Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 1595 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2026, 1595 | overige overheidsinformatie |
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 2° van de Omgevingswet en artikel 10.6b, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit;
Deelt mede dat de landelijke doelen voor habitattypen en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, zijn geactualiseerd en gekwantificeerd overeenkomstig het in de bijlage bij deze mededeling opgenomen document “Natura 2000 Doelendocument 2026. Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten”.
Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 januari 2026
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Het vaststellen van vernieuwde landelijke doelen voor habitattypen en soorten die met het Natura 2000-netwerk worden beschermd is onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van LVVN voor Natura 2000.
De landelijke doelen die tot nu toe golden, zijn merendeels vastgesteld in 2006. Deze waren gebaseerd op inmiddels verouderde informatie. De natuur ontwikkelt zich en de staat van instandhouding is sinds de vorige vaststelling van de doelen inmiddels meerdere malen hernieuwd beoordeeld. Dit was tot nu toe nog niet verwerkt in vernieuwde landelijke doelen. Voor diverse habitattypen en soorten zijn de wetenschappelijke inzichten over wat de gunstige staat van instandhouding precies inhoudt inmiddels veranderd. Ook is de methode om deze gunstige staat de bepalen Europees verder geharmoniseerd. Daarom zijn de landelijke doelen nu geactualiseerd.
In de Omgevingswet artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 2° de taak opgenomen om voor zover mogelijk een kwantificering op te stellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitattypen en soorten. Blijkens de memorie van toelichting gaat het hierbij er primair om dat – waar mogelijk – op landelijk niveau meer kwantitatief wordt geduid wanneer in Nederland voor natuurlijke habitattypen en soorten die als onderdeel van het Natura 2000-netwerk worden beschermd, sprake is van een gunstige staat van instandhouding.
Het vernieuwen en concreet maken van deze doelen bakent de natuurambities af tot wat nodig is voor de internationale verplichtingen. Ze geven duidelijkheid aan alle betrokken partijen (zoals overheden, beheerders van beschermde gebieden en belanghebbenden) over hoeveel op de schaal van heel Nederland minimaal genoeg is voor deze habitattypen en soorten om te voldoen aan de VHR. Deze landelijke doelen geven richting aan het verder concretiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Ook geven de vernieuwde landelijke doelen richting aan de te nemen maatregelen in het te ontwikkelen Natuurplan van de EU Natuurherstelverordening. Ook hiervoor was verdere concretisering nodig.
De vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten zijn door LVVN voorbereid met inbreng van wetenschappelijke experts en de bevoegde gezagen voor het beheerplan van de Natura 2000-gebieden. Eerst zijn door kennisinstellingen (WUR en SOVON) adviezen uitgebracht. Voor elke soort en elk habitattype is geadviseerd wat de gunstige staat van instandhouding inhoudt, en of deze geadviseerde gunstige staat haalbaar is in 2050. De concept-doelen die daarop zijn gebaseerd, zijn besproken met de voortouwnemers en via een internetconsultatie ter beschikbaar gesteld voor reactie. Alle reacties zijn gewogen, hetgeen op diverse plekken bijstelling en nadere toelichting heeft geleid. Tenslotte is de actuele staat van instandhouding, zoals die is beschreven in de VHR-rapportage van 2025, betrokken bij de doelformulering. De actuele staat van instandhouding geeft in enkele gevallen namelijk nieuwe inzichten in de gunstige staat van instandhouding. In die gevallen is het doel daarop aangepast.
De vernieuwde doelen zijn gesteld op wat minimaal nodig is om te voldoen aan de Europese afspraken zoals die vastliggen in de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening. Daar zijn geen Nederlandse ambities aan toegevoegd.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Datum:
12 januari 2026
|
Deel 1: Kaders |
|
|
1. |
Inleiding |
|
1.1 |
Aanleiding voor nieuwe landelijke doelen |
|
1.2 |
Leeswijzer |
|
1.3 |
Redenen voor concretisering en actualisatie |
|
1.4 |
Afbakening |
|
1.5 |
Nodig voor maatregelen en programma’s |
|
1.6 |
Looptijd |
|
1.7 |
Proces en procedure |
|
1.8 |
Aanvullingen en tussentijdse wijzigingen |
|
2. |
Context |
|
2.1 |
Uitgangspunten voor landelijke doelen |
|
2.2 |
Rol van landelijke doelen in het Natura 2000-doelensysteem |
|
2.3 |
Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
2.4 |
Definitie van een gunstige staat van instandhouding |
|
2.5 |
Rapportages over staat van instandhouding |
|
3. |
Methodiek bepaling landelijke doelen |
|
3.1 |
Informatiebasis |
|
3.2 |
Landelijke doelen: bepalen toekomstig gunstige situatie |
|
3.3 |
Maatwerk bij landelijke doelen |
|
3.4 |
Formulering van landelijke doelen |
|
Deel 2: Landelijke doelen |
|
|
1. |
Habitattypen |
|
2. |
Habitatrichtlijnsoorten |
|
3. |
Vogelrichtlijnsoorten |
|
Broedvogels |
|
|
Niet-broedvogels |
|
|
Bijlage 1: Technische toelichting kwantificering oppervlakte habitattypen |
|
|
Bijlage 2: Samenvattend overzicht landelijke doelen |
|
|
Habitattypen |
|
|
Habitatrichtlijnsoorten |
|
|
Vogelrichtlijnsoorten |
|
Dit document ‘Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten’ is opgesteld door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). De landelijke doelen zijn vernieuwd in het kader van het proces om het Natura 2000-doelensysteem te actualiseren. Dit document omvat de landelijke doelen voor habitattypen en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen of aangemeld1 2 en beschrijft de systematiek waarmee deze zijn bepaald. Met de vernieuwde landelijke doelen geeft LVVN richting aan uitwerking van de verplichting van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (hierna: VHR) om de gunstige staat van instandhouding te bereiken.
|
Actualisering Natura 2000-doelensysteem Als start van het proces om het Natura 2000-doelensysteem te actualiseren is een adviesrapport2 opgesteld, waarin verbeteringen zijn voorgesteld om knelpunten die werden ervaren in het doelensysteem op te lossen. Daarbij zijn ook onbenutte kansen voor verbetering van het doelensysteem verkend. Eén van de adviezen uit het rapport is om scherp te maken wat de nog te realiseren opgave op landelijk niveau is. Om praktische redenen is ervoor gekozen om niet alle adviezen uit te werken in één document, maar dat op te splitsen in de vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000 en het inmiddels vastgestelde Beleidskader Doelwijziging (https://www.natura2000.nl/hulpmiddelen/beleidskader-doelwijziging). |
De focus van het Natura 2000-beleid lag eerst op selectie en aanwijzing van de Natura 2000-gebieden en op het formuleren van doelen daarvoor. De wijze van selectie en aanwijzing is beschreven in het Natura 2000-doelendocument uit 20063 en het Doelendocument mariene Natura 2000-gebieden uit 2014/partiële herziening 20214 (hierna: de Natura 2000-doelendocumenten). De Natura 2000-gebieden hebben inmiddels (vrijwel) allemaal vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen in definitieve aanwijzingsbesluiten en beheerplannen waarin maatregelen staan als die nodig zijn om deze doelen te bereiken of te behouden. De basis van het Natura 2000-netwerk is daarmee gelegd, zodat de focus is verschoven naar het bereiken van de doelen.
In deel 1 staan de kaders voor de vernieuwde landelijke doelen. Het vervolg van hoofdstuk 1 gaat nader in op de redenen voor actualisatie en concretisering van de landelijke doelen (1.3) en de afbakening van dit document (1.4). Aangegeven wordt dat de landelijke doelen nodig zijn om te kunnen bepalen welke maatregelen nodig zijn voor doelbereik (1.5). Rond 2032 zal worden bezien of er aanleiding is om de landelijke doelen opnieuw te actualiseren, of al eerder als voortschrijdende wetenschappelijke inzichten over het benodigde niveau voor een gunstige staat van instandhouding dat noodzakelijk maken (1.6). Ook wordt aangegeven wat het gevolgde proces is en welke procedure voor de vaststelling van dit document geldt (1.7) en hoe omgegaan zal worden met aanvullingen en tussentijdse wijzigingen (1.8).
In hoofdstuk 2 wordt de context voor de vernieuwde landelijke doelen beschreven. De geactualiseerde uitgangspunten worden gepresenteerd (2.1). Daarna wordt ingegaan op de rol van de landelijke doelen in het Natura 2000-doelensysteem, waarbij de relatie wordt gelegd met de instandhoudingsdoelstellingen van de afzonderlijke Natura 2000-gebieden (2.2). De landelijke doelen zijn vernieuwd voor de habitattypen en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangemeld of aangewezen (2.3). De landelijke doelen geven duidelijkheid over wat er in Nederland moet worden bereikt voor een gunstige staat van instandhouding. Bij de bepaling wat gunstig is, worden verschillende aspecten betrokken (2.4). Over het doelbereik wordt zesjaarlijks aan de Europese Commissie gerapporteerd (2.5).
Hoofdstuk 3 gaat over de methodiek waarmee de vernieuwde landelijke doelen zijn bepaald. Aangegeven wordt hoe de doelformuleringen en toelichtingen daarop zijn opgebouwd (3.1). Adviezen van wetenschappelijke instituten vormen de basis voor de landelijke doelen. De methodiek voor de bepaling van gunstige referentiewaarden voor de omvang van habitattypen en de populatieomvang van soorten wordt toegelicht. Voor vogels is ook de methodiek voor de bepaling van de staat van instandhouding vernieuwd (3.1). Vervolgens is de methode voor het vertalen van de adviezen voor de gunstige referentiewaarden naar landelijke doelen beschreven, waarbij de ecologische haalbaarheid bepalend is (3.2). Daarbij is rekening gehouden met maatwerk en klimaatverandering (3.3). Aangegeven wordt hoe de doelformuleringen en toelichtingen daarop zijn opgebouwd (3.4).
In deel 2 staat per habitattype en soort het vernieuwde landelijke doel met een toelichting daarop. In de bijlage staat een samenvattend overzicht van de landelijke doelen (bijlage 2). Dit overzicht is bedoeld als samenvatting, de volledige doelen en toelichting hierop staan in deel 2 van dit document.
De focus van het beleid is verschoven van ontwikkeling van het netwerk met de belangrijkste te beschermen gebieden naar het zetten van betekenisvolle stappen op weg naar een landelijk gunstige staat van instandhouding van alle habitattypen en soorten. Daarvoor zijn waar mogelijk de kwalitatieve landelijke doelen uit de vorige doelendocumenten geconcretiseerd en waar nodig ook geactualiseerd.5 De doelen die al geconcretiseerd waren, zijn waar nodig geactualiseerd.6 De redenen hiervoor zijn:
• Nederland heeft een resultaatsverplichting voor het bereiken van de landelijk gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten van de VHR. De landelijke doelen waren nog niet allemaal gericht op een gunstige staat van instandhouding.
• De opdracht om zoveel als mogelijk de landelijke doelen te kwantificeren, ligt besloten in de Omgevingswet7. Voor een groot deel van de soorten en habitattypen was het einddoel voor een gunstige staat van instandhouding nog niet concreet vastgesteld (bijvoorbeeld alleen ‘uitbreiding’ of ‘verbetering’). De Ecologische Autoriteit (EA) geeft aan dat het voor een effectieve aanpak van natuurherstel nodig is om doelen en verplichtingen duidelijk en concreet te maken.8
• Vaststellen wat de landelijk gunstige staat van instandhouding concreet betekent, is noodzakelijk om vervolgens beleid vorm te geven. Dan kan er met programmadoelen en -middelen en overig beleid stapsgewijs naar toe worden gewerkt. Dit geldt o.a. voor het Natuurplan dat uitwerking moet geven aan de doelen uit de EU Natuurherstelverordening.
• Veel landelijke doelen moesten geactualiseerd worden vanwege voortschrijdende wetenschappelijke kennis en andere ontwikkelingen. Zo zijn er na 2006 Europese richtsnoeren ontwikkeld die meer harmonisatie aanbrengen tussen lidstaten in de beoordeling van de (gunstige) staat van instandhouding.9 Op grond van deze richtsnoeren moet de best beschikbare wetenschappelijke kennis gebruikt worden bij de uitwerking van de methode en toepassing van het begrip gunstige staat van instandhouding.
De vernieuwde landelijke doelen vervangen de landelijke doelen uit de Natura 2000-doelendocumenten. Voor sommige habitattypen en soorten was met publicatie van het aanwijzingsbesluit voor een Natura 2000-gebied een gewijzigd landelijk doel gesteld. Ook die in aanwijzingsbesluiten gewijzigde landelijke doelen worden vervangen door de vernieuwde landelijke doelen. De vernieuwde doelen betreffen alle habitattypen en soorten waarvoor in Nederland anno 2025 Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, of aangemeld. Het gaat om 52 habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn, 39 soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn en 114 vogelsoorten volgens artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Er zijn geen landelijke doelen opgesteld voor andere beschermde soorten van de VHR (zoals soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn en overige vogels). Zie ook paragraaf 1.8 over aanvullingen en tussentijdse wijzigingen.
Ook de hoofdlijnen voor het stellen van landelijke doelen uit de Natura 2000-doelendocumenten zijn geactualiseerd in uitgangspunten voor het vaststellen van de vernieuwde doelen. Daarbij ligt de focus nu vooral op het behalen en behouden van de landelijk gunstige staat van instandhouding, met het huidige netwerk van Natura 2000-gebieden als structurele basis. De nieuwe uitgangspunten leggen nadrukkelijker het accent op het gaan bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding, conform de VHR, en daarmee op het agenderende karakter van de landelijke doelen.
De kaders voor het doelensysteem uit de Natura 2000-doelendocumenten die niet het opstellen van landelijke doelen betreffen blijven vooralsnog gelden. Die gaan bijvoorbeeld over het opstellen van (wijzigingen van) aanwijzingsbesluiten en hoe deze sturing geven aan de Natura 2000-beheerplannen. Ook de kernopgaven voor de Natura 2000-gebieden blijven vooralsnog gelden.10 Mogelijk kunnen beleidsontwikkelingen in de toekomst wel leiden tot actualisering van die kaders.
Deze publicatie van vernieuwde landelijke doelen zorgt er niet voor dat de instandhoudingsdoelstellingen in de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden direct veranderen. Wanneer wijziging van Natura 2000-aanwijzingsbesluiten aan de orde is, vormen de vernieuwde landelijke doelen daarvoor wel het kader.
De vernieuwde landelijke doelen zijn een product van het proces waarin het Natura 2000-doelensysteem geactualiseerd wordt. Er is ook een Beleidskader Doelwijziging opgesteld dat beschrijft onder welke voorwaarden instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen Natura 2000-gebieden kunnen worden aangepast.11 De inhoud daarvan kan als pilot gebruikt worden in Natura 2000-gebieden waar het wenselijk is om doelen te wijzigen. Randvoorwaarde voor wijzigen van gebiedsdoelen is dat ze beter (of ten minste hetzelfde) bijdragen aan het behalen van de landelijke doelen. Duidelijke landelijke doelen zijn dus een noodzakelijke stap voor flexibiliteit op gebiedsniveau.
Voor een aantal aspecten van het Natura 2000-doelensysteem wordt in de komende periode bezien of het beleid daarop moet worden bijgesteld, dan wel verder ontwikkeld. Gedacht kan worden aan beleid voor voorkomens van Natura 2000-habitattypen en -soorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden, omgaan met klimaatverandering (waarvoor in dit document de eerste aanzet wordt gegeven), monitoring en de governance van Natura 2000.
Adviezen van kennis instellingen over de landelijk gunstige staat van instandhouding (zie hoofdstuk 3) zijn de inhoudelijke basis voor de vernieuwde landelijke doelen. Deze zogenaamde bouwstenen maken geen deel uit van het Natura 2000-doelensysteem. Dat geldt wel voor de hierop gebaseerde vernieuwde landelijke doelen. Hoewel de bouwstenen de belangrijkste gebieden in kaart brengen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten, wordt er in voorliggend document geen voorschot genomen op de vraag of er, en zo ja welke, nieuwe gebieden worden aangewezen onder de VHR. Welke natuur beschermd is onder Natura 2000 staat in de profielendocumenten.12 Dit zijn achtergronddocumenten voor de aanwijzingsbesluiten, beheerplannen en de beoordeling van de landelijke staat van instandhouding.
Hoewel het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding een internationale verplichting is, was het voorheen niet altijd duidelijk wat het minimale niveau hiervoor concreet inhoudt. De vernieuwde landelijke doelen geven die duidelijkheid zoveel mogelijk wel. Geactualiseerde en geconcretiseerde landelijke doelen zijn nodig om te weten waar maatregelen en programma’s naar toe moeten werken. Aan het realiseren van de gunstige staat van instandhouding verbinden de VHR geen termijn, maar het voldoen aan de verplichtingen mag ook niet eindeloos worden uitgesteld vanuit het beginsel van loyale samenwerking (unietrouw).13
De EU Biodiversiteitsstrategie 2030 omvat een doel voor 2030: de instandhoudingstrends en -toestand van alle beschermde habitats en soorten mag tegen 2030 niet verslechterd zijn. Bovendien moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ten minste 30% van de soorten en habitats die momenteel niet in een gunstige toestand verkeren, wel in die categorie terechtkomen of een sterke positieve trend vertonen.
De EU Natuurherstelverordening verbindt termijnen aan het treffen van de nodige maatregelen voor natuurherstel. De Natuurherstelverordening stelt tijdsgebonden en kwantitatieve doelen gericht op benodigde aspecten van de gunstige staat van instandhouding. Zo moeten er voor land-, kust- en zoetwaterecosystemen herstelmaatregelen genomen worden:14
• om habitattypen in een goede toestand te brengen: uiterlijk in 2030 op minstens 30%, in 2040 op minstens 60% en in 2050 op minstens 90% van de oppervlakte van in bijlage I bij de verordening opgenomen habitattypen die niet in goede toestand verkeert;
• om de gunstige referentieoppervlakte te realiseren voor in bijlage I opgenomen habitattypen: in 2030 op minstens 30%, in 2040 op minstens 60% en in 2050 op minstens 100% van de benodigde extra oppervlakte per groep;
• om de kwaliteit en kwantiteit van de land-, kust- en zoetwaterhabitats van de Habitatrichtlijnsoorten en de vogelsoorten te verbeteren, onder meer door die habitats opnieuw te ontwikkelen, en om de verbondenheid te verbeteren, totdat er een voldoende kwaliteit en kwantiteit wordt bereikt;
Voor het herstel van mariene ecosystemen zijn vergelijkbare doelen voor herstelmaatregelen opgenomen in de Natuurherstelverordening.15 In afwijking hierop kan voor bepaalde mariene habitattypen een ander percentage van de oppervlakte die niet in goede toestand verkeert worden bepaald, waarop uiterlijk in 2050 maatregelen moeten worden genomen. In het Natuurplan worden de concrete maatregelen voor de periode tot 2030 opgenomen met een doorkijk naar 2050. De vernieuwde landelijke doelen geven richting aan de maatregelen in het Natuurplan.
De vernieuwde landelijke doelen zijn verder ook nodig voor het opstellen van programmadoelen die verbonden zijn aan beleids- of uitvoeringsprogramma’s die er (mede) aan bijdragen om de gunstige staat van instandhouding te bereiken. Deze programma’s en maatregelen dragen ook bij aan de doelen uit de EU Natuurherstelverordening en de EU Biodiversiteitsstrategie 2030.
Programma Natuur
In het Programma Natuur16 zijn programmadoelen vastgesteld. Het programma organiseert en financiert maatregelen voor natuurherstel die nodig zijn om de staat van instandhouding van de beschermde habitattypen en soorten op land te verbeteren. Hierbij focust het programma op het herstellen en versterken van stikstof gevoelige natuurgebieden. De maatregelen onder het Programma Natuur richten zich op het verlagen of wegnemen van drukfactoren en daardoor op landschapsecologisch systeemherstel. De vernieuwde landelijke doelen ondersteunen het Programma Natuur door te verduidelijken wat een gunstige staat van instandhouding per Natura 2000-habitattype en -soort inhoudt. Die basis is nodig om te bepalen welke condities noodzakelijk zijn voor het behalen van de gunstige staat van instandhouding.
Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN)
Het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) geeft invulling aan de wettelijke verplichting uit de Omgevingswet om een programma vast te stellen voor het verbeteren van de natuur en het verminderen van stikstof. Dit programma richt zich op het bereiken van de benodigde condities voor de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten per Natura 2000-gebied. Zowel de bronmaatregelen (die de stikstofuitstoot bij de bron aanpakken) als de natuurherstelmaatregelen zijn hierop gericht. Het Uitvoeringsprogramma Natuur omvat de natuurherstelmaatregelen en is onderdeel van het PSN.
Natuurpact
In het Natuurpact zijn de ambities met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland vastgelegd voor de periode tot en met 2027: het Natuurnetwerk Nederland met daarbinnen de Natura 2000-gebieden, het agrarisch natuurbeheer, de leefgebieden binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland en ecologische maatregelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water. De realisatie van deze ambities is gedecentraliseerd naar de provincies.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Bij omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en (potentiële) waarden vastgesteld van de gebieden die behoren tot het NNN.17 18 Daarbij moet het behoud of herstel in acht worden genomen van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen. Het NNN heeft dus een belangrijke functie voor het realiseren van een landelijk gunstige staat van instandhouding conform de VHR.19
Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW)
De Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) verbetert de natuur en ecologische waterkwaliteit in de grote wateren, ook met het oog op de sociaal-economische meerwaarde die dat oplevert. De grote wateren zijn het IJsselmeergebied, de grote rivieren, het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta. De PAGW maakt via grootschalige inrichtingsmaatregelen het fundament van water, bodem en ecologie natuurlijker en robuuster. Daarmee zorgt de PAGW ook voor de uitgangssituatie om voor de habitattypen en soorten in en rond de grote wateren een landelijk gunstige staat van instandhouding te kunnen bereiken. De Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en LVVN werken in de PAGW gebiedsgericht met andere overheden en organisaties aan drie opgaven: betere verbindingen, meer ruimte voor natuurlijke processen en ontwikkelen van leefgebieden. In 2050 moeten alle PAGW-projecten klaar zijn. Naast realisatie van de PAGW zijn ook kleinschaliger maatregelen nodig voor de bijdrage van de grote wateren aan een gunstige staat van instandhouding.
Programma Noordzee 2022–2027
Het Programma Noordzee 2022–2027 richt zich op het bereiken van een duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee dat bijdraagt aan de maatschappelijke, economische en ecologische doelstellingen van Nederland. In het Programma Noordzee zijn ook de afspraken uit het Noordzeeakkoord (2020) vastgelegd. Het Programma Noordzee biedt de kaders voor het ruimtegebruik op de Noordzee in relatie tot de toestand van het mariene ecosysteem en voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieutoestand. Het beleid gericht op het verbeteren van de milieutoestand vloeit voort uit de verplichtingen vanuit de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. De Nederlandse Mariene Strategie geeft hier invulling aan en integreert de andere wettelijke kaders gericht op bescherming en beheer van mariene soorten en habitats (VHR, OSPAR, Biodiversiteitsverdrag en beleid voor duurzame visserij in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid) en vult deze waar nodig aan. Het Programma Noordzee presenteert het beleid voor bescherming en versterking van het mariene milieu langs vijf sporen: terugdringen van verontreiniging en verstoring, beschermde gebieden en habitattypen, beschermde soorten, integrale natuurversterking en verduurzaming gebruik.
De relatie tussen de landelijke doelen en de individuele Natura 2000-gebieden en Natura 2000-beheerplannen komt aan de orde in paragraaf 2.2.
De vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000 bieden langjarige duidelijkheid.20 Aangezien de best beschikbare wetenschappelijke, ecologische kennis waar de doelen zich op baseren, continu in ontwikkeling is, zal rond 2032 worden bezien of er aanleiding is om de landelijke doelen opnieuw te actualiseren. Er is gekozen voor de mogelijkheid van herijking in dat jaar omdat dan gebruik gemaakt kan worden van de zesjaarlijkse nationale rapportages voor de VHR die in 2031 zal worden ingediend bij de EC. Daarbij wordt de dan actuele staat van instandhouding beoordeeld. Het precieze moment van actualisatie zal t.z.t. worden afgestemd op dan lopende beleidstrajecten.
Na de eerstvolgende herijking kan het proces van actualisatie van de landelijke doelen opnieuw de rapportagecycli van de VHR volgen: steeds na twee rapportageperiodes kan worden bezien of nieuwe gegevens over de staat van instandhouding en/of voortschrijdende wetenschappelijke ecologische inzichten (bijvoorbeeld over het effect van klimaatverandering) aanleiding geven voor aanpassing van de landelijke doelen.
De vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000 zijn door LVVN voorbereid met inbreng van kennisinstellingen en de bevoegde gezagen voor het beheerplan van de Natura 2000-gebieden.21 De kennisinstellingen leverden adviezen over de huidige en gunstige staat van instandhouding, die de basis vormen voor de vernieuwde landelijke doelen. De landelijke doelen voor VHR-habitattypen en -soorten waren in januari 2023 al indicatief geconcretiseerd.22 Deze indicatieve concretiseringen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten zijn vervolgens verder verbeterd. In januari en april 2024 zijn er reactierondes geweest voor de bevoegde gezagen. De reacties van de bevoegde gezagen zijn meegewogen bij het opstellen van het concept waarmee LVVN via internetconsultatie van 9 april t/m 1 juli 2025 eenieder de gelegenheid gaf om een reactie in te dienen. De reacties uit de internetconsultatie zijn meegewogen bij de definitief opgestelde vernieuwde landelijke doelen. De landelijke doelen hebben geen directe doorwerking in de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden en hebben geen directe rechtsgevolgen. Er is daarom geen bezwaar of beroep mogelijk.
In de toekomst kunnen er Natura 2000-gebieden worden aangewezen voor soorten of habitattypen die nog geen landelijk doel hebben, dan wordt bij de eerste aanwijzing een landelijk doel gesteld. Voor inspraak, vaststelling en publicatie van het landelijk doel wordt dan de procedure voor het (gewijzigde) aanwijzingsbesluit gevolgd. Bij de volgende actualisatie van de landelijke doelen wordt dan ook het landelijk doel voor die soort/dat habitattype opgenomen in dit document met landelijke doelen.
Er kunnen redenen zijn om tussentijds landelijke doelen aan te passen, zoals voortschrijdende wetenschappelijke inzichten, herstel van fouten en uitvoering geven aan juridische uitspraken. Landelijke doelen die gedurende de looptijd van dit document gewijzigd worden, zullen eveneens bij de volgende actualisatie van de landelijke doelen worden opgenomen in dit document.
LVVN is voornemens om landelijke doelen die tussentijds worden toegevoegd of gewijzigd zijn ten opzichte van dit document te publiceren in een overzicht op de website https://natura2000.nl.
In deze paragraaf worden de uitgangspunten beschreven die zijn gehanteerd voor het bepalen van en omgaan met de vernieuwde landelijke doelen. Deze uitgangspunten vervangen de hoofdlijnen uit het Natura 2000-doelendocument (2006).23 Per uitgangspunt wordt aangegeven of het een wijziging van het beleid is, dan wel een verduidelijking ten opzichte van de hoofdlijnen in het Natura 2000-doelendocument (2006).
1. De landelijke doelen komen overeen met wat voor de VHR minimaal benodigd is
De vernieuwde landelijke doelen voldoen aan de vereisten van de VHR. Het niveau van deze landelijke doelen is afgestemd op wat daarvoor minimaal benodigd is. Het vernieuwen en concreet maken van deze doelen bakent de landelijke doelen af tot wat nodig is voor de internationale verplichtingen. Ze geven duidelijkheid aan alle betrokken partijen (zoals overheden, beheerders van beschermde gebieden en belanghebbenden) over hoeveel op de schaal van heel Nederland minimaal genoeg is voor deze habitattypen en soorten om te voldoen aan de VHR.
2. De landelijke doelen zijn gericht op het bereiken of behouden van de landelijk gunstige staat van instandhouding
De landelijke doelen zijn gericht op het bereiken of behouden van de landelijk gunstige staat van instandhouding van Natura 2000-habitattypen en -soorten in Nederland. Het streven is dat de condities hiervoor op orde worden gebracht. Voor het bereiken of behouden van de landelijk gunstige staat van instandhouding vormen de Natura 2000-gebieden de basis, maar dit is veelal niet voldoende. Ook de vóórkomens van Natura 2000-habitattypen en -soorten buiten deze gebieden dragen bij aan de landelijke doelen en worden meegenomen bij het beoordelen van en rapporteren over de landelijke staat van instandhouding. De landelijke doelen zijn geformuleerd zonder daar een realisatietermijn aan te verbinden. Uitzondering hierop zijn de doelen voor soorten en habitattypen waarvan het door de wetenschappelijke instituten geadviseerde niveau van een gunstige staat nog niet haalbaar is in 2050. Voor deze doelen moet het maximaal ecologisch haalbare niveau voor dat jaar worden nagestreefd.
Dat de voorkomens in de Natura 2000-gebieden en daarbuiten samen de landelijke staat van instandhouding vormen, volgt uit de Habitatrichtlijn en was al staand beleid. Dit is verduidelijkt in dit uitgangspunt. De focus op het bereiken van de landelijk gunstige staat is een wijziging ten opzichte van het Natura 2000-doelendocument (2006), waarin staat dat in beginsel de bestaande kwaliteit en omvang van de beschermde habitattypen en soorten wordt gehandhaafd en waar nodig in een gunstige staat wordt gebracht. Er kan echter geen lager doel dan de gunstige staat worden nagestreefd. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat de doelstelling uit de richtlijnen nooit wordt bereikt.
3. De landelijke doelen zijn wetenschappelijk uitlegbaar en ecologisch haalbaar
Wat de landelijk gunstige staat van instandhouding inhoudt, wordt conform de VHR op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis en op ecologische gronden bepaald. In adviezen van kennisinstellingen over de gunstige staat van instandhouding is hieraan verder invulling gegeven. Voor een referentieniveau bij een toekomstig gunstige staat van instandhouding is per soort en per habitattype gekeken naar de situatie in Nederland bij inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn respectievelijk Habitatrichtlijn24, en naar in hoeverre het vanuit ecologische overwegingen nodig is om die situatie te verbeteren. Voor elke soort en habitattype is zo concreet mogelijk een gunstig niveau bepaald, rekening houdend met historische ontwikkelingen, de ecologische positie van Nederland in internationale biogeografische context (bijvoorbeeld bij landsgrensoverschrijdende populaties), en onomkeerbare ontwikkelingen. Vervolgens is de ecologische haalbaarheid ingeschat op basis van een analyse van knelpunten en hun oplosbaarheid met inzet van bekende maatregelen om verbetering te realiseren, de ontwikkeltijd van habitattypen en leefgebieden, de reproductiesnelheid van soorten, hersteltijd voor biochemische verstoringen en een overzienbare periode tot 2050. De landelijke doelen sluiten aan bij wat van het geadviseerde gunstige niveau maximaal ecologisch haalbaar is in 2050.
Dit uitgangspunt vervangt de subjectieve begrippen ‘haalbaar en betaalbaar’ uit het Natura 2000-doelendocument (2006) voor het formuleren van de landelijke doelen. In de loop van de tijd is uit jurisprudentie en duiding van de Europese Commissie duidelijk geworden dat maatschappelijke of economische haalbaarheid en betaalbaarheid conform de VHR geen rol mogen spelen bij het definiëren van wat een landelijk gunstige staat van instandhouding is. Bij het bepalen van de maatregelen om de doelen te bereiken moet deze afweging wel betrokken worden.
4. De landelijke doelen zijn zoveel mogelijk geconcretiseerd en houden rekening met inherente dynamiek van de natuur
Voor zover dat mogelijk is, worden landelijke doelen geconcretiseerd om maximale duidelijkheid te verschaffen. Daartoe worden de landelijke doelen zoveel mogelijk kwantitatief geformuleerd (omvang/ kwaliteit), zoals wettelijk verplicht is.25 Kwantitatieve landelijke doelen zijn sturend voor de condities waarop maatregelen zich moeten richten. In de landelijke doelen wordt rekening gehouden met de dynamiek van het habitattype, de dynamiek in het mozaïek van met elkaar verweven habitattypen en de dynamiek van de soort en zijn leefgebied. Relevant is de veerkracht van het habitattype of de soort: afname door dynamiek mag er niet toe kunnen leiden dat een kritische ondergrens wordt overschreden waarna herstel niet meer mogelijk is. Ook het herkennen van, ruimte bieden aan en in stand houden van de natuurlijke cycli van habitattypen in een dynamisch ruimtelijk mozaïek is belangrijk.
Dit uitgangspunt bouwt voort op het Natura 2000-doelendocument (2006), waarin staat dat doelstellingen in de tijd robuust geformuleerd dienen te zijn om te kunnen anticiperen op bijvoorbeeld natuurlijke dynamiek en klimaatverandering. Een nieuw aspect is dat de landelijke doelen zoveel mogelijk gekwantificeerd worden.
5. Het bereiken van de landelijk gunstige staat van instandhouding is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en provincies, waarin ieder zijn eigen rol heeft
De systeemverantwoordelijkheid voor het natuurbeleid ligt bij het Rijk. Zo zorgt het Rijk voor nationale wet- en regelgeving voor Natura 2000 en voor de internationale afspraken. LVVN is eerstverantwoordelijk voor de landelijke doelen, de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden en eventuele wijzigingen daarvan.26 Voor de provincies ligt er een wettelijke verplichting om zorg te dragen voor het nemen van maatregelen om habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn in een landelijk gunstige staat van instandhouding te brengen, en leefgebieden van vogelsoorten (in het bijzonder soorten van bijlage I Vogelrichtlijn en trekvogels) in stand te houden en te herstellen.27 De directe verantwoordelijkheid voor het inrichten en (doen) beheren van de Natura 2000-gebieden ligt bij de bevoegde gezagen van die gebieden: de provincies, Rijkswaterstaat (in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) en het Ministerie van Defensie.28 Met deze gebieden wordt bijgedragen aan realisatie van de landelijke doelen.
Met dit uitgangspunt worden de bestaande afspraken over rollen en verantwoordelijkheden in het Natura 2000-beleid voortgezet. Deze afspraken zijn gemaakt in de periode na publicatie van het Natura 2000-doelendocument (2006).
6. De landelijke doelen zijn agenderend voor beleid en maken adaptief programmeren mogelijk
De landelijke doelen zijn agenderend voor landelijk en gebiedsgericht beleid. Het agenderende karakter van de landelijke doelen geeft duidelijkheid over de omvang van de opgave die Nederland heeft voor het bereiken van de landelijk gunstige staat van instandhouding conform de VHR, maar maakt ook een systeem van adaptief programmeren en periodiek herijken mogelijk. De landelijke doelen zijn een resultaatsverplichting omdat ze onderdeel zijn van de VHR-resultaatsverplichting voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding. Voor het bepalen van de benodigde condities en de daarvoor te nemen instandhoudingsmaatregelen is het belangrijk deze beoogde resultaten als uitgangspunt te nemen. Tegelijk is de reactie van planten en dieren op instandhoudingsmaatregelen in wisselende mate stuurbaar en voorspelbaar. Het kan zijn dat de beoogde populatieomvang of oppervlakte of kwaliteit van een habitattype niet gehaald wordt, ondanks dat degene die verantwoordelijk is voor de instandhoudingsmaatregelen de benodigde maatregelen (rekening houdend met de sociaal-economische vereisten, conform de VHR) heeft getroffen. In dat geval is het niet halen van het doel voor de populatie of het habitattype niet verwijtbaar. Programmadoelen (zoals in Programma Natuur) bevatten haalbare, tijdgebonden tussendoelen waarmee wordt toegewerkt naar het bereiken van de landelijke doelen. Er mag dus bij het vaststellen van landelijke doelen een gat zijn tussen het ambitieniveau en ‘de optelsom van programma’s’ zolang niet uit het oog wordt verloren dat uiteindelijk landelijk de gunstige staat van instandhouding wel moet worden bereikt.
Dit uitgangspunt is een wijziging ten opzichte van het Natura 2000-doelendocument (2006). Landelijke doelen worden niet meer gebaseerd op een inschatting van het resultaat van ingezet of voorgenomen beleid (‘volgend op beleid’), maar op wat nodig is voor het realiseren van de gunstige staat van instandhouding conform wat de VHR vragen (‘agenderend voor beleid’). De begrippen ‘haalbaar en betaalbaar’ uit het Natura 2000-doelendocument (2006) zijn niet van toepassing op de landelijke doelen, maar kunnen wel betrokken worden bij het adaptief programmeren.
7. De landelijke doelen geven langjarig richting, maar periodiek herijken is mogelijk en soms noodzakelijk
De landelijke doelen geven langjarig richting aan het beleid. Tegelijkertijd dient rekening te worden gehouden met verdere ontwikkeling van de best beschikbare kennis. Wetenschappelijke inzichten en de natuur zijn niet statisch. Voortschrijdende wetenschappelijke kennis kan nieuwe inzichten opleveren over de ecologische haalbaarheid en het gunstige niveau en leiden tot aanpassing van het landelijke doel. In de toekomst zou klimaatverandering bijvoorbeeld om aanpassing van landelijke doelen kunnen vragen, omdat soorten niet meer in Nederland voorkomen, of juist nieuw verschijnen. Ook als de zesjaarlijkse beoordeling (en rapportage) van de actuele staat van instandhouding daartoe aanleiding geeft, kunnen de landelijke doelen worden aangepast. Daarom zullen periodiek, na een periode van tweemaal zes jaar, de landelijke doelen geactualiseerd worden. De eerste herziening wijkt van deze cyclus af en is voorzien rond 2032, of al eerder als voortschrijdende wetenschappelijke inzichten over het benodigde niveau voor een gunstige staat van instandhouding dat noodzakelijk maken (zie paragraaf 1.8). Wijzigingen in de landelijke doelen mogen er echter niet toe leiden dat de doelen van de VHR niet worden bereikt. Daarom blijft bij wijzigingen in de landelijke doelen het uitgangspunt dat deze wetenschappelijk uitlegbaar en ecologisch haalbaar moeten zijn. Derhalve is het niet mogelijk om vanwege economische of maatschappelijke overwegingen, of het uitblijven van noodzakelijke maatregelen de landelijke doelen te verlagen of soorten en habitattypen in Nederland ‘op te geven’. Als landelijke doelen worden herijkt, zullen deze worden vastgelegd in een nieuwe versie van deze beleidsnotitie. Soms is het advies van de wetenschappelijke instituten voor het niveau dat als een gunstige staat wordt beschouwd hoger dan wat voor 2050 ecologisch haalbaar is. In die gevallen is een doel gesteld dat gelijk is aan wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050. Naast de periodieke herijkingen is op het moment dat zo’n doel bereikt is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel. Zo blijven de landelijke doelen wetenschappelijk uitlegbaar (zie uitgangspunt 3).
Dit uitgangspunt bouwt voort op het Natura 2000-doelendocument (2006), waarin ook werd aangekondigd dat de landelijke doelen periodiek kunnen worden herijkt.
Uit de Habitatrichtlijn, in samenhang met richtsnoeren van de Europese Commissie, volgt dat Nederland een gunstige staat van instandhouding moet realiseren op landelijk niveau. Dit is te beschouwen als de Nederlandse bijdrage aan de realisatie van een gunstige staat over het internationale natuurlijke verspreidingsgebied van de soort of het habitattype. De landelijke doelen geven duidelijkheid over wat er in Nederland moet worden bereikt voor een gunstige staat van instandhouding, conform de VHR.
De landelijke doelen vormen het kader voor de instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied. De som van deze gebiedsdoelen in meerdere of mindere mate aangevuld met een opgave buiten de aangewezen gebieden, moet leiden tot realisatie van de landelijke doelen. Voor de bijdragen van de verschillende Natura 2000-gebieden aan de landelijke doelen wordt het principe van ‘strategisch lokaliseren’ toegepast, dat een voortzetting is van het beleid uit het Natura 2000-doelendocument (2006). Daarmee wordt invulling gegeven aan de ruimte die de richtlijn biedt om sociaal-economische afwegingen te maken, zonder daarbij afbreuk te doen aan de doelstelling van de richtlijn.29 Dit houdt in dat om ervoor te zorgen dat de bijdrage van de Natura 2000-gebieden in ecologisch en maatschappelijk opzicht optimaal is, bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied wordt gelet op de huidige kwaliteiten én wordt gekeken naar de beste mogelijkheden om landelijk een gunstige staat te behouden of te verkrijgen, tegen een zo gering mogelijke inspanning. Dat neemt niet weg dat de benodigde inspanning fors kan zijn. Er zitten wettelijke grenzen aan het maatschappelijk optimaliseren van de bijdrage van de Natura 2000-gebieden aan de landelijke doelen, omdat wel conform de VHR de gunstige staat van instandhouding moet worden bereikt. Het volstaat daarom niet om alleen verslechtering te voorkómen: vaak moeten ook verbeter- en uitbreidingsdoelstellingen in een aantal Natura 2000-gebieden worden gerealiseerd en is een bijdrage van buiten dit netwerk noodzakelijk voor het bereiken van de landelijke doelen. Of dit aan de orde is en in welke mate verschilt per habitattype en soort.
Door instandhoudingsdoelstellingen voor uitbreiding en verbetering daar neer te leggen waar dat het beste kan, dragen de Natura 2000-gebieden gezamenlijk zo effectief mogelijk bij aan de landelijke doelen. Als in voldoende gebieden uitbreiding en verbetering wordt gerealiseerd, kan in andere gebieden worden volstaan met een behoudsdoelstelling. Er kan opnieuw worden bekeken hoe de Natura 2000-gebieden het beste kunnen bijdragen aan de vernieuwde landelijke doelen. Daarbij kan zoveel mogelijk samenhang worden gezocht met de doelstellingen op andere beleidsterreinen om werk met werk te maken (efficiëntie). Het Natura 2000-instrumentarium kan ook helpen om op andere beleidsterreinen doelen te behalen.
In het beheerplan van een Natura 2000-gebied worden de in het aanwijzingsbesluit benoemde instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en soorten verder uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd. Daarbij dient steeds te worden bekeken hoe het Natura 2000-gebied optimaal kan bijdragen aan de landelijk gunstige staat van instandhouding. In interactie met de betrokken gebruikers en beheerders van de Natura 2000-gebieden, kan het bevoegd gezag dat voortouwnemer is voor het beheerplan het best bepalen waar precies en met welke middelen, in welke omvang en met welk tempo de realisering van de instandhoudingsdoelstellingen kan plaatsvinden. De voortouwnemer kan dus het beste inschatten wat de potentie is van het Natura 2000-gebied.
Deze kennis en uitwerking van voortouwnemers is van belang voor het concretiseren van instandhoudingsdoelstellingen. De potentie van de Natura 2000-gebieden en de geconcretiseerde landelijke doelen geven samen richting aan het verder concretiseren van de instandhoudingsdoelstellingen per gebied. Voortouwnemers zijn verantwoordelijk voor het leveren van informatie over de potentie van de Natura 2000-gebieden. Het Rijk is verantwoordelijk voor de vaststelling van concrete instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten gebruikmakend van de kennis en uitwerkingen van voortouwnemers.
Bij de maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren wordt conform de VHR rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. Deze afweging kan gevolgen hebben voor het tempo en soms ook de locatie van maatregelen, maar het blijft een verplichting om het beoogde resultaat conform de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren. De landelijke doelen en de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden geven dus de richting aan, maar laten binnen de wettelijke kaders ruimte voor concretisering op lokaal niveau. Dit principe van ‘richting geven’ en voldoende ‘ruimte laten’ is voortzetting van het beleid uit het Natura 2000-doelendocument (2006).
De verplichting tot gebiedsbescherming volgt uit de VHR. De landelijke doelen zijn vernieuwd voor de 52 habitattypen, 39 Habitatrichtlijnsoorten en 114 vogels waarvoor anno 2025 Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, of aangemeld. De vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000 vervangen de landelijke doelen uit de Natura 2000-doelendocumenten (2006, 2014/2021) en uit de aanwijzingsbesluiten. Voor drie Habitatrichtlijnsoorten zijn nu landelijke doelen geformuleerd waarvoor nog niet eerder landelijke doelen waren gesteld: otter, brede geelrandwaterroofkever. De beek-/rivierdonderpad is taxonomisch opgesplitst naar twee soorten, waardoor nu voor elk een landelijk doel is gesteld. In de toekomst kunnen landelijke doelen worden gesteld voor habitattypen en soorten die nu nog geen landelijk doel hebben. Zie ook paragraaf 1.8 over aanvullingen en tussentijdse wijzigingen.
Voor de grutto als broedvogel en niet-broedvogel zijn landelijke doelen in december 2025 gesteld doormiddel van Natura 2000-wijzigingsbesluiten. Vijfentwintig bestaande Natura 2000-gebieden hebben een instandhoudingsdoelstelling voor de grutto als broedvogel gekregen en daar waar relevant zijn ook doelen voor de grutto als niet-broedvogel aangepast/toegevoegd. Daartoe waren (vernieuwde) landelijke doelen nodig voor de grutto. Deze landelijke doelen zijn ook in dit document opgenomen.
De habitattypen en soorten waarvoor volgens de Habitatrichtlijn gebieden moeten worden aangewezen, staan in bijlage I en II van deze richtlijn. Niet al die habitattypen en soorten komen in Nederland voor. Daarom is per biogeografische regio een referentielijst opgesteld waarin per lidstaat is vastgelegd voor welke habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn gebieden moeten worden aangemeld en vervolgens aangewezen. Nederland ligt in de Atlantische regio, waarvoor een terrestrische en een mariene referentielijst geldt.30 Deze referentielijsten komen tot stand in overleg tussen de Europese Commissie en de lidstaten.
Soorten of habitattypen van de Habitatrichtlijn die gevaar lopen te verdwijnen en waarvoor de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun totale verspreidingsgebied binnen de Europese Unie ligt, zijn aangemerkt als prioritair. In de bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn zijn prioritaire habitattypen en soorten aangeduid met een sterretje (*). Deze aanduiding is in dit document overgenomen (zie deel 2: landelijke doelen). De aanduiding prioritair heeft niet tot doel om hogere doelen te stellen, maar om het belang te duiden om snel aan de slag te gaan met maatregelen voor de instandhouding van deze soorten en habitattypen.
Nederland meldt bij de Europese Unie een gebied aan voor bescherming vanuit de Habitatrichtlijn, waarna de Europese Commissie het gebied op de lijst met gebieden van communautair belang zet. Vervolgens wordt het gebied aangewezen. Het doel van het Natura 2000-netwerk is om de gehele biologische variatie van het habitattype te beschermen. Een aantal habitattypen uit bijlage I kent in Nederland binnen het type een zeer grote variatie in soortensamenstelling en standplaats. Door habitattypen onder te verdelen in subtypen is het mogelijk om de ecologische kwaliteit en de staat van instandhouding van deze gevarieerde ecosystemen nauwkeuriger te beoordelen en ze adequaat te beheren, wat essentieel is voor het behoud van de biologische diversiteit. Met de subtypen is gewerkt bij de selectie van gebieden én bij het formuleren van de landelijke doelen en de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden. Door in de doelen te differentiëren tussen subtypen worden herstelopgaven specifiek gericht op dat deel van een habitattype dat uitbreiding of verbetering behoeft voor een landelijk gunstige staat van instandhouding. Op deze manier kan gericht worden gewerkt aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding.
De Vogelrichtlijn verplicht tot het aanwijzen van gebieden voor alle inheemse vogelsoorten uit bijlage I van deze richtlijn. Daarnaast moeten op grond van deze richtlijn gebieden worden aangewezen voor de geregeld voorkomende trekvogels, maar hierbij geeft de Vogelrichtlijn geen soortenlijst. Ook hoeft een gebied voor bescherming onder de Vogelrichtlijn niet eerst te worden aangemeld voor de communautaire lijst, maar wordt het gelijk aangewezen.
Informatie over alle habitattypen en soorten waarvoor in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen zijn, staat in de profielen.31 De definities van habitattypen worden in 2026 geactualiseerd en zullen in het Natura 2000 Profielendocument worden vastgesteld. Deze aanpassingen kunnen op termijn in meer of mindere mate gevolgen hebben voor de landelijke doelen, maar dat is nog niet verwerkt in de huidige landelijke doelen omdat daarvoor de gegevens nog niet beschikbaar waren. Zie ook paragraaf 1.8 over aanvullingen en tussentijdse wijzigingen.
De hoofddoelstelling van de VHR is het herstel en behoud van biodiversiteit in Europa. In dit verband vereist de Habitatrichtlijn dat de lidstaten van de Europese Unie de maatregelen nemen die nodig zijn om een ‘gunstige staat van instandhouding’ van soorten en habitattypen van communautair belang op hun eigen grondgebied te realiseren.32
Vanuit het beginsel van loyale samenwerking (of ‘unietrouw’) ligt het voor de hand dat iedere lidstaat streeft naar realisatie van een gunstige staat van instandhouding op nationaal niveau, in de context van de positie van de lidstaat in het totale verspreidingsgebied. In Nederland is dat dan ook het uitgangspunt33. De staat van instandhouding is nadrukkelijk een begrip voor een hoger schaalniveau dan een Natura 2000-gebied. Het heeft betrekking op het gehele natuurlijke verspreidingsgebied34 van de soort of het habitattype (binnen de biogeografische regio, binnen de lidstaat, dus op nationaal niveau). De gunstige staat van instandhouding hoeft dus niet per gebied bereikt te worden. Het begrip betreft het gehele landelijke voorkomen, zowel binnen als buiten Natura 2000-gebieden.35
De Vogelrichtlijn hanteert de term ‘gunstige staat van instandhouding’ niet expliciet, maar richt zich op een vergelijkbare doelstelling, namelijk ‘de populatie op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen’.36 Dit niveau noemt Nederland de gunstige staat van instandhouding voor vogels. Conform de Omgevingswet en de EU-richtlijn milieuaansprakelijkheid wordt het begrip ‘staat van instandhouding’ ook voor de door de Vogelrichtlijn beschermde soorten toegepast. In Nederland wordt de staat van instandhouding daarom ook voor vogels gebruikt bij het bepalen van de landelijke doelen. Voor de vogels worden dezelfde aspecten beoordeeld als voor de Habitatrichtlijnsoorten (zie paragraaf 3.1).
In de Habitatrichtlijn is gedefinieerd wat de staat van instandhouding is en wanneer deze als gunstig kan worden beschouwd.37 De staat van instandhouding is het effect van de som van de invloeden op het betrokken habitattype of de soort.
Voor een habitattype is de staat van instandhouding gunstig wanneer:
• het natuurlijke verspreidingsgebied van het habitattype en de oppervlakte van dat habitattype binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
• de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
• de staat van instandhouding van de voor dat habitattype typische soorten gunstig is.
Voor een soort is de staat van instandhouding gunstig wanneer:
• uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van het natuurlijke leefgebied waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
• er een voldoende groot leefgebied bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
De beoordeling van de staat van instandhouding omvat niet alleen een element van ‘diagnose’ op basis van de huidige toestand, maar ook een element van ‘prognose’ op basis van voorzienbare toekomstige positieve of negatieve effecten/invloeden op middellange tot lange termijn. De Europese Commissie geeft een nadere invulling van het begrip gunstige staat van instandhouding.38 Zij geeft aan dat het in eenvoudige bewoordingen een situatie is waarin een habitattype of soort goed gedijt (zowel in kwaliteit als in omvang/populatie) met goede vooruitzichten om dit ook in de toekomst te blijven doen. Daarbij is de afzienbare toekomst nader geduid als twee rapportageperiodes (12 jaar). Het feit dat een habitattype of soort niet wordt bedreigd (d.w.z. niet wordt geconfronteerd met een direct uitstervingsrisico) betekent niet dat deze zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt.
Hieruit kan worden afgeleid dat in een gunstige staat van instandhouding het habitattype of de soort zichzelf in stand kan houden bij het bestaan van natuurlijke dynamiek en successie, waarbij eventuele tegenvallers, zoals bijvoorbeeld als gevolg van bosbrand of enkele drogere jaren, kunnen worden opgevangen. Het is daarmee nadrukkelijk meer dan het vermijden van uitsterven. Vaak zijn reguliere beheermaatregelen noodzakelijk en soms kan het nodig zijn om de natuur extra te helpen met bijvoorbeeld technische ingrepen zoals plaatsing van damwanden rondom hoogveengebieden om water in het gebied vast te houden.
De definities van de Habitatrichtlijn voor de staat van instandhouding en de beoordeling daarvan zijn door de Europese Commissie verder uitgewerkt tot vier aspecten, die gebruikt moeten worden bij het beoordelen en rapporteren van de staat van instandhouding.
Voor de habitattypen betreft dit de aspecten:
1. verspreidingsgebied (range)
2. oppervlakte
3. kwaliteit (structuur en functie, inclusief typische soorten)
4. toekomstperspectief
Voor de soorten betreft dit de aspecten:
1. verspreidingsgebied (range)
2. populatie
3. leefgebied (omvang en kwaliteit)
4. toekomstperspectief
Voor elk van deze vier aspecten wordt periodiek beoordeeld wat de staat van instandhouding is (gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig).39 De combinatie hiervan levert de totale staat van instandhouding. Dit gaat via het principe dat als één van de onderdelen zeer ongunstig is, ook de totale staat van instandhouding zeer ongunstig is. Pas als álle onderdelen gunstig zijn, kan de conclusie voor de totale staat van instandhouding ‘gunstig’ zijn.
Voor het opstellen van de vernieuwde landelijke doelen is de meest recente beoordeling van de staat van instandhouding gebruikt (zie paragraaf 3.2). De landelijke doelen richten zich met name op het verbeteren van die aspecten die aanleiding zijn voor een ongunstige beoordeling. Voor de aspecten die al gunstig zijn volstaat een behoudsdoelstelling. Op die manier geven de landelijke doelen gericht sturing aan welke verbetering nog nodig is voor een gunstige staat van instandhouding.
Wat nodig is voor een beoordeling als ‘gunstig’, verschilt sterk per soort en habitattype. Het is onder andere afhankelijk van wat hoort bij het Nederlandse landschap met het daarvoor kenmerkende bodem- en watersysteem. Is het een wijdverspreide soort, of juist één die alleen onder heel specifieke omstandigheden gedijt? Historische informatie geeft hiervoor een betrouwbare indicatie. Maar wat ‘gunstig’ is, hangt vooral samen met ecologische eigenschappen van de soort of het habitattype, zoals de mate van (al dan niet) benodigde dynamiek, de benodigde omvang (van het leefgebied van de soort of van het habitattype) om goed te kunnen functioneren, de reproductiesnelheid, waar de soort in de voedselketen staat, enzovoort. Zo gelden voor insecten heel andere criteria dan voor otters en voor dynamische habitattypen zoals embryonale duinen andere criteria dan voor weinig dynamische zoals oude bossen.
