Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 16326 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2026, 16326 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
beeld van reeds bestaand professionaliseringsaanbod dat aansluit op de vraagarticulatie;
interdisciplinaire werkplaats waarin op gelijkwaardige basis wordt samengewerkt aan de systematische ontwikkeling van leerarrangementen gericht op de professionele ontwikkeling van leraren.
Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
samenwerkingsverband, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11, eerste lid;
instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW;
bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de WHW;
Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
samenhangend geheel van formele en informele leeractiviteiten ten behoeve van de professionalisering van leraren, dat past binnen de in bijlage 2 omschreven ontwikkelpaden en dat voldoet aan de in bijlage 3 gestelde kwaliteitscriteria;
persoon als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a, b c of e van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel;
op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding die leidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om onderwijs te geven als bedoeld in de WPO, de WEC, de Wet primair onderwijs BES of de WVO 2020 of die ertoe leidt dat een docent voldoet aan de bekwaamheidseisen voor benoeming of tewerkstelling van docenten als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de WEB;
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
onderwijsregio als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s waarvoor op basis van die regeling subsidie wordt verstrekt;
in bijlage 2 opgenomen kaders voor professionaliseringstrajecten die door leraren kunnen worden gebruikt om zich te ontwikkelen van start- naar vakbekwaam, of van vakbekwaam naar expert;
penvoerder van een educatief consortium als bedoeld in artikel 5, derde lid;
opleider die geen bekostigd onderwijs aanbiedt in de zin van artikel 2.1.1 WEB, artikel 2.1.2 WEB of een bekostigde instelling is in de zin van artikel 1.1, onder g van de WHW;
organisatieonderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgericht in samenwerking met onderwijsraden, lerarenopleidingen en werknemersorganisaties, met de opdracht zorg te dragen voor de vorming van een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s en hier regie op te voeren;
primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de WPO, WEC, WVO 2020 en WEB;
school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
directeur als bedoeld in artikel 32 van de WPO, artikel 29 van de WEC, of directeur en rector als bedoeld in artikel 7.23 van de WVO 2020;
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC, artikel 1.1 van de WVO 2020 of in artikel 1.1.1 van de WEB;
voortdurend proces van afstemming binnen een onderwijsregio waarin professionaliseringsbehoeften van leraren, scholen en schoolbesturen worden gesignaleerd, verkend en doorgrond, waarbij het resultaat van dit proces de basis vormt voor het ontwikkelen, testen en evalueren van professionaliseringstrajecten in een co-creatielab;
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
Wet educatie en beroepsonderwijs;
Wet op de expertisecentra;
Wet op het primair onderwijs;
Wet voortgezet onderwijs 2020.
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling, met uitzondering van artikel 4.3, eerste lid.
1. De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 5 subsidie verstrekken voor:
a. het inrichten van een co-creatielab waarin leerarrangementen worden ontwikkeld, getest en geëvalueerd en waarin bestaande leerarrangementen op de in bijlage 3 genoemde kwaliteitscriteria worden getoetst, waarbij de activiteiten in het co-creatielab betrekking hebben op de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren voor zover relevant naar aanleiding van de vraagarticulatie en aanbodanalyse; en
b. het voor eenieder kosteloos toegankelijk maken van ontwikkelde en getoetste leerarrangementen als bedoeld in onderdeel a en de overige kennis die door uitvoering van de in onderdeel a bedoelde activiteiten is opgedaan:
1°. via een digitaal platform; en
2°. binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia door middel van deelname aan minimaal drie door de Realisatie-Eenheid te organiseren bijeenkomsten; en
c. het verrichten van onderzoek dat bijdraagt aan kennisdeling als bedoeld onder b, en dat aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs.
2. Het co-creatielab bestaat in ieder geval uit:
1°. één of meer leraren; en
2°. één of meer lerarenopleidingen; en
3°. één of meerdere werkgevers, die kunnen bestaan uit schoolbesturen, schoolleiders en personen die op de desbetreffende vestiging van een mbo-instelling als directeur werkzaam zijn, voor zover dit blijkt uit de vraagarticulatie en de aanbodanalyse; en
4°. eventueel één of meer private opleiders.
3. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. het verrichten van vraagarticulatie en aanbodanalyse voorafgaand aan de aanvraag;
b. het verrichten van activiteiten waarvoor de minister reeds uit anderen hoofde subsidie heeft verstrekt;
c. het verrichten van activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage voor scholen of hogeronderwijsinstellingen; en
d. de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten.
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.
1. De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.
2. De penvoerder is een instellingsbestuur van een hogeronderwijsinstelling als bedoeld in bijlage 1 die deel uitmaakt van een educatief consortium, en die namens dat educatief consortium als penvoerder optreedt.
3. Per educatieve alliantie kan één daaraan deelnemende hogeronderwijsinstelling worden aangewezen die optreedt als penvoerder van een educatief consortium.
4. Een penvoerder kan zijn penvoerderschap krachtens schriftelijke overeenkomst overdragen aan een ander instellingsbestuur als bedoeld in het tweede lid, dat deelneemt aan dezelfde educatieve alliantie. Indien de penvoerder zijn penvoerderschap aldus overdraagt:
a. wordt de subsidie, onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn verleend; en
b. worden eventueel reeds door de oorspronkelijke penvoerder ontvangen voorschotten geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn betaald op grond van artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Een overeenkomst als bedoeld in het vierde lid wordt, alvorens die in werking treedt, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister en bevat:
a. één of meer bepalingen over de overdracht van verantwoordingsinformatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de oorspronkelijke penvoerder aan de nieuwe penvoerder; en
b. voor zover sprake is van reeds betaalde voorschotten, en voor zover nog niet besteed, een regeling over bijschrijving daarvan op het vroegst mogelijke moment op een bij DUS-i bekende bankrekening van de nieuwe penvoerder.
Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.
1. Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd van 17 augustus 2026 om 9:00 uur tot en met 4 september 2026 om 13:00 uur.
2. Aanvragen die buiten de in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.
3. Per penvoerder kan maximaal één aanvraag worden ingediend.
4. De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.
5. In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in het derde lid, dient de penvoerder die een subsidie aanvraagt de volgende documenten in:
a. een ambitiedocument als bedoeld in artikel 8;
b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 9;
c. een begroting als bedoeld in artikel 10;
d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 11; en
e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.
6. De penvoerder neemt voorafgaande aan de subsidieaanvraag deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab gedurende het eerste jaar van de subsidiabele periode.
1. Het ambitiedocument bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de vraagarticulatie in het kader van het professionaliseren van leraren op de arbeidsmarkt binnen de regio of sector waar het educatief consortium zich op richt;
b. een aanbodanalyse van de hogeronderwijsinstellingen en private opleiders in het educatief consortium waaruit blijkt in welke mate het bestaande professionaliseringsaanbod aansluit op de vraagarticulatie als bedoeld in onderdeel a, en welk professionaliseringsaanbod nog ontwikkeld dient te worden; en
c. een beschrijving van de ambities van het educatief consortium met betrekking tot de verduurzaming van de activiteiten en resultaten daarvan, na afronding van de subsidieperiode.
2. Voor het ambitiedocument wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
1. In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:
a. een omschrijving hoe de betrokkenheid van leraren binnen het educatief consortium wordt geborgd, onderbouwd met concrete plannen;
b. een activiteitenplanning met een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in het eerste jaar van de subsidiabele periode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, dat bestaat uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de overige jaren van de subsidiabele periode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; en
c. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden gemonitord, geëvalueerd en waarmee de aanpak indien nodig wordt bijgesteld.
