgen voor verbinding tussen en binnen de gemeenschappen en met de bredere samenleving. Volgens de evaluatie is een subsidieregeling hiervoor een geschikt instrument en sluit deze goed aan bij het uitgangspunt van de collectieve erkenning, waarbij de gemeenschappen zelf het voortouw nemen.

De Ronde Tafel is positief over de voorgestelde nieuwe CEWIN-subsidieregeling en vraagt aandacht voor goede communicatie bij de jaarlijkse openstelling van de regeling en gedurende de aanvraagprocedure.

Uitvoering

De regeling wordt door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (hierna: DUS-I) uitgevoerd. De aanvraag en vaststelling voor deze subsidie wordt elektronisch ingediend. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op Externe link: www.dus-i.nl. Daarnaast worden er formats beschikbaar gesteld voor het activiteitenplan, de begroting en de de-minimisverklaring.

Kaderregeling OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) is van toepassing op subsidies verstrekt in het kader van de regeling.

Speciale aandacht verdient hoofdstuk 5 van de Kaderregeling. Dit hoofdstuk geeft een opsomming van de verplichtingen voor de subsidieontvanger, waaronder de meldingsplicht (artikel 5.7 van de Kaderregeling) die bij niet naleving tot verlaging van de subsidie kan leiden. Op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Kaderregeling geldt een meldplicht voor subsidieontvangers indien a. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, b. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldoen of c. zich andere omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat toepasselijkheid van artikel 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling niet uitgezonderd hoeft te worden. Artikel 10.1, eerste lid, bepaalt dat VWS geen subsidies van minder dan € 125.000 verleent. Het tweede lid, onder a, bepaalt dat dit niet geldt voor subsidies met betrekking tot oorlogsgetroffenen en herinnering Wereldoorlog II.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd. De begrippen die nadere uitleg behoeven, bijvoorbeeld omdat ze niet zijn toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting, worden hieronder toegelicht.

Bij subsidieverstrekking op grond van de regeling is mogelijk sprake van staatssteun. Daarom wordt toepassing gegeven aan de de-minimisverordening en zal bij de aanvraag een de-minimisverklaring dienen te worden overgelegd. Zie ook het onderdeel staatssteun hierboven.

Het begrip contextgebonden zorg betreft zorg die uitgaat van een cultuursensitieve benadering. Dat betekent dat rekening gehouden wordt met bijvoorbeeld de Indische of Molukse culturele achtergrond van de cliënt.

Daarnaast wordt er bij contextgebonden zorg rekening gehouden met de context van de persoonlijke oorlogs- en geweldservaringen.

Artikel 2. Doel van de regeling

Voor het doel van de regeling wordt allereerst verwezen naar de algemene toelichting, onder Aanleiding en doel. De activiteiten dienen bij te dragen aan het doel van de regeling. De subsidie is bedoeld om bepaalde activiteiten te stimuleren die bijdragen aan de collectieve erkenning van gemeenschappen met wortels in Nederlands-Indië/Indonesië. Onder de term ‘collectieve erkenning’ moet de ambitie worden verstaan om de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische identiteit te waarderen en te vieren en de ambitie het Indisch, Moluks, Papoea en Chinees-Indonesisch erfgoed te verankeren in de Nederlandse samenleving en de kennis over deze geschiedenis te vergroten. Met de gemeenschappen met wortels in Nederlands-Indië/Indonesië wordt gedoeld op iedereen met wortels in Nederlands-Indië/Indonesië, die zelf of waarvan de voorouder(s) door oorlogsgeweld en na-oorlogse ontwikkelingen tot 1967 naar Nederland zijn gekomen.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

In artikel 3 is omschreven voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Een subsidie kan worden verstrekt voor culturele activiteiten of activiteiten ter bevordering van de dialoog die bijdragen aan het doel van de regeling. Voor zowel activiteiten op het gebied van cultuur, als voor activiteiten ter bevordering van de dialoog geldt de voorwaarde dat ze aan het doel van de regeling moeten bijdragen. In artikel 2 is het doel van de regeling omschreven.

Er is gekozen voor culturele activiteiten omdat de ervaring met de Subsidieregeling 2018–2024 leert dat er veel behoefte is aan projecten gericht op culturele uitingen of het versterken van het culturele erfgoed van de gemeenschappen. Cultuur heeft daarnaast de kracht mensen samen te brengen en is daarmee een goede manier om verbinding te creëren. Wat betreft culturele activiteiten wordt gedacht aan culturele projecten gericht op culturele uitingen of het versterken van het culturele erfgoed van de gemeenschappen. Het betreft hier zowel materieel erfgoed als immaterieel erfgoed. Dat laatste omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk van immaterieel erfgoed is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit. Voorbeelden zijn cultuurworkshops en historische wandelingen.