Voor de beoordeling van de kwantitatieve aspecten (verspreidingsgebied, oppervlakte en populatiegrootte) wordt gebruik gemaakt van zogenaamde gunstige referentiewaarden, conform de Europese richtsnoeren. Voor de kwalitatieve aspecten (kwaliteit/leefgebied en toekomstperspectief) bestaan deze niet. Bij de beoordeling van deze kwalitatieve aspecten komt meer expertkennis kijken. De populatie van vogelsoorten wordt beoordeeld door deze te vergelijken met de gunstige referentiewaarde of, indien die ecologisch nog niet haalbaar is, met de populatieomvang die in 2050 ornithologisch-ecologisch gezien redelijkerwijs maximaal haalbaar is. Dit sluit aan op de doelstelling van de Vogelrichtlijn namelijk ‘de populatie op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen’.40 LVVN is voornemens om, in navolging van de landelijke doelen, ook vernieuwde gunstige referentiewaarden vast te stellen, zodat helder is welke van de geadviseerde gunstige referentiewaarden ook de te hanteren gunstige referentiewaarden in de context van de VHR zijn, en welke nog verder moeten worden ontwikkeld.
De landelijke staat van instandhouding van habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn in Nederland wordt zesjaarlijks door het Ministerie van LVVN vastgesteld, en gerapporteerd in de Habitatrichtlijnrapportage (artikel 17-rapportage41) aan de Europese Commissie. Deze zesjaarlijkse rapportage bevat voor alle habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten de landelijke staat van instandhouding en achterliggende gegevens daarover. De rapportage wordt ingevuld aan de hand van voornamelijk landelijke databanken (NDFF42, LVD43 en NDVH44) en meetnetten zoals het MWTL45 voor de rijkswateren, de NBI46 en het NEM47 voor de soorten en een aantal structuurkenmerken voor habitattypen. De gegevens uit de Natura 2000-gebieden vormen vooral voor de habitattypen een belangrijke basis (habitattypenkaarten). De rapportage wordt opgesteld door de WUR, met medewerking van experts van soortenorganisaties en het CBS, onder begeleiding van het bevoegd gezag. Het resultaat wordt in consultaties voorgelegd aan experts op het vlak van deze soorten en habitattypen, terreinbeheerders, provincies en Rijkswaterstaat.
Voor de vogels wordt niet over de landelijke staat van instandhouding aan de Europese Commissie gerapporteerd, maar wel over de status en trends in populatieomvang en verspreiding in Nederland. Dit is de zesjaarlijkse, artikel 12-rapportage48 aan de Europese Commissie. De (indicatieve) landelijke staat van instandhouding van vogels is in 2016 door SOVON beoordeeld. Ten behoeve van de vernieuwde landelijke doelen heeft SOVON dit in 2024 opnieuw gedaan. Ook hiervoor is veel gebruikt gemaakt van gegevens uit MWTL en NEM. De resultaten zijn in de bouwstenen opgenomen (zie ook paragraaf 3.1).
De landelijke staat van instandhouding van de populatie van vogelsoorten wordt beoordeeld door deze te vergelijken met de gunstige referentiewaarde die in de bouwsteen wordt geadviseerd of, indien die ecologisch nog niet haalbaar is, met de populatieomvang die in 2050 ornithologisch-ecologisch gezien redelijkerwijs maximaal haalbaar is49. Deze werkwijze sluit aan op de doelstelling van de Vogelrichtlijn namelijk ‘de populatie op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen’. Als een populatie zich in 2050 onder de geadviseerde gunstige referentiewaarde bevindt maar er is wel sprake van een duidelijk en consistent populatieherstel die – ornithologisch-ecologisch bezien – redelijkerwijs maximaal haalbaar is, dan mag de ontwikkeling van de staat van instandhouding in 2050 als gunstig worden beschouwd. Op het moment dat zo’n doel bereikt is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Bij de beoordeling van de staat van instandhouding wordt gekeken naar het gemiddelde over een bepaalde periode, omdat de natuur dynamisch is. In de landelijke doelen is ook rekening gehouden met natuurlijke dynamiek. De toekomstig gunstige situatie is dan gebaseerd op de gunstige referentiewaarde die als gemiddelde over een bepaalde periode is bepaald. Het gemiddelde hoeft dus niet elk jaar bereikt te worden om het landelijk doel te halen.
Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor de verstrekking van gegevens voor de rapportages aan de Europese Commissie. Voor zover het gaat om gegevens die betrekking hebben op door Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten genomen besluiten of getroffen maatregelen, of om gegevens die betrekking hebben op de staat van instandhouding van de habitattypen en soorten in hun provincie, verstrekken Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie deze aan het Ministerie van LVVN50. Hierover zijn afspraken gemaakt in het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur (2011): een gezamenlijk door Rijk en provincies uit te werken eenvoudige monitoringssystematiek moet de rapportageverplichtingen aan de Europese Commissie bedienen. Dit heeft zijn weerslag gevonden in de ‘Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk – Natura 2000/ PAS’ 51. De VHR-monitoring wordt versterkt ten behoeve van de informatiebehoefte die volgt uit diverse wetten, regelingen en programma’s. Met het Verbeterprogramma VHR-monitoring wordt de monitoring uitgewerkt voor alle VHR-doelen, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden, die aansluit op het bestaande monitoring en rapportagestelsel. Voor de gebieden die beheerd worden door Rijkswaterstaat (i.o.v. het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) en het Ministerie van Defensie zijn geen specifieke afspraken over monitoring gemaakt. Hier wordt gebruik gemaakt van de bestaande monitoring van beide organisaties.
De resultaten van de Nederlandse rapportages voor de Vogelrichtlijn artikel 12 en de Habitatrichtlijn artikel 17 zijn te vinden op https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn
Rol van wetenschappelijke informatie bij bepaling landelijke doelen
Wat de landelijk gunstige staat van instandhouding inhoudt, wordt conform de VHR op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis en op ecologische gronden bepaald. De landelijke doelen zijn gebaseerd op twee adviezen van kennisinstellingen: een advies over wat per soort en habitattype (ecologisch-modelmatig) als gunstige staat kan worden beschouwd en een advies over wat als ecologisch haalbaar wordt ingeschat met het oog op 2050. LVVN bepaalt het landelijk doel voor een gunstige staat in beginsel op het advies over wat nodig is voor een gunstige staat van instandhouding (de geadviseerde gunstige referentiewaarde). Dit is het geval als dat niveau nu al wordt gehaald of in 2050 ecologisch haalbaar wordt geacht. In sommige gevallen is de geadviseerde gunstige oppervlakte of de gunstige populatieomvang niet ecologisch haalbaar in 2050. In die gevallen is een landelijk doel gesteld dat overeenkomt met wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050. Op deze manier zijn alle landelijke doelen zodanig geformuleerd dat deze ecologisch haalbaar zijn in 2050. Na publicatie van de adviezen van de kennisinstellingen is voor de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten geactualiseerde informatie beschikbaar gekomen over de staat van instandhouding en de huidige omvang. Deze recente informatie staat in de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn (2025) en is door LVVN betrokken bij de bepaling van de landelijke doelen.
Adviezen van kennisinstellingen: ecologische bouwstenen
Bij het vaststellen van wat een landelijk gunstige staat van instandhouding inhoudt, dient de best beschikbare wetenschappelijke, ecologische kennis te worden ingezet. Het gaat volgens de Europese richtsnoeren voor het bepalen van gunstige referentiewaarden52 onder meer om kennis over de huidige toestand van habitattypen en soorten, historische voorkomens en trends, en over de ecologische potentie. Daarbij moeten gunstige referentiewaarden worden gebaseerd op ecologische overwegingen, en mogen ze in principe53 niet lager zijn dan het niveau bij inwerkingtreding van de richtlijn.
Voor de actualisatie van de landelijke doelen is aan kennisinstellingen gevraagd om advies uit te brengen over het benodigde niveau voor de gunstige staat van instandhouding, de ecologische haalbaarheid daarvan, de huidige staat van instandhouding en indien relevant aangevuld met ecologisch haalbare tussendoelen. Deze adviezen voor alle habitattypen en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, zijn gegeven in zogenaamde ‘bouwstenen’. In de bouwsteen-documenten staat verder aanvullende ecologische kerninformatie waaronder drukfactoren die van invloed zijn op de staat van instandhouding van de habitattypen en soorten.
|
Proces adviezen van kennisinstellingen Voor de adviezen van de kennisinstellingen in de ‘bouwstenen’ zijn twee methodiekdocumenten opgesteld, één voor de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten (WEnR) en één voor de Vogelrichtlijnsoorten (SOVON). De methodiekdocumenten zorgen voor uniformiteit van de inhoud van de adviezen. De methodiekdocumenten beschrijven welke onderwerpen er in de adviezen staan, de wijze waarop deze onderwerpen zijn ingevuld en welke bronnen hiervoor zijn gebruikt. |
|
De bouwsteen-documenten gaan over de volgende onderwerpen: • Definitie van de landelijk gunstige staat van instandhouding; • De ecologische haalbaarheid van de landelijke opgave (verschil huidige landelijke staat van instandhouding en landelijk gunstige staat van instandhouding); • Voorstel voor het landelijke doel, en ecologisch haalbare tussendoel(en) voor 2030 en/of 2050; • Voorstel voor de opgaven per regio (de provincies en de rijkswateren); • Advies over de prioritering, rekening houdend met het internationaal belang. |
|
De kennisinstellingen zijn bij het opstellen van de methodiekdocumenten begeleid door een begeleidingsgroep van vertegenwoordigers vanuit het Rijk en de provincies. De hieruit voortvloeiende adviezen zijn in verschillende werksessies met experts vanuit Rijk, provincies en natuurbeherende organisaties getoetst. De adviezen zijn hierop aangepast en vervolgens gepubliceerd door WEnR en SOVON. |
|
Habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten: methodiekdocument en bouwstenen zijn te vinden via de WUR website https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/kennisonline-onderzoeksprojecten-lvvn/ kennisonline/bouwstenen-voor-een-strategisch-plan-n2000.htm. Vogelrichtlijnsoorten: de link naar het methodiekdocument is https://pub.sovon.nl/pub/publicatie/22298. Bouwstenen voor Natura 2000-vogelsoorten staan op de SOVON website. De 114 bouwstenen zijn te vinden via deze link: https://stats.sovon.nl/pub/publicaties?search=bouwsteen&auteur=&source=1&type=&year=2024& euring=. Via de knop ‘Sorteren op’ kan er gesorteerd worden op ‘Titel’, dan komen de bouwstenen op volgorde te staan van de Natura 2000-code. |
Advies Habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten
Methodiek adviezen gunstige referentiewaarden voor omvang van habitattypen en populatieomvang van Habitatrichtlijnsoorten
Voor het bepalen van de oppervlakte van habitattypen en omvang van populaties voor Habitatrichtlijn-soorten, die beantwoorden aan een gunstig niveau, is in de adviezen van WEnR gebruik gemaakt van gunstige referentiewaarden. De adviezen voor de gunstige omvang van habitattypen of omvang van populaties van Habitatrichtlijnsoorten wijken in enkele gevallen af van eerder gepubliceerde gunstige referentiewaarden54. Dat komt doordat gebruik is gemaakt van een nieuwe Europees vastgestelde methode voor het bepalen van gunstige referentiewaarden55, recentere wetenschappelijke kennis en betere gegevens over de omvang van habitattypen en populatieomvang van soorten. De adviezen voor de gunstige referentiewaarden zijn gebaseerd op een modelmatige benadering, bijvoorbeeld op basis van kernpopulaties in het natuurlijk verspreidingsgebied en aantallen per kernpopulatie, of op een historische benadering (situatie in het verleden die gunstig was of de datum van inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn). Hierbij is rekening gehouden met onomkeerbare ontwikkelingen, bijvoorbeeld met de realisatie van de Deltawerken of een irreversibele achteruitgang van een habitat.
De adviezen voor referentiewaarden voor habitattypen zijn gebaseerd op de methode uit Bijlsma et al. (2014). De gunstige referentie oppervlakte wordt daarbij gebaseerd op een percentage van de verloren oppervlakte die hersteld moet worden. Hierbij is de situatie bij inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn als basis genomen: stond het habitattype er toen goed voor, dan moet dat niveau worden behouden. Het percentage te herstellen oppervlakte is hoger naarmate indicatoren voor instandhouding slechter scoren: hoe slechter het habitattype ervoor stond, hoe meer van de verloren oppervlakte hersteld moet worden voor een gunstige staat, en hoe beter het habitattype ervoor stond, hoe minder er hersteld hoeft te worden voor een gunstige staat. Deze indicatoren (de trend van de oppervlakte; de structuur & functie van het habitattype en de Rode-Lijststatus van typische soorten en plantengemeenschappen die bij het habitattype horen) geven aan of en in hoeverre een grotere oppervlakte nodig is voor het duurzaam voortbestaan op lange termijn van het habitattype inclusief de typische soorten en significante ecologische variaties.
De adviezen voor referentiewaarden voor Habitatrichtlijnsoorten zijn gebaseerd op Kuiters et al. (2024)56, waarin de laatste wetenschappelijke inzichten zijn verwerkt en de nieuwe Europese richtsnoeren zijn gevolgd. Naar aanleiding daarvan zijn de geadviseerde gunstige referentiewaarden in Kuiters et al. (2024) voor de populatieomvang van Habitatrichtlijnsoorten indien nodig aangepast ten opzichte van het rapport Ottburg & van Swaaij, 2014 ten behoeve van de adviezen voor de landelijke doelen. Deze aanpassingen zijn als zodanig in de adviezen benoemd. De geadviseerde gunstige referentiewaarden voor de populatieomvang kunnen, afhankelijk van de ecologie van de soorten, grensoverschrijdend zijn geformuleerd of juist voor geïsoleerde populaties. Ook dit is in de adviezen aangegeven.
De gunstige referentiewaarden in de bouwstenen hebben de status van advies van kennisinstellingen (WUR). Er zal nog een doorontwikkeling plaatsvinden van de methodes voor de geadviseerde gunstige referentiewaardes, waarbij conform de VHR en de NHV ook aspecten die nu zijn betrokken bij de doelen, voor zover mogelijk ook kunnen worden betrokken in die methodiek voor geadviseerde gunstige referentiewaarden (zoals de ecologische haalbaarheid en klimaatverandering). LVVN is voornemens om, in navolging van de landelijke doelen, ook vernieuwde gunstige referentiewaarden vast te stellen, zodat helder is welke van de geadviseerde gunstige referentiewaarden ook de te hanteren gunstige referentiewaarden zijn in de context van de VHR, en welke nog niet.
Methodiek adviezen voor ecologisch haalbare doelen 2050
In de adviezen van WEnR is bezien of het ecologisch mogelijk is om de geadviseerde gunstige staat van instandhouding te realiseren in 2030, of uiterlijk in 2050. Indien wordt ingeschat dat deze gunstige staat van instandhouding niet gehaald kan worden, is een advies geformuleerd voor een ecologisch haalbaar landelijk doel voor 2030 en 2050, op weg naar een gunstige staat. De ecologische haalbaarheid ingeschat op basis van een analyse van knelpunten en hun oplosbaarheid met inzet van bekende maatregelen om verbetering te realiseren, rekening houdend met de ontwikkeltijd van habitattypen en leefgebieden, de reproductiesnelheid van soorten, hersteltijd voor biochemische verstoringen en een overzienbare periode tot 2050. Op basis hiervan is in de bouwstenen een advies opgenomen voor een ecologisch haalbaar doel voor 2050.
Advies vogelsoorten
Methodiek staat van instandhouding voor vogels en adviezen gunstige referentiewaarden
De methodiek om de staat van instandhouding voor vogels te bepalen, is ten behoeve van het opstellen van de adviezen van SOVON, door dit kennisinstituut verbeterd t.o.v. de methodiek die in 2006 is gehanteerd. De methodiek57 geeft aan op welke manier de staat van instandhouding wordt beoordeeld, inclusief de manier waarop het advies voor de gunstige populatieomvang (geadviseerde gunstige referentiewaarde) wordt bepaald. Vervolgens is de methodiek per soort toegepast in de adviezen. Hierbij zijn de actuele staat van instandhouding en het geadviseerde gunstige populatieniveau bepaald. Een verbeterde methodiek was nodig om aan de laatste wetenschappelijke inzichten en Europese richtsnoeren te voldoen.
In vergelijking met de in de Natura 2000-doelendocumenten (2006, 2013) beschreven methodiek voor de beoordeling van de staat van instandhouding hebben de meeste wijzigingen plaatsgevonden bij het aspect ‘populatie’, met name bij de geadviseerde gunstige referentiewaarden hiervoor. Bij het aspect ‘verspreidingsgebied’ zijn geen belangrijke veranderingen doorgevoerd. Bij de aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ is de methodiek vooral geconcretiseerd. Het resultaat hiervan is een methodiek die beter voldoet aan de meest recente juridische en ecologische vereisten en die kan worden toegepast voor alle inheemse in Nederland voorkomende vogelsoorten. Ten behoeve van de vernieuwde landelijke doelen in dit document is de methodiek toegepast voor vogelsoorten waarvoor anno 2025 een Natura 2000-gebied is aangewezen. Het resultaat is in de bouwstenen voor die soorten opgenomen.
|
Proces methodiek staat van instandhouding vogels De methodiek voor het bepalen van de staat van instandhouding van vogels is in opdracht van LVVN door SOVON ontwikkeld. Ook is een onafhankelijke review op de methodiek uitgevoerd door het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek in Vlaanderen. De belangrijkste conclusie van de review is dat de door SOVON uitgewerkte methode momenteel het meeste recht doet aan de Vogelrichtlijn en sterk overeenkomt met de richtinggevende methode die namens de Europese Commissie is uitgewerkt voor de Habitatrichtlijn. De methodiek geeft duidelijke referentiedoelen voor herstel van vogelpopulaties die in de voorbije decennia door antropogene druk zijn achteruitgegaan en referentiedoelen voor duurzame instandhouding van alle vogelsoorten. Op basis van de review zijn enkele punten in de methodiek door SOVON verduidelijkt. |
Ook adviezen voor gunstige referentiewaarden voor de populatie van vogels
Nieuw aan de methodiek ‘staat van instandhouding vogels’ is het definiëren van gunstige referentiewaarden voor de populatieomvang en de manier waarop per vogelsoort tot een advies voor die waarde is gekomen. Voor soorten van de Habitatrichtlijn is dit al eerder gebeurd (zie vorige paragraaf). Referentiewaarden voor de populatie zijn nodig om de vraag te beantwoorden wanneer een herstellende of te herstellen populatie van een vogelsoort zich weer op een gunstig populatieniveau bevindt. Referentiewaarden worden in het beleid vooral gebruikt om te sturen op een te behouden of te realiseren landelijk gunstige staat.
De geadviseerde referentiewaarden voor een toekomstig gunstige situatie zijn veelal onderbouwd met behulp van historische informatie. Hiervoor is informatie van 1950 tot 2022 gebruikt, waarbinnen gekeken wordt naar een periode waarin de ecologische omstandigheden voor de soort als gunstig worden beoordeeld. De wijze waarop het advies voor de gunstige referentiewaarde voor de populatieomvang is bepaald, verschilt tussen broedvogels en niet-broedvogels. In de bouwsteen-documenten wordt per soort toegelicht hoe tot de geadviseerde referentiewaarde is gekomen.
Indien de gunstige ecologische omstandigheden zich voordeden in een periode vóór de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn, is rekening gehouden met onomkeerbare ontwikkelingen die zich tot dat moment hebben voorgedaan. Dat betekent concreet dat een geadviseerde referentiewaarde die is afgeleid uit historische informatie verlaagd kan zijn door rekening te houden met onomkeerbare ontwikkelingen in agrarisch gebied (verstedelijking) en in de zuidwestelijke delta (realisatie van de Deltawerken). Immers, door deze ontwikkelingen kan het zijn dat al voor de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn delen van het leefgebied van bepaalde soorten permanent ongeschikt zijn geworden. Voor ecologische gevolgen van ontwikkelingen voor de inwerkingtreding die met instandhoudingsmaatregelen te ondervangen zijn, is geen verlaging van toegepast. Die gevolgen kunnen met instandhoudingsmaatregelen immers teniet worden gedaan.
Het uitgangspunt voor het advies over dat wat gunstig is, is niet het maximum dat elke soort ooit heeft bereikt of kan bereiken en niet het niveau waarbij uitsterven nog nét wordt voorkomen. Het uitgangspunt is een niveau dat past bij een biodivers landschap: dat is immers het overkoepelend doel van de VHR. Dat betekent dat eenzijdigheid moet worden voorkomen waarbij het landgebruik slechts een beperkte set soorten sterk bevoordeelt ten koste van andere soorten. In die context is in de adviezen van kennisinstellingen onderscheid gemaakt tussen antropogene factoren die juist dat laatste veroorzaken (bijvoorbeeld fosfaat) en antropogene factoren die bijdragen aan een biodivers landschap.
De gunstige referentiewaarden in de bouwstenen hebben de status van advies van kennisinstellingen (SOVON). Er zal nog een doorontwikkeling plaatsvinden van de methodes voor de geadviseerde gunstige referentiewaardes, waarbij conform de VHR en de NHV ook aspecten die nu zijn betrokken bij de doelen, voor zover mogelijk ook kunnen worden betrokken in die methodiek voor geadviseerde gunstige referentiewaarden (zoals de ecologische haalbaarheid en klimaatverandering). LVVN is voornemens om, in navolging van de landelijke doelen, ook vernieuwde gunstige referentiewaarden vast te stellen, zodat helder is welke van de geadviseerde gunstige referentiewaarden ook de te hanteren gunstige referentiewaarden zijn in de context van de VHR, en welke nog niet.
Methodiek adviezen voor ecologisch haalbare doelen 2050
Ook in de adviezen van SOVON is bezien of het ecologisch mogelijk is om een gunstige staat van instandhouding te realiseren in 2030, of uiterlijk in 2050. De hiervoor gebruikte methodiek is gelijk aan de methodiek die WEnR voor habitattypen en Habitatrichtijnsoorten gebruikt heeft (zie hierboven). Voor soorten met een ongunstige staat, waarvan niet verwacht wordt dat de geadviseerde gunstige staat in zichtjaar 2050 bereikt kan worden, zijn in de bouwstenen adviezen opgenomen voor een doel in 2050 gebaseerd op een ecologisch haalbare groei.
Van advies naar landelijk doel
LVVN bepaalt het landelijk doel op basis van het door de wetenschappelijke instituten geadviseerde niveau voor een gunstige staat van instandhouding en de adviezen over de ecologisch haalbaarheid daarvan. De landelijke doelen zijn zodanig geformuleerd dat deze ecologisch haalbaar zijn in 2050. Het landelijk doel komt overeen met het advies voor een gunstige staat van instandhouding als dat niveau nu al wordt gehaald of in 2050 ecologisch haalbaar wordt geacht. Als dat geadviseerde niveau niet ecologisch haalbaar is in 2050, dan komt het doel overeen met wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050.
De reden voor deze werkwijze is de volgende: er bestaat in de context van de VHR een noodzakelijk verband tussen de doelstelling voor een gunstige staat en de daarvoor te treffen maatregelen. Het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding is namelijk een resultaatsverplichting van de richtlijnen. Lidstaten zijn eraan gehouden de noodzakelijk maatregelen te treffen om een gunstige staat van instandhouding te bereiken, maar zijn niet gehouden aan het onmogelijke. Daarom moet de doelstelling voor de gunstige staat van instandhouding wel met maatregelen kunnen worden bereikt. Het na te streven niveau kan daarom niet zodanig hoog liggen dat dit niet kan worden bereikt. Dit komt in de Europese richtsnoeren ook tot uitdrukking, doordat informatie over de ecologische potentie kan worden betrokken bij het bepalen van gunstige referentiewaarden.58 Om tot een onderbouwde doelstelling te komen voor de gunstige staat is daarom bij het stellen van het landelijk doel de ecologische haalbaarheid meegewogen. De ecologische haalbaarheid is ingeschat met zichtjaar 2050, omdat dit een overzienbare periode is.
Om te bepalen wat ecologisch haalbaar is, is rekening gehouden met:
• Knelpunten en hun oplosbaarheid door inzet van bekende maatregelen. Een inzet van dergelijke maatregelen, op plekken waar ze effectief kunnen zijn, bepaalt de grenzen van wat ecologisch haalbaar is. Er wordt geen rekening gehouden met theoretische/hypothetische maatregelen waarvan de effectiviteit niet bekend is.
• De ontwikkeltijd voor herstel:
– De tijd die minimaal nodig is voor habitattypen, leefgebieden en populaties om te herstellen (bijvoorbeeld hoogveenherstel) en de reproductiesnelheid van soorten;
– De tijd die nodig is om van biochemische verstoringen te herstellen.
• Een overzienbare periode:
Voor het bepalen van landelijke doelen wordt bezien wat ecologisch haalbaar is in 2050. Dit is een overzienbare periode van circa 25 jaar vanaf heden, die aansluit bij internationale deadlines uit de Natuurherstelverordening.
Sociaal-economische haalbaarheid of budgettaire overwegingen worden nadrukkelijk niet meegewogen bij het bepalen van landelijke doelen voor een gunstige staat. Daar laten de VHR geen ruimte voor59, omdat de gunstige staat van instandhouding op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis en op ecologische overwegingen moet worden gebaseerd en geen lager doel kan worden nagestreefd. Sociaal-economische haalbaarheid kan wel worden meegewogen bij het vertalen van de opgave voor het bereiken van de gunstige staat, naar concrete tijdgebonden uitvoeringsdoelen, gekoppeld aan instrumenten en middelen. Om dergelijke programmadoelen binnen de in die programma’s gestelde termijnen te halen, moet gekeken worden naar uitvoerbare maatregelen waarbij sociaal-economische haalbaarheid een rol kan spelen.
Voor sommige soorten en habitattypen is het advies voor het niveau van een gunstige staat van instandhouding niet ecologisch haalbaar in zichtjaar 2050. In die gevallen is het landelijk doel gelijkgesteld aan wat volgens het advies ecologisch maximaal haalbaar is voor dat jaar. Daarmee wordt invulling gegeven aan de verplichting uit de VHR om naar beste vermogen toe te werken naar een gunstige staat van instandhouding. Hiermee is de opgave die Nederland vanuit de VHR op zich neemt, afgebakend tot dat wat ecologisch haalbaar is. Dit betekent dat Nederland voor deze soorten en habitattypen mogelijk nog niet de gunstige staat nastreeft, maar wel een ‘zo gunstig mogelijke’ staat van instandhouding.
De VHR stellen geen termijn aan het bereiken van de gunstige staat van instandhouding. Voor de landelijke doelen die gelijk zijn aan het advies voor het niveau van gunstig, is daarom geen realisatietermijn gesteld. Voor de landelijke doelen die lager zijn dan het advies voor het niveau van gunstig ligt dat anders. In die gevallen moet dat lagere doel worden nagestreefd voor 2050. Immers, de verplichting is dan om een zo gunstig mogelijke staat na te streven. Wat daarvoor ecologisch haalbaar is, is ingeschat voor 2050. Als de ecologische haalbaarheid met een andere zichttermijn was ingeschat, dan zou dat tot een ander doel hebben geleid. Als zo’n doel bereikt is, dan is er mogelijk nog een opgave voor de gunstige staat van instandhouding. Er is dan aanvullend op de periodieke herijkingen voor alle landelijke doelen in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel voor de soorten en habitattypen waarvoor het gunstige niveau in 2050 nog niet ecologisch haalbaar is.
Bovenstaande geldt ook in de bijzondere situatie dat het door de wetenschappelijke instituten gunstige niveau überhaupt niet ecologisch haalbaar is, ook niet op langere termijn na 2050. Mocht bij de volgende herziening nog steeds blijken dat het advies voor een gunstig niveau in Nederland ecologisch niet haalbaar is op langere termijn na 2050, dan blijft het landelijk doel lager dan wat door de wetenschappelijke instituten als een gunstig niveau wordt beschouwd. De Europese Commissie zal daar dan van op de hoogte worden gebracht.

Schema: Welke haalbaarheidsoverwegingen spelen wanneer een rol?
De landelijke doelen hebben betrekking op de oppervlakte en kwaliteit van een habitattype en op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van een soort ten behoeve van het doel voor populatieomvang van die soort. Het doel is kwalitatief geformuleerd en waar mogelijk gekwantificeerd. Waar de doelen op zijn gebaseerd, is hieronder verder toegelicht.
Staat van instandhouding bepalend voor het kwalitatieve doel
Het landelijk doel is kwalitatief geformuleerd (behoud of uitbreiding/verbetering) en waar mogelijk gekwantificeerd. De staat van instandhouding is bepalend voor het kwalitatieve doel:
• Als de beoordeling ‘gunstig’ is, dan volstaat een behoudsdoelstelling;
• Als de beoordeling ‘matig ongunstig’ of ‘zeer ongunstig’ is, dan is in principe een uitbreidings-/verbeterdoelstelling geformuleerd.
Omdat de verschillende aspecten van de staat van instandhouding zijn beoordeeld, kan bij het stellen van landelijke doelen onderscheid worden gemaakt in doelen voor oppervlakte en kwaliteit van habitattypen en doelen voor de populatie en omvang en kwaliteit van het leefgebied van soorten. Op deze manier worden de landelijke doelen gericht op het verbeteren of uitbreiden van de aspecten die verbeterd of uitgebreid moeten worden om een gunstige staat van instandhouding te bereiken.
Bij de bepaling van het landelijk doel is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens over de staat van instandhouding uit de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn (2025). Dat heeft in enkele gevallen geleid tot een ander doel (behoud in plaats van uitbreiding/verbetering of andersom) dan het advies in de bouwstenen voor de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de gegevens uit de vorige rapportage waren gebruikt. In de artikel 12 rapportage voor de Vogelrichtlijn (2025) is bij een gedeelte van de soorten geen langjarig gemiddelde gebruikt om de huidige populatie te rapporteren. Daarom zijn de gegevens over de omvang en staat van instandhouding van vogelsoorten uit de ecologische bouwstenen (zie paragraaf 3.1) gebruikt.
De omvang, kwaliteit en trend van het aspect ‘leefgebied’ van de staat van instandhouding zijn apart beoordeeld. Dit geeft de mogelijkheid om aparte doelen voor omvang en kwaliteit van het leefgebied te stellen. Ook daar is het principe als volgt: bij voldoende omvang en/of kwaliteit een behoudsdoelstelling, bij onvoldoende omvang en/of kwaliteit een uitbreidings- en/of verbeterdoelstelling. In sommige gevallen is de beoordeling van het ‘leefgebied’ niet gunstig vanwege de trend, terwijl de omvang en de kwaliteit wel voldoende zijn. Bij de soorten waar dat zich voordoet is dan een behoudsdoel gesteld voor omvang en kwaliteit van het leefgebied.
Als het aspect ‘oppervlakte’ (habitattypen) of ‘populatie’ (soorten) niet gunstig is vanwege de trend, terwijl de omvang wel voldoende is, dan is een behoudsdoel gesteld. Soms is (een aspect van) de staat van instandhouding vanuit de methodiek van de rapportage beoordeeld als ‘onbekend’. Met de informatie uit de ecologische bouwstenen en de achtergrondinformatie bij de artikel 17-rapportage kon dan wel een beeld worden gevormd of behoud, uitbreiding of verbetering nodig is, waarop het doel is gebaseerd.
In een enkel geval is ondanks dat de gunstige staat nog niet bereikt is, toch een behoudsdoel geformuleerd. Uitbreiding of verbetering is dan niet ecologisch haalbaar met zichtjaar 2050. In dat geval is ingeschat dat behoud ecologisch gezien het maximaal haalbare is.
Habitattypen en soorten: doelniveau voor de aspecten oppervlakte of populatieomvang
Waar mogelijk zijn de doelen voor de aspecten oppervlakte van habitattypen en populaties van soorten concreet gemaakt door deze te kwantificeren. Als landelijk doel voor een gunstige staat is in beginsel het advies van WEnR of SOVON (bij vogels) overgenomen over wat nodig is voor een gunstige staat van instandhouding (de geadviseerde gunstige referentiewaarde). Dit is het geval als dat niveau nu al wordt gehaald of volgens het advies in de bouwsteen in 2050 ecologisch haalbaar wordt geacht. Soms is een gunstige referentiewaarde met een bandbreedte voor de omvang geadviseerd. Dan is het gemiddelde daarvan overgenomen in het landelijke doel. Alleen het doel voor H2110 embryonale duinen is als bandbreedte geformuleerd, omdat vanwege natuurlijke fluctuaties het huidige voorkomen niet precies bekend is.
Bij de bepaling van het landelijk doel zijn door LVVN naast de adviezen uit de bouwstenen ook de meest recente gegevens over de huidige omvang van habitattypen uit de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn betrokken (2025). In de bouwstenen voor de habitattypen waren de gegevens over de staat van instandhouding en de omvang uit de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn (2019) gebruikt. Omdat de voorkomens van habitattypen in Nederland steeds nauwkeuriger in kaart worden gebracht, is uit de recente Habitatrichtlijnrapportage preciezer bekend hoeveel oppervlakte er in Nederland is, en kan ook (rekening houdend met de trend) nauwkeuriger worden ingeschat hoeveel er waarschijnlijk was bij inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn. Daarom heeft LVVN naar aanleiding van de Habitatrichtlijnrapportage 2025 de geadviseerde gunstige referentie-oppervlakte en het haalbare doel opnieuw berekend. Deze berekening staat toegelicht in bijlage 1: Technische toelichting kwantificering oppervlakte habitattypen. De methode (Bijlsma 2014), zoals gebruikt in de bouwstenen, is hierbij toegepast met de meest recente gegevens over de actuele oppervlakte en over de omvang bij inwerkingtreding. De gegevens uit de rapportage hebben op die manier bij habitattypen vaak tot een iets andere kwantificering geleid dan het advies in de bouwstenen. De gegevens uit de rapportage (2025) hebben in enkele gevallen geleid tot een ander inzicht over het te hanteren doel (behoud in plaats van uitbreiding/verbetering of andersom) en de geadviseerde gunstige referentiewaarde, dan hetgeen in de bouwsteen staat. In een aantal gevallen is op basis van de beoordeling van de huidige staat van instandhouding (2025) geen geconcretiseerd doel bepaald, bijvoorbeeld als de methode uit de bouwsteen niet tot een kwantificering leidde. Zo kon het doel voor de oppervlakte H91F0 Droge hardhoutooibossen niet worden gekwantificeerd vanwege de nauwe samenhang met H91E0 Vochtige alluviale bossen subtype B essen-iepenbossen, hoewel duidelijk is dat voor beide samen forse uitbreiding nodig is. De bouwstenen zelf zijn niet geactualiseerd met de nieuwe informatie uit de Habitatrichtlijnrapportage (2025).
Ook voor de Habitatrichtlijnsoorten zijn in de bouwstenen de gegevens over de staat van instandhouding en de huidige omvang uit de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn (2019) gebruikt. Voor Habitatrichtlijnsoorten en vogels hebben de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn en de artikel 12-rapportage voor de Vogelrichtlijn (2025) niet geleid tot andere inzichten over wat nodig is voor de gunstige staat van instandhouding, dan hetgeen in de bouwstenen is geadviseerd. Bij deze soorten is, anders dan bij veel habitattypen, de geadviseerde referentiewaarde namelijk niet afgeleid uit de huidige omvang (op enkele gevallen na, zoals nieuwe soorten). Bij twee Habitatrichtlijnsoorten is het advies voor een kwantificering niet overgenomen. Dit betreft de soorten gaffellibel en Spaanse vlag, waarvoor nog niet bepaald is welke populatieomvang benodigd is voor een gunstige staat van instandhouding (Kuiters et al., 2024).
Bij enkele habitattypen zijn subtypen onderscheiden. De kwantificering van het doel voor de omvang van het habitattype is per subtype uitgesplitst als dat behulpzaam is voor het gericht toewerken naar de gunstige staat van instandhouding. Het is immers voor een gunstige staat niet nodig om een subtype van een habitattype verder uit te breiden als er van dat subtype al voldoende oppervlakte is. In de landelijke doelen is richting gegeven met doelen per subtype als de subtypen geografisch van elkaar gescheiden zijn en/of verschillende kwalitatieve doelen hebben (behoud en uitbreiding) of als er een groot verschil is in de opgave voor uitbreiding. Als het gekwantificeerde doel voor de omvang niet per subtype is uitgesplitst, dan wordt in de toelichting op het doel vermeld dat de variatie in subtypen wel behouden moet blijven voor een gunstige staat van instandhouding.
In sommige gevallen is het advies voor de gunstige oppervlakte of de gunstige populatieomvang niet ecologisch haalbaar in 2050. In die gevallen komt het landelijke doel overeen met wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050. Dit is bijvoorbeeld gedaan voor de strandplevier (als broedvogel) en het habitattype kalkmoerassen. Bij enkele habitattypen (bijv. vochtige heiden, subtype A, hogere zandgronden) en Habitatrichtlijnsoorten (zalm, drijvende waterweegbree) geeft het advies aan dat een matig ongunstige oppervlakte of populatie haalbaar is in 2050. In die gevallen is het doelniveau voor oppervlakte van habitattypen gesteld op 90%, en voor populaties van soorten op 75% van de geadviseerde gunstige referentiewaarde. Daaronder is namelijk sprake van een zeer ongunstige staat van instandhouding.
In enkele gevallen is de geadviseerde gunstige referentiewaarde niet gekwantificeerd, omdat de kennis hiervoor ontbreekt. In deze gevallen is het landelijke doel zo concreet mogelijk geformuleerd, bijvoorbeeld voor de brede geelgerande waterroofkever: ‘uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de vorm van een bufferzone met een netwerk van poelen rond het huidige leefgebied voor de uitbreiding van de populatie’.
Habitattypen: doelniveau voor het aspect kwaliteit
Het doel voor de kwaliteit van habitattypen richt zich op de structuur en functie, inclusief typische soorten, omdat dat relevant is voor de beoordeling van de kwaliteit als aspect van de staat van instandhouding. Het landelijke doel voor de kwaliteit van habitattypen is dat meer dan 90% van de doeloppervlakte een goede kwaliteitstoestand heeft. Dit is de waarde die voor een beoordeling als ‘gunstig’ als drempel wordt geadviseerd voor de rapportage aan de Europese Commissie over de staat van instandhouding60 en die als minimum gehanteerd wordt in de Natuurherstelverordening. Hiermee wordt afgeweken van de bouwstenen, waar het advies gegeven wordt om 75% als drempelwaarde te hanteren. Reden voor het gebruik van 90% is dat dit als resultaatverplichting uit de Natuurherstelverordening volgt (artikel 4 lid 17). Door dit ook als landelijk doel te stellen geldt er een eenduidig doel voor de VHR en NHV voor de kwaliteit van habitattypen conform de Europese vereisten. Een uitzondering hierop zijn de landelijk doelen voor habitattype H1110 permanent overstroomde zandbanken en H1170 riffen van open zee. Daarvoor geldt wel het in de bouwsteen onderbouwde percentage van minimaal 75% in goede kwaliteitstoestand en minder dan 15% in een slechte conditie. De Natuurherstelverordening (artikel 5, lid 1 onder d) biedt voor dit habitattype de mogelijkheid voor een afwijkend percentage.
In sommige gevallen is de gunstige kwaliteit ecologisch gezien niet haalbaar in 2050. In die gevallen is aangegeven dat gewerkt moet worden aan (verdere) verbetering van kwaliteit of dat bijvoorbeeld naar een matig ongunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wordt gestreefd, als de huidige staat voor dit aspect zeer ongunstig is. Een matig ongunstige staat van instandhouding houdt in dat tussen de 75% en 90% van het oppervlak in goede kwaliteitstoestand verkeert.
De voor een habitattype typische soorten maken onderdeel uit van het doel voor de kwaliteit van het betreffende habitattype. Daarvoor wordt aangesloten bij criteria voor de Rode-Lijststatus van deze soorten: 75% van de soorten moeten ‘thans niet bedreigd’ zijn en minder dan 15% van de typische soorten mag ‘bedreigd’ (of erger) zijn.
Voor habitattypen met subtypen geldt het doelniveau voor kwaliteit voor alle subtypen tezamen. Om verder richting te geven is er per subtype een verbeter- of behoudsdoelstelling voor kwaliteit geformuleerd.
Soorten: doelniveau voor de aspecten omvang en kwaliteit leefgebied
Voor de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van soorten zijn geen afzonderlijke kwantitatieve doelen geformuleerd. Dit is omdat de eisen die soorten stellen aan hun leefgebied wel bekend zijn, maar nog niet in kwantitatieve zin (zowel omvang als kwaliteit) omschreven kunnen worden op landelijk niveau. In sommige gevallen zijn ook de leefgebiedseisen nog (deels) onbekend. Met een getal voor de populatieomvang wordt zo goed mogelijk de gewenste draagkracht van het leefgebied aangegeven.
Natuurlijke fluctuaties en dynamiek
De toekomstig gunstige situatie zoals opgenomen in de landelijke doelen houdt rekening met natuurlijke fluctuaties en dynamiek. De toekomstig gunstige situatie is gebaseerd op de geadviseerde gunstige referentiewaarde die als gemiddelde is bepaald. Voor vogels is dat het gemiddelde over een periode van tussen de 6 en circa 30 jaar, waarmee natuurlijke fluctuaties in het landelijke doel worden meegenomen. Deze waarde valt vrijwel zeker binnen de bandbreedte van een levensvatbare populatie en wordt slechts in geringe mate beïnvloed door externe factoren. Voor habitattypen en soorten is het meestal het gemiddelde van de uitkomst van de modelmatige bepaling van de gunstige referentiewaarde of de beste schatting van het meerjarig gemiddelde (dynamische habitattypen). Daarnaast is er in sommige gevallen met natuurlijke fluctuaties en/of dynamiek rekening gehouden via de eenheid waarin de doelen worden uitgedrukt (zie paragraaf 3.4). Bij evaluatie of doelen zijn bereikt wordt ook rekening gehouden met natuurlijke fluctuaties (zie paragraaf 2.5).
Ten gunste van
In situaties waarbij noodzakelijkerwijs gekozen moet worden tussen twee instandhoudingsdoelen, is enige achteruitgang ten opzichte van een van de behoudsdoelen toegestaan ‘ten gunste van’ het andere instandhoudingsdoel. Bij de landelijke doelen wordt dit alleen toegepast als er op landelijk niveau sprake is van een conflict met andere landelijke doelen waardoor behoud van de landelijke oppervlakte niet mogelijk is. Op dit moment zijn daarvan geen voorbeelden. Op lokaal niveau kunnen conflicten vaker optreden en moet een keuze gemaakt worden. In die gevallen wordt als maatwerkoplossing de ‘ten gunste van’-formulering vastgelegd in de betreffende aanwijzingsbesluiten.
Een voorbeeld zijn de hoogvenen. H7110 actieve hoogvenen subtype A, hoogveenlandschap ontstaat uit H7120 herstellende hoogvenen waar de kwaliteit verbeterd is. Uitbreiding van oppervlakte van actieve hoogvenen (H7110) gaat dus lokaal per definitie ten koste van oppervlakte herstellende hoogvenen (H7120). Indien dit op de schaal van een Natura 2000-gebied niet kan worden opgevangen, wordt een ‘ten gunste van‘ doelstelling gebruikt om duidelijk te maken dat enige achteruitgang van herstellende hoogvenen acceptabel is. Of er per saldo landelijk een afname van het oppervlak van de herstellende hoogvenen plaats zal vinden, is niet zeker, dus wordt de ten gunste van formulering niet (meer) in het landelijke doel toegepast.
Lokaal vrijwel uitgestorven soorten
Uit de adviezen van SOVON blijkt dat sommige broedvogelsoorten lokaal (vrijwel) uitgestorven zijn. Het gaat dan om het korhoen en de duinpieper. Voor deze soorten wordt weliswaar een populatieomvang in het landelijk doel benoemd, maar voor deze soorten ligt de nadruk op het op orde brengen van het leefgebied, omdat het doelaantal van externe factoren afhankelijk is (herintroductie en immigratie). Voor de duinpieper betreft het populatiedoel de hervestiging van een sleutelpopulatie, terwijl het voor het korhoen om uitbreiding tot een sleutelpopulatie gaat.
De tonghaarmuts is een epifytisch bladmos waarvan in Nederland geen duurzame populaties bekend zijn. Het doel is ‘behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied voor de uitbreiding van de populatie’. De populatieomvang is niet gekwantificeerd. Er hoeven voor deze pioniersoort geen actieve maatregelen ingezet te worden. Bij vestiging van de tonghaarmuts in nieuwe gebieden zal het terreinbeheer gericht moeten zijn op uitbreiding.
De elft is een trekvis die sporadisch voorkomt in Nederland. De soort wordt in Duitsland echter uitgezet. Daarom is voor deze soort een doel opgenomen voor uitbreiding tot een grensoverschrijdende populatie, waaraan Nederland bijdraagt als opgroeigebied van jonge elft en als doortrekgebied naar de paaiplaatsen.
Soort met twee doelen
Voor de meervleermuis worden twee doelen gesteld. Er kon hier onderscheid gemaakt worden tussen een doel voor de zomerpopulatie en een doel voor de winterpopulatie. Omdat de zomerpopulatie andere eisen aan het leefgebied stelt dan de winterpopulatie, is dit onderscheid zinvol voor het gericht toewerken naar de gunstige staat van instandhouding.
Soorten zonder doel
Voor de grote stern en de visdief als niet-broedvogel wordt geen doel gesteld, ondanks dat de Voordelta is aangewezen voor deze soorten als niet-broedvogel. De populatiegrootte en de instandhoudingsdoel-stellingen van deze soorten in de Voordelta zijn geheel afhankelijk van en daarom volledig gebaseerd op de populatiegrootte en de instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogelpopulatie in de nabijgelegen gebieden. Dit is namelijk dezelfde populatie. Om deze reden is er geen advies van SOVON gevraagd voor de niet-broedvogelpopulatie van de grote stern en de visdief en is er geen landelijk doel geformuleerd. Compensatie voor Maasvlakte 2 is de reden dat er instandhoudingsdoelstellingen voor de niet-broedvogelpopulaties zijn gesteld, ondanks dat dit dezelfde populaties zijn als de broedvogelpopulaties (zie: aanwijzingsbesluit Voordelta).
Omgang met klimaatverandering bij landelijke doelen
De landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten zijn zodanig geformuleerd dat deze ecologisch haalbaar zijn met het zicht op 2050, ook in een veranderend klimaat. In de toekomst zou klimaatverandering om aanpassing van landelijke doelen kunnen vragen. Het is echter niet zo dat daardoor later zal blijken dat maatregelen voor het bereiken van de landelijke doelen overbodig zijn geweest. Het klimaatrobuust maken van de Natura 2000-gebieden, waartoe de VHR ook verplichten, vraagt veelal dezelfde type maatregelen als die al nodig zijn voor realisatie van de huidige instandhoudingsdoelstellingen: herstel van hydrologie, buffering van externe invloeden, aanleg van verbindingen en het verminderen van andere drukfactoren. De maatregelen kunnen zo worden gericht dat positieve bijdragen van natuurherstel aan klimaatadaptatie worden versterkt. Natuur kan ook een belangrijke rol spelen bij het tegengaan van (de effecten van) klimaatverandering, bijvoorbeeld via kustbescherming, waterberging en het vastleggen van broeikasgassen in bossen, veenbodems, graslanden en kwelders. Klimaatverandering geeft extra urgentie aan het realiseren van de benodigde condities (inclusief de ruimte voor dynamiek) voor natuurherstel. Habitattypen en soorten die niet in een gunstige staat van instandhouding verkeren zijn immers extra kwetsbaar voor negatieve invloeden van klimaatverandering.
Klimaatverandering zal ontegenzeggelijk invloed hebben op de Nederlandse natuur. Als gevolg van klimaatverandering kunnen soorten op andere plekken gaan voorkomen in Nederland en Europa, in andere aantallen gaan voorkomen, of zelfs geheel verdwijnen of nieuw verschijnen. Er zijn momenteel geen voorbeelden van habitattypen en soorten die als gevolg van klimaatverandering zijn verdwenen zodat de landelijke doelen niet meer zouden gelden. Wel zijn er een aantal soorten bekend die, mede onder invloed van klimaatverandering, de laatste decennia in kleinere aantallen en gewijzigde temporele of ruimtelijke verspreiding voorkomen. Dit betreft de overwinterende kleine zwaan, de kleine rietgans en de taigarietgans. Net als voor alle soorten, is ook voor deze soorten het vernieuwde landelijk doel voor de populatieomvang gebaseerd op wat ecologisch haalbaar is in het jaar 2050: het leefgebied moet in termen van omvang en kwaliteit voor die populatieomvang op orde zijn. Nederland kan niet zomaar afzien van de verplichting om populaties van soorten en hun leefgebieden in stand te houden, in de verwachting dat klimaatverandering in de toekomst een effect gaat hebben. Als voldaan wordt aan de onderstaande beleidsregels voor een bepaalde soort, is LVVN voornemens om een overleg met de Europese Commissie te starten. Hierbij zal de inzet zijn om alleen een doel voor de omvang en de kwaliteit van het leefgebied voor zo’n soort op te nemen en het doel voor de populatieomvang in Nederland te laten vervallen.
Beleidsregels om in de toekomst landelijke doelen en instandhoudingsdoelstellingen van gebieden aan te passen
Om te kunnen beoordelen of en wanneer er sprake is van onhaalbare of onhoudbare doelen door klimaatverandering, kunnen beleidsregels worden ontwikkeld. Deze regels gelden zowel voor landelijke doelen als voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden. Centrale vraag hierbij is: hoe lang moet worden doorgegaan met het op orde houden van de condities voor een specifieke soort als die steeds minder aanwezig is in een gebied bijvoorbeeld doordat er verschuivingen zijn tussen gebieden of binnen Europa. Deze vraag kan ook voor habitattypen aan de orde zijn.
Er is een Beleidskader Doelwijziging opgesteld dat beschrijft onder welke voorwaarden instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen Natura 2000-gebieden kunnen worden aangepast. Voor de omgang met klimaatverandering kan als richtlijn worden gehanteerd om eens in de twaalf jaar (twee keer een beheerplancyclus voor Natura 2000-gebieden, tweemaal de cyclus voor EU rapportage) te beoordelen hoe actueel de kwantificering van doelen nog is en die aan de veranderende situatie aan te passen binnen de juridische mogelijkheden van de VHR. Voor soorten die gedurende twee keer een beheerplancyclus afwezig zijn en waarschijnlijk niet meer terugkomen (trekvogels) in een bepaald Natura 2000-gebied zouden eventueel instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden verlaagd of na overleg met de Europese Commissie in het geheel worden geschrapt, mits voldaan wordt aan de voorwaarden die hiervoor gelden. In het uiterste geval kunnen veranderingen als gevolg van klimaatverandering reden zijn om gebieden hun Natura 2000-status te ontnemen en die toe te kennen aan andere gebieden.61 De wijze waarop een dergelijke wijziging in de landelijke doelen kan doorwerken moet in de onderbouwing meegenomen worden.
Om zo nodig doelen onderbouwd te kunnen aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, is het van groot belang om de invloed van klimaatverandering – voor zover die onvermijdelijk is – te onderscheiden van andere invloeden. Immers, het verlagen van doelen of afzien van bescherming kan alleen als de nodige maatregelen voor instandhouding wel zijn getroffen. Daarom dient in beheerplannen rekening te worden gehouden met de mate van gevoeligheid voor klimaatverandering van beschermde natuur en daartoe aangewezen Natura 2000-gebieden en moeten de nodige preventieve maatregelen worden getroffen.
De keuzes die t.b.v. klimaatadaptatie in de toekomst gemaakt worden voor het waarborgen van waterveiligheid en de beschikbaarheid van zoetwater kunnen van invloed zijn op de ecologische haalbaarheid van de landelijke doelen. Als het inzicht in de ecologische haalbaarheid door dergelijke systeemkeuzes wijzigt, dan zal dat betrokken worden bij de eerste herijking van de landelijke doelen rond 2032, of al eerder als voortschrijdende wetenschappelijke inzichten over het benodigde niveau voor een gunstige staat van instandhouding dat noodzakelijk maken.
Dossieropbouw met zorgvuldige documentatie van de genomen noodzakelijke beheerplannen, herstelmaatregelen en daarbij behorende effecten is noodzakelijk ter onderbouwing van het voorstel om het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied aan te passen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten casussen:
• Verlaging van instandhoudingsdoelstellingen
Een habitattype/soort komt minder voor in een Natura 2000-gebied, als een gevolg van klimaatverandering, en komt – ondanks dat de nodige maatregelen zijn getroffen – niet meer op een eerder niveau terug: verlagen en bezien of ook het landelijk doel moet worden aangepast;
• Schrappen van instandhoudingsdoelstellingen
Een habitattype/soort is verdwenen uit een Natura 2000-gebied, als een gevolg van klimaatverandering, en komt, ondanks dat de nodige maatregelen zijn getroffen, onherroepelijk niet meer terug: schrappen na overleg met de Europese Commissie en bezien of ook het landelijk doel moet worden aangepast;
• ADC-toets voor het maken van systeemkeuzes
Klimaatadaptatie vraagt systeemkeuzes (beheer, waterhuishouding, etc.) die kansen bieden voor sommige soorten, maar negatief uitpakken voor andere: met ADC-redenering onderbouwen welke keuze de beste is.
Samenvattend is het effect van klimaatverandering op het Natura 2000-doelensysteem vooralsnog niet zozeer dat instandhoudingsdoelstellingen ecologisch onhaalbaar worden, maar eerder dat een verschuiving van instandhoudingsdoelstellingen tussen de Natura 2000-gebieden nodig kan zijn evenals aanpassing van beheermaatregelen aan klimaatverandering (klimaatadaptie). Om op lidstaatniveau goed met verschuivingen als gevolg van klimaatverandering om te kunnen gaan is bovendien op Europees niveau coördinatie nodig met voldoende waarborgen.
De landelijke doelen geven duidelijkheid over de hoofddoelstelling van de VHR: wat behelst de gunstige staat van instandhouding in Nederland. Per habitattype en soort is een doel geformuleerd. Elk doel heeft een toelichting met informatie over de achtergrond van dat doel en waar nodig een nadere specificering van de doelformulering. In deze paragraaf staat hoe de doelformuleringen en toelichtingen zijn opgebouwd.
Aspecten van de doelformulering
De doelformuleringen hebben betrekking op de oppervlakte en kwaliteit van een habitattype en op de omvang en kwaliteit van het leefgebied van een soort met een draagkracht voor het doel voor populatieomvang van die soort.
Deze aspecten van de doelformulering sluiten grotendeels aan bij de aspecten waarin ook de staat van instandhouding wordt uitgedrukt. De aspecten verspreidingsgebied en toekomstperspectief van het begrip staat van instandhouding komen niet apart tot uitdrukking in het landelijk doel. Dit is vanwege het feit dat het verspreidingsgebied vrijwel nooit de meest ongunstige factor is. Tevens is via de aanwijzingsbesluiten van Natura 2000-gebieden op een relevante resolutie de verspreiding ook geborgd. Verdere sturing op verspreiding via landelijke doelen is daarom niet nodig. Het aspect toekomstperspectief is geborgd via de andere aspecten.
