Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 2 april 2026, tot wijziging van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 om de mogelijkheden voor constructieve verbeteringen bij daadwerkelijk herstel uit te breiden

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen,

Gelet op artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

constructeur:

een constructeur met een afgeronde opleiding op minimaal hbo-niveau in de civiele techniek of bouwkunde en minimaal drie jaar relevante werkervaring als constructeur;

constructieve herstelmaatregel:

een aan de hand van het technisch kader vastgestelde en op de website van het Instituut geplaatste herstelmaatregel die naar het oordeel van het Instituut passend en redelijk is gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie en als doel heeft het geconstateerde constructieve gebrek te verhelpen, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, als geplaatst op de website van het Instituut;

constructieve schade:

schade die samenhangt met een gebrek aan de constructie, welk gebrek heeft geleid tot minimaal objectclassificatie DS3 of tot scheefstand zoals omschreven in het technisch kader;

technisch kader:

laatstelijk vastgesteld technisch kader voor de toepassing van Duurzaam herstel, als bedoeld in de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 en geplaatst op de website van het Instituut;

stabiliserende maatregel:

een door het Instituut goedgekeurde herstelmaatregel die gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie passend en redelijk is om een verdere verslechtering van de constructie zoveel mogelijk te voorkomen, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, als geplaatst op de website van het Instituut;

2. Onderdeel (iii) van de begripsbepaling ‘nieuwe schade’ komt te luiden:

  • (iii) geen schade is die is hersteld onder daadwerkelijk herstel en weer is teruggekomen, tenzij zich een situatie als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, heeft voorgedaan of het terugkomen van de schade redelijkerwijs mede een gevolg kan zijn van een gebrek aan de constructie van het gebouw dat niet verholpen is met een constructieve herstelmaatregel;

B

Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Daadwerkelijk herstel kan uitsluitend betrekking hebben op constructieve verbeteringen, indien:

    • a. sprake is van klein duurzaam herstel;

    • b. aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, en een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut mogelijk is voor deze schade; of

    • c. aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut niet mogelijk is en in plaats daarvan naar het oordeel van het Instituut een constructieve herstelmaatregel mogelijk is voor deze schade.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Indien voor het herstel, bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, noodzakelijk is dat de constructie van een of meer andere gebouwen die constructief verbonden zijn met het gebouw van de aanvrager ook worden verbeterd, kan het herstel alleen plaatsvinden voor zover de eigenaar van dat gebouw of de houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht daarmee schriftelijk instemt.

  • 8. Stabiliserende maatregelen en constructieve herstelmaatregelen als bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, zijn uitsluitend mogelijk als de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 niet in de toepassing van deze maatregelen voorziet.

C

Artikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid worden onder verlettering van de onderdelen b en c tot d en e na onderdeel a twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • b. daadwerkelijk gemaakte onderzoeks- en ontwerpkosten die noodzakelijk en redelijk zijn om de maatregelen, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, te kunnen laten uitvoeren door een eigen aannemer, tot een maximum van € 10.000, inclusief btw, per toegekend recht op daadwerkelijk herstel;

  • c. legeskosten die zijn gemaakt ten behoeve van een vergunningaanvraag voor het in uitvoering laten brengen van de maatregelen door een eigen aannemer, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, met dien verstande dat ten hoogste de legeskosten van de betreffende gemeente worden vergoed die horen bij bouwkosten van ten hoogste € 60.000, inclusief btw, die worden vergoed onder daadwerkelijk herstel;

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Artikel 2.10, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de finaliteit niet eerder dan vijf jaar, gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, kan worden doorbroken, tenzij er na een aardbeving in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s of hoger, nieuwe schade geconstateerd wordt en het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel van € 60.000, inclusief btw, ontoereikend is om ook die nieuwe schade te herstellen.

