Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) | Staatscourant 2026, 16278 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) | Staatscourant 2026, 16278 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Asiel en Migratie,
Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;
Besluit:
De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Paragraaf C2/3.2.5.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:
De IND kan een vreemdeling aanmerken als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft.
Seksuele gerichtheid gaat in elk geval over iemands seksuele en/of emotionele en/of intieme aantrekking tot een ander persoon. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend van de heteroseksuele norm wordt beschouwd.
De IND onderzoekt de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en zijn uiting daarvan aan de hand van het beoordelingskader van de paragrafen C1/4.3 en C1/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag. Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden.
De IND verleent met inachtneming van artikel 3.36 VV een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste een van de volgende situaties:
a. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;
b. in het land van herkomst gelden strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of
c. de autoriteiten van het land van herkomst voeren op grond van de (toegedichte) seksuele gerichtheid maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.
Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de seksuele gerichtheid betrekt de IND in ieder geval:
• de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de seksuele gerichtheid voorkomt;
• de toepassing van opgelegde (gevangenis)straffen;
• het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en
• de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van deze groep.
Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar is/zijn in het land van herkomst wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 3.37c VV.
Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn seksuele gerichtheid verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging.
De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere ‘ondergrens’. De ondergrens houdt in het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en relaties aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd. De IND verwacht in die uiting geen terughoudendheid. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving, zoals hierboven benoemd, op de hoogte is of kan geraken van de seksuele gerichtheid. De IND beoordeelt vervolgens of de uiting conform de ondergrens tot vervolging zou leiden.
Als de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te willen uiten op een wijze die verder gaat dan deze ‘ondergrens’ toetst de IND de geloofwaardigheid van deze uiting en toetst de IND de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten. In de situatie dat de seksuele gerichtheid wel geloofwaardig wordt geacht maar de verdergaande wijze waarop de vreemdeling deze wil uiten niet, gaat de IND na of het invulling geven aan de seksuele gerichtheid conform de ‘ondergrens’ tot vervolging zou leiden. In die situatie kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een asielvergunning, ook als een deel van de verklaring (het uiten van de gerichtheid op een wijze die verder gaat dan de ‘ondergrens’) als niet aannemelijk wordt beschouwd.
De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, afgezet tegen de aldaar geldende normen en gebruiken. Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn seksuele gerichtheid als zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, is paragraaf C2/3.2.5.2.3 Vc ook van toepassing.
B
Paragraaf C2/3.2.5.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 is ingevoegd en komt te luiden:
De IND kan een vreemdeling als lid van een sociale groep aanmerken als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk heeft dat de diepgevoelde, persoonlijke beleving van zijn gender en/of zijn lichaam niet of niet eenduidig overeenkomt met het geslacht dat hij bij de geboorte (toegewezen) heeft gekregen, of dit aan hem wordt toegedicht. Het kan hierbij ook gaan om genderexpressie. Genderexpressie ziet op de manier waarop de vreemdeling zijn gender presenteert door middel van fysieke verschijning – inclusief maar niet beperkt tot kleding, kapsels, accessoires, cosmetica – en manieren, spraak, gedragspatronen, namen en persoonlijke referenties. Dit hoeft niet overeen te komen met de genderidentiteit. Daarbij zal de IND beoordelen of deze groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Indien de vreemdeling zich enkel beroept op genderexpressie, wat los staat van de genderidentiteit, beoordeelt de IND of de vormen van expressie dermate fundamenteel zijn voor de identiteit waardoor niet mag worden verwacht dat de vreemdeling zich aanpast naar de in het land van herkomst geldende normen en gebruiken zoals bedoeld in C2/3.2.5.2 Vc.
De IND onderzoekt de genderidentiteit en/of de genderexpressie van de vreemdeling aan de hand van het beoordelingskader van paragrafen C1/4.3 en C1/4.4 Vc. De omstandigheid dat de vreemdeling zijn genderidentiteit en/of genderexpressie in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de genderidentiteit en/of de genderexpressie vormt een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, onderzoekt de IND of de vreemdeling in zijn land van herkomst gegronde vrees heeft om vervolgd te worden. Artikel 3.36 VV beschrijft wat verstaan wordt onder daden van vervolging. Deze moeten zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens of een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen.
De IND merkt discriminatie door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De IND hanteert voor de beoordeling of sprake is van discriminatie die dermate ernstig is dat sprake is van vervolging, het beoordelingskader van paragraaf C2/3.2.6 Vc.
De IND verleent, met inachtneming van artikel 3.36 VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, als in ieder geval sprake is van ten minste een van de volgende situaties:
a. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat deze vanwege zijn (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld en/of discriminatie, die zo ernstig zijn dat deze daden een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;
b. in het land van herkomst gelden strafbepalingen in het kader van genderidentiteit en/of genderexpressie, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd, en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling; of
c. de autoriteiten van of andere actoren in het land van herkomst voeren op grond van (toegedichte) genderidentiteit en/of genderexpressie maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discrimineerde wijze worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn op zichzelf of in samenstel (cumulatief) voldoende ernstig.
Ad a
Als er sprake is van op de vreemdeling gerichte daden van geweld en/of discriminatie vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie in het land van herkomst moeten de daden, op zichzelf of in samenhang met andere daden dusdanig ernstig zijn dat er sprake is van een daad van vervolging en moet er geen bescherming mogelijk zijn hiertegen van de autoriteiten of internationale organisaties, zoals bedoeld in paragraaf C2/3.4 Vc.