Behoud, uitbreiding en/of verbetering
Als de staat van instandhouding gunstig is, is het landelijke doel in principe ‘behoud’ en als de staat van instandhouding niet gunstig is, ‘uitbreiding en/of verbetering’ (zie ook paragraaf 3.2 onder ‘Staat van instandhouding bepalend voor het kwalitatieve doel’). Hierbij wordt in de doelformulering onderscheid gemaakt tussen de verschillende aspecten: oppervlakte en kwaliteit (habitattypen) en omvang leefgebied, kwaliteit leefgebied en populatieomvang (soorten). De uitbreidings- en verbeterdoelen worden zo gericht op die aspecten waar de staat van instandhouding nog tekortschiet. Voorbeelden hiervan zijn het doel voor het habitattype jeneverbesstruwelen: ‘Behoud van de oppervlakte van ten minste 180 ha en verbetering van de kwaliteit’ en het doel voor de wespendief als broedvogel: ‘behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 broedparen’.
Draagkracht en populatieomvang
Voor de soorten richt het landelijke doel zich zowel op de omvang en de kwaliteit van het leefgebied als op de populatieomvang. Beide zijn nodig voor een gunstige staat van instandhouding. De VHR gaan immers over zowel de soorten als over hun leefgebieden. Ook bij de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn de doelcomponenten leefgebied en populatie beide van belang voor het bepalen of er sprake is van significante effecten en of de instandhoudingsdoelstellingen gehaald worden. Hieronder wordt ingegaan op beide te onderscheiden componenten (draagkracht en populatieomvang).
Draagkracht
Met de woorden “met een draagkracht voor” wordt een koppeling aangebracht tussen de doelcomponent leefgebied en de doelcomponent populatie. De in het landelijk doel genoemde aantallen vormen daarbij een indicatie voor de gewenste draagkracht van het leefgebied en zijn medebepalend voor de te nemen maatregelen en de monitoring van de ontwikkelingen. De omvang en de kwaliteit van het leefgebied moet zodanig zijn dat het de beoogde grootte van de populatie kan herbergen.
Hoewel de populaties van soorten op zichzelf ook de bescherming van de VHR genieten, is het leefgebied van een soort het aangrijpingspunt voor instandhoudingsmaatregelen voor die soort. Daarom ligt op het niveau van Natura 2000-gebieden de nadruk op de draagkracht van het leefgebied. Een beheerder kan immers niet garanderen dat een bepaald aantal vogels (of soorten) in zijn gebied aanwezig is. Of en wanneer de populatie daadwerkelijk op het beoogde niveau komt, hangt deels af van het gedrag van de soort en dat is meestal niet direct stuurbaar met maatregelen (behalve bijvoorbeeld maatregelen die verstoring tegengaan). De aantallen van een populatie worden meestal niet alleen door plaatselijke omstandigheden bepaald, maar worden ook vaak, met name bij trekvogels, beïnvloed door factoren, buiten een gebied en zelfs buiten Nederland. Het kan zijn dat de in de doelstelling genoemde aantallen niet aanwezig zijn, ondanks dat degene die verantwoordelijk is voor de instandhoudingsmaatregelen voor het betreffende Natura 2000-gebied, de benodigde maatregelen heeft getroffen (rekening houdend met de sociaal-economische vereisten, conform de VHR). In dat geval is het op orde houden van de draagkracht voldoende, en het niet halen van het populatiedoel niet verwijtbaar omdat het buiten zijn invloedssfeer ligt. Als het gebruik van een Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld voor visserij of landbouw, aannemelijk niet de oorzaak is van het niet aanwezig zijn van doelaantallen, vormt dat gebruik dus geen belemmering voor het bereiken van gebiedsdoelen.
Het bereiken van de in het doel genoemde aantallen en het minstens behouden van dit aantal, kan een indicatie zijn voor voldoende draagkracht van het leefgebied. Andersom betekent het echter niet dat de draagkracht per definitie niet op orde is als het populatieaantal niet wordt gehaald. Er kunnen namelijk ook andere factoren zijn die de populatie van een soort negatief beïnvloeden, terwijl het leefgebied voldoende draagkracht heeft (zoals omstandigheden in het buitenland).
Populatie
Hiervoor is ingegaan op de relatie tussen de doelcomponent leefgebied en de doelcomponent populatie. De doelstelling voor omvang en kwaliteit van het leefgebied is gericht op behoud/uitbreiding van een populatie. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het behouden of bereiken van de gunstige staat van instandhouding van de populaties van soorten conform de VHR. Naast de doelcomponent ‘leefgebied’ is ook de populatie belangrijk voor het bepalen of de landelijke doelstelling (dan wel de instandhoudingsdoelstelling in een Natura 2000-gebied) wordt gehaald. De in het landelijke doel genoemde aantallen zijn dus niet alleen een indicatie van de beoogde draagkracht van het leefgebied, maar geven ook de beoogde populatieomvang aan. De in de landelijke en gebiedsdoelen genoemde aantallen voor de populatie zijn bedoeld als gemiddelde over een bepaalde (langjarige) periode, de populatieomvang hoeft dus niet elk jaar bereikt te worden om het landelijk doel te halen.
Formulering bij vogels
In de Natura 2000-doelendocumenten (2006, 2014/2017) verschilde de doelformulering voor Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels. Voor broedvogels sprak het doel niet over draagkracht, terwijl bij niet-broedvogels de formulering niet expliciet maakte of het doel om behoud of uitbreiding van de populatie vroeg. De formulering is nu gelijkgetrokken: in alle gevallen is het doel voor het leefgebied ‘draagkracht voor behoud/uitbreiding van een populatie van ten minste…’. Met de toevoeging van ‘draagkracht’ wordt bovendien voor broedvogels met de terminologie van de landelijke doelen aangesloten bij de terminologie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden.
Ten minste
De doelen voor de populatieomvang van de soorten en de oppervlakte van habitattypen zijn hoeveelheden die minimaal gehaald moeten zijn om als gunstig te worden beschouwd. Dit wordt aangeduid met ‘ten minste’. Bijvoorbeeld voor de wespendief als broedvogel: ‘met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 broedparen’. Ten minste betekent dat elk niveau boven het doel als een gunstig niveau kan worden beschouwd. Er is niet beoogd om een plafond te formuleren, en evenmin is beoogd dat het doel eigenlijk hoger ligt. Het wil ook niet zeggen dat ‘ten minste’ betekent dat te allen tijde deze oppervlakte van het habitattype of populatieomvang ook daadwerkelijk aanwezig moet zijn. De oppervlakte resp. populatieomvang kan, rekening houdend met natuurlijke dynamiek, variëren rondom de doelwaarde, maar over een langere periode dient (gemiddeld) de gunstige staat wel gehaald te worden. De aantallen in de landelijke doelen zijn daarvoor richtinggevend.
Uitgedrukt in
In principe wordt de oppervlakte van het habitattype uitgedrukt in hectares. Voor sterk dynamische habitattypen waarvan de oppervlakte jaarlijks fluctueert, wordt het doel voor het aspect oppervlakte uitgedrukt in het aantal kilometerhokken waarin het habitattype voorkomt. Voor de habitattypen met een uitbreidingsdoelstelling is het doel voor de omvang waar mogelijk uitgedrukt in een groeipercentage ten opzichte van de huidige omvang, waarbij tussen haakjes de beoogde totale oppervlakte is vermeld. Voor deze doelformulering is gekozen om bij habitattypen meer nadruk te leggen op de mate van toename die nodig is, dan op het precieze doel in hectares. Totdat de landelijke omvang van habitattypen nauwkeuriger in kaart is gebracht, zijn de precieze actuele oppervlaktes van veel habitattypen namelijk nog met onzekerheden omgeven. Omdat de geadviseerde gunstige referentie oppervlaktes in hectares veelal zijn afgeleid van de huidige omvang, kan het zijn dat beter inzicht in de huidige omvang betekent dat de referentiewaarde ook moet worden aangepast. De groeipercentages geven een robuuster beeld van de mate van uitbreiding die nodig is. Bekend is immers (o.a. uit de Rode-Lijststatus van typische soorten) dat de huidige omvang onvoldoende is, en in enige mate moet uitbreiden om de soortenrijkdom die bij het habitattype hoort duurzaam in stand te houden. Ook als bij nauwkeuriger kartering blijkt dat de huidige oppervlakte groter of kleiner is dan eerder gedacht, blijft die ecologische reden om uit te breiden hetzelfde.
Het doel voor de kwaliteit van habitattypen is waar mogelijk in de toelichting geconcretiseerd als een percentage van de doeloppervlakte die in een goede kwaliteitstoestand verkeert en een percentage van de typische soorten dat niet bedreigd is. Daarbij geldt een (standaard) minimum percentage (90%)62 van de oppervlakte die in goede kwaliteitstoestand moet verkeren en in principe een maximum percentage (15%) van typische soorten die bedreigd of ernstig bedreigd zijn en een minimum percentage (75%) van typische soorten die niet bedreigd zijn. Met deze terminologie wordt aangesloten bij de wijze waarop in Europa invulling wordt gegeven aan de definitie van een gunstige structuur en functie, inclusief typische soorten.
Afhankelijk van de ecologie van de soort en de best beschikbare wetenschappelijke kennis, is de eenheid van het populatiedoel voor Habitatrichtlijnsoorten uitgedrukt in individuen, kilometerhokken, of populaties. De omvang van vogelpopulaties is weergegeven in seizoensgemiddelden, of seizoensmaxima (niet-broedvogels), of aantal broedparen (broedvogels), maar uitzonderingen hierop zijn mogelijk. Anders dan bij de oppervlakte van habitattypen zijn doelen voor populaties van soorten niet uitgedrukt in een groeipercentage. Omdat de geadviseerde gunstige referentiewaarde bij soorten niet is afgeleid uit de huidige omvang (op enkele gevallen na, zoals nieuwe soorten), blijft het kwantitatieve doel in principe stabiel mocht uit monitoring blijken dat de huidige populatieomvang groter of kleiner is dan eerder gedacht.
Voor de doelen van soorten die zijn uitgedrukt in kilometerhokken geldt dat het gaat om het vóórkomen van een duurzame omvang van de populatie van de soort in dat aantal kilometerhokken.63 Het is de bedoeling dat het doel voor de verspreiding gehaald wordt, en dat tegelijkertijd binnen het verspreidingsgebied de omvang van de populatie niet afneemt. Er is daarom in het doel opgenomen dat de landelijke trend ten minste stabiel moet blijven (in geval van ‘behoud’), of stijgend moet zijn (in geval van ‘uitbreiding’). Deze toevoeging kon achterwege blijven als het doel zowel in individuen als in kilometerhokken is uitgedrukt, zoals bij enkele vlindersoorten het geval is.
Zoals al aangegeven is de omvang en kwaliteit van het leefgebied van soorten uitgedrukt in ‘draagkracht voor een populatie met een omvang van...’, waarmee wordt bedoeld dat het leefgebied geschikt is om de doelpopulatie te herbergen.
Afronding doel oppervlakte habitattype en populatieomvang
Het landelijke doel voor de oppervlakte van een habitattype en de populatieomvang is een afgerond getal (met als basis het advies van de kennisinstellingen). Dit is gedaan om schijnnauwkeurigheid in de doelen te voorkomen. Omdat het lastig is te bepalen hoeveel precies nodig is voor een gunstige staat in de toekomst, spelen in het wetenschappelijk advies diverse onzekerheden. De aantallen in doelen zijn dan ook richtinggevend bedoeld en rond 2032 (of al eerder, als voortschrijdende wetenschappelijke inzichten over het benodigde niveau voor een gunstige staat van instandhouding dat noodzakelijk maken) zal worden bezien of er aanleiding is om de landelijke doelen opnieuw te actualiseren (zie ook paragraaf 1.6). Het gebruik van precieze getallen zou de indruk kunnen wekken dat de doelen op de vierkante meter of op het individu nauwkeurig moeten worden gehaald. Hierbij zijn de volgende afrondingsregels gebruikt voor de doelen voor de oppervlakte van habitattypen en de omvang van populaties van Habitatrichtlijnsoorten:
• getallen boven de 1000 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 100-tallen;
• getallen boven de 100 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 10-tallen;
• getallen boven de 10 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 5-tallen.
Voor de afronding van de groeipercentages van habitattypen met een uitbreidingsdoel geldt:
• getallen boven de 25 procent zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 5-tallen;
• getallen tussen 0 en 25 procent zijn afgerond op hele procenten.
Voor de afronding van de omvang van populaties van vogelsoorten zijn de volgende afrondingsregels gebruikt:
• getallen boven de 100.000 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 10.000-tallen;
• getallen boven de 10.000 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 1.000-tallen;
• getallen boven de 1.000 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 100-tallen;
• getallen boven de 100 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 10-tallen;
• getallen boven de 40 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 5-tallen;
• getallen tussen 1 en 40 zijn niet afgerond.
Toelichting
In de toelichting op het doel staat hoe tot de doelformulering is gekomen. Vermeld wordt wat de huidige staat van instandhouding is. In de toelichting staan ook gegevens over de huidige omvang van de populatie of het verspreidingsgebied, respectievelijk de oppervlakte van het habitattype. Deze gegevens zijn op dezelfde wijze als de doelen afgerond. Hiervoor zijn voor de vogels de gegevens gebruikt van 2014/15–2019/20 (niet-broedvogels) en 2015–2020 (broedvogels, m.u.v. de grutto) uit de bouwsteen. Bij de habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten zijn de gegevens van de artikel 17-rapportage voor de Habitatrichtlijn uit 2025 overgenomen. De gegevens over de huidige situatie omvatten soms een bandbreedte op basis van een schatting die niet zomaar gemiddeld kan worden. Als op basis van de gegevens over (de bandbreedte van) de huidige omvang van de populatie of oppervlakte van het habitattype kan worden vastgesteld dat het landelijk doel al is gehaald, dan is dat vermeld. De toelichting bevat ook een nadere specificering van de beoogde kwaliteit (habitattypen), of in sommige gevallen een nadere specificering van het populatiedoel (enkele Habitatrichtlijnsoorten). Deze informatie is richtinggevend en moet betrokken worden bij de (beknoptere) doelformulering.
De toelichting benoemt meestal een of meerdere knelpunten die belangrijk kunnen zijn bij het bereiken van het doel en bevat ook een aantal mogelijke maatregelen die er aan kunnen bijdragen de doelen te halen of dichterbij te brengen. Ook als het doel al wordt gehaald, maar het toekomstperspectief onzeker of negatief is, kunnen in de toelichting op het doel aandachtspunten en mogelijke maatregelen zijn beschreven. De beschrijving van knelpunten, aandachtspunten en maatregelen is niet bedoeld als voorschrift, verplichting of voornemen. Doel hiervan is enkel om enige duiding te geven aan wat het landelijk doel kan betekenen. De beschrijving beoogt niet uitputtend te zijn. Slechts enkele belangrijke knelpunten uit de bouwstenen staan aangegeven, zonder prioritering daarin. Zo is stikstofdepositie niet bij alle habitattypen of leefgebieden genoemd die stikstofgevoelig zijn, wat niet betekent dat het geen knelpunt is. De maatregelen die in de toelichting zijn benoemd, zijn niet de enige maatregelen en geven geen beleidsmatige voorkeur aan: voor elke soort en elk habitattype is veelal goede kennis beschikbaar over de knelpunten en benodigde en mogelijke maatregelen, maar is vaak ook gebieds- of locatiespecifiek maatwerk vereist. Daarom kan uit de toelichting bij het doel geen directe vertaling worden gemaakt naar beheer of vergunningverlening van gebieden. Het hierboven genoemde type gegevens uit de toelichting kan als achtergrondinformatie worden beschouwd.
Kwantificering en/of actualisering
In het verleden (Natura 2000-doelendocumenten) waren de landelijke doelen voor habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten meestal niet geconcretiseerd of gekwantificeerd. Landelijke doelen werden geformuleerd in termen van behoud of uitbreiding en/of verbetering, vaak zonder concreet te zijn welke omvang en/of kwaliteit nagestreefd werd. Alleen als er voldoende betrouwbare kwantitatieve data van de betreffende soort beschikbaar waren, konden de doelen geconcretiseerd worden. In voorliggend document is dat, mede met het oog op de verplichting uit de Omgevingswet, nu zoveel mogelijk wél gedaan. Het landelijke doel voor de oppervlakte van een habitattype is een kwantificering en in sommige gevallen ook een actualisering ten opzichte van de Natura 2000-doelendocumenten. Hierbij wordt onder actualisering verstaan dat het landelijk doel is veranderd van behoud naar uitbreiding of juist andersom. Het landelijke doel voor de populatieomvang van Habitatrichtlijnsoorten is een kwantificering en/of actualisering van het landelijke doel uit de Natura 2000-doelendocumenten. Voor vogels was al een gekwantificeerd landelijk doel voor de populatieomvang in de Natura 2000-doelendocumenten opgenomen. Dat doel is nu geactualiseerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van recentere kennis (zoals de methodiek ‘staat van instandhouding vogels’) en de meest recente gegevens over de omvang van populaties. In een aantal gevallen is het niet mogelijk gebleken om de doelen te kwantificeren omdat hiervoor onvoldoende gegevens voorhanden waren; dan is volstaan met de kwalitatieve doelen (‘behoud’, ‘uitbreiding’ en/of ‘verbetering’).
In onderstaande tabel zijn de mogelijke doelformuleringen samengevat voor habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten.
|
Aspecten |
Staat van instandhouding gunstig |
Staat van instandhouding niet gunstig |
Uitgedrukt in |
|
|---|---|---|---|---|
|
Habitattype |
Oppervlakte |
Behoud oppervlakte |
Uitbreiding oppervlakte |
Hectare/ kilometerhokken |
|
Kwaliteit |
Behoud kwaliteit |
Verbetering kwaliteit |
Percentage in goede kwaliteitstoestand; percentage niet-bedreigde typische soorten |
|
|
HR-soort |
Omvang Leefgebied |
Behoud omvang leefgebied |
Uitbreiding omvang leefgebied |
Draagkracht |
|
Kwaliteit Leefgebied |
Behoud kwaliteit leefgebied |
Verbetering kwaliteit leefgebied |
Draagkracht |
|
|
Populatie |
Behoud van een populatie van ten minste .../ In een verspreidingsgebied van ten minste ... |
Uitbreiding tot ten populatie van ten minste .../ In een verspreidingsgebied van ten minste ... |
Individuen/ exemplaren / kilometerhokken/ populaties |
|
|
Vogel |
Omvang Leefgebied |
Behoud omvang leefgebied |
Uitbreiding omvang leefgebied |
Draagkracht |
|
Kwaliteit Leefgebied |
Behoud kwaliteit leefgebied |
Verbetering kwaliteit leefgebied |
Draagkracht |
|
|
Populatie |
Behoud van een populatie van ten minste ... |
Uitbreiding tot een populatie van ten minste ... |
Niet-broedvogels: Seizoensgemiddelde/ seizoensmaximum/ Broedvogels: Broedparen1 |
|
Een samenvattend overzicht van de landelijke doelen, de staat van instandhouding (2025) en de huidige omvang is opgenomen in de bijlage.
H1110 Permanent overstroomde zandbanken
Natura 2000-doel
Subtype A, getijdengebied: behoud van de oppervlakte van ten minste 135.500 ha en verbetering van de kwaliteit. Subtype B, Noordzeekustzone: behoud van de oppervlakte van ten minste 346.700 ha en verbetering van de kwaliteit. Subtype C, Doggersbank: behoud van de oppervlakte van ten minste 435.600 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype permanent overstroomde zandbanken bestaat uit drie subtypen: subtype A, getijdengebied, subtype B, Noordzeekustzone en subtype C, Doggersbank. Permanent overstroomde zandbanken komen voor in de ondiepe delen van de zee. Subtype A, getijdengebied komt voor in het sublitoraal van de Waddenzee en in de voormalige riviermonding van Rijn en Maas, aan de zeezijde van de Haringvlietdam. Het verspreidingsgebied van subtype B, Noordzeekustzone is de gehele kustzone van de Noordzee van de Belgisch-Nederlandse grens tot de Eems. Subtype C, Doggersbank komt alleen voor op de Doggersbank. Binnen Europa komt het habitattype wijdverspreid voor, in Nederland komt meer dan 4% van de totale Europese oppervlakte voor.
De staat van instandhouding van de permanent overstroomde zandbanken wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor subtype B, Noordzeekustzone en subtype C, Doggersbank. Subtype A, getijdengebied heeft een matig ongunstige beoordeling door de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is voor alle subtypen, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van subtype A, getijdengebied: van circa 135.500 ha, van subtype B, Noordzeekustzone van circa 346.700 ha en van subtype C, Doggersbank van circa 435.600 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte voor alle subtypen momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 75% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben en minder dan 15% een slechte conditie. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert voor subtype B, Noordzeekustzone en C, Doggersbank en in matig ongunstige staat van instandhouding voor subtype A, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor elk subtype.
Belangrijke knelpunten voor alle subtypen van het habitattype permanent overstroomde zandbanken zijn fysieke verstoring door bodemberoerende visserij en mariene waterverontreiniging (zoals vervuiling door lozingen vanaf land en op zee). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verminderen van bodemberoering en meer controle op lozingen op zee en land.
H1130 Estuaria
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype estuaria bestaat uit een mozaïek van mariene en brakke ecotopen, zoals watervlaktes, geulen, en zandplaten. Estuaria zijn de benedenstroomse delen van riviersystemen die onder invloed staan van zeewater en de werking van getijden. Verschillende structuurvormende elementen zoals schelpdierbanken, schelpkokerwormbanken, zeegras- en ruppiavelden worden als kenmerkende onderdelen van de structuur en functie van dit habitattype beschouwd. Ondanks de afdamming van de Zuiderzee en van de meeste zeearmen in het Deltagebied zijn de resterende estuaria in Nederland qua omvang en dynamiek van processen nog steeds van internationale betekenis. De enige overgebleven estuaria in Nederland, de Westerschelde en de Eems-Dollard bevinden zich op de grens met de buurlanden België (Schelde-estuarium) en Duitsland (Eems-estuarium).
De staat van instandhouding van de estuaria is ‘zeer ongunstig’ vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten: verspreiding, oppervlakte, structuur en functie en toekomstperspectief. Kwaliteitsverbetering is noodzakelijk, waarvoor – in elk geval in de Westerschelde – ook uitbreiding van de oppervlakte nodig is.
Voor de gunstige structuur en functie moet tenminste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet tenminste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig’ bedreigd. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Het is het nog onzeker of dit een gunstige staat van instandhouding betekent.
Voor de Westerschelde houdt kwaliteitsverbetering herstel in van de afwisseling in diverse deelecosystemen (laagdynamische en hoogdynamische, diepe en ondiepe, zoete en zoute delen, belendende schorren en overgangen tussen al deze deelsystemen) met de bijbehorende hoge biodiversiteit. Voor dit gebied is behoud van het meergeulenstelsel en uitbreiding van de oppervlakte van laagdynamische deelgebieden (droogvallende platen en ondiepe wateren) noodzakelijk voor kwaliteitsverbetering en duurzaam voortbestaan. Voor de Eems-Dollard ligt het accent op behoud oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. De verbetering van de kwaliteit heeft daar met name betrekking op het herstellen van een optimaal bodemleven en het bieden van een goed functionerende trekroute voor vissen. Tot de beoogde kwaliteitsverbetering behoort ook een zo spoedig mogelijk herstel van zeegrasvelden en mosselbanken. Met het oog op het kunnen bereiken van de verbeterdoelstelling worden in het gebied diverse maatregelen getroffen met als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Stijging van de zeespiegel vormt een bedreiging voor het habitattype, omdat de ruimte voor meebewegen is ingeperkt door de ligging tussen dijken.
H1140 Slik- en zandplaten
Natura 2000-doel
Subtype A, getijdengebied: behoud van de oppervlakte van ten minste 107.100 ha en verbetering van de kwaliteit.
Subtype B, Noordzeekustzone: behoud van de oppervlakte van tenminste 4.900 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype slik- en zandplaten bestaat uit twee subtypen: subtype A, getijdengebied en subtype B, Noordzeekustzone. Subtype A, getijdengebied, bestaat grotendeels uit laag-dynamische wadplaten. Deze liggen relatief luw doordat ze door eilanden of zandbanken zijn afgeschermd van de golfwerking van de Noordzee. Dicht bij het zeegat zijn de platen relatief zandig en kunnen zeer slikkig zijn aan het einde van een vloedbekken zoals bij een wantij of langs de vastelandskust. Subtype B, Noordzeekustzone, bestaat uit hoog-dynamische zandplaten. Deze zijn gelegen onder relatief hoog-dynamische omstandigheden en zijn door de (branding) golven grofkorrelig (zandig). De slik- en zandplaten komen wijdverspreid voor langs de Europese kusten. Binnen Europa ligt een relatief groot areaal langs de Nederlandse kust en op het Nederlands Continentaal Plat.
De staat van instandhouding van de slik- en zandplaten wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en een ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor subtype A, getijdengebied. Subtype B, Noordzeekustzone heeft een matig ongunstige staat van instandhouding. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is voor beide subtypen, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van subtype A, getijdengebied van circa 107.100 ha en van subtype B, Noordzeekustzone van circa 4.900 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte voor beide subtypen momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert voor subtype A, getijdengebied is een verbeterdoelstelling geformuleerd. De structuur en functie van subtype B, Noordzeekustzone is als onbekend beoordeeld. Omdat het onwaarschijnlijk is dat de structuur en functie van subtype B, Noordzeekustzone anders is dan subtype A, getijdengebied en omdat er systeemverbetering nodig is, is voor subtype B, Noordzeekustzone ook een verbeterdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor beide subtypen van het habitattype slik- en zandplaten zijn de effecten van fysieke verstoring door bodemberoerende visserij, mariene waterverontreiniging (zoals vervuiling door lozingen vanaf land en op zee) en klimaatverandering (waardoor een stijging van de zeespiegel en temperatuurs- en weersextremen ontstaan). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verder verminderen van fysieke verstoring van de zeebodem, verder beperken van waterverontreiniging en het behoud of herstel van gradiënten op landschapsschaal.
H1160 Grote baaien
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 34.300 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype grote baaien bestaat intern uit een mozaïek van mariene ecotopen, zoals watervlaktes en geulen; al dan niet bij eb droogvallende, hoge dan wel lage, zandige dan wel slibrijke platen; mosselbanken, kokkelbanken en zeegras- en ruppiavelden. De samenhang tussen en de afwisseling van de ecotopen vormen een wezenlijk aspect van de structuur en functie van het habitattype. In tegenstelling tot estuaria, is de invloed van zoet water beperkt. Het habitattype is binnen Europa wijdverspreid, in Nederland komt het alleen in de Oosterschelde voor. De soortensamenstelling van de Oosterschelde is uniek in vergelijking met andere grote, ondiepe kreken of baaien in Europa.
De staat van instandhouding van de grote baaien wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 34.300 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype grote baaien is verandering van de hydrologische omstandigheden waardoor de morfologie van het systeem niet in overeenstemming is met het halfgesloten karakter van de monding (Oosterscheldekering). Dit leidt tot zandhonger waardoor platen en slikken geleidelijk in de diepere geulen verdwijnen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het cyclisch uitvoeren van suppleties in het sediment om in het tekort aan platen en slikken te voorzien, en het actief beschermen en stimuleren van aangroei van de platen en slikken.
H1170 Riffen van open zee
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 91.100 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Met het habitattype riffen van open zee worden in Nederland specifiek de geogene rifstructuren aangeduid, gekenmerkt door het voorkomen van zwerfkeien en/of grove grindfracties. Fijnere fracties (8–64 mm) worden ook tot het habitattype gerekend wanneer kenmerkende fauna van hard substraat (met name sessiele soorten) aanwezig zijn. Ook tussenliggende gebieden met zacht substraat (ten minste keien aanwezig in omliggend gebied van 100 m2), worden tot het habitattype gerekend. Voor het habitattype is de zeer beperkte dynamiek het belangrijkste kenmerk. De natuurlijke bodemdynamiek wordt voornamelijk veroorzaakt door incidentele stormen, waarvan de golfwerking tot op dieptes van 40 meter doordringt en het grind verplaatst. Ten opzichte van de omvangrijke riffen in de vorm van grote grind- en steenconcentraties die elders in de Noordzee voorkomen, is de omvang van het Nederlandse rif niet van grote betekenis. Voor Nederland vormt het habitattype riffen van open zee echter een uniek habitattype met een zeer specifieke biodiversiteit.
De staat van instandhouding van de riffen van open zee wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. Het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ heeft een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘toekomstperspectief’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 91.100 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 75% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben en minder dan 15% een slechte conditie. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype riffen van open zee is fysieke verstoring door onder meer bodemberoerende visserij (bijvoorbeeld met technieken die de benthische en sessiele gemeenschappen kunnen beschadigen, of door sedimentatie van slib). Een maatregel die ertoe kan bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, is het habitattype te vrijwaren van fysieke verstoring.
H1310 Zilte pionierbegroeiingen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 1.400 ha en behoud van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zilte pionierbegroeiingen bestaat uit twee subtypen: subtype A, zeekraal, en subtype B, zeevetmuur. Subtype A, zeekraal, vormt de pioniersfase van het bredere ecosysteem kwelders en schorren (incl. groene stranden). Subtype B, zeevetmuur, komt voor aan de hoge kant van kwelders en schorren en verder eveneens veel op groene stranden. De overeenkomst tussen beide subtypen, die ecologische uitersten vormen, is dat de vegetatie gedomineerd wordt door eenjarige halofyten. Beide subtypen komen wijdverspreid voor langs de Europese kusten, maar slechts in kleine oppervlakten. Subtype A, zeekraal, komt echter in Nederland in relatief grote oppervlakte voor.
De staat van instandhouding van de zilte pionierbegroeiingen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘oppervlakte. Deze beoordeling geldt voor beide subtypen tezamen. De staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ is matig ongunstig wegens een negatieve trend in oppervlakte. De huidige oppervlakte van circa 1.600 ha laat zien dat het landelijke doel momenteel wel al wordt gehaald. Daarom is een behoudsdoelstelling geformuleerd. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 1.600 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in gunstige staat van instandhouding verkeert, is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen tezamen.
Een belangrijk knelpunt voor met name subtype A, zeekraal, is kusterosie als gevolg van klimaatverandering. Maatregelen die ervoor kunnen zorgen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit suppletie om erosie tegen te gaan, het beheren en zo nodig ophogen van dammen van kwelderwerken (zodat de pionierzone in stand blijft en mee kan groeien met de zeespiegelstijging) en meer ruimte geven aan kwelderontwikkeling of zilte begroeiingen binnendijks te ontwikkelen.
H1320 Slijkgrasvelden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 8% (tot ten minste afgerond 520 hectare) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype slijkgrasvelden vormt een element binnen de bredere habitat van de schorren en kwelders, dat een belangrijke rol speelt bij het beschermen van het achterland tegen de zee en de vastlegging van koolstof (blue carbon) in de bodem. De soort klein slijkgras is vrijwel overal verdrongen door Engels slijkgras. Door de aanplant en vervolgens uitbreiding van Engels slijkgras is de oppervlakte en verspreiding van het habitattype in de loop van de 20ste eeuw sterk uitgebreid. Naast deze beide soorten, wordt op een enkele plek ook de bastaard basterdslijkgras aangetroffen. In Nederland bereikt het habitattype de noordgrens van het Europese areaal.
De staat van instandhouding van de slijkgrasvelden wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte', ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 480 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 8% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 480 hectare, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 40 hectare, wat resulteert in ten minste afgerond 520 hectare.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype slijkgrasvelden is de verdringing van de enige typische soort klein slijkgras door Engels slijkgras, wat in het verleden heeft plaatsgevonden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, en klein slijkgras doen terugkeren, zijn onbekend. Er wordt ingeschat dat dit – gezien de recente positieve trend – mogelijk ook zonder enige maatregel kan worden gerealiseerd.
H1330 Schorren en zilte graslanden
Natura 2000-doel
Subtype A, buitendijks: behoud, maar lokaal uitbreiding van de oppervlakte van ten minste gemiddeld 9.600 ha en verbetering van de kwaliteit.
Subtype B, binnendijks: behoud van de oppervlakte van ten minste 400 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype schorren en zilte graslanden bestaat uit twee subtypen: subtype A, buitendijks, en subtype B, binnendijks. Subtype A, buitendijks, bestaat uit meer natuurlijke kwelders en schorren met natuurlijke overstromingsdynamiek en de bijbehorende erosie en sedimentatie. Subtype B, binnendijks, bestaat vooral uit ingepolderde voormalige kwelders en zilte graslanden in afgesloten zeearmen, waarbij de natuurlijke overstromingsdynamiek (nagenoeg) ontbreekt. Floristisch verschillen de beide subtypen weinig, maar qua functioneren en structuren zijn er grote verschillen. Binnen de kwelders is er een grote variatie in landschapsvorm en beheer. Binnen Europa is subtype A, buitendijks, te vinden langs de Atlantische kust van Portugal tot IJsland en Noord-Scandinavië; het areaal is in Nederland groot. Subtype B, binnendijks komt in Nederland in vergelijking met de rest van Europa een stuk minder voor.
De staat van instandhouding van de schorren en zilte graslanden wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van subtype A, buitendijks, van gemiddeld circa 10.800 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald, daarom is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor dit subtype. Lokaal is uitbreiding noodzakelijk voor de verbetering van de kwaliteit (evenwichtige kwelderzonering), met name in de Waddenzee, Oosterschelde en Westerschelde. De huidige oppervlakte van subtype B, binnendijks, van circa 400 ha laat zien dat dit landelijk doel momenteel wordt gehaald, daarom is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor dit subtype.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. De structuur en functie verkeert op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding voor beide subtypen. Daarom is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype schorren en zilte graslanden is successie naar het oudste stadium, waarbij dominantie van strandkweek of, onder brakke omstandigheden, riet optreedt. De belangrijkste opgave betreft het realiseren van een evenwichtigere verhouding in kwelder- en schorzones, en van grotere populaties van enkele bedreigde soorten (met name in binnendijkse zilte graslanden).
H2110 Embryonale duinen
Natura 2000-doel
Behoud van het voorkomen in ten minste 300 tot 350 kilometerhokken en behoud van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype embryonale duinen is in de reeks van begroeiingen vanaf het strand richting het binnenland het eerste habitattype dat wordt aangetroffen: de duintjes groeien op het strand en aan de lijzijde van de zeereep. De ecologische variatie binnen het type is gering. Het habitattype komt wijdverspreid langs de Atlantische en Mediterrane kust voor. Doordat Nederland relatief veel duinen heeft, is Nederland van relatief groot belang voor dit habitattype.
De staat van instandhouding van de embryonale duinen wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. Het huidige voorkomen van het habitattype in circa 335 kilometerhokken laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald. Omdat het om een erg dynamisch type gaat, waarvan de oppervlakte jaarlijks behoorlijk kan fluctueren, is ervoor gekozen de oppervlakte niet in hectares uit te drukken, maar in het aantal kilometerhokken waarin het type voorkomt. Daarnaast is er vanwege fluctuaties in exact voorkomen voor gekozen om het doel in een bandbreedte weer te geven.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in gunstige staat van instandhouding verkeert, is een behoudsdoelstelling geformuleerd.
Aandachtspunt voor het behouden van de gunstige staat van instandhouding op de lange termijn is kusterosie (als gevolg van klimaatverandering). Een maatregel die ervoor kan zorgen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft, bestaat uit strandsuppleties om de huidige kustlijn te kunnen blijven handhaven.
H2120 Witte duinen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 2.400 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype witte duinen betreft de duinen het dichtst bij de kust die begroeid zijn met helmvegetaties. Het habitattype neemt in Nederland een relatief grote oppervlakte in, waarvan de kwaliteit de laatste decennia sterk is verbeterd door verstuiving van zand door natuurlijke winddynamiek meer ruimte te geven. De ecologische variatie binnen het type is uiterst gering. Het habitattype komt wijdverspreid langs de Atlantische en Mediterrane kust voor.
De staat van instandhouding van de witte duinen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 2.400 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype witte duinen zijn successie (bij ontbreken van dynamiek), verstoring door recreatie en op de lange termijn kusterosie als gevolg van klimaatverandering. Maatregelen die ervoor kunnen zorgen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het toestaan van verstuivingsdynamiek en het verminderen van verstoring.
H2130 *Grijze duinen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 30% (tot ten minste afgerond 12.100 ha) en verbetering van de kwaliteit, waarbij de variatie in subtypen in stand blijft.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype grijze duinen bestaat uit drie subtypen, waarvan de eerste twee vaak in hetzelfde gebied voorkomen. Subtype A, kalkrijk, komt voornamelijk voor op de eilanden in de Zuidwestelijke Delta en de kalkrijke duinen tussen Hoek van Holland en Bergen. Subtype B, kalkarm, is het dominante type in het kalkarme duinlandschap van Bergen tot aan Rottumeroog. Subtype C, heischraal, is veel zeldzamer, maar wordt relatief veel aangetroffen langs valleien op de vroongronden van Schouwen en Goeree. Nederland ligt binnen Europa centraal in het verspreidingsgebied dat zich uitstrekt van Gibraltar tot en met het Oostzeegebied. Nederland kent binnen Europa een relatief grote oppervlakte aan goed ontwikkelde grijze duinen. Daarnaast komen binnen Nederland een aantal min of meer unieke (‘endemische’) plantengemeenschappen voor. Dit geldt met name voor de begroeiingen van subtype A, kalkrijk.
De staat van instandhouding van de grijze duinen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor alle subtypen tezamen. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 9.300 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 30% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 9.300 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 2.800 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 12.100 ha, waarbij het uitbreidingsdoel in vergelijkbare mate geldt voor elk subtype.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor alle subtypen tezamen.
Een belangrijk knelpunt voor alle subtypen van het habitattype grijze duinen is vergrassing/verstruweling. Dit wordt veroorzaakt door de afname van de konijnenpopulatie als gevolg van virusziektes en door stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. In sommige gebieden vormt overbegrazing door damherten een knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het stimuleren van kleinschalige verstuiving in kalkrijke duinen om verzuring tegen te gaan, het stimuleren van konijnenbegrazing en begrazingsbeheer, gericht op het behoud van een korte structuur, en vermindering van stikstofdepositie.
H2140 *Duinheiden met kraaihei
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 1.500 ha en behoud van de kwaliteit, waarbij de huidige variatie in subtypen behouden blijft.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype duinheiden met kraaihei bestaat uit twee subtypen, welke deels gescheiden en deels naast elkaar voorkomen: subtype A, vochtig en subtype B, droog. In de kalkarme duinen (ten noorden van Bergen) wordt de meeste duinheide aangetroffen. Deze duinen worden vooral gedomineerd door kraaihei, maar plaatselijk kan ook struikhei (H23150) veel voorkomen. Het overgrote deel van het Europese oppervlak van het habitattype wordt in Denemarken aangetroffen. In Nederland komt de relatief goed ontwikkelde vochtige vorm van dit habitattype veel voor.
De staat van instandhouding van de duinheiden met kraaihei wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Deze beoordeling geldt voor beide subtypen tezamen. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 1.500 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in een gunstige staat van instandhouding verkeert, is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen tezamen.
Aandachtspunt voor beide subtypen voor het behouden van de gunstige staat van instandhouding op de lange termijn is successie naar struweel en bos. Dit heeft een natuurlijke oorzaak, maar wordt versterkt door het wegvallen van konijnenpopulaties en door stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Voor subtype A, vochtig, is verdroging eveneens een belangrijk knelpunt. Maatregelen die ervoor kunnen zorgen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft, bestaan onder andere uit het tegengaan van vergrassing en verbossing, vermindering van stikstofdepositie, het tegengaan van drainages en het beperken van grondwaterwinning.
H2150 *Duinheiden met struikhei
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 230 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype duinheiden met struikhei komt deels in samenhang met H2140 duinheiden met kraaihei voor. In de kalkrijke duinen (ten zuiden van Bergen) komen op sterk ontkalkte delen (oude strandwallen) slechts hier en daar duinheiden met struikhei voor. In de kalkarme duinen (ten noorden van Bergen) wordt het type veel meer aangetroffen, met name in sterk ontkalkte delen tegen de binnenduinrand aan. In Nederland bevindt het habitattype zich aan de noordrand van het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de duinheiden met struikhei wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘onbekende’ beoordeling van het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘een matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 230 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. De structuur en functie is als onbekend gerapporteerd. Omdat de structuur en functie in vorige rapportages als ongunstig is beoordeeld en vanwege de aanhoudende drukfactoren, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype duinheiden met struikhei is successie naar door kraaihei gedomineerde heide (H2140), struweel en bos. Deze successie heeft een natuurlijke oorzaak, maar wordt versterkt door het wegvallen van konijnenpopulaties en door stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit begrazingsbeheer, of eventueel (aanvullend) maaien en vermindering van stikstofdepositie.
H2160 Duindoornstruwelen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 3.700 ha en behoud van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype duindoornstruwelen omvat een groot deel van de struwelen in de duinen. Er is verschil tussen duindoornstruwelen in de kalkrijke duinen, de kalkarme duinen en de afgesloten zeearmen. De duindoornstruwelen in de kalkrijke duinen kunnen zich tot hoge, soortenrijke struwelen ontwikkelen, met hoge natuurwaarde. Uiteindelijk zullen ze overgaan in bos of (lokaal) instorten tot duingrasland. In het kalkarme Waddendistrict vindt minder successie naar hoog struweel plaats, en treedt ook veel regressie op. In de afgesloten zeearmen betreft het struwelen op wat voedselrijkere bodem, met daardoor meer ruigtesoorten. Hier hebben de struwelen een tijdelijk karakter en ontwikkelen ze zich snel tot bos of braamstruweel. Nederland ligt binnen Europa centraal in het verspreidingsgebied en kent een goede omvang en een verscheidenheid aan struweelsoorten in de goed ontwikkelde voorbeelden van duindoornstruwelen.
De staat van instandhouding van het habitattype duindoornstruwelen wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 4.400 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet tenminste 90% van de oppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet tenminste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig’ bedreigd. Omdat de structuur en functie op dit moment in een gunstige staat van instandhouding verkeert, is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
H2170 Kruipwilgstruwelen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 440 ha en behoud van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype kruipwilgstruwelen komt voor meer dan 90% van de verspreiding en oppervlakte voor in Natura 2000-gebieden. Het habitattype bevindt zich (volgens de huidige definitie) in vochtige delen van de duinen en grenst doorgaans aan het habitattype vochtige duinvalleien (H2190); het kan zich ook uit dit habitattype ontwikkelen. Het habitattype is wijdverspreid langs de Atlantische kust, waarbij Nederland centraal ligt in het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de kruipwilgstruwelen wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 440 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in een gunstige staat van instandhouding verkeert, is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Aandachtspunten voor het behouden van de gunstige staat van instandhouding op de lange termijn zijn de versnelde successie naar bos en een afnemende verstuivingsdynamiek. Maatregelen die ervoor kunnen zorgen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft, bestaan onder andere uit het herstel of de bevordering van een verstuivingsdynamiek waarbij vers zand vrij kan bewegen en het regulier verwijderen van bomen en struiken.
H2180 Duinbossen
Natura 2000-doel
Behoud, maar lokaal uitbreiding van de oppervlakte van ten minste 5.600 ha en verbetering van de kwaliteit, waarbij de huidige variatie in subtypen behouden blijft.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype duinbossen bestaat uit alle (half-)natuurlijke bossen van de duinen. Vanwege de grote verschillen binnen het habitattype worden drie subtypen onderscheiden: subtype A, droog, subtype B, vochtig en subtype C, binnenduinrand. Nederland kent een relatief grote omvang en grote variatie in duinbossen, wat te danken is aan de relatief brede duingebieden binnen Nederland. Het habitattype is zeldzaam langs de Europese kusten. Het Meidoorn-Berkenbos en de duinvorm van het Beuken-Eikenbos (sub-associatie met Lelietje-van-dalen) zijn min of meer tot Nederland beperkt.
De staat van instandhouding van de duinbossen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor alle subtypen tezamen. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 5.600 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald. Lokaal is uitbreiding nodig ten behoeve van het robuuster maken van het bos ten behoeve van het bereiken van een gunstige structuur & functie.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor alle subtypen tezamen.
Belangrijke knelpunten voor alle subtypen van het habitattype duinbossen hangen samen met de historische inrichting en het landgebruik en bosbeheer in de duinen. Het gaat om de aanplant/ introductie van uitheemse boomsoorten, de aanwezigheid van invasieve exoten (zoals Amerikaanse vogelkers) en de houtoogst en afvoer van (potentieel) dood hout. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit een bosbeheerpraktijk gericht op langdurig spontane ontwikkeling van inheemse houtige soorten en het herstel van de hydrologische condities.
H2190 Vochtige duinvalleien
Natura 2000-doel
Subtype A, open water: uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 9% (tot ten minste afgerond 280 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Subtype B, kalkrijk: uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 9% (tot ten minste afgerond 1.200 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Subtype C, ontkalkt: behoud van de oppervlakte van ten minste 200 ha en verbetering van de kwaliteit.
Subtype D, hoge moerasplanten: behoud van de oppervlakte van ten minste 380 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype vochtige duinvalleien omvat (samen met enkele verwante habitattypen) alle vormen van duinvalleien die vochtig zijn of onder water staan. Vanwege de grote variatie is het habitattype verdeeld in vier subtypen: subtype A, open water, subtype B, kalkrijk, subtype C, ontkalkt en subtype D, hoge moerasplanten. Het betreft dus duinplassen en -meren, lage begroeiingen op vochtige en moerassige plekken (zowel kalkrijk als ontkalkt) en hogere moerasbegroeiingen zoals rietvelden. Vochtige duinvalleien bevinden zich doorgaans in relatief jonge successiestadia in de vochtige laagten van de zandige kustduinen, waar verschillende successiestadia in de begroeiing optreden vanaf open zand of open water. Vochtige duinvalleien kunnen ontstaan door insnoering van strandvlakten door duinvorming of door uitstuiving tot op het grondwaterpeil in het kielzog van mobiele duinen. Op afzettingen van zeezand in de afgesloten zeearmen worden alleen de min of meer grazige vormen tot het habitattype gerekend (subtypen B en C). Juist omdat dit vrij jonge bodems betreft, kan de kwaliteit daar hoog zijn, zoals op de eilanden in de Grevelingen. In het Nederlandse kustgebied is het habitattype over een grote oppervlakte ontwikkeld en zeer gevarieerd.
De staat van instandhouding van de vochtige duinvalleien wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Subtypen C en D hebben een gunstige beoordeling van het aspect ‘oppervlakte’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van subtype A, open water van circa 260 ha laat zien dat dit doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 9% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 260 ha, komt dit neer op een uitbreiding van afgerond 25 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 280 ha. De huidige oppervlakte van subtype B, kalkrijk van circa 1.100 ha laat zien dat dit doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 9% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 1.100, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 100 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 1.200 ha. De huidige oppervlakten van subtype C, ontkalkt van circa 200 ha en van subtype D, hoge moerasplanten van circa 380 ha, laten zien dat deze doelen momenteel gehaald worden. Daarom is voor de oppervlakten een behoudsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor elk subtype.
Belangrijke knelpunten voor alle subtypen van het habitattype vochtige duinvalleien zijn te weinig natuurlijke dynamiek (verstarring van het landschap), verdroging en stikstofdepositie wat leidt tot verzuring en vermesting. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de waterhuishouding, vermindering van stikstofdepositie, tegengaan van successie en het herstel van duinvalleien door het met enige regelmaat opschonen (afplaggen) van met name valleien in weinig dynamische vastelandsduinen. Het dynamischer maken van het hele duinlandschap (grootschalige verstuivingen) kan op de langere termijn bijdragen aan de gunstige staat van instandhouding van duinvalleien.
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 23% (tot ten minste afgerond 2.800 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype stuifzandheiden komt uitsluitend voor op binnenlandse zandgronden die door verstuiving van zand zijn ontstaan. De bodem is droog en zeer voedsel- en kalkarm. In de bodem hebben zich nog geen podzolprofielen ontwikkeld (zoals vaak wel bij het verwante type H4030). De begroeiing wordt gedomineerd door struikhei. Het habitattype komt voor in het Noordwest-Europese laagland (van België, Nederland, Noordwest-Duitsland tot in noord-Denemarken en de Baltische staten). De stuifzandheiden van Nederland betreffen grote oppervlakten en liggen centraal in het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de stuifzandheiden met struikhei wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 2.300 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 23% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 2.300 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 530 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 2.800 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype stuifzandheiden met struikhei is de atmosferische stikstofdepositie, wat leidt tot vermesting en verzuring. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie, het verbeteren van de bodembuffering door (kleinschalig) behandelen met steenmeel en het vergroten van de oppervlakte door het verbinden van kleine stuifzandheideterreinen (< 100 ha) via corridors met andere terreinen.
H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 260 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype binnenlandse kraaiheibegroeiingen komt voor op de hogere zandgronden, voornamelijk op stuifzandbodems, in de noordelijke helft van Nederland. De zuidgrens van het areaal van de dominante soort kraaihei, en daarmee van het habitattype, loopt over de Veluwe. Er is weinig variatie binnen het habitattype. Het habitattype komt wijdverspreid voor in het noordelijke (boreale) deel van Europa. De Nederlandse vindplaatsen liggen aan de zuidgrens van het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de binnenlandse kraaiheibegroeiingen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 260 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype binnenlandse kraaiheibegroeiingen is de hoge stikstofdepositie die leidt tot vermesting en verzuring. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit de vermindering van de stikstofdepositie en aanvullend beheer, zoals (druk)begrazing, maaien en het verwijderen van houtopslag.
H2330 Zandverstuivingen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 23% (tot ten minste afgerond 3.300 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zandverstuivingen komt voor op zeer voedselarme zandgrond en bestaat een combinatie van pioniervegetaties (met grassen, mossen en korstmossen) en open zand, deels in combinatie met stuifzandheiden (H2310). Grotere, geheel of gedeeltelijk begroeide zandduinen worden afgewisseld met niet of weinig begroeide laagten. In grootschalige zandverstuivingen vindt verstuiving van zand plaats vanuit de open delen naar de begroeide delen. De grootste nog actieve zandverstuivingen van West-Europa bevinden zich in Nederland. Naar schatting is dit meer dan 90% van de totale oppervlakte.
De staat van instandhouding van de zandverstuivingen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 2.700 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 23% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 2.700 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 620 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 3.300 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype zandverstuivingen is de atmosferische stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Daarnaast leidt successie naar heide (H2310) en bos tot het dichtgroeien en kleiner worden van zandverstuivingen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie en het vergroten van de oppervlakte, met name het oppervlak open zand binnen een stuifzandgebied en het weer verbinden van kleine plekken met (veelal niet meer stuivend) H2330.
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 95% (tot ten minste afgerond 150 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zeer zwak gebufferde vennen bestaat uit door lokaal grondwater gevoede vennen op zandbodems met wisselende waterstanden. In deze voedselarme en vooral ook koolzuurarme wateren groeien vooral kleine wortelende waterplanten met een rozet van stevige, priemvormige bladeren, zoals waterlobelia. Het betreft tegenwoordig een zeer zeldzaam habitattype. Het habitattype is binnen Europa beperkt tot het boreaal-Atlantische gebied. Nederland bevindt zich aan de oostrand van dit verspreidingsgebied. Hoewel de begroeiingen slechts over een klein oppervlak voorkomen, kennen de zeer zwak gebufferde vennen binnen Nederland wel een bijzondere soortensamenstelling. Daarnaast zijn de vensystemen met dit habitattype in Nederland bijzonder vanwege hun landschappelijke morfologie.
De staat van instandhouding van de zeer zwak gebufferde vennen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 75 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 95% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 75 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 70 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 150 ha. Voor de zeer zwakgebufferde vennen betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de zeer zwak gebufferde vennen betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, maar ten minste een matig ongunstige staat.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype zeer zwakgebufferde vennen zijn stikstofdepositie wat leidt tot verzuring en vermesting en verdroging door ontwatering of onttrekking van grondwater. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie en hydrologisch herstel (door middel van hogere grondwaterstanden en een betere waterkwaliteit) in combinatie met het (periodiek) verwijderen van voedingsstoffen die voor vermesting zorgen (door onder andere het verwijderen van de dikke sliblaag).
H3130 Zwakgebufferde vennen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 12% (tot ten minste afgerond 370 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zwak gebufferde vennen wordt gevoed door basenrijk lokaal of regionaal gebufferd grondwater of komt voor op leemrijke, gebufferde bodems. Het habitattype is zo goed als beperkt tot de hogere zandgronden. Naast in geïsoleerd gelegen wateren komt het habitattype soms ook voor als laagtes aan de rand van beekdalen, op plekken waar grondwater uitstroomt; hier is de begroeiing veelal gemengd met helofyten en andere moerasplanten. Nederland ligt binnen Europa centraal in het verspreidingsgebied van de gemeenschappen van de oeverkruid-klasse die tot dit habitattype horen. In de Nederlandse zwakgebufferde vennen komen daarnaast bijzondere soorten voor die tot het Atlantische deel van Europa beperkt zijn.
De staat van instandhouding van de zwakgebufferde vennen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘oppervlakte’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 330 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 12% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 330 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 40 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 370 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype zwakgebufferde vennen zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring, verdroging (wat onder andere leidt tot minder toestroom van lokaal (zuurbufferend) grondwater) en de invasieve exoot watercrassula. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie en hydrologisch herstel (hogere grondwaterstanden en een betere waterkwaliteit) in combinatie met het (periodiek) verwijderen van voedingsstoffen die voor vermesting zorgen (door onder andere het verwijderen van de dikke sliblaag).
H3140 Kranswierwateren
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 7% (tot ten minste afgerond 7.900 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype kranswierwateren wordt voornamelijk aangetroffen in zoete tot brakke, heldere wateren met een niet te hoog aandeel aan nutriënten. Er bestaat verschil in soortensamenstelling tussen de voorkomens (met grote oppervlakte) in de afgesloten zeearmen, de laagveenplassen en lokaal in de duinen ten opzichte van de voorkomens (met kleine oppervlakte) in kwelgebieden op de (randen van de) hogere zandgronden. Een zeldzame, brakke variant wordt in sloten in het kustgebied aangetroffen. Binnen Europa komt het habitattype vrijwel alleen in de Noordwest-Europese laagvlakte voor. De Nederlandse grote plassen en meren met kranswieren behoren tot de grootste vindplaatsen van het habitattype in Europa. Daarnaast komt de helft van de ruim 40 kranswiersoorten van Europa in Nederland voor.
De staat van instandhouding van de kranswierwateren wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. Het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ heeft een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en de aspecten ‘oppervlakte’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling ‘. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 7.400 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 7% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 7.400 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 520 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 7.900 ha. De uitbreidingsdoelstelling geldt met name voor voorkomens met zeldzame soorten.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype kranswierwateren zijn eutrofiëring (te hoge gehaltes aan fosfaat en andere voedingsstoffen) wat zorgt voor een slecht doorzicht in met name de laagveengebieden, maar ook in het IJsselmeer en op de hogere zandgronden; en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Invasieve uitheemse rivierkreeften veroorzaken door het opeten van de waterplanten in het laagveengebied vergelijkbare problemen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verbeteren van de waterkwaliteit door het creëren van rietvelden op de grens van water en land (in de randmeren en het IJsselmeergebied), het tegengaan van onttrekkingen van grondwater en zuivering van inlaatwater (in het laagveengebied), het benutten van lokale en regionale hoogteverschillen met toestroom van grondwater (laagveengebied, hogere zandgronden), vermindering van stikstofdepositie en het verminderen van de toevoer van voedingsstoffen. Er wordt nog onderzocht of en hoe rivierkreeften weggevangen kunnen worden in de laagveengebieden.