3. Onder vernummering van het vijfde lid tot het zevende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 5. Onderzoeks- en ontwerpkosten, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, komen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking indien:

    • a. het Instituut voorafgaand aan het maken van deze kosten toestemming heeft verleend;

    • b. het ontwerp wordt opgesteld door een constructeur;

    • c. eventuele aanvullende onderzoeken, op advies van deze constructeur, noodzakelijk zijn om het advies van de deskundige over het herstel van de betreffende schade om te zetten in een uitvoeringsontwerp; en

    • d. de aanvrager ter onderbouwing van de kosten:

      • i. een onderzoeksrapport overlegt waarin de constructeur zijn bevindingen en conclusies heeft opgenomen; en

      • ii. een factuur van de gemaakte kosten overlegt.

  • 6. het Instituut verleent in ieder geval geen voorafgaande toestemming, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, indien het Instituut serieuze twijfels heeft over de geschiktheid van de constructeur.

D

Aan artikel 2.17 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het Instituut maakt uitsluitend onderzoeks- en ontwerpkosten die noodzakelijk en redelijk zijn om de maatregelen, als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, te kunnen uitvoeren door een aannemer van het Instituut, indien deze kosten naar inschatting van het Instituut € 10.000, inclusief btw, of minder zullen bedragen, tenzij de aanvrager het door het Instituut verwachte verschil wenst te bekostigen en binnen de door het Instituut gestelde termijn overgaat tot bijbetaling.

E

Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De aanvrager legt voordat tot herstel wordt overgegaan een offerte ter voorafgaande goedkeuring voor aan het Instituut. Het Instituut keurt een offerte in elk geval goed indien de offerte voldoet aan de door het Instituut gestelde eisen, het geoffreerde bedrag gelet op de te maken kosten niet onredelijk is, en:

    • a. het gegeven hersteladvies wordt gevolgd; of

    • b. in het geval van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 2.12, zesde lid, onderdelen b en c, de offerte in overeenstemming is met het deskundigenrapport dat ten grondslag ligt aan het besluit tot daadwerkelijk herstel en de kosten binnen de bandbreedte van de daarbij verstrekte kostenraming vallen.

2. Aan het derde lid wordt toegevoegd ‘, tenzij het Instituut anders beslist’.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Deze wijziging zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Groningen, 2 april 2026

H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

S.F.M. Wortmann Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

W. van Gent Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met deze wijziging wordt de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (hierna: Werkwijze) aangepast om constructieve verbeteringen, anders dan klein duurzaam herstel, mogelijk te maken bij daadwerkelijk herstel.

2. Constructieve verbeteringen bij daadwerkelijk herstel

Tot nu toe was het niet mogelijk om constructieve verbeteringen uit te voeren onder de noemer daadwerkelijk herstel, tenzij het ging om klein duurzaam herstel. Om ook andere vormen van constructieve verbeteringen mogelijk te maken, was het noodzakelijk om eerst nadere uitvoeringskaders vast te stellen. Deze kaders zijn inmiddels afgerond, waardoor de Werkwijze kan worden aangepast om meer mogelijkheden te bieden voor herstel van woningen.

Bij constructieve schade gaat het vaak om zettingsschade. Zettingsschade ontstaat door vervormingen in de ondiepe bodem, waarop het gebouw is gefundeerd. Het herstel van dit soort schade kan kostbaar zijn. Bij daadwerkelijk herstel vergoedt het Instituut voor maximaal € 60.000 (inclusief btw) aan herstelkosten.

In sommige gevallen, zoals bij funderingsherstel, kunnen de kosten dit bedrag echter (ruim) overschrijden. Hier heeft het Instituut rekening mee gehouden door voor constructieve schade maatregelen mogelijk te maken die een stabiliserende werking hebben. Stabiliserende maatregelen zijn gericht op het voorkomen van verdere verslechtering van de constructie. Denk hierbij aan lokale versteviging van de constructie.

Om aanvragers zoveel mogelijk binnen het maximumbudget te kunnen helpen, wordt bij daadwerkelijk herstel een constructief probleem in principe aan de hand van stabiliserende maatregelen aangepakt. Stabiliserende maatregelen zijn echter niet in alle gevallen mogelijk. Alleen in die situaties kunnen verdergaande herstelmaatregelen worden onderzocht om gebreken in de constructie te verhelpen. Onder bepaalde voorwaarden wordt het daarom ook mogelijk om constructieve herstelmaatregelen uit te voeren bij daadwerkelijk herstel.