2. Voor het activiteitenplan wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
1. In aanvulling op artikel 3.5 van de Kaderregeling kan in de begroting voor wat betreft de personele kosten worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:
a. secretarieel of administratief medewerker € 67;
b. projectmedewerker € 93;
c. projectleider, leraar of onderzoeker € 117; en
d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 138.
2. Voor de begroting wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
1. Een educatief consortium bestaat in ieder geval uit een penvoerder, en ten minste één penvoerder van een onderwijsregio, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s.
2. In aanvulling op de in het eerste lid bedoelde partijen kunnen ook private opleiders die opgenomen zijn in de aanbodanalyse en passen bij één of meerdere ontwikkelpaden, en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen, deelnemen aan het educatief consortium.
3. De samenwerking tussen de penvoerder en de overige deelnemende partijen van een educatief consortium wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
4. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door tekenbevoegd gezag van deelnemende partijen aan het desbetreffend educatief consortium.
5. In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:
a. de beoogde start- en einddatum van de samenwerking die ten minste de subsidieperiode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, omvat;
b. dat de penvoerder gemachtigd is om als penvoerder namens het educatief consortium op te treden;
c. wat elke partij in het educatief consortium inhoudelijk en organisatorisch bijdraagt aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waarvoor subsidie wordt gevraagd;
d. hoe het aangevraagde subsidiebedrag tussen de partijen van het educatief consortium wordt verdeeld;
e. dat elke partij toestemming geeft voor het indienen van de stukken, bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid;
f. dat alle partijen in het educatief consortium medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt; en
g. dat alle partijen in het educatief consortium alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk maken en zij hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons kunnen hanteren.
6. Voor de samenwerkingsovereenkomst wordt gebruik gemaakt van het format dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld.
De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.
Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking in ieder geval geweigerd indien voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.
Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:
a. De activiteiten waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029;
b. De penvoerder zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het verstrijken van de subsidieperiode, een eindrapportage aan de minister over de subsidiabele periode, bedoeld in onderdeel a;
c. De penvoerder zendt op uiterlijk 15 oktober 2027 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2027 en op uiterlijk 15 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2027 tot en met 31 augustus 2028 aan de minister;
d. De penvoerder voert met betrekking tot de financiering van de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de penvoerder naast niet- economische activiteiten ook economische activiteiten verricht;
e. De penvoerder zorgt er voor dat de partijen die deelnemen aan het educatief consortium desgevraagd meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten;
f. de penvoerder maakt alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk en kan hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons hanteren.
1. Een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel c, bevat ten minste:
a. een omschrijving van de bestede middelen;
b. een geactualiseerd ambitiedocument als bedoeld in artikel 8, een geactualiseerd activiteitenplan als bedoeld in artikel 9 en een geactualiseerde begroting als bedoeld in artikel 10 over het tweede, onderscheidenlijk het derde jaar van de subsidieperiode;
c. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over de betreffende periode voorafgaand aan de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 14, onderdeel c; en
d. de geleverde inspanningen om tot één of meerdere leerarrangementen te komen.
2. De penvoerder neemt voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportage deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en sectoren per co-creatielab gedurende het tweede en derde jaar van de subsidieperiode.
3. De voortgangsrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
1. Een eindrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, bevat ten minste:
a. een verslag van de realisatie van de in de activiteitenplannen genoemde activiteiten; en
b. een verslag van de realisatie van de begrote kosten.
2. Indien gedurende de subsidieperiode één of meer leerarrangementen zijn ontworpen, wordt de eindrapportage aangevuld met een omschrijving van deze ontworpen leerarrangementen.
3. De eindrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.
2. De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.
1. De minister verleent een voorschot van 100% dat in drie termijnen wordt uitbetaald waarbij het eerste voorschot 44% van de totale toegekende subsidie bedraagt, het tweede voorschot 33%, en het derde voorschot 23%.
2. Op verzoek van de aanvrager kan de minister afwijken van de in het eerste lid bedoelde verdeling. De aanvrager kan hiertoe onderbouwd verzoeken in de aanvraag of in de voortgangsrapportages.
3. De betalingen van de termijnen zullen uiterlijk plaatsvinden in januari 2027, 2028 en 2029.
1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Het onderwijsaccountantsprotocol, zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie van het onderwijs, is van toepassing.
2. Onverminderd artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidie lager vaststellen.
3. De vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de subsidiabele periode.
De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
|
Educatieve alliantie |
Deelnemende hogeronderwijsinstellingen |
|---|---|
|
Alliantie MRA Amsterdam (ALMA) |
Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Hogeschool Inholland, Hogeschool IPABO, Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, VU, Windesheim Almere |
|
Educatieve Alliantie Lerarenopleidingen Zuid-Holland (EAZH) |
Erasmus Universiteit, De Haagse Hogeschool, Hogeschool Inholland, Hogeschool Leiden, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Thomas More, Technische Universiteit Delft, Universiteit Leiden |
|
Educatieve Levensbeschouwelijke Alliantie (ELA) |
Christelijke Hogeschool Ede, Driestar educatief, Hogeschool VIAA, Open Universiteit, Theologische Universiteit Apeldoorn, Universiteit voor Humanistiek, Universiteit Utrecht, Universiteit Wageningen, Vrije Universiteit |
|
Groene Educatie Alliantie (GEA) |
Aeres Hogeschool Wageningen, Wageningen University Education and Learning Sciences |
|
Noordelijk Educatieve Alliantie (NEA) |
Hanzehogeschool Groningen, NHL Stenden Hogeschool, Rijksuniversiteit Groningen |
|
Oost Werkt (OW) |
ArtEZ Hogeschool voor de kunsten, Hogeschool KPZ, Hogeschool VIAA, Iselinge Hogeschool, Saxion Hogeschool, Universiteit Twente, Windesheim |
|
Regionale Alliantie Zuidoost-Nederland (RA-ZON) |
ArtEZ University of the Arts HAN University of Applied Sciences Radboud Universiteit |
|
Utrecht Leert OpleidersAlliantie (ULOA) |
Hogeschool van de Kunsten, Hogeschool Utrecht, Marnix Academie, Universiteit voor Humanistiek, Universiteit Utrecht |
|
Zuidelijke Educatieve Alliantie I (ZEA I) |
Avans Hogeschool, Fontys Hogescholen, Hogeschool de Kempel, HZ University of Applied Sciences, Zuyd Hogeschool |
|
Zuidelijke Educatieve Alliantie II (ZEA II) |
Maastricht University, Open Universiteit Heerlen, Radboud Universiteit Nijmegen, Technische Universiteit Eindhoven, Tilburg University |
In bekwaamheid van leraren kunnen we drie niveaus onderscheiden: startbekwaam, vakbekwaam en expert. Aan het einde van zijn initiële opleiding is een leraar startbekwaam en wettelijk bevoegd om les te geven. Via ontwikkelpaden kan een leraar een volgend niveau bereiken. Vakbekwame leraren hebben een breder en effectiever handelingsrepertoire dan de startbekwame leraar en kunnen autonomer handelen en lesgeven in complexere onderwijssituaties. Waar vakbekwaamheid ontwikkeling in de breedte is, gaat het bij het expertniveau om ontwikkeling in de diepte in een specifiek domein, zoals curriculumontwikkeling. Als zodanig bieden ontwikkelpaden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen).