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 7% (tot ten minste afgerond 2.200 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden verschilt in soortensamenstelling tussen enerzijds laagveenplassen en anderzijds het rivierengebied en de afgesloten zeearmen. In de laatste regio lijken de voorkomens enigszins op het subtype H3260B van langzaam stromende wateren in het benedenrivierengebied; bovendien komen deze begroeiingen gemengd met kranswierwateren (H3140) voor. Nederland kent binnen Europa een grote omvang van het habitattype (met name in de randmeren en het IJsselmeer) en een hoge diversiteit aan planten en dieren (met name in de laagveengebieden).
De staat van instandhouding van de meren met krabbenscheer en fonteinkruiden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en de aspecten ‘oppervlakte’ en ‘verspreiding’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 2.100 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 7% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 2.100 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 150 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 2.200 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden zijn eutrofiëring en met name in het laagveengebied invasieve uitheemse rivierkreeften, die vertroebeling van het water veroorzaken door het opeten van de waterplanten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verbeteren van de waterkwaliteit. Verbetering van de waterkwaliteit zal eveneens moeten leiden tot een grotere oppervlakte en een betere toestand van de karakteristieke soorten. Er wordt nog onderzocht of en hoe rivierkreeften weggevangen kunnen worden in de laagveengebieden.
H3160 Zure vennen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 7% (tot ten minste afgerond 420 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zure vennen is geheel beperkt tot de hogere zandgronden, waarbinnen de hoogste concentraties te vinden zijn in west-Drenthe en aangrenzend Friesland en in Noord-Brabant. Het habitattype kent niet-droogvallende zure vennen met grondwaterinvloed en periodiek droogvallende vennen. Ook is er variatie in het ontstaansproces tussen vennen die gesitueerd zijn in heidegebieden en vennen in de randzone van hoogveengebieden. Poelen en slenken in hoogveengebieden lijken wat betreft soortensamenstelling op zure vennen, maar maken deel uit van de daar voorkomende hoogveenhabitattypen (H7120 en op termijn ook weer H7110). Het habitattype komt in Europa wijdverspreid voor, zowel in het laagland als in de bergen. De in Nederland voorkomende zure vennen met begroeiingen met drijvende egelskop zijn van internationale betekenis.
De staat van instandhouding van de zure vennen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 380 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 7% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 380 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 40 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 420 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype zure vennen is eutrofiëring door de aanvoer van oppervlakte- of grondwater dat is verrijkt met sulfaat, nitraat en fosfaat en door atmosferische stikstofdepositie wat leidt tot vermesting. Daarnaast zorgt aantasting van de waterhuishouding voor verandering van de chemische toestand (te zuur) en voor sterkere fluctuaties van de waterstand en het frequenter en langduriger droogvallen van het ven. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie, het stabiliseren van de waterpeilen (door herstel van de waterhuishouding in de wijdere omgeving en vermindering van verdamping door bomen) en het verbeteren van de waterkwaliteit.
H3260 Beken en rivieren met waterplanten
Natura 2000-doel
Subtype A, waterranonkels: uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 80% (tot ten minste afgerond 140 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Subtype B, grote fonteinkruiden: behoud van de oppervlakte van ten minste 65 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype beken en rivieren met waterplanten bestaat uit twee subtypen. Subtype A, waterranonkels, komt voornamelijk voor in beken. Subtype B, grote fonteinkruiden, komt voor in de rivieren en betreft begroeiingen met rivierfonteinkruid en doorgroeid fonteinkruid. In Europees verband zijn alleen de typische begroeiingen van de Nederlandse laaglandbeken van bijzondere betekenis. Deze zijn beperkt tot de Atlantische delen van Europa en vrijwel overal bedreigd.
De staat van instandhouding van de beken en rivieren met waterplanten wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Deze beoordeling wordt vooral veroorzaakt door het meer voorkomende subtype A, waterranonkels. De beoordeling van de aspecten ‘verspreiding’ en ‘oppervlakte’ van subtype B, grote fonteinkruiden, zijn onbekend. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte voor subtype A, waterranonkels, is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 80 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 80% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 80 ha, betekent dit een uitbreiding van afgerond 65 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 140 ha. Voor de beken en rivieren met waterplanten betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte voor subtype B, grote fonteinkruiden, is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het subtype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 65 ha van laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald. Daarom is voor subtype B, grote fonteinkruiden een behoudsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de subtype A, waterranonkels betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, maar ten minste een matig ongunstige staat. Voor subtype B, fonteinkruiden is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar binnen een termijn van circa 25 jaar.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype beken en rivieren met waterplanten zijn de afname van rivier- en beekdynamiek door waterwerken, stuwen en sluizen enerzijds en anderzijds juist de plotselinge grote afvoeren wanneer er veel neerslag valt (waardoor waterplanten wegspoelen). Ook eutrofiëring door watervervuiling speelt een belangrijke rol. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verbeteren van de waterkwaliteit door minder afstroom van vervuild water (of waterzuivering) en met name het voorkomen van het overstromen van rioolstort na hoosbuien en het verminderen van bemesting langs beken, met name in brongebieden, bovenlopen en inzijggebieden van kwelgebieden. Het verbeteren van de sponswerking van inzijggebieden vermindert de kans op plotselinge grote afvoer van neerslagwater.
H3270 Slikkige rivieroevers
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype slikkige rivieroevers bevindt zich langs traag stromende rivieren of nevengeulen waar een hoge erosie- en sedimentatiedynamiek aanwezig is. Op de slikkige of zandige oevers en rivierstranden kan zich een open vegetatie ontwikkelen van eenjarige pioniersoorten. Wanneer natuurlijke dynamiek ontbreekt, zal de vegetatie na één à twee jaar overgaan in ruigte of grasland. Het habitattype komt wijdverspreid voor in Europa, maar kan zich alleen op enige schaal ontwikkelen langs traag stromende laaglandrivieren, zoals in Nederland langs alle grote rivieren.
De staat van instandhouding van de slikkige rivieroevers wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De huidige oppervlakte is in een gunstige staat, daarom is een behoudsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. De structuur en functie is als onbekend gerapporteerd. Echter, omdat het niet slecht gaat met de typische soorten en de onzekerheid komt door positieve en negatieve ontwikkelingen tegelijkertijd, is een behoudsdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
H4010 Vochtige heiden
Natura 2000-doel
Subtype A, hogere zandgronden: uitbreiding van de oppervlakte van ten minste 30% (tot ten minste afgerond 2.300 ha) en verbetering van de kwaliteit. Subtype B, laagveengebied: behoud, maar lokaal uitbreiding van de oppervlakte van ten minste 170 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype vochtige heiden bestaat uit twee sterk verschillende subtypen. Voor het grootste deel van de oppervlakte gaat het om de vochtige heidevelden op de zandgronden: subtype A, hogere zandgronden, en voor een veel kleiner deel gaat het om de met regenwater gevoede hoogveenontwikkelingen in laagveengebieden, oftewel moerasheide: subtype B, laagveengebied. Subtype A, hogere zandgronden, komt in Europa voor in een brede strook langs de Atlantische kusten. De vochtige tot natte heiden op de hogere zandgronden van Nederland behoren tot de meest uitgestrekte en best bewaarde voorbeelden. Subtype B, laagveengebied, is in Europa tot nu toe alleen bekend uit moerasgebieden van het laaggelegen deel van Nederland.
De staat van instandhouding van het subtype A, hogere zandgronden, wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 1.800 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 30% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 1.800 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 540 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 2.300 ha. Voor de vochtige heiden betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel. De staat van instandhouding van het subtype B, laagveengebied, wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘onbekende’ beoordeling van het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van subtype B, laagveengebied, van circa 170 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald. Voor subtype B, laagveengebied kan lokaal uitbreiding van de oppervlakte nodig zijn om de kwaliteit van dit subtype te verbeteren.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie van subtype A, hogere zandgronden op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor dit subtype. De structuur en functie voor subtype B, laagveengebied is als onbekend gerapporteerd. Echter, vanuit de achtergrondinformatie bij de rapportage en bouwsteen kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit niet gunstig is. Daarom is ook voor dit subtype een verbeterdoelstelling geformuleerd. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de subtype A, hogere zandgronden betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Voor subtype B, laagveengebied is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar.
Belangrijke knelpunten voor beide subtypen van het habitattype vochtige heiden zijn verzuring en vermesting (door atmosferische depositie van stikstof) en verdroging (door ontwatering van de omgeving), in sommige jaren versterkt door langdurige periodes van droogte (door verandering van het klimaat). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie en maatregelen om verdroging tegen te gaan. Afhankelijk van hoe het hydrologische systeem functioneert kunnen lokale maatregelen worden uitgevoerd of zijn meer regionale maatregelen nodig.
H4030 Droge heiden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met tenminste 15% (tot ten minste afgerond 17.800 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype droge heiden vormt in optimale vorm een uitgestrekt landschap met veel variatie, dat aansluit op stuifzanden en bossen. De belangrijkste ecologische variatie betreft verschillen in bodemtypen, variërend van relatief rijke leembodems op stuwwallen, via arme zandbodems op dekzanden en oude rivierzanden, naar zeer voedselarme bodems op zilverzanden. Het habitattype droge heiden komt wijdverspreid voor langs de kusten van Europa (Atlantisch en subatlantisch). In Nederland is de oppervlakte van het habitattype lokaal groot.
De staat van instandhouding van de droge heide wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 15.500 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 15% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 15.500 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 2.300 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 17.800 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de droge heiden betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, omdat de karakteristieke fauna naar verwachting meer tijd nodig heeft om te herstellen.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype droge heiden zijn de atmosferische stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Daarnaast vormt recreatie voor de in de heide broedende vogels, die tot de typische soorten behoren, een belangrijk knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie, beheermaatregelen zoals het kappen van bos ter vergroting van de oppervlakte, het verbinden van kleine terreinen (< 100 ha) via corridors en vermindering van de recreatiedruk in het broedseizoen in terreinen met op de grond broedende heidevogels.
H5130 Jeneverbesstruwelen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 180 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype jeneverbesstruwelen vormt een structuurelement in heide- en stuifzandlandschappen, en soms in (basenrijkere) graslandgebieden. Struwelen met jeneverbes worden in Europa wijdverspreid aangetroffen van het uiterste noorden tot in berggebieden van de Mediterrane landen, van de laagvlakte tot in de bergen. De Nederlandse struwelen behoren tot de veel zeldzamere laaglandvorm en beslaan een relatief grote oppervlakte.
De staat van instandhouding van de jeneverbesstruwelen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ boordeling op de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 180 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype jeneverbesstruwelen zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring en (hoewel minder dan voorheen) het ontbreken van voldoende verjonging van het struweel. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie, begrazing, waaronder periodieke drukbegrazing met schapen (voor meer open plekken zodat kieming kan plaatsvinden) of maaien om verruiging tegen te gaan en het verbeteren van de bodembuffering.
H6110 *Pionierbegroeiingen op rotsbodem
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype pionierbegroeiingen op rotsbodem is geheel beperkt tot het Heuvelland, waar het uiterst zeldzaam te vinden is op de randen van mergelgroeves. Het habitattype is rijk aan specialisten, waaronder vaatplanten, mossen en korstmossen. Het habitattype komt voornamelijk voor in de zuidelijke delen van Midden-Europa, het meest in het heuvelland en laaggebergte. In vergelijking met de rest van Europa komt het habitattype in Nederland weinig voor.
De staat van instandhouding van de pionierbegroeiingen op rotsbodem wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘oppervlakte’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De huidige oppervlakte is beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype pionierbegroeiingen op rotsbodem is dat de resterende plekken erg klein zijn. Verder zijn ook opslag van struiken en bomen en invasieve exoten belangrijke knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit de versterking van het netwerk van graslanden en verbindingen op landschapsschaal, beheer (maaien, grazen), herintroductie van soorten op plekken die hersteld zijn en waar de desbetreffende soorten niet uit eigen beweging kunnen komen en natuurontwikkeling in groeven die zijn overgedragen aan de natuurbescherming na beëindiging van de mergelwinning.
H6120 *Stroomdalgraslanden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype stroomdalgraslanden bestaat uit gevarieerde, soortenrijke, graslanden op relatief droge en voedselarme, zandige oevers van grote en soms ook kleine rivieren. Een pionierstadium van het habitattype is toegenomen als gevolg van natuurontwikkeling in het rivierengebied. De plantengemeenschappen van de stroomdalgraslanden zoals die in Nederland voorkomen, zijn beperkt tot het laagland van Noordwest-Europa (oostelijk tot in de Baltische Staten), met een zwaartepunt in Nederland.
De staat van instandhouding van de stroomdalgraslanden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ’oppervlakte’ en ’toekomstperspectief’. De aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘structuur en functie inclusief typische soorten’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De huidige oppervlakte van circa 90 ha is beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype stroomdalgraslanden zijn vernietiging door onder andere afgraving (met name in het verleden, waardoor de mogelijke locaties voor herstel beperkt zijn) en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring, waardoor uiteindelijk de meest kritische soorten verdwijnen en de soortenrijkdom afneemt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit maatregelen ter bevordering van de uitbreiding van de oppervlakte op nieuwe plekken, waarmee ook de verspreiding en de populaties van karakteristieke soorten kunnen worden vergroot, vermindering van de stikstofdepositie en adequaat beheer.
H6130 *Zinkweiden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte tot ten minste 4,4 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype zinkweiden komt in Nederland alleen voor op min of meer zandige, kalkarme oeverwallen langs de Geul ten zuiden van Epen. Hier is door de rivier tot in het nabije verleden zinkhoudend sediment afgezet, afkomstig van zink- en loodmijnen verder stroomopwaarts in België. De gemeenschappen zijn betrekkelijk arm aan soorten, maar de planten die er groeien zijn bijzonder, omdat ze zijn aangepast aan de bijzondere standplaatsomstandigheden. Hoewel de Nederlandse zinkflora in vergelijking met buurlanden zoals België en Duitsland slechts een marginale plaats inneemt, is de gebondenheid van het habitattype aan een (kleine) rivier met zijn overstromingsregime wel bijzonder. Daarnaast bezitten sommige van de kenmerkende soorten, waaronder het zinkviooltje, een dermate klein Europees areaal en een dusdanig gering aantal vindplaatsen, dat elk voorkomen bijzonder is.
De staat van instandhouding van de zinkweiden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 0,45 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling tot ten minste 4,4 ha geformuleerd. Het is het nog onzeker of dit een gunstige staat van instandhouding betekent. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de zinkweiden betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, maar ten minste een matig ongunstige staat.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype zinkweiden is de vermesting van de graslanden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit herstelbeheer door middel van verschraling van de standplaats door de afvoer van voedingsstoffen (plaggen, maaien), gevolgd door het instellen van beweiding.
H6210 *Kalkgraslanden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met tenminste 85% (tot ten minste afgerond 140 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype kalkgraslanden komt alleen in Zuid-Limburg voor en behoort tot de meest soortenrijke habitattypen van Nederland. Binnen het habitattype is sprake van zowel geografische als ecologische variatie, ook al komt het dus in een beperkt deel van Nederland voor. De belangrijkste ecologische verschillen hangen samen met het beheer, namelijk of begrazing plaatsvindt met schapen of met runderen. Kalkgraslanden komen in Europa wijdverspreid voor. Nederland ligt aan de grens van het areaal, op het knikpunt van heuvelland en laagland. Daarnaast kent Nederland een kleinschalige setting in het landschap met fijnkorrelige vegetatiecomplexen en een relatief grote rijkdom aan orchideeën (dit laatste maakt het tot een prioritair habitattype).
De staat van instandhouding van de kalkgraslanden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 75 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 85% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 75 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 65 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 140 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype kalkgraslanden zijn versnippering en eutrofiëring. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit de vergroting en versterking van het netwerk van graslanden en verbindingen op landschapsschaal (onder andere ook de ontwikkeling van bloemrijke stapstenen) en aangepast maaibeheer.
H6230 *Heischrale graslanden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype heischrale graslanden komt voor in drie varianten: droge en vochtige heischrale graslanden (met name op de hogere zandgronden en in het kustgebied) en heischrale graslanden van het heuvelland. Kenmerkend is de combinatie van grassen en dwergstruiken (heidesoorten) of bremsoorten. Heischrale graslanden zijn in Europa wijdverspreid en komen over grote oppervlakten voor in gebergten. In het laagland zijn ze betrekkelijk zeldzaam en beperkt tot kleine oppervlakten. Nederland ligt centraal in het verspreidingsgebied van deze laaglandvorm. In Nederland komt naar verhouding een betrekkelijk grote oppervlakte voor.
De staat van instandhouding van de heischrale graslanden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘verspreidingsgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De huidige oppervlakte is beoordeeld als ‘zeer ongunstig, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. De uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Dit betekent waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. De uitbreidingsdoelstelling is gericht op alle drie de varianten van het habitattype.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de heischrale graslanden betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype heischrale graslanden zijn de stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring en de verdwijning in het verleden en de daarmee verband houdende versnippering en genetische verarming, waardoor bijvoorbeeld een aantal typische soorten (bijna) uit Nederland zijn verdwenen. Daarnaast is verdroging een belangrijk knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie, vergroting van de oppervlakte of het verbinden via corridors, het verbeteren van de basenverzadiging van de bodem, het tegengaan van verdroging (door middel van meer water vasthouden in het inzijggebied of minder drainage in beekdalen) en het ondiep plaggen (op kalkbodems of leembodems).
H6410 Blauwgraslanden
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 75% (tot ten minste afgerond 350 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype blauwgraslanden bestaat uit soortenrijke hooilanden onder zeer natte omstandigheden in de winter en vochtige omstandigheden in de zomer, op bodems met een lage nutriëntenbeschikbaarheid. Het habitattype wordt gedomineerd door kruiden, grassen, kleine zeggen en andere grasachtigen. Blauwgraslanden komen verspreid, maar met sterk afgenomen oppervlakte, door het land voor in beekdalen, laagtes en overgangen van de hogere zandgronden, in ontkalkte duinvalleien en in laagveengebieden. Blauwgrasland omvat binnen Europa een klein gebied van de Atlantische kust (van Noord-Frankrijk en Ierland tot Noord-Duitsland). Nederland heeft binnen Europa een centrale ligging en bevat het merendeel van de oppervlakte van deze Atlantische vorm van het habitattype.
De staat van instandhouding van de blauwgraslanden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘oppervlakte’, structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 200 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 75% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 200 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 150 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 350 ha. Voor de blauwgraslanden betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de blauwgraslanden betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype blauwgraslanden zijn verdroging en eutrofiëring. Verdroging wordt veroorzaakt door sterk verlaagde grondwaterstanden, waardoor de basenrijke kwel wegvalt en de waterstanden te laag zijn in zomer en winter. Hierdoor neemt de invloed van regenwater toe. Eutrofiëring wordt veroorzaakt door een combinatie van stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring en verontreinigd grond- en oppervlaktewater, wat de voedselarme omstandigheden negatief beïnvloedt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit de waterhuishouding – en daarmee de vochtgradiënten – op orde brengen, waarbij ook het vergroten van oppervlakten van belang is, alsmede de vermindering van stikstofdepositie en de nutriëntenhuishouding op orde brengen.
H6430 Ruigten en zomen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 1.600 hectare en verbetering van de kwaliteit, waarbij de huidige variatie in subtypen behouden blijft.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype ruigten en zomen bestaat uit drie subtypen: subtype A, moerasspirea, subtype B, harig wilgenroosje en subtype C, droge bosranden. Het habitattype is breed gedefinieerd en wijdverspreid, maar de goede kwaliteit is beperkt tot vegetaties waar niet-algemene plantensoorten in voorkomen. Subtypen A, moerasspirea en subtype B, harig wilgenroosje betreffen begroeiingen in (relatief droge) rietmoerassen, aanspoelzones (door overstroming), op open plekken in natte bossen en struwelen, en langs kanalen, sloten en andere watergangen. Subtype C, droge bosranden, is meestal lintvormig ontwikkeld langs bos, struweel, heg of houtwal, bij uitzondering ook vlakvormig in de duinen. Omdat alleen vegetaties met niet-algemene soorten tot dit subtype worden gerekend, omvat dit subtype slechts een relatief kleine oppervlakte. Ruigten en zomen komen in Europa wijdverspreid voor. De brakke variant van subtype B, harig wilgenroosje is bijzonder binnen Europa.
De staat van instandhouding van de ruigten en zomen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en 'toekomstperspectief’. Hoewel de verspreiding en oppervlakte van subtype B, harig wilgenroosje, en subtype C, droge bosranden, waarschijnlijk beide achteruit zijn gegaan, wordt het habitattype als geheel ‘overstemd’ door de overwegend gunstige toestand van subtype A, moerasspirea, dat de grootste oppervlakte heeft binnen Nederland. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 1.600 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald. Gezien het beperkt voorkomen van subtype C, droge bosranden vraagt lokale instandhouding hiervan extra aandacht. Voor subtype B, harig wilgenroosje is uitbreiding van de brakke variant binnen het subtype van belang voor een landelijk gunstige staat van instandhouding.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor alle subtypen tezamen.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype ruigten en zomen zijn (al dan niet natuurlijke) successie, onvoldoende rivier- en beekdynamiek, ontoereikend beheer en de uitbreiding van invasieve exoten. Bij subtype C, droge bosranden is ook versnippering een probleem. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het vergroten van de waterdynamiek, effectiever beheer (begrazing of maaien), het terugzetten van successie door middel van cyclisch beheer in laag-dynamische gebieden en actieve bestrijding van invasieve exoten.
H6510 Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
Natura 2000-doel
Subtype A, glanshaver: Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 9% (tot ten minste afgerond 750 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Subtype B, grote vossenstaart: Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 355% (tot ten minste afgerond 860 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden bestaat uit twee subtypen: subtype A, glanshaver, en subtype B, grote vossenstaart. Het habitattype komt met name voor in uiterwaarden en komgronden in het rivierengebied en daarnaast lokaal in polders met een klei-op-veen bodem, op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. Subtype A, glanshaver, kent tevens een brede verspreiding op dijken. Subtype A, glanshaver, komt wijdverspreid in Europa voor, maar in het rivierengebied zijn vlakdekkende vormen zeldzaam en juist in Nederland komen deze nog lokaal voor. Nederland herbergt binnen subtype B, grote vossenstaart, één van de twee grootste populaties van de wilde kievitsbloem in Europa. Om geografische redenen is het grasland met weidekervel van internationale betekenis: deze begroeiingen vormen een westelijke voorpost van het areaal.
De staat van instandhouding van de glanshaver- en vossenstaarthooilanden wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstig’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor beide subtypen tezamen. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. Subtype A, glanshaver heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘oppervlakte’. De huidige oppervlakte van circa 690 ha voor subtype A, glanshaver laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet gehaald wordt. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 9% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 690 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 60 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 750 ha. De huidige oppervlakte van circa 190 ha voor subtype B, grote vossenstaart laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 355% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 190 ha, komt dit neer op een uitbreiding van afgerond 680 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 860 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen.
Belangrijke knelpunten voor beide subtypen van het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden zijn veranderingen in de rivierdynamiek (overstromingen in het groeiseizoen en verdroging) en klimaatverandering. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het bij toekomstige inrichtingsprojecten in de uiterwaarden meer rekening houden met het behoud van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe groeiplaatsen en, indien mogelijk, het optimaliseren van de waterhuishouding in het binnendijkse rivierenlandschap om dit type graslanden te behouden (met name subtype B, grote vossenstaart).
H7110 *Actieve hoogvenen
Natura 2000-doel
Subtype A, hoogveenlandschap: uitbreiding van de oppervlakte (tot ten minste afgerond 30 ha) en verbetering van de kwaliteit, in samenhang met het doel van herstellende hoogvenen (H7120) zodat op lange termijn herstel van functionerende hoogveenlandschappen plaatsvindt in ten minste vijf gebieden.
Subtype B, heideveentjes: uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 10% (tot ten minste afgerond 90 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype actieve hoogvenen betreft hoogveensystemen waar sprake is van een goed functionerende toplaag met actieve hoogveenvorming. Het habitattype bestaat uit twee subtypen. Subtype A, hoogveenlandschap, bestaat in goede vorm uit een hoogveenlandschap met verschillende componenten, zoals een kern met bulten en slenken, al dan niet open water (meerstallen) en overgangszones (laggzones) naar hogere zandgronden en beekdalen. Subtype B, heideveentjes, is actief hoogveen op kleinere schaal in laagten in het heidelandschap, in de vorm van heideveentjes (ook wel hoogveenvennen genoemd) en hellingveentjes. De hoogvenen van de West-Europese laagvlakte langs de Atlantische kust (Nederland, Noord-Duitsland) vormen binnen Europa een apart type (lenshoogvenen of vlakke hoogvenen). Van dit type zijn slechts kleine gedeelten in min of meer ongerepte staat (op landschapsschaal) behouden gebleven. Het habitattype is drastisch achteruitgegaan in West-Europa. Omdat de voor dit type noodzakelijke actieve veenvormende toplaag enkel nog op zeer minieme plekken aanwezig is in Nederland, kan de uitbreiding van actieve hoogvenen alleen plaatsvinden door kwaliteitsverbetering van het habitattype herstellende hoogvenen (H7120), namelijk wanneer in herstellende hoogvenen weer actieve hoogveenvorming plaatsvindt.
De staat van instandhouding van het habitattype wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte voor subtype A, hoogveenlandschap, is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor subtype A, hoogveenlandschap, is dit ingeschat als een uitbreiding tot ten minste 30 hectare (verdeeld over vijf gebieden). De huidige oppervlakte van circa 8,4 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 8,4 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 20 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 30 ha. Voor subtype A, hoogveenlandschap betekent dit doel nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte voor subtype B, heideveentjes is gebaseerd op een expertinschatting. De huidige oppervlakte van circa 80 ha voor subtype B, heideveentjes laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 10% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 80 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 8 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 90 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit van H7110A hoogveenlandschap is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Dit betekent waarschijnlijk voor subtype A, hoogveenlandschap nog geen gunstige staat van instandhouding. De verbeterdoelstelling voor subtype A heeft met name betrekking op H7120 herstellende hoogvenen, omdat dit een voorstadium is van actieve hoogvenen, en is gericht op herstel op lange termijn van functionerende hoogveenlandschappen in vijf gebieden. Voor subtype B, heideveentjes is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar op een termijn van ca. 25 jaar.
Belangrijke knelpunten voor beide subtypen van het habitattype actieve hoogvenen zijn stikstofdepositie, wat mede oorzaak is van vermesting en verzuring, en verdroging. Als gevolg hiervan worden zowel de karakteristieke soorten van dit habitattype verdreven alsook de waterhuishouding en nutriëntenhuishouding verstoord. De afwezigheid van randzones binnen het hoogveenlandschap vormt ook een belangrijk knelpunt omdat dit de impact van verdroging op het hoogveensysteem vergroot. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vernatting van het omringende herstellende hoogveen. Dit dient zeer nauwkeurig te gebeuren en is afhankelijk van de toestand van het veenrestant dat beoogd wordt om te herstellen. Andere maatregelen betreffen de inrichting van natte bufferzones, vermindering van stikstofdepositie, het verwijderen van opslag van bomen en struiken in het veen en de herintroductie van bultvormende hoogveenmossen.
H7120 Herstellende hoogvenen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 7.100 ha en verbetering van de kwaliteit. De verbetering van de kwaliteit heeft mede ten doel dat habitattype H7110 actieve hoogvenen subtype A, hoogveenlandschap ontwikkeld wordt.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype herstellende hoogvenen bestaat uit voormalig actieve hoogvenen (zie H7110) waar geen actieve hoogveenvorming meer plaatsvindt (als gevolg van bijvoorbeeld afgraven en een verstoorde waterhuishouding), maar waar nog wel de potentie bestaat om de kwaliteit weer te verbeteren. Alle hoogveenrestanten in Nederland behoren (voor zover verbeterbaar) tot dit habitattype. De bedoeling van het habitattype is dat het hersteld kan worden tot actief hoogveen met een goed functionerende acrotelm op landschapsschaal, behorende tot het habitattype H7110 actieve hoogvenen subtype A, hoogveenlandschap. De hoogvenen van de West-Europese laagvlakte langs de Atlantische kust (Nederland, Noord-Duitsland) vormen binnen Europa een apart type (lenshoogvenen of vlakke hoogvenen). Ook de herstellende hoogvenen zijn drastisch achteruitgegaan in West-Europa als gevolg van verder gaande ontginning en verdroging, waardoor verbetering niet meer mogelijk is.
De staat van instandhouding van het habitattype herstellende hoogvenen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur en functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van de oppervlakte gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte ligt mogelijk lager dan de huidige oppervlakte van circa 7.100 ha, omdat verbetering van de kwaliteit zal leiden tot ontwikkeling naar het habitattype H7110 actieve hoogvenen subtype A, hoogveenlandschap. Of er per saldo landelijk een afname van het oppervlak van de herstellende hoogvenen plaats zal vinden, is niet zeker, omdat door een verbeterde waterhuishouding binnen een hoogveenrestant ook weer locaties die eerder niet meer kwalificeerden (bijvoorbeeld omdat de vegetatie niet tot de definitie behoort), alsnog weer gaan kwalificeren.
Voor de gunstige structuur en functie moet tenminste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet tenminste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig’ bedreigd. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Dit betekent waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype herstellende hoogvenen zijn stikstofdepositie, wat mede oorzaak is van vermesting en verzuring, en verdroging. Als gevolg hiervan worden zowel de karakteristieke soorten van hoogvenen verdreven alsook de waterhuishouding en nutriëntenhuishouding verstoord. De afwezigheid van randzones binnen het hoogveenlandschap vormt ook een belangrijk knelpunt omdat dit de impact van verdroging op het hoogveensysteem vergroot. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vernatting. Dit dient heel nauwkeurig te gebeuren, afhankelijk van de toestand van het veenrestant dat beoogd wordt om te herstellen. Andere maatregelen betreffen de inrichting van natte bufferzones, vermindering van stikstofdepositie, het verwijderen van opslag van bomen en struiken in het veen of ander aanvullend beheer en de herintroductie van bultvormende hoogveenmossen.
H7140 Overgangs- en trilvenen
Natura 2000-doel
Subtype A, trilvenen: uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 300 ha en verbetering van de kwaliteit. Subtype B, veenmosrietlanden: behoud, maar lokaal uitbreiding van de oppervlakte van tenminste 1.400 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype overgangs- en trilvenen bestaat uit twee subtypen: subtype A, trilvenen, en subtype B, veenmosrietlanden. Het habitattype neemt een centrale positie in binnen de verlandingsreeks in laagveengebieden. Het subtype A, trilvenen, komt voor onder gebufferde condities, en vereist toestroom van basenrijk oppervlaktewater (laagvenen) dan wel basenrijke kwel (beekdalen, maar ook laagvenen die grenzen aan hogere zandgronden). Het subtype B, veenmosrietlanden, heeft een toplaag die sterker door regenwater wordt gevoed, en komt zodoende onder minder basenrijke omstandigheden voor. In Europees verband beslaan de gemeenschappen van overgangs- en trilvenen weliswaar een groot areaal, maar de soortenrijke vormen zijn in het gehele verspreidingsgebied zeldzaam en bedreigd. In Nederland komt het habitattype in verhouding nog over grote oppervlakte voor. Dit geldt vooral voor de veenmosrietlanden die in het Noordwest-Europese laagland in Nederland hun zwaartepunt hebben.
De staat van instandhouding van de overgangs- en trilvenen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘verspreiding’ heeft een ‘gunstige’ beoordeling. Subtype B, veenmosrietlanden, wijkt van deze beoordeling af voor het aspect ‘oppervlakte’. Voor dit subtype is dit aspect namelijk als ‘gunstig’ beoordeeld. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van subtype A, trilvenen is in zeer ongunstige staat, wat laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling voor dit subtype geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 160 ha, komt een uitbreidingsdoel van ten minste 300 ha, neer op ten minste afgerond 460 ha. Het bestaande areaal voor subtype A, trilvenen is mogelijk te laag ingeschat door een te strikte interpretatie bij de kartering in sommige gebieden. Als de kartering is verbeterd blijft het doel “uitbreiding met ten minste 300 hectare”. De huidige oppervlakte van circa 1.400 ha voor subtype B, veenmosrietlanden laat zien dat dit landelijk doel momenteel al wordt gehaald. Voor subtype B, veenmosrietlanden kan lokale uitbreiding van oppervlakte nodig zijn om de kwaliteit te verbeteren. Dit kan per locatie verschillen.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie van beide subtypen op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor subtype A, trilvenen, betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, maar ten minste een matig ongunstige staat. Voor subtype B, veenmosrietlanden is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar. Het lukt vooralsnog niet om jonge verlanding vanuit open water te realiseren, wat voor het duurzaam behoud van het habitattype noodzakelijk is.
Belangrijke knelpunten voor beide subtypen van het habitattype overgangs- en trilvenen zijn een te laag waterpeil en een slechte waterkwaliteit. Veel laagveenmoerassen zijn inzijggebieden geworden, doordat regionale kwel in de loop der decennia is verminderd en de omgeving van veel laagveengebieden door inklinking lager is komen te liggen (en het natuurgebied dus een zogenoemde ‘peilhorst’ is geworden). Om een voldoende hoog peil te houden wordt gebiedsvreemd water ingelaten, dat veelal van slechte kwaliteit is (te veel voedingsstoffen). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het verbeteren van de waterkwaliteit, het hanteren van een hoog winterpeil dat voor buffering zorgt (laagvenen, met name subtype B, veenmosrietlanden), het vergroten van de kwelstroom en het realiseren van stabielere waterpeilen door vermindering van de drainage (beekdalen, met name subtype A, trilvenen).
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 260 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komt verspreid voor op de hogere zandgronden. Het betreft pioniergemeenschappen van laagtes met tijdelijk stagnerend regen- en oppervlaktewater in natte heide en langs vennen. Er is nauwelijks floristische variatie binnen het habitattype. Wel verschillen de bodems en landschappelijke omgeving waarin het habitattype wordt aangetroffen en de wijze van ontstaan (al dan niet als gevolg van plaggen). Het habitattype komt in Europa wijdverspreid voor. Het zwaartepunt ligt in het laagland van de Atlantische kustzone, waar Nederland onder valt.
De staat van instandhouding van de pioniervegetaties met snavelbiezen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De toekomstig, gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 260 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Belangrijke knelpunten voor het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen zijn de toenemende frequentie en duur van periodes van droogte en drainage. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit kleinschalig plaggen en het kleinschalig verwijderen van opslag en bos, waar dat een negatief effect heeft op de toestroom van oppervlaktewater.
H7210 *Galigaanmoerassen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 60 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype galigaanmoerassen komt voor in de duinen (in duinvalleien), laagveenmoerassen en in beekdalen. De soortensamenstelling verschilt vooral in de jonge stadia (afhankelijk van het voorstadium), maar galigaan kan zich sterk vegetatief uitbreiden en vervolgens decennialang standhouden als soorten- arme helofytenvegetatie. Het habitattype is in Europa wijdverspreid, maar komt doorgaans in kleine oppervlakten voor. De Nederlandse begroeiingen onderscheiden zich niet van die in de rest van Europa qua omvang, ligging of het voorkomen van bijzondere soorten.
De staat van instandhouding van de galigaanmoerassen wordt als ‘gunstig’ beoordeeld vanwege een ‘gunstige’ beoordeling van de aspecten ‘verspreiding’, ‘oppervlakte’ ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 66 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. De structuur en functie is als onbekend gerapporteerd. Wel is duidelijk dat de soortenrijke vorm van galigaanmoerassen (op basenrijke standplaatsen) weinig voorkomt; daarom is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype galigaanmoerassen is het niet of onvoldoende optreden van verjonging die tot nieuwvorming zou moeten leiden. Daarnaast leiden verdroging, door te lage waterpeilen en onvoldoende overstromingen en kwel tot verruiging en successie. Maatregelen om het habitattype te verbeteren, bestaan uit het hanteren van een hoog winterpeil dat voor buffering zorgt (laagvenen), het vergroten van de kwelstroom door vermindering van drainage van inzijggebieden (beekdalen en duinen), het realiseren van stabielere waterpeilen door de vermindering van snelle afvoer van kwelwater (beekdalen), het zorgen voor voldoende dynamiek waardoor telkens nieuwvorming optreedt (kalkrijke duinvalleien) en het afgraven van de toplaag (laagvenen en duinvalleien).
H7220 *Kalktufbronnen
Natura 2000-doel
Behoud van de oppervlakte van ten minste 1,6 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype kalktufbronnen komt voor in het Limburgse Heuvelland. Kalktufbronnen omvatten bronnen en bronbeken met zeer calcium- of carbonaatrijk water. Het habitattype ligt altijd in een schaduwrijk en koel milieu in bossen of bosranden. Het habitattype heeft het zwaartepunt in berggebieden van Europa; Nederland ligt aan de rand van het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de kalktufbronnen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘oppervlakte’ gunstig is, is behoud van de oppervlakte voldoende. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 1,6 ha laat zien dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald, daarom is voor de oppervlakte een behoudsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de kalktufbronnen betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Door een sterk na-ijlend effect door de tijd die het water nodig heeft om de afstand tussen het inzijgingsgebied en de kalktufbron te overbruggen zijn effecten van maatregelen die nu worden uitgevoerd pas over enkele decennia merkbaar.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype kalktufbronnen is de vervuiling van water met nitraat en sulfaat. De agrarisch landgebruik op de plateaus in het heuvelland zijn de belangrijkste bron van deze vervuiling die met het grondwater naar beneden stroomt. Een maatregel die ertoe kan bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, is het terugdringen van de uitspoeling van nitraat en fosfaat vanuit de hoger gelegen plateaus. Er moet rekening gehouden worden met dat deze maatregel pas na tientallen jaren effect zal hebben. Daarom is het van belang om op korte termijn maatregelen te nemen.
H7230 Kalkmoerassen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 115% (tot ten minste afgerond 20 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype kalkmoerassen, oftewel alkalisch laagveen, betreft een soortenrijk habitattype waar veenvorming in kan plaatsvinden. Kalkmoerassen ontstaan vaak langs diffuus opwellende of zijdelings zwak aflopende, sijpelende stroompjes met kalkrijk water en voldoende richeltjes om water tijdelijk te doen stageneren en veenopbouw mogelijk te maken. Kalkmoerassen komen voor in basenrijke kwelmilieus zoals op de flanken van beekdalen en op de overgang tussen de hogere zandgronden en het rivierengebied, maar ook op andere plekken waar kwelwater via een kalkrijke bodem tot in maaiveld komt. Deze geografische verspreiding wordt weerspiegeld in een variatie van begroeiingen die goed te onderscheiden zijn in soortensamenstelling en ecologie. Kalkmoerassen behoren binnen Nederland tot de meest kwetsbare, zeldzame en daardoor bedreigde ecosystemen. Het type komt in Europa verspreid voor, maar beslaat altijd slechts kleine oppervlakten.
De staat van instandhouding van de kalkmoerassen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde zo gunstig mogelijke toekomstige oppervlakte is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. De huidige oppervlakte van circa 8,4 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 115% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 8,4 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 10 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 20 ha. Voor de kalkmoerassen betekent dit doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel. Naast uitbreiding in oppervlakte is uitbreiding van het aantal locaties waar dit habitattype voorkomt belangrijk voor het verbeteren van de staat van instandhouding.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor kalkmoerassen betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype kalkmoerassen is eutrofiëring door de vervuiling van water met nitraat en sulfaat (met name veroorzaakt door landbouw in de omgeving). Het te voedselrijke kwelwater leidt tot de vestiging en uitbreiding van stikstofminnende soorten die de kenmerkende soorten van het habitattype verdringen. Daarnaast zijn ontwatering en genetische verarming van de soortenpopulaties (door isolatie van de voorkomens) belangrijke knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het tegengaan van inspoeling van meststoffen, het herstel van de kweldruk, en soortgerichte herstelmaatregelen.
H9110 Veldbies-beukenbossen
Natura 2000-doel
Behoud, maar lokaal uitbreiding van de oppervlakte van ten minste 390 ha en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype veldbies-beukenbossen komt binnen Nederland alleen voor in zuidoostelijke deel van het heuvelland, tussen Vaals en Slenaken, op vuursteeneluvium met een lössdek van wisselende dikte. Het voorkomen is vrijwel beperkt tot oude bosgroeiplaatsen van vóór 1850. Ook dankzij de ligging in een gradiënt met hellingbossen op rijkere, vaak kalkrijke bodem, zijn deze bossen rijk aan soorten, waaronder een groot aantal oud-bossoorten. Het habitattype komt voornamelijk voor in Midden-Europa. Nederland ligt aan de uiterste noordwestgrens van dit areaal en omvat een klein oppervlak.
De staat van instandhouding van de veldbies-beukenbossen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de oppervlakte van het habitattype in een gunstige staat verkeerde. De huidige oppervlakte van circa 390 ha suggereert dat het landelijke doel voor de oppervlakte momenteel wordt gehaald. Op geen van de locaties wordt echter het minimumstructuurareaal gehaald. Lokaal uitbreiding is nodig ten behoeve van het bereiken van een gunstige structuur & functie, daarom is voor de oppervlakte een lokale uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype veldbies-beukenbossen is de atmosferische stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Daarnaast is er een gebrek aan open plekken met karakteristieke mantel- en zoomvegetaties en een gebrek aan aanwezigheid van alle ontwikkelingsstadia van het bos met aanwezigheid van oude, aftakelende en dode bomen en dood hout. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie en verder het vergroten van de oppervlakte en meer ruimte geven aan cruciale structuurelementen.
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 5% (tot ten minste afgerond 7.600 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype beuken-eikenbossen met hulst komt voor op (met name) de hogere zandgronden en in het heuvelland op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden zonder invloed van grondwater. Het habitattype is alleen van toepassing op oude bosgroeiplaatsen (1850 of ouder) en aangrenzende honderdjarige bosopstanden. Nederland ligt binnen Europa in het midden van het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de beuken-eikenbossen met hulst wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstig’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 7.200 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 7.200ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 360 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 7.600 ha. Voor kwaliteitsverbetering is het nodig dat een groter aantal locaties aan het minimumstructuurareaal voldoet en dus dat de oppervlakte vergroot wordt.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype beuken-eikenbossen met hulst is de atmosferische stikstofdepositie wat leidt tot verzuring en vermesting. Daarnaast vormen schaarste aan ontwikkelingsstadia, open plekken, oude en dikke bomen en liggend en staand dood hout in allerlei verteringsstadia, genetische depressie van soorten en invasieve exoten en allochtoon materiaal, belangrijke knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van de stikstofdepositie, het vergroten van de oppervlakte door spontane ontwikkeling van inheems loofbos onder (oude) grove den en omvorming van percelen uitheems naaldhout naar inheems loofbos, het vergroten van het aandeel oude, aftakelende en dode bomen en het planmatig verwijderen van invasieve exoten (met name Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik).
H9160 Eiken-Haagbeukenbos
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 5% en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype eiken-haagbeukenbos bestaat uit twee subtypen: subtype A, hogere zandgronden, en subtype B, heuvelland. Subtype A, hogere zandgronden, ligt op vlakke, sterk lemige bodems die (ten minste tot in de eerste helft van de vorige eeuw) tot in de lente zeer nat waren door stagnerend water, maar 's zomers sterk konden uitdrogen. Vrijwel al deze bossen liggen daarom op rabatten, vooral op terrasgronden (oude rivierklei) en laaggelegen leemgronden. Subtype B, heuvelland, is beperkt tot hellingbossen op kalkhoudende bodems in het heuvelland. Subtype A, hogere zandgronden, is binnen Europa beperkt tot de Noord-Duitse laagvlakte, waar Nederland deel van uitmaakt. De oppervlakte in Nederland is klein. Subtype B, heuvelland, komt in grote delen van Europa voor (met het zwaartepunt van het areaal in West- en Midden-Europa). De Nederlandse bossen vertegenwoordigen een variant met een betrekkelijk klein, subatlantisch verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de eiken-haagbeukenbossen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ en ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘oppervlakte’. Deze beoordeling geldt voor beide subtypen tezamen. Omdat de oppervlakte een ‘matig ongunstige’ beoordeling heeft, is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd, voor beide subtypen tezamen.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van beide subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van beide subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor beide subtypen. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit van subtype A, hogere zandgronden is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor subtype A, hogere zandgronden, betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, omdat voor herstel substantiële herstelmaatregelen op landschapsschaal moeten worden uitgevoerd. Voor subtype B, heuvelland, is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype eiken-haagbeukenbos subtype A, hogere zandgronden is het wegvallen van de karakteristieke, wisselvochtige waterhuishouding, als gevolg van ontwatering van het omringende landschap. Dit wordt verergerd door sterke rabattering van de meeste groeiplaatsen en door hoge stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Na verdroging zijn deze qua structuur uniforme bossen (als gevolg van historisch hakhout- en middenbosbeheer) zeer gevoelig voor massale uitbreiding van zwarte bramen vanuit het omringende cultuurlandschap waarbij vrijwel de gehele oorspronkelijke kruidlaag verdwijnt. Voor subtype B, heuvelland, zijn successie na het stopzetten van het hakhoutbeheer en de hoge stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring belangrijke knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding van subtype A, hogere zandgronden, verbetert, zijn onder andere herstel van de wisselvochtige waterhuishouding op landschapsschaal, gericht op het vasthouden van regenwater in het winterhalfjaar en vroege lente. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding van subtype B, heuvelland, verbetert, zijn beheermaatregelen gericht op duurzame instandhouding van populaties van karakteristieke flora en fauna op landschapsschaal en aanvullend beheer na het stoppen van hakhout- of middenbosbeheer, om dominantie van bosrank tegen te gaan. Voor beide subtypen geldt het sterk verminderen van stikstofdepositie als belangrijke maatregel.
H9190 Oude eikenbossen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 5% (tot ten minste afgerond 1.400 ha) en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype oude eikenbossen komt voor op de hogere zandgronden op kalkarme, zeer voedselarme, droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel en zonder invloed van grondwater. Het habitattype is alleen van toepassing op oude bosgroeiplaatsen (1850 of ouder) en op honderdjarige bosopstanden. Het voorkomen is beperkt tot oude bosgroeiplaatsen van vóór 1850 en daaraan grenzende bossen van ten minste 100 jaar oud. Deze bossen zijn relatief soortenarm en kennen een ondergroei van dwergstruiken, grassen, kruiden, mossen en paddenstoelen die kunnen voorkomen op relatief basenarme standplaatsen. Het habitattype is beperkt tot het Noordwest-Europese laagland en komt in Nederland op vrij ruime schaal voor.
De staat van instandhouding van de oude eikenbossen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘oppervlakte’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 1.300 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 5% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 1.300 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 65 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 1.400 ha.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype oude eikenbossen is de atmosferische stikstofdepositie, die leidt tot vermesting en verzuring. Daarnaast vormen schaarste aan ontwikkelingsstadia, open plekken, oude en dikke bomen en liggend en staand dood hout in allerlei verteringsstadia, naast invasieve exoten en genetische depressie van soorten, belangrijke knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie, het vergroten van het aandeel oude, aftakelende en dode bomen, het vergroten van de oppervlakte door spontane ontwikkeling van inheems loofbos in heide- en stuifzandlandschap en onder (oude) grove den en het planmatig verwijderen van invasieve exoten, met name Amerikaanse vogelkers, Amerikaans krentenboompje en Amerikaanse eik.
H91D0 *Hoogveenbossen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte, vooral in nat zandlandschap, met ten minste 5% (tot ten minste afgerond 1.300 ha) en verbetering van de kwaliteit door grotere aaneengesloten eenheden te realiseren.
Toelichting Natura 2000-doel
Hoogveenbossen bestaan uit natte berkenbossen die geheel of grotendeels door regenwater gevoed worden. Van het habitattype zijn twee varianten te onderscheiden: namelijk het hoogveen-berkenbroekbos en het laagveen-berkenbroekbos. Het hoogveen-berkenbroekbos met (veen)mossen en vaatplanten van hoogveensystemen komt voor aan de rand van hoogvenen (buiten de locaties die behoren tot herstellende en actieve hoogvenen) en – in het zandlandschap – langs de randen van door regenwater gevoede vennen en natte laagtes. Het laagveen-berkenbos met (veen)mossen en vaatplanten van matig voedselarme en wat mineraalrijkere omstandigheden komt voor in de voormalige laag-zone van hoogveengebieden, in laagveengebieden en in de bovenranden van beekdalen. De verschillen tussen deze varianten zijn overigens niet zó groot dat twee subtypen zouden moeten worden onderscheiden. Het habitattype heeft zijn hoofdverspreiding in Noord- en Midden Europa. Nederland ligt aan de zuidwestgrens van het areaal van het habitattype en het hoogveenbos is hier relatief soortenarm.
De staat van instandhouding van de hoogveenbossen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘oppervlakte’ een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 1.200 ha laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Daarom is een uitbreidingsdoelstelling van tenminste 5% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 1.200 ha, komt dit neer op een uitbreiding van ten minste 60 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 1.300 ha. De nadruk voor deze uitbreidingsopgave ligt in de voormalige randzones van grote hoogvenen en op overgangen van hoogveen en natte heide naar beekdalen in nat zandlandschap.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype hoogveenbossen is verdroging. Dit ontstaat door drainage dat tot lagere waterstanden leidt of door minder toestroom van grondwater (vermindering kwel). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit het hanteren van een hoog winterpeil (laagvenen), het vergroten van de kwelstroom door vermindering van drainage in inzijggebieden (beekdalen, Maasterrassen) en het realiseren van stabielere waterpeilen door vermindering van de afvoer van water (beekdalen, voormalige hoogvenen).
H91E0 *Vochtige alluviale bossen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte met ten minste 5% (tot ten minste afgerond 4.800 ha) en verbetering van de kwaliteit, waarbij het doel geldt voor elk subtype.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype vochtige alluviale bossen bestaat uit vochtige tot natte bossen die onder invloed van beken en rivieren staan. De variatie binnen dit habitattype is groot, zowel in dominante boomsoorten (onder andere essen, elzen en wilgen) als in ondergroei. Daarom worden drie subtypen onderscheiden: subtype A, zachthoutooibossen, subtype B, essen-iepenbossen, en subtype C, beekbegeleidende bossen. Subtype A, zachthoutooibossen, komt vooral voor in lage uiterwaarden van rivieren en het zoetwatergetijdengebied die gemiddeld minstens tien dagen per jaar worden overstroomd. Subtype B, essen-iepenbossen, komen voor op de hogere minder vaak overstroomde uiterwaarden en op binnendijkse, kwelgevoede locaties. Subtype C, beekbegeleidende bossen, komt vooral langs beken en bronnen op de hogere zandgronden en in het Heuvelland voor; het gaat om bossen die onder invloed staan van periodieke overstroming en om plekken met het hele jaar door hoge grondwaterstanden. Daarnaast komt het op dergelijke standplaatsen ook lokaal in het rivierengebied voor. De getijdenzachthoutooibossen nemen binnen subtype A, zachthoutooibossen, een bijzondere positie in qua soortensamenstelling en vormen een uiterst zeldzame verschijningsvorm van de alluviale bossen binnen Europa. Subtype B, essen-iepenbossen, betreft bossen die maar een beperkt verspreidingsgebied binnen Europa hebben (de Noordwest-Europese laagvlakte, waaronder Nederland). Subtype C, beekbegeleidende bossen, hebben een wijde verspreiding binnen Nederland, maar meestal zijn ze verdroogd en omvatten ze een geringe oppervlakte, net als elders in Europa. Daarbij kent dit subtype verschillende vormen, die elk andere eisen stellen qua omgevingscondities.
De staat van instandhouding van het habitattype vochtige alluviale bossen wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’, ‘structuur & functie inclusief typische soorten’ en ‘toekomstperspectief’. Deze beoordeling geldt voor alle subtypen tezamen. De benodigde, toekomstig gunstige oppervlakte is gebaseerd op een modelmatige benadering voor duurzaam voortbestaan van goede structuur, functie en typische soorten van het habitattype. De huidige oppervlakte van circa 4.600 ha laat zien dat de landelijke doelstelling momenteel niet worden gehaald. Daarom is voor alle subtypen een uitbreidingsdoelstelling van ten minste 5% geformuleerd. Met de huidige oppervlakte van circa 4.600 ha, komt dit neer op een uitbreiding van 230 ha, wat resulteert in ten minste afgerond 4.800 ha. De focus voor uitbreiding ligt bij subtype B, essen-iepenbossen en C, beekbegeleidende bossen die zeldzamer zijn.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van alle subtypen tezamen een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van alle subtypen tezamen moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. Omdat de structuur en functie op dit moment in matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor alle subtypen tezamen. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor de subtypen A, zachthoutooibossen, en subtype B, essen-iepenbossen, betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, maar ten minste een matig ongunstige staat. Uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit zijn in samenhang nodig om een matig ongunstige staat van instandhouding voor structuur en functie te behouden. Voor subtype C, beekbegeleidende bossen is een gunstige staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie wel haalbaar.
Belangrijke knelpunten voor alle subtypen tezamen zijn verdroging en versnippering en op termijn klimaatverandering. Belangrijke knelpunten voor specifiek het habitattype vochtige alluviale bossen subtype A, zachthoutooibossen, en subtype B, essen-iepenbossen, zijn verwijdering van bos vanwege de waterveiligheid en gebrek aan verjonging. Specifiek voor subtype C, beekbegeleidende bossen, zijn belangrijke knelpunten overstroming met fosfaatrijk slib door verontreinigd beekwater, dan wel verdroging en verlies van kwel, en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Iepenziekte, essentaksterfte en het staken van hakhoutbeheer kan lokaal een probleem vormen voor de essenbossen van subtypen B en C. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit planvorming voor maatregelen op het niveau van riviertrajecten om de knelpunten m.b.t. de waterveiligheidseisen te verkleinen of op te lossen, natuurontwikkeling voor verjonging van wilgenbossen, maatregelen tegen verdroging, het actief bestrijden van invasieve uitheemse soorten, vermindering van stikstofdepositie en substantiële vergroting van de oppervlakte van ooibossen in het buitendijkse rivierengebied.
H91F0 Droge hardhoutooibossen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit.
Toelichting Natura 2000-doel
Het habitattype droge hardhoutooibossen is, anders dan de vochtige tot natte hardhoutooibossen van H91E0, beperkt tot de delen van het rivierengebied die incidenteel of minder dan 1 dag per jaar worden overstroomd en waar de zandige of licht-zavelige bodem voor een snelle uitzakking van het grondwaterpeil zorgt. Deze omstandigheden komen voor op zandige oeverwallen, rivierduinen, hogere terrasgronden en overgangen naar de hogere zandgronden. Deze bossen kunnen bestaan uit opgaand bos, maar ook als hakhoutbos (waardoor de voorjaarsflora meer de ruimte krijgt). Binnen Europa komt het habitattype voor in de meeste trajecten van de grote rivieren, maar deze bossen zijn overal zeldzaam en relatief gering van omvang. Om deze reden zijn alle restanten, ook in uiterst geringe omvang zoals in Nederland, van belang.