Constructieve herstelmaatregelen zijn bedoeld om gebreken in de constructie te verhelpen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het versterken of verbreden van funderingen. Deze maatregelen zijn ingrijpender dan stabiliserende maatregelen en de kosten daarvan kunnen hoger zijn dan het maximumbudget dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel. De verwachting is dat niet iedere aanvrager dergelijke ingrijpende maatregelen wil laten uitvoeren, en dat ook niet iedere aanvrager in staat of bereid is eventuele meerkosten te betalen.

De constructieve herstelmaatregelen zijn opgenomen in de Groninger Maatregelen Catalogus en worden al toegepast door het Instituut in het kader van duurzaam herstel. Voor de stabiliserende maatregelen wordt gewerkt met een basisset aan maatregelen die later uitgebreid kan worden op basis van nieuwe inzichten en ervaring. Alleen de stabiliserende maatregelen die vooraf worden goedgekeurd door het Instituut, kunnen in aanmerking komen om toegepast te worden onder daadwerkelijk herstel. De meest voorkomende stabiliserende maatregelen worden in een lijst opgenomen en op de website van het Instituut geplaatst. Deze lijst kan geactualiseerd worden.

Het Instituut laat zich bij het herstel van schade adviseren door een deskundige. Indien de deskundige adviseert om stabiliserende maatregel, of wanneer dat niet mogelijk is dat een constructieve herstelmaatregel nodig is, verstrekt het Instituut bij de vaststellingsovereenkomst een raming van de kosten van de geadviseerde maatregel. Na toekenning van het recht op daadwerkelijk herstel kan het noodzakelijk zijn om een constructeur in te schakelen om de maatregel verder uit te werken en gereed te maken voor uitvoering. In sommige gevallen kan de constructeur daarbij adviseren om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.

De kosten voor het ontwerp en eventuele onderzoeken kunnen aanzienlijk oplopen. Indien deze kosten ten laste zouden komen van het maximumbudget van € 60.000, inclusief btw, zou dit ertoe kunnen leiden dat aanvragers minder budget overhouden voor de daadwerkelijke herstelmaatregelen. Dit zou hen kunnen beperken in het uitvoeren van de noodzakelijke maatregelen om hun gebouw te herstellen. Deze kosten onderdeel uit laten maken van de forfaitaire vergoeding van € 2.000 acht het Instituut ook niet redelijk. Vanwege de kosten die gepaard gaan met het inschakelen van een constructeur en het nader onderzoek, zou de forfaitaire vergoeding niet meer beschikbaar zijn voor de oorspronkelijke beoogde bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast. Om voornoemde redenen, worden de kosten voor ontwerp en aanvullend onderzoek uitgezonderd van het maximumbudget van € 60.000 en de forfaitaire vergoeding van € 2.000 voor bijkomende kosten, zoals bedoeld in artikel 2.15, derde lid. Voor deze onderzoeks- en ontwerpkosten is een maximum van € 10.000, inclusief btw, vastgesteld dat voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast wordt een vergoeding mogelijk gemaakt voor legeskosten, mits deze betrekking hebben op de stabiliserende of constructieve herstelmaatregelen die worden vergoed onder daadwerkelijk herstel. Dit draagt bij aan het realiseren van een haalbare en toegankelijke mogelijkheid voor het herstel van constructieve schade voor een zo groot mogelijke groep aanvragers.

Hierna volgt een artikelsgewijze toelichting.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wijzigingen in artikel 2.11

Aan artikel 2.11 worden enkele nieuwe begrippen toegevoegd. Het gaat onder andere om de definities van 'constructieve herstelmaatregel', ‘constructieve schade’ en 'stabiliserende maatregel'.