Ad a en b
In het voorkomende geval dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer naar het land van herkomst wordt gedetineerd om een reden anders dan zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, moet hij aannemelijk maken in detentie een reëel risico te lopen om te worden blootgesteld aan ernstig (seksueel) geweld vanwege zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waartegen de (detentie)autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij betrekt de IND of de situatie zich zal voordoen dat de vreemdeling gedetineerd wordt met personen van een geslacht dat niet overeenkomt met zijn genderidentiteit. Indien sprake is van een commuun delict dient daarbij wel beoordeeld te worden of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Hiervoor is het beoordelingskader zoals bedoeld in paragraaf C2/7.10 Vc van toepassing.
Ad b en c.
De IND onderzoekt of de vreemdeling bij terugkeer onder dreiging (van geweld) door een actor wordt gedwongen een bepaalde vorm van arbeid (zoals sekswerk) te verrichten en dit verband houdt met zijn genderidentiteit en/of genderexpressie waardoor hem een discriminatoire of onevenredige bestraffing vanwege deze vorm van arbeid te wachten staat. In de situatie dat er sprake is van (een vorm van) discriminatie is het beoordelingskader, zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2.6 Vc, van toepassing.
Ad c.
Het enkele feit dat er geen mogelijkheden bestaan om het geslacht aan te laten passen in officiële documenten (wettelijke erkenning), of dat hieraan de voorwaarde wordt gesteld dat er een geslachtsverandering heeft plaatsgevonden, is op zichzelf onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Dat laat onverlet dat de gevolgen van het niet kunnen aanpassen van het geslacht voor de vreemdeling kunnen leiden tot maatregelen die, op zichzelf staand of in samenstel, dermate ernstig zijn dat deze behandeling de lat van vervolging haalt.
Bij de beoordeling of sprake is van strafbepalingen en/of discriminerende maatregelen die zien op de genderidentiteit of genderexpressie betrekt de IND in ieder geval:
• de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie voorkomt;
• de toepassing van de opgelegde (gevangenis)straffen;
• het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en
• de gevolgen van de strafbaarstelling en de strafbepalingen voor de maatschappelijke positie van genderdiversen.
Als genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit, anders dan de geldende normen in het land van herkomst, strafbaar is (of hier andere strafbepalingen voor gelden), wordt niet van de vreemdeling verwacht dat hij bescherming inroept of in kan roepen conform artikel 3.37c VV.
De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de genderidentiteit en/of genderexpressie. Als in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van de genderexpressie of het uiten van de genderidentiteit anders dan de vreemdeling bij de geboorte heeft gekregen, beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
Als de vreemdeling aannemelijk maakt geheel of gedeeltelijk uitgesloten te worden van toegang tot de gezondheidszorg in het land van herkomst op basis van zijn genderidentiteit en/of genderexpressie, onderzoekt de IND of dit leidt tot ernstige consequenties. Dit beoordeelt de IND in samenhang met de vraag of sprake is van een discriminatoire behandeling of maatregel die in samenstel met andere maatregelen voldoende ernstig is dat sprake is van vervolging. Het enkele feit dat er geen genderbevestigende zorg beschikbaar is, is op zichzelf geen reden om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen.
Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn genderidentiteit in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn genderidentiteit verborgen heeft gehouden. De IND onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zijn genderidentiteit in Nederland uit en hoe de vreemdeling voornemens is deze in zijn land van herkomst te uiten. Het kan hier ook gaan om de genderexpressie. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat deze uiting leidt tot een daad van vervolging. In die gevallen gaat de IND er in beginsel bij de beoordeling van het risico op vervolging van uit dat de directe omgeving zoals hierboven benoemd op de hoogte is of kan geraken van de genderidentiteit en/of genderexpressie.
Als de vreemdeling zich beroept op zowel zijn genderidentiteit en genderexpressie als zijn seksuele gerichtheid, is paragraaf C2/3.2.5.2.2 Vc over seksuele gerichtheid ook van toepassing.
Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 april 2026
De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst
In de Vc was een kader opgenomen over seksuele gerichtheid (paragraaf C2/3.2.5.2.2 Vc) waar genderidentiteit onderdeel van uitmaakte. Echter, lag de nadruk in die paragraaf met name op de seksuele gerichtheid. Er werd wel aangegeven dat dat kader ook toepasbaar was op zaken waarin genderidentiteit een rol speelde. Uit de praktijk bleek echter dat dit beoordelingskader voor genderidentiteit niet specifiek genoeg was. Daarom is een nieuwe paragraaf over genderidentiteit toegevoegd in paragraaf C2/3.2.5.2.3 Vc, waarbij ook genderexpressie betrokken wordt.
Hierbij is ook betrokken, dat artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn voorschrijft dat terdege rekening gehouden moet worden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd. In aanloop naar het Migratiepact is eveneens al rekening gehouden met artikel 10 Kwalificatieverordening waarbij ook genderexpressie expliciet wordt benoemd.
In paragraaf C2/3.2.5.2.2 Vc is de verwijzing naar genderidentiteit verwijderd. Daarnaast zijn een aantal onderdelen uit het toetsingskader in de Vc van genderidentiteit en seksuele gerichtheid gelijk getrokken met deze wijziging. Eveneens zijn een aantal onderdelen die al in het algemene beleid rondom geloofwaardigheid en zwaarwegendheid zijn opgenomen geschrapt om dubbelingen tegen te gaan.
De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, R. Maas directeur-generaal Immigratie- en Naturalisatiedienst
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-16278.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.