De staat van instandhouding van de droge hardhoutooibossen wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘oppervlakte’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ’structuur en functie’ is als onbekend beoordeeld. De huidige oppervlakte is beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Door onzekerheden over de huidige omvang, is het doel voor de oppervlakte niet gekwantificeerd. De uitbreidingsdoelstelling is gericht op kwaliteitsverbetering met het ontwikkelen van substantiële, goed functionerende eenheden van ooiboscomplexen.
Voor de gunstige structuur en functie moet ten minste 90% van de doeloppervlakte van het habitattype een goede kwaliteitstoestand hebben. Van de typische soorten van het habitattype moet ten minste 75% ‘niet bedreigd’ zijn, en minder dan 15% ‘bedreigd’ of ‘ernstig bedreigd’. De structuur en functie is als onbekend gerapporteerd. Vanuit de achtergrondinformatie van de rapportage en de bouwsteen kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit ongunstig is, maar dat het niet duidelijk is in welke mate de staat ongunstig is. Daarom is een verbeterdoelstelling geformuleerd voor het habitattype. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Voor het hardhoutooibos betekent dit waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding, vanwege de lange ontwikkeltijd van het bos.
Een belangrijk knelpunt voor het habitattype droge hardhoutooibossen is stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Knelpunten met betrekking tot waterveiligheid, rivierdynamiek en verdroging spelen hier door de hogere ligging minder dan bij de alluviale bossen in het rivierengebied (H91E0, subtypen A en B). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan onder andere uit vermindering van stikstofdepositie en substantiële vergroting van de oppervlakte van ooibossen in het buitendijkse rivierengebied, waarvoor planvorming voor maatregelen op het niveau van riviertrajecten nodig is.
H1014 Nauwe korfslak
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in het hele Hollandse kustgebied, Waddeneilanden en Zuid-Limburg en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
Nauwe korfslakken komen voor in kalkrijke duinen van Bergen aan Zee tot aan het Zwin bij Cadzand en verder op Schiermonnikoog, Rottumeroog en Rottumerplaat. De Nederlandse populatie rond 2004 was bijzonder groot ten opzichte van populaties in andere Europese landen.
De staat van instandhouding van de nauwe korfslak wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Met het huidige voorkomen in circa 100–300 kilometerhokken is de landelijke populatie beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Een belangrijk knelpunt voor de nauwe korfslak is dat marginale populaties in gebieden waar de nauwe korfslak in lage dichtheden voorkomt en/of alleen plaatselijk voorkomt gemakkelijk kunnen verdwijnen, waarmee het verspreidingsgebied afneemt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn rekening houden met het voorkomen van de nauwe korfslak bij afplaggen en begrazing.
H1016 Zeggekorfslak
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van duurzame populaties in het gehele oorspronkelijke natuurlijke verspreidingsgebied in West- en Noord-Nederland, Groningen, Twente en Limburg en tenminste een stabiele populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De zeggekorfslak komt in grote delen van Nederland voor, maar in de provincies Zeeland, Flevoland en Gelderland is de soort niet aangetroffen. De Nederlandse populatie is groot ten opzichte van populaties in andere Europese landen.
De staat van instandhouding van de zeggekorfslak wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling op basis van een negatieve trend van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Hoewel de landelijke verspreiding al geruime tijd stabiel lijkt, zijn nog niet alle vindplaatsen voldoende in beeld en zijn de leefgebieden in de huidige regio’s daarom waarschijnlijk minder geïsoleerd dan nu gedacht. Het huidige bekende voorkomen in circa 370 kilometerhokken is voldoende voor een gunstige staat, daarom is een behoudsdoelstelling geformuleerd. De omvang en kwaliteit van het leefgebied is afgenomen in bron- en moerasbossen, maar dit vormt een relatief klein deel van de totale oppervlakte van het leefgebied in Nederland. De grootste oppervlakte wordt aangetroffen langs langdurig ongestoorde oevers van oude waterlopen en plassen van veenweidengebieden. De totale omvang van het leefgebied blijft daarom genoeg voor duurzaam voortbestaan van de populaties. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel enkele tientallen tot hooguit enkele honderden vierkante meters bezet leefgebied met gemiddeld 15–40 individuen per m2 aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stabiele populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Een belangrijk knelpunt voor de zeggekorfslak is verdroging en grondwateronttrekking met name in kwelmoerasgebieden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het zoveel mogelijk tegengaan van maaien, klepelen en begrazing van natuurlijke oevers met zeggenvegetaties en andere waardplanten en van verlandingszones. Voor kwelmoerasgebieden waarin de soort voorkomt geldt dat verdroging zoveel mogelijk moet worden tegengegaan.
H1037 Gaffellibel
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en behoud van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding van de populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
De gaffellibel komt voor in de Roer en Swalm. De populaties in de Roer en Swalm omvatten aanzienlijke delen van het stroomgebied. In het verleden kwam de gaffellibel ook voor in de Maas, de Dommel en waarschijnlijk in de Rijn. De Nederlandse populatie is, samen met die aan de Duitse kant van de grens en een populatie bij Krefeld, de enige in de Atlantische Regio van de Europese Unie.
De staat van instandhouding van de gaffellibel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ en de aspecten ‘verspreiding’ en ‘populatie’ hebben een beoordeling als ‘onbekend’. Omdat de kwaliteit van het leefgebied voldoende is, volstaat behoud ervan. Aangezien de soort sinds 1995 weer in Nederland wordt waargenomen en onzeker is hoe populatieomvang en verspreidingsgebied zich gaan verhouden tot het historische areaal, kan nog niet worden bepaald welke populatieomvang benodigd is voor een gunstige staat van instandhouding. Het huidige aantal bedraagt circa 250–1.000 individuen, omdat nog niet op alle locaties sprake is van een duurzame populatie, is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de gaffellibel zijn slechte waterkwaliteit en verstoorde bodemstructuur door kanalisering van beken en rivieren. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het verder verbeteren van de waterkwaliteit in de grote beken en rivieren, waarbij het voorkómen van piekbelastingen uit overstorten die leiden tot zuurstoftekorten de focus heeft en het herstel van de natuurlijke loop van grotere beken zodat er weer geschikte zandbodems ontstaan.
H1042 Gevlekte witsnuitlibel
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor behoud van duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 190 kilometerhokken met een stabiele of stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De gevlekte witsnuitlibel is een soort die de afgelopen decennia een flinke opmars heeft gemaakt. De grootste populaties komen voor in laagveengebieden in Noordwest-Overijssel en aangrenzend Friesland en Flevoland en in mindere mate in het Hollands-Utrechtse laagveengebied. Daarnaast zijn verspreide waarnemingen bekend in vennen op de zandgronden en valleien in de kustduinen. De Nederlandse populaties zijn groot in vergelijking met de populaties in andere delen van de Atlantische regio.
De staat van instandhouding van de gevlekte witsnuitlibel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Hiervoor moeten zowel de sleutelpopulaties in laagveenmoerassen als een aantal kleinere metapopulaties op de hogere zandgronden en in de kustduinen gehandhaafd worden. Het huidige voorkomen in circa 1.200 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald. Het huidige voorkomen is inclusief zwervers, maar er zijn ook voldoende duurzame populaties aanwezig. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 5.000 individuen in sleutelpopulaties in laagveengebieden en 1.000 individuen in meta populaties elders aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stabiele of stijgende populatietrend nodig voor behoud van een duurzame populatie.
Belangrijke aandachtspunten voor de gevlekte witsnuitlibel zijn stikstofdepositie, wat mede-oorzaak is van verzuring en eutrofiering, en droogval van leefgebieden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft bestaan onder andere uit, het verbeteren van de grondwaterkwaliteit, het terugdringen van verdroging en de vermindering van stikstofdepositie.
H1059 Pimpernelblauwtje
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van tenminste 7.500 volwassen individuen in een verspreidingsgebied van tenminste 30 kilometerhokken.
Toelichting Natura 2000-doel
Het pimpernelblauwtje komt momenteel alleen in het Vlijmens ven, Moerputten, en Bossche Broek in Noord-Brabant voor. Het pimpernelblauwtje komt in de Atlantische regio alleen voor in Nederland en Frankrijk. Verlies van de Nederlandse populatie zou dus een belangrijke beperking betekenen van het westelijk deel van het verspreidingsgebied. In de continentale biogeografische regio komt het pimpernelblauwtje veelvuldiger voor.
De staat van instandhouding van het pimpernelblauwtje wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie voor tenminste twee levensvatbare metapopulaties. Het huidige aantal van circa 400–3.000 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor het pimpernelblauwtje zijn ontoereikend beheer, een te klein leefgebied en onvoldoende kwaliteit van nieuw leefgebied. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het adequaat beheren van huidige leefgebieden en onderzoek doen naar potentieel geschikte gebieden voor de vestiging van extra metapopulaties van het pimpernelblauwtje in Noord-Brabant en Limburg.
H1060 Grote vuurvlinder
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van tenminste 3.200 individuen in een verspreidingsgebied van tenminste 82 kilometerhokken.
Toelichting Natura 2000-doel
De grote vuurvlinder komt momenteel alleen voor in de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe en Brandemeer (Friesland) en Weerribben (Overijssel). De Nederlandse ondersoort van de grote vuurvlinder is een van onze weinig endemische dieren, buiten Nederland komen deze nergens anders voor.
De staat van instandhouding van de grote vuurvlinder wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Dit komt erop neer dat de twee huidige kerngebieden met elkaar en met twaalf satellietpopulaties verbonden moeten worden in een metapopulatie netwerk binnen het historische areaal. Het huidige aantal van circa 500–1.500 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de grote vuurvlinder zijn successie van het leefgebied en de waterkwaliteit. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het vertragen van de successie en uitbreiding van leefgebied door de verbinding tussen Weerribben en Wieden (Overijssel) te verbeteren en leefgebied in de Wieden en in Friesland te creëren.
H1061 Donker pimpernelblauwtje
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van tenminste 7.500 individuen in een verspreidingsgebied van tenminste 30 kilometerhokken.
Toelichting Natura 2000-doel
Het donker pimpernelblauwtje kwam nog op een wegberm in Midden Limburg voor. In 2024 is geconstateerd dat er geen vlinders meer aanwezig zijn. Omdat de populaties in het Duitse deel van het Roerdal inmiddels verdwenen zijn, was de Nederlandse populatie volledig geïsoleerd. De Nederlandse populatie was, samen met een populatie bij Krefeld (Duitsland), de enige in de Atlantische Regio van de Europese Unie. De soort is recent ook verdwenen uit het Nederlandse deel van het Roerdal.
De staat van instandhouding van het donker pimpernelblauwtje wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het gemiddelde over de periode van 2019–2024 bedroeg circa 5–550 individuen.
Belangrijke knelpunten voor het donker pimpernelblauwtje zijn onvoldoende geschikt leefgebied, ontoereikend beheer en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn natuurontwikkeling in het Roerdalen Swalmdal en in Vlijmens Ven/Moerputten met terugkeer van de gewone steekmier, vermindering van stikstofdepositie en realisatie van verbindingszones via beekdalen in Duitsland, waarmee toegewerkt wordt naar succesvolle herintroductie van de soort.
H1081 Brede geelgerande waterroofkever
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de vorm van een bufferzone met een netwerk van bezette poelen rond het huidige leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding van de populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
De soort kwam tot in de 19e eeuw verspreid voor in Zuidoost-Nederland, maar was aan het begin van de 20ste eeuw al zeer zeldzaam, evenals in de rest van West-Europa. Na jaren van schijnbare afwezigheid is de soort in 2005 ‘herontdekt’ in hetzelfde gebied als waar de soort in 1967 voor het laatst was waargenomen. Vervolgonderzoeken hebben uitgewezen dat het om een zeer kleine populatie gaat, van hoogstens enkele tientallen, tot mogelijk enkele honderden dieren verspreid over drie vennen in één gebied in Drenthe. Sinds de herontdekking lijken de aantallen verder gedaald. In 2022 is de soort nog maar in één ven geteld. Nederland is het enige land binnen de Atlantische biografische regio waar de soort nog voorkomt.
De staat van instandhouding van de brede geelgerande waterroofkever wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ voor alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied door middel van de realisatie van een bufferzone met een netwerk van poelen buiten het huidige leefgebied in het Holtingerveld kan op de lange termijn als aanvullend leefgebied en verbinding gaan functioneren. Hierdoor kan de populatie zich uitbreiden naar omringende gebieden. Met het huidige voorkomen van circa 30–55 individuen is de landelijke populatie beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor de brede geelgerande waterroofkever betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Een belangrijk knelpunt voor de brede geelgerande waterroofkever is de afhankelijkheid van hoge dichtheden aan kokerjuffers. Hierbij is het vooral van belang dat de vennen niet té voedselrijk worden waardoor kokerjuffers door algenbloei/zuurstofgebrek plotseling kunnen verdwijnen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn dat er poelen/’stepping stones’ komen in de buurt van de huidige leefgebieden. Van belang is dat beheer van de vennen en hun omgeving met veel kennis en zorgvuldigheid wordt uitgevoerd. Zo moeten ze omringd blijven door struiken en bosschages, in die mate dat ze voldoende bufferend zijn tegen lichtvervuiling, en moet (herstel)beheer van de oevers nadrukkelijk rekening houden met de vereisten van deze soort.
H1082 Gestreepte waterroofkever
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een duurzame populatie in een verspreidingsgebied van ten minste 110 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De gestreepte waterroofkever is een typische laagveensoort. De grootste Nederlandse populaties komen voor in de laagveengebieden van Friesland en Noordwest-Overijssel, en daarna in Zuid-Holland en Utrecht. Alleen in Zweden, Finland en delen van Rusland is de gestreepte waterroofkever nog vrij algemeen. De soort is in Nederland zeldzaam. Er zijn echter in omringde landen minder waarnemingen bekend.
De staat van instandhouding van de gestreepte waterroofkever wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘matig ongunstig’ van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige voorkomen in circa 90 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 1.000 volwassen individuen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stabiele/stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke knelpunten voor de gestreepte waterroofkever zijn verslechtering van waterkwaliteit en de opkomst van invasieve, uitheemse rivierkreeften. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het bestrijden van de invasieve, uitheemse rivierkreeft en het zorgen voor waterbuffers en een flexibel peilbeheer.
H1083 Vliegend hert
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in alle vier de kernleefgebieden, waarbij de populaties in de grensregio’s onderdeel zijn van grensoverschrijdende metapopulaties.
Toelichting Natura 2000-doel
De huidige verspreiding beperkt zich tot vier verspreidingsgebieden: Veluwe (ten noorden van de A1), Rijk van Nijmegen, omgeving Mander in Noordoost-Twente, en Zuid-Limburg. Populaties in Limburg, het Rijk van Nijmegen en de omgeving Mander maken allemaal deel uit van grensoverschrijdende metapopulaties met België en Duitsland. Het vliegend hert heeft in Europa een ruime verspreiding, van Zuid-Scandinavië tot aan de lijn Midden-Spanje – Griekenland. Nederland herbergt slechts een klein deel van de Europese populatie. De Nederlandse populatie bevindt zich aan de noordwestrand van het verspreidingsgebied van de soort en is dus waarschijnlijk extra kwetsbaar.
De staat van instandhouding van het vliegend hert wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld, vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de omvang van het leefgebied voldoende is, volstaat behoud ervan. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de vier kerngebieden die er waren in de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994) en voldoende omvang van elk van de (grensoverschrijdende) kernleefgebieden voor een zelfstandige populatie. Met het huidige voorkomen in circa 600 kilometerhokken is de landelijke populatie beoordeeld als ‘gunstig’, maar omdat de omvang van de populaties in de kernleefgebieden onvoldoende duurzaam is, is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 5.000 volwassen individuen per (grensoverschrijdend) kernleefgebied aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke knelpunten voor het vliegend hert zijn de beperkte verbondenheid van geschikt leefgebied en de versnippering van populaties. De binding aan dood, door witrot aangetast eikenhout, de lange ontwikkelingsduur (3–4 jaar) van de larven en de beperkte verspreidingscapaciteit (< 200 m) maakt het vliegend hert tot een kwetsbare soort die niet makkelijk historische of nieuwe geschikte gebieden koloniseert. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn realisatie van grotere aaneengesloten loofboscomplexen met oude bomen, en zorgvuldig beheer.
H1095 Zeeprik
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 10.000 doortrekkende individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
Voor de zeeprik vormt het Nederlands deel van de rivieren de toegangspoort en een belangrijke migratieroute naar paaiplaatsen stroomopwaarts in Duitsland, België en Frankrijk. Binnen Nederland is de Roer een belangrijke paaiplaats voor de zeeprik.
De staat van instandhouding van de zeeprik wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de omvang van het leefgebied voldoende is, volstaat behoud ervan. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Met het huidige aantal van circa 5.000–10.000 individuen is ingeschat dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de zeeprik zijn de kwaliteit van paaigebieden en de slechte passeerbaarheid van sluizen en dammen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert zijn het beter passeerbaar maken van de barrières naar de grote rivieren vanuit zee, met name in het Haringvliet en bescherming van alle paaigebieden.
H1096 Beekprik
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in een uitbreidend verspreidingsgebied en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De beekprik heeft in Nederland zwaartepunten in Noord-Brabant, Gelderland (Veluwe en Achterhoek), Overijssel (Twente) en in Limburg. In de rest van het land ontbreekt de soort. De primaire habitat voor de soort bevindt zich in beken en riviertjes met een matige stroming en variatie in bodem en stroomsnelheden. De larven groeien op in detritusrijke bodems. Voor de voortplanting zijn grindrijke plaatsen met sneller stromend water noodzakelijk. De beekprik is beperkt tot Europa. Nederland bevindt zich min of meer in het centrum van het verspreidingsgebied, maar heeft relatief weinig geschikte beken.
De staat van instandhouding van de beekprik wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van de aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘leefgebied’. De aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’ worden als ‘matig ongunstig’ beoordeeld. De uitbreidingsdoelstelling voor de benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Met het huidige voorkomen in circa 180–200 kilometerhokken is de landelijke populatie beoordeeld als ‘matig ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 50 individuen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stabiele/stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie. Voor de beekprik betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Een belangrijk knelpunt voor de beekprik is het droogvallen van beken door een onnatuurlijk watersysteem en klimaatverandering. Andere knelpunten zijn piekafvoeren, ongeschikt beekbeheer (schonen), invasieve exoten en de waterkwaliteit. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het beter vasthouden van water in bovenlopen en herintroductie in beken waarvoor geldt dat de soort er niet meer op eigen kracht kan komen.
H1099 Rivierprik
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 10.000 volwassen individuen die doortrekken of paaien.
Toelichting Natura 2000-doel
Volwassen rivierprikken worden in alle grote rivieren, het IJsselmeer en de kustwateren aangetroffen. Er zijn twee grote populaties in Nederland: één in het Rijn-Maas-Schelde-systeem, en één die via de Eems naar Duitsland trekt. Voor een deel van de populatie heeft Nederland een paai- en opgroeifunctie. Exacte gegevens over de populaties ontbreken, maar aan te nemen is dat deze rivieren een wezenlijke bijdrage leveren aan de wereldpopulatie rivierprikken.
De staat van instandhouding van de rivierprik wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de omvang van het leefgebied voldoende is, volstaat behoud ervan. De ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’ is gebaseerd op de trend. Omdat de omvang van de populatie voldoende is, volstaat behoud ervan. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige aantal van circa 50.000–100.000 individuen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
Belangrijke knelpunten voor de rivierprik zijn rechtgetrokken waterwegen en de barrière van de afsluitdijk. Om te bepalen welke maatregelen er genomen kunnen worden die ertoe bijdragen dat de staat van instandhouding kan verbeteren, is verder onderzoek nodig over aantallen migrerende rivierprikken en over de locaties en kwaliteit van paaiplaatsen.
H1102 Elft
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht ten behoeve van uitbreiding van de populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
De elft paait niet in Nederland, maar hoger stroomopwaarts. Nederland is de toegangspoort tot de paaiplaatsen in het stroomgebied van de Rijn. Het Nederlandse benedenrivierengebied was een belangrijk opgroeigebied van jonge elften, afkomstig uit Duitsland. Een Duits Life-Ambition project biedt nieuwe mogelijkheden voor de soort, door herintroductie in het stroomgebied van de Rijn. Nederland heeft een belangrijke positie in het herstel van de soort in de Rijn en daarmee op Europees niveau.
De staat van instandhouding van de elft wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van het aspect ‘populatie’, Met het huidige voorkomen van circa 100–5.000 individuen is de landelijke populatie beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Er is nog niet bepaald welke populatieomvang benodigd is voor een gunstige staat van instandhouding, omdat de soort pas sinds enkele jaren weer in Nederland voorkomt. Het is daarom niet mogelijk om het doel te concretiseren en te bepalen welk niveau haalbaar is.
Belangrijke knelpunten voor de elft zijn barrières tijdens de migratie en mogelijke bijvangst in de visserij. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn verbetering van de connectiviteit (van Kustzone naar Duitsland) en vermindering van de visserijdruk (met name bij de intrekgebieden). De soort kan hierbij meeliften met de maatregelen die genomen worden om de trekroutes voor de zalm (gehele stroomgebied) en fint (in benedenlopen) te herstellen.
H1103 Fint
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een grensoverschrijdende populatie in de kustregio van ten minste 10.000 volwassen individuen, waarbij Nederland bijdraagt als opgroeigebied van jonge fint en als doortrekgebied naar de paaiplaatsen.
Toelichting Natura 2000-doel
De fint komt verspreid voor in het Nederlandse kustgebied en in riviermondingen, waar de jonge fint opgroeit. De paaigebieden betreffen relatief grote, natuurlijke zoetwatergetijdengebieden. De fint is met het afsluiten van het Haringvliet in de Rijn en Maas zo goed als uitgestorven als een zich in Nederland voortplantende (paaiende) populatie. Paai vindt plaats in de Schelde in België. De fint komt van oorsprong voor in de oostelijke kustzone van de Atlantische Oceaan. Nederland ligt centraal in het verspreidingsgebied.
De staat van instandhouding van de fint wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Nederland draagt bij aan een grensoverschrijdende populatie als opgroeigebied van de jonge fint en als doortrekgebied naar de paaiplaatsen. Het huidige aantal van circa 0–50 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de fint zijn het ontbreken van paaigebieden en de bijvangst in de visserij. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn verbetering van de connectiviteit (van Waddenzee naar IJsselmeer) en vermindering van de visserijdruk (met name bij de intrekgebieden).
H1106 Zalm
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van tenminste 7.500 migrerende exemplaren.
Toelichting Natura 2000-doel
Nederland is uitsluitend doortrekgebied voor de zalm op weg naar paaigebieden verder stroomopwaarts in Duitsland en Frankrijk. Zalmen gebruiken vooral de route naar Duitsland en trekken slechts in beperkte mate op via de Maas. In het verleden was Nederland een belangrijk doortrekgebied voor de zalm. De Rijnpopulatie was één van de grootste van Europa. Sinds het midden van de 20ste eeuw is er bijna niets meer over van die populatie.
De staat van instandhouding van de zalm wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld. De aspecten ‘populatie’ en ‘toek0mstperspectief’ hebben een ‘zeer ongunstige’ beoordeling en het aspect ‘leefgebied’ is ‘matig ongunstig’. Hoewel het niet bekend is of de omvang van het leefgebied voldoende is, is de inschatting dat met verbetering van de kwaliteit van het leefgebied het doel kan worden behaald. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 400–800 individuen. Voor de zalm betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de zalm zijn barrières tijdens de migratie, klimaatverandering, beperkte hoeveelheid opgroeihabitat, slechte kwaliteit paaihabitat en genetische verarming. Het aantal zalmen in Nederland is volledig afhankelijk van jaarlijks bijplaatsen in Duitsland. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het verbeteren van de passeerbaarheid van de Afsluitdijk en barrières in de rivieren.
H1145 Grote modderkruiper
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met de draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 1.000 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
Relatief gezien komt de grote modderkruiper het meest voor in Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant. De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met een dikke (schone) modderlaag en veel waterplanten. Het primaire leefgebied bevindt zich in de overstromingsvlakten van rivieren en beken en de aangrenzende veenwateren. In Noordwest-Europa ligt het zwaartepunt van voorkomen in de laagvlaktes en rivierdelta’s van Nederland, Noord-Duitsland en Polen.
De staat van instandhouding van de grote modderkruiper wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van de aspecten ‘verspreidingsgebied’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘populatie’ is beoordeeld als ‘matig ongunstig’. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige voorkomen in circa 750–1.000 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 50 tot 1.000 volwassen individuen aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke knelpunten voor de grote modderkruiper zijn de waterkwaliteit, een onnatuurlijk waterpeil, versnippering van wateren door barrières en invasieve, uitheemse rivierkreeften. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het realiseren van natuurvriendelijke oevers die speciaal zijn aangelegd en ingericht voor de grote modderkruiper in agrarisch gebied, het verbeteren van de waterkwaliteit en herstel van onderwaterbodems, ondergedoken waterplanten en oeverplanten.
H1166 Kamsalamander
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 1.000 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De kamsalamander kent in Nederland een ruime verspreiding, met name geconcentreerd in de oostelijke helft van het land. Een aanzienlijk deel van het Noordwest-Europese verspreidingsgebied van de kamsalamander ligt in Nederland.
De staat van instandhouding van de kamsalamander wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘leefgebied’. De aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige voorkomen in circa 1.200 kilometerhokken suggereert dat dit landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald. Er is echter lang niet overal sprake van een duurzame populatie, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 20 tot 50 volwassen dieren per voortplantingswater en 2 tot 10 poelen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke knelpunten voor de kamsalamander zijn versnippering van leefgebied en habitatverlies (schaalvergroting, ruimtelijke ontwikkelingen en dergelijke) en de aanwezigheid van vissen, Amerikaanse kreeften en de Italiaanse kamsalamander. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn populaties robuuster maken en onderling verbinden, waarbij er rekening mee gehouden dient te worden dat verdere verspreiding van de Italiaanse kamsalamander wordt voorkomen. Voortplantingswateren kunnen meer bestand worden gemaakt tegen klimaatverandering en verdroging, de verspreiding van amfibieziekten kan intensiever worden gemonitord, en (uitheemse) vissen en/of kreeften kunnen worden verwijderd uit voortplantingswateren.
H1193 Geelbuikvuurpad
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 5.000 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
De geelbuikvuurpad komt in Nederland van nature enkel voor in Zuid-Limburg. Dit betreft de noordwestelijke grens van het Europese areaal. De geelbuikvuurpad heeft binnen Europa een vrij groot, maar niet aaneengesloten verspreidingsgebied en wordt vooral op hoogtes van meer dan 250 meter boven zeeniveau gevonden. Behoud van de geelbuikvuurpad binnen onze landsgrenzen wordt vanwege de slechte gesteldheid van de soort in de ons omringende landen, België en Duitsland op Europese schaal steeds belangrijker.
De staat van instandhouding van de geelbuikvuurpad wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Uit oogpunt van risicospreiding zou sprake moeten zijn van een metapopulatie met een tiental locaties met elk tenminste 500 volwassen individuen. Het huidige aantal van circa 250 individuen (in totaal) laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de geelbuikvuurpad zijn achterstallig onderhoud van voortplantingswateren, versnippering en habitatverlies. Een maatregel die ertoe kan bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, is het realiseren van grotere en robuustere leefgebieden.
H1318 Meervleermuis
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 15.000 voortplantende individuen (zomerpopulatie) respectievelijk 1.100 overwinterende individuen (winterpopulatie).
Toelichting Natura 2000-doel
De meervleermuis is een soort waarvan een zeer groot deel van de Noordwest-Europese laagland populatie in Nederland voorkomt, met name in de zomerperiode. Kernpopulaties bevinden zich in de waterrijke delen van het laagland, waarbij ondiepe plassen en meren als foerageergebied dienen en gebouwen in de omgeving als kraamkolonie fungeren. De winterverblijven (mergelgroeves en bunkers) herbergen veel lagere aantallen dieren dan de zomerpopulatie (een deel overwintert in het buitenland).
De staat van instandhouding van de meervleermuis wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van het aspect ‘toekomstperspectief’. De beoordeling van het aspect ‘populatie’ is ‘matig ongunstig’ en de aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘leefgebied’ zijn als ‘onbekend’ beoordeeld. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het betreft ca. 12.000 vrouwelijke individuen en 3.000 mannelijke individuen. In de winter is ongeveer 5 à 10% van de zomerpopulatie aanwezig in Nederland, voor het merendeel mannetjes. Het huidige aantal van circa 10.000–15.000 voortplantende individuen en circa 500–1.500 overwinterende individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Ondanks de beoordeling van het aspect ‘leefgebied’ als ‘onbekend’ is een uitbreidings- en verbeterdoelstelling voor het leefgebied geformuleerd. Dit kan zorgen voor uitbreiding van de huidige zomerpopulatie.
Belangrijke knelpunten voor de meervleermuis zijn na-isolatie, renovatie, sloop en nieuwbouw van huizen, en verstoring van winterverblijfplaatsen. Ook de aanleg van watergebonden recreatiegebieden waarbij migratieroutes verstoord raken is een knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn natuurinclusief bouwen, lokaal verminderen van lichthinder en consequente toepassing van mitigatie en compensatie van de nadelige effecten van verduurzaming in het kader van de energietransitie. Belangrijk hierbij is het kennen en actief beschermen van verblijfplaatsen, met prioriteit voor kraam- en zomerverblijfplaatsen.
H1321 Ingekorven vleermuis
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.900 voortplantende individuen, als onderdeel van een grensoverschrijdende populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
In Midden- en Zuid-Limburg en Zuidoost-Brabant komen zomerpopulaties van de ingekorven vleermuis voor. De soort overwintert vooral in het Mergelland, en daarnaast in het aangrenzende buitenland. Er is sprake van een grensoverschrijdende populatie in Nederland, België en Duitsland. Dit is het meest noordelijke voorkomen van de soort in Europa.
De staat van instandhouding van de ingekorven vleermuis wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘toekomstperspectief’. De aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘leefgebied’ zijn als ‘onbekend’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘populatie’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Met het huidige aantal van circa 1.000–5.000voortplantende individuen is ingeschat dat het landelijk populatiedoel waarschijnlijk is gehaald. Daarom is ondanks de beoordeling van het aspect ‘leefgebied’ als ‘onbekend’ behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied voldoende.
Belangrijke knelpunten voor de ingekorven vleermuis zijn renovatie van bestaande grote kraamverblijven en verandering in landgebruik. Om te bepalen welke maatregelen er eventueel genomen kunnen worden om ertoe bij te kunnen dragen dat de staat van instandhouding verbetert, is verder onderzoek naar verblijfplaatsen en foerageergebieden van belang.
H1324 Vale vleermuis
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding van een populatie tot ten minste 250 overwinterende individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
De belangrijkste winterverblijven zijn de mergelgroeven in Zuid-Limburg. Het verspreidingspatroon in de zomer ligt in het oosten van Overijssel, Gelderland en in Limburg, maar de verspreiding is onvoldoende bekend en niet systematisch onderzocht. De vale vleermuis plant zich sinds 2017 weer in Nederland voort, maar omdat dit minder is dan tien aaneengesloten jaren, wordt nog geen doel gesteld voor voortplanting van de soort. Overwinterende vale vleermuizen zijn deels een grensoverschrijdende populatie in Nederland, België en Duitsland. Er ligt een verantwoordelijkheid bij Nederland voor dieren uit het aangrenzende deel van de lidstaten België en Duitsland, welke in Nederland zwermen/paren en overwinteren, evenals voor dieren welke in Nederland foerageren.
De staat van instandhouding van de vale vleermuis wordt als ‘onbekend’ beoordeeld vanwege een ‘onbekende’ beoordeling van de aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘leefgebied’. De staat van instandhouding voor het aspect ‘populatie’ is gunstig in vergelijking met de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994). Omdat de Nederlandse populatie deel uitmaakt van een grensoverschrijdende populatie (waarvan een gunstige populatie uit enkele duizenden individuen zou moeten bestaan), is het landelijk doel gesteld op een niveau dat een passende en haalbare bijdrage hieraan vormt, namelijk 250 overwinterende individuen (conform Beheerplan Geuldal). Met het huidige aantal van circa 75 overwinterende individuen is ingeschat dat het landelijk populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Ondanks de beoordeling van het aspect ‘leefgebied’ als ‘onbekend’ is een uitbreidings- en verbeterdoelstelling voor het leefgebied geformuleerd. Dit kan zorgen voor uitbreiding van het huidige voorkomen.
Belangrijke knelpunten voor de vale vleermuis zijn renovatie, onderhoud en gebruik van houtconserveringsmiddelen op (bestaande en potentiële) verblijfplaatsen op zolders. Om te bepalen welke maatregelen er eventueel genomen kunnen worden om ertoe bij te kunnen dragen dat de staat van instandhouding verbetert, is verder onderzoek naar de woonhabitat, en specifiek naar de onderlinge samenhang tussen de bestaande en de (potentiële) zomer- en kraamverblijven van belang.
H1337 Bever
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.500 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
Sinds de herintroductie in 1988 is de soort flink uitgebreid. Er is een grote populatie in het zuidelijke deel van Nederland die via de IJssel is verbonden met Flevoland en omgeving en een nog geïsoleerde populatie in het noordoosten. Daaromheen bevinden zich kleine groepjes bevers zoals in Friesland en Zeeuws Vlaanderen. De verspreiding neemt nog steeds toe. Bevers zijn door beschermende maatregelen en herintroducties in de meeste Europese landen weer teruggekeerd. De Nederlandse populatie levert hierdoor vooralsnog slechts een geringe bijdrage aan de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de bever wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige aantal van circa 5.000–6.500 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald, waarbij de verwachting is dat door natuurlijke verspreiding één aaneengesloten metapopulatie wordt gevormd.
H1340 *Noordse woelmuis
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.700.000 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
Er worden meerdere ondersoorten van de noordse woelmuis onderscheiden. In Nederland betreft het Microtus oeconomus arenicola en deze ondersoort is het enige endemische zoogdier van Nederland. Binnen Nederland worden momenteel vijf deelgebieden onderscheiden waar de soort kan worden aangetroffen: 1. Noord-Holland boven het Noordzeekanaal, 2. Texel, 3. Zuid-Holland en Utrecht: laagveengebieden, 4. deltagebied van Zuid-Holland, Noord-Brabant en Zeeland en 5. Friesland.
De staat van instandhouding van de noordse woelmuis wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ voor alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Tussen de vijf deelgebieden vindt geen genetische uitwisseling plaats en ook binnen de deelgebieden ontstaan steeds kleinere, meer van elkaar geïsoleerde deelpopulaties. Onderzoek heeft aangetoond dat er genetische verschillen zijn tussen de populaties in de vijf deelgebieden. Het huidige aantal van circa 1.500.000 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de noordse woelmuis zijn concurrentie met andere woelmuissoorten, verdroging van leefgebieden en verlies van leefgebied (kwantitatief of kwalitatief). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het grootschalig verbeteren van de waterstanddynamiek (hogere waterstanden) en het streven naar het behoud van de isolatie van die gebieden waar de noordse woelmuis nog zonder concurrentie van de aardmuis aanwezig is. Daarnaast is onderzoek nodig naar het mechanisme van concurrentie tussen de aardmuis en noordse woelmuis in relatie tot waterdynamiek.
H1351 Bruinvis
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 60.000 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
Het huidige Nederlandse verspreidingsgebied van de bruinvis omvat het hele Nederlands Continentaal Plat, de kustzone, de Waddenzee, de Westerschelde en de Oosterschelde. De bruinvis komt in het Noord-Atlantisch gebied verspreid voor van de Witte Zee, Groenland en IJsland in het noorden tot de Atlantische kust van Noord-Afrika in het zuiden. Doordat de bruinvissen zich in de Noordzee van noord naar zuid verplaatst hebben is momenteel het Nederlandse aandeel van de populatie groot.
De staat van instandhouding van de bruinvis wordt als ‘onbekend’ beoordeeld vanwege een beoordeling als ‘onbekend’ van de aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief. Omdat de staat van instandhouding van het aspect ‘populatie’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Met het huidige aantal van circa 50.000–100.000 individuen is ingeschat dat het landelijk populatiedoel waarschijnlijk is gehaald. Omdat het populatiedoel gehaald is, is er een behoudsdoel voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied.
Een aandachtspunt voor de bruinvis is de onzekerheid of grootschalige windmolenparken blijvende negatieve effecten kunnen hebben op de populatie. Ook klimaatverandering zou op termijn een negatieve invloed op de aantallen en de verspreiding van bruinvissen kunnen hebben. Een ander belangrijk aandachtspunt is chemische vervuiling met contaminanten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat het leefgebied en de populatieomvang behouden blijven, zijn het verminderen van schadelijke contaminanten (PCB’s, PFAS), bijvangst en onderwatergeluid en het behoud van voldoende prooivissen.
H1355 Otter
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van tenminste 400 adulte individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
De otter is in 2002 in Nederland geherintroduceerd, nadat de soort in 1988 uitstierf. Vanuit het laagveenmoeras Wieden-Weerribben en Rottige Meenthe trekt de otter naar aangrenzende gebieden in (West-)Overijssel, Friesland, Drenthe en Flevoland. Ook verder weg vestigen zich op kleine schaal otters, zoals in het Hollands Plassengebied en langs de IJssel. Nederland heeft een wat minder dan evenredig aandeel in de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de otter wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘matig ongunstig’ van het aspect ‘leefgebied’. Omdat de staat van instandhouding voor het aspect ‘populatie’ gunstig is, is behoud ervan voldoende. Het leefgebied is voldoende van omvang, maar van onvoldoende kwaliteit. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie voor een levensvatbare nationale metapopulatie. Otters zijn buitengewoon mobiel en kunnen in één nacht een afstand overbruggen van meer dan 20 kilometer. Daarom is de veronderstelling dat er in principe genetische uitwisseling kan plaatsvinden tussen alle deelgebieden. Het huidige aantal van circa 450–1.000 adulte individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald.
Belangrijke knelpunten voor de otter zijn sterfte door verkeer, versnippering van het leefgebied en afwezigheid van dekking in het leefgebied. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert zijn het afronden van het Natuurnetwerk Nederland, waarbij wegen die een knelpunt vormen voor otters veilig passeerbaar worden gemaakt door middel van faunavoorzieningen en ervoor zorgen dat op oevers voldoende dekking aanwezig is.
H1364 Grijze zeehond
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 3.000 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
De grijze zeehond komt voor in de Waddenzee, het Deltagebied en de Noordzee. Deze populaties behoren tot een Noordzeepopulatie waarvan veel grotere aantallen voorkomen in het Verenigd Koninkrijk. De Waddenzee is de belangrijkste regio waar de jongen opgroeien. Meer dan 40% van de geboortes in de internationale Waddenzee vinden plaats op de Richel, een zandbank ten zuidoosten van Vlieland. De Noordzee is het belangrijkste foerageergebied in Nederland.
De staat van instandhouding van de grijze zeehond wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige aantal van circa 5.000–10.000 individuen laat zien dat het landelijk populatiedoel is gehaald.
Een aandachtspunt voor het behouden van de gunstige staat van instandhouding van de grijze zeehond op de lange termijn is meer inzicht krijgen in de effecten van menselijke activiteiten (visserij, windmolenparken op zee) op de kwaliteit van het leefgebied en de voedselbeschikbaarheid. Dit inzicht kan verkregen worden door jaarlijkse zeehondentellingen, pathologisch onderzoek en zenderen van zeehonden.
H1365 Gewone zeehond
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 3.500 individuen.
Toelichting Natura 2000-doel
De gewone zeehond komt in Nederland voor in de Waddenzee, het Deltagebied en de Noordzee. De dieren in Nederland maken deel uit van de zogenoemde Waddenzeepopulatie waarvan de verspreiding zich uitstrekt van Esbjerg in Denemarken tot de zuidwestelijke delta in Nederland. De Waddenpopulatie is de grootste populatie gewone zeehonden ter wereld. Ongeveer een kwart van de Waddenpopulatie van gewone zeehonden komt in Nederland voor.
De staat van instandhouding van de gewone zeehond wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een beoordeling als ‘matig ongunstig’ van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ is beoordeeld als ‘onbekend’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect ‘populatie’ ‘matig ongunstig’ is vanwege de trend en niet vanwege de omvang, is behoud van de omvang van de populatie voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 5.000–10.000 individuen laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald. Omdat het populatiedoel gehaald is, is er een behoudsdoel voor de omvang en kwaliteit van het leefgebied.
Een belangrijk aandachtspunt voor de gewone zeehond op de lange termijn is het verkrijgen van meer inzicht in de effecten van menselijke activiteiten (visserij, windmolenparken op zee), op de kwaliteit van het leefgebied en de voedselbeschikbaarheid. Dit inzicht kan verkregen worden door jaarlijkse zeehondentellingen, pathologisch onderzoek en zenderen van zeehonden.
H1387 Tonghaarmuts
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied voor de uitbreiding van de populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
Tonghaarmuts is een epifytisch bladmos met een vrijwel tot Europa beperkte verspreiding met een zwaartepunt in Midden-Europa, het Centraal Massief en de centrale Pyreneeën. Dankzij verbetering van de luchtkwaliteit is vanaf circa 1990 tonghaarmuts in de meeste West- en Midden-Europese landen teruggevonden of nieuw ontdekt, hoewel meestal op slechts weinig locaties. In Nederland werd de soort in 1989 ontdekt, maar er zijn geen duurzame populaties bekend.
De staat van instandhouding van de tonghaarmuts wordt als ‘onbekend’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘onbekend’ van alle vier de aspecten. Bij het opstellen van de nieuwe Rode Lijst voor mossen wordt heroverwogen of deze soort als regelmatige voortplanter beschouwd moet worden. Wanneer de tonghaarmuts niet meer wordt beschouwd als een regelmatige voorplanter wordt hier geen landelijk doel meer voor gesteld. In de afgelopen zes jaar zijn geen stabiele populaties waargenomen en de soort is de afgelopen twaalf jaar niet aangetroffen in Natura 2000-gebieden. Om deze reden is het op dit moment niet mogelijk om het doel te concretiseren en te bepalen welk niveau haalbaar is.
De tonghaarmuts is een pioniersoort die uit zichzelf opduikt, hierdoor hoeven er geen actieve maatregelen voor deze soort ingezet te worden. Bij vestiging van de tonghaarmuts in nieuwe gebieden zal het terreinbeheer gericht moeten zijn op uitbreiding van de populatie.
H1614 Kruipend moerasscherm
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 20 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
Kruipend moerasscherm is een zeldzame soort die op behoorlijk veel plaatsen nieuwe populaties heeft gevormd in natuurontwikkelingsgebieden, met name langs beken in Noord-Brabant, Overijssel en Gelderland. Het terreinbeheer en waterbeheer is hier niet altijd op orde, waardoor populaties soms maar een kort bestaan hebben. In de Zeeuwse gebieden Canisvliet en Groote Gat gaat het om grote, redelijk stabiele populaties, en is het beheer sterk afgestemd op deze soort. De soort is beperkt tot een klein deel van West- en Midden-Europa, met een enkel voorkomen in Zuidoost-Europa.
De staat van instandhouding van het kruipend moerasscherm wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van de aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding voor het deelaspect populatie gunstig is, is behoud ervan voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige voorkomen in circa 30 kilometerhokken laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 150 exemplaren aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke knelpunten voor het kruipend moerasscherm zijn inadequaat terrein- en waterbeheer. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn het optimaliseren van terreinbeheer (zoals meer begrazing) en waterbeheer (hoge waterstanden in de winter) in alle terreinen.
H1831 Drijvende waterweegbree
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 240 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De drijvende waterweegbree is een weinig concurrentiekrachtige waterplant van voedselarme, zwak gebufferde vennen, poelen en (voedselrijkere) langzaam stromende beken en kanalen. De soort komt voor op de hoge zandgronden en in mindere mate in de duinstreek. De populatie op Terschelling is recent verdwenen. De Kempen is de belangrijkste regio in Nederland voor de soort en tevens één van de belangrijkste gebieden in Europa.
De staat van instandhouding van de drijvende waterweegbree wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van het huidige voorkomen in circa 180 kilometerhokken. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie. Voor de drijvende waterweegbree betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat het landelijke doel bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de drijvende waterweegbree zijn stikstofdepositie, wat mede-oorzaak is van eutrofiëring en verzuring, en verharding en verdroging. Watercrassula vormt een knelpunt in vennen, veelal in situaties waar ook al enige vermesting optreedt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert zijn de vermindering van stikstofdepositie, het optimaliseren van waterbeheer in en rondom populaties: verminderen toestroom voedselrijk water, verminderen inlaat hard water, verminderen opstuwen water (in beken), verminderen drainage, verbeteren toestroom grondwater met goede kwaliteit (gebufferd, niet te voedselrijk) en het opschonen van vennen.
H1903 Groenknolorchis
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 35.000 bloeiende exemplaren.
Toelichting Natura 2000-doel
Verreweg het grootste deel van de Nederlandse populatie van de groenknolorchis komt voor in de valleien van de gehele kustduinen van Zeeland tot en met de Waddeneilanden. Daarnaast heeft de soort groeiplaatsen in de laagveengebieden: één in de laagveengebieden van West-Nederland en één in de laagveengebieden van Noord-Nederland en – zeer zeldzaam – op andere locaties in het binnenland. In vergelijking met de situatie in de buurlanden zijn in Nederland nog veel populaties aanwezig, waarmee Nederland de belangrijkste kern van verspreiding van de soort vormt in West-Europa.
De staat van instandhouding van de groenknolorchis wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van de aspecten ‘populatie’ en ‘leefgebied’ gunstig zijn, is behoud ervan voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Met het huidige aantal dat fluctueert tussen circa 106.500 – 177.500 bloeiende exemplaren is ingeschat dat het landelijk populatiedoel is gehaald. Het toekomstperspectief is matig ongunstig door recente lokale negatieve trends als gevolg van natuurlijke successie.
Belangrijke knelpunten zijn verdroging en onvoldoende aanwezigheid van potentieel leefgebied in zowel de duinen als de laagvenen. Daarvoor is nodig dat veroudering van duinvalleien wordt tegengegaan of nieuwe strandvlaktes kunnen ontstaan. In de verre toekomst zou verzilting in verband met zeespiegelstijging een rol kunnen gaan spelen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn aangepast maaibeheer in de duinvalleien en rietlanden, het stimuleren van dynamiek door toestaan natuurlijke processen van zandsedimentatie en jonge duinvorming met tussenliggende groene stranden en incidentele verjonging van laagveengebieden door herstelbeheer.
H4056 Platte schijfhoren
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 430 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland komt de platte schijfhoren vooral voor in laagveengebieden, zowel in plassengebieden als in sloten, met name in wateren met een veenbodem. De belangrijkste populaties komen voor in laagveengebieden. De platte schijfhoren komt in Nederland veel voor ten opzichte van andere Europese landen.
De staat van instandhouding van de platte schijfhoren wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld als gevolg van een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige voorkomen in circa 100–300 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 120.000 individuen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Een belangrijk knelpunt voor de platte schijfhoren is de sterke opkomst van invasieve, uitheemse rivierkreeften die steeds vaker hele onderwatervegetaties wegvreten en daarmee het biotoop van de platte schijfhoren. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert zijn de stand van de invasieve, uitheemse rivierkreeften decimeren en sloten gefaseerd en minder intensief schonen.
H5315 Rivierdonderpad
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding van het verspreidingsgebied met duurzame populaties en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De rivierdonderpad komt wijdverspreid door het hele land voor, vooral in (snel)stromende wateren, zoals (snel)stromende beken en rivieren, maar ook in meren, vaarten en kanalen. De rivierdonderpad heeft in Europa een tamelijk groot verspreidingsgebied. De Nederlandse populaties zijn van Europese betekenis door hun relatief grote omvang.
De staat van instandhouding van de rivierdonderpad is als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een beoordeling als ‘zeer ongunstig’ van alle vier de aspecten. De uitbreidingsdoelstelling voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. Met het huidige voorkomen in circa 750–1.000 kilometerhokken is de landelijke populatie beoordeeld als ‘zeer ongunstig’, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 50 tot 100 individuen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie. Voor de rivierdonderpad betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Een belangrijk knelpunt voor de rivierdonderpad is het voorkomen van invasieve, uitheemse grondelsoorten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn onderzoek doen naar effectieve maatregelen om de verspreiding van de invasieve exoten terug te dringen.
H5325 Beekdonderpad
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en behoud van de kwaliteit van het leefgebied voor met een draagkracht voor het behoud van duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ongeveer 70 kilometerhokken in het Geulsysteem en de Aa-strang, en een stijgende populatietrend. De beekdonderpad heeft in Europa een tamelijk groot verspreidingsgebied.
Toelichting Natura 2000-doel
De beekdonderpad komt alleen in enkele kleinere snelstromende wateren voor in Limburg en Gelderland. De beekdonderpad komt ook voor in het Duitse deel van de Berkel en de Roer waarbij soms exemplaren naar Nederland uitspoelen.
De staat van instandhouding van de beekdonderpad is als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. De beekdonderpad is waargenomen in circa 50–65 km hokken in beide beekdalsystemen. Hiermee wordt het landelijk populatiedoel waarschijnlijk gehaald. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 1.000 tot 5.000 individuen per stroomgebied aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stijgende populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Belangrijke aandachtspunten voor de beekdonderpad zijn het voorkomen van de invasieve, uitheemse grondelsoorten en droogval van beken. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft, zijn het zorgen voor robuuste beeksystemen die het hele jaar door water hebben, en het tegengaan van invasieve exoten.
H5339 Bittervoorn
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 3.000 kilometerhokken en tenminste een stabiele populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De bittervoorn komt wijdverspreid voor in de vaarten en bredere sloten van veel poldergebieden en in de plantenrijke uiterwaardwateren van het rivierengebied. Het meeste leefgebied ligt in Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Gelderland. Ook in langzaam stromende diepere beken en riviertjes komt de soort voor, zoals die in Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Binnen Noordwest-Europa heeft de soort in Nederland een zwaartepunt.
De staat van instandhouding van de bittervoorn wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidig voorkomen in circa 4.200 kilometerhokken laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 100 tot 1.000 volwassen individuen per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is een stabiele populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
H6199 Spaanse vlag
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van de populatie.
Toelichting Natura 2000-doel
De Spaanse vlag is een overdag actieve nachtvlinder. Na eerste vestigingen in het Heuvelland van Zuid-Limburg heeft de soort zich uitgebreid naar heel Limburg en Zeeland en Noord-Brabant, tot in Hoek van Holland. In Limburg is sprake van een grote metapopulatie en in Noord-Brabant, Zeeland en Zuid-Holland zijn verspreid kleinere populaties aanwezig, die onderling uitwisselen. De Spaanse vlag komt algemeen voor in een groot deel van Europa. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de continentale, alpiene en mediterrane biogeografische regio’s. Het aandeel van Nederland in de Europese populatie is bijzonder klein.
De staat van instandhouding van de Spaanse vlag wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De huidige populatie komt voor in circa 1.200 kilometerhokken. Omdat de soort geen historisch natuurlijk verspreidingsgebied heeft in Nederland en zich nog aan het uitbreiden is, is er nog geen gunstige referentiewaarde bepaald. Het is daarom niet mogelijk om het doel te concretiseren. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel enkele honderden individuen aangehouden worden.
H6216 Geel schorpioenmos
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van, maar lokaal uitbreiding, van tien duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 20 kilometerhokken en een stijgende populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
Geel schorpioenmos groeit in kalkarme maar ijzerrijke moerassen op venig substraat, zoals in bronveentjes, overstromingsgrasland, trilveen inclusief overgangen naar blauwgrasland. In Noordwest-Overijssel is geel schorpioenmos dan ook beperkt tot de randzone van De Wieden, met een grote populatie in de Meppelerdieplanden (overstromingsgrasland). Geel schorpioenmos kwam in de 19e eeuw verspreid voor over de hogere zandgronden inclusief de randgebieden naar laagveen en zeeklei, maar vanaf 1965 werd de soort als uitgestorven beschouwd. Vanaf de jaren ’90 neemt het aantal bekende vindplaatsen geleidelijk toe. Uit genetisch onderzoek is gebleken dat geel schorpioenmos in feite twee ‘cryptische’ soorten omvat, een noordelijk-montane soort en een zuidelijk-laaglandsoort. Nederland is binnen het verspreidingsgebied van de zuidelijk-laaglandsoort van groot belang.
De staat van instandhouding van het geel schorpioenmos wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op een modelmatige benadering voor voldoende genetische variatie. Het huidige voorkomen in circa 25 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 1 tot 1,5 ha per populatie aangehouden worden.
Aandachtspunt voor het behouden van de gunstige staat van instandhouding voor geel schorpioenmos is dat de soort zeer specifieke abiotische randvoorwaarden heeft die zelden over grotere oppervlakten voorkomen, waardoor populaties klein en kwetsbaar blijven. Daarnaast is een aandachtspunt de verslechtering van hydrologische condities waardoor groeiplaatsen in het groeiseizoen uitdrogen ten gunste van concurrentiekrachtiger mossen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de gunstige staat van instandhouding behouden blijft, zijn het op landschapsschaal borgen en zo mogelijk versterken van de hydrologische condities (kwel, inundaties), toezien op de kwaliteit van toestromend/inunderend water, voorkomen dat vervuild water toestroomt en hooilandbeheer met zomermaaien.
H6963 Kleine modderkruiper
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 3.500 kilometerhokken en tenminste een stabiele populatietrend.
Toelichting Natura 2000-doel
De soort komt in vrijwel heel Nederland voor in stilstaande tot langzaam stromende oeverzones van rivieren en beken en ondiepe plaatsen in meren en plassen, waaronder die in de overstromingsvlakten van beken en rivieren (inclusief poldergebieden). In West-Europa wordt de kleine modderkruiper het meest aangetroffen in Nederland. Daarnaast komt de soort relatief veel voor in het noorden van Duitsland. In de direct om Nederland heen liggende landen (overige delen van Duitsland, België, Frankrijk en Engeland) is het voorkomen van kleine modderkruipers aanzienlijk geringer.
De staat van instandhouding van de kleine modderkruiper wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994), toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige voorkomen in circa 7.400 kilometerhokken laat zien dat het landelijke populatiedoel momenteel wordt gehaald. Voor een duurzame populatie op lokaal niveau kan als vuistregel 10 tot 100 volwassen kleine modderkruipers per kilometerhok aangehouden worden. Op nationaal niveau is tenminste een stabiele populatietrend nodig voor een duurzame populatie.