Met ‘constructieve schade’ wordt schade bedoeld die redelijkerwijs samenhangt met het gebrek aan de constructie. Dit gebrek moet hebben geleid tot minimaal objectclassificatie DS3 of tot schade door scheefstand zoals omschreven in het technisch kader van duurzaam herstel. Bij deze schade wordt vermoed dat mogelijk sprake is van een constructief probleem. In dergelijke gevallen kan het naast het herstellen van de schade die redelijkerwijs voortkomt uit het constructieve probleem, nodig zijn om te stabiliseren of wanneer stabilisatie niet mogelijk is een constructieve herstelmaatregelen uit te voeren, om te voorkomen dat de schade na herstel terugkeert. Bij lichtere schade is dit niet aan de orde. In die gevallen gaat het uitsluitend om esthetische schade, waarbij het volstaat om de scheur te dichten en het oppervlak eventueel opnieuw af te werken. Constructieve verbeteringen, anders dan klein duurzaam herstel, worden dus alleen uitgevoerd als dit noodzakelijk is voor de constructieve functie van het gebouw en de lichtere maatregel van stabiliseren van het gebouw niet mogelijk is. De omvang van de schade wordt vastgesteld op basis van de schadekenmerken die door de deskundige zijn opgenomen. Hierbij kunnen ook eerdere opnames worden betrokken. Het is dus mogelijk dat een objectclassificatie DS3 blijkt uit vorige schadeopnames. Wel dient er ten minste één nieuwe schade te zijn, die samenhangt met het gebrek van de constructie. Dit wordt hierna toegelicht.

Zoals in het algemene deel toegelicht zijn stabiliserende maatregelen gericht op het voorkomen van verdere verslechtering van de constructie. Alleen stabiliserende maatregelen die vooraf door het Instituut zijn goedgekeurd, mogen worden toegepast. Wanneer een aannemer in een offerte een stabiliserende maatregel voorstelt die afwijkt van het hersteladvies, beoordeelt het Instituut of deze maatregel passend en redelijk is in de gegeven situatie. Als de maatregel geschikt is om in veelvoorkomende gevallen toe te passen, wordt deze door het Instituut toegevoegd aan de lijst die op de website van het Instituut is geplaatst.

De definitie van 'constructieve herstelmaatregel' komt overeen met die uit artikel 1 van de Beleidsregel duurzaam herstel 2026. Om consistentie te waarborgen, sluit het Instituut aan bij de constructieve herstelmaatregelen uit het technisch kader van duurzaam herstel, dat ook op de website van het Instituut is geplaatst. Zoals toegelicht in het algemene deel, plaatst het Instituut voor de stabiliserende maatregelen een afzonderlijke lijst op de website. Op deze lijst worden de meest voorkomende stabiliserende maatregelen opgenomen.

Hoewel schade door een gebrek in de constructie na stabilisatie meestal niet terugkeert, kan dit in beperkte gevallen toch gebeuren. Om aanvragers in dergelijke situaties tegemoet te komen, is de definitie van 'nieuwe schade' aangepast. De aanpassing maakt het mogelijk om ook schade die terugkeert na eerdere deugdelijke constructieve verbeteringen in de vorm van stabilisatie, opnieuw te melden. Dit kan alleen binnen vijf jaar gerekend vanaf de dag na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, en zolang het opnieuw herstellen van de schade binnen het maximumbudget van € 60.000 past. Als blijkt dat het eerdere herstel niet deugdelijk is uitgevoerd, komt de schade niet opnieuw voor vergoeding in aanmerking. In dat geval kan de aanvrager mogelijk aanspraak maken op garantieafspraken met de aannemer. Omdat constructieve herstelmaatregelen specifiek gericht zijn op het duurzaam verhelpen van constructieve schade, kan schade die na dergelijk herstel terugkomt, redelijkerwijs geen gevolg zijn van een gebrek in de constructie. Deze schade kan daarom niet opnieuw worden gemeld. Dat betekent dat bij een terugkerende schade na herstel alleen stabilisatie of scheurherstel kan worden toegepast, tenzij zich een situatie als bedoeld in artikel 2.10, derde lid, heeft voorgedaan.