Voor een volledige omschrijving van de ontwikkelpaden wordt verwezen naar www.napl.nl.
|
Naam ontwikkelpad |
Korte omschrijving |
Sector (po, vo, mbo)1 |
|---|---|---|
|
Start- naar vakbekwaam |
Het ontwikkelpad richt zich op startbekwame leraren. Aan het einde van zijn initiële opleiding heeft een leraar startbekwaamheid. Via het ontwikkelpad Start- naar vakbekwaam bereikt de leraar het volgende niveau: vakbekwaamheid. Vakbekwaamheid richt zich op de aspecten van inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid die oefening en ervaring vragen, namelijk het uitbreiden van het handelingsrepertoire door autonomer en meer leerlinggestuurd te handelen in complexere situaties. Daarnaast richt het zich op de professionele bekwaamheid, namelijk de wijze waarop de leraar reflectief en onderzoekend handelt ten opzichte van zichzelf, de organisatie, de omgeving van de organisatie en de beroepsgroep als geheel. Voor de bekwaamheden zijn de beroepsstandaard en de bekwaamheidsgebieden als uitgangspunt genomen. |
Alle sectoren |
|
Specialisatie curriculumontwikkeling |
Het ontwikkelpad Specialisatie curriculumontwikkeling richt zich op vakbekwame leraren. Een vakbekwame leraar is curriculumbewust en heeft kennis van de lesinhoud. Een leraar met een specialisatie in curriculumontwikkeling bouwt voort op al verworven kennis, verbindt praktijk en onderzoek aan elkaar of bewerkstelligt vernieuwingen voor een hele jaarlaag, een schoolbrede ontwikkeling of een leerlijn over jaarlagen heen. Ook verbindt die leraar curriculumontwikkelingen op school met lokale, regionale of landelijke ontwikkelingen. |
Alle sectoren |
Een specialisatie kan typerend zijn voor één sector, maar ook voor twee of alle drie (po, vo, mbo). Een specialisatie kan generiek zijn en sectorspecifiek worden uitgewerkt.
Het kwaliteitskader bestaat uit kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaarden zijn gebaseerd op de visie van NAPL op de kwaliteit van de leerarrangementen.
Ontwikkelpaden bieden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen). Leraren ontwikkelen zich binnen een ontwikkelpad door te werken aan leeruitkomsten. De volgende fasering wordt onderscheiden: van start bekwaam naar vakbekwaam en van vakbekwaam naar expert leraar. Een leraar ontwikkelt zich, in een ontwikkelpad, door een of meerdere leerarrangementen in de loop van tijd te volgen of het hele ontwikkelpad (te stapelen). Er wordt geen vaste route voorgeschreven voor het aantal leerarrangementen per ontwikkelpad. Vorm moet inhoud volgen en de leerarrangementen (die samen optellen tot een ontwikkelpad) moeten een samenhangend geheel vormen, met logische onderwijskundige opbouw.
Om de samenhang van een ontwikkelpad te bewaken wordt uitgegaan van maximaal 6–10 aanbieders. Er is voor leraren vrije keuze om te kiezen voor een passende aanbieder.Een aanbieder baseert zich op de ontwikkelpaden van NAPL en het aanbod voldoet aan het kwaliteitskader.Een aanbieder kan ervoor kiezen om een of meerdere leerarrangementen, of alle leerarrangementen van een ontwikkelpad als geheel aan te bieden. Het moet altijd duidelijk zijn voor leraren hoe een leerarrangement zich verhoudt tot het gehele ontwikkelpad.
|
Naam kwaliteitsstandaard |
Beschrijving kwaliteitsstandaard |
Basiskwaliteit |
|---|---|---|
|
Beschrijving van inhoud, niveau en aanbod |
De inhoud en het niveau van het leerarrangement passen bij het ontwikkelpad van NAPL. |
1. Een ontwikkelpad bestaat uit een samenhangend geheel van 6–10 leerarrangementen (de richtlijn voor de omvang van leerarrangementen is daarmee 3–5 ECTS). De leerarrangementen van een professionaliseringstraject dekken samen de leeruitkomsten van een ontwikkelpad integraal af, zijn op elkaar afgestemd en (waar nodig) volgordelijk op elkaar.1 Een professionaliseringstraject bestaat uit een of meerdere leerarrangementen en/of het gehele Ontwikkelpad dat leraren kunnen gaan volgen. Het niveau van het leerarrangement sluit aan bij het niveau van het ontwikkelpad, dit is gerelateerd aan NLQF, waar het leerarrangement voor opleidt. 2. Het is duidelijk hoe het leerarrangement past in het relevante ontwikkelpad – en hoe het zich verhoudt tot de andere leerarrangementen binnen een ontwikkelpad. 3. De volgende informatie over het leerarrangement is beschikbaar: a. de inhoud en het niveau van beoogde leeruitkomsten van de leerarrangementen die deel uitmaken van het professionaliseringstraject, b. de wijze waarop eerder verworven competenties aangetoond en gevalideerd kunnen worden. c. de leeractiviteiten, d. het lesmateriaal, e. de tijdsinvestering, f. data, locatie, kosten en algemene voorwaarden, gekoppeld aan de opdracht tot het te verzorgen leerarrangement, g. noodzakelijke begeleiding en medewerking vanuit de school en h. de wijze van afronding van het traject. 4. Het leerarrangement is adaptief, zodat wordt voortgebouwd op wat leraren al kunnen en weten. 5. Het leerarrangement heeft een onderbouwde en expliciete redenering over hoe de kenmerken van het leerarrangement samenhangen met de beoogde leeruitkomsten. Er is expliciet aandacht voor het leren van leraren en de onderwijscontext. 6. De veronderstelde voorkennis en eventuele passend toelatingsvoorwaarden zijn transparant en eenduidig beschreven. Een leerarrangement sluit aan op de kenmerken van effectieve professionalisering. |
|
Leeromgeving |
De leeromgeving en het programma maken het voor leraren mogelijk de beoogde leeruitkomsten te realiseren. De leeromgeving is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over effectieve professionalisering van leraren. Ingezette leermiddelen zijn gebaseerd op actuele wetenschappelijke literatuur. |
1. De leeromgeving sluit aan bij de beroepscontext van de deelnemer en stimuleert (collectief of team-)leren in de praktijk. 2. De begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde en het implementeren van nieuwe werkwijzen in de onderwijspraktijk. 3. De leeromgeving is aantoonbaar adaptief, omdat ze • stimuleert dat deelnemers hun eigen kennis en vaardigheden actief vergelijken met de te behalen leeruitkomsten. • inspeelt op verschillen in kennis en niveau tussen deelnemers, en waardeert wat zij al kennen en kunnen. • zelfregie stimuleert en het maken van keuzes die passen bij de persoonlijke leerbehoefte. 4. De leeromgeving maakt het mogelijk dat deelnemers actief leren, waarbij continu de verbinding wordt gelegd tussen theorie en praktijk. 5. De aangereikte materialen en modellen zijn praktisch toepasbaar in de lessen en in de bredere beroepscontext van de leraar. De inrichting van de leeromgeving bevordert de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het leerarrangement. 6. Het geheel aan leeractiviteiten heeft een samenhangende en doordachte opbouw waarmee systematisch wordt gewerkt aan de beoogde leeruitkomsten en die recht doet aan formeel, informeel en non formeel leren. 7. De leeromgeving stimuleert evidence-informed werken, doordat • de deelnemers hun praktijkkennis inbrengen in het leertraject. • de gebruikte leermiddelen in het leerarrangement gebaseerd zijn op actuele en relevante (inter)nationale en wetenschappelijke literatuur met betrekking tot de inhoud van het traject. • Het gebruik van data uit de onderwijspraktijk wordt gestimuleerd. • De leeromgeving draagt actief bij aan een ambitieuze, collectieve leercultuur waarin leraren, schoolleiders en besturen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor onderwijsontwikkeling. |