Een van de adviezen van de Commissie Versterking kennis geschiedenis voormalig Nederlands-Indië is het bevorderen van dialoog. Wat betreft activiteiten ter bevordering van dialoog kan worden gedacht aan dialoogtafels en aanverwante vormen zoals beschreven in het onderzoeksrapport ‘Dialoog over de geschiedenis van de Indonesische archipel’ van Diversion4. Uit dit onderzoeksrapport is naar voren gekomen dat er al vele waardevolle initiatieven bestaan, maar dat er behoefte is aan schaalvergroting en het ontwikkelen van nieuwe dialoogvormen/methodieken. Tevens constateert Diversion dat het voeren van dialoog bijdraagt aan het overdragen van kennis over de geleefde geschiedenis en bijdraagt aan verbinding tussen generaties, de gemeenschappen en de brede Nederlandse samenleving met als doel het vergroten van wederzijds begrip en respect.

Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die al op andere wijze worden ondersteund en gefinancierd. Activiteiten gericht op het organiseren van een herdenking of het oprichten van een monument of bijvoorbeeld projecten die zich richten op het bieden van intra- en extramurale zorg, en huisvestingslasten (zoals van de Sophiahof in Den Haag) komen niet in aanmerking voor subsidie op grond van deze regeling.

Activiteiten voor educatief materiaal zijn niet langer subsidiabel binnen de regeling. Dit is gelegen in het feit dat er al veel educatief materiaal beschikbaar is, maar dat het aanbod zeer versnipperd blijkt en niet altijd aansluit op de behoeften van gebruikers. Een subsidieregeling met relatief kleine projecten is niet het juiste instrument gebleken om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Educatie over de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië blijft echter wel een belangrijk thema binnen het beleid betreffende collectieve erkenning. Via het Indisch Herinneringscentrum en WO2NET wordt kwalitatief hoogstaand educatief materiaal ontwikkeld dat complementair is aan het bestaande aanbod, dat wordt afgestemd met de opgerichte professionele leergemeenschappen en geborgd op het webportaal Onsland.nl5.

Voor de vervaardiging van omroepprogramma’s wordt evenmin subsidie verleend. De Minister van VWS levert op grond van de Beleidsregel VWS niet verstrekken bijdragen omroepprogramma’s (Stcrt. 2009, 55) geen financiële bijdragen die specifiek bedoeld zijn voor de vervaardiging van omroepprogramma’s. Er wordt op grond van deze regeling dus geen geld verstrekt aan omroepen, productiebedrijven of aan overige instellingen die werken met publieke middelen als de bestemming de vervaardiging van omroepprogramma’s is. Elke organisatie die radio- en tv-programma’s uitzend is een omroep. Voor de achterliggende reden de vervaardiging van educatief materiaal niet te subsidiëren wordt verwezen naar de algemene toelichting.

Daarnaast komen projecten die intern gericht zijn en alleen de organisatie van de aanvrager bereiken ook niet in aanmerking voor subsidie. Het zou hier bijvoorbeeld kunnen gaan om activiteiten die alleen openstaan voor leden van de organisatie zelf. Hiermee wordt een onvoldoende brede doelgroep betrokken, waardoor onvoldoende sprake is van de verankering van het Indisch, Moluks, Papoea en Chinees-Indonesisch erfgoed in de Nederlandse samenleving.

Artikel 4. Subsidievoorwaarden

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen zonder winstoogmerk. Rechtspersonen met een winstoogmerk komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. De subsidie dient een maatschappelijk doel en dit wordt geacht het best te kunnen worden bereikt door enkel rechtspersonen zonder winstoogmerk te subsidiëren. Ten tijde van het indienen van de aanvraag dient de rechtspersoon te zijn opgericht en te zijn ingeschreven in het Handelregister van de Kamer van Koophandel. Rechtspersonen die in het Handelsregister als zijnde ‘in oprichting’ zijn ingeschreven, kunnen geen aanvraag indienen. Vanzelfsprekend dient (vanaf de aanvraag en) gedurende de projectperiode en tot aan de vaststelling sprake te zijn van een rechtspersoon zonder winstoogmerk die is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Op grond van deze regeling wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien deze in overeenstemming is met de de-minimisverordening. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Subsidie op grond van deze regeling bedraagt ten hoogste € 40.000 over een periode van twee jaar. Subsidie wordt alleen verstrekt indien de aanvrager een de-minimisverklaring ondertekent, waarmee de aanvrager verklaart dat hij met de aangevraagde subsidie en met de eventueel eerder van een overheidsorgaan ontvangen de-minimissteun in de 36 maanden voorafgaand aan het tekenen van de de-minimisverklaring niet boven het voornoemde bedrag van € 300.000 over de betreffende periode van drie jaren zal komen.