Broedvogels
A004 Dodaars
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.100 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De dodaars is in de broedtijd veelal te vinden in ondiepe zoete wateren met vegetatierijke oevers. De soort bevindt zich in o.a. vennen, duinplassen, moerassen en natte natuurontwikkelingsgebieden. In Nederland broedt circa 3% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de dodaars als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 2.600 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A008 Geoorde fuut
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 290 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De geoorde fuut is een broedvogel van ondiepe zoete wateren met een rijkelijke, maar niet te verruigde oevervegetatie. De geoorde fuut broedt vaak in de nabijheid van kokmeeuwkolonies. In Nederland broedt 0,5–1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de geoorde fuut als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1980–2009, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 450 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A017 Aalscholver
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 17.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Aalscholvers broeden in kolonies van enkele tientallen tot soms duizenden broedparen, welke veelal te vinden zijn in direct aan water grenzende of geïnundeerde moerasbossen of boomgroepen in het binnenland en langs de kust. In Nederland broedt 5–6% van de Europese populatie (excl. Rusland).
De staat van instandhouding van de aalscholver als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1980–2009, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 20.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A021 Roerdomp
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 390 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De roerdomp is een broedvogel van moerassen waarvan een deel in Nederland overwintert en een deel wegtrekt naar het westen en zuiden. Roerdompen verblijven een groot deel van het jaar in of aan de rand van rietland. In Nederland broedt ongeveer 1% van de geschatte Europese broedpopulatie (excl. Rusland).
De staat van instandhouding van de roerdomp als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 420 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A022 Woudaap
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 150 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Deze kleinste reigerachtige vogel kan broedend worden aangetroffen in veel typen moerasvegetatie zoals oude rivierstrangen, kleiputten, visvijvers, laagveenmoerassen en voedselrijke vennen. Nederland is de meest noordwestelijke grens van het areaal waar regelmatig wordt gebroed. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de woudaap als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 25–50 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de woudaap betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor de woudaap als broedvogel is gelegen in de waterdynamiek (een ongunstig peilbeheer en droogte in de broedgebieden). Een ander knelpunt is gelegen in het overwinteringsgebied in het buitenland namelijk onvoldoende neerslag in de Sahel. Droogtejaren in de Sahelzone leiden tot lagere aantallen in het broedgebied in het jaar erop. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit antiverdrogingsmaatregelen en maatregelen ten behoeve van het creëren van een natuurlijk waterpeil. Hierbij moet een te laag waterpeil worden voorkomen om verruiging van rietmoeras en verdroging tegen te gaan. Omdat er voor de woudaap geen of maar enkele kerngebieden te vinden zijn moet de soort vooral profiteren van maatregelen die genomen worden voor andere kritische moerasbewoners. De invloed van verdere maatregelen is nog onzeker omdat de afname samenhangt met drukfactoren buiten Nederland.
A026 Kleine zilverreiger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 65 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De kleine zilverreiger is een broedvogel van ondiepe zoetwatermoerassen. De kleine zilverreiger is met name te vinden in de Zuidwestelijke Delta en soms op de Waddeneilanden. De soort broedt meestal in kolonies, vaak samen met andere koloniebroeders. In Nederland broedt ongeveer 0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de kleine zilverreiger als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 65 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A027 Grote zilverreiger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 320 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De grote zilverreiger is een koloniebroeder van uitgestrekte rietmoerassen en broedt voornamelijk in de Oostvaardersplassen. In Nederland komt de ondersoort Casmerodius albus spp voor, die behoort tot de West-, Centraal-, Zuidoostelijke-Europese/Zwarte zee en Mediterrane flyway-populatie. In Nederland broedt ongeveer 1,5% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de grote zilverreiger als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 320 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A029 Purperreiger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 810 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De purperreiger is een koloniebewoner van laagveenmoeras. Vanaf april worden de nesten in de kolonies (in rietland en lage wilgenstruwelen) snel bezet en vanaf mei zijn er nesten met eieren. In Nederland broedt 5–10% van de geschatte Europese broedpopulatie (excl. Rusland).
De staat van instandhouding van de purperreiger als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 930 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A034 Lepelaar
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 920 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De lepelaar broedt met name in het Waddengebied en in de Zuidwestelijke Delta, op kwelders en in de duinen op de grond of in lage natte vegetatie. Op het vaste land broedt de soort in moerasgebieden, struiken, bomen of op kunstmatige plekken. In Nederland broedt ongeveer 60% van de West-Europese flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de lepelaar als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2009, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 3.275 broedparen laat zien dat het landelijk doel momenteel wordt gehaald.
A063 Eider
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 5.800 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De eider komt in kustgebieden voor, met name in het Waddengebied en de Delta. De Nederlandse broedpopulatie verblijft ook in de winter grotendeels in Nederland en wordt dan vergezeld door eiders uit het hoge noorden van Europa. Als broedvogel heeft de eider in Nederland de zuidgrens van de verspreiding in Europa bereikt. In Nederland broedt 2–3% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de eider als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 4.300 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de eider betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor de eider als broedvogel is predatie door de bruine rat en door meeuwen. Daarnaast kunnen ook de kokkel- en mosselvisserij negatieve effecten op het voedselaanbod hebben. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan daarom met name uit maatregelen ter voorkoming van predatie. Daarnaast kunnen er maatregelen genomen worden ter verbetering van de voedselsituatie, door het beperken van bepaalde vormen van visserij in de Waddenzee en in de kustwateren van de Noordzee.
A072 Wespendief
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 400 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De wespendief arriveert begin mei in Nederland in bosrijke gebieden waar de soort niet opvalt en het nest bijzonder moeilijk te vinden is. Ongeveer de helft van de territoriale vogels gaat niet tot broeden over. In Nederland broedt minder dan 1% van de Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de wespendief als broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 330–400 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde.
Belangrijke knelpunten voor de wespendief als broedvogel zijn een verminderd voedselaanbod als gevolg van verzuring en vermesting en een verminderde oppervlakte aan broedhabitat als gevolg van houtkap. Verder zijn predatie door haviken en verstoring door recreatie knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert zijn vooralsnog lastig te formuleren als gevolg van kennislacunes rondom het voedselaanbod. De knellende en met urgentie aan te pakken kennislacunes strekken zich tot de ecologie van sociale wespen, het voedsel voor jonge wespendieven, en de effecten van neonicotinoïden op de wespendief en het voedselaanbod. Wel kan de kans op verstoring worden verminderd door aanpassing van het bosbeheer en zonering van recreatie.
A081 Bruine kiekendief
Natura 2000-doel
Behoud omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.100 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De bruine kiekendief is voor een belangrijk deel afhankelijk van rietmoerassen. Hier bouwt hij zijn nest.
In Nederland broedt ongeveer 1% van de geschatte Europese broedpopulatie (exclusief Europees Rusland).
De staat van instandhouding van de bruine kiekendief als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 1.000 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de bruine kiekendief als broedvogel zijn predatie (door een toename van de vos in moerasgebieden), een laag waterpeil in moerasgebieden en het uitmaaien in akkers door agrarische bewerkingen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan o.a. uit het veranderen van het peilbeheer, zodanig dat gedurende het voortplantingsseizoen grote delen van rietvegetaties ‘onder water’ staan, creëren van grote rietvelden en nestbescherming in akkers. Daarnaast kunnen deze maatregelen er ook voor zorgen dat grondpredatoren zoals de vos minder kans maken.
A082 Blauwe kiekendief
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 30 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De blauwe kiekendief is een broedvogel van structuurrijke duinen, moerasgebieden en uitgestrekt agrarisch gebied, met name in het noorden van het land. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de blauwe kiekendief als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 10 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de blauwe kiekendief betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de blauwe kiekendief als broedvogel zijn natuurlijke begrazing, successie en schaalvergroting. Door intensivering van de landbouw zijn veldmuizenpopulaties in het agrarisch gebied de afgelopen decennia gedecimeerd. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie op zowel de Waddeneilanden als het agrarisch gebied en het tegengaan van successie. Kleinere opgaven liggen op het vasteland zoals behoud van het broedgebied in Oost-Groningen en in de Oostvaardersplassen. Een succesvolle aanpak zal daar gericht moeten zijn op het verbeteren van de foerageeromstandigheden in de ruime omgeving van de nestlocaties, rekening houdend met de grote actieradius van de soort.
A084 Grauwe Kiekendief
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 90 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De grauwe kiekendief is een broedvogel die in het verleden voorkwam in hoogveen-, heide- en duingebieden en in grote moerassen. Tegenwoordig broedt de vogel vooral op braakliggende landbouwgronden in Groningen. In Nederland broedt ongeveer 0,2% van de Europese (exclusief Russische) broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de grauwe kiekendief als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van 55 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de grauwe kiekendief betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor de grauwe kiekendief als broedvogel is het intensief en gemechaniseerd agrarisch grondgebruik, waardoor de beschikbaarheid van (veld)muizen is afgenomen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie in het agrarisch gebied, waaronder een hogere (veld)muizenstand, in combinatie met effectieve nestbescherming.
A107 Korhoen
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot ten minste 1 sleutelpopulatie van ten minste 40 hanen op de Sallandse Heuvelrug.
Toelichting Natura 2000-doel
Na een halverwege de 20ste eeuw ingezette afname, resteert vanaf 1997 alleen nog een populatie korhoenen op de Sallandse Heuvelrug. Vanaf 2013 zijn er zo’n 180 vogels van Zweedse origine bijgeplaatst. De Nederlandse broedvogels maken deel uit van de vrijwel verdwenen Noordwest-Europese laaglandpopulatie.
De staat van instandhouding van het korhoen als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 7 hanen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor het korhoen betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor het korhoen als broedvogel is de atmosferische stikstofdepositie, die leidt tot vermesting en verzuring. Hierdoor ontstaat waarschijnlijk een tekort van zowel de hoeveelheid als de kwaliteit van insecten voor korhoenkuikens. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verminderen van de stikstofdepositie, extensivering van aan leefgebied grenzend landbouwgebied, duurzaam herstel van de mineralen- en nutriëntbalans door het op grotere schaal toepassen van steenmeel en een inhaalslag voor de heide-uitbreiding en -verjonging door branden, maaien en boskap.
A119 Porseleinhoen
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 230 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland wordt vooral in laagveenmoerassen en in jonge rietvegetaties gebroed, soms ook in hoogvenen. Als pionier kan het porseleinhoen deze gebieden snel koloniseren en daar soms hoge dichtheden bereiken. In Nederland broedt ongeveer 0,5% van de Europese (minus Russische) broedpopulatie.
De staat van instandhouding van het porseleinhoen als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. De aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘leefgebied’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de jaren ’50 toen de populatie in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 220 broedparen laat zien dat het landelijke doel momenteel niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie.
Belangrijke knelpunten voor het porseleinhoen als broedvogel zijn verdroging en de afgenomen frequentie van overstromingen van graslanden in het late voorjaar en de zomer (met name in de uiterwaarden van Rijntakken). In de uiterwaarden zijn weinig kruidenrijke hooilanden te vinden. Hiervoor in de plaats is er veel grasland met dichte, soortenarme begroeiing. Ook is agrarisch grasland omgezet in bouwland. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit het tegengaan van verdroging en het kort en open houden van de moerasvegetatie van (potentiële) leefgebieden. In o.a. de uiterwaarden kan leefgebied worden gecreëerd door maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat ondiep overstroomde kruidenvegetaties ontstaan die voor het porseleinhoen geschikt zijn. Daarnaast kunnen overstromingsvlaktes gecreëerd/hersteld worden. Bij voorkeur wordt dit in reliëfrijke agrarische gebieden/ natuurgebieden met kruidenrijk grasland gedaan.
A122 Kwartelkoning
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 260 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Als broedhabitat prefereert de kwartelkoning vegetaties die ten minste 20–30 cm hoog zijn en voldoende dekking bieden, maar tegelijk niet te dicht zijn om loopbewegingen te beperken. De Nederlandse broedgebieden van de kwartelkoning liggen aan de noordwestrand van het verspreidingsareaal in het Europese continent. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de kwartelkoning als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de jaren ’70, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 90 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de kwartelkoning als broedvogel zijn ontoereikend beheer, versnippering van leefgebied en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting. Om de kwartelkoning in Nederland te kunnen behouden zijn er urgent maatregelen nodig. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert bestaan met name uit het toepassen van uitgesteld maaibeheer van graslanden in kerngebieden tot ver in de zomer over grotere oppervlakten en het verminderen van de stikstofdepositie. Een gerichte oogststrategie met inbegrip van akkerranden die gespaard worden en zo als refugium kunnen dienen is nodig om sterfte te voorkomen.
A132 Kluut
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 6.700 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De kluut is voornamelijk van maart tot juli in de broedgebieden in het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta te vinden. De broedgebieden bestaan veelal uit kale of schaars begroeide eilandjes in nabijheid van ondiep water en slikken. In Nederland broedt ongeveer 10–15% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de kluut als broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 5.500 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de kluut als broedvogel zijn met name factoren die de reproductie beïnvloeden in de twee belangrijkste gebieden (Waddengebied en Zuidwestelijke Delta). Dit zijn factoren als predatie, klimaatveranderingen (o.a. overstromingen van nesten bij hoog water of juist verdroging van broedgebieden) en de beschikbaarheid van voedsel. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit de aanleg en het adequaat onderhouden van geschikte broedlocaties (tegengaan vegetatiesuccessie, het handhaven van een passend waterpeil) en het op grotere schaal beschermen van kolonies op het vasteland tegen predatie.
A137 Bontbekplevier
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 630 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De bontbekplevier broedt als pionier bij voorkeur op schaars begroeide plekken, zoals stranden, duinranden, laagtes bij zeedijken, strandweiden en oevers van meren, plassen en rivieren. De soort broedt ook op akker- en weiland, kunstmatige zandafzettingen en opgespoten terreinen. In Nederland broedt ongeveer 1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de bontbekplevier als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 350 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de bontbekplevier als broedvogel zijn de afname van de natuurlijke dynamiek langs de kust (en de daarbij behorende vegetatiesuccessie en mogelijk ook voedselproblemen) en de recreatiedruk, waardoor er onvoldoende geschikt broed- en foerageerbiotoop aanwezig is. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het terugbrengen van meer dynamiek in de kustgebieden op plaatsen waar dat kan. Door meer ruimte te bieden aan natuurlijke processen en dynamiek kan met regelmaat nieuw pioniershabitat ontstaan voor strandbroeders. Daarnaast is beperking van openstelling van recreatiestranden nodig en is beperkte toegankelijkheid voor recreanten van de buitenzijde van zeedijken in het Deltagebied nodig.
A138 Strandplevier
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 500 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De strandplevier is een uitgesproken soort van dynamische zoute kustmilieus. De soort broedt op primaire duinen, strandvlaktes, permanent drooggevallen zandplaten, schelpenstrandjes en schelprijke hoge delen van schorren en kwelders en op opgespoten eilanden en taluds van zeedijken. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de strandplevier als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 150 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de strandplevier betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de strandplevier als broedvogel zijn de afname van de natuurlijke dynamiek langs de kust en recreatiedruk, waardoor er onvoldoende geschikt broed- en foerageerbiotoop aanwezig is. Bovendien is er sprake is van predatie. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het uitbreiden en verbeteren van de bestaande broedgelegenheden en het verbeteren van de voedselbeschikbaarheid. Dit kan worden bereikt door het creëren van nieuwe broedgebieden in met name het Waddengebied en het verbeteren van het peilbeheer en de natuurlijke processen en dynamiek waardoor er nieuw pioniershabitat kan ontstaan. Daarnaast kan de openstelling van recreatiestranden worden beperkt en kunnen maatregelen ter bescherming tegen predatie (o.a. door honden en vogels) worden genomen.
A151 Kemphaan
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 50 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De kemphaan is in Nederland een broedvogel van extensief beheerde, zeer natte graslanden. De mannetjes van deze soort zijn welbekend om hun opvallende verenkleed en uitgebreide balts. Na de paring neemt het vrouwtje de gehele broedzorg voor haar rekening. In Nederland broedt <1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de kemphaan als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 13 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de kemphaan betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de kemphaan als broedvogel zijn verdroging, stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en intensivering van agrarisch gebruik van het broedgebied. Door onder andere de ontwatering van het agrarische landschap is veel geschikte broedhabitat van de kemphaan verdwenen en door de vermesting zijn de vegetaties verruigt, waardoor het voedselaanbod van de kemphaan afneemt en minder zichtbaar en bereikbaar wordt. Omdat de kemphaan relatief laat in het seizoen jongen krijgt is de vervroeging van maaien problematisch voor de soort. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verhogen van de waterstand in open graslanden en het terugdringen van vermesting in combinatie met verlaagde agrarische activiteit (begrazing, maaien) in het gehele broedseizoen. Maaiwerkzaamheden kunnen successie voorkomen, maar dienen pas vanaf 15 juli te worden uitgevoerd.
A153 Watersnip
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 4.500 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland broedt de watersnip in allerlei open natuurterreinen met plasdras waaronder hoogveengebieden, veenmosrietlanden, gemaaide rietlanden en beekdalen. In afnemende mate wordt ook genesteld in natte tot vochtige graslanden in agrarisch beheer voor zover die zwak tot matig eutroof zijn. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de watersnip als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘leefgebied’. De aspecten ‘toekomstperspectief’ en ‘verspreidingsgebied’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling.
De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 1.300 broedparen.
Een belangrijk knelpunt voor de watersnip als broedvogel is een te laag grondwaterpeil. De vochtigheid van de toplaag van de bodem bepaalt in grote mate waar en wanneer de watersnip kan broeden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het nemen van vernattingsmaatregelen, zoals het verhogen van het waterpeil in natuurgebieden met schrale vegetaties en het creëren van plas-dras situaties in weidevogelgebieden.
A156 Grutto
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 50.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Algemeen wordt aangenomen dat de grutto in Nederland, evenals de meeste andere weidevogels, van oorsprong broedde in hoogveengebieden, overstromingsvlaktes en natuurlijke graslanden in rivier- en beekdalen. Nu komt de grutto veelvuldig voor op half-natuurlijke en agrarische graslanden in open landschappen. In Nederland broedt de ondersoort Limosa limosa limosa. In Nederland broedt meer dan 80% van de West-Europese/Noordwest- en West-Afrikaanse flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de grutto als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 25.000–29.000 broedparen (2021–2023). De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de grutto betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
De belangrijkste knelpunten voor de grutto als broedvogel zijn verdroging van de bodem, predatie, versnippering van leefgebied en intensivering van agrarisch gebruik. In de praktijk zijn belangrijke knelpunten zoals verdroging en verandering in predatiedruk een gevolg van de intensivering van het agrarische gebied, waardoor deze factoren sterk met elkaar samenhangen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn een verhoging van het waterpeil, predatorenbeheer (tijdelijk) en het verminderen van intensieve agrarische werkzaamheden, zoals later maaien en begrazing, verminderde veedichtheid, een vorm van mozaïekbeheer en maatregelen om de vermesting terug te dringen.
A176 Zwartkopmeeuw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 3.200 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Zwartkopmeeuwen broeden voornamelijk in de lage delen van Nederland, met de Zuidwestelijke Delta als belangrijkste broedgebied. De soort broedt in kolonies vaak samen met kokmeeuwen en verkiest de droge plekken op de eilandjes om te nestelen. In Nederland broedt 5–7% van de Europese populatie (inclusief Oekraïne).
De staat van instandhouding van de zwartkopmeeuw als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 3.200 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A183 Kleine mantelmeeuw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 13.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De kleine mantelmeeuw broedt bijna uitsluitend op kustlocaties, al kunnen broedgevallen van kleine mantelmeeuwen tot diep in het binnenland plaatsvinden. De nestplaatsen zijn gelegen in het open duin, op schorren/ kwelders en op eilandjes in afgesloten zeearmen. Daarnaast broeden ze ook in industriegebieden, op opgespoten terreinen, en tegenwoordig ook op daken van gebouwen en sluizencomplexen. In Nederland broedt ongeveer 35–40% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de kleine mantelmeeuw als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 92.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A191 Grote stern
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met en draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 25.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De broedgebieden van de grote stern beperken zich tot enkele schaars begroeide eilanden, schorren en kwelders in het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta. De soort broedt hier in grote kolonies en is betrekkelijk nomadisch, hierdoor kunnen broedkolonies snel ontstaan of verdwijnen en vindt er veel uitwisseling tussen verschillende kolonies plaats. In Nederland broedt ongeveer 15–25% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de grote stern als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 18.000 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de grote stern betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de grote stern als broedvogel zijn klimaatverandering en predatie. Door de sterk wisselende weersomstandigheden is het voedselaanbod veranderd en als gevolg van de stijging van de zeespiegel neemt de kans op uitzonderlijk hoge overstromingen toe, waardoor het risico op het wegspoelen van nesten van kustbroedvogels toeneemt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit aanleg en behoud van broedlocaties waarbij de vegetatie kort gehouden dient te worden. Daarnaast zijn maatregelen nodig die de predatie van eieren en kuikens door meeuwen en ratten beperken.
A193 Visdief
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 29.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland broeden visdieven vaak in kolonies in open, waterrijke gebieden, van zowel zout als zoet water. Ze hebben daarbij een voorkeur voor pionierhabitat, zoals zandplaten, kwelders/schorren, eilanden en kunstmatige broedplekken. In Nederland broedt ongeveer 3–6% van de geschatte Europese broedpopulatie (exclusief Europees Rusland).
De staat van instandhouding van de visdief als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘verspreidingsgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding en verbetering van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 15.000 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de visdief als broedvogel zijn het stijgen van de zeespiegel als gevolg van klimaatverandering, peilfluctuaties, (versnelde) vegetatiesuccessie door het ontbreken van dynamiek, predatie en een te lage voedselbeschikbaarheid in het algemeen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het aanleggen van broedgelegenheden en het voorkomen van predatie en verstoring om de populatie te laten toenemen. Daarnaast zijn er maatregelen nodig om de dynamiek in het broedgebied en de voedselsituatie in het IJsselmeer en de Noord- en Waddenzee te verbeteren.
A194 Noordse stern
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.100 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Het merendeel van de Nederlandse broedpopulatie van noordse sterns broedt in het Waddenzeegebied en een klein deel in de (noordelijke) Delta. De soort is sterk gebonden aan zout milieu en broedt veelal in kolonies. De soort broedt op strandvlaktes en zandplaten en schaars begroeide eilanden, kwelders en duingebieden. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie (exclusief Europees Rusland).
De staat van instandhouding van de noordse stern als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 900 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de noordse stern betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor de noordse stern als broedvogel is het stijgen van de zeespiegel als gevolg van klimaatverandering, waardoor de hogere frequentie van hoogwater het nestsucces negatief beïnvloedt door overstromingen. Andere knelpunten zijn predatie en een verminderde voedselbeschikbaarheid. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert bestaan uit het aanleggen en onderhouden van nieuwe kunstmatige en veilige broedgelegenheden en het onderhouden en uitrasteren van bestaande kolonies. Daarnaast zijn er maatregelen nodig die de dynamiek in het oppervlaktewater terugbrengen.
A195 Dwergstern
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 700 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De dwergstern broedt vaak in kolonies, voornamelijk in het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta. Het is een pionierssoort die op zeer kale gronden broedt, van zand- en schelpenstranden tot schaars begroeide delen van kwelders en schorren. In Nederland broedt ongeveer 4–5% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de dwergstern als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 860 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A197 Zwarte stern
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 2.800 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland nestelt de zwarte stern, bij gebrek aan drijvende waterplanten, voornamelijk op speciaal aangelegde nestvlotjes op het water. De soort broedt in Nederland ook in grote sloten in het boerenland, met name in het Groene Hart. In Nederland broedt 7% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de zwarte stern als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 1.400 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de zwarte stern betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de zwarte stern als broedvogel zijn een afgenomen voedselaanbod en nestgelegenheid als gevolg van eutrofiëring (mede door stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het aanleggen van nieuwe/meer nestvlotjes en het voorkomen van predatie (door marterachtigen en roofvogels) en verstoring door mensen. Daarnaast kunnen er maatregelen worden genomen om stikstofdepositie te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren wat een gunstig effect kan hebben op de voedselsituatie.
A222 Velduil
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 140 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De velduil is een zeldzame broedvogel van open terreinen zoals duinvalleien, kwelders en veengebieden, maar ook van agrarisch gebied. De soort broedt op de grond. De soort staat bekend om zijn nomadische voorkomen welke afhankelijk is van voedselaanbod. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de velduil als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘verspreidingsgebied’. De aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 32 broedparen.
Een belangrijke knelpunt voor de velduil als broedvogel is de voedselbeschikbaarheid door natuurlijke begrazing, successie, intensief graslandgebruik en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting,. Daarnaast is het gebrek aan winddynamiek in de duinen een knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van het voedselaanbod, zowel op de Waddeneilanden als in agrarisch gebied, zoals maatregelen die de openheid en natuurlijke dynamiek van het duingebied bevorderen en het verminderen van de stikstofdepositie. Daarnaast is nestbescherming van groot belang wanneer velduilen in muizenrijke jaren veelvuldig in agrarisch land broeden.
A224 Nachtzwaluw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 2.300 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De nachtzwaluw broedt in heidevelden, in deels met dennen dichtgegroeide zandverstuivingen, in kapvlakten en open naaldbossen. Op militaire oefenterreinen broedt de soort in het dennenbos met brede zandbanen. In Nederland broedt ongeveer 1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de nachtzwaluw als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 3.200 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A229 IJsvogel
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 450 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Nederlandse ijsvogels blijven het jaar rond in het broedgebied of zwerven over korte afstanden. In winters met aanhoudende strenge vorst sterven veel ijsvogels, maar hiervan kan de populatie snel herstellen doordat ze meerdere broedsels per jaar succesvol kunnen groot brengen. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de ijsvogel als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A233 Draaihals
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 360 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De draaihals nestelt vaak in een oud spechtenhol in een berk, of in andere holten in geïsoleerde broedgebieden op de Veluwe en in delen van Drenthe. Het broedhabitat omvat vooral heidevelden en kaalkappen met zandige plekken of schrale vegetaties op zeer voedselarme zandbodems. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de draaihals als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’. De aspecten ‘verspreidingsgebied’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 100 broedparen.
Een belangrijk knelpunt voor de draaihals als broedvogel is stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring. Dit heeft geleid tot een sterke afname van de kwaliteit van het broedgebied. Door vergrassing en versnelde verruiging verdwijnen plekken met schrale vegetaties, samen met de daar levende mierenpopulatie; de enige voedselbron van de draaihalzen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit kwaliteitsontwikkeling van het leefgebied. Belangrijk hierbij is het verminderen van de stikstofdepositie en het tegengaan van de negatieve effecten daarvan.
A236 Zwarte specht
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.100 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland is de zwarte specht vrijwel uitsluitend op de hoge zandgronden te vinden. Naaldbos met oude loofbomen is belangrijk voor de soort omdat zij hun nestholte uithakken in met name oude beuken. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de zwarte specht als broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 900 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de zwarte specht als broedvogel liggen in het natuur- en landschapsbeheer ten behoeve van andere landschapstypen en stikstofdepositie wat leidt tot vermesting. Door het kappen van naaldbos en het overmatig verwijderen van dood hout is er minder foerageergebied beschikbaar voor de zwarte specht. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit verminderen van stikstofdepositie en aanpassingen in bosbeheer, waardoor er meer dood naaldhout en als gevolg daarvan meer voedsel beschikbaar komt voor de zwarte specht.
A246 Boomleeuwerik
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 3.600 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Boomleeuweriken broeden nagenoeg uitsluitend op droge, zandige bodems met een schaarse begroeiing en verspreide opslag van bomen of struiken. De broedplekken bestaan vooral uit heidevelden, zandverstuivingen, schrale duinen en brandvlaktes. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de boomleeuwerik als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 5.400 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A249 Oeverzwaluw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 20.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De oeverzwaluw broedt als koloniebroeder veelal in afgravingen, ontgrondingen, gronddepots en op bouwterreinen. In een steile wand van leem of zand graaft de soort daar een eigen nestholte. Ook kan de oeverzwaluw nestholtes gebruiken in kunstmatige oeverzwaluwwanden. In Nederland broedt <1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de oeverzwaluw als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 27.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A255 Duinpieper
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van hervestiging van een sleutelpopulatie van ten minste 20 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Het broedgebied van deze ‘thermofiele’ soort omvat licht geaccidenteerde, open landschappen op zeer schrale en kurkdroge bodems die snel opwarmen. Vanaf 1990 werd alleen op de zandverstuivingen en militaire oefenterreinen op de Veluwe nog regelmatig gebroed. In 2007 is de soort als broedvogel van de Veluwe en daarmee uit Nederland verdwenen.
De staat van instandhouding van de duinpieper als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor hervestiging. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Hervestiging moet via broedpopulaties uit naburige landen (Polen/Duitsland) gebeuren. Voor de duinpieper betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de duinpieper als broedvogel zijn aantasting en versnippering van het leefgebied en aantasting van de kwaliteit van het leefgebied door stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring, waardoor er minder voedsel beschikbaar en bereikbaar is voor de duinpieper. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het behouden en het verbeteren van het voormalig leefgebied op de Veluwe ten behoeve van een sleutelpopulatie door onder andere het verminderen van stikstofdepositie.
A272 Blauwborst
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 10.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland komt overwegend de West-/Centraal-Europese ondersoort Luscinia svecica cyanecula (witgesterde Blauwborst) voor. Het broedgebied van de blauwborst bestaat uit een combinatie van kale bodem (voedselplek), dichte vegetatie (nestplaats) en opgaande elementen zoals struiken (zang- en uitkijkpost). De soort broedt zowel in vochtige als droge biotopen en regionaal ook in agrarisch cultuurland met sloten. In Nederland broedt ongeveer 0,1% van de Europese populatie blauwborsten (inclusief Luscinia svecica svecica (roodgesterde Blauwborst)).
De staat van instandhouding van de blauwborst als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2019, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 13.900 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A275 Paapje
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 800 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Het paapje is een insectivore zangvogel die broedt in uiteenlopende landschapstypen, met als gemene deler een sterke mate van openheid zoals hoogveen-, heide-, beekdalen en extensief beheerd agrarisch gebied. In Nederland broedt <0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van het paapje als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 250 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor het paapje betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor het paapje als broedvogel zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting, intensivering van landgebruik en versnippering van het leefgebied. Door de intensivering van de landgebruik is leef- en foerageergebied verloren gegaan. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het creëren van open en aaneengesloten habitat op voldoende schaal, het verminderen van de stikstofdepositie en adequaat beheer.
A276 Roodborsttapuit
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 10.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De roodborsttapuit broedt overwegend in heide- en hoogveengebieden en kustduinen, op of net boven de grond tussen het struweel. Daarnaast broedt de soort in kleine dichtheden in halfopen, kleinschalig agrarisch cultuurland tussen de overjarige vegetatie van slootkanten en greppels. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie.
De staat van instandhouding van de roodborsttapuit als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2019, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 19.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A277 Tapuit
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.400 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De tapuit is een insectivore zangvogel die in Nederland broedt in open, schaars begroeid, doorgaans zandig terrein, met name duingraslanden, droge heiden en stuifzanden. In Nederland broedt minder dan 0,1% van de Europese populatie en de EU-populatie.
De staat van instandhouding van de tapuit als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 300 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de tapuit betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de tapuit als broedvogel zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring, en successie van het leefgebied. Door stikstofdepositie worden de lage, open en kruidenrijke duin- en heidevegetaties vervangen door gesloten vegetaties met stikstofminnende grassen en struwelen. Door successie neemt ook het aantal konijnen af, waardoor vergrassing toeneemt. Door vergrassing zijn de prooidieren van de tapuit niet meer bereikbaar voor de soort. Het dispersievermogen van tapuiten lijkt in algemene zin beperkt, dus herkolonisatie van eerder verlaten gebieden kan een probleem zijn. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verminderen van de stikstofdepositie, herstel van konijnpopulaties en beheermaatregelen om het areaal en de kwaliteit van duin- en heidegebieden te vergroten.
A292 Snor
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 3.500 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De snor is een bewoner van de grotere moerasgebieden. De voorkeur gaat uit naar uitgebreide natte rietvelden waarbij een duidelijke ‘kniklaag’ aanwezig is van oudere rietstengels en andere vegetatie waarin de vogel foerageert en zijn nest maakt. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie (exclusief Europees Rusland).
De staat van instandhouding van de snor als broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘verspreidingsgebied’ en ‘populatie’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1950–1959, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 2.800 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, maar gezien de positieve trend die sinds de eeuwwisseling is ingezet, is de verwachting dat de populatie verder zal toenemen.
Aandachtspunten voor de snor als broedvogel zijn het water- en maaibeheer van rietlanden, waar dat suboptimaal is voor de snor. De overwinteringsomstandigheden buiten Nederland (onvoldoende neerslag) in de Sahel zijn ook een knelpunt. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn waarschijnlijk beperkt vanwege de klimatologische situatie in de Afrikaanse overwinteringsgebieden. De omvang en de kwaliteit van het leefgebied in Nederland zijn voldoende en verwacht wordt dat geschikte gebieden in Nederland bezet zullen raken omdat de soort een matige toename laat zien.
A295 Rietzanger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 31.000 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
Rietzangers hebben een voorkeur voor allerlei typen rietmoeras, vooral verruigde rietvegetaties met zo nu en dan forse opslag van wilgen. Behalve in grotere moerassen kunnen ze ook voorkomen in sloten en in smallere rietranden langs open water. In Nederland broedt minder dan 1% van de geschatte Europese broedpopulatie (exclusief Rusland).
De staat van instandhouding van de rietzanger als broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 34.000 broedparen laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A298 Grote karekiet
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 350 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De grote karekiet broedt meestal aan de buitenrand van rietvelden, daar waar hoog en stevig stromings- of waterriet staat. Daar bevestigt de soort zijn nest dan tussen de stevige halmen. Soms komt polygamie voor waarbij een mannetje op diverse plaatsen een zangpost inricht. In Nederland broedt <0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de grote karekiet als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 110 broedparen. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de grote karekiet betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de grote karekiet als broedvogel zijn het gebrek aan dynamiek in moerasgebieden, natuurlijke begrazing en successie. Door het gebrek aan dynamiek ontstaat er een snelle successie van de rietvegetatie. Door onnatuurlijk peilbeheer ontwikkelt zich ook geen sterk waterriet. De begrazing door ganzen zorgt ervoor dat nieuwe rietgroei niet kan optreden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit diverse inspanningen om de kwaliteit van het leefgebied te verbeteren. Zoals het zorgen voor een meer natuurlijk peilbeheer, het tegengaan van successie, het afrasteren van rietranden tegen de vraat van o.a. ganzen, het aanleggen van nieuwe (water) rietvelden en het weghalen van beschoeiingen en vooroevers die de golfslag zodanig breken dat er te weinig dynamiek/stroming is in de stromingsrietlanden.
A338 Grauwe klauwier
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.900 broedparen.
Toelichting Natura 2000-doel
De grauwe klauwier houdt van structuurrijke vegetaties in vooral halfopen landschappen. Voorbeelden zijn schrale cultuurlandschappen met een gevarieerde diversiteit aan insectensoorten, heidegebieden met opslag, maar ook duinen en hoogveengebieden. In Nederland broedt <0,1% van de Europese populatie.
De staat van instandhouding van de grauwe klauwier als broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’. De aspecten ‘verspreidingsgebied’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren ’50, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 600 broedparen.
Belangrijke knelpunten voor de grauwe klauwier als broedvogel zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting en verzuring, verdroging, versnippering van het leefgebied en intensivering van het landgebruik. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit het verminderen van de stikstofdepositie en het creëren en onderhouden van voldoende potentiële plekken met geschikt leefgebied om de populatie te herbergen. Het stimuleren van spontane ontwikkeling van struweel zoals in veel natuurontwikkelingsprojecten wordt nagestreefd, kan voor een toename zorgen van geschikt nest- en foerageerhabitat.
Niet-broedvogels
A001 Roodkeelduiker
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In de winter verblijven roodkeelduikers voornamelijk in de kustwateren van de Noordzee, waar ze ondiepe wateren op een afstand van 10–20 km uit de kust prefereren. In het najaar verblijft de soort vooral in de zeegaten en geulen tussen de Waddeneilanden. In de winter verblijft ongeveer 1% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de roodkeelduiker als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.600 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A002 Parelduiker
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 20 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De parelduiker is een doortrekker en wintergast in de kustwateren van de Noordzee, waar de soort vooral verblijft in de tot 30 meter diepe kustzone. Parelduikers worden het meest gezien langs de Noordzeekust. In de winter verblijft minder dan 0,1% van de Noord-Europese en West-Siberische/Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de parelduiker als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1990–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 20 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A004 Dodaars
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 2.800 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De dodaars is te vinden in ondiepe zoete wateren met vegetatierijke oevers en ook wijder verspreid over zowel zoete als (in mindere mate) zoute wateren. De soort komt voor in kanalen, beken, kleine plassen, langs de randen van grote zoetwaterplassen en langs de kust. In de winter verblijft 2–3% van de Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de dodaars als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 3.400 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A005 Fuut
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 23.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De fuut verblijft in de nazomer tijdens de vleugelrui in grote groepen op open wateren, zoals het IJsselmeer, het Deltagebied en de Waddenzee. In de winter komt de fuut in grote aantallen voor op de Noordzee. In de winter verblijft ongeveer 4% van de Noordwest- en West-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de fuut als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht is gebaseerd op de periode 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 21.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling voor de populatieomvang geformuleerd.
Vanwege de onduidelijkheid over de toekomstige voedselsituatie, en daarmee ook over de draagkracht van Nederlandse rui- en overwinteringsgebieden voor de fuut, is de beoordeling van het toekomstperspectief ‘matig ongunstig’. Er is een kennisleemte ten aanzien van de voedselsituatie voor de fuut die mogelijk nadere uitwerking van verbetermaatregelen in de weg staat.
A007 Kuifduiker
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 45 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De kuifduiker heeft de voorkeur voor zoute kustwateren. Met name in de Zuidwestelijke Delta zijn de grootste concentraties te vinden. In het binnenland is de soort schaars en wordt er slechts hier en daar een enkeling op grote zoetwaterplassen aangetroffen. In de winter verblijft ongeveer 1% van de Noordoost-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kuifduiker als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 55 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A008 Geoorde fuut
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De geoorde fuut overwintert in grote wateren, zowel in de kustzone en in estuaria, als in grote zoetwaterplassen. Met name de Zuidwestelijke Delta is een belangrijk overwinteringsgebied. In Nederland verblijft (met een piek in de nazomer) maximaal 4% van de Europese flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de geoorde fuut als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.200 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A016 Jan-van-gent
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 17.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De Jan-van-gent is het gehele jaar op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) en in de kustzone aanwezig en is daar een schaarse zomergast en doortrekker, maar een vrij talrijke wintergast. In de winter verblijft ongeveer 0,1% en in de nazomer en herfst ongeveer 3% van de Europese populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de Jan-van-gent als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 20.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A017 Aalscholver
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 28.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Doortrekkende en overwinterende aalscholvers benutten zowel zoete als zoute wateren met goede vispopulaties. De rust- en slaapplekken bevinden zich op eilandjes, wad- en zandplaten en rustige stranden. In de winter verblijft 6–7% van de Noord- en Centraal-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de aalscholver als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 43.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A026 Kleine zilverreiger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 400 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De kleine zilverreiger is voornamelijk in de Zuidwestelijke Delta en soms op de Waddeneilanden te vinden. In de winter trekt een deel van de Nederlandse broedvogels weg, terwijl een ander deel in Nederland overwintert. In de winter verblijft ongeveer 0,4% van de West-Europese/N00rd-Westelijke-Afrikaanse populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kleine zilverreiger als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 400 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A027 Grote zilverreiger
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 5.500 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De grote zilverreiger komt verspreid door heel Nederland voor en is het talrijkst aanwezig in oktober.
Bij strenge vorst verplaatsen de grote zilverreigers zich naar open water in Zuidwest-Nederland, zoals de Biesbosch. In Nederland komt de ondersoort Casmerodius albus voor, die behoort tot de West-, Centraal-, Zuidoostelijke-Europese/Zwarte zee en Mediterrane flyway-populatie. In de winter verblijft ongeveer 5% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grote zilverreiger als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 5.500 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A034 Lepelaar
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 850 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Lepelaars verblijven met name in grote moerasgebieden en intergetijdengebieden in het Wadden- en Deltagebied. De soort concentreert zich in gebieden met ondiep water (10–30 cm), een gunstig voedselaanbod en veilige rustplaatsen (eilandjes, zandplaten). In de winter verblijft ongeveer 1% van de West-Europese flyway-populatie in Nederland. In de doortrekperiode verblijft ongeveer 30–40% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de lepelaar als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 2.800 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A037 Kleine zwaan
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 2.800 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Kleine zwanen zijn arctische broedvogels die alleen in de winter in Nederland verblijven. Ze maken dan in grote groepen gebruik van de grote zoete wateren en omliggende landbouwgebieden. In de winter komt ongeveer 25% van de West-Siberische/Europese flyway-populatie in Nederland voor, terwijl dat in het recente verleden nog ruim 40% was.
De staat van instandhouding van de kleine zwaan als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.700 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling voor de populatieomvang geformuleerd. De verwachting is dat wanneer bij een strenge winter kleine zwanen in grotere getalen naar Nederland komen, het landelijk doel gehaald kan worden.
Belangrijke knelpunten voor de kleine zwaan als niet-broedvogel zijn de klimaatverandering en de afname van het broedsucces in het buitenland. De mildere winters als gevolg van klimaatverandering zorgen voor een verschuiving van het overwinteringsgebied naar het noordoosten van Europa. In de broedgebieden dalen de reproductiecijfers, maar de oorzaak hiervan is onduidelijk. Als gevolg hiervan daalt de totale populatieomvang, waardoor ook het aantal overwinterende kleine zwanen in Nederland is afgenomen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn waarschijnlijk beperkt omdat de oorzaak van de afname van de populatieomvang buiten Nederland ligt.
A038 Wilde zwaan
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 900 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De wilde zwaan komt in een groot deel van Nederland voor op graslanden en akkers, met een duidelijke concentratie in het noorden. Deels onder invloed van winterweer en inundaties van uiterwaarden kunnen verschuivingen plaatsvinden binnen een winter. In de winter verblijft 2–3% van het westelijk deel van de flyway-populatie van uit Fenno-Scandinavië en Noord-Rusland in Nederland.
De staat van instandhouding van de wilde zwaan als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 900 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A040 Kleine rietgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 5.900 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De kleine rietgans verblijft als doortrekker en overwinteraar meestal in grote concentraties op open graslandgebieden (voedselgebied) in de nabijheid van grote wateren (slaapplaats). Soms is de gehele populatie verdeeld over slechts enkele grote groepen. In de winter verblijft 5–10% van de Spitsbergen flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kleine rietgans als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2000, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.700 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is een uitbreidingsdoelstelling voor de populatieomvang geformuleerd. De verwachting is dat wanneer bij een strenge winter in grotere getalen kleine rietganzen naar Nederland komen, het landelijk doel gehaald kan worden.
Deze gewijzigde migratiestrategie is mede het gevolg van klimaatverandering waardoor de kleine rietgans met name in Denemarken overwintert. Daarnaast wordt een deel van de Spitsbergen flyway-populatie, waartoe de in Nederland verblijvende vogels behoren, gecoördineerd afgeschoten in Denemarken en Noorwegen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn binnen Nederland waarschijnlijk niet mogelijk, omdat de oorzaak van de afname van de populatieomvang buiten Nederland ligt.
A041 Kolgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 220.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De kolgans heeft als doortrekker en overwinteraar een voorkeur voor open landschappen in het agrarisch gebied in combinatie met rustige slaapplaatsen op grotere wateren. De soort houdt zich overwegend op in cultuurgrasland en concentreert zich daar in groepen. In Nederland overwintert meer dan 75% van de Noordzee-flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de kolgans als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2000, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 360.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A042 Dwerggans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 35 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Nederland is een overwinteringsgebied van de door bijplaatsingen versterkte broedpopulatie in Zweeds Lapland. De dwerggans beperkt zich in Nederland in hoofdzaak tot een tweetal vaste pleisterplaatsen die voornamelijk in natuurgebieden met een agrarisch karakter liggen (Oudeland van Strijen in de Hoekse Waard en in de Harger- en Pettemerpolder bij Petten). In de winter verblijft ongeveer 55% van de Zweeds Lapland flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de dwerggans als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’. Het aspect ‘toekomstperspectief’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2004–2011 waarin er sprake was van een plateaufase. Voor de dwerggans is hiernaar gekeken omdat, bij uitzondering, geen duidelijk gunstige referentieperiode aangewezen kan worden. Het huidige aantal van circa 16 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de dwerggans als niet-broedvogel is de afname van het broedsucces in het buitenland. Het aantal dwergganzen in Nederland is in grote mate afhankelijk van het broedsucces in Zweden. De oorzaak van de afname van het broedsucces in Zweden is het gevolg van predatie. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn binnen Nederland om deze reden dan ook zeer beperkt.
A043 Grauwe gans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 120.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De grauwe gans verblijft met name in agrarisch gebied. In het najaar bevinden ze zich veel op akkergebieden. Door veranderingen in de trekstrategie en de sterke toename van de Nederlandse broedpopulatie bestaat een toenemend deel van de in de winter aanwezige vogels uit Nederlandse broedvogels. In de winter verblijft ruim 50% van de Noordwest-Europese populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grauwe gans als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de aantallen bepaald in het kader van het Adaptive flyway management plan voor de grauwe gans64. Het huidige aantal van circa 300.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A045 Brandgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 120.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De brandgans komt vooral voor op kwelders en schorren in wadgebieden en estuaria (Waddenzee, Deltagebied) en in open agrarisch gebied, vooral op cultuurgrasland. In de winter verblijft in Nederland 60% van de flyway-populatie die zich uitstrekt van Rusland (Barentszzee) via de landen rond de Oostzee, tot in Nederland en Duitsland (Noordzeegebied).
De staat van instandhouding van de brandgans als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de aantallen bepaald in het kader van het Adaptive flyway management plan voor de brandgans65. Het huidige aantal van circa 370.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A046 Rotgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 42.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De rotgans komt als doortrekker en wintergast vooral voor in getijdengebieden en estuaria. In de wintermaanden verblijft de soort ook binnendijks in inlagen, karrevelden, brakwaterplassen en het agrarische gebied. In de winter verblijft ongeveer 30% van de West-Siberische/West-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de rotgans als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2000, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 42.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A048 Bergeend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 41.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland trekt de bergeend na het broedseizoen vooral naar de Waddenzee, met name voor de Friese kust ten oosten van Harlingen, om hier de vleugelrui door te maken. De soort verblijft hier in gebieden met veel voedsel en weinig scheepvaart. In de winter verblijft ongeveer 30% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de bergeend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–1990, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 65.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A050 Smient
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 490.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De smient arriveert met name in het najaar en is in het eerste deel van het winterseizoen veel te zien in estuaria en getijdengebieden. Daarna zoekt de soort steeds meer het open agrarische gebied in het binnenland van vooral Laag-Nederland op. In de winter verblijft ongeveer 70% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de smient als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2000, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 370.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de smient als niet-broedvogel is de afname van het broedsucces in het buitenland. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door koude en natte weersomstandigheden in de broedgebieden, maar andere oorzaken zijn niet uit te sluiten. Daarnaast is er in grote delen van het verspreidingsgebied in het buitenland op de smient gejaagd; over de omvang en impact hiervan op de populatie is weinig bekend. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn waarschijnlijk beperkt omdat de oorzaak voor de afname van de populatieomvang buiten Nederland ligt.
A051 Krakeend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 40.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De krakeend overwintert in ondiepe zoete wateren, maar ook in grotere (diepere) wateren, in estuaria en langs kusten. De krakeend is een grondeleend en als zodanig gebonden aan ondiepten en oevergebieden. In de winter verblijft 40–50% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de krakeend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 65.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A052 Wintertaling
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 40.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De wintertaling is met name in de herfst en aan het begin van de winter te vinden in zoete (twee-derde van de populatie) en zoute (een-derde van de populatie) wateren in het lage deel van Nederland. De populatieomvang fluctueert jaarlijks onder invloed van het winterweer en voedselomstandigheden. In de winter verblijft ongeveer 12% van de Noordwest-Europese populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de wintertaling als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 51.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A053 Wilde eend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 400.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De wilde eend is één van de talrijkste watervogels in Nederland en is het gehele jaar aanwezig. Buiten het broedseizoen komt de soort voor in zowel zoete als zoute wateren, variërend van estuaria tot kanalen en grachten in stedelijk gebied. In de winter verblijft 15–20% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de wilde eend als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstsperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 240.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de wilde eend als niet-broedvogel is de afname van het broedsucces binnen Nederland. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, hangen grotendeels samen met de maatregelen die ter verbetering van het broedsucces dienen te worden genomen. Dit kan worden bereikt door de habitat voor kuikens te verbeteren.
A054 Pijlstaart
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 10.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De pijlstaart is als grondeleend gebonden aan ondiep water, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden. De soort heeft de voorkeur voor gebieden met dynamiek en bezoekt vooral in het najaar kwelders, zandplaten en slikken in estuaria en akkerland. In de winter verblijft ongeveer 48% van de flyway-populatie in Nederland. Deze overwinteraars zijn grotendeels afkomstig uit het Baltische gebied, Fenno-Scandinavië en IJsland.
De staat van instandhouding van de pijlstaart als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 13.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A056 Slobeend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 16.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De slobeend komt in heel laag-Nederland voor, waarbij de nadruk ligt op de lage delen (Oostvaardersplassen, Lauwersmeer, het Haringvliet en Volkerakmeer). De soort komt voornamelijk op zoet water voor en is gebonden aan ondiepten, oevergebieden en aangrenzende landbouwgebieden. In de winter verblijft 30–40% van de Noordwest- en Centraal Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de slobeend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 20.500 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A058 Krooneend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 240 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De krooneend komt in Nederland uitsluitend voor in zoetwatermilieus. In de winter leeft de soort vooral in grotere meren en plassen met helder water en veel ondergedoken waterplanten. Tijdens de doortrekperiode verblijft maximaal 2% van de Zuidwest en Centraal-Europese/West-Mediterrane flyway-populatie in Nederland. In de winter is dit 1%.
De staat van instandhouding van de krooneend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 330 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A059 Tafeleend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 49.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De tafeleend concentreert zich in veel gebieden op dagrustplaatsen, bijvoorbeeld rustige wateren in de luwte van dijken of eilanden. Bij het invallen van de duisternis vliegt de tafeleend naar voedselgebieden die worden gevormd door grote open wateren, soms ook rivieren. In de winter verblijft 15% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de tafeleend als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstsperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 23.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de tafeleend als niet-broedvogel is een te laag voedselaanbod (driehoeksmosselen) in het IJsselmeer. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het bevorderen van de voedselsituatie in met name het IJsselmeergebied. Een toename van alternatief voedsel voor de afgenomen driehoeksmossel in de Nederlandse wateren is al deels ingezet door de verbetering van de waterkwaliteit en kan verder worden gestimuleerd met inrichtingsmaatregelen. Daarnaast is het borgen van voldoende rust van groot belang.
A061 Kuifeend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 130.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De kuifeend verblijft met name op grote meren en plassen, maar ook op zand- en grindplassen en drinkwaterbekkens. Afgezien van de brakke (voormalige) estuaria in het Deltagebied verblijft de soort nauwelijks op zoute wateren. In de winter verblijft 20–25% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kuifeend als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 120.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Hoewel het leefgebied in omvang en kwaliteit stabiel is gebleven, zijn er wel verschuivingen opgetreden tussen gebieden waarbij voedsel de belangrijkste sturende factor is. Voor een gunstig toekomstperspectief is het van belang dat de negatieve korte-termijn-trend (laatste 12 jaar) gekeerd wordt. Maatregelen die dit kunnen bewerkstelligen, bestaan uit het vergroten en meer divers maken van het voedselaanbod. Een toename van alternatief voedsel voor de afgenomen driehoeksmossel in de Nederlandse wateren is al deels ingezet door de verbetering van de waterkwaliteit en kan verder worden gestimuleerd met inrichtingsmaatregelen.
A062 Toppereend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 21.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De toppereend bereikt de overwinteringsgebieden in Oostzee- en Noordzeeregio’s vanaf oktober-november en verblijft daar tot in maart. Het leefgebied bestaat dan uit grote zoete wateren en zoute kustwateren tot 15 meter diepte die rijk zijn aan schelpdieren. In de winter verblijft ongeveer 40% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland, met name op de westelijke Waddenzee en het IJsselmeer.
De staat van instandhouding van de toppereend als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor het behoud van de huidige populatie van circa 21.000 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de toppereend betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Een nieuwe beoordeling van het landelijk doel is op termijn nodig.
Een belangrijk knelpunt voor de toppereend als niet-broedvogel is een te laag voedselaanbod (driehoeksmosselen) in met name het IJsselmeer. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het vergroten en meer divers maken van het voedselaanbod in de winter. Een toename van alternatief voedsel voor de afgenomen driehoeksmossel in de Nederlandse wateren is al deels ingezet door de verbetering van de waterkwaliteit en kan verder worden gestimuleerd met inrichtingsmaatregelen. Tot op heden heeft dit nog geen effect gehad op de topper. Verbetering van de schelpdierbanken in de Waddenzee zal mogelijk gunstig kunnen uitpakken.
A063 Eider
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 130.000 vogels (januari-aantallen).
Toelichting Natura 2000-doel
Overwinterende eiders worden vooral aangetroffen in de Waddenzee en in de kustwateren. De vogels zijn grotendeels afkomstig uit andere delen van de Waddenzee (Duitsland, Denemarken) en uit de Oostzee. In de winter verblijft 15–20% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de eider als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–1990, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 74.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel niet wordt gehaald, daarom wordt een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie.
Belangrijke knelpunten voor de eider als niet-broedvogel zijn de effecten van visserij en een negatieve aantalsontwikkeling van de broedvogels in het buitenland (Oostzeegebied). Overbevissing heeft geleid tot een sterke uitdunning van natuurlijke kokkel-, mossel- en strandschelpbestanden, waardoor er voedseltekorten zijn ontstaan. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit het zorgen voor een gunstige voedselsituatie in het leefgebied in de winter. Hiervoor is een goed mosselzaadvisserijbeleid in de Waddenzee en Noordzeekustzone noodzakelijk. Daarnaast is het herstel van mossel- en oesterbanken in de Waddenzee een belangrijke maatregel die de voedselomstandigheden kan verbeteren. Er bestaat onduidelijkheid over de impact van de verslechterde omstandigheden in de broedgebieden op de aantallen in Nederland; wel is het duidelijk dat een belangrijk deel van de in Nederland overwinterende eiders uit het Oostzeegebied afkomstig is.
A065 Zwarte zee-eend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 52.000 vogels (januari-aantallen).
Toelichting Natura 2000-doel
De in Nederland voorkomende zwarte zee-eend komt uit Scandinavië en Rusland en verblijft hier vooral van oktober tot mei. De zwarte zee-eend bezoekt in Nederland vrijwel uitsluitend zoute wateren en is in het binnenland ronduit schaars. In de winter verblijft 6–7% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de zwarte zee-eend als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 34.000 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de zwarte zee-eend betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de zwarte zee-eend als niet-broedvogel zijn verstoring (door o.a. scheepvaart en windmolenparken), mogelijke effecten van schelpdiervisserij op voedselbeschikbaarheid en een afname van het broedsucces in het buitenland. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit maatregelen ter verbetering van de voedselomstandigheden. Wanneer visserij invloed heeft op de beschikbaarheid van bodemdieren waarvan de zwarte zee-eend afhankelijk is, kan dit in de belangrijke foerageergebieden worden vermeden. Daarnaast kunnen goede foerageergebieden worden gevrijwaard van verstoring door het instellen van rustgebieden. Het behalen van de gunstige staat van instandhouding is verder deels afhankelijk van het broedsucces in Scandinavië en Rusland.