|
Kwaliteit van de begeleiders/opleiders |
Leerarrangementen worden verzorgd door deskundige begeleiders/opleiders. |
Begeleiders/opleiders beschikken, binnen een leerarrangement, gezamenlijk over de benodigde expertise om het leerarrangement te verzorgen en de deelnemers te begeleiden. Benodigde expertise blijkt uit: 1. Relevante inhoudelijke of didactische scholing/opleiding op tenminste het niveau van het aangeboden traject; 2. Ervaring met onderwijspraktijk die met het aangeboden traject worden afgedekt; 3. Kennis van de sector(en) (po/vo/mbo) waarvoor het traject wordt aangeboden; 4. Ervaring met het opleiden van leraren en kennis van opleidingsdidactiek. |
|
Afronding van het leerarrangement |
Deelnemers ronden een leerarrangement en/of professionaliseringstraject af door bewijzen aan te leveren die aantonen dat zij de beoogde leeruitkomsten beheersen. De leraar ontvangt bij succesvolle afronding een certificaat waarop de behaalde leeruitkomsten staan vermeld. Wanneer een leraar alle leerarrangementen van een ontwikkelpad succesvol heeft afgerond, kan de leraar dat aantonen door het geheel van de behaalde certificaten. |
1. Het leerarrangement wordt afgesloten met het waarderen van bewijzen die voortkomen uit formele, informele en non formele leeractiviteiten. De deelnemer toont hiermee aan de leeruitkomsten van het betreffende leerarrangement te beheersen. De waardering van bewijzen gebeurt op valide en betrouwbaar wijze en is voldoende onafhankelijk. 2. De mogelijke bewijzen zijn passend voor de beoogde leeruitkomsten (principe van constructive alignment). 3. De wijze van afronding ondersteunt het leerproces van de deelnemers. |
Met leeruitkomsten wordt bedoeld wat een deelnemende leraar geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Aanbieders kunnen er voor kiezen om met andere terminologie te gaan werken zoals leerdoelen, eindkwalificaties of microcredentials.
Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken van effectieve professionalisering, binnen het onderwijsdomein en daarbuiten. Leerarrangement moeten daarom aansluiten op de kenmerken van effectieve professionalisering. Aanbieders van leerarrangementen schrijven hiervoor een theory of change.
Het kwaliteitskader kent de volgende kenmerken van effectieve professionalisering:
1. Leren in de onderwijspraktijk
Effectieve professionalisering sluit aan bij relevante onderwijscontext en de dagelijkse onderwijspraktijk van de leraar. Waar mogelijk vindt professionalisering plaats in afstemming met het onderwijsteam of de organisatie. Begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde in de onderwijspraktijk. Inbedding in de school is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle professionalisering.
2. Stimuleren zelfregulatie
Effectieve professionalisering moet autonomie stimuleren, evenals reflectie en samenwerking om de zelfregulatie van leraren ondersteunen en verder ontwikkelen. Het is belangrijk om leraren in hun professionele ontwikkeling te zien als actieve vormgevers van hun eigen ontwikkeling.
3. Samen leren
Leerarrangementen bieden mogelijkheden voor samen leren en waar passend collectieve participatie en teamleren. Effectieve professionalisering -individueel of in teamverband- is verbonden met de schoolontwikkeling en teamontwikkeling.
Voor een volledige omschrijving van het kwaliteitskader wordt verwezen naar www.napl.nl.
Met de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) geeft het Nationaal Groeifonds een belangrijke impuls aan de professionalisering van leraren en daarmee aan de kwaliteit van het onderwijs dat zij verzorgen. Door een landelijke infrastructuur en cultuur binnen en tussen scholen te ontwikkelen waarbinnen leraren zich doorlopend kunnen professionaliseren, wordt professionalisering een vanzelfsprekend onderdeel van het beroep van de leraar en verbeteren de doorgroeimogelijkheden van leraren. NAPL heeft als doel om deze doorlopende professionalisering van leraren in het primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo) – inclusief het speciaal onderwijs binnen deze sectoren – en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) te structureren en te stimuleren. Dit doet NAPL door het opstellen van landelijke ontwikkelpaden, door een digitaal platform voor professionalisering in te richten, co-creatielabs in regionale netwerken op te richten en deelname van leraren aan professionaliseringsaanbod mogelijk te maken, en een systeem van kwaliteitsborging op te stellen.
Het programmavoorstel is in februari 2023 ingediend bij het Nationaal Groeifonds. In juli 2024 heeft het kabinet een positief besluit genomen: voor de eerste vier jaar is in totaal een bedrag van 73,1 miljoen euro toegekend en voor de periode van jaar 5 tot en met jaar 10 is een bedrag van 86,5 miljoen euro voorwaardelijk toegekend. Het programma is op 1 januari 2024 van start gegaan en heeft de ambitie om in de periode van 2024–2033 een samenhangend geheel van professionaliseringvoorzieningen neer te zetten.
Met deze Subsidieregeling co-creatielabs NAPL (hierna: de subsidieregeling), die onderdeel uitmaakt van de programmalijn Co-creatielabs van NAPL, kunnen maximaal tien educatieve consortia worden bekostigd. De educatieve consortia worden opgericht vanuit de samenwerking van tien educatieve allianties en de bestaande onderwijsregio’s, mogelijk aangevuld door private opleiders en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen. Deze tien educatieve consortia ontvangen subsidie om co-creatielabs in te richten. In co-creatielabs werken leraren, opleiders en werkgevers samen in regionale netwerken aan het ontwikkelen, testen, evalueren en toetsen van leerarrangementen die passen binnen één van de landelijk gedefinieerde ontwikkelpaden en die de professionalisering van individuele leraren en teams van leraren bevorderen. Om ervoor te zorgen dat de ontwikkelpaden en werkzame aanpakken voor professionalisering ingebed worden in de dagelijkse praktijk en de regionale context is gekozen voor het oprichten van regionale co-creatielabs in plaats van één landelijk co-creatielab.
De partijen die het programmavoorstel bij het Nationaal Groeifonds hebben ingediend zijn op diverse manieren betrokken geweest bij de totstandkoming van de subsidieregeling.
Leraren, lerarenopleiders en werkgevers worden gestimuleerd om een samenwerking aan te gaan waarmee in gezamenlijkheid een co-creatielab wordt opgericht. Dit co-creatielab is een interdisciplinaire werkplaats waar betrokkenen samenkomen om de volgende activiteiten uit te voeren:
a. Vanuit een regionale vraagarticulatie en aanbodinventarisatie wordt inzichtelijk gemaakt bij welke ontwikkelpaden voor leraren naar vakbekwaamheid óf naar specialismen die binnen NAPL zijn gedefinieerd, nog geen aanbod aanwezig is. Voor deze ‘witte vlekken’ wordt in het co-creatielab nieuw professionaliseringsaanbod voor leraren ontworpen, getest en uiteindelijk geëvalueerd, en bestaand aanbod getoetst om zo naar complete leerarrangementen toe te werken;
b. Opbrengsten en opgedane kennis wordt binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia gedeeld en openbaar beschikbaar gesteld op het digitale platform van NAPL of via een bestaand platform van de penvoerder; en
c. Onderzoek wordt verricht dat bijdraagt aan kennisdeling en aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs.