Wijzigingen in artikel 2.12

De wijzigingen aan artikel 2.12 zien op de volgende onderdelen:

Artikel 2.12, zesde lid

De wijziging van artikel 2.12, zesde lid, maakt het mogelijk om stabiliserende maatregelen uit te voeren onder daadwerkelijk herstel, en wanneer stabiliseren niet mogelijk is om een constructieve herstelmaatregel toe te passen. Voorwaarde is dat sprake is van constructieve schade die niet in zijn geheel eerder is behandeld. Indien een gebouw bijvoorbeeld zettingsschade heeft, kan dit leiden tot meerdere scheuren. Om in aanmerking te komen voor stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen hoeven niet al die scheuren nieuw te zijn, dat wil zeggen niet eerder behandeld. Het is voldoende als ten minste één scheur nieuw is. Van nieuwe constructieve schade is ook sprake als die schade na eerder herstel opnieuw is ontstaan of als de eerder behandelde schade is verergerd. Die nieuwe schade dient uiteraard wel (mede) het gevolg te zijn van een gebrek aan de constructie, anders is er geen relevante nieuwe schade. Eventuele verergering dient substantieel te zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een constructieve verbetering. Een verergering van één of een paar millimeters is dat in de regel niet. Deze voorwaarden zijn ontleend aan de Beleidsregel duurzaam herstel 2026.

Het moet gaan om constructieve schade aan een gebouw. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt in de functionaliteit van het gebouw. Wel worden met deze bepaling ’werken’ uitgesloten van de toepassing van stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen. Denk hierbij aan tuinmuren en steigers. De reden hiervoor is dat het budget zo beschikbaar blijft voor het herstel van constructieve schade waar dat de meeste toegevoegde waarde heeft, namelijk voor woningen en bedrijfspanden. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het herstellen van gebouwen in de regio.

Constructieve verbeteringen in de vorm van stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen zijn alleen mogelijk als ze passend en redelijk zijn gelet op het doel van het herstel. Daarbij geldt dat stabiliseren het uitgangspunt is. Een constructieve herstelmaatregel is alleen mogelijk als stabiliseren niet mogelijk is. Het Instituut laat zich daarover adviseren door een deskundige. Een maatregel is ieder geval niet passend en/of redelijk als minder ingrijpende of goedkopere maatregelen volstaan om de constructieve schade te behandelen.

Het maximumbudget van € 60.000, inclusief btw, geldt voor alle schade aan het kadastraal object. Alle kosten boven dit bedrag zijn voor rekening van de aanvrager. Dit betekent dat de aanvrager alleen aanspraak kan maken op vergoeding voor stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen als deze bereid is eventuele meerkosten zelf te dragen.

Omdat constructief onderzoek dat nodig is om een hersteladvies op te stellen kostbaar is en mogelijk tot een langere afhandeling leidt, neemt het Instituut vooraf contact op met de aanvrager. In dit gesprek wordt besproken of de aanvrager constructieve verbeteringen, anders dan klein duurzaam herstel, wil laten uitvoeren en bereid is eventuele meerkosten zelf te dragen. Als de aanvrager bijvoorbeeld al weet het herstelbudget liever in te zetten voor het herstel van niet-constructieve schades, ontvangt de aanvrager een hersteladvies zonder constructieve verbeteringen (anders dan klein duurzaam herstel). Deze aanpak geeft de aanvrager regie over het herstelproces en voorkomt vertragingen en onnodige besteding van middelen aan onderzoek naar maatregelen die niet aansluiten bij de wensen van de aanvrager.

Artikel 2.12, zevende lid

Het kan voorkomen dat een stabiliserende maatregel of constructieve herstelmaatregel alleen mogelijk is als ook de constructie van één of meer verbonden gebouwen die toebehoren aan een ander, worden hersteld. Denk hierbij aan een rijtjeswoning of een twee-onder-een-kapwoning. In dat geval kent het Instituut alleen een vergoeding toe voor constructieve verbeteringen als de rechthebbende van het verbonden gebouw instemt met de uitvoering van de maatregelen. De vergoeding is daarbij beperkt tot het deel van de schade dat hoort bij het gebouw van de aanvrager, met een maximale vergoeding van € 60.000, inclusief btw, voor alle herstelwerkzaamheden aan het kadastrale object van de aanvrager. De overige herstelkosten voor de maatregel komen voor rekening van de rechthebbende van het verbonden gebouw.