A067 Brilduiker
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 4.600 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 200-doel
De brilduiker is een vrij kleine duikeend die in Nederland vooral voorkomt als doortrekker en wintergast in vaak grote open, maar ook wel in kleinere en meer besloten, wateren. In Nederland overwintert 1–2% van de Noordwest- en Midden-Europese flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de brilduiker als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 2.700 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de brilduiker als niet-broedvogel is een te laag voedselaanbod (driehoeksmosselen) in met name het IJsselmeer. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het bevorderen van de voedselsituatie in met name het IJsselmeergebied, Deltagebied en de Waddenzee. Een toename van alternatief voedsel voor de afgenomen driehoeksmossel in de Nederlandse wateren is al deels ingezet door de verbetering van de waterkwaliteit en kan verder worden gestimuleerd met inrichtingsmaatregelen.
A068 Nonnetje
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland is het nonnetje een echte wintervogel met de hoogste aantallen van begin december tot eind maart. In de winter verblijft 10–15% van de Noordwest en Centraal-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van het nonnetje als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 800 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor het nonnetje betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor het nonnetje als niet-broedvogel zijn de verminderde vertroebeling van het water en daardoor de verplaatsing en moeilijkere vangbaarheid van de spiering, en de verhoging van de watertemperatuur door klimaatverandering. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie (stimuleren van de intrek van de spiering en het reduceren van de uitspoeling van deze soort) in met name het IJsselmeergebied, en het creëren van kraamkamers van vis waarin de voedselbeschikbaarheid voor het nonnetje kan worden bevorderd. Natuurontwikkelingsprojecten waaronder in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren brengen zowel kansen als risico’s met zich mee. Enerzijds kan de voedselbeschikbaarheid een belangrijke impuls krijgen, maar anderzijds kan ook leefgebied voor het nonnetje verloren gaan. Op dit moment wordt geen natuurvergunning meer verleend voor spieringvisserij op het IJsselmeer. Gelet op de problemen met voedselbeschikbaarheid in het IJsselmeer is een mogelijke maatregel deze situatie te continueren.
A069 Middelste zaagbek
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 3.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Noord-Europese (met name Noordwest-Russische) broedvogels arriveren in oktober in Nederland met een piek rond januari. De middelste zaagbek is vooral te vinden in zoute meren en getijdengebieden. In de winter verblijft ongeveer 7–10% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de middelste zaagbek als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 3.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A070 Grote zaagbek
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 3.400 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland is de grote zaagbek een uitgesproken wintervogel met de hoogste aantallen van eind november tot half maart. Een groot deel van de overwinteraars is rondom het IJsselmeer te vinden. In de winter verblijft 5% van de Noordwest- en Centraal Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grote zaagbek als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 1.700 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de grote zaagbek betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de grote zaagbek als niet-broedvogel zijn de verminderde vertroebeling van het water en daardoor de afname en moeilijkere vangbaarheid van spiering en de verhoging van de watertemperatuur door klimaatverandering. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie (stimuleren van de intrek van spiering en het reduceren van de uitspoeling van deze soort) in met name het IJsselmeergebied en het creëren van kraamkamers van vis waarin de voedselbeschikbaarheid voor de grote zaagbek kan worden bevorderd.
A075 Zeearend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 60 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Zeearenden hebben een voorkeur voor grote open, waterrijke gebieden. Een groot deel van de zeearenden die in de winter in Nederland verblijven, zijn eigen broedvogels. Buitenlandse overwinteraars stammen voornamelijk uit Duitsland en Scandinavië. In de winter verblijft ongeveer 0,5% van de Europese populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de zeearend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode 2015–2020, vanwege de recente sterke toename van het aantal vogels. Het huidige aantal van circa 60 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A094 Visarend
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 20 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De visarend pleistert met name in het najaar in waterrijke gebieden om te rusten en foerageren. In Nederland trekt waarschijnlijk 5–10% van de Europese populatie door, waarvan een deel op grote hoogte passeert en geen duidelijke terreinbinding heeft. Het aandeel echte pleisteraars is lager.
De staat van instandhouding van de visarend als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 27 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A103 Slechtvalk
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 270 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Vooral open waterrijke gebieden zoals het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de slechtvalk. In de winter verblijft ongeveer 2% van de Europese (minus Russische) populatie in Nederland, waarvan de helft bestaat uit noordelijke overwinteraars.
De staat van instandhouding van de slechtvalk als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 2005–2015, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 270 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A125 Meerkoet
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 210.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De meerkoet kan met name in het najaar in geschikte wateren zoals het IJsselmeergebied, de Randmeren en de Zuidwestelijke Delta in grote concentraties voorkomen. In de winter wordt de verspreiding ruimer en is de soort ook steeds meer te vinden in o.a. graslandpolders. In de winter verblijft >30% van de Noordwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de meerkoet als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 222.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A127 Kraanvogel
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 260 vogels (seizoensmaximum).
Toelichting Natura 2000-doel
De kraanvogel kan worden aangetroffen in hoogvenen en natte heidegebieden en buiten de broedtijd ook in andere gebieden, zoals akkers en weilanden. In de trekperioden kan >20% (in sommige jaren >40%) van de flyway-populatie Nederland passeren, maar slechts een klein deel daarvan komt aan de grond. In de winter verblijft <0,1% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kraanvogel als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1989/1990–1998/1999, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 850 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A130 Scholekster
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 260.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De Waddenzee is het belangrijkste overwinteringsgebied van de scholekster, maar ook het Deltagebied herbergt tienduizenden vogels. Bij hoogwater concentreren ze zich in grote groepen op hoogwatervluchtplaatsen. In de winter verblijft ongeveer 20–25% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de scholekster als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’, ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 130.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de scholekster als niet-broedvogel zijn de voedselbeschikbaarheid (afname van natuurlijke mosselbanken) en de problemen in de Nederlandse broedgebieden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie in wadgebieden en estuaria, door onder andere maatregelen die de effecten van schelpdiervisserij op natuurlijke mosselbanken terugdringen en door de aanleg en het herstel van mosselbanken. Het behalen van de gunstige staat van instandhouding voor de scholekster als niet-broedvogel is daarnaast afhankelijk van het broedsucces en de maatregelen die ter verbetering daarvan worden genomen.
A132 Kluut
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 10.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Met name in de periode van juli tot november komen grote aantallen kluten vanuit heel Noordwest-Europa naar het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta om te ruien. Met name in milde winters blijft een toenemend aandeel aan kluten in Nederland overwinteren. In de winter verblijft ongeveer 5% van de flyway-populatie in Nederland. Gedurende de trektijd loopt dit op tot ongeveer 20% van de flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de kluut als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–1990, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 8.200 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de kluut als niet-broedvogel is de reproductie die structureel te laag is om de populatie, ook als niet-broedvogel, op peil te houden. Het behalen van de gunstige staat van instandhouding voor de kluut als niet-broedvogel is derhalve mede afhankelijk van het broedsucces en de maatregelen die ter verbetering daarvan worden genomen.
A137 Bontbekplevier
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 2.400 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De bontbekplevier is als doortrekker en overwinteraar sterk gebonden aan getijdengebieden en rust tijdens vloed veelal op hoogwatervluchtplaatsen, welke zich kenmerken door geringe vegetatiebedekking. In Nederland overwintert 0,1% van de flyway-populatie van de ondersoort hiaticula, terwijl dit tijdens de doortrekperiode 4–7% van de flyway-populatie betreft. Van de ondersoorten psammodroma en tundrae verblijft in de trektijd naar schatting ongeveer 4% van de gezamenlijke flyway-populaties in Nederland, waarbij de onderlinge verhouding niet goed bekend is.
De staat van instandhouding van de bontbekplevier als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 4.600 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A138 Strandplevier
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 100 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De strandplevier verblijft in de doortrekperiode vrijwel uitsluitend in kustgebieden. Ze volgen meestal het getijdenritme en verblijven tijdens hoogwater op gemeenschappelijke rustplaatsen, welke zowel stranden als kwelders en schorren kunnen omvatten. In de winter verblijft minder dan 0,1% van de West-Europese & West-Mediterrane/West-Afrikaanse flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de strandplevier als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 50 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de strandplevier betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Een belangrijk knelpunt voor de strandplevier als niet-broedvogel ligt in de ontwikkeling in het broedgebied in Nederland, waardoor het reproductiesucces te laag is. Daarnaast is de gevoeligheid van de strandplevier voor verstoring buiten de broedtijd middelgroot, met name op hoogwatervluchtplaatsen. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, hangen grotendeels samen met de maatregelen die ter verbetering van het broedsucces kunnen worden genomen. Daarnaast zijn maatregelen mogelijk voor het beperken van verstoring op met name de hoogwatervluchtplaatsen.
A140 Goudplevier
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 140.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Na de broedtijd komt de goudplevier naar Nederland om te eten op open graslanden en in mindere mate op akkers en wadplaten. In zachte winter blijven veel goudplevieren de gehele winter in Nederland, maar bij strenge vorst trekken ze vrijwel allemaal door naar Groot-Brittannië, Zuidwest-Europa en Noord-Afrika. Buiten de broedtijd verblijft 15–20% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de goudplevier als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 67.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Belangrijke knelpunten voor de goudplevier als niet-broedvogel zijn klimaatverandering, waardoor de soort niet of pas later in het najaar naar Nederland trekt, verdroging, vermesting (mede door stikstofdepositie). en intensieve agrarische werkzaamheden. Door verdroging en vermesting blijven de regenwormen (de belangrijkste prooi van de goudplevier), dieper in de grond en zijn daardoor minder bereikbaar. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit vernattingsmaatregelen en maatregelen om de vermesting op vooral graslanden terug te dringen. Intensieve agrarische werkzaamheden zoals het omploegen van grond kunnen daarnaast beperkt worden om de voedselsituatie voor de soort op orde te houden.
A141 Zilverplevier
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 17.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De zilverplevier bevindt zich vrijwel uitsluitend in zoutwatermilieus (in de Waddenzee en delen van het Deltagebied) en is hier sterk gebonden aan wadplaten. De soort gebruikt gemeenschappelijke hoogwatervluchtplaatsen in open, vlakke en schaars begroeide terreinen nabij de voedselgebieden. Buiten de broedtijd verblijft ongeveer 15% van de West-Siberische/West-Europese & West-Afrikaanse Flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de zilverplevier als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 32.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A142 Kievit
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 230.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Gedurende de winter komen vele vogels in Nederland overwinteren vanuit noordoostelijkere broedpopulaties. De kievit bewoont dan een scala aan open gebieden, veelal graslanden en in mindere mate akkers en recentelijk ook steeds vaker natte natuurgebieden en zoutwatergebieden. Buiten de broedtijd verblijft 10–15% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kievit als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’. De aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 183.000 vogels.
Belangrijke knelpunten voor de kievit als niet-broedvogel zijn de intensivering van agrarisch gebruik, met als gevolg vermesting en verdroging, en het lage broedsucces (in Nederland en in het buitenland). Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan met name uit vernattingsmaatregelen en maatregelen om de vermesting op vooral graslanden terug te dringen. Intensieve agrarische werkzaamheden zoals het omploegen van grond kunnen daarnaast beperkt worden om de voedselsituatie voor de soort op orde te houden.
A143 Kanoet
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 51.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Nederland is van belang voor de ondersoort Calidris canutus canutus, ofwel de ‘Afrosiberische kanoet’ en de ondersoort Calidris canutus islandica ofwel de ‘Nearctische kanoet’. De kanoet is in Nederland gebonden aan de zoutwatermilieus en het getijdenritme van de Waddenzee en de zoute Delta. Kanoeten gebruiken gemeenschappelijke hoogwatervluchtplaatsen. In de winter verblijft ongeveer 30% van de Nearctische kanoeten in Nederland. Het aandeel voor de Afrosiberische kanoet is onbekend. Tijdens de piek in de doortrek verblijft 20–40% van beide flyway-populaties in Nederland.
De staat van instandhouding van de kanoet als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 67.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A144 Drieteenstrandloper
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 4.500 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In de winter verblijft de drieteenstrandloper bij de Noordzeekust. Ze foerageren en rusten langs de oplopende en wegtrekkende golven. Ook rusten ze op kustlocaties met een slikkige of stenige ondergrond in de schaduw van primaire duintjes. In de winter verblijft 5–7% van de Oost-Atlantische flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de drieteenstrandloper als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 16.500 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A147 Krombekstrandloper
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 380 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De krombekstrandloper is in Nederland een schaarse doortrekker, met name aan het einde van de zomer en begin van het najaar. Het grootste aantal bevindt zich in de Waddenzee langs de Friese vastelandskust en dan met name in het gebied Westhoek en Zwarte Haan. Gedurende de trekperiode verblijft 1–2% van de Oost-Atlantische-flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de krombekstrandloper als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 430 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A149 Bonte strandloper
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 190.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De bonte strandloper bevindt zich vooral in getijdengebieden en estuaria, met name in de Waddenzee en het Deltagebied. De soort gebruikt doorgaans met lage vegetatie begroeide kwelders, zand- en modderbanken, stranden en inlagen als gezamenlijke hoogwatervluchtplaatsen. In de winter verblijft ongeveer 20–25% van de flyway-populatie van de ondersoort Calidris alpina alpina, in Nederland. Van de ondersoort Calidris alpina schinzii, welke minder vaak voorkomt, is het percentage dat in Nederland verblijft onbekend.
De staat van instandhouding van de bonte strandloper als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 270.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A151 Kemphaan
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 3.700 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Met name in de nazomer trekken enkele duizenden kemphanen door Nederland. Een klein deel van deze vogels, voornamelijk de grotere hanen, blijven in de winter in Nederland. Tijdens het vroege voorjaar komen er weer grotere aantallen door. Buiten de broedtijd verblijft 1% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de kemphaan als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. De aspecten ‘leefgebied’ en ‘verspreidingsgebied’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 2.400 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de kemphaan betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de kemphaan als niet-broedvogel zijn gelijk aan de knelpunten in de broedgebieden. Ook buiten de broedtijd zijn kemphanen afhankelijk van natte graslanden als geschikt foerageergebied. Door ontwatering en vermesting(mede door stikstofdepositie) is er een lagere diversiteit aan ongewervelden in graslanden te vinden, waardoor de kemphaan minder voedsel kan vinden. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, hangen grotendeels samen met de maatregelen die ter verbetering van het broedsucces dienen te worden genomen. Daarnaast kan rond de geschikte slaapplaatsen voor de kemphaan vegetatiesuccessie worden voorkomen om de slaapplaats open en daarmee veilig te houden. Het kan daarnaast belangrijk zijn dat geschikte slaapplaatsen in de buurt liggen van foerageergebieden. Geschikte slaapplaatsen zijn doorgaans ondiepe wateren in open gebieden.
A156 Grutto
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 15.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Grutto’s verzamelen zich voor en na de broedtijd in groepen in natte natuurgebieden en op plasdrassen in agrarisch gebied om gezamenlijk te rusten en te foerageren. Waarnemingen van grutto’s in de winter betreffen waarschijnlijk allemaal vogels van de ondersoort islandica. Buiten de broedtijd verblijft 40% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grutto als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1984–1994, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 7.100 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel nog niet wordt gehaald, daarom is voor de populatieomvang een uitbreidingsdoelstelling geformuleerd.
Een belangrijk knelpunt voor de grutto als niet-broedvogel is de ontwikkeling in de broedpopulatie binnen Nederland. Daarnaast zijn stikstofdepositie wat leidt tot vermesting intensivering van agrarisch gebruik (het voedselaanbod neemt hierdoor af en is moeilijker bereikbaar) en verdroging (dit zorgt ook voor een afname van het voedselaanbod en minder geschikt wordende slaapplaatsen) knelpunten. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, hangen grotendeels samen met de maatregelen die ter verbetering van het broedsucces worden genomen. Verder kunnen maatregelen bijdragen om het waterpeil te verhogen (vernattingsmaatregelen), het foerageerhabitat te verbeteren door biodiversiteit aan bodemdieren te doen toenemen en de bodem beter doordringbaar te maken en stikstofdepositie te verminderen.
A157 Rosse grutto
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 42.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Nederland is van belang voor twee flyway-populaties: voor de ondersoort Limosa lapponica taymyrensis (voor- en najaarstrek) en de ondersoort Limosa lapponica lapponica (overwinteren). Rosse grutto’s zijn vrijwel uitsluitend in intergetijdengebieden te vinden en in het voorjaar zijn ze langs de kust ook op graslanden met veel emelten aan te treffen. Bij vloed concentreren ze zich op hoogwatervluchtplaatsen. In de piekperiode van de doortrek (mei) zijn ongeveer 130.000 tot 200.000 rosse grutto’s in Nederland aanwezig, behorende tot beide ondersoorten. In de winter verblijft 40% van de Noord-Europese/West-Europese flyway-populatie van de ondersoort lapponica lapponica in Nederland.
De staat van instandhouding van de rosse grutto als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 66.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A160 Wulp
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 86.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Meer dan honderdduizend wulpen vanuit noordelijkere streken komen naar Nederland om te overwinteren of om te rusten. Ongeveer driekwart van deze vogels verblijft in het Waddengebied, waar in grote gemeenschappelijke slaapplaatsen wordt gerust op bijvoorbeeld kwelders. In de winter verblijft 22–30% van de Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de wulp als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de jaren 1980–1990, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 126.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A161 Zwarte ruiter
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 2.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De zwarte ruiter prefereert in de winter ondiepe en de meest slikkige delen van getijdengebieden (Zuidwestelijke Delta). Kleinere aantallen zijn te vinden in het binnenland (rivierengebied). Bij vloed rust de soort op gemeenschappelijke rust- en hoogwatervluchtplaatsen op stranden en randen van kwelders. In de winter verblijft minder dan 0,2% van de Noord & Zuid-Europese en Noord & West-Afrikaanse flywaypopulatie in Nederland. In de doortrekperiode is dit 3–4%.
De staat van instandhouding van de zwarte ruiter als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van het aspect ‘populatie’. De aspecten ‘leefgebied’ en ‘toekomstperspectief’ hebben een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 1.000 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de zwarte ruiter betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de zwarte ruiter als niet-broedvogel zijn eutrofiëring en kwaliteitsvermindering van de broedgebieden in Fenno-Scandinavië. Mogelijk is ook de situatie in de Afrikaanse overwinteringsgebieden een drukfactor. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, worden met name in de Dollard verwacht omdat de Eems-Dollard het kerngebied van de Zwarte Ruiter in Nederland vormt. Hier worden maatregelen genomen die de kwaliteit van het leefgebied zullen verbeteren door de stikstofrijke afwatering op de Dollard in te perken en derhalve een gunstig effect kunnen hebben op de soort. Ook kan de zwarte ruiter mogelijk profiteren van maatregelen in het kader van het Meerjarig Adaptief Programma Eems-Dollard 2050 teneinde de ecologische kwaliteit van de Eems-Dollard te verbeteren.
A162 Tureluur
Natura 2000-doel
Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 23.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
In Nederland overwinteren naast een deel van de eigen broedvogels, ook de IJslandse (ondersoort robusta) en Britse (ondersoort totanus) flyway-populaties. Overwinterende en doortrekkende tureluurs concentreren zich voornamelijk in het Waddengebied en de Zuidwestelijke Delta. In de winter verblijft ongeveer 3–4% van de IJslandse en de Britse flyway-populaties in Nederland. Tijdens de trektijd verblijft ongeveer 21–31% van de Noord-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de tureluur als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 20.000 vogels.
Een belangrijk knelpunt voor de tureluur als niet-broedvogel is de afname van het broedsucces in het buitenland als gevolg van intensivering van landgebruik. Deze knelpunten spelen ook in Nederland, maar omdat de flyway-populatie die in Nederland broedt, veelal niet in Nederland overwintert, is dit van beperkte invloed op de Nederlandse niet-broedende tureluurs. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn waarschijnlijk beperkt omdat de belangrijkste knelpunten in de broedgebieden liggen. Wel kunnen in Nederland geschikte rust- en foerageergebieden worden uitgebreid, bijvoorbeeld door het verhogen van de waterstand en aanleg van plasdrassen en het bieden van voldoende rust bij hoogwatervluchtplaatsen.
A164 Groenpootruiter
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 1.600 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Groenpootruiters concentreren zich tijdens de najaars- en voorjaarstrek in Nederland voornamelijk in intergetijdengebieden. In het intergetijdengebied variëren hoogwatervluchtplaatsen van schaars begroeide kwelders, randen van plassen en inlagen en binnendijkse graslanden. Tijdens de trekperiode verblijft 3–5% van de Oost-Atlantische flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de groenpootruiter als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht voor het leefgebied voor een toekomstige gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 1.700 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A169 Steenloper
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 6.100 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De steenloper komt alleen voor in kustgebieden, met name in de Waddenzee en in de Delta. Als foerageerhabitat gebruikt de soort strekdammen, havenhoofden, besteende dijken en mossel- en oesterbanken. In de winter verblijft 3% van de flyway-populatie afkomstig uit Noordoost-Canada en Groenland in Nederland en tijdens de doortrek in het najaar verblijft 7% van de flyway-populatie uit de Scandinavische en Russische broedgebieden in Nederland.
De staat van instandhouding van de steenloper als niet-broedvogel wordt als ‘matig ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘matig ongunstige’ beoordeling van alle vier de aspecten. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de periode rond de inwerkingtreding van de Vogelrichtlijn in 1980, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 4.800 vogels.
Een belangrijke knelpunt voor de steenloper als niet-broedvogel is ontwikkelingen in het buitenland als gevolg van klimaatverandering. Mogelijk is onvoldoende bereikbare mosselbanken een knelpunt. Voor het bereiken van een gunstige staat is het belangrijk beter te begrijpen wat de redenen van achteruitgang zijn van de soort. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, liggen vooral in het creëren van een geschikt voedselaanbod, bijvoorbeeld door het herstellen van de mosselbanken in de Waddenzee. Daarnaast kunnen goede foerageergebieden langs de hele kust ontzien worden van negatieve ontwikkelingen, zoals door kustversterking en havenontwikkeling, zodat er geen foerageergebied verdwijnt.
A175 Grote jager
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 190 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De grote jager bevindt zich met name op open zee maar kustwateren worden niet gemeden. De soort is vaak te vinden bij vistrawlers. Met name op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) komen ze in de trektijd wijdverspreid voor. In de winter verblijft minder dan 1% van de wereldpopulatie in Nederland (inclusief NCP). In de doortrekperiode verblijft maximaal 20% van de wereldpopulatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grote jager als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 240 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A177 Dwergmeeuw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 14.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De dwergmeeuw is als doortrekker, met de grootste aantallen in april, voornamelijk te vinden op de Noordzee en in het IJsselmeergebied. Ook tijdens de najaarstrek en in de winter verblijft de soort in Nederland, voornamelijk op de Noordzee. Tijdens de voorjaarstrek trekt naar verwachting ongeveer 40–100% van de flyway-populatie door Nederland. De relevante flyway-populatie is de populatie die zich beweegt tussen de broedgebieden in Noordoost-Europa en voornamelijk overwintert op diverse zoute wateren zoals de Oostzee, de Noordzee, de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.
De staat van instandhouding van de dwergmeeuw als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 14.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A187 Grote mantelmeeuw
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de behoud van een populatie van ten minste 11.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De grote mantelmeeuw verblijft in de winter op en langs Nederlandse wateren waaronder het Nederlands Continentaal Plat (NCP). Op de Noordzee overzomert de soort ook in klein aantal. Op de Noordzee komen ze in lage dichtheden voor, bijvoorbeeld bij viskotters en offshore platforms. In de winter verblijft ongeveer 5–10% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de grote mantelmeeuw als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Door grote onzekerheid over mogelijke maatregelen voor de soort, wordt behoud van de huidige omvang als haalbaar ingeschat in 2050. Voor de grote mantelmeeuw betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding.
Belangrijke knelpunten voor de grote mantelmeeuw als niet-broedvogel zijn de afname van de broedpopulatie in het buitenland. Er is op dit moment weinig bekend over mogelijke maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, omdat de afname samenhangt met drukfactoren in het broedgebied en de oorzaak derhalve buiten Nederland ligt.
A190 Reuzenstern
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 55 vogels (seizoensmaximum).
Toelichting Natura 2000-doel
De reuzenstern is in Nederland een doortrekker die met name in de nazomer verzamelt op slaapplaatsen langs grote zoete wateren zoals het Lauwersmeergebied en de Friese IJsselmeerkust. In Nederland pleistert 3% van de Baltische flyway-populatie.
De staat van instandhouding van de reuzenstern als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1980–2010, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 130 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A197 Zwarte stern
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 30.000 vogels (seizoensmaximum).
Toelichting Natura 2000-doel
De meeste zwarte sterns zijn gedurende de trektijd, met name in de nazomer, in Nederland te vinden. De soort foerageert op de grote wateren, met name in het IJsselmeergebied en verzamelt zich ’s nachts op slaapplaatsen op kale of schaars begroeide eilanden. In de nazomer pleistert 3–4% van de Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de zwarte stern als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Het aspect ‘leefgebied’ heeft een ‘matig ongunstige’ beoordeling. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied kan zorgen voor uitbreiding van de huidige populatie van circa 15.000 vogels. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Voor de zwarte stern betekent het landelijk doel waarschijnlijk nog geen gunstige staat van instandhouding. Op het moment dat dit bereikt is, is in ieder geval een nieuwe beoordeling nodig van het landelijk doel.
Belangrijke knelpunten voor de zwarte stern als niet-broedvogel zijn de effecten van de inperking van eutrofiëring waardoor de aanvoer van voedingsstoffen is afgenomen en het ontbreken van natuurlijke oevers met ondiepe wateren en rijkelijke oevervegetaties, waardoor de vispopulatie lijdt aan het gebrek aan nutriënten. Dit zorgt uiteindelijk voor voedselgebrek voor de zwarte stern. Ook een dalende visstand als gevolg van de opwarming van de grote wateren zorgt voor een voedselgebrek voor de zwarte stern. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, bestaan uit het verbeteren van de voedselsituatie, zoals het herstel van de vispopulaties, met name die van spiering en/of andere kleine, pelagisch levende vis, in het IJssel- en Markermeer. Ook de aanleg van meer natuurlijke oevers met ondiepe wateren en rijke oever- en moerasvegetatie zal tot een betere voedselsituatie kunnen leiden.
A199 Zeekoet
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 88.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De zeekoet is bijna het gehele jaar door (met een piek in februari) op grote delen van de Noordzee te vinden, met name op het Nederlands Continentaal Plat. Vooral in november duikt de soort ook op in de kustwateren. In de winter verblijft 2–3% van de flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de zeekoet als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 128.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A200 Alk
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 65.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
De alk verblijft het gehele jaar op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) en is hier een schaarse zomergast tot vrij talrijke wintergast. Ten zuidwesten van de Doggersbank, de Oestergronden en ten zuiden van de Zeeuwse Banken en in een smalle strook langs de Nederlandse kust komen hoge dichtheden voor. In het late najaar en in de winter verblijft ongeveer 15% van de Noordwest-Europese populatie in het Nederlandse Noordzeegebied.
De staat van instandhouding van de alk als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2005, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 94.000 vogels laat zien dat dit landelijke doel momenteel wordt gehaald.
A701 Taigarietgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor de uitbreiding tot een populatie van ten minste 80 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Kleine aantallen van deze zeer zeldzame wintergast komen nog sporadisch voor in beek- en rivierdalen in Oost- en Zuid-Nederland, waar een voorkeur bestaat voor relatief kleinschalige agrarische landschappen nabij natte heide- en hoogveengebieden. Ondiepe rustige wateren in de heide en het hoogveen worden daar als slaapplaats gebruikt. In de winter verblijft <0,1% van de Centrale flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de taigarietgans als niet-broedvogel wordt als ‘zeer ongunstig’ beoordeeld vanwege een ‘zeer ongunstige’ beoordeling van de aspecten ‘verspreidingsgebied’, ‘populatie’ en ‘toekomstperspectief’. Omdat de staat van instandhouding van het aspect leefgebied gunstig is, is behoud van de omvang en de kwaliteit ervan voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een zo gunstig mogelijke toekomstige populatie is gebaseerd op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van ongeveer 25 jaar. Het huidige aantal van circa 1 vogel laat zien dat dit landelijke doel momenteel niet wordt gehaald. Hoewel de omvang en de kwaliteit van het leefgebied in Nederland ruim voldoende is, is de verwachting dat in 2050 de aantallen behorende bij een gunstige populatieomvang niet worden gehaald vanwege een gewijzigde migratiestrategie.
Vanwege de zachtere winters als gevolg van klimaatverandering komt de taigarietgans vrijwel niet meer naar Nederland om te overwinteren. Daarnaast zijn er ontwikkelingen in het buitenland die een knelpunt vormen voor de populatie. Zo wordt er veel gejaagd op de taigarietgans en is er mogelijk sprake van veel verstoring, habitatverlies fragmentatie en/of degradatie van het leefgebied. Maatregelen die ertoe kunnen bijdragen dat de staat van instandhouding verbetert, zijn niet mogelijk omdat de oorzaak van de zeer kleine populatieomvang buiten Nederland ligt. Wanneer ergens een groep vogels in Nederland overwintert dan is waarborgen van rust op de foerageerlocaties en slaapplaatsen van belang.
A702 Toendrarietgans
Natura 2000-doel
Behoud van de omvang en van de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor het behoud van een populatie van ten minste 23.000 vogels (seizoensgemiddelde).
Toelichting Natura 2000-doel
Een combinatie van een geschikte en verstoringsvrije slaapplaats met gebieden die voldoende voedselaanbod hebben, is van belang voor de toendrarietgans. Slaapplaatsen omvatten meestal meren en (zand) plassen of ondergelopen gebieden, inclusief plasdras situaties op akkers. In de winter verblijft tot ongeveer 45% van de Siberische/Noordoost- en Zuidwest-Europese flyway-populatie in Nederland.
De staat van instandhouding van de toendrarietgans als niet-broedvogel wordt als ‘gunstig’ beoordeeld. Omdat de staat van instandhouding gunstig is, is behoud voldoende. De benodigde draagkracht van het leefgebied voor een toekomstig gunstige populatie is gebaseerd op de jaren 1990–2000, toen de soort in een gunstige staat verkeerde. Het huidige aantal van circa 75.000 vogels laat zien dat het landelijke doel momenteel wordt gehaald.
In de tabel hieronder staat weergegeven op welke manier de landelijke doelen die in bouwstenen zijn geadviseerd, technisch zijn gekwantificeerd aan de hand van de gegevens uit de habitatrichtlijnrapportage 2025.
|
Habitattype code |
Habitattype naam |
formule |
formule ingevuld |
gemiddeld en afgerond |
Inschatting haalbaarheid |
kwantificering haalbaar doel (afgerond) |
Toelichting |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
H1110 |
Permanent overstroomde zandbanken |
||||||
|
H1110A |
Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) |
= DV |
135.500 |
✓ |
135.500 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H1110B |
Permanent overstroomde zandbanken (Noordzeekustzone) |
= DV |
346.700 |
✓ |
346.700 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H1110C |
Permanent overstroomde zandbanken (Doggersbank) |
= DV |
435.600 |
✓ |
435.600 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H1130 |
Estuaria |
Niet gekwantificeerd vanwege gebrek aan gegevens over potentie. Wel duidelijk dat er uitbreiding nodig is. |
|||||
|
H1140 |
Slik- en zandplaten |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV, geldt voor beide subtypen |
|||||
|
H1140A |
Slik- en zandplaten (getijdengebied) |
=DV |
107.100 |
✓ |
107.100 |
beide subtypen behoud oppervlakte |
|
|
H1140B |
Slik- en zandplaten (Noordzee-kustzone) |
=DV |
4.900 |
✓ |
4.900 |
beide subtypen behoud oppervlakte |
|
|
H1160 |
Grote baaien |
=DV |
34.300 |
✓ |
34.300 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H1170 |
Riffen van open zee |
=DV |
91.100 |
✓ |
91.100 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H1310 |
Zilte pionierbegroeiingen |
=DV |
1.400 |
✓ |
1.400 |
DV was gunstig, trend fluctuerend. DV-waarde afkomstig uit VegWad kartering 1994. |
|
|
H1320 |
Slijkgrasvelden |
=DV |
520 |
✓ |
520 |
DV was gunstig, trend fluctuerend. Waarde afkomstig uit VegWad kartering 1994. |
|
|
H1330 |
Schorren en zilte graslanden |
Formule cf Bijlsma 2014; toegepast op subtype A omdat daarvoor uitbreiding nodig is cf Bouwsteen; subtype B is gunstig en langjarig stabiel. DV waarden uit VegWad kartering 1994. |
|||||
|
H1330A |
Schorren en zilte graslanden (buitendijks) |
=DV+(5 tot 10%) |
8900+ (445 tot 890) |
9.600 |
✓ |
9.600 |
|
|
H1330B |
Schorren en zilte graslanden (binnendijks) |
=DV |
400 |
✓ |
400 |
||
|
H2110 |
Embryonale duinen |
=DV |
300–350 km hokken |
✓ |
300–350 km hokken |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige (fluctuerende) oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H2120 |
Witte duinen |
=DV |
2.400 |
✓ |
2.400 |
DV was gunstig, trend positief. DV waarde onbekend. Huidig als beste schatting en cf. NHV |
|
|
H2130 |
*Grijze duinen |
= DV+25%(H-DV) |
11200+ 0,25(14 000-11200) |
11.900 |
✓ |
12.100 |
DV was ongunstig, trend negatief; formule cf Bijlsma 2014, H en DV waarde afgeleid uit huidige omvang met gegevens uit bouwsteen en Bijlsma 2014. Met afronding groeipercentage van 28% naar 30% komt landelijk doel in hectares op 12.100 |
|
H2140 |
*Duinheiden met kraaihei |
= DV |
1.500 |
✓ |
1.500 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H2150 |
*Duinheiden met struikhei |
= DV |
230 |
✓ |
230 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H2160 |
Duindoornstruwelen |
= DV |
3.700 |
✓ |
3.700 |
DV was gunstig; DV waarde uit bouwsteen |
|
|
H2170 |
Kruipwilgstruwelen |
= DV |
440 |
✓ |
440 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H2180 |
Duinbossen |
= DV |
5.600 |
✓ |
5.600 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
|
H2190 |
Vochtige duinvalleien |
A=2–10% < doel |
1940/0,98 tot 1940/0,9 |
2.100 |
✓ |
DV was ongunstig, trend negatief; bouwsteen geeft geen kwantificering; operator uit HR-rapportage gebruikt voor kwantificering (actueel is –2 tot –10% onder gunstig niveau). Toename komt ten goede aan subtype A en B (naar rato), omdat C en D al gunstige oppervlakte hebben. |
|
|
H2190A |
Vochtige duinvalleien (open water) |
=(subA/(H2190-subC-subD))*(doel-subC-subD) |
(260/(1940–200–380))*(2060–200–380) |
280 |
✓ |
280 |
Uitbreiding subtype naar rato (zonder subtype C en D) |
|
H2190B |
Vochtige duinvalleien (kalkrijk) |
=(subB/(H2190-subC-subD))*(doel-subC-subD) |
(1100/(1940–200–380))*(2060–200–380) |
1.200 |
✓ |
1.200 |
Uitbreiding subtype naar rato (zonder subtype C en D) |
|
H2190C |
Vochtige duinvalleien (ontkalkt) |
=A |
200 |
✓ |
200 |
Huidige omvang subtype is gunstig |
|
|
H2190D |
Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) |
=A |
380 |
✓ |
380 |
Huidige omvang subtype is gunstig |
|
|
H2310 |
Stuifzandheiden met struikhei |
A = 11–25% < FRA |
2300/0,89 tot 2300/0,75 |
2.800 |
✓ |
2.800 |
DV was ongunstig, trend negatief; bouwsteen geeft geen kwantificering; operator uit HR-rapportage gebruikt voor kwantificering (actueel is –11 tot –25% onder gunstig niveau). |
|
H2320 |
Binnenlandse kraaiheibegroeiingen |
=DV |
260 |
✓ |
260 |
DV was gunstig; trend licht positief; huidige oppervlakte beste schatting voor DV en cf NHV |
|
|
H2330 |
Zandverstuivingen |
A = 11–25% < FRA |
2700/0,89 tot 2700/0,75 |
3.300 |
✓ |
3.300 |
DV was ongunstig, trend negatief; bouwsteen geeft geen kwantificering; operator uit HR-rapportage gebruikt voor kwantificering (actueel is –11 tot –25% onder gunstig niveau). |
|
H3110 |
Zeer zwakgebufferde vennen |
=DV+0,25*(H-DV) |
75 +0,25*(424–75) |
160 |
matig ongunstig (90%) haalbaar) |
150 |
DV was ongunstig, trend negatief; maar niveau DV niet goed bekend. formule toegepast met actuele waarde als beste schatting cf bouwsteen (met lage drempel); H = 424 (Bijlsma 2014). Matig ongunstig haalbaar cf bouwsteen, dus 90% |
|
H3130 |
Zwakgebufferde vennen |
DV + 5 tot 10%(H-DV) |
330+(0,05 tot 0,1)*(838–330) |
370 |
✓ |
370 |
DV was ongunstig, trend stabiel; formule conform bouwsteen met huidige oppervlakte beste schatting voor DV; H= 838 (Bijlsma 2014) |
|
H3140 |
Kranswierwateren |
=DV (≈A= 2–10%<doel) |
7400/0,98 tot 7400/0,9 |
7.900 |
✓ |
7.900 |
DV was gunstig, trend negatief. DV ligt dus hoger dan actuele oppervlakte, die cf HR rapportage 2–10% onder GRO ligt. |
|
H3150 |
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
A =2–10% < FRA |
2100/0,98 tot 2100/0,9 |
2.200 |
✓ |
2.200 |
DV was ongunstig, trend negatief; bouwsteen geeft geen kwantificering; operator uit HR-rapportage gebruikt voor kwantificering (actueel is –2 tot –10% onder gunstig niveau). |
|
H3160 |
Zure vennen |
A=10% < FRA |
380/0,9 |
420 |
✓ |
420 |
DV was ongunstig, trend negatief. Actuele waarde ligt volgens operator HR rapportage 2–10% onder gunstig niveau; formule bouwsteen is DV+ 10–25%(H-DV), maar DV waarde niet goed bekend. Daarom is kwantificering afgeleid uit actuele omvang en bovengrens van de operator (10%). |
|
H3260 |
Beken en rivieren met waterplanten |
||||||
|
H3260A |
Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkel) |
= 2*DV |
2*80 |
160 |
matig ongunstig (90%) haalbaar |
140 |
DV was ongunstig, trend negatief; maar DV waarde niet goed bekend. Bouwsteen adviseert verdubbeling als gunstig niveau, en matig ongunstig (dus 90%) daarvan als haalbaar. |
|
H3260B |
Beken en rivieren met waterplanten (fonteinkruiden) |
= DV |
63 |
65 |
✓ |
65 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H3270 |
Slikkige rivieroevers |
=A |
✓ |
behoud |
DV was ongunstig, trend positief, waardoor oppervlakte nu gunstig is beoordeeld, maar kwantitatief niet goed bekend. |
||
|
H4010 |
Vochtige heiden |
||||||
|
H4010A |
Vochtige heiden (hogere zandgronden) |
= DV + 10–25%(H-DV) |
1770+(0,1 tot 0,25)*(6200–1770) |
2.500 |
matig ongunstig (90%) haalbaar |
2.300 |
DV was ongunstig, trend stabiel; formule conform bouwsteen met huidige oppervlakte beste schatting voor DV; H≈ 6200 voor subtype A (Bijlsma 2014). Matig ongunstig (dus 90%) haalbaar cf bouwsteen. |
|
H4010B |
Vochtige heiden (laagveen) |
=DV |
172 |
170 |
✓ |
170 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H4030 |
Droge heiden |
= DV + 10–25%(H-DV) |
15500+(0,1 tot 0,25)*(29 000-15500) |
17.900 |
✓ |
17.800 |
DV was ongunstig; trend onbekend; huidige oppervlakte beste schatting voor DV in formule cf bouwsteen. H≈29.000 ha (Bijlsma 2024). Door afronding groeipercentage van 15,4% naar 15% komt landelijk doel in hectares op 17.800 |
|
H5130 |
Jeneverbesstruwelen |
= DV |
177 |
180 |
✓ |
180 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H6110 |
*Pionierbegroeiingen op rotsbodem |
uitbreiding |
DV was ongunstig, trend onbekend; uitbreiding nodig maar huidige omvang onvoldoende bekend voor kwantificering |
||||
|
H6120 |
*Stroomdalgraslanden |
uitbreiding |
DV was ongunstig, trend positief; forse uitbreiding nodig maar ecologisch haalbaarheid is nog niet kwantitatief bepaald (zie bouwsteen). |
||||
|
H6130 |
*Zinkweiden |
>> |
4,4 tot 8,4 |
6,4 |
4,4 |
4,4 |
Haalbaar doel cf bouwsteen |
|
H6210 |
*Kalkgraslanden |
= DV + 75%–100%(H-DV) |
75+(0,75 tot 1)*(150–75) |
140 |
✓ |
149 |
DV was ongunstig, trend is afname en toename; formule conform bouwsteen met huidige oppervlakte beste schatting voor DV en H= 150 (Bijlsma 2014) |
|
H6230 |
*Heischrale graslanden |
uitbreiding |
DV was ongunstig, trend onbekend; forse uitbreiding nodig maar huidige omvang onvoldoende bekend voor kwantificering |
||||
|
H6410 |
Blauwgraslanden |
A+75% |
350 |
DV ongunstig, trend onzeker; forse uitbreiding nodig maar formule uit bouwsteen leidt niet tot haalbare kwantificering. Inschatting is dat 75% uitbreiding ecologisch haalbaar is. |
|||
|
H6430 |
Ruigten en zomen |
=DV |
1.550 |
1.600 |
✓ |
1.600 |
DV was gunstig, trend onbekend, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H6510 |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden |
||||||
|
H6510A |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) |
= DV+ 5–10%(H-DV) |
690+(0,05 tot 0,1)*(1500–690) |
750 |
✓ |
750 |
DV was ongunstig, trend stabiel; formule uit bouwsteen is toegepast met huidig als beste schatting DV en H = 1.500 (Bijlsma 2014) |
|
H6510B |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) |
= DV + 25–75%(H-DV) |
190+(0,25 tot 0,75)*(1500–190) |
840 |
✓ |
860 |
DV was ongunstig, trend stabiel; formule uit bouwsteen is toegepast met huidig als beste schatting DV en H = 1.500 (Bijlsma 2014). Door afronding groeipercentage komt doel in hectares op 860. |
|
H7110 |
*Actieve hoogvenen |
|
|||||
|
H7110A |
*Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) |
30 |
DV ongunstig, trend stabiel; forse uitbreiding nodig maar formule uit bouwsteen leidt niet tot kwantificering. Inschatting is dat 30 hectare ecologisch haalbaar is. |
||||
|
H7110B |
*Actieve hoogvenen (heideveentjes) |
=DV + 10% |
80+0,1*80 |
90 |
✓ |
90 |
DV ongunstig, trend stabiel; formule uit bouwsteen leidt niet tot kwantificering. Expert inschatting is dat 10% uitbreiding nodig is voor gunstige oppervlakte. |
|
H7120 |
Herstellende hoogvenen |
= DV |
7.100 |
7.100 |
✓ |
7.100 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H7140 |
Overgangs- en trilvenen |
DV+10–25%*(H-DV) |
1580+(0,1 tot 0,25) * (3290–1580) |
1.880 |
DV was ongunstig, huidige oppervlakte verschilt niet wezenlijk. formule uit bouwsteen is toegepast met huidig als beste schatting van DV en H≈3300 (Bijlsma 2014) |
||
|
H7140A |
Overgangs- en trilvenen (trilveen) |
=doel – subB |
=1880 –1410 |
470 |
✓ |
460 |
Uitbreiding van het type komt geheel ten goede aan subtype A, omdat subtype B al gunstig is. Door afronding van groeipercentage van 186 naar 190% komt het doel in hectares op 460. |
|
H7140B |
Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) |
= A |
1.410 |
1.400 |
✓ |
1.400 |
Oppervlakte subtype is gunstig, dus behoud |
|
H7150 |
Pioniervegetaties met snavelbiezen |
= DV |
260 |
260 |
✓ |
260 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H7210 |
*Galigaanmoerassen |
= DV |
60 |
60 |
✓ |
60 |
DV was gunstig, trend positief. Precieze DV waarde onbekend. Huidig als beste schatting en cf. NHV |
|
H7220 |
*Kalktufbronnen |
= DV |
2 |
2 |
✓ |
2 |
DV was gunstig, oppervlakte niet wezenlijk veranderd; huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H7230 |
Kalkmoerassen |
2* t0 |
20 |
DV ongunstig, trend onzeker; forse uitbreiding nodig maar formule uit bouwsteen leidt niet tot haalbare kwantificering. Inschatting is dat verdubbeling T0-waarde (ingeschat op 2* 9 = 18ha) ecologisch haalbaar is, zie bouwsteen. Met afronding van groeipercentage van 114% naar 115% komt het doel in hectares doel op 20 ha |
|||
|
H9110 |
Veldbies-beukenbossen |
=DV |
390 |
390 |
✓ |
390 |
DV was gunstig, trend stabiel, huidige oppervlakte beste schatting DV |
|
H9120 |
Beuken-eikenbossen met hulst |
= DV + 0–10% |
7200+0 tot 0,1*7200 |
7.600 |
✓ |
7.600 |
DV was ongunstig, trend stabiel; daarom huidige oppervlakte als beste schatting van DV; formule uit bouwsteen is geconcretiseerd naar 0–10% (gemiddeld 5%) uitbreiding vanwege matig ongunstige staat. |
|
H9160 |
Eiken-haagbeukenbossen |
= DV + 0–10% |
✓ |
uitbreiding |
DV was ongunstig, trend stabiel; daarom huidige oppervlakte als beste schatting van DV; formule uit bouwsteen is geconcretiseerd naar 0–10% (gemiddeld 5%) uitbreiding vanwege matig ongunstige staat. Huidige omvang onvoldoende bekend voor kwantificering |
||
|
H9190 |
Oude eikenbossen |
= DV + 0–10% |
1300+0 tot 0,1*1300 |
1.400 |
✓ |
1.400 |
DV was ongunstig, trend stabiel; daarom huidige oppervlakte als beste schatting van DV; formule uit bouwsteen is geconcretiseerd naar 0–10% (gemiddeld 5%) uitbreiding vanwege matig ongunstige staat. |
|
H91D0 |
*Hoogveenbossen |
= DV + 0–10% |
1200+0 tot 0,1*1200 |
1.300 |
✓ |
1.300 |
DV was ongunstig, trend stabiel; daarom huidige oppervlakte als beste schatting van DV; formule uit bouwsteen is geconcretiseerd naar 0–10% (gemiddeld 5%) uitbreiding vanwege matig ongunstige staat. |
|
H91E0 |
Vochtige alluviale bossen |
= DV + 0–10% |
4600+0 tot 0,1*4600 |
4.800 |
✓ |
4.800 |
DV was ongunstig, trend onbekend; huidige oppervlakte als beste schatting van DV; formule uit bouwsteen is geconcretiseerd naar 0–10% (gemiddeld 5%) uitbreiding vanwege matig ongunstige staat. |
|
H91F0 |
Droge hardhoutooibossen |
✓ |
uitbreiding |
DV was ongunstig, trend positief; uitbreiding nodig, maar huidige omvang onvoldoende bekend voor kwantificering. |
Legenda bij tabel:
DV = Directive value, het niveau ten tijde van inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn
H = historisch voorkomen
A = Actueel voorkomen
SubA, SubB, SubC, SubD = subtype A, B C of D
Toelichting bij tabel:
• Formule: De formule voor het kwantificeren van gunstige oppervlaktes van habitattypen is overgenomen uit de bouwstenen (zie bijlage 4 van Toelichting bij bouwstenen voor een overzicht), tenzij dit in de toelichting anders is aangegeven. Conform de methodiek van Bijlsma 201466 en de bouwstenen vormt het niveau ten tijde van inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn de basis (hier aangegeven als ‘DV, Directive Value; in Bijlsma 2014 was dit aangeven als A, en in bouwstenen als T0, omdat de actuele waarde bij het opstellen van die rapporten de beste schatting vormden voor DV). Hier is het niveau bij inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994) aangegeven als DV, om expliciet te maken dat de doeloppervlakte niet automatisch ‘meegroeit’ met de actuele ontwikkeling van een habitattype. In enkele gevallen is de actuele waarde (A) wel direct gebruikt (eenmalig). Als DV niet voldoende was voor een gunstige staat van instandhouding, is in Bijlsma 2014 beoordeeld hoeveel van het historisch verlies zou moeten worden hersteld. Het historische voorkomen is in de formule weergegeven met een “H”.
• In de kolom ‘formule ingevuld’ staat aangegeven welke cijfers zijn gebruikt om de doeloppervlakte van habitattypen te kwantificeren. Veelal is de DV afgeleid uit de meest recente Habitatrichtlijnrapportage (2025), rekening houdend met de trend. In de kolom ‘toelichting’ staat aangegeven dat in enkele gevallen de DV-waarde op een andere manier is bepaald (bijvoorbeeld uit de kwelderkartering van VEGWAD (onderdeel van MWTL) van 1994). Omdat de voorkomens van habitattypen in Nederland steeds nauwkeuriger in kaart worden gebracht, wordt steeds beter bekend hoeveel oppervlakte er in Nederland is, en dus ook hoeveel er waarschijnlijk was ten tijde van inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn. Daarbij is rekening gehouden met de trend: als de lange termijntrend sinds inwerkingtreding stabiel is, is de recent gemeten oppervlakte waarschijnlijk de meest nauwkeurige schatting van de oppervlakte bij inwerkingtreding. Bij een negatieve lange termijn trend was het niveau bij inwerkingtreding naar verwachting navenant hoger. In de adviezen voor de gunstige oppervlakte voor habitattypen in de bouwstenen zijn de gegevens over de omvang uit de Habitatrichtlijnrapportage uit 2019 gebruikt. Omdat de gegevens in de rapportage van 2025 gebaseerd zijn op betere karteringen, heeft LVVN deze gebruikt.
• Gemiddelde en afronding: de formule die ook is toegepast in de bouwstenen leidt in een aantal gevallen tot een bandbreedte. Omdat de het landelijk doel in het gebruik een zo concreet mogelijk getal is, is in die gevallen het gemiddelde genomen om tot de wetenschappelijk beste schatting te komen van waar het gunstige niveau ligt. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen zijn de getallen afgerond: getallen boven de 1.000 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 100-tallen; getallen boven de 100 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 10-tallen; getallen boven de 10 zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 5-tallen.
• Inschatting haalbaarheid: in bouwstenen is de ecologische haalbaarheid van geadviseerde gunstige referentiewaarden beoordeeld met een analyse van knelpunten en hun oplosbaarheid met maatregelen. Er is daarbij een advies gegeven over een ecologisch haalbaar doel met het oog op 2050. In deze kolom staat aangegeven of de in de bouwsteen geadviseerde gunstige referentiewaarde als ecologisch haalbaar is beoordeeld (✓), of dat een ander niveau als haalbaar is geadviseerd. In enkele gevallen geeft het advies aan dat een matig ongunstige oppervlakte haalbaar is in 2050. Dit houdt in dat het doelniveau voor oppervlakte van habitattypen ten minste 90% van de geadviseerde gunstige referentiewaarde is omdat daaronder sprake is van een zeer ongunstige staat van instandhouding.