Dit biedt leraren in Nederland de gelegenheid om deel te nemen aan kwalitatief hoogstaande leerarrangementen om doorlopend te werken aan hun professionele ontwikkeling naar vakbekwaamheid en vervolgens een specialisme. Om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk leraren in Nederland toegang hebben tot dit kwalitatief hoogstaande aanbod, is het doel van NAPL om naar een landelijk dekkend netwerk van co-creatielabs toe te werken. Het programma richt zich op het opzetten van deze infrastructuur in de sectoren po, vo en mbo, inclusief speciaal onderwijs.
De aanleiding voor deze subsidieregeling is meervoudig. Er is behoefte aan een breed gedragen beroepsbeeld en daarmee samenhangende ontwikkelpaden voor de leraar. Zoals in andere sectoren willen leraren graag weten op welke manier ze kunnen doorgroeien in hun beroep, naar een specialisme. Tegelijkertijd is het aanbod versnipperd en vaak gericht op de korte termijn. Hiernaast zijn er weinig prikkels voor het ontwikkelen van innovatieve, duurzame en schaalbare oplossingen op het terrein van professionalisering. Er is nog geen goed werkend systeem van kwaliteitswaarborging en is er te weinig zicht in hoeverre het aanbod aan professionaliseringstrajecten aansluit op de vraag van leraren (vraagarticulatie).
Hiernaast laat de dagelijkse werkdruk van het beroep als leraar weinig ruimte voor professionaliseringsactiviteiten en is de professionele ontwikkeling van leraren nog te weinig structureel ingebed in HRM-beleid waardoor een positieve leercultuur binnen scholen regelmatig ontbreekt en doorlopende ontwikkeling van leraren gedurende hun loopbaan onvoldoende wordt gestimuleerd. Werkdruk en HRM-beleid zijn geen onderdeel van deze regeling, hier wordt via aanpalend beleid door OCW op in gezet.
De aanvraag voor deze subsidie wordt gedaan door een penvoerder. Deze penvoerder is een hogeronderwijsinstelling die onderdeel is van een educatieve alliantie en vormt een samenwerkingsverband met ten minste één onderwijsregio. Het nieuw op te richten samenwerkingsverband heet educatief consortium. Het educatief consortium kan worden aangevuld met private opleiders die opgenomen zijn in de aanbodanalyse en passen bij één of meerdere ontwikkelpaden en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen.
Naast deze subsidieregeling voor de co-creatielabs komt er voor NAPL nog een tweede subsidieregeling. Deze zal gericht zijn op een tegemoetkoming in de kosten voor de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten. Deze subsidie zal beschikbaar worden gesteld voor individuele leraren en collectieve leer- en ontwikkelvragen.
Daarnaast bestaat de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s. Via deze regeling worden in 2025 en van 2026 tot en met 2029 subsidies verstrekt voor activiteiten die zich richten op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel in een onderwijsregio. Hieronder valt dus ook het in kaart brengen van de professionaliseringsvraag van leraren, scholen en schoolbesturen (vraagarticulatie) en van bestaand professionaliseringsaanbod (aanbodinventarisatie), voorafgaande aan de aanvraag. Het actualiseren van deze vraagarticulatie gedurende de subsidiabele periode wordt wel bekostigd via de onderhavige subsidieregeling. Het opzetten en faciliteren van co-creatielabs wordt niet gefinancierd via de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s waardoor beide regelingen dus inhoudelijk op elkaar aansluiten en een aanvullend stimuleringspakket bieden aan mogelijkheden gericht op professionaliseren.
|
Subsidieregeling co-creatielabs |
Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s |
|
|---|---|---|
|
Het voor eenieder kosteloos toegankelijk maken van ontwikkelde leerarrangementen. Dit geldt ook voor de overige kennis die door uitvoering van de co-creatielabs is opgedaan. |
Ja |
Nee |
|
Het verrichten van onderzoek dat bijdraagt aan kennisdeling en dat aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs. |
Ja |
Nee |
|
Het verrichten van vraagarticulatie en het in kaart brengen van al bestaand professionaliseringsaanbod wat hierop aansluit. |
Nee |
Ja |
|
Professionaliseringsactiviteiten |
Nee |
Ja, activiteiten die gericht zijn op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel in een onderwijsregio. |
De regeling wordt door DUS-I uitgevoerd. De regeling is voorgelegd aan DUS-I en de regeling wordt door hen uitvoerbaar geacht.
Administratieve lasten worden gedefinieerd als de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving. Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvragers van de subsidie. Dit betreft een hogeronderwijsinstelling die penvoerder is van een educatief consortium of een partij uit het educatief consortium die bijvoorbeeld een onderdeel van de aanvraag of uitvoering op zich neemt. Uitgangspunt is dat het aanvraagproces zo wordt ingericht dat het zo min mogelijk administratieve lasten creëert. Zo worden vanuit DUS-I formats beschikbaar gesteld, waarmee het ambitiedocument, het activiteitenplan, de begroting, de samenwerkingsovereenkomst en de samenvatting van de aanvraag (die openbaar kan worden gemaakt) worden aangeleverd. Hiernaast ondersteunt de Realisatie-Eenheid potentiële aanvragers op diverse manieren:
• door het begeleiden van de aanvragers bij het opstellen van de subsidieaanvragen;
• door het verrichten van vraagarticulatie en aanbodanalyse die de basis vormen voor de aanvraag; en
• door het faciliteren en begeleiden van jaarlijkse overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab.
Er zijn administratieve lasten te verwachten bij de aanvraag, bij het leveren van jaarlijkse voortgangsrapportages, bij het indienen van de eindrapportage, bij de medewerking aan een evaluatie en bij de jaarverslaggeving en vaststelling van de subsidie met behulp van een externe accountant. De volgende handelingen voor deelnemende partijen worden verwacht:
• het kennisnemen van de regeling en het stellen van verduidelijkingsvragen aan DUS-I;
• het beslaan van interne overleggen ter ontwikkeling van het project;
• het beslaan van externe overleggen ter ontwikkeling van het project;
• het invullen en aanleveren van alle documenten noodzakelijk voor een aanvraag zoals beschreven in artikel 7 via de website van DUS-I;
• het aanleveren van een jaarlijkse voortgangsrapportage;
• de deelname aan jaarlijkse overleggen voorafgaande aan de aanvraag en voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportages ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab;
• het meewerken aan monitoring en evaluatie gedurende de subsidiabele periode;
• het verstrekken van een eindrapportage door de aanvrager aan DUS-I; en
• het indienen van de jaarverslaggeving in het kader van de verantwoording van de subsidie.
Gezien de omvang van de bedragen zijn de administratieve lasten proportioneel.
Aanvraagfase:
Ontwikkelen van een aanvraag: 1 maal * 10 dagen * 8 uur * € 100 = € 8.000. Geschat aantal aanvragen: 10. Totaal is 10 * € 8.000 = € 80.000 voor de aanvraagperiode van 10 verwachte aanvragen.