Een rechtspersoon kan per aanvraagronde slechts één aanvraag indienen. Hiervoor is gekozen om zoveel mogelijk aanvragers de kans te geven op een subsidie. Om dezelfde reden is gekozen om geen subsidie te verlenen aan rechtspersonen die ten tijde van de aanvraag nog bezig zijn met het uitvoeren van de activiteiten (op grond van deze regeling of op grond van de Subsidieregeling 2018–2024) en de projectperiode nog niet is afgelopen.

Artikel 5. Subsidiabele periode

De gesubsidieerde activiteiten moeten binnen 24 maanden zijn afgerond, zo bepaalt artikel 5. Daarmee kan een duurzaam effect worden bereikt. Anderzijds is een beperking wenselijk om te zorgen dat het subsidieplafond niet te snel wordt overschreden, waardoor minder organisaties de mogelijkheid krijgen een bijdrage te leveren aan de collectieve erkenning. De ervaring bij de Subsidieregeling 2018–2024 heeft geleerd dat echter soms sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, die maken dat het wenselijk kan zijn uitstel te verlenen voor het uitvoeren van de activiteiten. Om die reden is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen in artikel 5, tweede lid, voor de gevallen dat de maximale projectperiode van 24 maanden is bereikt. Het uitstel kan vervolgens nog maximaal 6 maanden zijn.

Artikel 6. Hoogte van de subsidie en subsidiabele bedrag

In artikel 6 is omschreven welk bedrag aan subsidie maximaal per jaar en per projectperiode van twee jaren kan worden verleend. Er wordt geen subsidie verleend onder de € 6.000. Ook hier is gezocht naar een balans tussen duurzaamheid van de projecten en de hoeveelheid organisaties die gesubsidieerd kunnen worden. Er geldt een maximum van € 40.000 voor de twee jaren dat de projectperiode kan duren (en een maximum van € 20.000 per jaar binnen een projectperiode) en een minimum van € 6.000 voor de projectperiode. Het subsidiabele bedrag mag daarnaast voor ten hoogste 10% uit reis- en verblijfskosten bestaan. Hiermee wordt voorkomen dat een groot deel van het subsidiebedrag wordt besteed aan bijvoorbeeld vliegtickets en hotel- en verblijfskosten in het buitenland in plaats van aan de daadwerkelijke activiteit.

Artikel 7. Subsidieplafond en wijze van verdeling

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 is € 500.000. In het tweede lid van dit artikel is bepaald wat de verdeelmethode van het subsidieplafond is op het moment dat er meer subsidie wordt aangevraagd dan dat er beschikbaar is. Indien de aanvragen het subsidieplafond overschrijden, vindt onder alle binnengekomen aanvragen een loting plaats na sluiting van de aanvraagperiode. De loting vindt plaats door een notaris en de daaruit resulterende rangschikking wordt schriftelijk vastgelegd. De aanvragen komen op volgorde van de loting in aanmerking voor subsidie.

Op basis van de loting wordt een lijst vastgesteld met de volgorde van aanvragers. Hieruit blijkt welke aanvragen kans maken om binnen het subsidieplafond te vallen. Deze aanvragers worden vervolgens in de gelegenheid gesteld hun aanvraag nader aan te vullen, mocht dit nodig zijn. Aanvragers wordt de mogelijkheid geboden een aanvraag te completeren. In eerste instantie krijgt de aanvrager drie weken de tijd om de aanvraag compleet te maken. Indien nog steeds incompleet is, dan wordt een reactietermijn van twee weken gehanteerd. Indien de aanvraag incompleet blijft, dan wordt deze alsnog buiten behandeling gesteld. Aanvragen die lager op de ‘lotinglijst’ staan, komen dan alsnog voor subsidie in aanmerking.

Indien aanvragen die binnen het subsidieplafond vallen, alsnog worden afgewezen (omdat zij bijvoorbeeld niet aan de voorwaarden van de regeling voldoen) of buiten behandeling worden gesteld, dan schuift de volgende aanvraag op basis van de loting door en komt deze in aanmerking voor subsidie.