Artikel 2.12, achtste lid

Het achtste lid bepaalt dat constructieve verbeteringen, anders dan klein duurzaam herstel, alleen kunnen worden uitgevoerd onder de noemer daadwerkelijk herstel als de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 hier niet in voorziet. Dit voorkomt dat aanvragers onbewust kiezen voor een minder gunstig regime. De tegemoetkoming voor duurzaam herstel bedraagt namelijk maximaal de WOZ-waarde van de onroerende zaak, tot een maximum van € 500.000, terwijl het maximumbudget voor daadwerkelijk herstel beperkt is tot € 60.000 per kadastraal object. Door deze duidelijke afbakening worden aanvragers beter beschermd en kunnen zij optimaal gebruikmaken van de regeling die het beste aansluit bij hun situatie.

Wijzigingen in artikel 2.15, derde lid, onderdelen b en c, artikel 2.15, vijfde en zesde lid, en artikel 2.17, derde lid

Zoals toegelicht in het algemene deel, kan na toekenning van het recht op herstel een constructeur nodig zijn om de geadviseerde maatregelen verder uit te werken en gereed te maken voor uitvoering. Indien nodig kan de constructeur adviseren om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. Met de wijzigingen van artikel 2.15 kunnen aanvragers die onder daadwerkelijk herstel hebben gekozen voor herstel met een eigen aannemer, een aparte aanvraag indienen voor de vergoeding van die onderzoeks- en ontwerpkosten, tot een maximum van € 10.000 (inclusief btw) per toegekend recht op daadwerkelijk herstel. Alleen werkelijk gemaakte kosten die noodzakelijk en redelijk zijn om het door de deskundige gegeven hersteladvies uit te kunnen voeren, komen in aanmerking voor vergoeding. De aanvraag moet daarom worden onderbouwd met een onderzoeksrapport en een factuur van een constructeur. Om te waarborgen dat de kosten voor het inschakelen van een constructeur en het uitvoeren van aanvullend onderzoek doelmatig worden ingezet, is voorafgaande goedkeuring van het Instituut vereist. Dit voorkomt bovendien dat aanvragers kosten maken zonder zekerheid of deze voor vergoeding in aanmerking komen.

Om de kwaliteit van het hersteladvies en in het verlengde daarvan de uitvoering van de herstelmaatregelen te waarborgen, worden eisen gesteld aan de constructeur. De constructeur moet minimaal een opleiding op hbo-niveau hebben afgerond in de civiele techniek of bouwkunde, en ten minste drie jaar relevante werkervaring hebben. Indien het Instituut twijfelt aan de geschiktheid van de constructeur, kan goedkeuring worden geweigerd. Kosten voor aanvullend onderzoek worden alleen goedgekeurd als deze zijn geadviseerd door een constructeur die voldoet aan de gestelde eisen. Bij nader onderzoek kan gedacht worden aan lokaal destructief onderzoek aan de fundering of aan bodemonderzoek.

Daarnaast worden legeskosten voor het aanvragen van een vergunning voor het toepassen van stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen onder voorwaarden vergoed. Indien de legeskosten volledig betrekking hebben op maatregelen die binnen het maximumbudget van € 60.000, inclusief btw, worden vergoed, worden ook de legeskosten volledig vergoed. Wanneer de legeskosten deels betrekking hebben op kosten die door de aanvrager zelf worden gedragen, wordt alleen het deel vergoed dat betrekking heeft op de door het Instituut vergoede herstelkosten. Bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van de eerste maximaal € 60.000 aan herstelkosten, waarbij de legesstaffels uit de gemeentelijke legesverordening bepalend zijn. Bijvoorbeeld: als een constructieve maatregel € 120.000 kost en het volledige budget van € 60.000 wordt hiervoor aangewend, vergoedt het Instituut de legeskosten die horen bij € 60.000, inclusief btw. De overige legeskosten zijn voor rekening van de aanvrager. Als het door het Instituut vergoede herstelbedrag lager is dan € 60.000, wordt de vergoeding berekend op basis van dat lagere bedrag. Leges zijn zogenaamde retributies. Bij retributies worden de kosten die een gemeente maakt doorbelast aan de aanvrager. Hierover is daarom geen btw verschuldigd.