Uitvoeringsfase:
Twee voortgangsrapportages, uitgaande van maximaal 10 aanvragen over de gehele looptijd met een subsidie van € 2,7 miljoen: 2 maal * 5 dagen * 8 uur * € 100 = € 8.000. Totaal voor de gehele looptijd voor 10 verwachte aanvragen = € 80.000
Een eindrapportage en jaarverslag, uitgaande van maximaal 10 aanvragen over de gehele looptijd met een subsidie van € 2,7 miljoen: 2 maal * 5 dagen * 8 uur * € 100 = € 8.000. Totaal voor de gehele looptijd voor 10 verwachte aanvragen = € 80.000
Meewerken aan monitoring en evaluatie gedurende de gehele looptijd, uitgaande van 10 projecten: 1 maal * 8 dag * 8 uur * € 100 = € 6.400. Totaal voor 10 verwachte aanvragen voor de gehele looptijd = € 64.000.
Accountantscontrole: 1 maal * 20 uur * € 200 = € 4.000. Totaal voor 10 verwachte aanvragen = € 40.000.
Totale kosten aanvraagfase en uitvoeringsfase: € 80.000 + € 80.000 + € 80.000 + € 64.000 + € 40.000 = € 344.000.
De regeldrukkosten voor de subsidieprojecten bedragen in totaal € 344.000 en gaan gepaard met het indienen van de aanvraag en het rapporteren en verantwoorden over de uitgevoerde activiteiten voor deze subsidieprojecten. Dit is 1,3 procent van het totale budget van € 27.000.000. Hierbij komt dat aanvragers een deel van het geld straks terugverdienen doordat leraren gaan deelnemen aan het door hen ontwikkelde professionaliseringsaanbod wanneer het in een latere fase op de markt wordt aangeboden.
Deze regeling is voor advies aangeboden aan Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). ATR beoordeelt alle wet- en regelgeving op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, een werkbare uitvoering van de naleving van de regelgeving door de doelgroepen en het effect van regeldruk voor de beoordeling van met name de effecten van regeldruk die deze nieuwe regelgeving met zich mee zal brengen voor de doelgroepen. ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze regeling leidt niet tot ongeoorloofde staatssteun.
In Caribisch Nederland zijn geen op grond van de WHW bekostigde hogeronderwijsinstellingen gevestigd. Om deze reden worden geen aanvragen van organisaties uit dat deel van Nederland verwacht.
Tot eind februari 2027 wordt in opdracht van OCW gewerkt aan de ontwikkeling van ontwikkelpaden voor leraren in de sectoren po, vo en mbo en het definiëren van kwaliteitscriteria voor professionaliseringstrajecten voor leraren. Bijlagen 2 en 3 bijbehorende bij de regeling zullen op dit punt vervolgens worden gewijzigd. Deze wijziging mag geen nadelige gevolgen hebben voor de subsidieontvanger.
In artikel 1 worden begrippen gedefinieerd. De in de definities opgenomen begrippen die nadere uitleg behoeven worden hieronder uitgelegd.
Elk co-creatielab heeft een co-creatieteam waarin leraren, werkgevers, lerarenopleiders, en mogelijk aangevuld door één of meer private opleiders, op gelijkwaardige basis samenwerken aan de systematische ontwikkeling van activiteiten gericht op professionele ontwikkeling van leraren in de lijn van de regionaal ingekleurde ontwikkelpaden. Onder werkgevers wordt verstaan schoolbesturen, schoolleiders en directeuren mbo. Uit de vraagarticulatie en aanbodanalyse moet blijken welke werkgevers betrokken zullen zijn, omdat daaruit blijkt binnen welke sectoren de behoefte bestaat aan professionaliseringstrajecten. Ook HR-professionals kunnen vanuit de werkgever deelnemen, omdat zij in de praktijk meer betrokken zijn bij het professionaliseringsbeleid van de werkgever. Het team kan zelf nieuwe activiteiten ontwikkelen of activiteiten die elders zijn ontworpen doorontwikkelen met het oog op de eigen situatie en vraag (contextualiseren). Zowel het ontwerpproces als doorontwikkelproces kunnen systematisch gebeuren via een ontwerpcyclus. Hierbij wordt een gefaseerde opschaling gecombineerd met systematische evaluatie. Co-creatieteams kunnen ook bovenregionaal de samenwerking zoeken. Een co-creatielab wordt opgericht vanuit de samenwerkende partijen in het educatief consortium.
Om tegemoet te komen aan de urgente vraag naar voldoende, goed opgeleide leraren, om beter gebruik te maken van elkaars expertise, en om (aspirant-)leraren een helder en zo goed mogelijk passend opleidingsaanbod te presenteren, hebben hogescholen en universiteiten educatieve allianties opgericht. Daarin worden hun krachten op het gebied van opleiden en onderzoek regionaal gebundeld en vergroten zij daarmee hun waarde voor het (regionale) scholenveld. In april 2022 is een landelijk dekkend netwerk gevormd van zeven educatieve allianties, waarin alle hbo- en universitaire lerarenopleidingen zijn vertegenwoordigd. Daarnaast functioneren er twee landelijke allianties: de Educatieve Levensbeschouwelijke Alliantie en de Groene Educatieve Alliantie. In het kader van deze subsidieregeling wordt de Zuidelijke Educatieve Alliantie opgesplitst in de Zuidelijke Educatieve Alliantie I en in de Zuidelijke Educatieve Alliantie II. Het opsplitsen heeft geen gevolgen buiten deze subsidieregeling. De educatieve allianties zijn genoemd in bijlage 1.
Het instellingsbestuur van een bekostigde ho-instelling is het college van bestuur in de zin van artikel 1.1, onderdeel y, van de WHW, tenzij anders bepaald. Uit dit onderdeel volgt dat het college van bestuur van een bijzondere instelling het orgaan van de instelling is dat als zodanig in de statuten is aangewezen. In het geval van een openbare instelling gaat het om het orgaan van de instelling dat op grond van de WHW terzake bevoegd is.
Op de subsidiabele activiteiten is de Kaderregeling VWS-, SZW- en OCW-subsidies van toepassing. Dit betekent dat onder meer de bepalingen over het begrotingsvoorbehoud (artikel 1.4 van de Kaderregeling), de verplichting tot het meewerken aan onderzoek (artikel 5.4 van de Kaderrege-ling) en de meldingsplicht (artikel 5.7 van de Kaderregeling) ook gelden voor de ontvanger van een subsidie op grond van deze regeling. Bij de meldingsplicht kan gedacht worden aan wijzigingen in de samenstelling van het educatief consortium, bijvoorbeeld in- en uittreding van deelnemende partijen. Artikel 4.3, eerste lid van de Kaderregeling is niet van toepassing. Hierdoor kunnen subsidiabele activiteiten worden bekostigd die vallen onder de subsidiabele periode, maar die worden verricht vóór de indiening van de subsidieaanvraag.
De subsidiabele activiteit vindt plaats op basis van de vraagarticulatie en aanbodanalyse in de regio, uitgevoerd voorafgaande aan de aanvraag. Op het moment dat hieruit volgt dat er sprake is van een behoefte naar professionaliseringtrajecten waarvoor geen aanbod bestaat, kan het co-creatielab over gaan tot het ontwikkelen van leerarrangementen hiervoor. Hierbij gaat het specifiek om aanbod in lijn met de ontwikkelpaden zoals opgenomen in bijlage 2. Dat betekent ook dat bestaand aanbod dat nog niet voldoet aan de in bijlage 2 omschreven ontwikkelpaden en de in bijlage 3 opgenomen kwaliteitscriteria met gebruik van subsidiemiddelen kan worden aangepast om hier wel aan te voldoen.