Aanvragen die op grond van de loting buiten het subsidieplafond vallen, worden afgewezen. Indien een aanvraag op basis van de loting in aanmerking komt voor subsidie, maar het volledige bedrag niet binnen het subsidieplafond gehonoreerd kan worden, wordt de aanvraag alsnog afgewezen.

Artikel 8. Aanvraag tot subsidieverlening

De subsidie wordt op aanvraag verleend. De aanvraag wordt gedaan via eHerkenning. Aanvragen ingediend buiten de aanvraagperiode komen niet voor subsidie in aanmerking. De aanvraagperiode voor het jaar 2026 is in dit artikel opgenomen. Daarnaast is in dit artikel aangegeven dat de minister binnen 13 weken na sluiting van het moment van indiening van aanvragen de tijd heeft om op de aanvragen te beslissen. De termijn vangt pas na sluiting van elke aanvraagperiode aan, omdat alle aanvragen binnen moeten zijn voor de loting en vervolgens de beoordeling plaats kan vinden.

Artikel 11. Vaststelling

Een subsidie van minder dan € 25.000 betreft een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel a, onder 2°, van de Kaderregeling.

De minister neemt binnen 22 weken na afloop van de datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend, zijn verricht, ambtshalve een besluit over de vaststelling van de subsidie. Dat betekent dat de subsidieontvanger niet zelf een aanvraag tot vaststelling met bijhorende verantwoordingsinformatie hoeft in te dienen. De minister kan wel steekproefsgewijs de verstrekte subsidies nader onderzoeken. De subsidieontvanger kan dan worden gevraagd om aan te tonen dat daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de activiteiten en dat is voldaan aan de verplichtingen. In het besluit tot subsidieverlening zal worden aangegeven op welke manieren het aantonen van het verricht zijn van de activiteiten dan wel het voldaan hebben aan de verplichtingen kan gebeuren.

Wanneer in een dergelijk geval, en wanneer dus niet gemeld is, niet kan worden aangetoond dat de gesubsidieerde activiteiten voldoende zijn uitgevoerd of dat aan alle aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, zal in de regel de subsidie op nihil worden vastgesteld. Op nihil stellen van de subsidies en dus terugvordering inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag kan in een dergelijk geval proportioneel worden geacht.

Een subsidie boven de € 25.000, betreft een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, van de Kaderregeling. De aanvraag tot vaststelling moet worden ingediend binnen 22 weken afloop van het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend (artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Kaderregeling). Voor deze aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt (te vinden via het Subsidieplatform op Externe link: www.dus-i.nl).

De verantwoording dient plaats te vinden conform artikel 7.5 van de Kaderregeling. De verantwoording en vaststelling vinden plaats op grond van artikel 7.7 van de Kaderregeling, via een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten. De minister besluit vervolgens binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling. De subsidie wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in het besluit tot subsidieverlening genoemde bedrag.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze regeling. Het dient dan te gaan om onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 14. Inwerkingtreding en vervaldatum

In afwijking van de systematiek van vaste verandermomenten bij regelgeving en de minimuminvoeringstermijn van twee maanden (zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving), treedt de Regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Hiervoor is gekozen om de potentiële aanvragers zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen van de (voorwaarden in de) regeling en hen daardoor zo snel mogelijk de gelegenheid te geven om aan de slag te gaan met het voorbereiden van de aanvraag tot subsidieverlening.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk


X Noot
1

Kamerstukken II 2024/2025, 20 454, nr. 209.

X Noot
3

De Ronde Tafel is een bestuurlijk overlegorgaan dat VWS adviseert over de voortgang van het beleid en uitvoering van de collectieve erkenning. Aan deze tafel nemen organisaties deel die verantwoordelijk zijn voor de programmalijnen van de collectieve erkenning, namelijk: Indisch Herinneringscentrum, Museum Maluku, Stichting Beheer Sophiahof, Nationale Herdenking 15 augustus 1945, Pelita. Daarnaast neemt het Indisch Platform deel als belangenbehartiger van de doelgroep.


X Noot
1

Kamerstukken II 2024/2025, 20 454, nr. 209.

X Noot
3

De Ronde Tafel is een bestuurlijk overlegorgaan dat VWS adviseert over de voortgang van het beleid en uitvoering van de collectieve erkenning. Aan deze tafel nemen organisaties deel die verantwoordelijk zijn voor de programmalijnen van de collectieve erkenning, namelijk: Indisch Herinneringscentrum, Museum Maluku, Stichting Beheer Sophiahof, Nationale Herdenking 15 augustus 1945, Pelita. Daarnaast neemt het Indisch Platform deel als belangenbehartiger van de doelgroep.

Naar boven