De uitzondering voor onderzoeks-, ontwerp- en legeskosten, zorgt ervoor dat het herstelbudget volledig beschikbaar blijft voor de daadwerkelijke maatregelen en daarmee dat meer aanvragers gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om constructieve schade te herstellen. Tegelijkertijd is een maximum gesteld aan de vergoeding van de bijkomende kosten om onverklaarbare verschillen te voorkomen en de regeling beheersbaar te houden. Het maximum van € 10.000 (inclusief btw) sluit aan bij wat gebruikelijk is in vergelijkbare regelingen in het noorden van het land, zoals de Subsidieverordening funderingsproblematiek Woltersum 2021.

Aanvragers die hebben gekozen voor herstel met een eigen aannemer van het Instituut, zullen bovengenoemde kosten niet zelf maken en daarom ook geen aanvraag voor een vergoeding van bijkomende kosten hoeven te doen. Bij herstel met een aannemer van het Instituut worden het uitvoeringsontwerp en eventueel aanvullend onderzoek namelijk in opdracht van het Instituut opgesteld en uitgevoerd. Om verschillen tussen beide herstelopties te voorkomen, gelden bij herstel met een aannemer van het Instituut wel dezelfde maximale bedragen. Voorafgaand aan het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst voor herstel met een aannemer van het Instituut, beoordeelt het Instituut daarom of de kosten voor de inzet van een constructeur en eventueel nader onderzoek binnen het maximumbudget van € 10.000 (inclusief btw) kunnen blijven. Als de verwachting is dat dit niet haalbaar is, wordt de aanvrager de mogelijkheid geboden om de geschatte meerkosten bij te betalen. De aanvrager betaalt nooit meer bij dan vooraf door het Instituut is geraamd en waar de aanvrager akkoord op heeft gegeven. Maakt de aanvrager geen gebruik van de mogelijkheid om bij te betalen, dan is het op basis van artikel 2.17, derde lid, niet mogelijk om de constructieve herstelmaatregel uit te voeren met een aannemer van het Instituut. Dit voorkomt bevoordeling van aanvragers die kiezen voor herstel met een aannemer van het Instituut ten opzichte van aanvragers die herstellen met een eigen aannemer. Eventuele andere schades kunnen nog wel worden hersteld via herstel met aannemer Instituut als de aanvrager voor deze variant van daadwerkelijk herstel kiest.

Wijzigingen in artikel 2.15, vierde lid

Uit artikel 2.12, derde lid, van de Werkwijze volgt dat het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel € 60.000, inclusief btw, per volledig object bedraagt. Van dit bedrag kan de aanvrager alle opgenomen schade herstellen die naar hun aard door mijnbouw kunnen komen en niet identiek zijn aan een schade die eerder is beoordeeld. De aanvrager kan gedurende vijf jaar nieuwe schades melden. Deze schades kunnen hersteld worden, mits dit past binnen het maximumbudget van € 60.000, inclusief btw. Dit is bepaald in artikel 2.21 van de Werkwijze. Omdat nieuwe schades gedurende vijf jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst gemeld kunnen worden, is in het derde lid bepaald dat de finaliteit na vijf jaar doorbroken kan worden. Het is mogelijk dat een nieuwe zware beving nieuwe schade veroorzaakt, waardoor het maximum bedrag van € 60.000, inclusief btw, ontoereikend zou kunnen zijn om ook deze nieuwe schade te herstellen. Indien die situatie zich voordoet doordat na een beving van 5 mm/s of hoger, nieuwe schade wordt geconstateerd die nog niet eerder was beoordeeld, of gemeld op grond van artikel 2.21 van de Werkwijze, en die nieuwe schade niet binnen het maximale bedrag van € 60.000, inclusief btw, hersteld kan worden, is eveneens de finaliteit doorbroken. Bij de totstandkoming van de Werkwijze was abusievelijk niet met deze situatie rekening gehouden en daarom wordt de Werkwijze hierop aangepast. Indien na een beving van 5 mm/s of hoger nieuwe schade wordt geconstateerd en deze schade niet kan worden hersteld binnen het eerder toegekende recht op daadwerkelijk herstel, dan kan de rechthebbende voor deze schade een nieuwe aanvraag doen voor daadwerkelijk herstel. Het nieuwe recht op daadwerkelijk herstel ziet dan op de nieuwe schades die nog niet eerder waren beoordeeld of gemeld op grond van artikel 2.21 van de Werkwijze. In plaats van opnieuw te kiezen voor daadwerkelijk herstel, kan de rechthebbende voor de nieuwe schade een aanvraag doen voor de vaste herhaalvergoeding of de nieuwe schade melden in een maatwerkprocedure. Ook dan wordt alleen de schade afgehandeld die is ontstaan na een beving van minimaal 5 mm/s en die niet kan worden hersteld binnen het maximumbudget van het eerder toegekende recht op herstel. Nieuwe schades die wel binnen dit maximumbudget kunnen worden hersteld, worden binnen het eerder toegekende recht op herstel afgehandeld.