Voor de nieuw te ontwikkelen leerarrangementen kunnen bijvoorbeeld eerst globale ontwerpen worden uitgewerkt die vervolgens worden uitgewerkt in een prototypeontwerp. Dit is een iteratief proces waarin continu wordt afgestemd met de deelnemers binnen het co-creatieteam. In dit ontwerpproces worden tussen- en eindproducten die door co-creatielabs zijn ontworpen binnen de educatieve consortia door leraren, scholen en opleiders met behulp van een design-onderzoeksmethodiek geëvalueerd. Hierbij kan een geactualiseerde vraagarticulatie en aanbodsanalyse in aanmerking worden genomen. De co-creatieteams kunnen tussentijdse producten voorleggen aan andere co-creatieteams voor feedback en advies. Het ontwikkelen, testen, evalueren en toetsen wordt uitgevoerd door co-creatielabs en heeft betrekking op alle in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en geldt voor alle sectoren die van toepassing zijn binnen het educatief consortium en die passend zijn bij vraagarticulatie en aanbodanalyse zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b.
Conceptversies van formele en informele leeractiviteiten ten behoeve van de professionalisering van leraren en/of teams van leraren kunnen bijvoorbeeld in de praktijk worden getest door de deelnemers aan een educatief consortium. Doel is het doorontwikkelen van leeractiviteiten tot een eindproduct. Het draagt ook bij aan het proces van co-creatie door de continue feedbackloop die tijdens een testfase ontstaat. Hierdoor is de kans groter dat het eindproduct naar tevredenheid van alle partijen in het educatief consortium wordt opgeleverd en vergroot het de kans dat de leeractiviteit ook daarna gebruikt en geïmplementeerd gaat worden. Hierbij wordt aanbevolen om een test proportioneel in te richten in termen van aantallen deelnemers en omvang van de test, en in verhouding te staan tot het doel van de test.
Bestaande leerarrangementen en in co-creatielabs ontwikkelde leerarrangementen kunnen worden getoetst op de in bijlage 3 genoemde kwaliteitscriteria.
Door middel van de subsidie ontwikkelde leerarrangementen en overige opbrengsten van het ontwerpproces worden gedurende en na afloop van de subsidie door de penvoerder publiek beschikbaar door opname hiervan in het landelijke digitale platform (een programmalijn van NAPL) of op een bestaand platform van de penvoerder zodat het vervolgens vrij gebruikt kan worden door iedereen. Hiernaast worden de ervaringen en opbrengsten van de verschillende co-creatielabs gedurende de subsidiabele periode binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia gedeeld door middel van minimaal drie door de Realisatie-Eenheid te organiseren bijeenkomsten. Daarbij krijgen leraren, schoolleiders, HR-professionals, opleiders en schoolbestuurders kennis en inzichten in wat werkt en waarom. Doel van deze regionale en landelijke bijeenkomsten is om kennisdeling te bevorderen tussen penvoerders van verschillende co-creatielabs en om best practices en lessen uit de praktijk te delen om de kwaliteit van het professionaliseringsaanbod voor leraren te verbeteren. Daarnaast is er tijdens de regionale of landelijke bijeenkomsten ruimte voor het bespreken van taaie problemen of vraagstukken die zich slecht laten structureren en beheersen en daardoor moeilijk oplosbaar zijn. Daarvoor zijn eerder gebruikte en routinematige oplossingen niet afdoende om het probleem op te lossen. De uitdagingen zijn zelfs voor ervaren leraren, schoolleiders en besturen lastige puzzels om op te lossen en doen een groot beroep op hun analytisch en creatief vermogen. Auteurs van bijdragen aan die kennisbank zijn ook benaderbaar voor advies door anderen binnen en buiten de eigen regio.
Om de onderzoeksactiviteiten in het co-creatielab goed te borgen en aan te laten sluiten op het landelijke wetenschappelijke onderzoek dat uitgezet gaat worden, wordt per co-creatielab een onderzoek gesubsidieerd. Het invullen van deze onderzoeksactiviteit is een verplicht onderdeel van de activiteiten in het co-creatielab en dus ook van het activiteitenplan.
In het kader van het onderzoek kan data worden verzameld:
− ten behoeve van het landelijke onderzoek;
− als input van de subsidieverantwoording en behaalde doelen in de regio voor de penvoerder; en
− optioneel aanvullend ten behoeve van een eigen onderzoeksvraag.
Voor subsidieverstrekking is in totaal € 2.700.000,– per aanvraag beschikbaar. Dit bedrag wordt in drie delen op de in artikel 18 opgenomen momenten bevoorschot aan de subsidieaanvrager.
Uit het midden van elke educatieve alliantie wordt één hogeronderwijsinstelling aangewezen die optreedt als penvoerder van het educatief consortium waarvan zij deel uitmaakt. Deze dient namens de deelnemende partijen van het educatief consortium een aanvraag in. Er wordt aan ten hoogste 10 penvoerders subsidie op grond van deze regeling verstrekt. De penvoerder draagt de verantwoordelijkheid voor de aanvraag, de verdeling, het naleven van de verplichtingen en de verantwoording van de middelen. In het vierde en vijfde lid van dit artikel is beschreven dat het mogelijk is om, indien sprake is van hoogst uitzonderlijke gevallen, te wisselen van penvoerder. Indien sprake is van wisseling van de penvoerder wordt dit in een schriftelijke overeenkomst ter goedkeuring voorgelegd aan de minister. DUS-I zal namens de minister de penvoerder op de hoogte brengen van het besluit. Bij goedkeuring zal dit door DUS-I worden vastgelegd in een wijzigingsbeschikking.
Het beschikbare subsidieplafond van € 27.000.000,– is bedoeld voor de aanvragen voor alle penvoerders. Het is voor penvoerders mogelijk om subsidie aan te vragen voor het uitvoeren van activiteiten in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029.
In artikel 7 zijn nadere regels gesteld over de subsidieaanvraag. De penvoerder kan een aanvraag indienen van 17 augustus 2026 om 9.00 uur, tot en met 4 september 2026 om 13.00 uur. Aanvragen die op of na 4 september 2026 om 13.00 uur worden ingediend, worden afgewezen. De subsidieregeling schrijft voor welke documentatie nodig is voor een aanvraag. Dit zijn: een ambitiedocument, een activiteitenplan, een begroting en een samenwerkingsovereenkomst. Tot slot dient ook een samenvatting te worden bijgevoegd, conform het format van DUS-I, van de aanvraag die ook openbaar gemaakt kan worden.
Voorafgaand aan de subsidieaanvraag en voorafgaand aan het indienen van de voortgangsrapportages neemt de penvoerder deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen. Doel hiervan is na afloop van de subsidiabele periode alle ontwikkelpaden en sectoren worden bediend. Ten behoeve hiervan wordt eerst een verdeling gemaakt van sectoren en ontwikkelpaden over de educatieve consortia, passend bij de regionale vraagarticulatie en aanbodanalyse. Dit moet ervoor zorgen dat gevarieerd professionaliseringsaanbod beschikbaar komt waar leraren van gebruik kunnen maken. Na afloop van de overleggen verstuurt de Realisatie-Eenheid een deelnemerslijst naar DUS-I aan de hand waarvan de verplichting tot deelname gecontroleerd kan worden.