• Kwantitatief haalbaar doel (afgerond): in deze kolom is het kwantitatieve landelijke doel voor de oppervlakte van habitattypen aangegeven. Deze komt overeen met het (herberekende) de geadviseerde niveau voor gunstig indien deze als haalbaar is ingeschat, of met het niveau dat als ecologisch haalbaar is geadviseerd in de bouwstenen. Wat opvalt is dat in enkele gevallen (H2130, H4030, H7140A, H7230) het getal in hectares bij het gekwantificeerde doel enigszins afwijkt van de uitkomst van de formule. Dit is het gevolg van de afronding van de groeipercentages die bij habitattypen centraal zijn gesteld in de doelformulering. Groeipercentages tussen 0 en 25 procent zijn afgerond op hele procenten; groeipercentages boven de 25 procent zijn afgerond op de dichtstbijzijnde 5-tallen. Daardoor is het doel in hectares afgerond soms iets lager of hoger dan de uitkomst uit de formule. De groeipercentages in de landelijke doelen leggen bij habitattypen meer nadruk op de mate van toename die nodig is, dan op het precieze doel in hectares, en geven daarmee een robuuster beeld van de mate van uitbreiding die nodig. De getallen zijn afgerond om schijnnauwkeurigheid te voorkomen. Het gebruik van precieze getallen zou de indruk kunnen wekken dat de doelen op de vierkante meter nauwkeurig moeten worden gehaald, terwijl de oppervlaktes in doelen richtinggevend zijn bedoeld.
|
Kolom |
Titel |
Toelichting |
Bron |
|---|---|---|---|
|
A |
Habitatcode |
De code van het habitattype |
Habitatrichtlijn |
|
B |
Habitatnaam |
Naam van het habitattype (verkorte weergave) * = prioritair habitattype volgens Habitatrichtlijn |
Profieldocumenten 2008, 2014 |
|
C |
SvI 2025, Beoordeling Verspreiding |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect verspreidingsgebied, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
D |
SvI 2025, Beoordeling Oppervlakte |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect oppervlakte, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
E |
SvI 2025, Beoordeling Structuur & Functie |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect structuur en functie inclusief typische soorten, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
F |
SvI 2025, Beoordeling Toekomstperspectief |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect toekomstperspectief, gebaseerd op de toekomstperspectieven voor de komende 12 jaar voor verspreiding, oppervlakte en structuur & functie: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
G |
SvI 2025, Totaalbeoordeling |
De totale beoordeling van de staat van instandhouding, gebaseerd op de beoordeling van de aspecten verspreiding, oppervlakte, structuur & functie en toekomstperspectief: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
H |
Trend SvI 2025 |
De trend van de staat van instandhouding, gebaseerd op de trends over twee rapportageperiodes (2013–2018 en 2019–2024) van verspreiding, oppervlakte, oppervlakte in goede conditie en SvI: Positieve trend (+) stabiele trend (=) negatieve trend (-) of onbekend (x) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
J |
Inschatting huidig oppervlakte (ha; afgerond) |
Huidige oppervlakte in hectares, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024 |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
I |
Landelijk doel, oppervlakte |
Het landelijke doel voor de oppervlakte: Behoudsdoelstelling (=) of Uitbreidingsdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
K |
Groeipercentage, oppervlakte (%; afgerond) |
De kwantificering voor uitbreidingsdoelstellingen is een groeipercentage ten opzichte van de huidige oppervlakte. Ook als bij nauwkeuriger kartering blijkt dat de huidige oppervlakte grote of kleiner is dan eerder gedacht, blijft de ecologische reden om uit te breiden met dit groeipercentage in principe staan. |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
L |
Kwantificering landelijk doel, oppervlakte (ha) |
Kwantificering van het landelijke doel voor de oppervlakte in hectares |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
M |
Landelijk doel, kwaliteit |
Het landelijke doel voor de kwaliteit: Behoudsdoelstelling (=) of Verbeterdoelstelling (>) * = de gunstige staat van instandhouding voor structuur en functie is niet haalbaar in 2050; een matig ongunstige staat van instandhouding is wel haalbaar ** = de gunstige staat van instandhouding voor structuur & functie is niet haalbaar in 2050; onbekend is wat wel haalbaar is |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
N |
Beslisregel landelijk doel |
Gebruikte beslisregel voor het landelijk doel |
Zie toelichting beslisregels habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten |
|
Kolom |
Titel |
Toelichting |
Bron |
|---|---|---|---|
|
A |
Soortcode |
De code van de Habitatrichtlijnsoort |
Habitatrichtlijn |
|
B |
Soortnaam |
Nederlandse soortnaam * = prioritaire soort volgens Habitatrichtlijn |
|
|
C |
SvI 2025, Beoordeling Verspreiding |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect verspreidingsgebied, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
D |
SvI 2025, Beoordeling Populatie |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect populatie, gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
E |
SvI 2025, Beoordeling Leefgebied |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect leefgebied, over de periode 2019–2024: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
F |
SvI 2025, Beoordeling Toekomstperspectief |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect toekomstperspectief, gebaseerd op de toekomstperspectieven voor de komende 12 jaar voor verspreiding, populatie en leefgebied: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
G |
SvI 2025, Totaalbeoordeling |
De totale beoordeling van de staat van instandhouding, gebaseerd op de beoordeling van de aspecten verspreiding, populatie, leefgebied en toekomstperspectief: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
H |
Trend SvI 2025 |
De trend van de staat van instandhouding, gebaseerd op de trends over twee rapportageperiodes (2013–2018 en 2019–2024) van verspreiding, populatie, leefgebied en SvI: Positieve trend (+) stabiele trend (=) negatieve trend (-) of onbekend (x) |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
I |
Populatie-eenheid |
De eenheid van de huidige populatieomvang: Kilometerhokken (km-hok) of Individuen (ind) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
J |
Huidige populatieomvang |
Huidige populatie-omvang gebaseerd op gegevens over de periode 2019–2024 |
Art. 17-rapportage Habitatrichtlijn (2025) |
|
K |
Landelijk doel, omvang leefgebied |
Het landelijke doel voor de omvang van het leefgebied: Behoudsdoelstelling (=) of Uitbreidingsdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
L |
Landelijk doel, kwaliteit leefgebied |
Het landelijke doel voor de kwaliteit van het leefgebied: Behoudsdoelstelling (=) of Verbeterdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
M |
Landelijk doel, populatie |
Het landelijke doel voor de populatie: Behoudsdoelstelling (=) of Uitbreidingsdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
N |
Kwantificering landelijk doel, populatie |
Kwantificering van het landelijke doel voor de populatieomvang, zoveel mogelijk in de eenheid die gebruikt is voor de huidige populatieomvang, maar deels ook in een aangepaste omschrijving |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
O |
Beslisregel landelijk doel |
Gebruikte beslisregel voor het landelijk doel |
Zie toelichting beslisregels habitattypen en Habitatrichtlijn-soorten |
|
Kolom |
Titel |
Toelichting |
Bron |
|---|---|---|---|
|
A |
Soortcode |
De code van de vogelsoort |
Vogelrichtlijn |
|
B |
Soortnaam |
Nederlandse soortnaam |
Profielendocument |
|
C |
Functie (brv = broedvogel/ n-brv = niet-broedvogel) |
De functie van de vogel, waarop een verschillend doel kan zijn geformuleerd |
Bouwsteen (https://pub.sovon.nl/pub/publicatie/21087) |
|
D |
SvI, Beoordeling Verspreiding |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect verspreidingsgebied, gebaseerd op gegevens over de periode 2014/15–2019/20 (niet-broedvogels) en 2015–2020 (broedvogels): Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Bouwsteen |
|
E |
SvI, Beoordeling Populatie |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect populatie, gebaseerd op gegevens over de periode 2014/15–2019/20 (niet-broedvogels) en 2015–2020 (broedvogels): Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Bouwsteen |
|
F |
SvI, Beoordeling Leefgebied |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect leefgebied, gebaseerd op gegevens over de periode 2014/15–2019/20 (niet-broedvogels) en 2015–2020 (broedvogels): Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Bouwsteen |
|
G |
SvI, Beoordeling Toekomstperspectief |
Beoordeling van de staat van instandhouding voor het aspect toekomstperspectief, gebaseerd op doortrekken van de trend in de populatieomvang over de laatste 12 jaar (gegevens tot en met 2021 (broedvogels) of tot en met het seizoen 2020/21 (niet-broedvogels)): Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Bouwsteen |
|
H |
SvI, Totaalbeoordeling |
De totale beoordeling van de staat van instandhouding, gebaseerd op een beoordeling van verspreiding, populatie, leefgebied en toekomstperspectief: Gunstig (G), Matig Ongunstig (MO), Zeer Ongunstig (ZO) of Onbekend (O) |
Bouwsteen |
|
I |
Populatie-eenheid |
De eenheid van de populatieomvang: Seizoensgemiddelde, Seizoensmaximum, Broedparen of Hanen |
Bouwsteen |
|
J |
Huidige populatieomvang |
Huidige populatieomvang: gebaseerd op gegevens over de periode 2014/15–2019/20 (niet-broedvogels) en 2015–2020 (broedvogels) |
Bouwsteen/Art. 12-rapportage Vogelrichtlijn (2025) |
|
K |
Landelijk doel, omvang leefgebied |
Het landelijke doel voor de omvang van het leefgebied: Behoudsdoelstelling (=) of Uitbreidingsdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
L |
Landelijk doel, kwaliteit leefgebied |
Het landelijke doel voor de kwaliteit van het leefgebied: Behoudsdoelstelling (=) of Verbeterdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
M |
Landelijk doel, populatie |
Het landelijke doel voor de populatie: Behoudsdoelstelling (=) of Uitbreidingsdoelstelling (>) |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
N |
Kwantificering landelijk doel, populatieomvang |
Kwantificatie van landelijke doel voor de populatieomvang |
Vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en -soorten |
|
O |
Beslisregel landelijk doel |
Toegepaste beslisregel voor het landelijk doel |
Zie toelichting beslisregels Vogelrichtlijnsoorten |
|
Beslisregel voor populatie- of oppervlaktedoel |
Omschrijving voor populatie- of oppervlaktedoel |
Landelijk doel komt overeen met |
|---|---|---|
|
1 |
Het landelijk doel voor de populatieomvang resp. oppervlakte en kwaliteit van het habitattype komt overeen met het advies van WEnR (zie bouwsteen) voor een gunstige staat van instandhouding en dat niveau wordt nu al gehaald. Er is geen opgave meer voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang, resp. voor uitbreiding oppervlakte of verbetering van de kwaliteit van het habitattype. |
Advies voor gunstige staat van instandhouding |
|
2 |
Het landelijk doel voor de populatieomvang resp. oppervlakte en kwaliteit van het habitattype komt overeen met het advies van WEnR (zie bouwsteen) voor een gunstige staat van instandhouding en dat niveau wordt met zichtjaar 2050 ecologisch haalbaar geacht. Er is nu nog een opgave voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang, of alleen voor uitbreiding van de populatieomvang resp. voor uitbreiding van de oppervlakte van het habitattype en/of verbetering van de kwaliteit. |
Advies voor gunstige staat van instandhouding |
|
3 |
Het landelijke doel voor de populatieomvang resp. oppervlakte en/of kwaliteit van het habitattype komt overeen met wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050 en dat is lager dan het advies van WEnR voor een gunstige staat van instandhouding (zie bouwsteen). Er is nu nog een opgave voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang, of alleen voor uitbreiding van de populatieomvang resp. voor verbetering van de kwaliteit en evt. ook uitbreiding van de oppervlakte van het habitattype. Bij habitattypen is aangegeven of alleen kwaliteit (3a), of ook oppervlakte (3b) een lager doel heeft dan het advies voor een gunstige staat van instandhouding. |
Advies maximaal ecologisch haalbaar doel 2050 |
|
4 |
Het landelijk doel voor oppervlakte van het habitattype komt overeen met het advies van WEnR (zie bouwsteen) voor een gunstige staat van instandhouding en dat niveau wordt nu al gehaald. De toekomstig, gunstige oppervlakte ligt mogelijk lager dan de huidige oppervlakte, omdat verbetering van de kwaliteit zal leiden tot ontwikkeling naar een ander habitattype. Dit is alleen van toepassing bij het habitattype H7120 herstellende hoogvenen, waarbij verbetering van de kwaliteit zal leiden tot ontwikkeling naar het habitattype H7110 actieve hoogvenen. Of er per saldo landelijk een afname van het oppervlak van de herstellende hoogvenen plaats zal vinden, is niet zeker. De verbeterdoelstelling voor kwaliteit is gericht op wat ecologisch mogelijk is binnen een termijn van circa 25 jaar. |
Advies maximaal ecologisch haalbaar doel 2050 |
|
Beslisregel voor doel populatieomvang |
Omschrijving voor populatiedoel |
Landelijk doel komt overeen met |
|---|---|---|
|
1 |
Het landelijk doel voor de populatieomvang komt overeen met het advies van SOVON (zie bouwsteen) voor een gunstige staat van instandhouding en dat niveau wordt nu al gehaald. Er is geen opgave meer voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang. |
Advies voor gunstige staat van instandhouding |
|
2 |
Het landelijk doel voor de populatieomvang komt overeen met het advies van SOVON (zie bouwsteen) voor een gunstige staat van instandhouding en dat niveau wordt met zichtjaar 2050 ecologisch haalbaar geacht. Er is nu nog een opgave voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang. |
Advies voor gunstige staat van instandhouding |
|
3 |
Het landelijke doel voor de populatieomvang komt overeen met wat maximaal ecologisch haalbaar is in 2050 en dat is lager dan het advies van SOVON voor een gunstige staat van instandhouding (zie bouwsteen). Er is nu nog een opgave voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering van het leefgebied met een draagkracht voor genoemde populatieomvang. |
Advies maximaal ecologisch haalbaar doel 2050 |
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
M |
N |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Habitattype code |
Habitattype naam |
SvI 2025, Beoordeling Verspreiding |
SvI 2025, Beoordeling Oppervlakte |
SvI 2025, Beoordeling Structuur & Functie |
SvI 2025, Beoordeling Toekomstperspectief |
SvI 2025, Totaalbeoordeling |
Trend SvI 2025 |
Inschatting huidig oppervlakte (ha; afgerond) |
Landelijk doel oppervlakte |
Groeipercentage, oppervlakte (%; afgerond) |
Kwantificering landelijk doel, oppervlakte (ha) |
Landelijk doel kwaliteit |
Beslisregel landelijk doel |
|
H1110 |
Permanent overstroomde zandbanken |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
+ |
||||||
|
H1110A |
Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
+ |
135.500 |
= |
0% |
135.500 |
> |
2 |
|
H1110B |
Permanent overstroomde zandbanken (Noordzeekustzone) |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
+ |
346.700 |
= |
0% |
346.700 |
> |
2 |
|
H1110C |
Permanent overstroomde zandbanken (Doggersbank) |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
435.600 |
= |
0% |
435.600 |
> |
2 |
|
H1130 |
Estuaria |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
42.900 |
> |
uitbreiding |
> |
3b |
|
|
H1140 |
Slik- en zandplaten |
G |
G |
ZO |
MO |
ZO |
= |
||||||
|
H1140A |
Slik- en zandplaten (getijdengebied) |
G |
G |
ZO |
MO |
ZO |
= |
107.100 |
= |
0% |
107.100 |
> |
2 |
|
H1140B |
Slik- en zandplaten (Noordzeekustzone) |
G |
G |
X |
MO |
MO |
= |
4.900 |
= |
0% |
4.900 |
> |
2 |
|
H1160 |
Grote baaien |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
+ |
34.300 |
= |
0% |
34.300 |
> |
2 |
|
H1170 |
Riffen van open zee |
G |
G |
ZO |
MO |
ZO |
= |
91.100 |
= |
0% |
91.100 |
> |
2 |
|
H1310 |
Zilte pionierbegroeiingen |
G |
MO |
G |
G |
MO |
– |
||||||
|
H1310A |
Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) |
G |
MO |
G |
G |
MO |
– |
1.600 |
= |
0% |
1.400 |
= |
1 |
|
H1310B |
Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) |
G |
G |
G |
G |
G |
= |
||||||
|
H1320 |
Slijkgrasvelden |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
480 |
> |
8% |
520 |
> |
2 |
|
H1330 |
Schorren en zilte graslanden |
G |
G |
MO |
G |
MO |
+ |
||||||
|
H1330A |
Schorren en zilte graslanden (buitendijks) |
G |
G |
MO |
G |
MO |
+ |
10.800 |
= (lokaal >) |
0% |
9.600 |
> |
2 |
|
H1330B |
Schorren en zilte graslanden (binnendijks) |
G |
G |
MO |
G |
MO |
= |
400 |
= |
0% |
400 |
> |
2 |
|
H2110 |
Embryonale duinen |
G |
G |
G |
G |
G |
= |
voorkomen in 335 km-hokken |
= |
0% |
300–350 km hokken |
= |
1 |
|
H2120 |
Witte duinen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
2.400 |
= |
0% |
2.400 |
> |
2 |
|
H2130 |
*Grijze duinen |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H2130A |
*Grijze duinen (kalkrijk) |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
9.300 |
> |
30% |
12.100 |
> |
2 |
|
H2130B |
*Grijze duinen (kalkarm) |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H2130C |
*Grijze duinen (heischraal) |
X |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H2140 |
*Duinheiden met kraaihei |
G |
G |
G |
G |
G |
= |
||||||
|
H2140A |
*Duinheiden met kraaihei (vochtig) |
G |
G |
G |
X |
G |
= |
1.500 |
= |
0% |
1.500 |
= |
1 |
|
H2140B |
*Duinheiden met kraaihei (droog) |
G |
G |
G |
G |
G |
= |
||||||
|
H2150 |
*Duinheiden met struikhei |
G |
G |
X |
MO |
MO |
= |
230 |
= |
0% |
230 |
> |
2 |
|
H2160 |
Duindoornstruwelen |
G |
G |
G |
X |
G |
= |
4.400 |
= |
0% |
3.700 |
= |
1 |
|
H2170 |
Kruipwilgstruwelen |
G |
G |
G |
G |
G |
= |
440 |
= |
0% |
440 |
= |
1 |
|
H2180 |
Duinbossen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H2180A |
Duinbossen (droog) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
5.600 |
= (lokaal >) |
0% |
5.600 |
> |
2 |
|
H2180B |
Duinbossen (vochtig) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H2180C |
Duinbossen (binnenduinrand} |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H2190 |
Vochtige duinvalleien |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
||||||
|
H2190A |
Vochtige duinvalleien (open water) |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
260 |
> |
9% |
280 |
> |
2 |
|
H2190B |
Vochtige duinvalleien (kalkrijk) |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
1.100 |
> |
9% |
1.200 |
> |
2 |
|
H2190C |
Vochtige duinvalleien (ontkalkt) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
– |
200 |
= |
0% |
200 |
> |
2 |
|
H2190D |
Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
– |
380 |
= |
0% |
380 |
> |
2 |
|
H2310 |
Stuifzandheiden met struikhei |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
2.300 |
> |
23% |
2.800 |
> |
2 |
|
H2320 |
Binnenlandse kraaiheibegroeiingen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
– |
260 |
= |
0% |
260 |
> |
2 |
|
H2330 |
Zandverstuivingen |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
2.700 |
> |
23% |
3.300 |
> |
2 |
|
H3110 |
Zeer zwakgebufferde vennen |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
75 |
> |
95% |
150 |
>* |
3b |
|
H3130 |
Zwakgebufferde vennen |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
330 |
> |
12% |
370 |
> |
2 |
|
H3140 |
Kranswierwateren |
G |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
– |
7.400 |
> |
7% |
7.900 |
> |
2 |
|
H3150 |
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden |
MO |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
2.100 |
> |
7% |
2.200 |
> |
2 |
|
H3160 |
Zure vennen |
MO |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
380 |
> |
11% |
420 |
> |
2 |
|
H3260 |
Beken en rivieren met waterplanten |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H3260A |
Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkel) |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
80 |
> |
80% |
140 |
>* |
3b |
|
H3260B |
Beken en rivieren met waterplanten (fonteinkruiden) |
X |
X |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
65 |
= |
0% |
65 |
> |
2 |
|
H3270 |
Slikkige rivieroevers |
G |
G |
X |
G |
G |
= |
= |
behoud |
= |
1 |
||
|
H4010 |
Vochtige heiden |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H4010A |
Vochtige heiden (hogere zandgronden) |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
1.800 |
> |
30% |
2.300 |
>** |
3b |
|
H4010B |
Vochtige heiden (laagveen) |
G |
G |
X |
ZO |
ZO |
x |
170 |
= (lokaal >) |
0% |
170 |
> |
2 |
|
H4030 |
Droge heiden |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
15.500 |
> |
15% |
17.800 |
>** |
3a |
|
H5130 |
Jeneverbesstruwelen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
– |
180 |
= |
0% |
180 |
> |
2 |
|
H6110 |
*Pionierbegroeiingen op rotsbodem |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
= |
> |
uitbreiding |
> |
2 |
||
|
H6120 |
*Stroomdalgraslanden |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
= |
90 |
> |
uitbreiding |
> |
2 |
|
|
H6130 |
*Zinkweiden |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
0,45 |
> |
4,4 |
>* |
3b |
|
|
H6210 |
*Kalkgraslanden |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
75 |
> |
85% |
140 |
> |
2 |
|
H6230 |
*Heischrale graslanden |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
> |
uitbreiding |
>** |
3b |
||
|
H6410 |
Blauwgraslanden |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
x |
200 |
> |
75% |
350 |
>** |
3b |
|
H6430 |
Ruigten en zomen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H6430A |
Ruigten en zomen (moerasspirea) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
1.600 |
= |
0% |
1.600 |
> |
2 |
|
H6430B |
Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H6430C |
Ruigten en zomen (droge bosranden) |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
||||||
|
H6510 |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H6510A |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
690 |
> |
9% |
750 |
> |
2 |
|
H6510B |
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
190 |
> |
355% |
860 |
> |
2 |
|
H7110 |
*Actieve hoogvenen |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
||||||
|
H7110A |
*Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
8,4 |
> |
30 |
>** |
3b |
|
|
H7110B |
*Actieve hoogvenen (heideveentjes) |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
80 |
> |
10% |
90 |
> |
2 |
|
H7120 |
Herstellende hoogvenen |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
7.100 |
= |
0% |
7.100 |
>** |
4 |
|
H7140 |
Overgangs- en trilvenen |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
x |
||||||
|
H7140A |
Overgangs- en trilvenen (trilveen) |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
x |
160 |
> |
– |
460 |
>* |
3a |
|
H7140B |
Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
x |
1.400 |
= (lokaal >) |
0% |
1.400 |
> |
2 |
|
H7150 |
Pioniervegetaties met snavelbiezen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
– |
260 |
= |
0% |
260 |
> |
2 |
|
H7210 |
*Galigaanmoerassen |
G |
G |
X |
G |
G |
= |
60 |
= |
0% |
60 |
> |
2 |
|
H7220 |
*Kalktufbronnen |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
1,6 |
= |
0% |
1,6 |
>** |
3a |
|
H7230 |
Kalkmoerassen |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
8,4 |
> |
115% |
20 |
>** |
3b |
|
H9110 |
Veldbies-beukenbossen |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
= |
390 |
= (lokaal >) |
0% |
390 |
> |
2 |
|
H9120 |
Beuken-eikenbossen met hulst |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
7.200 |
> |
5% |
7.600 |
> |
2 |
|
H9160 |
Eiken-haagbeukenbossen |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
||||||
|
H9160A |
Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
> |
5% |
uitbreiding |
>** |
3a |
|
|
H9160B |
Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
> |
2 |
||||
|
H9190 |
Oude eikenbossen |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
1.300 |
> |
5% |
1.400 |
> |
2 |
|
H91D0 |
*Hoogveenbossen |
G |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
1.200 |
> (vooral in nat zandlandschap) |
5% |
1.300 |
> |
2 |
|
H91E0 |
Vochtige alluviale bossen |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
||||||
|
H91E0A |
*Vochtige alluviale bossen (zachthout) |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
4.600 |
> |
5% |
4.800 |
>* |
3a |
|
H91E0B |
*Vochtige alluviale bossen (essen-iepen) |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
= |
>* |
3a |
||||
|
H91E0C |
*Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend) |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
> |
2 |
||||
|
H91F0 |
Droge hardhoutooibossen |
ZO |
ZO |
X |
ZO |
ZO |
= |
> |
uitbreiding |
>** |
3a |
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
M |
N |
O |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Soortcode |
Soortnaam |
SvI 2025, Beoordeling Verspreiding |
SvI 2025, Beoordeling Populatie |
SvI 2025, Beoordeling Leefgebied |
SvI 2025, Beoordeling Toekomstperspectief |
SvI 2025, Totaalbeoordeling |
Trend SvI 2025 |
Populatie-eenheid |
Huidige populatieomvang |
Landelijk doel omvang leefgebied |
Landelijk doel kwaliteit leefgebied |
Landelijk doel populatie |
Kwantificering landelijk doel populatie |
Beslisregel landelijk doel |
|
H1014 |
Nauwe korfslak |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
km-hok |
100–300 |
> |
> |
> |
duurzame populaties in het hele Hollandse kustgebied, Waddeneilanden & Zuid-Limburg |
2 |
|
H1016 |
Zeggekorfslak |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
km-hok |
370 |
= |
= |
= |
duurzame populaties in West- en Noord-Nederland, Groningen, Twente en Limburg |
1 |
|
H1037 |
Gaffellibel |
X |
X |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
250–1.000 |
> |
= |
> |
uitbreiding |
2 |
|
H1042 |
Gevlekte witsnuitlibel |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
km-hok |
1.200 |
= |
= |
= |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van 190 km-hokken |
1 |
|
H1059 |
Pimpernelblauwtje |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
+ |
ind |
400–3.000 |
> |
> |
> |
een populatie van tenminste 7.500 in een verspreidingsgebied van tenminste 30 km-hokken |
2 |
|
H1060 |
Grote vuurvlinder |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
ind |
500–1.500 |
> |
> |
> |
een populatie van tenminste 3.200 individuen in een verspreidingsgebied van tenminste 82 km-hokken |
2 |
|
H1061 |
Donker pimpernelblauwtje |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
5–550 |
> |
> |
> |
een populatie van tenminste 7.500 in een verspreidingsgebied van tenminste 30 km-hokken |
2 |
|
H1081 |
Brede geelgerande waterroofkever |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
30–55 |
> |
> |
> |
uitbreiding |
3 |
|
H1082 |
Gestreepte waterroofkever |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
km-hok |
90 |
= |
= |
> |
een populatie in een verspreidingsgebied van tenminste 110 km-hokken |
2 |
|
H1083 |
Vliegend hert |
G |
G |
MO |
MO |
MO |
+ |
km-hok |
600 |
= |
> |
> |
duurzame populaties in vier kerngebieden |
2 |
|
H1095 |
Zeeprik |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
= |
ind |
5.000–10.000 |
= |
> |
> |
10.000 |
2 |
|
H1096 |
Beekprik |
ZO |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
+ |
km-hok |
180–200 |
> |
> |
> |
uitbreiding |
3 |
|
H1099 |
Rivierprik |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
– |
ind |
50.000–100.000 |
= |
> |
= |
10.000 |
2 |
|
H1102 |
Elft |
G |
ZO |
G |
G |
ZO |
= |
ind |
100–5.000 |
= |
= |
> |
uitbreiding |
2 |
|
H1103 |
Fint |
X |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
= |
ind |
0–50 |
> |
> |
> |
10.000 |
2 |
|
H1106 |
Zalm |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
400–800 |
= |
> |
> |
7.500 |
3 |
|
H1145 |
Grote modderkruiper |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
km-hok |
750–1.000 |
> |
> |
> |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 1.000 km-hokken |
2 |
|
H1166 |
Kamsalamander |
G |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
– |
km-hok |
1.200 |
> |
> |
> |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 1.000 km-hokken |
2 |
|
H1193 |
Geelbuikvuurpad |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
250 |
> |
> |
> |
5.000 |
2 |
|
H1318 |
Meervleermuis (zomer) |
X |
MO |
X |
ZO |
ZO |
– |
ind |
10.000–15.000 |
> |
> |
> |
15.000 |
2 |
|
H1318 |
Meervleermuis (winter) |
ind |
500–1.500 |
> |
> |
> |
1.100 |
2 |
||||||
|
H1321 |
Ingekorven vleermuis (zomer) |
X |
G |
X |
ZO |
ZO |
x |
ind |
1.000–5.000 |
= |
= |
= |
1.900 |
1 |
|
H1324 |
Vale vleermuis (winter) |
X |
G |
X |
G |
X |
x |
ind |
75 |
> |
> |
> |
250 |
2 |
|
H1337 |
Bever |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
ind |
5.000–6.500 |
= |
= |
= |
1.500 |
1 |
|
H1340 |
*Noordse woelmuis |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
ind |
1.500.000 |
> |
> |
> |
1.700.000 |
2 |
|
H1351 |
Bruinvis |
G |
G |
X |
X |
X |
= |
ind |
50.000–100.000 |
= |
= |
= |
60.000 |
1 |
|
H1355 |
Otter |
G |
G |
MO |
G |
MO |
+ |
ind |
450–1.000 |
= |
> |
= |
400 |
2 |
|
H1364 |
Grijze zeehond |
G |
G |
G |
X |
G |
+ |
ind |
5.000–10.000 |
= |
= |
= |
3.000 |
1 |
|
H1365 |
Gewone zeehond |
G |
MO |
X |
MO |
MO |
x |
ind |
5.000–10.000 |
= |
= |
= |
3.500 |
1 |
|
H1387 |
Tonghaarmuts |
X |
X |
X |
X |
X |
– |
km-hok |
2 |
= |
= |
> |
uitbreiding |
– |
|
H1614 |
Kruipend moerasscherm |
G |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
+ |
km-hok |
30 |
> |
> |
= |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 20 km-hokken |
2 |
|
H1831 |
Drijvende waterweegbree |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
km-hok |
180 |
> |
> |
> |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van ten minste 240 km-hokken |
3 |
|
H1903 |
Groenknolorchis |
G |
G |
G |
MO |
MO |
+ |
ind |
106.500–177.500 |
= |
= |
= |
35.000 bloeiende exemplaren |
1 |
|
H4056 |
Platte schijfhoren |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
km-hok |
100–300 |
> |
> |
> |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 430 km-hokken |
2 |
|
H5315 |
Rivierdonderpad (was 1163) |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
– |
km-hok |
750–1.000 |
> |
> |
> |
uitbreiding van het verspreidingsgebied met duurzame populaties |
3 |
|
H5325 |
Beekdonderpad (was 1163) |
G |
G |
G |
X |
G |
= |
km-hok |
50–65 |
= |
= |
= |
duurzame populaties in ongeveer 70 km-hokken |
1 |
|
H5339 |
Bittervoorn (was 1134) |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
km-hok |
4.200 |
= |
= |
= |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van 3.000 km-hokken |
1 |
|
H6199 |
*Spaanse vlag (was 1078) |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
km-hok |
1.200 |
= |
= |
= |
behoud |
1 |
|
H6216 |
Geel schorpioenmos (was 1393) |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
km-hok |
25 |
= |
= |
= (lokaal >) |
10 duurzame populaties in een verspreidingsgebied van 20 km-hokken |
1 |
|
H6963 |
Kleine modderkruiper (was 1149) |
G |
G |
G |
G |
G |
+ |
km-hok |
7.400 |
= |
= |
= |
duurzame populaties in een verspreidingsgebied van tenminste 3.500 km-hokken |
1 |
|
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
M |
N |
O |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Soortcode |
Soortnaam |
Functie (brv = broedvogel/ n-brv = niet-broedvogel) |
SvI, Beoordeling Verspreiding |
SvI, Beoordeling Populatie |
SvI, Beoordeling Leefgebied |
SvI, Beoordeling Toekomstperspectief |
SvI Totaalbeoordeling |
Populatie-eenheid |
Huidige populatieomvang |
Landelijk doel omvang leefgebied |
Landelijk doel kwaliteit leefgebied |
Landelijk doel populatie |
Kwantificering landelijk doel populatie |
Beslisregel landelijk doel |
|
A001 |
Roodkeelduiker |
n-brv |
O |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
1.600 |
= |
= |
= |
1.600 |
1 |
|
A002 |
Parelduiker |
n-brv |
O |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
19 |
= |
= |
= |
18 |
1 |
|
A004 |
Dodaars |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
2.600 |
= |
= |
= |
1.100 |
1 |
|
A004 |
Dodaars |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
3.400 |
= |
= |
= |
2.800 |
1 |
|
A005 |
Fuut |
n-brv |
G |
MO |
G |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
21.000 |
= |
= |
> |
23.000 |
2 |
|
A007 |
Kuifduiker |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
55 |
= |
= |
= |
45 |
1 |
|
A008 |
Geoorde Fuut |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
450 |
= |
= |
= |
290 |
1 |
|
A008 |
Geoorde Fuut |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
1.200 |
= |
= |
= |
1.000 |
1 |
|
A016 |
Jan-van-gent |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
20.000 |
= |
= |
= |
17.000 |
1 |
|
A017 |
Aalscholver |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
20.000 |
= |
= |
= |
17.000 |
1 |
|
A017 |
Aalscholver |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
43.000 |
= |
= |
= |
28.000 |
1 |
|
A021 |
Roerdomp |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
420 |
= |
= |
= |
390 |
1 |
|
A022 |
Woudaap |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
25–50 |
> |
> |
> |
150 |
3 |
|
A026 |
Kleine Zilverreiger |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
65 |
= |
= |
= |
65 |
1 |
|
A026 |
Kleine Zilverreiger |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
400 |
= |
= |
= |
400 |
1 |
|
A027 |
Grote Zilverreiger |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
320 |
= |
= |
= |
320 |
1 |
|
A027 |
Grote Zilverreiger |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
5.500 |
= |
= |
= |
5.500 |
1 |
|
A029 |
Purperreiger |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
930 |
= |
= |
= |
810 |
1 |
|
A034 |
Lepelaar |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
3.275 |
= |
= |
= |
920 |
1 |
|
A034 |
Lepelaar |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
2.800 |
= |
= |
= |
850 |
1 |
|
A037 |
Kleine Zwaan |
n-brv |
G |
ZO |
G |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
1.700 |
= |
= |
> |
2.800 |
2 |
|
A038 |
Wilde Zwaan |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
900 |
= |
= |
= |
900 |
1 |
|
A040 |
Kleine Rietgans |
n-brv |
G |
ZO |
G |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
1.700 |
= |
= |
> |
5.900 |
2 |
|
A041 |
Kolgans |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
360.000 |
= |
= |
= |
220.000 |
1 |
|
A042 |
Dwerggans |
n-brv |
G |
ZO |
G |
MO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
16 |
= |
= |
> |
33 |
2 |
|
A043 |
Grauwe Gans |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
300.000 |
= |
= |
= |
120.000 |
1 |
|
A045 |
Brandgans |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
370.000 |
= |
= |
= |
120.000 |
1 |
|
A046 |
Rotgans |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
42.000 |
= |
= |
= |
42.000 |
1 |
|
A048 |
Bergeend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
65.000 |
= |
= |
= |
41.000 |
1 |
|
A050 |
Smient |
n-brv |
G |
MO |
G |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
370.000 |
= |
= |
> |
490.000 |
2 |
|
A051 |
Krakeend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
65.000 |
= |
= |
= |
40.000 |
1 |
|
A052 |
Wintertaling |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
51.000 |
= |
= |
= |
40.000 |
1 |
|
A053 |
Wilde Eend |
n-brv |
G |
ZO |
G |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
240.000 |
= |
= |
> |
400.000 |
2 |
|
A054 |
Pijlstaart |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
13.000 |
= |
= |
= |
10.000 |
1 |
|
A056 |
Slobeend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
20.500 |
= |
= |
= |
16.000 |
1 |
|
A058 |
Krooneend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
330 |
= |
= |
= |
240 |
1 |
|
A059 |
Tafeleend |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
23.000 |
= |
> |
> |
49.000 |
2 |
|
A061 |
Kuifeend |
n-brv |
G |
MO |
G |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
120.000 |
= |
= |
> |
130.000 |
2 |
|
A062 |
Toppereend |
n-brv |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
21.000 |
= |
> |
= |
21.000 |
3 |
|
A063 |
Eider |
brv |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
4.300 |
= |
> |
> |
5.800 |
3 |
|
A063 |
Eider |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
smax (januari-aantal) |
74.000 |
= |
> |
> |
130.000 |
2 |
|
A065 |
Zwarte Zee-eend |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
smax (januari-aantal) |
34.000 |
= |
> |
> |
52.000 |
3 |
|
A067 |
Brilduiker |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
2.700 |
= |
> |
> |
4.600 |
2 |
|
A068 |
Nonnetje |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
800 |
= |
> |
> |
1.600 |
3 |
|
A069 |
Middelste Zaagbek |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
3.000 |
= |
= |
= |
3.000 |
1 |
|
A070 |
Grote Zaagbek |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
1.700 |
= |
> |
> |
3.400 |
3 |
|
A072 |
Wespendief |
brv |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
broedparen |
330–400 |
= |
> |
> |
400 |
2 |
|
A075 |
Zeearend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoengemiddelde |
60 |
= |
= |
= |
60 |
1 |
|
A081 |
Bruine Kiekendief |
brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
broedparen |
1.000 |
= |
> |
> |
1.100 |
2 |
|
A082 |
Blauwe Kiekendief |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
10 |
= |
> |
> |
30 |
3 |
|
A084 |
Grauwe Kiekendief |
brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
broedparen |
55 |
= |
> |
> |
90 |
3 |
|
A094 |
Visarend |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
27 |
= |
= |
= |
22 |
1 |
|
A103 |
Slechtvalk |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
270 |
= |
= |
= |
270 |
1 |
|
A107 |
Korhoen |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
hanen |
≥7 |
> |
> |
> |
40 |
3 |
|
A119 |
Porseleinhoen |
brv |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
broedparen |
220 |
= |
> |
> |
230 |
2 |
|
A122 |
Kwartelkoning |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
90 |
= |
> |
> |
260 |
2 |
|
A125 |
Meerkoet |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
222.000 |
= |
= |
= |
210.000 |
1 |
|
A127 |
Kraanvogel |
n-brv |
G |
O |
G |
G |
G |
seizoensmaximum |
850 |
= |
= |
= |
260 |
1 |
|
A130 |
Scholekster |
n-brv |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
130.000 |
> |
> |
> |
260.000 |
2 |
|
A132 |
Kluut |
brv |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
broedparen |
5.500 |
> |
> |
> |
6.700 |
2 |
|
A132 |
Kluut |
n-brv |
G |
MO |
G |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
8.200 |
= |
= |
> |
10.000 |
2 |
|
A137 |
Bontbekplevier |
brv |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
350 |
> |
> |
> |
630 |
2 |
|
A137 |
Bontbekplevier |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
4.600 |
= |
= |
= |
2.400 |
1 |
|
A138 |
Strandplevier |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
150 |
> |
> |
> |
500 |
3 |
|
A138 |
Strandplevier |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
50 |
= |
> |
> |
100 |
3 |
|
A140 |
Goudplevier |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
67.000 |
= |
> |
> |
140.000 |
2 |
|
A141 |
Zilverplevier |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
32.000 |
= |
= |
= |
17.000 |
1 |
|
A142 |
Kievit |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
MO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
183.000 |
= |
> |
> |
230.000 |
2 |
|
A143 |
Kanoet |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
67.000 |
= |
= |
= |
51.000 |
1 |
|
A144 |
Drieteenstrandloper |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
16.500 |
= |
= |
= |
4.500 |
1 |
|
A147 |
Krombekstrandloper |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
430 |
= |
= |
= |
380 |
1 |
|
A149 |
Bonte Strandloper |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
270.000 |
= |
= |
= |
190.000 |
1 |
|
A151 |
Kemphaan |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
13 |
> |
> |
> |
50 |
3 |
|
A151 |
Kemphaan |
n-brv |
MO |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
2.400 |
= |
> |
> |
3.700 |
3 |
|
A153 |
Watersnip |
brv |
MO |
ZO |
ZO |
MO |
ZO |
broedparen |
1.300 |
> |
> |
> |
4.500 |
2 |
|
A156 |
Grutto |
brv |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
25.000–29.000 |
> |
> |
> |
50.000 |
3 |
|
A156 |
Grutto |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
7.100 |
= |
> |
> |
15.000 |
2 |
|
A157 |
Rosse Grutto |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
66.000 |
= |
= |
= |
42.000 |
1 |
|
A160 |
Wulp |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
126.000 |
= |
= |
= |
86.000 |
1 |
|
A161 |
Zwarte Ruiter |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
MO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
1.000 |
= |
> |
> |
2.000 |
3 |
|
A162 |
Tureluur |
n-brv |
MO |
MO |
MO |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
20.000 |
> |
> |
> |
23.000 |
2 |
|
A164 |
Groenpootruiter |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
1.700 |
= |
= |
= |
1.600 |
1 |
|
A169 |
Steenloper |
n-brv |
MO |
MO |
MO |
MO |
MO |
seizoensgemiddelde |
4.800 |
= |
> |
> |
6.100 |
2 |
|
A175 |
Grote Jager |
n-brv |
G |
G |
G |
O |
G |
seizoensgemiddelde |
240 |
= |
= |
= |
190 |
1 |
|
A176 |
Zwartkopmeeuw |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
3.200 |
= |
= |
= |
3.200 |
1 |
|
A177 |
Dwergmeeuw |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
14.000 |
= |
= |
= |
14.000 |
1 |
|
A183 |
Kleine Mantelmeeuw |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
92.000 |
= |
= |
= |
13.000 |
1 |
|
A187 |
Grote Mantelmeeuw |
n-brv |
G |
ZO |
G |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
11.000 |
= |
= |
= |
11.000 |
3 |
|
A190 |
Reuzenstern |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensmaximum |
130 |
= |
= |
= |
55 |
1 |
|
A191 |
Grote Stern |
brv |
G |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
18.000 |
> |
> |
> |
25.000 |
3 |
|
A193 |
Visdief |
brv |
MO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
15.000 |
> |
> |
> |
29.000 |
2 |
|
A194 |
Noordse Stern |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
900 |
> |
> |
> |
1.100 |
3 |
|
A195 |
Dwergstern |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
860 |
= |
= |
= |
700 |
1 |
|
A197 |
Zwarte Stern |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
1.400 |
> |
> |
> |
2.800 |
3 |
|
A197 |
Zwarte Stern |
n-brv |
G |
ZO |
MO |
ZO |
ZO |
seizoensmaximum |
15.000 |
= |
> |
> |
30.000 |
3 |
|
A199 |
Zeekoet |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
128.000 |
= |
= |
= |
88.000 |
1 |
|
A200 |
Alk |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
94.000 |
= |
= |
= |
65.000 |
1 |
|
A222 |
Velduil |
brv |
ZO |
ZO |
MO |
MO |
ZO |
broedparen |
32 |
= |
> |
> |
140 |
2 |
|
A224 |
Nachtzwaluw |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
3.200 |
= |
= |
= |
2.300 |
1 |
|
A229 |
IJsvogel |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
1.000 |
= |
= |
= |
450 |
1 |
|
A233 |
Draaihals |
brv |
MO |
ZO |
MO |
MO |
ZO |
broedparen |
100 |
= |
> |
> |
360 |
2 |
|
A236 |
Zwarte Specht |
brv |
G |
MO |
MO |
MO |
MO |
broedparen |
900 |
> |
> |
> |
1.100 |
2 |
|
A246 |
Boomleeuwerik |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
5.400 |
= |
= |
= |
3.600 |
1 |
|
A249 |
Oeverzwaluw |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
27.000 |
= |
= |
= |
20.000 |
1 |
|
A255 |
Duinpieper |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
0 |
= |
> |
> |
20 |
3 |
|
A272 |
Blauwborst |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
13.900 |
= |
= |
= |
10.000 |
1 |
|
A275 |
Paapje |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
250 |
> |
> |
> |
800 |
3 |
|
A276 |
Roodborsttapuit |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
19.000 |
= |
= |
= |
10.000 |
1 |
|
A277 |
Tapuit |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
300 |
> |
> |
> |
1.400 |
3 |
|
A292 |
Snor |
brv |
MO |
MO |
G |
G |
MO |
broedparen |
2.800 |
= |
= |
> |
3.500 |
2 |
|
A295 |
Rietzanger |
brv |
G |
G |
G |
G |
G |
broedparen |
34.000 |
= |
= |
= |
31.000 |
1 |
|
A298 |
Grote Karekiet |
brv |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
ZO |
broedparen |
110 |
> |
> |
> |
350 |
3 |
|
A338 |
Grauwe Klauwier |
brv |
MO |
ZO |
MO |
MO |
ZO |
broedparen |
600 |
> |
> |
> |
1.900 |
2 |
|
A701 |
Taigarietgans |
n-brv |
ZO |
ZO |
G |
ZO |
ZO |
seizoensgemiddelde |
1 |
= |
= |
> |
80 |
3 |
|
A702 |
Toendrarietgans |
n-brv |
G |
G |
G |
G |
G |
seizoensgemiddelde |
75.000 |
= |
= |
= |
23.000 |
1 |
Voor de habitattypen en soorten waarvoor op grond van de Habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden zijn aangewezen of aangemeld.
Voor de vogelsoorten waarvoor op grond van de Vogelrichtlijn Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.
De aandachtspunten en maatregelen die in de toelichting op de afzonderlijke landelijke doelen staan, kunnen worden beschouwd als een gedeeltelijke update van de kernopgaven.
Artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Samengevat betekent dit dat de lidstaten maatregelen treffen om hun verplichtingen na te komen, zij de taak van de Unie vergemakkelijken en zich onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Dat geldt dus ook voor het bijdragen aan de doelstellingen uit de VHR.
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/07/10/hoofdlijnen-programma-natuur en https://wetten.overheid.nl/BWBR0049864/2024-06-27 .
Dit is niet van toepassing op de a. de rijkswateren, genoemd in bijlage II, onder 1, onder A, bij het Omgevingsbesluit, met uitzondering van de uiterwaarden van de tot de rijkswateren behorende rivieren en de Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch en b. het Lauwersmeer, het Veerse meer, het Vuile Gat in het Haringvliet en de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat (Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 7.5).
Mochten in de toekomst Natura 2000-gebieden worden aangewezen voor soorten of habitattypen die nu geen landelijk doel hebben, dan wordt dit document daarop wel tussentijds aangevuld.
De bevoegde gezagen van de Natura 2000-gebieden zijn de provincies, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
In het Doelendocument mariene gebieden (2014/partiële herziening 2021) worden geen hoofdlijnen genoemd.
Het niveau bij inwerkingtreding van de richtlijnen is in principe de ondergrens. Zie ook paragraaf 3.1 Wetenschappelijke informatie, onder het kopje ‘Advies van kennisinstellingen: ecologische bouwstenen’.
Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door IenW of Defensie, dan worden dergelijke besluiten in overeenstemming met die andere ministers genomen, Omgevingswet, artikel 2.2, eerste lid.
Habitatrichtlijn, artikel 3, lid 1. Het Europese Hof van Justitie heeft duidelijk gemaakt de gunstige staat van instandhouding op het eigen grondgebied van de lidstaat moet worden gewaarborgd (o.a. HvJ EU 12 juni 2025, C-629/23, ECLI:EU:C:2025:429 (Eesti Suurkiskjad).
ABRvS 5 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3416 (Voordelta); en ABRvS 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770 (Noordzeekustzone), r.o. 2.10.2.
Habitatrichtlijn, artikel 1 en EU guidance ‘Setting conservation objectives for Natura 2000 sites’ https://circabc.europa.eu/sd/a/68834981-033a-4d8e-b306-54dd8b6f48fa/Commission note on setting conservation objectives.pdf.
EC 2005. Assessment, monitoring and reporting of conservation status – Preparing the 2001–2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3)– pag. 5: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/Bibliotheek/Europa/ EC%202005%20Assessment%2C%20monitoring%20reporting%20conservation%20status.pdf.
Vogelrichtlijn, artikel 2; andere EU richtlijnen en de Omgevingswet hanteren wel het begrip staat van instandhouding bij vogels. Zie ook Vogelrichtlijn, artikel 4 en het arrest C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, punt 34 waarin verwezen wordt naar het arrest C 441/17, EU:C:2018:255, punt 210.
EC 2005. Assessment, monitoring and reporting of conservation status – Preparing the 2001–2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3) en EC, 2022. Explanatory notes in support to the reporting format referred toin Article 17 of Directive 92/43/EEC (Habitats Directive). Final version, November 2022.
De criteria voor deze kwalificaties komen uit: EC 2005: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/Bibliotheek/Europa/ EC%202005%20Assessment%2C%20monitoring%20reporting%20conservation%20status.pdf– pag. 15–21.
Nationale Databank Vegetatie- en habitatkarteringen https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=NDVH_Prof.
Monitoring van de Waterstaatkundige Toestand des Lands: https://waterinfo-extra.rws.nl/monitoring/.
Nederlandse bosseninventarisatie: https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/environmental-research/projecten/bosinventarisatie.htm search/projecten/bosinventarisatie.htm.
Vogel R., Foppen R. & van den Bremer L. 2024. Inschatting van het haalbare populatieherstel in 2023–2050 van vogelsoorten met een ongunstige staat van instandhouding. Sovon-rapport 2024/49. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. https://pub.sovon.nl/pub/publicatie/21940
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet. europa.eu/help/habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
De Europese richtsnoeren laten in uitzonderingssituaties ruimte voor een lager niveau, wanneer bij inwerkingtreding van de richtlijn sprake was van overpopulaties, bijvoorbeeld als gevolg van kunstmatig bijvoeren. Die situatie was in Nederland nergens aan de hand. Daarnaast kan het voorkomen in zeldzame situaties waarbij op landelijk niveau noodzakelijkerwijs gekozen moet worden tussen twee instandhoudingsdoelstellingen, waarbij enige achteruitgang ten opzichte van een van de behoudsdoelen toegestaan ‘ten gunste van’ de andere instandhoudingsdoelstelling.
Ottburg, F.G.W.A. & C.A.M. van Swaay (red., 2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 124. https://edepot.wur.nl/359115; Bijlsma, R. J., Janssen, J. A. M., Weeda, E. J., & Schaminée, J. H. J. (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland Wageningen UR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 125. https://edepot.wur.nl/342755.
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet.europa.eu/help/ habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Kuiters, A.T., R.J. Bijlsma, J.A.M. Janssen & A.M. Schmidt (2024). Geactualiseerde gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreiding van soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn. WOT-technical report 269. https://edepot.wur.nl/680539.
R. Vogel et al., Methodiek voor de bepaling van de staat van instandhouding van vogels, SOVON (2024); https://stats.sovon.nl/pub/publicatie/21323
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet.europa.eu/help/ habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024 (p. 89): https://cdr.eionet.europa.eu/ help/habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Voor habitattypen H1110 en H1170 geldt een afwijkend percentage van minimaal 75% in goede kwaliteitstoestand en minder dan 15% in een slechte conditie. Dit is ecologisch onderbouwd in de bouwsteen (zie paragraaf 3.1) voor H1110 en H1170 en past binnen de mogelijkheid voor een afwijkend percentage die de Natuurherstelverordening (artikel 5, lid 1 onder d) voor deze habitattypen biedt.
Waar de doelen voor de oppervlakte van een habitattype en de omvang van een populatie zijn uitgedrukt in andere eenheden dan kilometerhokken, gaat het ook om een oppervlakte of omvang die als duurzaam kan worden beschouwd.
Bijlsma, R. J., Janssen, J. A. M., Weeda, E. J., & Schaminée, J. H. J. (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland Wageningen UR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 125. https://edepot.wur.nl/342755.
Voor de habitattypen en soorten waarvoor op grond van de Habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden zijn aangewezen of aangemeld.
Voor de vogelsoorten waarvoor op grond van de Vogelrichtlijn Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.
De aandachtspunten en maatregelen die in de toelichting op de afzonderlijke landelijke doelen staan, kunnen worden beschouwd als een gedeeltelijke update van de kernopgaven.
Artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Samengevat betekent dit dat de lidstaten maatregelen treffen om hun verplichtingen na te komen, zij de taak van de Unie vergemakkelijken en zich onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Dat geldt dus ook voor het bijdragen aan de doelstellingen uit de VHR.
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/07/10/hoofdlijnen-programma-natuur en https://wetten.overheid.nl/BWBR0049864/2024-06-27 .
Dit is niet van toepassing op de a. de rijkswateren, genoemd in bijlage II, onder 1, onder A, bij het Omgevingsbesluit, met uitzondering van de uiterwaarden van de tot de rijkswateren behorende rivieren en de Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch en b. het Lauwersmeer, het Veerse meer, het Vuile Gat in het Haringvliet en de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat (Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 7.5).
Mochten in de toekomst Natura 2000-gebieden worden aangewezen voor soorten of habitattypen die nu geen landelijk doel hebben, dan wordt dit document daarop wel tussentijds aangevuld.
De bevoegde gezagen van de Natura 2000-gebieden zijn de provincies, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
In het Doelendocument mariene gebieden (2014/partiële herziening 2021) worden geen hoofdlijnen genoemd.
Het niveau bij inwerkingtreding van de richtlijnen is in principe de ondergrens. Zie ook paragraaf 3.1 Wetenschappelijke informatie, onder het kopje ‘Advies van kennisinstellingen: ecologische bouwstenen’.
Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door IenW of Defensie, dan worden dergelijke besluiten in overeenstemming met die andere ministers genomen, Omgevingswet, artikel 2.2, eerste lid.
Habitatrichtlijn, artikel 3, lid 1. Het Europese Hof van Justitie heeft duidelijk gemaakt de gunstige staat van instandhouding op het eigen grondgebied van de lidstaat moet worden gewaarborgd (o.a. HvJ EU 12 juni 2025, C-629/23, ECLI:EU:C:2025:429 (Eesti Suurkiskjad).
ABRvS 5 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3416 (Voordelta); en ABRvS 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770 (Noordzeekustzone), r.o. 2.10.2.
Habitatrichtlijn, artikel 1 en EU guidance ‘Setting conservation objectives for Natura 2000 sites’ https://circabc.europa.eu/sd/a/68834981-033a-4d8e-b306-54dd8b6f48fa/Commission note on setting conservation objectives.pdf.
EC 2005. Assessment, monitoring and reporting of conservation status – Preparing the 2001–2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3)– pag. 5: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/Bibliotheek/Europa/ EC%202005%20Assessment%2C%20monitoring%20reporting%20conservation%20status.pdf.
Vogelrichtlijn, artikel 2; andere EU richtlijnen en de Omgevingswet hanteren wel het begrip staat van instandhouding bij vogels. Zie ook Vogelrichtlijn, artikel 4 en het arrest C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, punt 34 waarin verwezen wordt naar het arrest C 441/17, EU:C:2018:255, punt 210.
EC 2005. Assessment, monitoring and reporting of conservation status – Preparing the 2001–2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3) en EC, 2022. Explanatory notes in support to the reporting format referred toin Article 17 of Directive 92/43/EEC (Habitats Directive). Final version, November 2022.
De criteria voor deze kwalificaties komen uit: EC 2005: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/Bibliotheek/Europa/ EC%202005%20Assessment%2C%20monitoring%20reporting%20conservation%20status.pdf– pag. 15–21.
Nationale Databank Vegetatie- en habitatkarteringen https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=NDVH_Prof.
Monitoring van de Waterstaatkundige Toestand des Lands: https://waterinfo-extra.rws.nl/monitoring/.
Nederlandse bosseninventarisatie: https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/environmental-research/projecten/bosinventarisatie.htm search/projecten/bosinventarisatie.htm.
Vogel R., Foppen R. & van den Bremer L. 2024. Inschatting van het haalbare populatieherstel in 2023–2050 van vogelsoorten met een ongunstige staat van instandhouding. Sovon-rapport 2024/49. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. https://pub.sovon.nl/pub/publicatie/21940
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet. europa.eu/help/habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
De Europese richtsnoeren laten in uitzonderingssituaties ruimte voor een lager niveau, wanneer bij inwerkingtreding van de richtlijn sprake was van overpopulaties, bijvoorbeeld als gevolg van kunstmatig bijvoeren. Die situatie was in Nederland nergens aan de hand. Daarnaast kan het voorkomen in zeldzame situaties waarbij op landelijk niveau noodzakelijkerwijs gekozen moet worden tussen twee instandhoudingsdoelstellingen, waarbij enige achteruitgang ten opzichte van een van de behoudsdoelen toegestaan ‘ten gunste van’ de andere instandhoudingsdoelstelling.
Ottburg, F.G.W.A. & C.A.M. van Swaay (red., 2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 124. https://edepot.wur.nl/359115; Bijlsma, R. J., Janssen, J. A. M., Weeda, E. J., & Schaminée, J. H. J. (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland Wageningen UR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 125. https://edepot.wur.nl/342755.
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet.europa.eu/help/ habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Kuiters, A.T., R.J. Bijlsma, J.A.M. Janssen & A.M. Schmidt (2024). Geactualiseerde gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreiding van soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn. WOT-technical report 269. https://edepot.wur.nl/680539.
R. Vogel et al., Methodiek voor de bepaling van de staat van instandhouding van vogels, SOVON (2024); https://stats.sovon.nl/pub/publicatie/21323
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024: https://cdr.eionet.europa.eu/help/ habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Guidelines on concepts and definitions, Article 17 of Directive 92/43/EEC, Reporting period 2019–2024 (p. 89): https://cdr.eionet.europa.eu/ help/habitats_art17/Reporting2025/Final%20Guidelines%20Art.%2017_2019–2024.pdf.
Voor habitattypen H1110 en H1170 geldt een afwijkend percentage van minimaal 75% in goede kwaliteitstoestand en minder dan 15% in een slechte conditie. Dit is ecologisch onderbouwd in de bouwsteen (zie paragraaf 3.1) voor H1110 en H1170 en past binnen de mogelijkheid voor een afwijkend percentage die de Natuurherstelverordening (artikel 5, lid 1 onder d) voor deze habitattypen biedt.
Waar de doelen voor de oppervlakte van een habitattype en de omvang van een populatie zijn uitgedrukt in andere eenheden dan kilometerhokken, gaat het ook om een oppervlakte of omvang die als duurzaam kan worden beschouwd.
Bijlsma, R. J., Janssen, J. A. M., Weeda, E. J., & Schaminée, J. H. J. (2014). Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland Wageningen UR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 125. https://edepot.wur.nl/342755.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-1595.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.