Wijzigingen in artikel 2.20, eerste en derde lid

Als de deskundige adviseert een stabiliserende maatregel, of wanneer dat niet mogelijk is een constructieve herstelmaatregel, toe te passen, stelt de deskundige een raming op van de kosten die nodig zijn voor herstel. Dit verschilt van de aanpak bij niet-constructieve schade, waarbij een exacte calculatie wordt geleverd conform de uitgangspunten voor het hanteren van de herstelmatrix en het calculatiemodel van Instituut. Het volledig uitwerken van de herstelkosten voor stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen zou leiden tot onevenredig hoge uitvoeringskosten, zeker in verhouding tot het maximumbudget van € 60.000, inclusief btw. Om dit te voorkomen, wordt de raming opgesteld binnen een redelijke bandbreedte.

Het Instituut keurt de offerte van de aannemer in ieder geval goed als de maatregel conform het bij de raming verstrekte advies is, de kosten binnen de bandbreedte van de raming blijven en het maximumbedrag van € 60.000, inclusief btw, niet wordt overschreden. Dit betekent dat de aanvrager vooraf duidelijkheid heeft over de kosten die vergoed worden. Wanneer een aannemer afwijkt van de geadviseerde maatregel of raming, voert het Instituut een inhoudelijke beoordeling uit. Afwijkende offertes worden alleen goedgekeurd als uit de onderbouwing van de aannemer volgt dat de afwijking noodzakelijk is voor de toepassing van de maatregel en de kosten redelijk zijn. Daarbij geldt dat het IMG niet meer vergoedt dan het maximumbudget voor daadwerkelijk herstel.

Tot nu toe is in de Werkwijze bepaald dat alle herstelwerkzaamheden in één offerte van één aannemer worden opgenomen. Bij de start van herstel is in de Werkwijze opgenomen dat wordt overwogen om bij herstel met eigen aannemer ook herstel per ruimte van een gebouw mogelijk te maken. Om zo efficiënt mogelijk met de herstelcapaciteit om te gaan, blijft het uitgangspunt dat het herstel in een keer wordt uitgevoerd door dezelfde aannemer. Het kan echter voorkomen dat een aannemer niet alle benodigde werkzaamheden kan uitvoeren en ook geen onderaannemer heeft. Bijvoorbeeld wanneer een aannemer gespecialiseerd is in stabiliserende maatregelen of constructieve herstelmaatregelen, maar niet in scheurherstel van andere schades. In dergelijke gevallen kan het Instituut vooraf toestemming geven om het herstel door verschillende aannemers te laten uitvoeren. Dit biedt de aanvrager de mogelijkheid om te werken met aannemers die over de juiste expertise en ervaring beschikken, zodat de kwaliteit van het herstel gewaarborgd blijft. Deze optie wordt echter alleen toegepast wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om het herstel door één aannemer te laten uitvoeren.

Groningen, 2 april 2026

H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

S.F.M. Wortmann Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

W. van Gent Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

Naar boven