Belangrijk is dat de aanvrager voorafgaande aan de subsidieaanvraag het proces van vraagarticulatie doorloopt. Hierdoor worden door de leraren, scholen en schoolbesturen gewenste professionaliseringstrajecten concreet gemaakt. Hiernaast wordt door de aanvrager in kaart gebracht wat het reeds bestaande professionaliseringsaanbod is en of het aansluit op de vraag. De uitkomsten hiervan worden opgenomen in het ambitiedocument. Dit om te voorkomen dat er professionaliseringstrajecten worden ontwikkeld die reeds voorhanden zijn of niet aansluiten bij de ontwikkelpaden en kwaliteitskaders van NAPL. Het ambitiedocument bevat hiernaast een beschrijving van de ambities van het educatief consortium met betrekking tot de verduurzaming van de activiteiten en resultaten daarvan in de praktijk, na afronding van de subsidieperiode. Het verduurzamen zelf wordt niet gefinancierd. Deze regeling bepaalt dus niet of en zo ja, hoe de activiteiten worden gecontinueerd na beëindiging van de subsidieregeling.
Het tweede onderdeel van de aanvraag is een activiteitenplan. De verplichte onderdelen, in aanvulling op de algemene eisen uit artikel 3.4 van de Kaderregeling, zijn opgenomen in artikel 9. Het activiteitenplan bevat een omschrijving van de manier waarop de betrokkenheid van leraren binnen het educatief consortium wordt geborgd. Voor het opstellen van het activiteitenplan wordt een format beschikbaar gesteld op www.dus-i.nl.
Het derde onderdeel van de aanvraag is een begroting. De verplichte onderdelen hiervan, in aanvulling op de algemene eisen uit de Kaderegeling, zijn opgenomen in artikel 10. Voor de begroting wordt, voor wat betreft de personele kosten, gewerkt met vier verschillende functies en uurtarieven. Naast personele kosten kunnen materiele kosten worden opgevoerd. Voor het opstellen van de begroting wordt een format beschikbaar gesteld op www.dus-i.nl. De in artikel 10 genoemde uurtarieven zijn in lijn met de Handleiding Overheidstarieven 2025. Voor de in het kader van de voortgangsrapportages aan te leveren geactualiseerde begroting houdt de aanvrager rekening met de Handleiding Overheidstarieven die op dat moment van toepassing is.
Een vereiste in deze regeling is dat het co-creatielab wordt opgericht door een educatief consortium. Dit educatief consortium bestaat uit een combinatie van minimaal één hogeronderwijsinstelling die onderdeel is van een educatieve alliantie, en minimaal de penvoerder van één onderwijsregio. Het educatief consortium kan worden aangevuld met één of meer private opleiders en één of meer hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen. Onder private opleider wordt verstaan een opleider in het formeel of non-formeel onderwijs, die geen bekostigd onderwijs aanbiedt in de zin van artikel 2.1.1 WEB, artikel 2.1.2 WEB en die geen bekostigde instelling is in de zin van artikel 1.1, onder g van de WHW. Hieronder vallen ook huisacademies. Binnen co-creatielabs werken al deze partners aan de onder artikel 3, eerste lid, genoemde activiteiten. Eén hogeronderwijsinstelling die onderdeel is van een educatieve alliantie treedt op als penvoerder van het educatief consortium en is daarmee de aanvrager van de subsidie. Elk educatief consortium sluit verplicht een samenwerkingsovereenkomst waarin alle partijen als gelijkwaardige partners afspraken vastleggen.
Deze samenwerkingsovereenkomst is het vierde onderdeel van de subsidieaanvraag. In artikel 11 zijn de minimale vereisten aan de samenwerkingsovereenkomst opgenomen. Het is mogelijk om de samenwerkingsovereenkomst uit te breiden met andere zaken. Voor het opstellen van de samenwerkingsovereenkomst wordt een format beschikbaar gesteld op www.dus-i.nl.
De volledige aanvragen worden gehonoreerd, totdat het subsidieplafond is bereikt. Vanaf dat moment worden de aanvragen afgewezen. Op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen.
Via de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s worden vanaf 2025 tot en met 2029 subsidies verstrekt voor activiteiten die zich richten op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel in een onderwijsregio. Voor de activiteiten die op grond van deze subsidieregeling worden gesubsidieerd, kan geen subsidie worden aangevraagd op basis van de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL. Hieronder valt ook het voor subsidieaanvraag in kaart brengen van de professionaliseringsvraag van leraren, scholen en schoolbesturen en van bestaand professionaliseringsaanbod.
De subsidiabele activiteiten vinden plaats in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029. De subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na afronding of na einde van de subsidiabele periode een eindrapportage aan de minister te sturen conform het format van DUS-I. Het gaat hierbij om een rapportage waarin de resultaten van het project beschreven zijn en er gerapporteerd wordt over de mate waarin de ambities en doelstellingen van het project gehaald zijn en wat de geleerde inzichten zijn. Aanvullend dient de subsidieontvanger jaarlijks een voortgangsrapportage op te stellen. Verder is het van belang dat de subsidieontvanger met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding voert, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht. Deelname aan de monitoring is niet anoniem, de inhoud hiervan wordt wel geanonimiseerd, OCW zal met de uitvoerder van de monitoring afspraken maken over privacy. Tot slot dient de administratie ten minste tien jaar bewaard te worden na afronding, conform de eisen van de Kaderregeling. Door middel van de subsidie ontwikkelde eindproducten overige opbrengsten van het ontwerpproces worden gedurende de subsidiabele periode en na afloop van de subsidie door de penvoerder op een niet-discriminerende en een niet-exclusieve basis gratis gedeeld zodat zij vervolgens vrij gebruikt kunnen worden door publieke en private opleiders.
In de voortgangsrapportage rapporteert de subsidieontvanger namens het educatief consortium over de voortgang van het project, over de realisatie in de begroting en over de mate waarin de ambities en de doelstellingen wordt waargemaakt. De subsidieontvanger gebruikt hiervoor het format van DUS-I. Voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportages neemt de penvoerder deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen.
De eindrapportage dient duidelijk inzicht te verschaffen in de bereikte resultaten en in de aard, duur en omvang van de activiteiten waarvoor een subsidie is verstrekt. In de rapportage worden de bereikte resultaten en de verrichte activiteiten vergeleken met de in de subsidieaanvraag voorgenomen activiteiten, en wordt over de budgetuitputting gerapporteerd in een verslag van de realisatie van de begrote kosten.
Artikel 17, eerste lid, bepaalt dat de ontvangen subsidie alleen gebruikt mag worden voor de specifieke activiteiten zoals omschreven in artikel 3, waarvoor de subsidie is toegekend. Als er aan het einde van de subsidieperiode nog middelen over zijn die niet zijn besteed, dan moet de subsidieontvanger op basis van de formele vaststelling deze onbestede middelen teruggeven. Deze bepaling bevordert dat de subsidiegelden op een verantwoorde en transparante manier worden gebruikt, en voorkomt dat de middelen voor andere doeleinden worden ingezet. Subsidie op grond van deze regeling wordt binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode verleend.
De minister verstrekt ambtshalve een voorschot van 100%. Het voorschot wordt in drie delen uitbetaald: uiterlijk in januari 2027, 2028 en 2029. De verdeling is gekoppeld aan het aantal maanden van de betreffende periode. Op verzoek van de subsidieontvanger kan van de in het eerste lid bedoelde verdeling worden afgeweken, bijvoorbeeld in het geval van vertraging in de uitvoering of onverwachte grote uitgaven. Het verzoek dient onderbouwd te worden in de aanvraag dan wel in de voortgangsrapportages.
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2. Dit doet de subsidieaanvrager tijdens en na afloop van de subsidieperiode. De minister besluit binnen 22 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de activiteitenperiode. De subsidie wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.
Dit artikel bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijking van deze subsidieregeling. Het dient dan te gaan om onbillijkheden van overwegende aard.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-16326.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.